|
|
|
| |
| | | |
Daas ‘Paardevlieg’ en zijn varianten in de Nederlandse en
Nederduitse dialecten
J. GOOSSENS
De jubilaris is een wijs man. Hij zal dus even glimlachen bij de constatering dat
mijn verjaardagscadeautje uit beschouwingen over de naam van een lastig,
bloedzuigend insekt bestaat, waarbij dan nog blijkt dat die naam iets met dwaas te maken heeft. Ik van mijn kant weet dat hij van het
oplossen van dialectologisch-etymologische puzzels houdt - er bestaan
taalkundige bezigheden waar minder vakkennis en scherpzinnigheid voor nodig is -
en heb daarom dit onderwerp uitgekozen.
Een paardevlieg of daas (tabanus) is een platte vlieg met
schubachtige beharing, grote, vaak opvallend gekleurde ogen en soms gevlekte
vleugels. Het wijfje is een vervelende bloedzuiger. Dazen zijn vooral op hete
zomerdagen hinderlijk voor het vee. Met dit insekt mag niet verward worden de
runderhorzel (oestrus), die niet steekt of bloed zuigt, maar zijn eieren in het
haar van de koeien legt; deze komen door aflikken in het spijsverteringskanaal
en zo in de bloedbaan van het vee terecht, waar ze zich onder de huid in
opvallende bulten tot larven ontwikkelen.
Daas is een van die woorden die vanuit hun primaire
verspreidingsgebied bij ons ten gevolge van de Nederduitse kolonisatie der
gebieden ten oosten van de Elbe daar een nieuw leven zijn begonnen. Het
secundaire areaal van dase is te vinden in de DWA V op de
deelkaarten 1 en 2 van de ‘Viehbremse’, grotendeels ook op de kaarten
‘(Vieh-)Bremse (Tabanus-Arten)’ in kol. 731-732 en ‘Dasselfliege
(Oestrus-Arten)’ in kol. 935-936 van deel 1 van het Bandenburgisch-Berlinisches
Wörterbuch (BBW). Het heeft ongeveer de Elbe als westgrens van Dessau tot aan de
monding van de Havel en vormt een ring rond Berlijn, die aan de zuidoostkant
niet helemaal gesloten is. Berlijn - voor zover men in een grote stad zo een
woord kent! - en zijn omgeving zeggen samen met de streken ten Z.O. daarvan bremse, wat | | | | kennelijk een vernieuwing is, die
door eiland- en trechtervorming het dase-gebied heeft
uitgehold. Dase zelf reikt via een noordelijke verbinding ten
oosten van Berlijn nog juist tot aan de Oder, die zijn gebied halfweg tussen
Frankfurt en Stettin over een korte afstand begrenst. De DWA geeft als uitspraak
op dase, doase, en voor twee kleine bruggehoofden ten westen
van de Elbe doosk(e), doask(e) resp. dasecke,
dasicke, doasecke. Hierin zal wel het k-suffix steken
dat veelvuldig in diernamen optreedt en moeilijk van de diminutiefuitgang te
scheiden is. Sperlbaum, die dat suffix op een reeks woordkaarten van benamingen
van dieren onderzocht heeft, behandelt echter dit ondertype van daas niet(1). Korte Duitse
studies over het woord zijn te vinden in een opstel van
bischoff
, in het bekende boek van
teuchert
en in twee woordenboekartikelen van
wiese
(2). We leren
daar verder uit dat ons woord soms (volgens Teuchert ‘meist’) in verbinding met
het adjectief blind in een woordgroep blinde
dase of een samenstelling blinddase gebruikt wordt. Wiese
brengt twee bewijsplaatsen voor de stelling dat blinne Daasen
een benaming voor kleine soorten paardevliegen is. Uit zijn Dase-artikel en de kaart ‘Dasselfliege’ blijkt dat in het gebied met dase ‘paardevlieg’ dit woord verspreid ook in de betekenis
‘runderhorzel’ werd opgegeven. Het lijkt wel zo te zijn dat veel informanten de
twee insektensoorten niet goed uit elkaar konden houden. Of moeten we
voorzichtiger formuleren: dat in meer burgerlijke varianten van de Brandenburgse
dialecten het woord dase globaaltoepasselijk is geworden? Wat
er ook van zij, dezelfde verwarring komt ook in het ‘moederland’ van dase voor; als er die niet was geweest, had ik zelfs bijgaande
kaart niet kunnen tekenen en dit artikel niet kunnen schrijven.
