Een troep jonge boerinnetjes, blaauw gekeursd, rood gerokt en wit gehuifd, met gele of groene muilen aan de voeten, de haarnaald aan 't hoofd, den gouden ketting of 't koralen snoer om den hals; en de zilveren beugeltasch en sleutelreeks op zij, komt de dorpsbrug over. Elk heeft haar kermisvrijer aan de hand. De een pronkt met een glad gepersten hemdrok met passement op borst en mouwen; de ander in een nieuw saaijen wambuis, door den boeresnijder gemaakt naar 't patroon, dat nog van zijn overgrootvader afkomstig is; terwijl een derde, die zich een steedsch aanzien poogt te geven, een opgeverfden rok bij een uitdraagster in de stad gekocht heeft. Maar geen zonder ‘twee paar zilvre knoopen’ en groote strikken aan de knie.
Daar komt een oude boer zijn deur uitloopen en geeft elk meisje een kus en elken jongen de hand, en roept: ‘Welkom in ons dorp!’ Ja wel, 't zijn vreemden hier; hun dorp ligt een paar uren hier van daan; maar zij zijn door Ouwen Teunis te gast genood, en hij vertelt hun, dat het kermismaal al klaar is:
En meteen komt ook bestemoêr, met ‘een schuimspaan in haar magre

Naar een oude prent.
vuist gevat’, van den haard en haar gasten te gemoet humpelen. In 't dorp woelt en krioelt het reeds. De goochelaar heeft een ladder tegen een muur gezet, en klimt er op met zijn hansworst, en doet de oudste besjes nog lachen; en tegenover hem heeft de kwakzalver zijn stalletje opgeslagen. Hier lokt de kaatsbal zijn liefhebbers; daar de zilverkraam alle meiden, die gisteren haar huur ontvingen. Regts staat de linnenkraam, waar de koopvrouw wel zes monden noodig
heeft om alle vragen te beantwoorden, en viermaal zooveel handen om elk te bedienen; links de koekkraam, waar ‘een boerezeun, geslopen uit een hoek’, een aardig boerinnetje ‘met een zoeten kermiskoek’ meent te ‘verrassen’, - doch hierop komen wij straks terug. Bij de poppekraam staan al de bestemoêrs van 't dorp met haar dochterszonen, en menig meutje met haar broêrs dochtertje, - en Jaap stapt met bleeke Stijntje de wafelkraam in.
Naar de dronken boeren, die daar zwalken - dien ‘Jasper in d'Uilevlucht’ en dien anderen, die door zijn bezorgde wederhelft met een zacht lijntje naar huis getroond wordt - kijken wij niet, en luisteren evenmin naar 't sermoen, dat Rotgans er bij houdt; want dronkaards behagen ons niet en afschaffersoratiën dus ook niet. Wij vinden die kijkkasjes hier veel aardiger; de jongen draait en al de poppen dansen, en de kijkers dansen meê. Ginder zit een kringetje bedaagde boerinnen rondom Stijn Jans, ‘een oude labbekaak’, die de dorpskronijk behandelt, totdat ze ten laatste als ze zich wat al te vrij over Pleun Roemers had uitgelaten, door ‘Pleuns snaar, die in steê woont maar met kermis overgekomen is’, aangevallen wordt. Op kijven en schelden volgt dreigen en slaan:
Maar een paar boeremaats weten er spoedig een eind aan te maken; zij smijten die heldinnen
Zij ‘druipen af’, en ieder loopt heen om naar vermakelijker dingen te kijken. Hier wordt de gans gereden; daar de paauw geknuppeld; ginds naar den ring gestoken; wat verder heeft een troep reizende tooneelisten een tent opgeslagen, en laat ‘voor de deur op 't kermisveêltje speelen’, en vertoont daar binnen
Hier lokt een liedjeszanger de kermishouders bij zijn draaiorgel, en verkoopt hun
wat eigentlijk het boerenvolk niemendal schelen kan, dat veel liever een deuntje hoort
Ginds weêr staat de lijfarts van den Grooten Mogol op een ton zijn fleschjes en potjes uit te venten, en te vertellen, hoe hij Sultan Amurath eens van een dollehondsbeet genezen heeft, - maar op eens kraakt de boôm van zijn ton en zakt hij er tot den hals door, en al zijn toehoorders gaan juichend op de loop en vliegen naar 't plein voor de herberg. Zij zien ‘een vier afgrijslijk rooken’; er wordt een os aan 't spit gebraden voor het groote kermismaal, dat de waard aanrigt, en waar elk mag meê eten, die dubbel betalen wil. Tijs Smuller bespreekt ‘den grootsten harst’; Slokop roept ‘om 't patersstuk’, en Teunis Kluifdenbout bedingt ‘den voorvoet’ voor zijne portie.
's Avonds gaan we kijken naar ‘'t jonkspul’. De boertjes dansen met het hoedje op één oor, het pijpje in den mond, en de vrijster in den arm, ‘en huppelen op en neder en draaijen als een tol’.
Daar zit op een bank een boertje te pruilen, die al zijn zakgeld in de kegelbaan verloren heeft; en hier staat een vrolijke knaap in een digten kring van hartelijke vrienden, wier bekers hij vult.
zegt Rotgans. ‘Ja maar’, zegt de Ouderschout, ‘'t was beter, dat hij wat minder liberaal was. Die sinjeur was weleer een kale jakhals, maar toen zijn gierige besje kwam te sterven, kreeg hij een mooijen boêl, dien hij er nu lustig doorjaagt.’ Hij wou nog meer zeggen, maar wordt gestoord door 't geweld op straat. Wat is 't? Een bekkesnijders-partijtje!
Goed, laat ze maar vechten; wij zullen die bekkesnijders later wel terug vinden.
Ziedaar de boerekermis uit de tweede helft der 17e eeuw, zooals Rotgans die geschilderd heeft. ‘Naief opgevat en levendig geteekend,’ zegt Hofdijk1). ‘Niet zonder geest en lossen val’, zegt Jeronimo de Vries2). ‘Hij heeft zich daarin een volkomen kenner en getrouw schilder van de zeden der menigte in hare luidruchtige uitspanningen betoond’, zegt Van Kampen3). - ‘Ja maar,’ herneemt de eerste: ‘er heerscht een volslagen gemis van eenheid
in, en het werk heeft wel een einde, maar geen slot’. Eilieve, dit is juist 't sprekendst bewijs van de getrouwheid der schildering, want de kermis zelf is ook zonder eenheid of slot: te midden van 't razend gewoel verdwijnt ze zonder adieu te zeggen, en den volgenden morgen weet niemand waar ze gebleven is. Maar wat ik bij Rotgans mis, is de prettige joligheid der boersche vreugd vol naïve luim en kinderlijke dartelheid, die, ook al is het tooneel weleens wat luidruchtig, er toch een eigenaardige bekoorlijkheid aan geeft. Van 't rumoer laat hij ons genoeg hooren, maar van de vreugd te weinig zien.
‘Vreugde is een aardig ding, niet alleen om te smaken, maar ook om te zien’, zegt Hildebrand1), en hij raadt ieder aan, eens een boerekermis bij te wonen. ‘Daar zult gij zien, hoe men zich te meer vermaakt, naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij moet er niet komen met een gezigt als een kommissaris van policie, die kijkt, of alles wel goed en ordelijk toegaat.’ Juist, zoo dachten er van ouds de Hollandsche burgers over; de boerekermissen in hun omtrek te gaan zien was hun een geliefkoosd vermaak. Le Francq van Berkhey verzekerde, dat de boerekermissen de weeldedagen der Leidenaars waren2); en zoo was 't in alle steden. De deftige burgers zagen gaarne de boerenvreugd, en lachten er om, terwijl ze zelf ‘hun fatsoen hielden’; even als de groote menschen lachen om de dartele spelen der kinderen, waar ze zelf niet meer aan meê doen. Op vele dorpen duurde de kermis naar oud gebruik acht dagen, en dit is hier en daar nog 't geval; maar dan zijn doorgaans de maandag en zaturdag de drukste, de overige stille dagen; op eersten danst het heele dorp en uit alle vensters der herbergen klinken vedel en gezang; op de laatsten vergenoegt men zich met langs de kramen te wandelen, en naar de komedie te gaan.
Nu behoeft men zich onze boerekermissen, wel niet voor te stellen als dronkemanspartijen; dichters en schilders kleuren hun tafereelen graag wat levendig, en achten, even als sommige orateurs, overdrijving geen zonde. Maar als Jakobus Scheltema verzekert, ‘dat, volgens de eenstemmige berigten van bedaarde opmerkers, het jong volk op de boerekermissen zelden of nooit de matigheid uit het oog verliest’3), dan gelooven wij, dat die ‘bedaarde opmerkers’ hun opmerkingen in het hoekje van den haard hebben gemaakt, en nooit een boerekermis hebben bijgewoond. Zelfs op dorpen, waar men mij verzekerde, dat er 't heele jaar door nooit een dronken boer te zien is, wil men 't met de kermis geen vrolijken jongen kwalijk nemen, als hij eens wat zwaait; ‘dat geet 'er mit de frolijkheid meê deur!’
