'"Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden". Netwerken rondom de Amsterdamse schouwburg'


auteur: E.M. Grabowsky en P.J. Verkruijsse


bron: E.M. Grabowsky en P.J. Verkruijsse, ‘“Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden”. Netwerken rondom de Amsterdamse schouwburg.’ In: W. Abrahamse et al. (red.), Kort Tijt-verdrijf. Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca 1550) aangeboden aan Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam, 1996, p. 227-242. 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 227]

‘Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden’
Netwerken rondom de Amsterdamse Schouwburg
*

E.M. Grabowsky & P.J. Verkruijsse

Problemen en taken

Ruim dertig jaar geleden kregen de Nederlandse literatuurhistorici een omvangrijke en moeilijke taak in de schoot geworpen. W.A.P Smit gaf in 1964 in zijn, inmiddels door iedere student Nederlands bestudeerde, artikel aan wat er nog diende te gebeuren voordat er een ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandse renaissancetoneel geschreven kon worden. 1 Aan dit onderwerp was sinds het pionierswerk van Worp en Te Winkel aan het einde van de negentiende eeuw nauwelijks aandacht besteed.

Inmiddels heeft menig onderzoeker op de een of andere manier gehoor gegeven aan de oproep van Smit. Veel van de auteurs in deze bundel en natuurlijk de laureaat zelf hebben blijk gegeven van de groeiende aandacht in de neerlandistiek voor het toneel uit de renaissance. De vele studies die sinds 1964 op dit gebied zijn verschenen, richten zich in navolging van Smit vrijwel volledig op de toneelteksten. Over de auteurs horen we meestal niets.

De vraag rijst echter of het voor het schrijven van de ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandse renaissancetoneel voldoende is ons zozeer te richten op de literair-theoretische ontwikkeling en daarbij de praktijk van het toneel vrijwel geheel buiten beschouwing te laten. In de eerste plaats is het van belang te weten wie die tientallen mensen waren die in de zeventiende eeuw toneelstukken schreven, vertaalden en bewerkten. Deden zij dat om de eer alleen; werden ze betaald; wat was hun band met bijvoorbeeld de Amsterdamse Schouwburg; wat was hun sociale positie; welke toneelauteurs hadden onderling contact? Allemaal vragen die moeilijk te beantwoorden zijn op basis van de kennis die we tot nu toe hebben.

Net als Smit meer dan dertig jaar geleden moeten we het doen met het pionierswerk van de grote feitenverzamelaars uit de negentiende eeuw. Verspreid over tijdschriften als De Navorscher, de werken van J.A. Worp en wat biografische woordenboeken zijn wel biografische gegevens te vinden, maar veel is het niet. Alleen enkele grote toneelauteurs als Vondel en Hooft zijn sindsdien nog vereerd met, inmiddels alweer gedateerde, biografische studies. Over de meeste anderen weten we vrijwel niets en lijken we, gezien het geringe aantal onderzoekers dat aan dit onderwerp aandacht besteedt, niets te willen weten ook.

Dit gebrek aan belangstelling kan niet gerechtvaardigd worden met het argument dat

[p. 228]

archiefonderzoek zoveel tijd kost en relatief zo weinig oplevert. Ook in de archieven is de laatste honderd jaar veel veranderd. Juist de bronnen voor biografisch onderzoek zijn veel toegankelijker geworden. Natuurlijk zijn de antwoorden op bovenstaande vragen niet alleen in de archieven te vinden. Belangrijk voor het achterhalen van de netwerken waartoe auteurs behoorden, zijn bijvoorbeeld de lof- en drempeldichten in de toneeluitgaven.

Slechts incidenteel verdiept iemand zich in de biografie van een toneelauteur. Een opzienbarend resultaat behaalde S.A.C. Dudok van Heel met zijn onderzoek naar de geliefde en later verguisde toneelauteur en schouwburgregent Jan Vos. Met de waardering voor zijn gruwelstukken als Medea verdween ook die voor zijn persoon: de achttiende en negentiende eeuw maakten van hem een arme glazenmaker zonder opleiding. Dudok van Heel toonde na grondig archiefonderzoek aan dat dit beeld herzien moest worden. Vos behoorde tot een belangrijke oude katholieke familie die na de alteratie haar officiële macht had verloren, maar nog altijd in groot aanzien stond en zeker niet onbemiddeld was. 2 Dudok van Heel onderzocht tevens tot welke religieuze groeperingen andere zeventiende-eeuwse schouwburgregenten behoorden en kwam tot de conclusie dat velen het katholicisme aanhingen. De functie van schouwburgregent was een bestuurlijke baan van het tweede plan. Katholieken die sinds de alteratie niet meer in aanmerking kwamen voor de uitvoering van de allerhoogste ambten, werden nog wel toegelaten tot de minder invloedrijke bestuursorganen. Natuurlijk speelde ook de affiniteit met het toneel een grote rol bij de benoeming van schouwburgregenten.

In andere studies van Dudok van Heel wordt aangetoond dat er vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw een ontwikkeling te constateren is waarbij een grote ‘agglomeratie van tonelistengezinnen [ontstond], die door huwelijk en parentatie nauw aan elkaar verwant waren’. 3 Deze trend valt al eerder te bespeuren en geldt bovendien niet alleen voor de ‘tonelisten’; ze strekt zich uit tot alle personen die met het toneelleven in die tijd te maken hebben.