Blijkens de eerste DWA-kaart wordt de term dase ook in een deel
van het noordelijke Duitse Nederrijngebied gebruikt, wat bevestigd wordt door
het RWB 1, 1275 en 9, 1098. Het gaat hier duidelijk om een uitloper van het
grotere Nederlandse gebied, dat tot voor kort nog hoegenaamd niet onderzocht
was. Onlangs heeft
j. meerten
in zijn licentiaatsverhandeling(3)
een intelligent hoofdstuk aan de benamingen van de paardevlieg in Vlaams-België
gewijd, dat mij samen met mijn eigen kaart voor Belgisch-Limburg, met de
gegevens die mij door het P.J. Meertens-Instituut en de Nijmeegse Centrale voor
Dialect- en Naamkunde werden bezorgd en met materiaal uit onze
dialectwoordenboeken in staat stelde, die ontbrekende studie te schrijven.
| | | |
Meerten is bij de schifting van het materiaal voor zijn kaart als volgt te werk
gegaan: hij nam de gegevens van ZD-lijst lu (1922), vraag 30 (‘daas,
paardenvlieg (Fr. taon)’) en verwijderde daaruit alle twijfelachtige opgaven
(paardehorzel en varianten, strontvlieg,
dol enz.), in totaal 15 types. Wat overbleef leverde weliswaar een
betrouwbare kaart op, maar met een zeer grof net. Dan onderzocht hij het
materiaal van ZD-lijst 27 (1938), vraag 22, naar de benamingen van de
paardehorzel: ‘Hoe heet de groote hommel, waarvan gezegd wordt dat ze paarden
steekt?’ Ook hier wemelde het van foute opgaven, waaronder termen waarmee
primair de paardevlieg wordt aangeduid. Deze laatste werden met de bruikbare
gegevens van lijst lu gecombineerd. Het resultaat was een kaart met 248
vindplaatsen, waaronder 40 Limburgse. Deze laatste zijn op mijn kaart vervangen
door de gegevens voor 181 plaatsen die ik zelf in de jaren vijftig, grotendeels
mondeling heb verzameld, en die preciezere fonetische informatie bevatten.
Daarmee hebben we dan geluk, omdat blijkt dat voor deze provincie een
nauwkeuriger analyse van de klankgestalte van ons woord nodig is. Uit de
combinatie van de drie soorten gegevens blijkt dat vormen van het woord daas het hele Vlaamse land overdekken met uitzondering van
drie gebieden: 1) de westelijke helft van West-Vlaanderen, waar
globaaltoepasselijk op de paardevlieg en de (paarde)horzel de term pauw wordt gebruikt, 2) het Z.O. van Oost-Vlaanderen, een areaal dat
iets groter is dan het arrondissement Aalst, met bouwel (baal)
of - in de onmiddellijke omgeving van Aalst - bouwer (baar), 3) een paar grensdorpen bij Maastricht in het Z.O. van Belgisch-Limburg, met praam, een woord dat zich blijkens het materiaal van het WLD (zie
beneden), de woordenboeken/-lijsten van Jongeneel
(Heerlen), Dorren (Valkenburg), Van der Heijden
(Sittard), Vrijdag
(Mheer-Banholt), Jaspars
(Gronsveld), Hermanns (Aken), het RWB 6, 1068 en de
eerste kaart van de DWA (spelling Bram) in het zuiden van
Nederlands-Limburg, het Land van Overmaas en het zuiden van het Duitse
Nederrijngebied voortzet.
Daar het in deze studie alleen op de vormen en de verspreiding van het type daas aankomt, heb ik mij voor het Noorden alleen de gegevens
van dat type uit het materiaal van lijst D18 (1950), vraag 5a, b en c laten
bezorgen, waarin eigenlijk naar de benamingen van de paardehorzel, de
runderhorzel en de schapehorzel wordt gevraagd(4).
Ook uit het Nijmeegse materiaal (Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten; Roukens 3:
18; N 83: 111 en N 26: 9, 29a en b, 35, 36 en addi- | | | | ties;
monografieën) werden alleen maar gegevens van dat type gevraagd. Op grond van
het BBW en van de studie van Meerten kon worden vermoed dat alle vragen naar
benamingen van insekten die het vee plagen iets zouden opleveren. Mijn
verwachtingen werden overtroffen: er was een aanzienlijk aantal opgaven met het
type daas als simplex of als tweede lid van een (verborgen)
samenstelling, waardoor een behoorlijk beeld van de verspreiding van ons woord
ontstond. Wel waren er problemen op de twee flanken van zijn areaal. In het
westen bleven de Zeeuwse eilanden met Goeree-Overflakkee leeg, maar het WZD
leverde een aantal blinddaeze-gegevens op, zodat ook dat
kaartgedeelte, op Zuid-Beveland na, min of meer gevuld is. Blind-daeze heeft op de Zeeuwse eilanden concurrentie van stôôter, dat volgens het WZD op Zuid-Beveland (als enige benaming?)
