|
|
|
| |
| | | |
Dialectologie en taalvariatie(1)
door
J. Goossens Lid van de Academie
De linguïstiek van de 20e eeuw van De Saussure tot Chomsky postuleert
in principe dat talen invariant zijn, waardoor zij als systemen kunnen worden
beschreven. De dialectologie, hoewel een linguïstische discipline,
werd door de theorieën en inzichten van deze linguïstiek
tot diep in de jaren vijftig nauwelijks beïnvloed. Zij hield zich -
tegen de trend van de linguïstiek in - bezig met een aspect van de
taalvariatie, nl. het geografische. Daardoor kon ze van haar kant nauwelijks
invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de linguïstische theorie;
haar resultaten behaalde zij in plaats daarvan op een terrein dat
vóór De Saussure het belangrijkste onderwerp van
linguïstische reflectie was geweest, nl. de taalgeschiedenis. In de
late vijftiger jaren en in de jaren zestig scheen er dan door de ontwikkeling
van de structurele taalgeografie met de nadruk die daarin op het invariante
element structuur werd gelegd, een hechtere verbinding tussen dialectologie en
linguïstiek tot stand te komen, wat door de komeetachtige opkomst van
de TG-grammatica niet zonder moeilijkheden verliep; maar juist toen ging de
linguïstiek er de dialectologie weer eens vandoor. Eigenaardig genoeg
was dit het gevolg van een inzcht waarmee dialectologen uiteraard vertrouwd
moesten zijn, dat ‘heterogeneity is not only common (in language), it
is the natural result of basic linguistic factors’(2).
| | | |
In de dialectologische literatuur sinds het einde van de vorige eeuw zijn er ook
heel wat min of meer expliciete uitspraken over variatie in dialecten te vinden,
en wel niet alleen over geografische, maar ook over alle andere belangrijke
variaties. Dat is ten eerste het geval in een aantal studies over plaatselijke
dialecten. Heel wat auteurs van zulke monografieën verklaren, het
‘echte’ dialect van de oudere laag van de bevolking ofwel
het dialect van een burgerlijke laag, waartoe zij zelf behoren, te willen
beschrijven. In taalgeografische studies of dialectologische handboeken wordt
vaak het probleem besproken of mannen betere zegslieden zijn dan vrouwen of
omgekeerd. De auteurs van al deze werken hebben dus ingezien dat in een
dialectgemeenschap verschillen voorkomen, die met leeftijd, sociale laag en
geslacht samenhangen; zij hebben dit inzicht echter niet zo ver ontwikkeld dat
zij uit deze drie begrippen parameters voor een stratificatie en interpretatie
van het taalmateriaal gehaald zouden hebben. Af en toe zijn er in de
dialectologische literatuur ook korte uitspraken over confessioneel
geconditioneerde tegenstellingen in het taalgebruik te vinden.
Het tweede type van uitspraken over variatie in dialecten is in taalgeografische
werken te vinden. Hierin wordt nl. vaak een synchronische dynamiek in de
diatopische verhouding van taalvormen vastgesteld, die in onrustig verloop van
isoglossen, menggebieden en eilandvorming tot uiting komt. De auteurs van die
studies spreken dan van concurrentie tussen oudere en jongere taalvormen,
sociaal hoger en lager gewaardeerde, fijne en onbeschaafde. Hier worden dus
eveneens leeftijds- en sociale verschillen geconstateerd, en daarbij de
stilistische variatie (m.a.w. verschillen al naargelang van de tekstsoort).
Samenvattend: de dialectologie heeft alle belangrijke variaties in de dialecten
vóór de tijd van de socio- en pragmalinguïstiek
ontdekt, ze heeft die echter niet tot onderwerp van systematische studie
gemaakt.
Als oorzaken van dat verzuim kunnen genoemd worden: 1) De aandacht van de
dialectologie voor taalhistorische, later ook taalstructurele problemen leidde
de aandacht van de geconstateerde niet-geografische variaties af. 2) De studie
van de dialectgeografische verscheidenheid in een gebied kan niet zonder meer
als een onderzoek van taalvariatie beschouwd worden. Het begrip variatie zet
namelijk een eenheid voorop, waarin een verscheidenheid is aan te treffen, zoals
b.v. in de performanties van een standaardtaal of ook van een lokaal dialect.