In het volgende hebben wij geprobeerd om twee (van de vele) zeventiende-eeuwse toneelauteurs van biografische gegevens - en daarmee van een sociale achtergrond - te voorzien. Het zijn Leonard de Fuyter 4 en Dirk Pieterszoon Heynk. Beiden bewerkten van oorsprong Spaanse toneelstukken tot Nederlandse spelen die tot ver in de achttiende eeuw, al dan niet aangepast aan de veranderde toneelopvattingen, op het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg bleven staan.

Leonard de Fuyter (1622-1658)

Leonard de Fuyter is niet geheel onopgemerkt gebleven in de oudere naslagwerken. Aan Te Winkel is hij uiteraard niet ontsnapt; in Kalff valt zijn naam even; Frederiks en Van den

[p. 229]

Branden hebben hem opgenomen; Ter Laan kent hem; hij staat in Coffeng. Bijzonder is dat het NNBW twee lemmata aan De Fuyter heeft gewijd. 5

Het is duidelijk het grachtengordelmilieu waaruit de koopman, dichter en toneelschrijver Leonard de Fuyter 6 voortkomt of waarin hij vanuit Den Haag terechtkomt. Hij is het vijfde van de zeven kinderen van Jacobus Lion de Fuyter en Magdalena van Ebelen die zich vanuit Den Haag op de Keizersgracht vestigen. Zijn vader Jacobus Lion en zijn broers Louis en Jacob Leon de Fuyter hebben een zekere vermaardheid als schilder; een dochter van Louis trouwt met de schilder Huijbertus Appel en een dochter van zus Catarina huwt later in de eeuw de fijnschilder Charles du Fresne. 7 Een hoog kunstenaarsgehalte in de familie dus.

Hoezeer het schilders-, schrijvers- en toneelmilieu in het zeventiende-eeuwse Amsterdam verweven is, laat zich uitstekend illustreren aan de hand van tal van archivalia in verband met de familie De Fuyter en door de context waarin de literaire produktie plaatsvindt.

Leonard de Fuyter, die zich bij zijn ondertrouw op 8 januari 1649 koopman noemt 8, heeft zich trachten te manifesteren als dichter. De liedbundel Amsteldamse vrolikheyt van 1647 bevat twee gedichten van ‘Fuyter de Lion’: ‘De klagende Casander, over de breeckende vrindschap van Damon’ (in 1649 overgenomen in het Utrechts zang-prieeltjen) en een ‘Sonnet’. Maar belangrijker dan de inhoud van deze verzen zijn de namen van de andere poëten uit deze bundel, zoals J. Vos, Gillis Nooseman, Jan Pietersz Meerhuysen of Jan Tamboer, Ariaan van den Berg, M.F. Besteben, W. Robyn, I. Vos, M. Michaelis (Tracht nae't best) en A. Bormeester. Zij allen hebben met het toneel te maken, hetzij als auteur van stukken, hetzij als toneelspeler. 9

In 1646 noemt De Fuyter zich de ‘verbonden konst-genoot, en leerling’ van Adam Karels van Germez wanneer hij aan de laatste zijn Bedekten verrader opdraagt. In het voorwerk van dit toneelstuk treft men als lofdichters aan Isaac Vos, Abraham Bormeester, Gillis Noozeman en D.L. Bleu. De laatste, Daniël le Bleu, is waarschijnlijk een neef van de dichter François le Bleu 10. De Fuyter is de enige lofdichter in Gedwongen vrient (1646) van Isaac Vos en in Lambert van den Bosch' Rampzalige liefde ofte Bianca Capellis van 1649; samen met Le Bleu, D. de Lange en J. Noozeman zwaait hij in 1651 Van den Bosch lof toe in diens Roode en Witte Roos, of Lankaster en Jork. Het laatstgenoemde werk is gedrukt door Tymon Houthaak en uitgegeven door Dirk Cornelisz Houthaak die beiden ook actief waren als toneelspeler. 11

Aan schouwburgregent, koopman en kunsthandelaar Marten Kretzer draagt De Fuyter in 1647 zijn ten onrechte aan Lope de Vega toegeschreven Verwerde-hof op. 12 Isaac Vos, ene B.V.E., I.R. van Staeveren en Le Bleu staan klaar om lofdichten te leveren. Kretzer is geen onbekende in de familie De Fuyter. Leonards broer, de schilder Louis de Fuyter, legt samen met Kretzer op 16 maart 1660 een verklaring af voor notaris Friesma over de verdeling van schilderijen onder de - inmiddels ruziënde - erfgenamen van Lodewijk (de) Bas. 13 Jan en

[p. 230]

Joan Bas vallen samen met onder anderen Ds. Jacobus Trigland weer in de prijzen bij de verdeling van de erfenis van koopman Joan de Marees Danielsz in 1663 die blijkbaar eveneens het een en ander aan de wand had hangen. Ook nu speelt Louis de Fuyter een belangrijke rol als taxateur en verdeler van dit onderdeel van de boedel. 14 Een andere (toekomstige) schouwburgregent, Pieter de la Croix, vergezelt Louis de Fuyter als getuige naar notaris Danckerts in 1669 wanneer er een regeling getroffen moet worden voor zijn zoon Frans die op het punt staat als matroos aan te monsteren. 15 Leonard neemt de toneelschrijver Daniel Wels als getuige mee naar de notaris wanneer hij in 1656 een huis koopt in de Anjeliersdwarsstraat ‘daer de jonge tobias uijthangt’. 16