voorkomt, maar ook elders in Zeeland bekend is. Moeilijker te beoordelen is de
toestand ten oosten van de IJssel. Geïsoleerd waren in het materiaal de Twentse
opgaven blindaze voor Geesteren G 143
en blindasche voor Enschede G 234;
het feit dat voor de laatste de fonetische toelichting ‘sch = [sχ]’ wordt
gegeven, maakt zijn isolering nog sterker(5). De intussen vrij rijke Twentse
woordenboekliteratuur geeft ons echter vertrouwen. De meest gebruikte term
schijnt hier bleenden te zijn, maar Bezoen kent (wel voor Enschede) ook blindaafschen, bleendaawschen, Gigengack voor Enschede-Lonnekerzijde G 210 blindaawske en voor Almelo G 173 blindawsters, Dijkhuis (alleen voor
Borne G 210?) bleendaawschen,
blindaafschen(6). De gegevens voor deze
plaatsen zijn op de kaart met een w gemarkeerd. Daar is aan
toe te voegen dat in de lijst van Buser (voor Lochem G 246?) daas ... ‘blinde daas’
wordt opgegeven(7). We kunnen dus
vermoeden dat (uitstervende?) varianten van (blind)daas ook
het gebied tussen de IJssel en de Duitse grens grotendeels vullen. De gegevens
laten echter niet toe, hier tot het trekken van een isolex over te gaan. Voor
het Duitse gebied onmiddellijk ten zuiden daarvan heb ik de woord- en
klankgrenzen uit de eerste kaart van de DWA overgenomen, ook al buigt de isolex
van daas met zijn varianten hier tussen Emmerik en Kleef zeker
te ver naar het westen.
De gegevens van de DWA, de NCDN en van mijzelf maakten het mogelijk, het gebied
met de varianten van ons woord tussen de Rijn en de taalgrens aan de oostkant af
te bakenen. Daarentegen heb ik in Zuid-Holland de verspreiding van daas niet door middel van een lijn afgebakend. Het kaartbeeld leert
dat op de reeds genoemde gaten na | | | |
daas met zijn varianten een zuidelijk woord is, dat echter in
het Noorden tot aan de Zuiderzee reikt en zelfs de IJsselmonding overschrijdt.
Binnen zijn gebied is formeel de belangrijkste grens de stippellijn tussen een
oostelijk areaal, omvattend de delen van de noordelijke Nederrijn (behalve de
onmiddellijke omgeving van Kleef) en van
Nederlands-Limburg die het woord kennen evenals het N.O. van Belgisch-Limburg,
en de rest. Het genoemde oostelijke gebied heeft in het type (blind-, scheel-)daes (enkele malen döös) een
vocalisme dat normaal overeenstemt met wg. e en met secundaire
umlaut van a, beide in open lettergreep. Het hele gebied ten
westen en ten noorden daarvan, behalve het zuiden van Belgisch-Limburg, heeft
daarentegen de normale representatie van een nl. lange a,
d.w.z. meestal een aa of ao-achtige klinker;
maar de regel geldt ook voor de ae in blinddaeze op de Zeeuwse eilanden, die dus anders te beoordelen is dan de
ae in het oostelijke gebied(8).
Uit dialecten die de gerekte a van de wg. â
(gemeeng. ê1) onderscheiden, blijkt dat
die lange a historisch een gerekte korte is, zoals ook al FvW
vaststelden. Wat het finale stuk van het simplex of van het grondwoord in de
samenstelling met blind- betreft, dit wordt door de
informanten -s, -ze of -zen geschreven; met
de laatste vorm is zeker het meervoud bedoeld, maar de tweede, die vooral in het
westen voorkomt, is moeilijker interpreteerbaar. Voor een deel gaat het hier om
meervoudsvormen, voor een ander deel echter om Vlaams-Zeeuwse vormen van het
enkelvoud, die in daze geen apocope van de -ə hebben
meegemaakt. De idiotica uit dit gebied laten zien dat de toestand hier nogal
grillig is, maar dat er toch systeem in steekt: Joos
en Lievevrouw-Coopman hebben daas,
Teirlinck daarentegen daze.
De Bo geeft ‘daas, m., doch
meest daze, v.’. Dit is de sleutel, die blijkens de
genusopgaven van de andere idiotica voor het hele Vlaams geldt, wel met inbegrip
van Zeeuws-Vlaanderen, waar volgens het WZD naast daoze ook
daos voorkomt in het Land van Hulst: de eenlettergrepige
vorm is masculien, de tweelettergrepige feminien. Wisseling van die twee genera
komt ook ten oosten van het Vlaams voor, maar hier is door de algemene apocope
van -ə geen verschil meer aan het substantief te zien: Cornelissen-Vervliet m. of v., Goossenaerts v., Tuerlinckx
v. (hij noemt het woord m. in Klein-Brabant), Goemans
m., Rutten v. Het bleek in de praktijk niet mogelijk
de masculiene vorm daas van de feminiene daze (westelijk) of daas (verder oostelijk) of ook van
de meervoudsvorm daze te scheiden. Al deze vormen hebben dus
op de kaart hetzelfde teken.
| | | |
Het zuiden van Belgisch-Limburg vertoont een bontheid aan vormen, die in hun
vocalisme en consonantisme sterk van de tot nog toe besproken types afwijken.