Al in de middeleeuwen maakte de Hollandsche boer op kermis goede cier:
En 't bekkesnijden ‘met eenen Zeeuwschen knive’, en de kermiskoek, en de doedelzak, die ‘pijpt turelureleruut’, ontbraken toen evenmin als later.
En al komt er dan nu ook geen bekkesnijden noch wijvengevecht meer bij te pas, nog is in alle gewesten van ons Land de kermis het voornaamste, ja op vele plaatsen het eenige volksfeest der dorpelingen; en waar men zeden en gebruiken beschreven vindt, leest men ook, dat de dorpskermissen met alle vrolijkheid gevierd worden, en ware volksfeesten zijn1), zelfs op de afgelegenste eilandjes. Als 't op Urk kermis is, - en dat is daar ook, als op vele andere plaatsen, op Pinksteren - dan komen er koek- en speelgoedkramen uit Noordholland en Overijsel, en dan zijn die goede eilanders, die anders, 't heele jaar lang, weinig of geen pleizier hebben, ‘als uitgelaten’2).
De boerekermissen zijn niet alleen dikwijls bezongen, maar ook geschilderd en gegraveerd. Teniers geeft ons een Vlaamsche te zien. Aan de herberg hangt de vlag uit. Voor de deur is een strooijen afdak op palen gemaakt, waaronder de oudjes, die niet meer dansen, zitten te drinken. Vóór dat afdak is het jonkspel; de doedelzakblazer staat op een ton. In 't verschiet staat een mast met een vogel, waarbij een vedelaar en een kringetje dansende boeren.
't Uithangen van de vlag is 't oud en algemeen gebruik3); zonder vlag geen feest. En 't vogelschieten was van ouds zeer eigenaardig op de kermissen

Naar een oude prent.
en is 't in onze land-provinciën nog. Een houten vogel staat op een paal of mast. Op 't afschieten van vleugels, kop en staart zijn prijzen gesteld, maar wie den vogel in 't gras doet tuimelen, is koning. Hij kiest zich een koningin, en twee hovelingen, en de koningin kiest twee hofdames. Daarop trekt de stoet in staatsie het dorp rond, - de koningin somtijds in een wagen gezeten precies als koningin
Semiramis in het Doolhof, - en na den optogt volgt de maaltijd en eindelijk de danspartij.
Dichters hebben weleens den draak gestoken met die boersche schutters; dit deed Greenwood in zijn ‘Boerepinxtervreugt’ zoowel als Westerbaen in zijn ‘Noodsaeckelijck Mal’. De laatste zong:
Maar 't musket was wel geladen van dien ongelukkigen schutter te Terborg, die zijn Agnietje doodschoot. Voorwaar een droevige historie! - Die schutter was de bruigom. Toen hij schieten zou, vonden zijne makkers er aardigheid in, de bruid naast hem te plaatsen om hem te helpen mikken. Hij zette het geweer af, om de lieve meid eerst nog een kus te geven; maar meteen ging 't schot af en haar door 't hoofd. De arme bruid was dood. Dit treurig ongeval heeft Staringh de stof geleverd tot een tegenhanger van het Zeeuwsche ‘Roosje’.
Te Hengelo wordt op kermis naar de schijf geschoten, - het vogelschieten heeft daar op Pinksteren plaats. Geen vreemde mag er meêdoen, althans niet naar 't koningschap dingen, en ook geen ander dan een dorpsmeisje kan tot koningin gekozen worden. Gewoonlijk wordt dat schietfeest met optogten geopend; er worden ook grappen bij aangerigt, die een Nutsverhandelaar wel nutteloos zou noemen, maar die toch onschadelijk zijn en velen vermaken, en daarom wezentlijk nuttig zijn1).
De gans, het zij die geknuppeld of gesabeld, getrokken of geschoten, of wel eenvoudig verloot werd, ontbrak nooit op een boerekermis; daarom vergeleek Huygens een rijke vrijster bij
Rotgans heeft in zijn boerekermis twee dingen vergeten: het katknuppelen en den mallewagen. Van 't eerste heb ik reeds vroeger gesproken, en wil dus nu alleen op den tweeden wijzen. Men kan den mallewagen op de kermis te Egmond aan Zee afgebeeld vinden bij Bing en Braet von Uberfeldt3). 't Is er slechts een gewone vischwagen, waarop een vlag is geplant, en die volgepakt is met boeren en boerinnen, waarbij een paar, die als gekken zijn verkleed. De wagen rijdt naar Egmond op den Hoef, waar het tegelijkertijd (alweêr op Pinksteren) kermis is. De gasten stappen voor de herberg af, drinken jenever met suiker en eten zoeten koek,
dansen voor de vedel, drinken nog eens, en rijden dan terug, waar ze weêr voor de herberg teregt komen, om andermaal jenever met suiker te drinken, zoeten koek te eten en voor de vedel te dansen.
Die mallewagens waren vroeger algemeen, ook in de steden, waar het de gilden waren, die er meê rondreden tot eigen vermaak en opluistering der kermis, en zij waren toen veel zwieriger uitgedost dan die Egmondsche vischwagen. De nabootsing zagen wij vóór bijna een halve eeuw nog te Amsterdam, als de meiden met haar vrijers, met ‘mombakkessen’ voor en zot toegetakeld, in een wagentje van den ‘bokkeboer’1) door de Kalverstraat reden. En den hedendaagschen Brabantschen vorm hebben de Hollanders nog onlangs te Leuven gezien, en zeer vermakelijk gevonden2).
En nu nog eens teruggekeerd tot den ‘boerezeun’, met zijn ‘zoeten kermiskoek’. De kermis is de geschiktste tijd om een vrijerij aan te knoopen. Heeft gezegde ‘boerezeun’ zin in een meisje gekregen, dan vraagt hij haar, om kermis te houden. Nu zou men meenen, dat hij daarbij gelegenheid genoeg heeft, om haar zijn liefde te verklaren; maar neen, hij is niet woordenrijk: van een eigentlijke liefdesverklaring kent hij 't formulier niet; en al had de dominee of de schoolmeester er hem een voorgeschreven, dat hij kon opzeggen, de meid zou 't niet begrepen hebben. Verliefde boeren spreken in symbolieke taal; de kermiskoek is de minnebrief, dien zij dadelijk begrijpt. En daarom zei ook Rotgans, dat zij er meê ‘verrast’ werd; en hier is ook het liedje van afkomstig:
waarvan de eenvoudige prozaïsche verklaring is, dat het mooi meisje een heimelijke hoop had, dat het niet bij kermishouden alleen blijven zou, maar dat Jan volstrekt geen plan heeft om die hoop te vervullen. Wilde hij dit, dan zou hij een kermiskoek koopen. Dit gebruik nu vindt (of vond) men overal in ons Land. Gaan wij bij voorbeeld in de omstreken van Tiel. Daar ziet ge een langen, stijven boereknaap met een dikke, bolle meid langs de kramen wandelen. Voor de koekkraam gekomen blijft hij een oogenblik staan drentelen; zij merkt al iets, en juist naardat ze wat gevoeliger of darteler van aard is, begint haar hart te kloppen, of haar mond te lachen. Hij koopt een koek en reikt haar dien toe. Voegt hij er geen enkel woord bij? Neen. Zegt zij niets? Evenmin. Wie de pantomime uitvond, heeft het zeker bij zulk een gelegenheid afgekeken. Zij neemt den koek onder den arm, en ze wandelen zwijgend voort, kijken in de kramen, en dwalen eindelijk de herberg in; - zij altijd met den koek onder den arm, waar zij trotsch op is, want die is voor ieder het zigtbaar teeken, dat haar vrijer haar gevraagd heeft. De koek
blijft ook in de herberg onaangeroerd, en gaat eindelijk meê naar huis.
Dit nu is het eerste bedrijf in het drama eener boersche liefde; het tweede speelt acht of veertien dagen later op een zondag. Dan komt hij na kerktijd bij haar aan huis om koffij te drinken. Brengt zij dan den koek te voorschijn en presenteert zij hem het eerste stukje, dan wil dit zeggen, dat hij haar de liefste is, en zij zijn, wat de stedelingen noemen ‘geëngageerd’. Zoo niet, dan weet hij, dat hij best doet maar spoedig heen te gaan.1).