Maar er zijn nog meer familieleden dan Louis. De Jacob Leon die door Wybrands en Kossmann als toneelspeler en ‘boekhouder’ (souffleur) genoemd wordt, moet een De Fuyter zijn, namelijk de broer van Leonard en Louis. 17 Leonards dochter, Maria de Fuyter, huwt een zekere Pieter Teunissen Coster die bij zijn ondertrouw als beroep eveneens boekhouder opgeeft, maar hier moeten we zeer waarschijnlijk aan een ‘echte’ boekhouder denken. 18 Een interessant familielid is Leonards zwager Frans Schuijlinx, die in 1646 in Sloten in het huwelijk treedt met Susanna de Fuyter. Wanneer zijn weduwe in 1656 de Weeskamer bewijst, blijkt dat hij herbergier was. 19 Volgens Worp 20 heeft Schuijlinx model gestaan voor Frans de Gek die een paar maal voorkomt in het werk van Tengnagel. Oversteegen 21 durft de identificatie niet aan, maar de archivalia geven wel degelijk steun aan de hypothese. In Frik in't veur-huys heeft Tengnagel het over ‘Frans de Gekken op 't hoekje van de wortelmarkt, by de hal’. Susanna de Fuyter wordt in 1661 begraven: zij ‘komt van de oude wortelmarckt int beloofde landt over het Prinssen Hof’. 22

In hoeverre er relaties bestaan met de familie van Jan Harmensz Krul is niet helemaal duidelijk. Lodewijk, de zoon van schilder Louis de Fuyter, trouwt in 1663 met ene Maria Crul, dochter van Wouter Jansz Crul 23, maar om dit helder te krijgen, moet nog aanvullend archiefonderzoek plaatsvinden. Via de echtgenoot van Maria de Fuyter, Adriaen Joosten, is er een link met de boekverkoper Jan Jansz of Johannes Janssonius uit Arnhem: deze is de vader van Joostens eerste vrouw Anna Jansz Janssonius stelt zich gerant - en de boekverkopers Isaac Commelin en Jan Jansz Brouwer staan borg - voor het erfdeel aan zijn kleinzoon Pieter Joosten. 24

Een voor de toneelgeschiedenis interessante akte werd op 20 augustus 1654 opgemaakt voor notaris Antoni Tullingh. Wij laten die in haar geheel volgen:

Op huyden den 20 Augustus 1654 Comp[areerden] voor mij Antoni Tuillingh Not[ari]s etc. ter presentie vande ondergescr. getuijgen d'eersame Pieter Seerijp out ontrent 34 Jaren woonachtich inde runstraet alhier ende d'eersame Jacob de Fuijter schilder woonende
[p. 231]
opde prinsegraft out ontrent 36 Jaren ende hebben bij ware woorden onder presentie van Solemnelen Ede ten versoecke van d'eersame Jacob gosens van Scheijck verclaert, ge-tuijcht ende geattesteert hoe waer ende haer getuige wel bekent is dat Judith willems bejaerde dochter, die indes requirants huyse staende naest d'accademie deser Stede, heeft gewoont ende getapt ende herberge gehouden nu ontrent out is ses ende dartich Jaren, off ouder Geven sij getuijgen voor redenen van wetenscap te weten de voorsz Jacob de Fuijter dat hij de voorsz Judith willems van kints been aen gekent heeft ende doen sij'tsamen cleijn waren de voorsz Judith altijt een Jaer ouder seijde te wesen als hij getuijge was ende hem mede noch wel bekent te syn dat dese Judith willems ontrent drie ende twintich Jaren geleden, al voor pas*..* int Spel van Stirus ende ariane op d'academie heeft gespeelt ende de voorsz Pieter Serep dat de selve Judith willems, haer ouderdom hem selfs wel verclaert heeft, ende heeft hij haer Judith omtrent de twintich Jaren gekent ende als hij aen haer kennis kreech dat sij doen al een volwassen vryster was. Aldus gedaen't Amsterdam ter presentie van Hend. hend Brae ende pieter Mattysz woonende inde runstraet als get[uigen]
[ondertekend:] Jacop de Fuijter, Pieter Zeerijp, Pieter Matthijs, Hendrick henderick bra, A. Tullingh Nots Pub. 1654.

De reden waarom Jacob Gosens zoveel belang hecht aan de leeftijd van de tappende Judith wordt niet duidelijk, maar wel duidelijk is dat zijn huis op een uitstekende locatie stond, naast de Schouwburg. Jacob de Fuyter en Pieter Zeerijp - toneelspeler en -schrijver en leverancier van allerlei waren aan de Schouwburg, inclusief tabak, bier en brandewijn 25- kennen elkaar al lang en beiden kennen ze Judith. De mededeling dat deze dame als jongedame reeds op de planken stond, werpt een beetje meer licht op het optreden van vrouwen aan de Amsterdamse Schouwburg. In de literatuur gaat men er nog steeds van uit dat Adriana Nooseman in 1655 het vrouwendebuut maakt in de Schouwburg 26, maar Judith Willems treedt op in Stirus, een stuk van J. Struys dat in december 1629 in première ging, in diezelfde maand nog vier maal werd opgevoerd en in 1630 nog een keer een voorstelling beleefde. 27 Jacob de Fuyters getuigenis lijkt betrouwbaar: 1654 min 23 komt aardig in de buurt van 1629-1630. Ten slotte valt op dat zowel De Fuyter als Zeerijp als de getuigen vlak bij de Schouwburg wonen: Prinsengracht en Runstraat. 28