Daarbij bestaat er een correlatie tussen het optreden van een medeklinker tussen
de klinker en de -s enerzijds en de kwantiteit van die klinker
anderzijds: is er zo een medeklinker, dan is de klinker meestal kort; is er die
medeklinker niet, dan is de klinker steeds lang. In het grootste deel van
Zuid-Belgisch-Limburg is de medeklinker een p en hebben we de
types daps (in de westelijke twee derde van Limburgs
Haspengouw) en zaps (Zuidoost-Haspengouw); in zes plaatsen ten
N.W. van Maastricht is de klinker lang: daops, in een zevende,
Gellik Q 87 (tweemaal gecontroleerd) gaat de lange
klinker gepaard met een m (zo gemarkeerd op de kaart): daoms, in een achtste, Genk Q 3 met
een anlautende j (zo gemarkeerd): jaops,
daarnaast ook blènjaops. Bij de centrale westgrens van de
provincie is de medeklinker een t: dats (P
43, 47), dets (gemarkeerd met een e: K 315,
P 44, 46, 48), blinddets (ook zo gemarkeerd: K 367, P 45), blinddöts (gemarkeerd met ö: K 316, 318),
blinddats (K 359), en met lange klinker blinddaots, blinddaats (K 358, 360, 361, L 413, 414, P 51, Q 1).
Er heeft met ons lexeem ook woordvorming door samenstelling en afleiding
plaatsgehad. Wat de afleiding betreft is er een gesloten gebied in het oosten
van de Antwerpse Kempen met een Brabantse noord- en een Limburgse westrand en
los daarvan nog een tweede areaal in het oosten van Noord-Brabant en een klein
derde bij Breda, waar dazerik wordt gezegd, met een sufix -erik, dat enkel nog in Zuidnederlandse dialecten produktief
is(9). Het
komt bij enkele plantnamen (bolderik, herik) voor en wordt ook
aan een aantal diernamen gehangen; het duidt dan het mannelijke specimen aan
(ganzerik, duiverik), wat hier kennelijk niet het geval
is. Daarnaast wordt het met adjectieven verbonden die een ongunstige betekenis
hebben; het duidt dan een drager van die slechte eigenschap aan (viezerik, dommerik, stouterik); dit vormt samen met de tegenstelling
daas m./ daze v. (vormen als een gek, een zot, een dwaas kunnen geen vrouwelijke wezens
aanduiden, wel een gekke, zotte, dwaze) een indicatie om in
daas historisch een adjectief te zien.
Wat de samenstellingen betreft, moet ik ten eerste bekennen dat ik in enkele
gevallen een vereenvoudiging heb doorgevoerd. Bij de vraag naar de paardehorzel
werd verspreid 7 x een type paardedaas, | | | |
paardsdaas opgegeven, bij die naar de runderhorzel tweemaal
het type koeiedaas, bij die naar de schapehorzel eenmaal schapedaze: voor K 95 Dubbeldam. De
leverancier van die opgave heeft tegelijk voor een van de koeie- en een van de paardedazen gezorgd! Deze
opgaventypes verschijnen op de kaart allemaal als daas.
Daarnaast zijn er echter twee onbetwistbare samenstellingen met eigen
verspreidingsgebieden.
De eerste is blinddaas. Zij vult een vrij groot centraal gebied
met een scherpe zuidgrens, die samenvalt met de Scheldemonding en dan een lijn
vormt van Antwerpen naar Turnhout; ten oosten van deze laatste stad valt zij
ongeveer samen met de rijksgrens tot in de buurt van Weert. De noordgrens van
blinddaas is veel minder duidelijk. Weliswaar kunnen Waal,
Bergse Maas en Hollands Diep als scheiding van het noordelijke daas worden genoemd, maar ten oosten van Utrecht lopen daas en blinddaas door elkaar. Los van het geschetste
areaal bestaat er aan weerskanten van de grens der types met aa- en ae-vocalisme in Belgisch-Limburg een tweede
gebied waar een samenstelling met blind als eerste lid wordt
aangetroffen, waarvan de ondertypes met -t- aan de aa- kant al zijn genoemd. Blinddaas met zijn
varianten bevat als eerste lid niet een ongeflecteerd adjectief (type zuurkool, kleinkunst), maar is uit een woordgroep blinde daas samengegroeid. Daarop wijzen nog enkele opgaven die als
woordgroep zijn geschreven. Waar het grondwoord feminien is, moest de -e van het adjectief meestal afvallen; in Limburg gaat dit bij
oorspronkelijk stemhebbende syllabegrens gepaard met stoottoon(10). Daar dit in de Limburgse vormen van het eerste lid
inderdaad het geval is, staat zijn geflecteerdheid vast. De medeklinkergroep
-n(d)(e)d- op de syllabegrens vertoont in bijna het gehele
Limburgse gebied met ae-vocalisme mouillering: blènjaes, op vijf plaatsen (L 368, Q 10-13) zelfs velarisering: blèngaes, blèngöös, waarbij de anlautende d
van het tweede lid in de palatale of velare nasaal is opgegaan. In het grote blinddaas-areaal zijn er twee gebiedjes aan te wijzen waar een
neiging tot herinterpretatie van het grondwoord bestaat: blindhaas,
blinde haas (gemarkeerd met een h, die tussen haakjes
staat wanneer daarnaast een vorm zonder h werd opgegeven) werd
gemeld voor een zestal plaatsen ten zuiden van Breda en vijf in de buurt van de
IJssel. In het oosten van Noord-Brabant komen naast blinddaas
en dazerik ook blinddazik (blinddaas-teken
met ik-markering) en blinddazerik voor. Zij
zijn wel als contaminaties te beschouwen. Het tweemaal op- | | | | getekende
blinddazie (L 229a en L 264; met ie
gemarkeerd) zou zich uit blinddazik ontwikkeld kunnen hebben.