Vooral in sterk gedifferentieerde dialectgebieden lijkt het overtuigender, de
afzonderlijke lokale dialecten als separate grootheden op te vatten. Dat is dan
ook meestal, vooral in de structurele dialectologie, gebeurd. Wie | | | |
dialecten met elkaar vergelijkt, schijnt zich eerder met contrastieve taalkunde
dan met de studie van variatie bezig te houden. 3) De eigenlijke dialectische
variatie, d.w.z. de met behulp van variabele regels of vergelijkbare procedures
te beschrijven differentiatie onder geografisch oogpunt is per definitie in
menggebieden aan te treffen. Het gebruik van de isoglossen-karteertechniek heeft
zulke problemen echter steeds naar de achtergrond gedrongen. 4) Bij de studie
van geografische variatie is er een combinatie van verschillende gegevens over
realisatietypes van variabelen per plaats noodzakelijk. Om dat te bereiken zijn
de tot nog toe in de dialectologie toegepaste methodes van materiaalverzameling
bijna steeds te eenvoudig geweest.
Anderzijds moet ik beklemtonen, dat het verwijt dat door
sociolinguïsten herhaaldelijk aan dialectgeografische
enquêtes is toegestuurd, namelijk dat deze onbetrouwbaar zouden zijn,
onrechtvaardig is. Wie zo iets beweert verliest uit het oog dat dialectologische
enquêtes zoals ze tot nog toe zijn doorgevoerd, niet de studie van
variaties tot doel hebben, maar wel die van overeenkomsten en contrasten tussen
dialectsystemen. Dit doel wordt met de traditionele methodes van
dialectologische materiaalverzameling grosso modo ook bereikt. Het bewijs
daarvan vormen de taalkaarten zelf, die geografische verdelingen van taalvormen
opleveren. Niet alleen fouten, maar ook verschijnselen die verder gecontroleerd
moeten worden, waartoe meer bepaald ook de geografische variatie behoort,
springen op taalkaarten vanzelf in het oog doordat zij de regelmaat van de
diatopische overeenkomsten en contrasten doorbreken. Dit betekent dat de
traditionele methoden van materiaalverzameling de dialectoloog de variabelen
opleveren die verder onderzocht moeten worden. Daarop kunnen de door Labov en
anderen ontwikkelde methoden van variabelenstudie toegepast worden, waarbij
vanzelfsprekend een aanpassing aan het onderwerp zelf, d.w.z. aan de ruimtelijke
parameter noodzakelijk is.
Hoewel er in de dialectologie op het ogenblik nog geen systematische studies van
taalgeografische variatie met behulp van technieken van het variabelen-onderzoek
zijn aan te wijzen, toch zijn er in de laatste twee decennia duidelijke
aanzetten van een studie der diatopische variabiliteit te vinden. In een artikel
van 1974 heb ik ze voor de Duitse en de Nederlandse taalkunde samenvattend
besproken en ben ik op vraagstukken van kartering van deze problematiek
ingegaan(3). In
hetzelfde jaar ver- | | | | scheen het boek van Peter Trudgill The social Differentiation of English in Norwich, waarvan het 6e
hoofdstuk, The phonological variables, aanzetten van een
variabelengeografie bevat, evenals een artikel van dezelfde auteur, Linguistic Change and Diffusion, dat door Trudgill zelf
gekarakteriseerd wordt als een poging om aan te tonen ‘that the
linguistic variable, together with a number of methodological and theoretical
insights from human geography, can similarly improve our knowledge of the
relationship between language and geography, and of the geographical setting of
linguistic change’(4).
De aanzetten tot een diatopische variabelenstudie zijn op het ogenblik het
duidelijkst in een van de twee grensgebieden van de dialectologie die daarvoor
het meest geschikt zijn, omdat zij zich niet met de diatopie van verschillende
verwante taalsystemen, maar eerder met één enkel in
zichzelf geografisch gedifferentieerd systeem bezighouden. Deze zijn de
historische taalgeografie en de geografie van de gesproken vormen van algemene
taal (wat de Duitsers ‘Umgangssprache’ noemen). Van deze
twee bedoel ik de eerste.
In de historische taalgeografie is vooral de diachronische stratificatie, die men
als een uitbreiding van het principe der leeftijdsstratificatie kan beschouwen,
goed bekend. In genoemd artikel heb ik aangetoond hoe men chronologische
gelaagdheid en geografische verdeling van de realisaties van een variabele kan
combineren. De kaart met het vocalisme in het woord markt in
de Brabantse oorkondentaal, die daar uitvoerig besproken is (kaart 1), maakt de
zin van zo een combinatie duidelijk. Chronologische verschuivingen in de
verhouding van de a- en e-spellingen (a wordt door e verdrongen) zijn vervlochten
met geografische (e heeft zich in het oosten en noorden
vroeger doorgezet dan in het zuidwesten). Er is zelfs een geval van
hypercorrectie in de zin die Labov aan dit woord hecht. De stad Tienen was en is kleiner dan haar zuidwestbrabantse
zustersteden, maar belangrijker dan haar oostelijke buren. Zij vertoont een
typische drang om zich te gedragen zoals de steden waar zij naar opkijkt, en wel
zo dat de Tiense schrijvers zowel in de eerste als in de tweede periode
consequenter volgens de westelijke regel schrijven dan Brussel en Leuven zelf.