Archiefonderzoek wordt pas echt leuk als er burenruzies opdoemen. Het gevecht waarin Leonard de Fuyter terechtkomt, lijkt aanvankelijk extra aantrekkelijk omdat zijn overbuurman Pieter de Hooch heet, die echter knopenmaker blijkt te zijn. Eind augustus 1652 slaat de vlam in de pan. Mijnheer de Hooch heeft mevrouw de Fuyter publiekelijk ‘een tuijnhoer’, een ‘wavel smots’ en een ‘varcken’ genoemd. De laatste is toen de straat overgestoken, ‘vraegende

[p. 232]

wiens hoer hij conde seggen dat sij was’. Het antwoord was kort maar krachtig: ‘loopt hoer laet u man comen’. Die kwam, met als gevolg ‘een vuijst in sijn aengesicht geslaegen in sulcker voegen dat hij daer door seer geweldich bloede’. Er zijn niet minder dan vier notariële akten nodig om de verbale en fysieke gewelddadigheden te boekstaven. Een van de buren die getuigen is Vincent Drielenberch, waarschijnlijk een zoon van de gelijknamige vader die eerder in de eeuw publicitair actief was. 29

Drie jaar later staat Leonard weer voor de notaris. Nu heeft hij ruzie met ene juffrouw Elisabeth van Meurs ‘ter sake van injurien, ende andere beuselingen’ die dreigen uit te lopen op een proces. Door bemiddeling van ene Johan van Rheenen besluiten beide partijen de ‘injurien’ waarvan ze elkaar beschuldigen te ‘vergeven, versmoren ende vergeten’. 30

Dirk Pietersz Heynk (1630-1679)

Deze auteur is, ondanks zijn populariteit tot ver in de achttiende eeuw, volledig in de vergetelheid geraakt. Zo verzucht Wijnman in het NNBW: ‘omtrent zijn leven is niets bekend’ en verder dan de constatering dat hij een neef in Haarlem heeft en drie toneelstukken heeft geschreven, komt hij niet. Zelfs de levensjaren van de man worden niet genoemd. 31 Nu is het inderdaad lastig gebleken om de sporen van Heynk te traceren, maar een betere karakterisering dan ‘zeventiende-eeuwse toneelschrijver’ valt wel te geven.

Op dinsdag 30 januari 1630 wordt Dirk Pietersz Heynk 32 als eerste kind van Pieter Dirks Heynk en Grietje Pietersdr Bont ten doop gedragen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. 33 Zijn ouders waren twee jaar eerder in het huwelijk getreden en waren sindsdien woonachtig aan het Singel, waarschijnlijk op het stuk tussen het huidige Spui en de Paleisstraat. Niet zover van de Academie aan de Keizersgracht dus. De familie waarin Dirk Heynk werd geboren bood alle mogelijkheden voor een goed leven. Zowel de verwanten van moeders- als van vaderskant behoorden tot de Amsterdamse elite van geslaagde kooplieden van gereformeerde huize, zodat ook de weg naar bestuurlijke macht open lag. De vader van Dirk dreef samen met zijn broer internationale handel op onder meer de handelssteden aan de Oostzee en in Frankrijk. De familie Heynk heeft zelf nooit bestuurlijke functies in Amsterdam gehad. Alleen bij aangetrouwde leden was dit het geval. De overgrootvader van D.P. Heynk bracht het in zijn woonplaats Deventer tot het burgemeestersambt. 34

Al kort na de geboorte van zijn zoon sterft Pieter Heynk. Op 9 maart 1632 vermoedt hij een spoedig einde van zijn leven en ontbiedt hij notaris Pieter Carelsz om twee uur 's nachts aan zijn doodsbed om zijn testament op te maken. Zijn goede vriend en buurman, Cornelis Dirksz Abba (1604-1675), treedt op als getuige. Heynk benoemt zijn zoon Dirk tot erfgenaam. 35 Vier dagen later wordt hij begraven op de aanzienlijkste plek in de Nieuwe Kerk: het

[p. 233]

hoogkoor. 36 Dirk erft het behoorlijke bedrag van ruim achtduizend gulden. 37 Grietje Bont treedt na twee jaar opnieuw in het huwelijk. 38 Haar tweede echtgenoot, Bartholomeus van der Wiere, stamt eveneens uit het milieu van geslaagde gereformeerde zakenlieden, in dit geval een familie met bestuurlijke macht. 39 De halfzuster van Bartholomeus van der Wiere, Sara, was gehuwd met de al eerder genoemde Cornelis Abba: de buurman van de familie Heynk.

