|
|
|
| |
| | | |
Woordgeografie van nominale ellipsen bij taalcontacten
| |
1. Inleiding
In deze kleine bijdrage voor een van de beste kenners van de
woordgeografische gevolgen van taalcontacten zou ik willen ingaan op een
contactfenomeen dat men in zuidnederlandse dialecten kan observeren en
dat beschreven kan worden als een gevolg van het contact met de
aangrenzende Romania en van de daarop volgende interne uitwisseling. De
vraag of de conclusies die getrokken worden met het oog op
taalcontactsituaties veralgemeend mogen worden, zal echter pas na
verdere analyses, ook in andere contactzones, beantwoord kunnen worden.
De romaanse talen vormen, zoals men weet, op het gebied van de
zelfstandige naamwoorden minder gemakkelijk samenstellingen dan de
germaanse, wat o.a. wordt gecompenseerd door een veelvuldiger gebruik
van nominale woordgroepen. De omslachtigheid van dergelijke woordgroepen
leidt dikwijls tot ellipsen, waarin adjectieven de status van
zelfstandige naamwoorden krijgen (of beter gezegd, waarin het
attributieve deel als zelfstandig naamwoord behouden blijft). Nyrop
heeft aan dit verschijnsel een kort kapittel van de woordvormingsleer in
zijn historische grammatica van het Frans gewijd (Nyrop 1936, 336-340):
in de inleiding licht hij het als volgt toe: ‘Comme exemple de
ce procédé, citons la phrase suivante: Les bibelots jolis du Dix-huitième (..). Il
serait absolument superflu d'ajouter le déterminé.
C'est le mot déterminant qui est l'essentiel, et cette
expression incomplète, tout individuelle qu'elle soit, est
aussi facilement compréhensible que par ex. la locution
courante: coucher sur la dure; les mots siècle et terre se
dégagent naturellement des phrases.’
Hij wijst erop, dat het verschijnsel oud en reeds in het Latijn
geattesteerd is. Bekende voorbeelden zijn foie
‘lever’, lat. ficatum voor jecur ficatum, oorspronkelijk ‘lever van met
vijgen gemeste ganzen’(1) en fromage
‘kaas’, lat. formaticum voor caseum formaticum, oorspronkelijk ‘harde
kaas in vormen’.
Enkele van deze ellipsen uit verschillende tijden zijn via | | | |
uiteenlopende wegen in de Germania beland, dt. Kupfer,
nl. koper heette reeds in het klassieke latijn cupreum (uit aes cupreum
‘metaal uit Cyprus’); dt. Schleuse
echter is via nl. sluis, mnl. sluse
een ontlening uit het oudfranse escluse, de
voortzetting van lat. exclusa voor aqua
exclusa; eerst bij de overgang naar de Nieuwe Tijd werd dt. Frikassee, nl. fricassee uit fr. fricassée voor viande
fricassée ‘in saus gestoofd
vlees’ overgenomen.
Ik heb zelf als volwassene kunnen waarnemen hoe het uit het Belgisch
Frans overgenomen filet américain
‘biefstuk à la tartare’ in Vlaanderen
meer en meer door de ellips américain werd
vervangen. In dt. Tatar, nl. tartaar
is het stadium van de verkorting minder duidelijk, omdat het Frans steak tartare en tartare naast
elkaar kent. Hoe het ook zij, ellipsen van franse nominale woordgroepen
kunnen ook bij of na de ontlening ontstaan.
Moeilijker te onderzoeken is de vraag, in hoever zelfstandige naamwoorden
historisch door ellips verkort zijn uit nominale woordgroepen, waarvan
zij de grammaticale kern vormden, of uit determinatieve samenstellingen,
waarin zij als grondwoord fungeerden, omdat hier van meet af de
mogelijkheid aanwezig is om dit zelfstandig naamwoord als bestanddeel
van het nominale samengestelde geheel of als enkelvoudig woord te
gebruiken(2). Het weglaten
van het andere gedeelte kan derhalve niet als een taalhistorische
ontwikkeling beschreven worden, tenzij een aantal gunstige
omstandigheden aanwezig zijn om het proces te verifiëren. Die
vindt men soms in woordgeografische constellaties bij taalcontact,
waarbij het ene heteroniem de voortzetting van het ene, en het andere
die van het andere onderdeel van de romaanse nominale woordgroep is.