Van de dorpen gaan wij naar de steden over. Wat daar op de kermissen te zien en te hooren is, heeft Van Zeggelen bezongen in een lierzang op de maat van 't Janklaassenspulstheatermuziek2):
De stedelingen hebben hun kermis niet minder lief dan de dorpelingen. Zij hebben niet eens genoeg aan de wezentlijke kermis, maar zij moeten er ook nog theatrale voorstellingen van hebben. De Antwerpenaars hadden onlangs de Rotterdamsche kermis op het tooneel3). En 't heugt ons nog, hoe de Amsterdammers naar 't Leidscheplein stroomden, als er de Kermisvreugd werd vertoond, en hoe zij in de handen klapten, als zij er 't zelfde ‘Lekker zuur en warme eijeren!’ en ‘Krakepiejekoop!’ als op de Botermarkt hoorden. Welk een en ander alweêr bewijst, dat kunst en volksvermaak twee zijn4). Schilderijen of etsen van kermissen vinden altijd liefhebbers, en 't zijn de liefste kinderboekjes en prenten, waar kermisvermakelijkheden in te zien zijn. En ten slotte moet men de kermis ook nog in zijn sociëteit hebben. Het geachte Bestuur noodigt in de dagbladen de ‘ondernemers van kermisvermakelijkheden, die in aanmerking wenschen te komen bij de kermispartij, uit, zich aan te melden’5).
Zoo als de Stads-kermis nu is, was zij ook al in de 17e eeuw. Wel ziet men in de bijzonderheden telkens wat nieuws vertoonen, - gij b.v. eet appelkoekjes à l'instar de Paris, maar de zeventiende-eeuwers hadden slechts boekendeflensjes met appelen, die hun echter even goed smaakten; en zoo heeft sedert Mazitons tijd het paardenspel den eersten rang onder de spellen ingenomen, dien eeuwen het koordedanserspel bekleed had; - maar in 't algemeen waren de bestanddeelen der kermis toen al dezelfde als tegenwoordig: spellen, kramen, mallemolens en al de verdere omloop van koekhakblokken en kijkkastjes, liedjeszangers en kwakzalvers, bedelaars en zakkerollers. Tegen deze laatste soort van artisten poogden
de Regeeringen al vroeg de kermisgangers te beveiligen. Ziehier een voorbeeld uit de Thesauriersrekening van Amsterdam van 1547: Adriaan van Dam, de kapitein van de wakers, hield, met zeven man, gedurende acht avonden, van zes tot negen uren, de wacht, waarvoor hij een dubbeltje en elke waker een stuiver per avond ontving.1) Waaruit tevens blijkt, dat de Amsterdamsche kermis toen slechts acht dagen duurde, en dat alle fatsoenlijke lui om negen uren naar huis gingen. Toch waren de zakkerollers, toen en nog lang daarna, bij dag en avond ieder te gaauw en te slim af, en als Fijtje Sus van Sardam bij klaarlichten dag op de Haagsche kermis maar eventjes bij een kwakzalver stond te kijken, en lachte om de grappen van ‘Hansop in 't kaeckelbont gewaet,’ was zij dadelijk haar beugeltasch en zilveren ketting kwijt.2).
Volgen wij nu een oogenblik een wandelaar op de Amsterdamsche kermis in het begin der 17e eeuw3); wij zullen zien, dat het er toen al precies zoo uitzag als in onzen tijd.
Jawel, precies zoo werd, vóór bijna een halve eeuw, op de Botermarkt een duif met rood geverfde veêren als een zeldzamen vogel uit het Land der Bokkeneezen vertoond. En dezer dagen nog (September
1869) zagen wij zelfs in een prachtige kermiszaal voor 't beschaafd publiek zulke arme duifjes, wie de verfkwast rood en groen gemaakt had, in een kooi zitten pronken, en hoorden dit door gezegd publiek als een aardigheid van de nieuwste vinding bewonderen. Trouwens 't publiek is als de kinderen, die blij zijn, als ze wat zien, dat zij nog nooit gezien hebben. - Doch keeren wij tot onzen zeventiende-eeuwschen kermiswandelaar terug. Hij zegt tegen den man met de roode duif:
Doch om de spellen te zien, springen wij even naar den Haag over. De Haagsche kermis is zeer beroemd; de deftigste lieden komen er om zich te vermaken: de Gravin Margareta van Nassau b.v. komt bij Brederode logeeren, om kermis te houden1), en wie, denkt ge, is haar kermisvrijer? De Raadpensionaris Jan de Wit2), die niet altijd zoo stroef en streng uit de oogen keek, als hij afgeteekend wordt.
De gewone prijs in de kermisspellen is een dubbeltje; maar ‘de groote lui’ betalen drie of vier stuivers, en hebben daarvoor een extra-plaats vooraan. En wat zien zij dan? ‘Dit zal ik je wel vertellen’, zegt Huygens:
‘Ik heb laatstleden kermis een meid zonder armen gezien,
‘En een dwerg met een waterhoofd,
Herkent gij niet dezelfde merkwaardigheden, die de kermis in onzen tijd meêbrengt? Doch laat ons eens in 't Voorhout gaan kijken:
Neen, men doet meer dan roepen: trommelen en trompetten maken een oorverdoovend muziek, ‘zooals men gewoon is voor kermisspellen te doen’; en als 't deuntje uit is, voert de ‘rekommandeerder’ het woord. Dit is de deftige titel van den man, wien Bilderdijk maar platweg ‘een schreeuwer’ noemde1). Bilderdijk kende de zeventiende-eeuwsche kermistermen al niet meer; had hij maar eventjes Jan van Gijzen opgeslagen, deze zou ze hem wel hebben geleerd:
Zoo hoorde men de rekommandeerders te Amsterdam op de Botermarkt en 't Leidscheplein, en ook in 't Haagsche Voorhout. 't Eerste spel, dat wij daar ontmoeten, is ‘de Opera, heel wel bekent’. De rekommandeerder slaat op een koperen bekken, en roept uit, dat men spelen zal ‘met nieuw muzijk: L'Euroop Galante’. Daar naast staat een perspectiefspel, waar men vreemde landen en steden door kijkglaasjes ziet. Hier speelt de rekommandeerder niet, als die van de Opera, voor omroeper, maar deelt briefjes uit voor de tent. Wie dit in onzen tijd voor wat nieuws hielden, hebben zich dus ook alweêr vergist. Het derde in de rij is het koordedansersspel. De rekommandeerder komt met een drietal kinderen in danskostuum op het theater, en roept:
De ‘Scheelen’ waren zeer vermaard op de zeventiende-eeuwsche kermis. Te Amsterdam stond op 't Leidsche plein een spel, waar de ‘Scheele juffrouw’ op het koord, en een Engelschman op de leêr danste, en Spring in 't Veld voor gek speelde; en op de Botermarkt had men het marionettenspel van ‘Scheelen Barend’3). Op de Haarlemmer kermis zien wij buiten ‘die kroot Houtpoorte’ in het koordedansersspel almede ‘die skeel juffrouw, ze dans nomprelje’4). Men vond die scheelen in allerlei karakter, zelfs een ‘godin met een scheel pak’, en een ‘scheelen Pefroen’ in 't apenspel. Voor dit laatste komt de rekommandeerder in een narrepak uit, en voor de goochelaarstent ‘als een pinksterblom’. Voor 't Janklaassenspel verschijnt hij als Hansbeuling en vertelt, dat Harlekijn op een bonten olifant zal rijden en Jan Klaassen met Medea vechten zal. Maar ginds maken een paar matrozen ruzie, en beginnen vreeselijk met kortjan te schermen; de omstanders schrikken en zoeken een goed heenkomen; velen vlugten in de spellen. 't Spreekt van zelf, dat die vechtpartij niet bij ongeluk voorvalt, maar die matrozen ook een soort van rekommandeerders zijn.
En wat is dit voor een spel? Een komedie, waar ge zoo aanstonds ‘de Dood van Tancredo’ kimt zien spelen; of wilt gij liever een koordedan-

Naar Van de Venne.
sersspel binnen treden? - Die apen, die een pijpje rooken en buitelen, zoowel als die kreupele speellui staan aan den ingang om boeren en burgerlui, en de meisjes met haar vrijers, en de grootmoeders met haar dochterskinderen te lokken. Betalen we ons dubbeltje en komen we achter 't gordijn, dan zien wij terstond de buitelaars aan den zolder duikelen, en, op den achtergrond, den Spring in 't Veld zijn kunsten uitvoeren op het houten paard - alles op

Naar Van de Venne.
de muziek van fluit, bas en violen. Eindelijk komt de scheele juffrouw op 't koord.