 

De familie Abba was in het bezit van een grote en goedlopende brouwerij genaamd ‘de Vijffhoeck’. Het huwelijk tussen Grietje Bont en Bartholomeus van der Wiere bracht Pieter Heynk dus al jong in de invloedrijkste kringen van Amsterdam. Zijn stiefvader was eveneens een internationale handelaar. Dirk Pieters Heynk was ongetwijfeld voorbestemd om in de voetsporen van zijn (voor)ouders te treden, maar of hij dit gedaan heeft valt niet met zekerheid te zeggen. De vermelding van een Dirk Heynk als rekeninghouder bij de wisselbank kan ook betrekking hebben op zijn neef Dirk Jansz Heynk. 40 De enige vermelding van een beroep van D.P. Heynk is te vinden in het belastingkohier uit 1674, waarin hij kapitein wordt genoemd. Waar blijft onduidelijk, maar in ieder geval niet bij de Amsterdamse schutterij. 41 Een loopbaan als koopman is zeker niet helemaal vanzelfsprekend geweest. Diverse leden van de familie oefenden een juridisch vak uit en de stiefneef en vriend van Dirk, de dichter Bartolemeus Abba, studeerde en promoveerde in Harderwijk in de rechten en vestigde zich daarna als advocaat in Amsterdam. 42

Het echtpaar Bont-van der Wiere vestigde zich vermoedelijk kort na hun huwelijk aan de Keizersgracht vlakbij de Amsterdamse Schouwburg. D.P. Heynk zal hier zijn verdere leven blijven wonen. 43 Dirk kreeg nog twee halfzusters, Swana en Maria. Een broertje, Bartholemeus, overleed al snel na zijn geboorte in 1640.

Wanneer D.P. Heynk belangstelling kreeg voor het theater valt nauwelijks meer te achterhalen. Dat de Academie, later de Schouwburg, letterlijk in zijn straatje lag, zal hem natuurlijk al jong in contact gebracht hebben met het toneelleven. Maar er zijn meer verbanden te ontdekken. Een van de schouwburgregenten, Mr. Pieter van der Gracht (regent 1651-1655), was familie van D.P. Heynk. Zijn nichtje Anna Heynk was getrouwd met een broer van deze man. Tijdens de bestuursperiode van Van der Gracht zette Heynk de eerste schreden als toneelauteur. Zijn eerste stuk, De Gestrafte Kroonzucht 44, werd slechts eenmaal opgevoerd. Zoals gebruikelijk was, werd ter gelegenheid van de première een tekstuitgave verzorgd van het toneelstuk door de vaste uitgever van de Schouwburg, Dirck Cornelisz Houthaak. Het stuk wordt in het voorwerk bejubeld door een collega-auteur: P. Dubbels.

Hoewel ons tot 1662 geen werk van Heynk bekend is, lijkt hij wel in contact te zijn gebleven met de kringen rond de Amsterdamse Schouwburg. In 1662 schrijft hij een lofdicht voor

[p. 234]

de uitgave van het verzamelde werk van de machtige schouwburgregent Jan Vos die doorhemzelf werd geredigeerd. 45

Een jaar later beleeft het tweede toneelstuk van Heynk, Veranderlyk Geval, of Stantvastige Liefde, zijn première in de Amsterdamse Schouwburg. Net als zijn eersteling was dit stuk een bewerking van een vertaling uit het Spaans. De vertaler is in dit geval bekend: Jacobus Barokes. Het stuk had van meet af aan aanzienlijk meer succes dan De Gestrafte Kroonzucht. Veranderlyk Geval werd in ieder geval tot 1769 (met uitzondering van de jaren 1748 en 1754-1758) jaarlijks opgevoerd. 46 De uitgave van dit stuk, minstens twee weken na de première, werd dit keer opgeluisterd door een gedicht van de dichter Bartholomeus Abba (1642-1684), zoals gezegd een stiefneef van Heynk, en opgedragen aan de neef in Haarlem die Wijnman noemt in het NNBW, G. Colterman.

Het laatste bewijs van Heynks rol in het literaire leven is zijn in 1668 verschenen en opgevoerde treurspel Don Louis de Vargas, of edelmoedige wraek. Opnieuw een kassucces dat tot in de achttiende eeuw op het repertoire van de Schouwburg blijft staan.

Bartholomeus Abba verkeerde eveneens in het Amsterdamse toneelmilieu. Aanvankelijk werd hij geroemd als een aanstormend talent en mocht hij Vondel en Jan Zoet tot zijn bewonderaars rekenen. Zoet droeg zelfs een dichtbundel aan hem op. Behalve het lofdicht voor Heynk schreef hij eerder een lofdicht voor een toneelstuk van P. Toll in 1661. 47 Abba kon de hooggespannen verwachtingen echter niet waarmaken. De kring van Zoet keerde zich tegen hem en menig schelddicht werd zijn deel. Hem werd onder meer dronkenschap verweten, verkwisting en het kopen van gedichten die hij voor eigen maaksels liet doorgaan. Wijnman vermoedde al dat deze geruchten op waarheid berustten. Inderdaad is het slecht afgelopen met Abba. Hij bleef weliswaar dichten tot zijn dood, als dit tenminste zijn eigen gedichten zijn, maar financieel verkeerde hij aan het einde van zijn leven in een grote crisis. In 1679 werd hij gedwongen een deel van de nalatenschap van zijn vader, de brouwerij ‘De Vijffhoeck’, te gelde te maken om zijn schulden te kunnen voldoen. De executoriale verkoop bracht ruim zestienduizend gulden op die onmiddellijk in een bodemloze put verdwenen. 48

Ook D.P. Heynk lijkt zijn vermogen op onverklaarbare wijze te zijn kwijtgeraakt. In 1674 bezit hij in ieder geval nog de erfenis van zijn moeder, die op dat moment op ruim twaalfduizend gulden wordt geschat. 49 Maar bij zijn dood in 1679 is er geen spoor van terug te vinden. 50 Waren Abba en Heynk typische voorbeelden van de in de zeventiende-eeuwse literatuur zo vaak beschimpte rijke jongelingen die het vermogen dat hun ouders hadden gemaakt al drinkend en spelend verbrasten?