De tweede samenstelling is scheeldaas, wel uit schele daas. Zij neemt het grootste deel van het Limburgs-Nederrijnse
gebied met ae-vocalisme van daas in. In het
eerste lid schijnt men het woord scheel niet meer te
herkennen, zoals uit de uitspraak sjildaes, sjeldaes in het
Limburgs (Beenen schrijft voor Herten L 330 zelfs sjöldaers) en de spelling Schal(l)däs(e)) in de DWA blijkt. Tot de toevoeging van de
adjectieven blind en scheel hebben wel de
opvallende ogen van het insekt bijgedragen, evenals de manier van vliegen, zich
neerzetten en bloedzuigen, die een ongecontroleerde indruk maken; op dit gedrag
wordt in verscheidene woordenboek gewezen (WNT 2, 2858, Cornelissen-Vervliet,
Bijvoegsel s.v. dazerik, Goossenaerts s.v. blinddaas, Limburgs idioticon s.v. blinddaats). In
de mark Brandenburg heette het in de eerste helft van vorige eeuw van de blinge Dåsen nog: Sei seien immer, de können nich
kiken (BBW s.v. dase).
Wat voor een woord steekt er in het tweede lid van de samenstellingen en in het
simplex met zijn zo sterk variërende fonologische opbouw? Zoals we gezien
hebben, vormen de verhouding van de klankgestalte van het woord en zijn genus
evenals de afleiding dazerik argumenten voor de stelling dat
daas een gesubstantiveerd adjectief is. Dit komt goed
overeen met een suggestie in het WNT en NEW, volgens wie daas
‘misschien oorspr. één’ zou zijn (WNT) resp. ‘waarsch. te verbinden’ (NEW) met
het adj. daas, volgens het WNT een bijvorm van dwaas. FvW gaan niet zo ver. Zij vragen zich af, of het znw. daas bij dazen en bedeesd
behoort, en van dazen ‘leuteren’ nemen zij aan dat het is
‘afgeleid van dial. (holl., ook vla., Antw.) daas “dwaas”’,
echter zonder zich over een mogelijke identiteit van de adjectieven daas en dwaas uit te spreken. Daas
kan echter niet gewoon een bijvorm van dwaas zijn, omdat het
een a heeft, en dwaas een â (bedeesd zou volgens FvW umlaut van dit laatste
hebben). Ablaut is echter wel mogelijk. FvW s.v. dwaas wijzen
op het ablautende ‘mnl. ghedwas “dwaasheid, zinsbegoocheling,
spookverschijning” (ook op du. gebied)’ en op duizelen, dat
met zijn bijvorm doezelen nog een andere trap vertoont (idg.
*dhûs-). Ook dier en een reeks woorden
op -l (dol, dwalen, bedwelmen) worden
hierbij betrokken. Beperken we ons tot die met s/z/r, waar we
nog mnl. en nd. dösig ‘bedwelmd, sufferig’ aan toe kunnen
voegen, dan zien we dat ze in een wortelschema passen | | | | waarin
tussen de vaste medeklinkers anlautend idg. dh., germ. d en auslautend idg., germ. s steeds een w of zijn vocalische tegenhanger u, û zit;
daaraan kan een klinker voorafgaan; ook kan er een klinker op volgen. Voor dösig is *dhus-, germ. *dus- aan te nemen, voor duizelen/doezelen *dhûs-, germ.