En welke spellen vindt men er nog al meer? ‘De Drie kroonen’1), waar weldra ‘de Vier kroonen’ naast komen staan ‘veur de groote sinjeure’, want ‘hum fraag meer geld’2). De marionettenspellen zijn zoo oud als onze kermissen, maar de marionetten nog veel ouder: Plato kende ze al en zei, dat de menschen zelf marionetten waren, en hun hartstogten de touwtjes, waarmeê ze bewogen werden. (Ieder begrijpt, dat als die wijsgeer nu leefde, hij wel anders zou spreken.) Voorts beestenspellen, waar niet alleen leeuwen, tijgers en luipaards, boschmenschen en kaboutermannetjes te zien zijn, maar ook olifanten kunsten maken.
zei een zeventiende-eeuwer, die een kermiswandeling gedaan had1). Trouwens dit was ook al niets nieuws; de Romeinen konden in hun tijd al 't zelfde zeggen; ja, men verzekert ons zelfs, dat in het oude Rome, in plaats van de schelen, de olifanten op het koord dansten.
Op de Leidsche Octoberkermis of ‘Marct der Ontsettinge’2) had men in 1606 ook een dierenkomedie: een Franschman stond er met een tent, waarin hij ‘een recreatyf eerlijck Camerspel met eenige beesten’ vertoonde; het kijkgeld was maar zes duiten. In andere spellen zag men geleerde dieren, bij voorkeur paarden en honden. In 1709 stond op de Botermarkt te Amsterdam een spel, waarin een geleerd paard te zien was, dat zelfs de tooverkunst verstond; welligt hetzelfde als het fraai Engelsch paardje, dat Jan van Gijzen op de Haarlemmer kermis zag, en waarvan men zei, dat het van den duivel bezeten was. De geleerde honden zijn velen geweest, en zij zijn nog niet uitgestorven, maar de beroemdste van allen was de onvergelijkelijke Munito, wiens portret te vinden is in de Grammatica Latina bl. 5. Vraagt iemand, waar die honden gestudeerd hebben? Bij professors natuurlijk; en zulk een was in zijn tijd zekere Sinjeur Magito, ‘Kastelein, Patroon en Hoogleeraar der Konstige Hondjes’, aan wien een ‘Amsterdams Honden-mirakel’ werd opgedragen, dat te bekomen was
Bovendien zijn er, als we reeds van Huygens hoorden, ook allerlei buitengewone exemplaren van het menschelijk geslacht te kijken geweest, en onder dezen bekleeden de reuzen de eerste plaats. Zoo zag men op de Amsterdamsche kermis in 1606 een Krabbendammer reus van 19 jaren, die bijna vierdehalf el lang was; en zeker heeft deze zich wel op honderd andere kermissen vertoond, maar niet overal was, gelijk te Amsterdam, een Opsy, die 't aanteekende. In 't midden der 17e eeuw was de Boer
van Lekkerkerk alom beroemd1). En, om niet meer te noemen, men had toen ook al wat men nu een Salon Chantant heet, maar toen eenvoudig een zoetelaarstent noemde,
Op 't Binnenhof staan de schilderij- en boekekramen; op 't Buitenhof de goud-, zilver- en zijdekramen; en op den Vijverberg kramen ‘met velerhande waar en koopmanschap belaân’. Kees Krabber staat er met een kraam met neteldoek van tien stuivers de el, Hans Mop met ‘appelsinaas dun van schillen’, en Teunis Barberos met een koekkraam.
Een oude Noordhollandsche Trijn koopt voor haar dochterskind ‘een Schoonhoofsche koeck’,
Monsieur Civetkat met zijn marsje voor 't lijf biedt elk tandpoeder, fleur-d'orange-snuif, reukfleschjes en speelkaarten aan, en Frans Smul, die weleer danser in de Opera is geweest, loopt ‘met een bandelier met flessen’ rond, om slokjes te verkoopen; terwijl Noorsche Magdeleen met drooge schol zit, en de Schevelingers schreeuwen met gekookte garnalen en gedroogde schelvisch,
Zoodra de avond daalt loopen alle kroegen vol, en in de voornaamste herbergen wordt ‘gepronuncieerd’:
Zeker een voorvader van Mijnheer Jan Vlox!4) In dien tijd was de rederijkerij al deerlijk in verval, ja reisde zelfs op de kermissen. Die kermisretrosijnen hadden van hun voorgangers nog eenige bijbelsche spelen geërfd, waar 't volk steeds behagen in vond, maar die de predikanten niet wilden dulden. Zoo klaagde o.a. in 1735 de Amsterdamsche Kerkeraad, ‘dat onder de speelen, welke op het Leydsepleyn gesteld waren, ook bevonden werden daar vertoont werden Evangelische Geschiedenissen, als: van de Geboorte des Heylands, de Moord der kinderen door Herodes,
het Laatste Oordeel en diergelijke.’ Hij verzocht Burgemeesteren ‘sulke onbehoorlijkheden te beteugelen’, die daarop ook ‘gunstige toesegginge’ gaven. Maar lang daarna zag men dezelfde vertooningen nog.
Den zeventiende-eeuwschen kwakzalver, die op de groote kermissen reist, heeft Van de Venne uitgeteekend1). Hij is uitgedost als een Duitsche Rijksgraaf, een nar heeft bij niet, maar een jonkvrouw en een pagie. De eerste ziet er uit als een prinses; de kwakzalver weet wel, dat een mooije meid nog meer gekken lokt dan een nar of potsenmaker.
En die kwakzalvers verkochten niet alleen potjes en fleschjes, olieën en zalven, maar ook tooverpenningen, die tegen alle kwalen, vooral ook tegen booze geesten en zelfs tegen den dood beveiligden. Men kan ze bij Van Loon afgebeeld vinden2).
De rijfelaars maken een prachtige uitstalling met zilver, of wat zilver schijnt. ‘Milde Lubbert’, zegt een boerinnetje tegen haar kermisvrijer:
Kijk, die vrouw neemt een lootje en gaat met een mooi stuk zilver strijken; dat lokt: twintig omstanders nemen ook een lootje, maar geen hunner trekt wat. ‘'t Lot is voor de gelukkigen’, en die gelukkige vrouw is de handlangster van den rijfelaar, en dezelfde prijs, dien zij getrokken heeft, staat morgen weêr in de rij te pronken. Herhaaldelijk werden alle ‘Treck-, Lot- oft Rijffelkramen’ op kermissen, paardemarkten en vrije jaarmarkten verboden4); maar ze kwamen toch. Geen wonder! do dobbelaars en zakkerollers waren ook verboden en bleven evenmin weg.
Aan postuurmakers en springers, kunsten- en potsenmakers geen gebrek; zij overschreeuwen elkander; in geen vak is de konkurrentie zoo levendig. Hier Madam Tournee, die draait als een molen; daar Monsieur Ranversee, die, op zijn hoofd staande, ‘zijn kouwe schaal’ gebruikt. Hier wordt de Egyptische piramide vertoond, door zes man, die 3, 2, 1, op elkanders schouders staan, terwijl op den kop van den bovenste een kleine jongen als een weêrhaan in de rondte draait; daar laat een Gaskonjer een bord op de punt van een degen draaijen,
Hier staat Jan Klaassen met zijn poppekast, dar Meester Lam de goochelaar, ginds Harmen de Vuurvreter, die gloeijende kolen kaauwt en vlas

Naar 't titelprentje van 't liedeboekje: de Amst. Kermisvr.
spuwt. De potsenmakers zijn een mengelmoes van vreemd en eigen volk; de ‘witbemeelde Pekelharing’ (ook ‘Piero’ genoemd naar den vermaarden Leidschen kamernar) en ‘Spring in 't Veld’ zijn Hollandsche theatergekken; maar al vroeg in de 17e eeuw waren er de Fransche Jean Potage en de Duitsche Hansworst bijgekomen. De eerste vooral was zeer vermaard en trad in allerlei karakter op; 't meest als kwakzalver, maar ook als goochelaar en potsenmaker, en de Waal met zijn rakekiek matigde zich ook al dien titel aan, en riep:
Uit Engeland kwam Jack Pudding, en uit Italië kregen we Pucinello (die in de Hollandsche poppekast ‘poesienel’ werd) en Harlekijn. Deze laatste zou, volgens sommigen, eigentlijk van herkomst een Griek zijn, - namelijk een jonge sater, in een geite- of tijgervel gedost en met een bruin masker voor 't aangezigt, wien de Romeinen uit het Grieksche kluchtspel overgenomen en tot een bont opgeschikten mimus vervormd, en de Italianen vervolgens ‘Arlecchino’ gedoopt hebben. Volgens anderen echter was hij Griek noch Romein, maar een middeleeuwsche vastelavondsgek; en ziehier wat de Sage ons weet te verhalen aangaande zijn afkomst.