[p. 235]

Conclusie

De conclusie kan zijn, dat het de moeite loont - in het ene geval wat meer dan in een ander - via biografisch onderzoek netwerken te reconstrueren waarbinnen literaire en andere kunstzinnige activiteiten zich voltrekken. Er blijken vaak allerlei dwarsverbanden te bestaan tussen beoefenaars van schilderkunst, literatuur en toneel en drukkers-uitgevers, die elkaar ook spreken over kunsttheoretische zaken en tussen wie afspraken gemaakt worden over het uitgeven en drukken van hun teksten. 51 Bij de reconstructie van uitgeversfondsen kan hiermee rekening gehouden worden evenals bij het nagaan van onderlinge beïnvloeding op thematisch en theoretisch gebied.

Het onderhavige onderzoek heeft geen directe bewijzen opgeleverd voor relaties tussen de bewerkers van Spaans toneel De Fuyter en Heynk, hetgeen ook niet direct te verwachten was gezien hun leeftijdsverschil. Wel zijn de contouren van twee netwerken rond de Amsterdamse Schouwburg zichtbaar geworden. Biografisch onderzoek naar andere ‘toneelfiguren’ zal deze ongetwijfeld scherper maken, zodat de vragen die in de inleiding gesteld zijn beantwoord zullen kunnen worden. Netwerken zijn ‘gadeloos, en onuytsprekelik van waerden’, om een dichtregel van Leonard de Fuyter 52 uit zijn verband te rukken.

[p. 236]

Bijlage I

Stamreeks De Fuyter (in vet de hoofdpersonen)

 

I.1 Jacobus Lion de Fuyter (Den Haag … - Amsterdam 1649)
 X (Den Haag 1612?)
 Magdalena van Ebelen (Den Haag … - Amsterdam na 1665)

     II.1 Louis de Fuyter (1613-167.)
      X (1639)
      Dorothea Felbier (1615-1667)

          III.1.1 Lodewijk de Fuyter (1640-na 1681)
           X (1663)
           Maria Crul (1643-1681)
          III.1.2 Maria de Fuyter (1642-voor 1649)
          III.1.3 Geertruijt de Fuyter (1643-1689)
           X (1673)
           Huijbertus Appel (1648-1690)
          III.1.4 Susanna de Fuyter (1645-1701)
           X (1680)
           Jan de Vroet (Den Haag 1638-1709?)
          III.1.5 Magdalena de Fuyter (1646-voor 1652)
          III.1.6 Fransois de Fuyter (1647-)
           X 1 (1673)
           Judith Booms (…-1674)
           X 2 (1674)
           Judet Jordens (Deventer 1649-)
          III.1.7 Maria de Fuyter (1649-1690?)
          III.1.8 Jacobus de Fuyter (1651-)
          III.1.9 Magdalena de Fuyter (1652-)
          III.1.10 Jacobus de Fuyter (1654-)
          III.1.11 Johannes de Fuyter (1654-voor 1656)
          III.1.12 Johannes de Fuyter (1656-1657?)
          III.1.13 Dorothea de Fuyter (1657-1657)
          III.1.14 Dorothea de Fuyter (1659-)
          III.1.15 Cornelis de Fuyter (1660-)

     II.2 Maria de Fuyter (Den Haag 1615-1664/5)
      X 1 (1643)
      Adriaen Joosten (-1649)

          III.2a.1 Maria (1644-)
          III.2a.2 Sara (1645-)
          III.2a.3 Joannes (1646-)
          III.2a.4 Nijclaes (1648-voor 1665)
          III.2a.5 Aedderian (1649-)

[p. 237]

     II.2 X 2 (1650)
      Jan Rutgertsz vander Pool (1617-)

          III.2b.1 Rutgert (1651-)

     II.3 Jacob Leon de Fuyter (Den Haag 1618-Amsterdam 1686)
      X (1639)
      Sara Pieters de Koning (1622-1691?)

          III.3.1 Louis de Fuyter (1640-)
          III.3.2 Jannetje de Fuyter (1641-)
          III.3.3 Aerjaen de Fuyter (1643-1674)
           X (1668)
           Martijntje Teunis Koster (1646-voor 1686)
          III.3.4 Pieter de Fuyter (1645-)
          III.3.5 Jacobus de Fuyter (1646-)
          III.3.6 Susanne de Fuyter (1648-)

     II.4 Susanna de Fuyter (1621-voor 1665?)
      X 1 (1646)
      Frans Schuijlinx (-1655?)

          III.4a.1 Anna (1648-na 1679)
           X (1667)
           Johannes van Bylevelt?