*dûs-, voor dier *dhewes-, germ. *deu(e)s-, voor dwaas *dhwês-, germ. *dwês-, wg. *dwâs-. Voor ons daas zou ik germ. *dawas- willen voorstellen, wat
men tot *dhowos- kan ‘verindogermaniseren’. Hierin heeft de
klinker van de tweede syllabe, waarop aanvankelijk wel de klemtoon lag, zich
lang gehandhaafd en verhinderd dat de combinatie -aw- zich tot
een scherplange ô ontwikkelde. Het is beter, niet van een
eenvoudige variant met korte klinker van dwaas uit te gaan,
hoewel die waarschijnlijk wel in mnl. ghedwas steekt; afgezien
van het feit dat er in ons materiaal vrijwel geen vormen met een w vóór de klinker zijn te vinden(11),
zouden we met die hypothese bezwaarlijk de vormen met p, m,
f(w) en t vóór de -s kunnen verklaren.
In ons overzicht hebben we de door het NEW s.v. dwaas
gesuggereerde wortelvariant *dheus- niet nodig, tenzij
aangetoond zou kunnen worden dat er in de regionale representanten van duizelen historisch twee verschillende vocalismen zitten.
De wortelvariant germ. *dawas- levert met rekking van de a in open lettergreep en uitstoting van de intervocalische w (via v?) het in de nl. dialecten ruim
verspreide adj. daas ‘dwaas, onwijs, suf’ en het daarvan
afgeleide Vlaamse subst. dazerik ‘domoor, sufferd’ op, dit
laatste vermeld in De Bo, Teirlinck, Schuermans, Bijvoegsel (hier
als Vlaams gekarakteriseerd). Daas ‘paardevlieg’ is hetzelfde
woord als het adjectief (voor zover het feminien is met een uitgang -e, die buiten het Vlaams afgevallen is); dazerik ‘paardevlieg’ is parallel daarmee identiek met het substantief,
maar heeft thans een meer oostelijk verspreidingsgebied. Semantisch en formeel
te vergelijken is Zuidbrabants (Schuermans, Cornelissen-Vervliet, Claes, Bijv. Tuerlinckx, Goemans) dol ‘bromvlieg’ naast het adj. dol, waarvan
ook een subst. dollerik is afgeleid (WNT onder afl. van dol VIII), dat mij echter niet in toepassing op de bromvlieg
bekend is.
In de ontwikkeling van *dawas- tot daas zijn
twee dingen gebeurd: de a is in open lettergreep gerekt en de
intervocalische labiale fricatief resp. semivocaal is uitgevallen(12). In drie randgebieden heeft de labiale consonant zich echter
kunnen handhaven na uitval van de sjwa der tweede lettergreep: 1) In het
Westfries, waar ons woord niet in de | | | | betekenis ‘paardevlieg’
voorkomt, is het adj. daaps voor Drechterland (Karsten) in de betekenis ‘onwijs, niet goed snik’ en
voor Texel (Keyser) in de betekenis ‘vreemd,
eigenaardig’ opgetekend(13). De fricatieve labiaal is hier voor de
-s tot een occlusief gedissimileerd. Hoever deze vorm in
Noord-Holland naar het zuiden reikt, is niet duidelijk. In ieder geval hebben de
Zaanstreek (Boekenoogen) en Volendam (Van Ginneken, Drie Waterlandse dialecten 2, 809) al het
type daas. 2) In Twente komen de reeds genoemde vormen van het
type blindaawsche, blindaafsche voor. Hier heeft dus geen
dissimilatie plaatsgehad. We kunnen zelfs vermoeden, dat de sjwa van de tweede
lettergreep pas in een recente periode is uitgevallen en de spellingen met w op een nog niet (geheel) verstemloosde labiaal wijzen(14). 3) In de zuidelijke helft van Belgisch-Limburg met een
uitlopertje in het oosten van Brabant is in de insektennaam op dezelfde manier
als in het adj. in de kop van Noord-Holland de fricatief tot een occlusief
gedissimileerd. In tegenstelling tot daar is de ontwikkeling in Limburg echter
niet in die fase blijven steken. Bij de verdere evolutie viel dit gebied in een
noordelijk en een zuidelijk stuk uit elkaar. In het noorden kon de gerekte
klinker zich handhaven (type daaps), in het zuiden werd hij
voor de medeklinkercluster verkort (type daps). Het
noordelijke type kon met het adj. blind tot een samenstelling
vergroeien (type blinddaaps); wanneer hierin op de
lettergreepgrens mouillering optrad (blindjaaps), kon er na
weglating van het eerste lid een simplex jaaps ontstaan (= jaops, Genk Q 3). In een plaats,
Gellik Q 87, is de labiaal niet tot een occlusief,
maar tot een nasaal gedissimileerd (daoms). In het westen van
het gebied met ontwikkeling van de labiaal tot een occlusief, zowel in het
areaal met klinkerverkorting als in dat met bewaarde rekking, is een assimilatie
der articulatieplaats van de p aan die van de s doorgevoerd (vergelijkbaar met b.v. Zuidoostlimburgs en Ripuarisch bots ‘broek’ uit boks(15). Zo
ontstonden de types dats en daats, dit
laatste uitsluitend in de samenstelling blinddaats (blinddaots). Is in deze types de auslautende cluster vroeger
sterk palataal gerealiseerd? Daarop schijnt het feit te wijzen dat (blind)da(a)ts zich in enkele Limburgse plaatsen tegen de Brabantse
grens tot (blind)dets heeft ontwikkeld. De overgang van -ats tot -ets vinden we ook b.v. in ketsen naast kaatsen, Brabants dretsen naast dratsen ‘spatten’, flets, volgens Pauwels uit fr. flache, kretsen naast krassen(16). Dit palatale vocalisme is
kennelijk heel anders te beoordelen dan dat van het Oostlimburgs-Nederrijnse (blind-, scheel)daes, waarover zo dadelijk nog iets meer. In
Heppen K | | | | 316 en Beverlo K 318, die blinddöts hebben, moeten de
verkorting en de palatalisering van een lange open velaar (blinddaots) zijn uitgegaan, die in enkele meer oostelijk gelegen
plaatsen van het Limburgse blinddaats-gebiedje is bewaard.