| | | |
Wat het onderzoek van de stijlstratificatie betreft, daarvoor is men in de
historische taalgeografie lange tijd bang geweest, hoewel men wist dat er hier
variabele verschillen tussen tekstsoorten te vinden zijn(5). Onlangs is echter een uitvoerig
artikel verschenen dat duidelijke door de tekstsoort bepaalde woordgeografische
verschillen tot thema heeft, hoewel aan te stippen valt dat het concept van de
linguïstische variabele niet expliciet op de voorgrond wordt
geplaatst: K. Kunze, Textsorte
| | | |
und historische Wortgeographie. Am Beispiel
Pfarrer/Leutpriester(6). De onderzochte tekstsoorten
zijn: woordenboeken, wijsdommen, glossaria, grondboeken
(‘Urbare’), oorkonden en kronieken. Studies over andere dan
chronologische en stilistische stratificaties zijn mij uit de historische
taalgeografie niet bekend.
Het diatopisch onderzoek van de ‘Umgangsprache’ staat wat het
Nederlands betreft nergens. In het Duitse taalgebied is het optreden van varatie
in de woordenschat goed bekend sinds de eerste oplage van de Wortgeographie der hochdeutschen Umgangssprache van P. Kretschmer
(1918)(7), die bij talrijke
begrippen het voorkomen van twee woordvormen op één plaats
vaststelde. Deze constatering wordt voor de jongste tijd bevestigd door de pas
verschenen Wortatlas der deutschen Umgangssprachen van
Jürgen Eichhoff(8) waarvan alle kaarten dubbele opgaven
of menggebieden bevatten. De auteur verklaart echter in zijn inleiding dat de
‘systematische Erhebung und Gegenüberstellung von Daten aus
verschiedener sozialen Schichten’ een ‘Aufgabe’
was, ‘die im Rahmen dieses Atlas nicht zur Lösung
anstand’(9). Samenvattend kunnen we zeggen
dat de taalkundigen die zich met de studie van de diatopie der
‘Umgangssprache’ bezighouden, zich meestal het bestaan van
variabelen meer bewust hebben gemaakt dan de dialectologen in enge zin, maar dat
zij die in tegenstelling tot de beoefenaars van de historische taalgeografie nog
niet tot onderwerp van systematische studie hebben gemaakt. We kunnen ons
overzicht van de stand van zaken afsluiten met de constatering dat de
problematiek van de ruimtegebonden taalvariëteit op het ogenblik
sterker in het bewustzijn van de theoretici van de sociolinguïstiek
dan die van de dialectologie schijnt te leven, zoals uit recente handboeken als
dat van Trudgill en Appel- | | | |
Hubers-Meyer blijkt(10), hoewel wat dit laatste betreft, Jo Daan de auteurs er terecht een verwijt van maakt dat
ze te weinig van dialectologie afweten(11). Ten slotte wijs ik er even op dat ik
onlangs een model van de taalvariatie heb voorgesteld waarin de diatopische
parameter op het niveau van zowel omgangstaal als dialecten is
geïntegreerd(12).
***
Wat nu volgt is een schets van een strategie voor een dialectgeografie van de
variabiliteit. Ik bouw die uit in de vorm van een antwoord op zes vragen:
1) Welke gebieden moeten onderzocht worden? Antwoord: Uiteraard
menggebieden. Daarvan zijn twee hoofdtypen bekend: 1. Menggebieden die door
geografisch contact ontstaan zijn. Meestal gaat het om grenszones waarin naast
elkaar twee taalvormen A en B voorkomen tussen een homogeen gebied met slechts A
en een eveneens homogeen gebied met alleen B. Ook eilandvorming door straling op
afstand of relictsituatie evenals trechtervorming die daaruit ontstaat of
daartoe leidt, behoort tot dit type. 2. Menggebieden die door interferentie van
een standaardtalige vorm tot stand zijn gekomen. De frequentie van dit type
neemt in de 20e eeuw steeds meer toe. Heel vaak zijn type 1 en 2 niet van elkaar
te scheiden, nl. wanneer de standaardtalige vorm tegelijk die van een van de
twee arealen A of B is. Het lijkt aan te bevelen met het onderzoek van
menggebieden van het eerste type evenals met die van het tweede waarin de
standaardtalige vorm identiek is met die van een der twee homogene arealen te
beginnen. In deze gevallen kan immers a priori vermoed worden dat er ruimtelijke
verschuivingen in de verhouding van A en B zullen optreden. Aangezien verder de
moeite die aan de materiaalverzameling besteed zal moeten worden, veel groter
zal zijn dan in de traditionele dialectologie, lijkt het verstandig, in het
begin relatief kleine menggebieden te onderzoeken. De kaarten moeten ook
grenszones van de gebieden bevatten waarvan de dialecten categorisch vorm A of
vorm B gebruiken.