     II.4X 2 (1656)
      Guilliam vander Haghe (1631-…)

          III.4b.1 Maria (1658-)

     II.5 Leonard de Fuyter (1622-1658)
      X (1649)
      Margrieta van Sinnick (1614-1673)

          III.5.1 Maria de Fuyter (1649-)
           X 1 (1670)
           Pieter Teunissen Coster (1648-1678)
           X 2 (1683)
           Dirk Cloes
          III.5.2 Jacobus de Fuyter (1651-voor 1654)
          III.5.3 Jacobus de Fuyter (1651-1686)
           X (1677)
           Maria Belcamp (1652-1694)

     II.6 Catarina de Fuyter (-1716)
      X (1660?)
      Isack Isacksz Sindorp

[p. 238]

          III.6.1 Jacobus (1661-)
           X (1686)
           Hester Bellecamp (1664-)
          III.6.2 Catarina (1664-)
           X 1 (1685)
           Jan van Kuijk (1664-)
           X 2 (1698)
           Anthonij van Bijlevelt (1671-)
          III.6.3 Isack (1666-)
           X (1697)
           Johanna Bellecamp (1667-)
          III.6.4 Maria (1669)
           X (1698)
           Charles du Fresne (1674-)

     II.7 Magdalena de Fuyter (1629-)
      X 1 (1648)
      Herman Wolffraet (Zutphen 1627-)

          III.7a.1 Gertruijt (1648-)
          III.7a.2 Susanna (1649-)

     II.7X 2 (1658)
      Abraham Buijtenvest (Leiden 1628-)

          III.7b.1 Jannetje (1659-)
           X (26.04.1680 Leiden)
           Lucas Pieter Eleman

Bijlage II

Stamreeks Heynk

I.1 Dirk Jans Heynk ([1562]-tussen 1622-1628)
 X 1591
 Neeltje Pieters (Geltsack) ([1568]-1614)

     II.1 Weijn Dirksz Heynk (1591-(1592))
     II.2 Cornelis Dirksz Heynk (1593-na 1629)
     II.3 Dirk Dirksz Heynk (1595-na 1646)
      X 1 1620
      Claesje Claes (?-voor 1630)

          III.3a.1 Dirk Dirksz Heynk (1622-[1627])
          III.3a.2 Annetje Dirks Heynk (1624-1666)
           X 1646

[p. 239]

          III.3a.2Hendrik van der Gracht (1622-1664)

     II.3X 2 1630
      Clara Borgers (?-?)

     II.4 Barent Dirksz Heynk (1597-1597)
     II.5 Marie Dirks Heynk (1599-?)
      X 1?
      Reinier Cant van der Meer ([1598]-1623)

          III.5a.1 Reinier Cant van der Meer (1623-?)

     II.5X 2
      Cornelis Dirksz Dijckx (Haarlem [1595]-?)
     II.6 Jan Dirksz Heynk (1601-?)
      X 1626
      Hillegont Jans ([1606]-?]

          III.6.1 Dirk Jansz Heynk (1627-?)
           X 1648
           Constantia de Pris ([1626]-?)
          III.6.2 Cornelia (1629)
          III.6.3 Maria (1631-?)
           X 1654
           Johannes Camp (1624-?)

     II.7 Pieter Dirksz Heynk (1602-1632)
      X 1 1628
      Grietje Pieters Bont ([1609]-1674)

          III.7a.1 Dirk Pietersz Heynk (1630-1679)

     II.7X 2 1634
      Bartholemeus van der Wiere (1605-?)

          III.7b.1 Swana van der Wiere (1635-?)
           X 1665
           Jan de Backer (?-1667)

               IV.7b.1.1 Jacob Jans de Backer (1667-[1667])
               IV.7b.1.2 Jean Jans de Backer (1668-?)

          III.7b.2 Maria van der Wiere (1637-?)
          III.7b.3 Bartholemeus van der Wiere (1640-[1640])

[p. 240]

     II.8 Maria Dirksz Heynk (1604-[1630])
      X 1629
      Barend Staets ([1596]-?)

          III.8.1 Cornelis Staets (1630-voor 1633)

Archivalia

Gebruikte afkortingen met betrekking tot de archivalia:

DTB Doop-, Trouw- en Begraafregisters, gevolgd door het inventarisnummer en na de streep de pagina of het folium
GAA Gemeente-Archief Amsterdam
NA Notarieel Archief, gevolgd door de naam van de notaris, het inventarisnummer en na de streep de pagina, het folium of het nummer van de akte
NK Nieuwe Kerk
RA Rechterlijke Archieven, gevolgd door de naam van het desbetreffende archiefbestand, het inventarisnummer en de pagina of het folium
WK Archief Weeskamer, gevolgd door de naam van het desbetreffende archiefbestand, het inventarisnummer en de pagina of het folium