Arlecchino was de zoon van een armen snijder te Bergamo. De scholieren vierden daar, als overal, den Vastelavond met spelen en vertooningen, en kregen bij die gelegenheid altijd een nieuw pak van hunne ouders. De arme Arlecchino echter kwam altijd in zijn oude pakje, omdat zijn vader hem geen nieuw koopen kon; toch mogten zijne makkers hem graag lijden, omdat hij de vrolijkste en geestigste jongen van de heele school was. ‘Kom’, zeiden zij eens, ‘wij willen ieder een lapje laken meêbrengen, dan heeft Arlecchino ook een nieuw pak’. Zoo gezegd, zoo gedaan. Maar die slimmerts hadden vergeten, iets af te spreken omtrent de kleur, en toen elk zijn lapje meêbragt, keken ze precies op hun neus alsof ze een Kamperstukje uitgevoerd hadden. Zooveel jongens, zooveel kleuren. ‘O, dat is niets!’ riep de vrolijke Arlecchino, terwijl hij al de
lappen bijeenrolde, ‘daar zal mijn vader wel een mooi pak van maken.’ En hij knipte ze allen tot gelijke driehoeken, en zijn vader naaide ze aaneen. Toen hij 't veelkleurig pakje aanhad, bedekte hij de bovenste helft van zijn nangezigt met een zwart lapje, dat juist overgeschoten was, en zette zijns vaders ouden grijzen vilthoed op, waaraan hij voor pluim een konijnestaartje hechtte; hij nam zijns broertjes houten sabel in de hand, en liep de stad rond, sprong en danste en maakte allerlei grappen.
De Bergameezen waren verrukt; allen liepen naar Arlecchinoos vader, om ook zoo'n pak te bestellen; de man kreeg zooveel te doen, dat hij weldra rijk werd, en Arlecchino werd beroemd door geheel Italië.
Uit Italië ging Harlekijn naar Spanje en Frankrijk over. Op een gemaskerd bal aan 't Hof van Karel IX in 1572 vervulde de Hertog van Anjou (later Hendrik III) die rol, terwijl Katharina de Medicis voor Columbine en de Kardinaal van Lotharingen voor Pantalon speelde1). In de 17e eeuw kwam hij ook hier, en werd gewoonlijk ‘de Fransche Harlequin’ genoemd; hij verdrong eerlang den ouden Spring in 't Veld, en werd zoo populair, dat hij zelfs bij 't Neptunusfeest niet ontbreken mogt2).
Voeg nu bij al de reeds genoemde kermisklanten nog de Polen met dansende beeren, Savojaards met marmotten, en Walen met rarekieken, - de hondengevechten met weddingschappen, en de apendansen met de hornpijp, - de marskramers, doedelzakblazers en liedjeszangers, de waarzeggers, kaartlegsters en planeetlezers, de gaauwdieven, vechters en bedelaars. De vechters zijn eigentlijk ook dieven, en hun vechtlust is slechts een kunstgreep, - daarom noemt men hen ‘troggel-guyten’. Een boerelummel wordt door een paar van die guiten tegen 't lijf geloopen, en terstond is 't:
Dadelijk komt er een standje; voor de kijkers is zoo'n kloppartij een buitenkansje en ze hitsen de partijen aan:
Maar eer de boer zich nog weren kan, ligt hij al onder, en schreeuwt:
En als hij eindelijk door een goed vriend verlost en opgeholpen wordt, en met dezen naar de herberg gaat, om bij een biertje zijn leed te verzetten, dan roept hij, als 't op betalen aankomt, verschrikt uit:
Juist om dat beursje was het dien troggelguiten te doen geweest.
De bedelaars zijn van velerlei soort. Sommigen zitten met een kijkkasje op de sluis; anderen zoeken medelijden door walging te verwekken, en wikkelen zich in bebloede en beëtterde doeken. Een wijf laat zich aan een ketting rondleiden, en heet razend, en een kerel loopt met verroeste ijzeren boeijen, en vertelt dat hij zeven jaren in Turkije slaaf geweest en door een wonder verlost is. En ginds zwerven anderen, die zich voor verdreven Edellieden uitgeven, wie de oorlog doodarm gemaakt heeft, en zij vertoonen zelfs hunne adelbrieven; maar als de Schoutendienders deze Heeren onderzoeken, bevinden zij, dat de zegels, in plaats van op de brieven, op hunne ruggen zijn afgedrukt1). Dit volk maakt de boeventros van 't kermisleger uit; doch wij wenden ons tot fraaijer zaken.
Een der prachtigste vertooningen op de zeventiende-eeuwsche kermissen was het optrekken der schutterij. Dit was nog een overblijfsel van de oude Ommegangen2). Maar vreemdelingen zagen er een bewijs in, dat de Hollanders een zeer soldateske natie waren. ‘Wapenen te hanteeren is hun vermaak, en sij leeren eerder soldaten als menschen te wesen’, zei een Engelschman in de eerste helft der 17e eeuw3); met de laatste woorden doelende op 't optrekken der jongens. -
Bij de Schuttersparade behoorde ook nog vaandel zwaaijen en schieten. De vaandrigs zwaaiden met hun vaandel en de schutters schoten met los kruit.
zei een Haagsche juffrouw, van haar neef sprekende, die pas vaandrig geworden was. En Fijtje Sus van Sardam was van het schieten geschrikt,
Somtijds vertoonde men spiegelgevechten, zelfs te water5); elders haalde men er een reus bij, als te Rotterdam, waar in 1651 de Boer van Lekkerkerk meê optrok6). Maar overal geschiedde 't met pracht en staatsie. De schutters droegen niet enkel blinkende harnassen, en pluimen van paradijsveêren op den stormhoed, maar ook fraaije open mouwen, satijnen broeken, zijden kousen, rozen op de schoenen en prachtige sluijers over den schouder. En de jeugd ontbrak er ook niet bij: tusschen de gelederen
marcheerden kleine jongens en meisjes, die men ‘trosjens’ noemde1). De Amsterdamsche schutters trokken elf dagen achtereen op, ‘heel cierlijk met prachtigh gewaat, pluymen, helmen en harnassen, zulks als men in geenige steden meer ziet’, zegt Melchior Fokkens2). Ja wel, men zag 't in andere steden ook, en niet minder prachtig; van de Hagenaars zegt Van de Venne:
De Riemer vond, dat het optrekken wel heel mooi was, maar ‘overmatige onkosten’ vorderde, ‘die bij sommige schutters zelfs boven hun vermogen wierden gedaan’. En eens schreef een poëet, die in den Doelen zat, terwijl de schutterij voorbijtrok, dit rijmpje op 't glas:
En daarom werd het dan ook in 't begin der 18e eeuw afgeschaft5).
De Haagsche Kermis leverde weleer een bijzonder vermaak op, dat Van Effen zich nog uit zijne jeugd herinnerde. ‘Het Haagsche jufferschap’ ging gemaskerd tusschen de kramen zwieren. De jonge heeren kochten er allerlei aardigheden, die ze aan de juffers ten geschenke gaven, en deze gaven op hare beurt tegengeschenken:
‘En de juffers, gemaskerd zijnde, maakten geene zwarigheid, om de Heeren tot dien vermakelijken handel uit te noodigen’, zegt Van Effen; maar toen hij er in latere jaren nog eens naar ging kijken, zag hij dat ‘lieden van fatsoen er zich niet meer meê bemoeiden’7).
Dat zelfs groote staatslieden en vorstinnen gingen ‘kermis houden’, zagen wij zooeven reeds; - 't woord klonk toen nog niet gemeen. Kermis houden deed ieder, oud en jong. Een grootje van zeventig jaren zelfs trok haar ‘beste spullen’ aan, en liet haar man geen rust of hij moest nog eens met haar, al was 't maar vijf minuten, voor de vedel springen. En de jongeheeren, die ‘op 't Fransche kostschool lagen’, schreven tegen den kermistijd een brief aan papa om kermisgeld. Pieter Marin, een voornaam taalmeester der 17e eeuw, geeft het volgende voorbeeld van zulk een kermisbrief:
Zeker zou in onzen tijd zulk een brief zeer ongepast geacht en met een duchtige vermaning, vergezeld van eenige afdrukken van traktaatjes tegen de kermis, beantwoord worden; - even als, vóór drie jaren geleden, den schrijver der Grammatica Latina, om een woord op bl. 32, ook een pak afschaffingstraktaatjes t'huis gezonden werd.
Ieder, die wat nieuws te vertoonen had, koos daartoe de kermisdagen. Zoo kwam Leeghwater met zijn kunst van waterduiken op de Amsterdamsche kermis in 1606, en toen Adriaen Coenenzoon van Schilperoort zijn Vischboek klaar en zijn museum van gedroogde visschen in orde had (dit was al in 1583) kwam hij er meê op de Leidsche kermis staan. En wilt gij weten, hoe hoog het kijkgeld was? Eén duit voor de visschen, en een oortje voor het boek1).