Dergelijke constellaties maken het verder mogelijk om in zekere mate de
stelling van Nyrop i.v.m. de doorslaggevende rol van de betekenis, bij
het ontstaan van ellipsen te onderzoeken.
Uit de nederlandse dialectologie is tot nu toe één
geval bekend, dat een dergelijk woordgeografisch onderzoek mogelijk
maakt. Het heeft in het Duits een parallel, die tot dusver nog niet is
onderzocht en die wel eerder sociolinguistisch als dialectologisch te
analyseren is. Het betreft de tamelijk | | | | recente vorming en
overname van fr. pommes (de terre) frites, Belgisch
Frans patates frites. ‘In staafjes gesneden
rauwe aardappelen, die in heet vet drijvend worden gebakken’
waren in België reeds rond de laatste eeuwwisseling
betrekkelijk algemeen bekend. Het gerecht is echter eerst later,
grotendeels zelfs pas na de tweede wereldoorlog, in Nederland en in
Duitsland populair geworden. De historisch gezien eerste ellips (het
weglaten van de terre) gebeurde in het Frans wel bij
de naamgeving zelf of kort erna. Deze taal kent ook een verdergaande
ellips, nl. frites. Het Duits heeft Pommes frites als geheel overgenomen, maar kent daarnaast ook
twee ellipsen, enerzijds het op het adjectief teruggaande en in zijn
uitgang verduitste Fritten, dat met het kenmerk
‘gewestelijk’ in de woordenboeken staat, en
anderzijds het sociaal wel dieper te situeren, misschien ook geografisch
minder verspreide en in de woordenboeken ontbrekende Pommes, waarbij de in het Frans alleen maar geschreven uitgang in
de gesproken taal ook gerealiseerd wordt. In het Nederlands zijn de
benamingen van de ‘pommes frites’ woordgeografisch
onderzocht door Stroop (1972). Zij gaan terug op Belgisch fr. patates frites. In Vlaanderen heten pommes frites in
de regel frieten, in het zuiden van Nederland geldt
het singulare tantum friet en in het noorden patat. Stroop probeert deze
verdeling te verklaren vanuit de woordgeografie van de aardappel: daar
waar de aardappel patat heet, kon patates
frites niet meer tot patat verkort worden,
dit kon echter wel in de gebieden waarin men voor de aardappel andere
benamingen gebruikt. Hij moet evenwel toegeven, dat het gebied van patat ‘aardappel’ aanzienlijk
kleiner is dan dat met friet(en) ‘pommes
frites’. Naast de waarnemingen van Stroop kan men nog
vaststellen, dat van de vermelde ellipsen de oorspronkelijke
zelfstandige naamwoorden pommes en patat gebruikt worden door die sociale, respectievelijk
geografische groepen sprekers die het minst met Frans in contact komen.
Zij zijn zonder twijfel in de Duitse omgangstaal en het Noordnederlands
autonoom ontstaan, terwijl bij de derde ellips, Fritten, resp. friet(en), het fr. frites kan, maar niet moet hebben meegespeeld.
| |
| | | |
2. Twee Limburgse voorbeelden
In mijn verzameling van de Belgisch-Limburgse landbouwwoordenschat (vgl.
Goossens 1963, 1, 1622) bevinden zich twee duidelijke voorbeelden van
een leerzame heteroniemenverdeling in deze zin.