Het Zuidoosthaspengouwse zaps is uit daps
ontstaan en wel via een mouillering van de d. Uit het
Oostelijke gedeelte van hetzelfde gebied is een parallel geval bekend: het
possessiefpronomen zijn voor dijn ‘jouw’,
waarvoor Stevens de volgende evolutie aanneemt: d > ḍ > dj > d ʒ > ʒ > z(17). Hierin
volgt op de dentaal een palataal vocalisme, dat een gunstige voorwaarde voor
zijn mouillering schiep. Daar dat in daps/zaps niet het geval
is, lijkt het gerechtvaardigd de vraag te stellen (zonder ze te kunnen
oplossen), of in het zaps-gebied misschien vroeger de
samenstelling *blinddaps is gebruikt, waarin dan de
mouillering van het eindstuk van het eerste lid zou zijn uitgegaan, een eerste
lid dat later - evenals in het Genkse jaops - is weggevallen.
Blijft nog over het ae- (sporadisch öö-)
vocalisme van Oostlimburgs-Nederrijns (blind-, scheel)daes, -döös. Zoals al werd vastgesteld, kan dit secundaire
umlaut van wg. a in open lettergreep representeren. Dit
vocalisme wordt in het Limburgs vaak aangetroffen in morfologische alternanties
bij woorden die in de grondvorm een gerekte a hebben.
Morfologische umlautsalternanties treden in het Limburgs bij substantieven op in
de meervouds- en de diminutiefvorming. Van een klankwettige secundaire umlaut
van een korte a met rekking van het umlautprodukt in het mv.
tegenover een korte of gerekte a zonder umlaut in het ev. zijn
echter geen voorbeelden aan te wijzen. Wat wel voorkomt, is dat er van woorden
met een gerekte a in het ev. pluralia met een analoge
umlautklinker worden gevormd, die in een vocaalsysteem passen waarin een reeks
vocalen die in ev.-vormen optreden, met hun umgelautete tegenhanger in het mv.
morfologisch alterneren zoals hoes ‘huis’ vs. huus ‘huizen’, boum ‘boom’ vs. böüm ‘bomen’ enz. Zo geeft
grootaers
voor Tongeren als mv. van kraog,
aop, slaog en staof op: kröög, ööp,
slöög, stööf(18). Het geronde analoge umlautvocalisme
is hier blijkbaar op basis van de velare realisatie van de ev.-klinker in de
Tongerse reprensentanten van kraag, aap, slag en staf ontstaan. Dit vocalisme treffen we in enkele Belgisch-Maaslandse
dorpen in blèngöös aan, waar de niet umgelautete gerekte a voor dentaal eveneens velaar wordt gerealiseerd. In het
overgrote deel van het oostelijke gebied dat ons hier bezig houdt, is | | | | de realisatie van die klinker echter een open lange a. Daarvan kan de analoge umlaut echter geen geronde klinker, maar moet
hij integendeel een open ae opleveren. En dat is inderdaad het
vocalisme dat we in daes, blènjaes en var., sjildaes en var. aantreffen. In dit gebied moet dus het volgende zijn
gebeurd: naast (blind-, scheel)daas ontstond
een analoog mv. (blind-, scheel)daes, dat in
een latere fase als ev. werd geherinterpreteerd, zodat een nieuw mv. (blind-, scheel)daeze(n) nodig werd.
Daarmee is, hoop ik, de oorspronkelijke identiteit van alle vormen op de kaart
aangetoond. Het behandelde geval laat zien dat taalkaarten ook een functie
kunnen hebben die tot nog toe in de dialectologie weinig gebruikelijk is.