| | | |
2) Welke verschijnselen moeten onderzocht worden? Antwoord:
Uiteraard variabele verschijnselen. Deze zijn in alle deelaspecten van de taal
aan te treffen: in de klanken, in de vormen, in de syntaxis, de woordenschat, de
namen. Het aspect dat door de traditionele dialectologie het meest is
verwaarloosd, hoewel de Nederlandse dialectologie zich hierin gunstig van de
buitenlandse onderscheidt, is wel de syntaxis. Misschien is de oorzaak daarvan
juist dat in de syntaxis meestal geen scherpe grenzen tussen naburige en elkaar
gedeeltelijk overlappende types te trekken zijn, wat impliceert dat geografische
variabiliteit in de contactzones eerder regel dan uitzondering is. Om die reden
verdient de syntaxis een voorkeurbehandeling.
3) Welke parameters moeten onderzocht worden? Antwoord:
Uiteraard in de eerste plaats de geografische. Een echte correlatie tussen
variabel gebruik van taalvormen en hun diatopie impliceert het optreden van
taalgeografische wetmatigheden in de vorm van glijdende overgangen, die op
taalkaarten, d.w.z. tweedimensionaal moeten worden weergegeven. In de
sociolinguïstiek is duidelijk geworden dat het niet voldoende is
alleen de parameter ‘sociale laag’ te onderzoeken om de
sociale stratificatie van talen te kunnen interpreteren; men moet die
integendeel met andere parameters in verbinding zetten, niet alleen om de
stratificatie te kunnen interpreteren, maar ook om gewoon met betrouwbare
gestructureerde feiten te kunnen werken. Analoog daarmee moeten in de
dialectologie de andere pragmatische parameters met de geografische vergeleken
worden. Daaruit zijn gevolgtrekkingen te maken voor de materiaalverzameling, die
in punt 4 te behandelen is. We kunnen a priori vermoeden dat de
ééndimensionaal voorstelbare stratificaties leeftijd,
sociaal niveau en stijl voor de dialectoloog belangrijker zijn dan de binaire
geslacht en religie(13). Wanneer men al deze parameters in alle plaatsen van een
onderzoeksgebied erbij betrekt kan men de verhouding van prestigevormen en
andere, eventueel gestigmatiseerde elementen, die er zich in weerspiegelt, beter
leren kennen. Op de kaart moeten dan de geografische uitwerkingen van die
verhouding op basis van alle relevante parameters bestudeerd worden.
Naast ruimtelijk verschillende frequenties van variabele taalverschijnselen, die
met behulp van pragmatische parameters onderzocht kunnen worden, bestaan er ook
geografische schommelingen in het voorkomen | | | | van invariante fenomenen
(diffusie). Deze zijn weliswaar niet onderwerp van diatopische variabelenstudie,
maar kunnen toch met behulp van haar techniek onderzocht worden. Bedoeld zijn
gevallen waarin een diachronische regel met ruimtelijk verschillende frequentie
heeft gewerkt, en wel in die zin dat de mate van de werking van de regel voor
elk dialect afzonderlijk zo bepaald is, dat bij elk in aanmerking komend
taalelement het optreden of ontbreken van de regel categorisch met plus of min
kan worden aangegeven. Voorbeeld: in het Ripuarisch hebben alle hoofdtonige
klinkers in meerlettergrepige woorden voor stemhebbende syllabegrens stoottoon
gekregen. In het aangrenzende Zuidnederfrankisch (Limburgs en Nederrijns)
beperkt zich de consequente werking van de regel tot de open oude lange klinkers
in deze positie. Bij niet oudlange klinkers evenals bij niet open oude lange
klinkers werkt de verscherping (d.i. het stoottonig worden) in een omvang die
voor elk dialect afzonderlijk te bepalen en idiosyncratisch te beschrijven is:
Kaart 2 toont de verhouding bij de toepassing van regel 1 in een aantal plaatsen
tussen Aken en Maastricht(14). In elke onderzochte plaats geeft de witte,
linkse kolom de frequentie van de nietverscherping (de sleeptoon) aan, de zwarte
rechtse die van de stoottoon. In het nog Ripuarische Aken werkt de regel nog
zonder uitzondering. In het centrale zuiden van het gebied is er een duidelijke
grens tussen een oostelijk areaal, waar hij de grote meerderheid van de ervoor
in aanmerking komende gevallen omvat, en een westelijke, waar zijn werking
eerder als uitzondering te karakteriseren is; verder naar het noorden vervaagt
de grens en krijgen we geleidelijke overgangen.