‘Kunstmest’ (vgl. kaart 1) heet in het Frans engrais chimique(s). Deze nominale woordgroep moet uit
het naburige Luikse Wallonië als geheel zijn overgenomen,
want anders zou onverklaarbaar blijven, dat naast het
substantief-gedeelte engrais in een Haspengouws gebied
bij de taalgrens verder noordelijk het adjectieve sjemik in dezelfde substantiefbetekenis ingang heeft gevonden. De
woordgroep werd dus na de ontlening in twee gebieden op twee
verschillende manieren gereduceerd. In het Luikerwaals heeft, zoals in
het zuiden van de provincie Limburg, de verkorting tot engrais ingang gevonden (Haust 1948, 179 noemt angrês nog als neologisme voor
‘mest’, maar Warnant 1949, 92 kent angrès in de betekenis
‘kunstmest’). De kaart bevat ook drie verkortingen
uit inheems materiaal: het oorspronkelijke zelfstandig naamwoord
‘vetten’ (mv. van vet) naast vreemde vetten in het centrale
westen van de provincie, het oorspronkelijke bijvoeglijk naamwoord vreemd naast vreemd mest in de
omgeving van Sint-Truiden (vreemd mest is ook in het zuidoosten en in het noorden bekend) en
het oorspronkelijke substantief stoffen naast de
samenstelling meststoffen in het noorden van
Haspengouw. Op zeer opvallende manier heeft in deze drie gevallen - in
tegenstelling met de ontlening - niet alleen de niet-verkorte
uitdrukking zich gehandhaafd; bovendien is ze geografisch van de ellips
niet gescheiden. Het tweemaal ten westen van Tongeren geattesteerde fosfaat, dat
oorspronkelijk een bepaald soort kunstmest aanduidde, is voor onze
doelstelling zonder belang.
Een min of meer parallelle verdeling als bij engrais en
sjemik is bij de Belgisch Limburgse benamingen
voor de dierenarts (vgl. kaart 2) te constateren, hoewel de
interpretatie hier door het voorkomen van de ellips vétérinaire uit médecin vétérinaire in de
Franse standaardtaal niet zo ondubbelzinnig kan zijn. Naast médecin vétérinaire kent het
oudere Frans ook artiste
vétérinaire (FEW 14, 359), dat in het
Luiker- | | | |

Kaart 1: kunstmest
| | | |

kaart 2: veearts
| | | | waals vandaag tot artisse verkort
is (Haust 1933, 38). Ook hier is het oorspronkelijke zelfstandig
naamwoord artis(t) het heteroniem van het aan
Wallonië grenzende zuiden van Limburg, terwijl het
grammaticaal omgefunctioneerde bijvoeglijk naamwoord hoofdzakelijk in
het noorden wordt aangetroffen. Of het in het centrale uiterste westen
van de provincie voorkomende expert in deze betekenis
een Waalse tegenhanger heeft, is mij niet bekend. Ook deze kaart bevat
een verkorting uit inheems taalmateriaal: meester
naast de samenstelling paardsmeester (en een keer veemeester). Weer eens kan men geen duidelijke,
hoogstens een tendentiële verdeling tussen de volle vorm en
de ellips vaststellen (in het zuidoostelijke (paards)meester-gebied overheerst de samenstelling aan de
westelijke zijde, de ellips in het Maasdal; in het centrale westen van
de provincie lopen beide door elkaar, terwijl ten zuiden van
Sint-Truiden slechts de samenstelling voorkomt). In inheems
woordmateriaal schijnt dus de doorzichtigheid van verkortingsprocessen
aan de volle vormen een langer leven toe te staan als bij ontleende
nominale woordgroepen. De semantische gemotiveerdheid mag bijgevolg bij
de beoordeling van de ellipsvormingen niet uitgesloten worden, zelfs als
niet duidelijk is hoe ze functioneert. Zonder belang voor onze
problematiek is het aan de standaardtaal ontleende, in het noorden
verspreide veeart(s).
Uit de aard van de zaak is de kennis van het Frans, respectievelijk het
Waals bij de boeren uit de contactstrook aan de taalgrens aanzienlijk
meer verspreid dan in het noorden, waar meestal geen directe contacten
met Franssprekenden tot stand komen. Het valt op, dat bij de ellipsen
uit ontleningen in de directe contactsituatie het grammaticale kernwoord
van de nominale woordgroep, dus het zelfstandig naamwoord, zich
gehandhaafd heeft, zoals overigens in Wallonië zelf, terwijl
bij secundair contact het bijvoeglijk naamwoord tot ellips werd.