Bibliografie

 
A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Voortgezet door K.J.R. van Harderwijk en G.D.J. Schotel. Dl. 3. Haarlem, 1852.
Amsteldamse Vrolikheyt. Vervult met Veel'erhande Gesangen, En Nieuwe Voysen. Amstelredam, Josua Rex, 1647 (col.: Amstelredam, Adriaen Harmensz Roest, 1647) (OB Amsterdam, Toonkunstbibliotheek 207 G 11).
B. Albach, Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw. Zutphen, 1977.
J.M. Coffeng, Lexicon van Nederlandse tonelisten. Amsterdam, 1965.
S.A.C. Dudok van Heel, ‘Bij het toneel in de 18e eeuw. De tonelistenfamilies Van der Sluys en Duym’. In: Jaarboek Amstelodamum 62 (1970), 111-13.
S.A.C. Dudok van Heel, ‘De affaire van “Beslikte Swaantje” of de toneelverwanten van Cornelis Troost’. In: Jaarboek Amstelodamum 65 (1973), 85-108.
S.A.C. Dudok van Heel, ‘Jan Vos (1610-1667)’. In: Jaarboek Amstelodamum 72 (1980), 23-43.
J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795. [Fotomechanische herdr. van Haarlem 1903, 1905.] Amsterdam, 1963.
[p. 241]
J.G. Frederiks en F.J. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. 2e, omgew. dr. Amsterdam, z.j.
L. de Fuyter, Bedekten Verrader. Treurspel. Amsteldam, Ian van Hilten, 1646. (UB Amsterdam, 690 F 114).
L. de Fuyter, Lope de Vega Carpioos Verwerde-hof. Amsterdam, Johannes Jacot, 1647 (col.: Amsterdam, Pieter Dircksz Boeteman) (UB Amsterdam, 694 E 42).
D.P. Heynk, De Gestrafte Kroonzught. Treurspel. Amsterdam, Dirck Cornmelisz Houthaak, 1650 (UB Amsterdam, 690 F 36).
[D.P. Heynk], Don Louis de Vargas, of Edelmoedige Wraek, Treurspel. Amsterdam, J. Lescaille, 1668 (UB Leiden, 1089 B 31:2).
[D.P. Heynk], Veranderlyk Geval, of Stantvastige Liefde. Bly-spel. Amsterdam, J. Lescaille, 1663 (UB Amsterdam, 577 F 32).
P. Holthuis, Frontierstad bij het scheiden van de markt. Deventer: militair, demografisch, economisch 1578-1648. Houten enz., 1993.
J.A. Jochems, Amsterdams Oude Burgervaandels (Schutterij) 1580-1795. Amsterdam, 1888.
J.A. Jochems, Amsterdams Oude Burgervaandels (Schutterij) 1580-1795. Alphabetische naamlijst. Amsterdam, 1891.
G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Dl. 5. Groningen, 1910.
E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw. 's-Gravenhage, 1915.
K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. 2e, verm. dr. met medew. voor België van L. Roelandt. 's-Gravenhage enz., 1952.
H. Meeus, Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden 1600-1650. Leuven, 1983.
E. Oey-de Vita en M. Geesink, Academie en Schouwburg. Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665.
Naar de bronnen bew. en ingel. M.m.v. B. Albach en R. Beuse. Amsterdam, 1983.
H.J.A. Ruys, ‘Fuyter, Leonard de’. In: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J. Blok e.a. Dl. 6. Leiden, 1924, kol. 529-530.
O. Schutte, Het album promotorum van de Academie te Harderwijk. Zutphen, 1980.
W.A.P. Smit, ‘Het Nederlands Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie’. In: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde. Nieuwe reeks, dl. 27, nr. 4 (1964). Herdrukt in: W.A.P. Smit, Twaalf studies. Zwolle, 1968 (Zwolse reeks, 29), 1-39.
Mattheus Gansneb Tengnagel, Alle werken waarin opgenomen de paskwillen die ten onrechte aan Tengnagel toegeschreven zijn. Ingel. en van aant. voorz. door J.J. Oversteegen. Amsterdam, 1969.
[p. 242]
P.T. Toll, Den grooten Timoleon, of 't Verloste Korinthen. Treurspel. Amsterdam, Jacob Lescaille, 1661 (UB Amsterdam, 689 C 51).
Utrechts Zang-Prieeltjen. Verciert met De aerdighste Liedekens van 't Haerlems Somer- Winter ende May-bloomtjen: mitsgaders, Sparens Vreughden-Bron. Als oock eenighe andere noyt voor desen in Druck gheweest. Utrecht, Lucas de Vries, 1649 (col.: Amsterdam, Baltus de Wild', 1649) (UB Amsterdam, OK 80-716).
P.J. Verkruijsse, ‘Wie is Bleu?’. In: Klinkend boeket. Studies over renaissancesonnetten voor Marijke Spies. O.r.v. H. Duits, A. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt. Hilversum, 1994, 105-111.
J. Vos, Alle de Gedichten. Amsterdam, Jacob Lescaille, 1662 [ex meis].
J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. Dl. 5. 2e dr. Haarlem, 1924.
[J.A.] Worp, ‘Fuyter, Leva de’. In: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J. Blok e.a. Dl. 5. Leiden, 1921, kol. 194.
J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg 1496-1772. Uitgeg. met aanvullingen tot 1872 door J.F.M. Sterck. Amsterdam, 1920.
J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. 2 dln. Groningen, 1904-1908.
C.N. Wybrands, Het Amsterdamsche tooneel van 1617-1772. Bewerkt naar meerendeels -4, onuitgegeven, authentieke bescheiden. Utrecht, 1873.
H.F. Wijnman, ‘De Amsterdamse bohémien Mr. Bartholomeus Abba. Door Vondel in een lofdicht geprezen.’ In: idem, Uit de kring van Rembrandt en Vondel. Verzamelde studies over hun leven en omgeving. Amsterdam, 1959, 149-165.
[H.F.] Wijnman, ‘Abba, Bartholomeus’ en ‘Heynck, Dirck Pietersz.’. In: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J. Blok e.a. Dl. 10. Leiden, 1937, kol. 1; 370.