4) De materiaalverzameling. Aangezien alle potentieel relevante
parameters onder diatopisch oogpunt controleerbaar moeten zijn, moeten er in de
afzonderlijke plaatsen van een onderzoeksgebied veel omslachtiger
enquêtes worden doorgevoerd dan in de traditionele dialectologie. | | | | Het onderzoek van de leeftijds- en de sociale stratificatie evenals
van de binaire tegenstellingen zet - zelfs wanneer men de andere parameters
constant houdt - verschillende informanten per plaats voorop.

| | | | Onder dezelfde voorwaarden is alleen bij de stijlstratificatie een
onderzoek met slechts één zegspersoon per plaats denkbaar.
Maar juist in dit geval, meer dan bij de andere parameters, levert datgene wat
Labov de waarnemers-paradox (the Observer's Paradox) heeft genoemd(15), moeilijkheden op bij de
materiaalverzameling: wij moeten trachten te achterhalen hoe mensen spreken
wanneer zij niet systematisch geobserveerd worden en kunnen anderzijds het
hiervoor nodige materiaal slechts door systematische observatie verzamelen.
Alles samengenomen blijkt het vraagstuk van de materiaalverzameling in de
dialectologische variabelenstudie het moeilijkste van alle te zijn: de moeite
die er voor een normaal onderzoek van taalvariabelen van
één plaats nodig is (en daartoe beperkt zich een
sociolinguïstisch onderzoek in de regel) moet met het aantal te
onderzoeken plaatsen vermenigvuldigd worden. Daarom zal de creatieve fantasie
van de explorator een belangrijke rol moeten spelen. Hij zal er niet buiten
kunnen met invallen te werken zoals het geniale idee van Labov toen hij de
frequentie van de postvocalische r in New York wilde
onderzoeken. Hij koos daarvoor drie warenhuizen met verschillend sociaal
prestige uit, waarbij hij aannam dat dit verschillend prestige zich in het
taalgebruik van de verkoopsters weerspiegelde. Hij liet deze verkoopsters op
twee verschillende stijlniveaus in twee verschillende fonetische omgevingen een
postvocalische r realiseren of niet realiseren. Dat bereikte
hij door tweemaal te vragen op welke verdieping een bepaalde waar verkocht werd
en wel een waarvan hij vooraf wist dat ze op de vierde verdieping te vinden was.
Het antwoord moest dus noodzakelijk fourth floor luiden, met
de r eenmaal in preconsonantische en eens in finale positie.
De vraag werd de eerste maal op nonchalante wijze gesteld en na het eerste in
dezelfde stijl gegeven antwoord nog eens met nadruk en verontschuldigend, met de
hand aan het oor, waardoor ook een nadrukkelijk antwoord werd uitgelokt(16).
5) Kartering. De vraag naar de aan te wenden karteringstechniek
kan duidelijk beantwoord worden. In de sociolinguïstiek is het
gebruikelijk, voor de beschrijving van de variatie binnen de parameters
numerieke indexen te bezigen. Met behulp van diagrammen kan men dan de getallen
die de indexen van twee parameters opleveren, met elkaar in betrekking zetten.
Het is zonder meer duidelijk dat deze manier van voorstellen voor de kartering
van dialectgeografische variatie niet geschikt | | | | is. Bovendien kan
men tegen de bedoelde indexen principiële kritiek formuleren. Ik denk
daarbij niet zozeer aan Trudgills constatering dat ‘in this system of
calculating indices (...) the range of variable-types employed is concealed in
the mean score’(17), maar vooral aan het
feit dat het vastleggen van getallen voor de afzonderlijke variabelentypes
uiteraard slechts een bij benadering juiste fixering van indrukken betekent,
behalve wanneer er slechts twee types zijn en men zo verstandig is aan een van
de twee types het getal nul toe te kennen. In dit geval geven de indexen
namelijk niets anders dan gebruikspercentages van de twee realisatietypes van de
variabele weer. In alle andere gevallen wordt het impressionisme van het
procédé achter een sluier van schijnexactheid verborgen.