Daardoor wordt in elk geval de rol van de betekenis bij het ontstaan van
dit type van ellipsen, zoals zij door Nyrop wordt
geïnterpreteerd, problematisch. Juist de sprekers die het
minst in staat zijn tot een betekenisanalyse, verkorten op deze
manier.
| |
| | | |
3. Twee algemeen-vlaamse voorbeelden
De hervormingen die in aansluiting bij de revolutie op het einde van de
achttiende en in het begin van de negentiende eeuw in Frankrijk werden
doorgevoerd, hebben door het verdwijnen van oude en vooral door het
ontstaan van nieuwe ambten, functies en instellingen een grote invloed
op de woordenschat van het staatswezen en de administratie uitgeoefend,
in de eerste plaats natuurlijk in het Frans (vgl. Brunot 1967). In de
zuidelijke Nederlanden, die reeds vroeg door Frankrijk geannexeerd
werden, is deze invloed ook na de stichting van de Belgische staat
(1830) bijzonder duurzaam geweest. Op het gebied van het politiewezen
heeft hij bv. duidelijke gevolgen gehad voor de benamingen voor soorten
politieagenten. Er zijn in België twee categorieën
gemeentepolitie, de stadspolitie voor grotere en de landelijke politie
voor kleinere gemeenten. De gewone ambtenaar van de eerste soort, die ik
voortaan ‘politieagent’ noem, heet in het Frans agent de police, in nederlandse vertaling politieagent, die van de tweede soort, die enigszins
uitgebreidere bevoegdheden heeft, heet in het Frans garde
champêtre, en vertaald veldwachter. Ik noem hem van nu af
‘veldwachter’. De kaarten 3 en 4 tonen de verdeling
van de benamingen voor deze beide beroepen in Vlaams-België.
De materiaalbasis vormen de vragenlijsten van de Leuvense
‘Zuidnederlandse Dialectcentrale’ 40/63 (1942) voor
de politieagent en B/122 (ca. 1940) evenals 36/57 (1941) voor de
veldwachter(3).
De benaming agent de police onderscheidt zich in
zoverre van de tot nu toe genoemde nominale woordgroepen, dat zij geen
bijvoeglijk naamwoord bevat; toch is er ook een duidelijke
overeenstemming in die zin, dat het deel de police,
zoals de bijvoeglijke naamwoorden in deze woordgroepen, een attributieve
functie heeft. Hoe oud de benaming juist is heb ik niet kunnen
ontdekken. De oudste woordenboekattestatie vindt men in de zesde druk
van de Dictionnaire de l'Académie Française (1835)
(vgl. FEW 4, 258), toch is de term waarschijnlijk enkele decennia ouder,
vermoedelijk uit de eerste jaren | | | | na de revolutie of uit de
tijd van de politiehervormingen van Fouché, die tussen 1799
en 1815 viermaal minister van politiezaken was(4). In de omgangstaal wordt in het Frans
i.p.v. agent de police dikwijls de ellips agent gebruikt.
De nominale woordgroep agent de police moet bij het
begin van de vorige eeuw, zoals het kaartbeeld aantoont, in haar geheel
door de dialecten in Vlaanderen overgenomen en achteraf op verschillende
manieren verkort zijn. De twee ellipsen, polis en agent, verdelen zich op de kaart zodanig dat de beide
perifere gebieden de bijvoeglijke bepaling police als
benaming behouden hebben, een centraal gebied daarentegen het kernwoord
van de woordgroep, agent. De westelijke periferie, die
slechts het westen van de provincie West-Vlaanderen omvat, is
aanzienlijk kleiner dan de oostelijke, waartoe niet alleen de provincies
Antwerpen en Limburg, maar ook nog het oostelijke derde van Vlaams
Brabant en een noordoostelijke punt van Oost-Vlaanderen behoren. Voor
het herhaaldelijk in het grensgebied tussen polis en
agent - vooral in West-Vlaanderen - optredende polisagent zijn twee verklaringen mogelijk: secundaire
woordgeografische contaminatie van polis en agent (‘Additions-form’) of
vertaling van de volledige Franse benaming, zoals in het standaardtalige
politieagent, eventueel met de steun van de
laatstgenoemde vorm. De andere benamingen op de kaart, diender in de omgeving van Maastricht, dat nog uit het ancien régime stamt (WNT
3, 2528), flik in Brussel en
omgeving, een woord uit het Franse argot (flic, Robert
4, 567), en ajuin, eveneens vooral in en rond Brussel,
dat in zuidnederlandse dialecten als minachtende benaming voor personen
ruimer verspreid is (WNT 1, Supplement, 844), zijn voor de besproken
problematiek zonder belang.