Laat Rotgans de boeren een kermismaal aanrigten en een kermisharst braden, de stedelingen deden evenzoo. Als de Hertjesdag achter den rug was, trokken de Amsterdamsche slagers Noordholland rond,
De kermisharst en 't kermisbier mogten nergens ontbreken. Breêro vertelt, hoe eens Kniertje Louwen haar man een poets speelde. Hij had een lekker halfvat opgedaan, om daarmeê ‘kerremis te houen’; maar zij deed er zich in stilte aan te goed.
maar jawel! - er was geen druppel meer in.3)
Op de volgende bladzijde geven wij een Amsterdamsche kermis uit het laatst der 18e eeuw. En wie nog eens precies weten wil, wat er op die van 1801 te kijken en te genieten was, kan het bij Arent Fokke lezen4), en er ‘de Vier Kroonen’ en ‘het Beestenspel’ en andere vertooningen bij uitgeteekend vinden. Bovendien stonden van ouds op kermis al de merkwaardigheden der stad voor de kijkers open: rasp- en spinhuizen, dolhuizen en snijkamers. Als 't kermis was gingen deftige lieden

Naar 't Vaderl. A-B-boek, 1781.
plaatsen bezoeken, waar zij op andere tijden niet gaarne zouden zijn gezien1). Een Franschman uit het gevolg van Koning Lodewijk noemde de Hollandsche kermissen: des espèces de saturnales, où tous les rangs sont confondus; hij zag er veel, dat hij zonderling vond, maar niets zonderlinger, dan dat de vrijerlooze dienstmeiden kermisvrijers voor geld huurden, en dat de huurprijs verschilde naar 't voorkomen en de uitrusting dier knapen. En in onzen tijd hebben navorschers dat ook zonderling gevonden en gevraagd, of 't wel waar was; - en anderen hebben geantwoord, dat het wezentlijk zoo was. En deze laatsten hebben gelijk; niemand zag daar vroeger iets zonderlings in, 't was een zeer bekende zaak. Te Amsterdam verhuurden zelfs getrouwde mannen zich als kermisvrijers, en konden daar nog al iets meê verdienen; hun vrouwen namen daar volkomen genoegen meê, onder voorwaarde dat de ontvangst aan haar behoorlijk verantwoord wierd.
Op de kermissen heeft men altijd die dingen gezien, waar de menschen op dien tijd de meeste liefhebberij in vonden. Zoo zag men voor ruim anderhalve eeuw tusschen de spellen op de Botermarkt ook een kegelbaan; en zien wij tegenwoordig, nu de scherpschutterij en de weerbaarheid aan de orde zijn, tal van schietsalonnetjes voor de jeugd. Toen in 1825 de Nederlanders den oorlog op Celebes voerden en Boni innamen en verwoestten, kwamen hier terstond de Boegineezen (in de kermistaal ‘Bokkeneezen’) opdagen, die levende kippen aten. In denzelfden tijd was er ook heel veel liefhebberij voor meerminnen, - denkelijk opgewekt door 't voorbeeld van Londen, waar er in 1824 eene te zien was geweest,
die reeds den eersten dag door meer dan 150 distinguished fashionables bezocht werd1). En haar volgden de Herkulessen en de Sterke Vrouwen, die molensteenen aan heur haarvlechten hingen.
Hoe men al die merkwaardige wezens bijeen kreeg? Door de kunst der metamorfose. De ‘Bokkeneezen’ hadden de vorige week nog met den schoenebak op de Muntsluis gestaan, waar niemand hen aankeek; maar zoodra ze in een tent zaten een kip te plukken, paste elk zijn dubbeltjes om die wildemannen te zien. Maar de Meerminnen? Hoe de geleerden gefopt kunnen worden met een gedroogd exemplaar, dat uit een kist met naturalia te voorschijn komt, heeft de heer Rochussen uitgeteekend in de Aurora van 1868. En een dichter zong daarbij:
Maar de Amsterdammers antwoordden:
En waar die van daan kwamen, staat te lezen in ‘de Uithangteekens,’ waar tevens het vaderland der Herkulessen en Sterke Vrouwen aangewezen is3).
En dat de ‘kermisspullebazen’ die kunst van metamorfoseeren in onze dagen nog even goed verstaan als vroeger, blijkt uit het volgende berigt in de Schager Courant van 26 November 1868.
Op de laatst gehouden kermis te Purmerend zijn twee meisjes uit Zaandam, die zich als dienstmeisjes in eene kermistent hadden verhuurd, tegen haren wil door den houder van die tent gemetamorphoseerd in getijgerde dames, door haar beiden over het geheele ligchaam te bestippen met nitrum argenti. Den volgenden dag werden zij aan het publiek voorgesteld als ‘de Dames met de tijgerhuid.’ Daar een van haar de tijgervlekken verloren had, wilde de houder der tent haar in eene negerin herscheppen, waaraan zij zich evenwel nog tijdig door de vlugt wist te onttrekken. De justitie bemoeit zich met de zaak.
Wat zulke ‘ondernemers van publieke vermakelijkheden’ al ondernemen durven! en waar ‘het geëerde publiek’ al kijkgeld voor geeft! Toch (zegt men, en men moet het gelooven) zijn de kermissen onder den magtigen invloed van onze alles beschavende en zedelijk-verbeterende eeuw ook al merkelijk beschaafd en verbeterd, schoon dan ook nog niet overal evenveel. De Haagsche kermis wordt als een voorbeeld van veredeling genoemd; wij hebben 't nog onlangs in 't Handelsblad gelezen: ‘bacchanaliën hebben er weinig plaats, en de Haagsche deftigheid verloochent er zich niet’4). Neen, zoo deftig is de Amsterdamsche nog niet. Maar munt den Haag in deftigheid uit, de Zuiderbroeders winnen 't in vrolijkheid; daar hebben de Hollanders op 't Leuvensche Kongres wat over geroepen. ‘De blauwkielen met hunne frissche deernen, rood van wangen en rood van
hoofddoeken, bewogen zich rapper en veerkrachtiger dan onze breedgeschouderde boerejongens en meiden. Zonderling! alles verandert in onzen tijd: vóór ruim veertig jaren.1) was 't juist omgekeerd. - ‘De Vlaamsche kermisvreugde uit zich in naïve uitgelatenheid; de Peerjannen en de Mekens, de Kobussen en de Treeskens hadden kindertrommen om den roffel te slaan, of zwaaiden eene vlag op een open kar.’2) - Ja wel, Mijne Heeren van den Kongresse! precies 't zelfde zag men vóór een halve eeuw ook nog te Amsterdam; maar dat werd hier toen niet ‘naïef’, maar ‘heel gemeen’ gevonden, en daarom afgeschaft. Hollanders beoordeelen veel zaken anders, wanneer zij ‘uit’, dan als zij ‘t'huis’ zijn.
En wat feesten en optogten aangaat, daar heeft onlangs de Antwerpsche kermis meê geschitterd3), en de kermishouders kwamen er zelfs uit Duitschland en Engeland. En Maastricht heeft weinig dagen later niet minder gedaan; alom liet het de reusachtige biljetten aanplakken, waarmeê het alle liefhebbers noodigde op zijn Kermesse et Foire.
Juist: ‘Kermis en Jaarmarkt’, - zoo is 't naauwkeurig uitgedrukt; want, al moge men sints lang beide woorden voor synoniem gehouden hebben, - zij zijn wezentlijk onderscheiden. De Kermis was een kerkelijk feest, de Jaarmarkt werd door de wereldlijke overheid verleend.
Van den oorsprong der kermis heb ik vroeger reeds gesproken4). Elke kerk had haar kermis, ja, elke kapel: ‘'t Is geen cappel so cleyn, si en hevet eens kermisse 's jaers’. Kloosters en gasthuizen, die elk hun eigen kapel hadden, hadden almede hun eigen kermis. Van die in 't Minderbroedersklooster te Delft, genaamd ‘de Broertgens-kermis’, bestaat nog een ‘spelsgewijs verhaal’ van 1567, waaruit wij zien, dat de voornaamste burgers daar kwamen kermis houden5); en van de Emmausche kermis in Vlaardinger-ambacht, die nog vóór veertig jaren gevierd werd, hebben wij in 't Boek der Opschriften gesproken6). Men had dus in elke plaats verscheidene kermissen; en daar de menschen aan niets meer gehecht zijn, dan aan dingen, waar ze pleizier in hebben, zoo overleefden die kermissen ook de Kerkhervorming, en moesten nog in de 17e eeuw verboden worden. Te Delft b.v. werden in 1620 de Pietersstraats-, de Kokelaans-, de Hams-, de Gasthuis-, de Oudekerks- en St. Jakobskermissen verboden7). Maar op de Gasthuiskermis waren van oudsher ook de weeskinderen genoodigd; zij werden dan onthaald op een kermismaal van zoetemelk en wittebrood, en mogten ‘d'overige tijd voorts met vreugde doorbrengen’. Weeskinderen mogt men niet te kort doen, en dus bleef voor hen de Gasthuiskermis in wezen. Doch vermits 't leven, dat dit jonge volkje maakte met dansen
en zingen, de zieken en oude lieden soms nog al hinderen kon, verzochten op 't einde der 17e eeuw de Moeders van 't Gasthuis den Weesvaders, de kinderen voortaan maar t'huis te houden; zij zouden hun 't kermismaal wel sturen. En sedert dien tijd veranderde de Gasthuiskermis in een ‘Weeshuiskermis.’1)
In sommige steden kreeg de kermis, naar plaatselijk dialekt, een eigenaardigen naam; zoo heet zij te Ommen ‘de Bissinge’ van het werkwoord ‘bissen’, dat in die taal ‘pretmaken’ beteekent. En omdat van dit laatste woord eigentlijk ‘kermis’ de superlativus uitdrukt, zijn van oudsher allerlei pretjes kermissen genoemd, en heeft men een Osjeskermis, een Mulderskermis en een Haagsche Boschkermis zoowel als een kermis op 't ijs, een kermis in de school en een kermis in de Haringpakkerij. En waar een oude Hollander binnentrad en vrolijk gezelschap vond, was dadelijk zijn vraag: ‘is 't hier kermis?’