Om al deze praktische en theoretische redenen moet men het aandeel van de
afzonderljke realisatietypes aan het totaal van de realiseringen van een
variabele op de kaart zichtbaar maken. Dat is mogelijk met behulp van complexe
symbolen. Deze moeten zoveel vakken bevatten als er realisatietypes van de
variabele zijn; de grootte van deze vakken moet het aandeel van het type aan het
geheel van de realisaties der variabele weerspiegelen. Als de materiaalbasis
groot genoeg is, kan men met percentages of tienden werken en kunnen de symbolen
overal dezelfde totale grootte met wisselende verdeling van de grootte van hun
vakken hebben (dat is op kaart 2 het geval). Is de materiaalbasis echter klein,
dan moet men voor elke plaats van de absolute getallen uitgaan en niet alleen de
grootte van de vakken van het symbool, maar ook die van het symbool als geheel
variëren. Dat is het geval op kaart 3: deze laat de verdeling zien
van stemhebbende (linker vak) en stemloze occlusieve medeklinker (rechter vak)
in finale positie bij noteringen van woorden met apocope van en mnl. auslautende
-ə na stemhebbende occlusief bij een enquête in het
noordoosten van Belgisch-Limburg.
De complexiteit van de symbolen op variabelenkaarten kan vergroot worden door een
andere parameter te isoleren en hem met de geografische te relateren. Dat is op
kaart 1 het geval, waar het aandeel van de realisatietypes van de variabele voor
elke periode van 50 jaar lineair horizontaal is voorgesteld: de betekenis van de
tijdsparameter wordt door de verschuivingen op de vertikale as in de symbolen
duidelijk.
Een combinatie van meer dan twee parameters op één kaart
levert technische moeilijkheden op, die door kunstgrepen als schijndriedimen- | | | | sionale voorstellingen slechts onbevredigend opgelost kunnen worden.
Daarom grijpt men wanneer men een derde of vierde aspect van de variabiliteit
met de geografie wil relateren, wel het best naar een oud beproefd recept van de
dialectologie, nl. de vergelijking van taalkaarten.
6) Interpretatie. Taalkaarten interpreteren betekent de
totstandkoming van de overeenkomsten en verschillen die erop zijn afgebeeld,
duiden. Dat gebeurt traditioneel in de dialectologie volgens twee methoden. Ten
eerste extern, d.w.z. door een beroep te doen op buitentalige elementen, waartoe
sociale superioriteit en inferioriteit, sterk en zwak contact tussen menselijke
groepen enz. behoren, m.a.w. factoren die ook in de variabelenstudie ter
verklaring worden gebruikt, zij het dan ook niet onder geografisch aspect. Ten
tweede intern, d.w.z. door het aannemen van een taalstructurele druk in sommige
dialectsystemen, die in andere systemen ontbreekt, dus een
procédé dat op structuurvergelijking steunt.
Bij variabelenkaarten lijkt de eerste methode aangewezen. De variabelenstudie
claimt, bij het onderzoek van de taalverandering een stap verder te kunnen gaan
dan de vroegere linguïstiek, doordat zij niet alleen de resultaten
van de verandering bestudeert, maar in de verhoudingen bij de realisaties van de
variabelen de verandering zelf op heterdaad betrapt. In de traditionele
dialectologie zijn er aanzetten van zo een claim te vinden: uit het bestaan van
menggebieden, onrustig verloop van isoglossen en de vorm van de dialectarealen
worden conclusies getrokken in verband met het optreden van taalverandering in
het jongste verleden en in de tijd van de opnamen zelf, echter zonder dat de
verandering op zichzelf grondig geanalyseerd wordt. In het beste geval worden in
menggebieden globaal generatie- of stijlverschillen of sociale differentiaties
vastgesteld.
Daar er totnogtoe nauwelijks variabelenkaarten getekend en
geïnterpreteerd zijn, is het moeilijk te zeggen hoe belangrijk hun
bijdrage tot de verfijning en de verbetering van de interpretatie van
taalgeografische verhoudingen zal zijn. Dat er echter een bijdrage te verwachten
is en dat deze tot een betere kennis van de mechanismen van de taalverandering
moet leiden, mag als zeker gelden, omdat per definitie voor de afzonderlijke
plaatsen van een menggebied dan de verhoudingen in het gebruik van de
realisatietypes van een te onderzoeken variabele bekend zijn. Ik illustreer dit
tot besluit met de variabele van kaart 3(18).
| | | |
In de overgangstijd tussen Middel- en Nieuwnederlands werd de mnl. finale
-ə geapocopeerd.