Zoals op de vorige kaarten is het areaal met de ellips die ook aan de
andere zijde van de taalgrens voorkomt, juist het gebied, dat met de
aangrenzende Romania de intensiefste contacten heeft, respectievelijk
had: Brussel, dat zelf, grotendeels verfranst is, en zijn ruime
omgeving, evenals de provincie Oost-Vlaanderen met het centrum Gent, een stad waar het Frans in de vorige eeuw
aanzienlijk stabieler was dan bv. in Antwerpen.
Ook in het Westvlaamse Kortrijk, eveneens | | | |

kaart 3: politieagent
| | | | in het agent-gebied, was de Franse
invloed sterk. Op de opvallende vorm van het agent-gebied kom ik later nog terug.
Op de kaart met de benamingen voor de veldwachter verschijnen drie
heteroniemen, waarvan er een voor onze problematiek zonder belang is:
het Limburgse boo(i), met verlies van de
intervocalische d verkort uit bode. Dit woord dateert
nog uit het ancien régime; het is ook in het aangrenzende
Nederlands-Limburg bekend, waar het ambt van veldwachter eerst na de
tweede wereldoorlog verdween (Dorren 1928, 18, Beenen 1972, 95, Jaspars
1979, 31, Schelberg 1979, 32, Kooijman 1985, 233. Endepols 1955, 451
geeft voor het stadsdialect van Maastricht veldbaoj
op), en eveneens in het aansluitende westelijke zuidnederfrankische deel
van het Rijnland (hier ‘Polizist, Polizeidiener’,
RHWB 1, 886). De beide andere woorden zijn ellipsen uit het fr. garde(-)champêtre, een benaming, die met de
wet van 06.10.1791 werd ingevoerd. De garde
champêtre moest ‘assurer les
propriétés et conserver les
récoltes’ (WNT 18, 1586). De nominale woordgroep
moet weer eerst als geheel zijn overgenomen. De oorspronkelijke
substantivische kern garde komt in twee gebieden voor:
in West-Vlaanderen en in een brabants gebied, dat de provincie Antwerpen
en het oosten van Vlaams Brabant omvat. Tussen beide ligt een gebied met
het zelfstandig gebruikte adjectief sjampetter, dat de
ruime omgeving van Brussel, de provincie Oost-Vlaanderen en de
West-vlaamse punt bij Kortrijk omvat. De verdeling van de beide ellipsen
vertoont een opvallende overeenkomst met die van polis
en agent, maar het is toch op het eerste gezicht
verrassend dat de ellips die in het Frans mogelijk is, nl. garde (vgl. Robert 4, 825), in Vlaanderen juist in de twee
perifere gebieden wordt aangetroffen, terwijl de in het Frans niet
mogelijke verkorting in het gebied met de engere taalcontacten met
Wallonië voorkomt. Er is echter een eenvoudige verklaring
voor deze vaststelling: het gehele aangrenzende gedeelte van
Wallonië, van Henegouwen tot Luik, gebruikt in de dialecten
de verkorting champète (Sigart 1866, 119,
Deprêtre-Nopère 1942, 59, Pirsoul 1934, 94,
Coppens 1950, 85 en Haust 1933, 144). Het probleem is dus niet hoe de
verdeling van sjampetter
| | | |

kaart 4: veldwachter
| | | | en garde als tegen de verwachtingen in te
verklaren is, maar eerder hoe de Waalse dialecten tegen de Franse
standaardtaal in gekozen hebben.
De vier kaarten hebben aangetoond, dat ook bij erg jonge ontleningen nog
duidelijke geografische verdelingen kunnen ontstaan. Daarbij is bij de
twee laatstbesproken gevallen de verspreiding van de heteroniemen agent en sjampetter zeer opvallend.
Het kan geen toeval zijn dat zij samenvalt met een bekend verschijnsel
uit de Nederlandse klankgeografie, nl. met de spontane palatalisering
van mnl. ô uit germ. au
(bry(ə)t ‘brood’,
by(ə)m ‘boom’ enz.;
tot het gebied van de palatalisering behoort echter niet de Westvlaamse
punt bij Kortrijk), die in verscheidene studies
in kaart gebracht en besproken is (Van Loey 1961, Goossens 1962 en 1980,
Taeldeman 1978, 1979 en 1985a). Men neemt aan, dat deze palatalisering
een relatief jong verschijnsel is; ook tekent zich een consensus af over
de dynamiek van haar verspreiding: zij is wel ontstaan in Brussel en werd dan door Gent overgenomen (Strahlung durch
‘punktuelle Ziele’, parachutering) en van
daaruit geleidelijk over Oost-Vlaanderen verspreid.