Maar te midden van al die verschillende soorten van kermissen bleef het verjaarfeest van de wijding der hoofdkerk de kermis bij uitnemendheid. Dan moest ieder vrolijk zijn, en elk ‘zijn kermis’ hebben. Den Burgemeesteren werden voor Stadsrekening kermiszwanen en vaatjes Bremerbier vereerd2); bakkers-, grutters- en brouwersknechts kregen hun kermisbier van de molenaars3), en ieder jongen een kermisduit van zijn petemeui. De grootjes in 't Besjeshuis en de oudejuffrouwen op 't Hofje, de zieken in 't Gasthuis en de boeven in 't Rasphuis kregen op kermis een extraatje. Ja, de justitie zelve zag van ouds op kermis een weinig door de vingers, en was gewoon van doodslagen ‘ghecommitteert in de kermissen’ remissie te verleenen, wat Keizer Karel V echter niet goed vond, en in 1545 verbood4).
De jaarmarkten hadden een gantsch anderen oorsprong; zij werden verleend door den Souverein ter begunstiging van den handel. Natuurlijk klimmen zij al op tot den tijd der Romeinen. Het regt, markten te verleenen, behoorde steeds den Keizer; maar na de 12e eeuw, toen de Nederlandsche Graven zich als Souvereine Vorsten begonnen te gedragen, vroegen zij den Keizer geen marktbrieven meer, maar verleenden die zelf.
Al vroeg traden kermis en jaarmarkt in verbond. Handel en eerdienst hebben elkaâr immer de hand gereikt; zoo was 't al in de vroegste oudheid, en 't was in de middeleeuwen niet anders. De altaren boden de markten bescherming en veiligheid, en wederkeerig verschaften de laatsten aan de eersten een groot aantal offeranden. De kerk genoot groote voordeelen van de jaarmarkt, en deze den zegen der gods-
dienst; want (als de Heilige Bisschop Agobert schreef) ‘allen, die van verre kwamen om de jaarmarkt te bezoeken, moesten door avond- en morgendiensten en plegtige missen wel gesticht huiswaarts keeren.’ De kerk luidde de jaarmarkt in met hare klok, stelde die onder bescherming van haar kruisteeken, en luisterde die op met plegtige omgangen. De laatsten werden zoo schitterend mogelijk ingerigt. Geestelijkheid en Magistraat, Schutterij en Gilden vereenigden zich daarbij, en alle burgers en ook vele vreemdelingen namen er deel aan, waarom dan ook in vele steden de kermis en jaarmarkt eeuwen lang ‘de Ommegang’, of, als 't grootste feest van 't jaar, ‘de Groote Ommegang’ genoemd werd1). De jaarmarkten werden bij voorkeur op de kermissen gesteld, en waar dit niet geschieden kon werd de kermis om de jaarmarkt verschikt, vermits men zich geen jaarmarkt zonder kermisvreugd, en geen kermis zonder kramen voorstellen kon. En waar straat en plein geen ruimte genoeg voor de kramen aanboden, liet de Geestelijkheid die toe op 't kerkhof en in de kerk, gelijk de Magistraat ze op de zaal van 't stadhuis liet opslaan.
Het inluiden der jaarmarkten met de klok moest dienen, volgens Hertog Albrecht, ‘opdat die coman (koopman) weten sal, hem totter marct op sijn rechten tijt te stellen’2); maar de populaire verklaring was, dat het diende om den menschen de vrolijkheid in 't hart te luiden.
Met den eersten toon der kermisklok begon ook de eerste dans, en als de laatste galm wegstierf werd ‘het kruys opgerecht’, dat wil zeggen: aan de poorten der stad, of aan de bruggen, werden houten kruisen gespijkerd, die meestal rood, maar op sommige plaatsen ook wel zwart of wit geschilderd waren. En dit kruis was het zigtbaar teeken zoowel van 't vrijgeleide als van den marktvrede. Het eerste gaf ieder vrijheid binnen te komen en handel te drijven, zonder wegens schulden of eenige civiele zaak bekommerd te worden; alleen 's Heeren vijanden en ballingen om moord of brand waren uitgesloten. De tweede verzekerde de rust en veiligheid; wie den marktvrede brak, werd voor eeuwig verbannen. In sommige steden werd dan ook de jaarmarkt naar die kruisen ‘de Cruyce-markt’ genoemd3). En nog lang na de Reformatie bleef dat kruisen stellen in zwang; in verscheidene steden zag men 't nog in de eerste helft dezer eeuw4), en in enkele geschiedt het nog5).
Maar dit kruisen stellen gaf ook aanleiding tot een jongensvermaak. Daags vóór de kermis was 't een zeldzaamheid, iemand op de straat te zien gaan zonder een kruis van krijt op den rug. De jongens deelden er ieder een toe. Natuurlijk behoort dit ook al tot de zonden, die door 't
‘verbeterd onderwijs’ met wortel en tak uitgeroeid zijn; en zoo wij nu geen gevaar meer loopen onzen besten rok met krijt besmeerd te zien, danken wij dit aan de schoolwet en de pedagogen.
Na de Reformatie werden natuurlijk geen jaarmarkten meer ingesteld op kerkwijdingsfeesten, maar nog wel op gedenkdagen, die met dankstond en predikatie gevierd werden.
Ofschoon Leiden reeds vier vrije jaarmarkten had, werd er in 1578 nog een vijfde ingesteld ‘tot een feest der verlossinge’, en geheeten ‘de Marct der Ontsettinghe’, die van den eersten tot den tienden October duren zou. En toen die jaarmarkt voor de eerste maal zou plaats hebben, zond de Regeering alom een ‘beroep-chaerte’ uit, die door den Secretaris Jan van Hout op rijm gesteld was, - een mooi referein, dat ik hier echter niet uit zal schrijven; de liefhebbers kunnen het bij Orlers lezen1). Het feest zou met spelen der rederijkers en wedstrijden van refereinmakers worden opgeluisterd, en er werden gouden medailles en zilveren prijzen uitgeloofd, o.a. ook voor ‘den schoonste waren brengende’ en voor ‘den verstkomende’.
Een ander voorbeeld levert de Beemsterkermis. Op 't eind van de maand Mei 1612 was de droogmaking van de Beemster volbragt, en op den 30n Julij had de kaveling van de Beemsterlanden plaats. Deze laatste dag werd tot een jaarlijkschen gedenkdag gesteld. Er zou eerst een dankstond gehouden en een predikatie gedaan worden, en daarna paardeen beestemarkt en boerekermis2). En die Beemsterkermis was zoo dol pleizierig, dat Jan Bartelink er een dichtstuk in twee zangen op maakte, en nog stroomen Waterlanders, Kennemers en Westfriezen ieder jaar er in menigte heen.
't Is onmogelijk van de kermis te spreken, zonder ook aan de kermis-afschaffers te denken; en deze zijn al heel oud. Sommige kerkvaders hebben reeds traktaatjes tegen de kermis geschreven. De een betoogde, dat het niet paste, de ‘kercmisse’ te bestemmen tot het drijven van koopmanschap; en de ander, dat het zeer ongerijmd was, zijn kerkpatroon, een martelaar, die Gode behaagd had door veelvuldig vasten, te vereeren met eten en drinken en dansen en springen. Maar die traktaatjes baatten niet; jaarmarkt en kermis bleven vereenigd, en beiden voeren er wel bij.