(R. 2) ə → ϕ / - #
Stemhebbende obstruenten, die aan deze -ə waren voorafgegaan en nu in
finale positie kwamen te staan, zijn in de meeste dialecten en ook in de
standaardtaal stemloos geworden:
(R. 3) [+ obstr] → [ - stem] / - #
Voorbeelden: mnl. ribbe, nnl. rib [rip]; mnl. bedde, nnl. bed
[bɛt]; mnl. rucge, nnl. rug [ryx]; mnl. ave, nnl. af;
mnl. hase, nnl. haas; mnl. mage, nnl. maag [māx].
| | | |
In de tweede helft van de vorige eeuw bestond er nog een vrij groot relictgebied,
dat het Oostlimburgs en de Duitse Zelfkant omvatte, waarin weliswaar regel 2
maar niet regel 3 gewerkt had. Hier kwamen dus nog stemhebbende obstruenten in
de auslaut voor, b.v. b in rib, d in bed, G in rug, v in aav ‘af’, z in haaz ‘haas’, g in maag. Nochtans blijkt het toen reeds mogelijk geweest te zijn,
de stemloze tegenhangers van deze obstruenten te gebruiken. Omstreeks 1910 was
het gebied met ontbrekende of niet categorische auslautverscherping vermoedelijk
al tot een eiland in het NO van Belgisch-Limburg in elkaar geschrompeld.
Ongeveer 20 jaar geleden heb ik in deze provincie de woordenschat van het
landbouwbedrijf opgetekend door middel van een mondelinge enquête. In
mijn materiaal heb ik 19 woorden gevonden die voor een onderzoek van het
oprukken van de auslautverscherping relevant waren: 8 met auslautende fricatief,
11 met occlusief. Bij de analyse van mijn materiaal stelde ik tot mijn
verrassing vast dat er in de halve eeuw tussen 1910 en 1960 in het relicteiland
een herstructurering heeft plaatsgehad: enerzijds geldt de categorische regel
dat finale stemhebbende fricatieven verscherpt worden (anders uitgedrukt, wat de
fricatieven betreft heeft het eiland opgehouden te bestaan; slechts in
één plaats, Tongerlo L 361, heb
ik in twee woorden nog een stemhebbende fricatief opgetekend); anderzijds is de
verscherping bij de occlusieven een variabel verschijnsel, in een cirkelvormige
kern van het eiland komt ze zelfs nog niet voor.
De kaart laat taalgeografische patronen zien die in de dialectologie al bekend
waren, zoals relicteilandvorming in een afgelegen gebied, waarbij een stadje
(hier Bree) als historische kern van het relict
fungeert, verder de kleine stad (d.w.z. weer Bree) bij de - voorlopig nog
variabele - overname van een vernieuwing, waardoor zij een eiland in het eiland
vormt en dit begint uit te hollen, hoewel ze tot kort geleden nog de kern van
zijn resistentie vormde. Aan dat alles is echter toe te voegen dat de genoemde
taalgeografische patronen dank zij de informatie over de verhoudingen bij de
realisatietypes der variabele veel gedifferentieerder zijn dan op traditionele
taalkaarten en als zodanig wezenlijk meer informatie bieden. We zien dat op het
ogenblik van de opnamen de druk van de verscherping aan de buitenkant duidelijk
groter was dan aan de binnenkant, aangezien de verhoudingen aan alle kanten van
de kern naar buiten toe geleidelijk ten gunste van de stemloze obstruent
verschuiven, wat een weerspiegeling van een absorptieproces moet zijn. Omgekeerd
wordt het dialect van Bree aan bijna alle kanten door dialecten met categorisch
ontbreken van de verscherping omgeven. Vroeger dan Bree is het andere stadje in
het NO van Belgisch-Limburg, | | | | Maaseik, bij de verspreiding van de
vernieuwing een rol beginnen te spelen. Hier is de verscherping al een
categorische regel geworden en in de aangrenzende dorpen heeft zij zich - in
tegenstelling tot de onmiddellijke omgeving van Bree - als variabele tot bijna
categorische regel ook al doorgezet. Tenslotte is op de invloed van de
verkeersweg Tongeren-Maaseik-Venlo te wijzen, die een drietal
kilometer links van de Maas met die rivier parallel loopt. In de Maasdorpen
rechts terzijde van deze weg zet de verscherping zich als variabel verschijnsel
slechts langzaam door, in tegenstelling met de dorpen aan de weg waar zij al
categorisch werkt.