Deze verklaring mag dan ook voor de expansie van de beide besproken
ellipsen gelden. Zij stelt voorop dat het sociaalgeografische
krachtenspel in deze woordgeografische gevallen ongeveer met dat bij de
verspreiding van de palatalisering - behalve het geval Kortrijk -
identiek was, wat impliceert dat men ze in de tijd niet ver uit elkaar
mag trekken. In de pogingen om de palatalisering te dateren (Van Loey
1961, 181 vv, Taeldeman 1985 a, 200 vv en 1985 b, 332) zijn er twee
zekere elementen: Gent had ze in 1550 nog niet, maar in 1842 reeds wel
doorgevoerd, zoals twee bronnen uit deze jaren ondubbelzinnig aantonen.
De verdere vermoedens, die de datering in Brussel en Gent evenals het
gedetailleerde verspreidingsproces met zijn datering betreffen, zijn
niet hard gemaakt. Onze woordkaarten zijn argumenten voor een erg laat
ontstaan, overname, uitstraling en stabilisering van de palatalisering.
De hele ontwikkeling zou wel eens weinig meer dan een (gedeeltelijk nog
de negentiende) eeuw geduurd kunnen hebben.
| |
| | | |
4. Slotbeschouwingen
De vorm die ellipsen uit nominale woordgroepen in het Romaans kunnen
aannemen, is tot nu toe moeilijk voorspelbaar. Er zou veel te zeggen
zijn voor het belang dat Nyrop aan het door hem niet nader gedefinieerde
betekenisaspect (‘l'essentiel’) van het
adjectief-element hecht, als er geen ellipsen waren waarbij het
substantief-element is bewaard. Zij zou slechts zeker zijn, als
aangetoond werd, dat bij dergelijke ellipsen - in tegenstelling tot de
andere - inderdaad vroeger het zwaartepunt van de betekenis in het
zelfstandig naamwoord lag, en wanneer daarenboven overal in de Romania
de nominale woordgroepen op dezelfde manier verkort zouden zijn. Dat
alles beantwoordt echter niet aan de feiten: enerzijds zijn er
zelfstandige naamwoorden die zonder twijfel als ellipsen
geïnterpreteerd moeten worden (zoals engrais,
artiste, agent en garde); anderzijds komen
uit dezelfde nominale woordgroepen ook zelfstandig gebruikte
bijvoeglijke naamwoorden als ellipsen voor (vétérinaire naast artiste,
champêtre naast garde). De
stelling over de betekenis (het essentiële) voor het behoud
van de bijvoeglijke bepaling in de verkorting houdt geen rekening met
het feit dat er ook substantief-ellipsen bestaan en schijnt dus niet
juist geformuleerd te zijn, nog afgezien van het feit, dat niet wordt
omschreven, onder welke oogpunten de bijvoeglijke bepalingen van de
nominale woordgroepen belangrijker zijn dan de zelfstandig gebruikte
grammaticale kernen. Om de vraag naar het ontstaan van de telkenmale
specifieke ellips in het Romaans bevredigend - voor zover dat mogelijk
is - in het algemeen te kunnen beantwoorden, zijn blijkbaar omvangrijker
en preciezere semantische, formele en woordgeografische analyses
noodzakelijk.
Daarentegen schijnt men vragen naar de germaanse woordgeografie van
ellipsen die hun ontstaan in laatste instantie aan het taalcontact te
danken hebben, preciezer te kunnen beantwoorden. Romaanse nominale
woordgroepen worden dikwijls in hun geheel overgenomen. Na de overname
echter is de tendens tot verkorting minstens zo sterk als in het
romaanse gebied | | | | van oorsprong (geen enkel punt op een van
de vier kaarten bevat nog de gehele woordgroep; voor polisagent vgl. boven). Bovendien wijkt deze tendens af van de
behandeling van nominale woordgroepen uit inheems materiaal, die zich
wel beter kunnen handhaven. Voor de vorming van woordarealen bij
ontleningen blijft de intensiteit van de contacten achteraf met sprekers
uit de taal die de woordgroepen afstaat belangrijk. Als zij inderdaad
intensief zijn, dan ontstaat dezelfde ellips als bij de romaanse buren;
daarbij is het om het even of deze buren de substantivische kern (engrais, artiste, agent) of de bijvoeglijke bepaling
(champêtre) handhaven. Het taalgebruik
van deze groep fungeert dus tweemaal als voorbeeld: bij de ontlening en
bij de verkorting. Gebieden die minder of geen contact hebben met de
Romania en de nominale woordgroep dus uit de tweede hand hebben
overgenomen, verkorten dan dikwijls op de tegenovergestelde manier.