Na de Reformatie begon de oorlog der predikanten tegen de kermis, maar met geen ander resultaat. Wel werd in benaauwde jaren de kermis soms niet gehouden, maar dit was geen afschaffing. Zulks was onder anderen in 1672 het geval, toen men geen Haarlemmer Courant in handen nam, of men las er tal van bekendmakingen in van Stads- en Dorps-
regeeringen, dat er geen kermis gehouden zou worden, vermits te veel ongenoode gasten in 't Land gekomen waren. ‘Sijne Majesteit van Vranckrijck’, zeiden zij, ‘quam mit al te grooten geselschap te kermis. Onse Hollandsche kermissen beginnen voor de meestendeel in de maendt Mey en juyst in die maendt quam die groote gast mit sijn geselschap aan’1). Zij wilden hem dus foppen, en dit jaar eens geen kermis houden.
Eindelijk, toen het jaar 1795 gekomen was, mogten de kermisafschaffers hopen, dat zij hun zin zouden krijgen, 't viel toch niet moeijelijk te betoogen, dat, ‘daar de gezegende omwenteling’ met alle oude overleveringen en middeleeuwsche instellingen gebroken had, nu ook de kermis, die zoo echt middeleeuwsch was, als de naam zelf bewees, naar de maan moest. En werkelijk verklaarden sommige municipaliteiten de kermis voor onnut, en besloten, dat zij niet meer gehouden zou worden; dit was o.a. te Haarlem 't geval2). Maar wat zou Amsterdam doen? Daar hing veel van af; en de Representanten van het Volk van Amsterdam weifelden. 't Hing in 't laatst van Augustus nog in twijfel, of er in September weêr Amsterdamsche kermis zou zijn of niet.
De marktmeester Brink kwam reeds vragen, hoe 't moest? Op alle pleinen stonden nog de dekoratiën van 't Alliantiefeest; als deze niet weggenomen werden, wist hij geen plaats te vinden voor spellen en kramen.
De Kerkeraadsleden en hunne vrienden kwamen verzoeken, dat die ‘dierbare gedenkteekenen der Verlossing’ mogten blijven staan, veel liever dan dat men door 't kermishouden weêr tot de middeleeuwen en de ‘wenteling in het slijk’ mogt terugkeeren.
Maar terstond na hen kwamen eenige neringdoende burgers en burgeressen, die precies het tegendeel verzochten, en beweerden, dat de revolutie wel gekomen was om de aristokraten weg te jagen, maar niet om het volk zijn kermis af te nemen.
En de Representanten van het Volk van Amsterdam delibereerden. Aan de eene zijde vreesden zij door 't afschaffen ontevredenheid te verwekken, waarvan zekere Aristokraten en Oranjegezinden gebruik zouden maken om een contrarevolutie te bewerken. Aan de andere zijde vonden zij 't gevaarlijk kermis te houden, omdat er dan allerlei vreemdelingen in de stad kwamen, met wier hulp diezelfde Aristokraten en Oranjegezinden mogelijk een contrarevolutie zouden kunnen bewerken. - IJselijke verlegenheid! Hier Scylla, daar Charybdis! wat te doen? - ‘Er tusschen door zeilen’, was 't advies van 't Committé van Algemeen Welzijn; ‘wel kermis houden, maar geen vreemdelingen toelaten’. En zoo werd besloten; de dekoratiën moesten dan maar weggenomen worden.
Dat viel den kerkeraad en afschaffers bitter tegen, en de eerste besloot nog een poging te wagen. Op den 1sten September verschenen dominee
Hoefhamer en de ouderling Bunk ter vergaderkamer van de Volksrepresentanten. Dominee sprak eerst ‘een gepasten zegenwensch’ uit, en toen een ernstig woordje tegen ‘de kermisijdelheeden’. De President bedankte voor den zegenwensch, en zei, dat hij over de rest met zijne medeleden nog eens delibereeren zou.
Maar nog zaten die goede Representanten midden in de deliberatie, toen zij een voorstel ontvingen van den burger Hinlopen, die betoogde, dat het genomen besluit moest ingetrokken worden, want dat de burgerij een ouderwetsche kermis begeerde ‘met toelating van spellen en buitenkramen, vermits ‘een kermis, waar alleen weinige kramen van inwoners gevonden werden, geen vreugd of vermaak opleveren kon’. Pas hadden zij dit voorstel gelezen, of er werd hun een tweede gebragt, en wel van den Maire, die 't zelfde beweerde en den Representanten verzekerde, dat ze niet bang behoefden te wezen voor oproermakers, want dat de schutterij en de policie de rust wel zouden weten te bewaren.
En nu delibereerden de Representanten nog eens weêr, en trokken eindelijk hun besluit in, en lieten afkondigen, dat er kermis zou zijn, precies als er altijd geweest was. De Kerkeraad riep: ‘o Wee!’ en de afschaffersklub: ‘o Jee!’ maar de burgerij riep: ‘Hoezee!’
En terstond werden nu de Representanten bestormd met rekwesten van allen, die met hun ‘kermisspullen’, al buiten de poort stonden te wachten. Daar kwam Ramet met zijn Vier kroonen; Siesenis met Zinnebeeldige vertooningen op de Alliantie (alsof men daar nog niet genoeg van gezien had); Antonie van Aken met zijn beestenspel; Britting met zijn Janklaassenspel; juffrouw Damus met haar wassebeeldenspel; Opré met zijn kunst van escamotteeren; de weduwe De Vries met haar marionetten; Ko Dammenie met een glasblazerij; Kristoffel ter Meer met kunststukken van albast; Schöffel met illuminatiën, en Burdeth met twee mechanieke kunststukken. Ja, zelfs de Alkmaarder kwakzalver, Pieter Roth Ermel, dien de Amsterdammers ‘Piet de arme rot’ noemden, kwam ook weêr permissie vragen, om de menschen van wat tanden en kiezen te mogen verlossen. En de Representanten stuurden dat heele pak rekwesten aan 't Committé van Algemeen Welzijn, en dit kollegie stuurde ze weêr naar de Regenten van 't Spin- en Werkhuis, om ‘te accordeeren’.1).
En de Amsterdammers hielden in 't eerste jaar der Bataafsche Vrijheid even vrolijk kermis als ze gedaan hadden, toen zij nog ‘zuchtten’ onder ‘het voorgaande tirannieke bewind!’ Ja, eigentlijk dachten ze er op de kermis niet eens aan, dat ze nu vrije Bataven waren, en velen zongen nog even lustig als in 't vorige jaar hun: ‘Vivat Oranje hoezee!’ tot geen geringe ergernis van het Committé van Algemeen Welzijn, dat zich echter wijselijk maar een beetje doof hield.
En toen men te Amsterdam de kermis behouden had, kwamen de municipaliteiten van andere steden, die de hunne reeds afgeschaft hadden, ook op hun besluit terug, en lieten voortaan de burgers weêr kermis houden als te voren.
En nu in onzen tijd? - Natuurlijk ‘verschillende gevoelens’. -
‘De kermissen zijn bacchanalia’, zegt de een, ‘zij passen niet in onzen tijd’. -
‘Maar wat moeten wij dan doen?’ vraagt een ander: ‘afschaffen of verbeteren?’ -
‘Afschaffen!’ klinkt het van de eene zijde, - ‘dat is altijd de kortste weg!’ -
‘Zeker!’ roept men van de andere zijde, ‘maar als men alles afschaft, blijft er eindelijk niets over; verbeteren is edeler taak. Laat de kermissen blijven, maar leer ze, haar fatsoen te houden!’ -
‘Wel zeker!’ zegt de Vriend van armen en rijken, - ‘viert kermis, als ge er van houdt, maar doet het met eer en deugd!’1) -
‘Onze toongevers moeten het volksleven opwekken in plaats van onderdrukken’, zegt de Baron van Hugenpoth. ‘Het volk moet in zijn vermaken leeren zoeken naar hetgeen werkelijk waar en werkelijk schoon is. Zonder dit zal de wetgever te vergeefs door het verbod van de kermis het zedelijk volksleven trachten te verbeteren’2). -
‘Verstandige gemeenten schaffen de kermissen niet af,’ zegt de Heer Vorstman, ‘maar wachten haren tijd af, totdat zedelijke volksuitspanningen de onzedelijke onnoodig en overbodig gemaakt hebben. En die schijnt niet zoo ver; op die goede toekomst mogen we allen moed hebben’3).
En inmiddels schrijven anderen vol moed reeds over: ‘de Kermissen der Toekomst’4).
Dit laatste is mij te profetisch; de toekomst schuilt achter haar gordijn en antwoordt op geen vragen, maar de historie is onze beste leermeesteresse. ‘Hoor!’ zegt zij - ‘de kermissen zijn altijd de spiegels van 't volksleven geweest, en dat zullen zij blijven: beschaaf nu het laatste, dan verbetert gij de eersten’.