Samenvattend: De kaart laat ons zien dat menggebieden op zichzelf zeer
gedifferentieerd kunnen zijn. De kennis van deze differentiatie stelt ons in
staat om de manier waarop de ene taalvorm de andere verdringt, veel
gedetailleerder en ook veel preciezer te beschrijven dan in de traditionele
dialectologie. De variabelenkaart kan dus een belangrijke bijdrage tot
verbetering van onze kennis over processen van taalverandering zijn.
|
(1)Vertaalde en
licht herwerkte tekst van een lezing, die onder de titel Dialectologie im Zeitalter der Variablenforschung op het
Internationale Symposion ‘Zur Theorie des Dialekts’ te
Marburg (5-10 september 1977) gehouden werd. De hier afgedrukte versie werd
voorgedragen in de Vaste Commissie voor Middelnederlandse Taal- en
Letterkunde van de Academie op 15 maart 1978. De originele tekst
verschijnt in Beiträge zur theoretischen Grundlegung
der Dialektologie, hrsg. von Joachim Göschel und Pavle
Ivić unter Mitarbeit von Kurt Kehr. Wiesbaden 1979 (Zeitschrift
für Dialectologie und Linguistik, Beiheft 26).
(2)W. Labov, The Study of Language in its Social
Context. Herhaaldelijk herdrukt; hier geciteerd uit het boek Sociolinguistic Patterns. Philadelphia 1972, 203.
(3)Historische en moderne
taalgeografie. In A. van Loey en J. Goossens, Historische dialectologie. Amsterdam 1974, 14-33.
(4)P. Trudgill, The Social Differentiation of English in Norwich. Cambridge 1974.
- Id., Linguistic change and diffusion: description and
explanation in sociolinguistic dialect geography. Language in
Society, Vol. 3, Nr. 2, Oct. 1974, 215-246
(5)Goossens (noot 3), 12.
(6)K. Kunze, Textsorte und historische Wortgeographie. Am Beispiel
Pfarrer/Leutpriester (mit 6 Karten). In Würzburger Prosastudien II. Untersuchungen zur Literatur und
Sprache des Mittelalters, hrsg. von P. Kesting (Festschrift K.
Ruh). München 1975, 35-76.
(7)P. Kretschmer, Wortgeographie
der hochdeutschen Umgangssprache. Göttingen 1918 1, 1969 2.
(8)J. Eichhoff, Wortatlas der deutschen Umgangssprachen. Twee delen. Bern en
München 1977 en 1978.
(9)Eichhoff (noot 8), deel 1, 12.
Er moet bovendien op gewezen worden dat het begrip
‘Umgangssprachen’ bij Eichhoff voor het zuiden van het
Duitse taalgebied ook dialecten omvat.
(10)P. Trudgill, Sociolinguistics: An
Introduction. Harmondsworth 1975 2 (zie
hoofdstuk 7: Language and geography). - R. Appel, G.
Hubers, G. Meijer, Sociolinguïstiek.
Utrecht-Antwerpen 1976 (zie hoofdstuk 6.2.: Sociale factoren en
taalvarianten).
(11)Jo Daan, Vernieuwing in de sociolinguïstiek? De nieuwe
taalgids 70 (1977), 340-347.
(12)J. Goossens, Wat is dialectologie? In Wetenschap en Taal
o.r.v. B.T. Tervoort. Muiderberg 1977, 173-189.
(13)Deze laatste kan tenminste in
grote delen van West-Europa binair (katholiek-protestant) worden
voorgesteld.
(14)Overgenomen uit mijn artikel Het antwoord op twee
structuurgeografische vraagjes. Taal en Tongval 27 (1975), 45-50.
De kaart steunt voor Nederland op gegevens voor 122 woorden (hier zijn de
verhoudingen wat de getallen betreft in percenten uitgedrukt), voor
België voor slechts 14 (hier is met tienden gewerkt). De kolommen
geven overal tienden aan.
(16)W. Labov, The social stratification of
English in New York City. Washington 1966, Part I, III: The social stratification of (r) in New York City department
stores.
(17)Trudgill, The
social stratification (noot 4), 82.
(18)Overgenomen
uit mijn artikel De tweede Nederlandse
auslautverscherping. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
93 (1977), 3-23. De niet in kaart gebrachte gegevens kunnen via dat artikel
geverifieerd worden.
|
|