Zoals de kaarten met de benamingen van de politieagent en de veldwachter
aantonen, moet men uiteindelijk bij de verdeling van de ellipsen
rekening houden met een interne dynamiek van het ontlenende
dialectgebied. Deze dynamiek is geen andere dan die van het betreffende
gebied in zijn algemene kultuurmorfologische gesteldheid.
Jan Goossens
| |
| | | |
Literatuurlijst
| BEENEN, P.H.H. 1973: Dialect en volkskunde van Herten. Roermond. |
| BRUNOT, F. 1967: Histoire de la langue française des
origines à nos jours. Tome IX. La Révolution
et l'Empire. Parijs. |
| BUISSON, H. 1949: La Police, son histoire. Vichy. |
| COPPENS, J. 1950: Dictionnaire Aclot Wallon-français.
Parler populaire de Nivelles. Nijvel. |
| DEPRÊTRE, F. - NOPÈRE, R. 1942: Petit dictionnaire du Wallon du
Centre (La Louvière et environs). La Louvière. |
| DORREN, Th. 1928: Woordenlijst uit het Valkenburgsch plat. 2e
druk.. Valkenburg. |
| ENDEPOLS, H.J.E. 1955: Woordenboek of diksjenaer van 't
Mestreechs. Maastricht. |
| FEW = Walther von Wartburg, Französisches
Etymologisches Wörterbuch. Eine Darstellung des
galloromanischen Sprachschatzes. Bonn, Leipzig, Berlin, Basel 1928
Vvv. |
| FLEISCHER, W. 1976: Wortbildung der deutschen Gegenwartssprache.
4e druk. Leipzig. |
| GOOSSENS, J. 1962: Die gerundeten Palatalvokale im
niederländischen Sprachraum. In: Zeitschrift
für Mundartforschung 29, 312-328. |
| GOOSSENS, J. 1963: Semantische vraagstukken uit de taal van het
landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg. 2 delen. Antwerpen. |
| GOOSSENS, J. 1980: Middelnederlandse vocaalsystemen. In: Verslagen
en Mededelingen van de Kon. Academie voor Nederlandse Taal- en
Letterkunde, 161-251. |
| HAUST, J. 1933: Dictionnaire liegéois. Luik. |
| HAUST, J. 1949: Dictionnaire
français-liegéois. Luik. |
| JASPARS, G. 1979: Groéselder diksjenèr.
Woordenboek van het Gronsvelds dialekt. Gronsveld. |
| KOOIJMAN, G.F. 1985: Thematisch woordenboek van het Tungelroys.
Amsterdam. |
| VAN LOEY, A. 1961: Palatalisatie Mnl. en Zuidndl. uu, Mechelse a:.
In: Handelingen van de Kon. Commissie voor Toponymie en
Dialectologie 35, 131-259. |
| NYROP, Kr. 1936: Grammaire historique de la langue
française. Tome troisième. Formation des mots.
2e druk. Kopenhagen e.a. |
| PIRSOUL, L. 1934: Dictionnaire wallon-français.
Dialecte de Namur. 2e druk. Namen. |
| ROBERT = Le Grans Robert de la Langue Française. 9
delen Parijs 1985. |
| RHWB = Rheinisches Wörterbuch. Bearbeitet von J.