Meestal bestaat het interpreteren van taalkaarten in het beantwoorden van de
vraag hoe de taalgeografische verhoudingen tot stand zijn gekomen die erop zijn
afgebeeld. In dit geval echter levert de kaart een bijdrage tot de etymologische
opheldering van woordvormen die raadselachtig zouden zijn gebleven wanneer ze
niet ruimtelijk naast elkaar waren geprojecteerd.
Op de vraag of het mogelijk is, het oorsprongsgebied van het Brandenburgse dase op grond van dit onderzoekje preciezer te bepalen, is
volgend niet zeer bevredigend antwoord mogelijk: het hele Nederlandse
taalgebied, van Holland en Overijssel tot aan de Romaanse taalgrens, komt in
aanmerking, met uitzondering evenwel van Twente, van Limburg en ook wel van het
Nederrijnse (scheel)daes-areaal.
| |
| | | |
[Kaart]
|
(1)MARGRET SPERLBAUM, Tiernamen mit
k-Suffix in diachronischer und synchronischer Sicht.
Gie ßen 1957 (Beiträge zur deutschen Philologie 16).
(2)K. BISCHOFF, Zur Westgrenze der niederfränkischen
Wörter Ostdeutschlands. Zeitschrift für Mundartforschung 14(1938), 199-223
(tekst p. 204, kaart p. 205). H. TEUCHERT, Die Sprachreste der
niederländischen Siedlungen des 12. Jahrhunderts. Neumünster 1944 (herdruk
Köln/Wien 1972), 354 en schetskaart p. 355. Artikelen Dase
en Dasselfiege in BBW 1,932 en 935-936.
(3)J. MEERTEN, De
dialectische benamingen van enkele begrippen in verband met de dierenwereld.
Licentiaatsverhandeling Leuven 1984, hoofdstuk III: De paardevlieg.
(4)Ook
lijst 45 (1970), vraag 26 (larve van de runderhorzel) leverde enkele
gegevens op, die mij door een attente Jan Berns mee werden bezorgd.
(5)Hierin zal
wel hetzelfde suffix steken als in de genoemde vormen met - k- aan de Elbe.
(6)H.L. BEZOEN, Taal en volk in
Twente. Assen 1948, 134. J. GIGENGACK, Twentse woorden en gezegden. Enschede
1980 2, 122. G.J.H. DIJKHUIS, Twents in woord en
gebruik. Borne 1981 2.
(7)De lijst van T.H. Buser is de vierde
in: 19e eeuwse woordenverzamelingen uit Achterhoek en Liemers, uitg. door
A.H.G. SCHAARS. Doetinchem 1983. Het citaat op p. 39.
(8)Ook
in een paar Zuidhollandse dees-gegevens (E 177, K 56) zal
de ee wel een ā representeren.
(9)Zie voor dit suffix H. SCHULTINK, De
morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands. Den
Haag 1962, 209-212 en Schönfeld 1970 8, 227.
(10)P. PETERS, De geslachtsvormen van het adjectief in de
Nederlandsche dialecten. Onze Taaltuin 5 (1936-1937), 357-379. Zie p.
363-373.
(11)De spellingen
dwoeə s voor 0 232 en dwūs voor 0 241 wijzen op een stijgende diftong die wel secundair
uit uə < ā is ontstaan.
(12)Voor de wijd verspreide uitval van de v in hevet zie G.G. KLOEKE, Een oud sjibboleth: de gewestelijke
uitspraak van ‘heeft’. Amsterdam 1956. Vgl. verder o.a. A. VAN LOEY,
Geminatie. HCTD 36 (1962), 83-99 (zie p. 99) en O. LEYS, Synkope en
regressie in het Vlaams en het Nederduits. Med. Ver. Naamk. 39 (1963),
120-150.
(13)Los daarvan kent ook J. VAN
OS, Maas en Waals Woordenboek, Zutphen 1981 ‘ daaps bn.
niet goed snik, achterlijk’. Is er hier aansluiting bij het Twentse gebied
met w, f?
(14)Vgl. J. GOOSSENS, De tweede Nederlandse
auslautverscherping. Ts 93 (1977), 3-23, vooral 8-10 en de daar genoemde
literatuur.
(15)Vgl. W. WELTER, Die niederfränkischen Mundarten im Nordosten der
Provinz Lüttich. Den Haag 1933, 9. Zie ook W. ROUKENS, Wort- und
Sachgeographie in Niederländisch-Limburg und den benachbarten Gebieten.
Nijmegen 1937, I, 205-208 en II, kaart 39, evenals RWB 1, 1088.
(16)J.L. PAUWELS, De consonantenverbinding ts in
het Nederlands. LB 27 (1935), 80-119.
(17)A. STEVENS, Pronominale isomorfen
in Belgisch-Limburg. I. TT 1 (1949), 132-154. Zie p. 138-139.
(18)L. GROOTAERS, Het dialect van
Tongeren. LB 8 (1908-1909), 275.
|
|