MÜLLER und (deel 9) H. DITTTMAIER. 9 delen. Bonn, Berlin
1928-1971. |
| SCHELBERG, P.J.G. 1979: Woordenboek van het Sittards dialect. 2e
druk. Amsterdam. |
| SCHELER, A. 1888: Dictionnaire d'étymologie
française. 3e druk. Brussel. |
| SIGART, J. 1866: Glossaire étymologie montois ou
Dictionnaire du Wallon de Mons et de la plus grande partie du
Hainaut. Brussel, Leipzig. |
| Over de woordgeografie van nominale
ellipsen bij taalcontact. |
| STROOP, J. 1972: Een patat mét (-vragen!). In:
Mededelingen van het instituut voor Dialectologie, Volkskunde en
Naamkunde 24, 8-12. |
| TAELDEMAN, J. 1978: De vokaalstruktuur van de
‘Oostvlaamse’ dialekten. Eēn poging
tot historische en geografische situering in het Zuidnederlandse
dialektlandschap. Amsterdam. |
| TAELDEMAN, J. 1979: Het klankpatroon van de Vlaamse dialekten. Een
inventariserend overzicht. In: Woordenboek van de Vlaamse
dialekten, Inleiding. Gent, Tongeren. Blz 48-120. |
| TAELDEMAN, J. 1985a: De klankstruktuur van het Gentse dialekt. Een
synchrone beschrijving en een historische en geografische situering.
Gent. |
| TAELDEMAN, J. 1985b: Joas Lambrechts Nederlandsche Spellinghe
(1550) als spiegel van het (Laat-)Middelgentse vokaalsysteem. In:
Naamkunde 17, 325-334. |
| WARNANT, L. 1949: La culture en Hesbaye liègeoise.
Brussel, Luik. |
| WNT = Woordenboek der Nederlandsche taal. Den Haag, Leiden 1882
vv. |
|
(1)Vgl. echter
FEW 3, 493, waar wordt aangenomen, dat de ellips al in het Grieks
ontstond: (ἧπαρ)
συκωτόν,
naar het model waarvan ficatum gevormd werd. Het
FEW en de andere romaanse en franse etymologische woordenboeken zijn
geneigd de ontwikkeling abstracter te beschrijven: zij spreken niet
van ellipsen en gaan direct van zelfstandig gebruikte adjectieven
zoals ficatum en formaticum uit.
Slechts het oude woordenboek van Scheler 1888 beschrijft de
ontwikkeling als oneigenlijke woordvorming door ellips (lemma foie, met verwijzingen naar andere
voorbeelden).
(2)Bij samenstellingen zouden
verkortingen soms wel eens moeilijker kunnen ontstaan dan bij
nominale woordgroepen, omdat het grondwoord een betekenisvariant kan
hebben die bij het vrije substantief ontbreekt (vgl. Fleischer 1976,
58 en 115). Zo is in het Frans naast assemblée départementale de verkorte
vorm assemblée mogelijk (is zij echter een ellips?),
terwijl in het Duits het gebruik van Tag i.p.v.
Landtag uitgesloten is.
(3)Beide begrippen worden niet
door alle informanten duidelijk onderscheiden. Daardoor bevat het
materiaal ‘politieagent’ ook 35 gegevens met garde en 57 met sjampetter, die
eigenlijk ‘veldwachter’ betekenen. Zij worden
grotendeels opgegeven voor plaatsen waar in het
veldwachter-materiaal reeds een identieke opgave werd gedaan. De
overige garde-opgaven vallen bijna allemaal in de
garde-gebieden en de overige sjampetter-opgaven bijna allemaal in het sjampetter-gebied, zodat ik ze eveneens op kaart 4 heb
ingetekend. Met de opgaven met gendarm in beide
bronnen (in totaal 70) werd geen rekening gehouden: dit woord duidt
de rijkswachter, niet de gemeentepolitieagent aan. Op de
veldwachter-kaart werden eveneens niet ingetekend de 55 verspreide
opgaven met veldwachter, een jonger uit de
standaardtaal overgenomen synoniem, dat echter ook als echovorm
opgegeven is, en evenmin de 25 op de politieagentkaart verspreide
opgaven met gardevil, een woord dat oorspronkelijk
een lid van de stedelijke burgerwacht ( garde de
ville) aanduidt, en enkele eenmalige opgaven.
(4)Een goed overzicht over de organisatie van de Franse politie
tijdens en na de revolutie geeft Buisson 1949. Brunot 1967, 1054
noemt wel policier, maar niet agent
de police als een van de benamingen van het nouveau
régime.
|
|