auteur: E.M. Grabowsky en P.J. Verkruijsse
bron:
E.M. Grabowsky en P.J. Verkruijsse, ‘“Gadeloos, en
onuytsprekelik van waerden”. Netwerken rondom de Amsterdamse
schouwburg.’ In: W. Abrahamse et al. (red.), Kort Tijt-verdrijf.
Opstellen over Nederlands toneel (vanaf ca 1550) aangeboden aan Mieke B.
Smits-Veldt. Amsterdam, 1996, p. 227-242.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2001 dbnl / E.M. Grabowsky / P.J. Verkruijsse

|
|
| | | | | |
‘Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden’
Netwerken rondom de Amsterdamse Schouwburg
*
E.M. Grabowsky & P.J. Verkruijsse
| |
Problemen en taken
Ruim dertig jaar geleden kregen de Nederlandse literatuurhistorici
een omvangrijke en moeilijke taak in de schoot geworpen.
W.A.P Smit gaf in 1964 in zijn, inmiddels door iedere
student Nederlands bestudeerde, artikel aan wat er nog diende te gebeuren
voordat er een ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandse renaissancetoneel
geschreven kon worden.
1 Aan dit onderwerp was
sinds het pionierswerk van
Worp en
Te Winkel aan het einde van de negentiende eeuw
nauwelijks aandacht besteed.
Inmiddels heeft menig onderzoeker op de een of andere manier
gehoor gegeven aan de oproep van Smit. Veel van de auteurs in deze bundel en
natuurlijk de laureaat zelf hebben blijk gegeven van de groeiende aandacht in
de neerlandistiek voor het toneel uit de renaissance. De vele studies die sinds
1964 op dit gebied zijn verschenen, richten zich in navolging van Smit vrijwel
volledig op de toneelteksten. Over de auteurs horen we meestal niets.
De vraag rijst echter of het voor het schrijven van de
ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandse renaissancetoneel voldoende is
ons zozeer te richten op de literair-theoretische ontwikkeling en daarbij de
praktijk van het toneel vrijwel geheel buiten beschouwing te laten. In de
eerste plaats is het van belang te weten wie die tientallen mensen waren die in
de zeventiende eeuw toneelstukken schreven, vertaalden en bewerkten. Deden zij
dat om de eer alleen; werden ze betaald; wat was hun band met bijvoorbeeld de
Amsterdamse Schouwburg; wat was hun sociale positie; welke toneelauteurs hadden
onderling contact? Allemaal vragen die moeilijk te beantwoorden zijn op basis
van de kennis die we tot nu toe hebben.
Net als Smit meer dan dertig jaar geleden moeten we het doen met
het pionierswerk van de grote feitenverzamelaars uit de negentiende eeuw.
Verspreid over tijdschriften als
De Navorscher, de werken van J.A. Worp en wat
biografische woordenboeken zijn wel biografische gegevens te vinden, maar veel
is het niet. Alleen enkele grote toneelauteurs als
Vondel en
Hooft zijn sindsdien nog vereerd met, inmiddels alweer
gedateerde, biografische studies. Over de meeste anderen weten we vrijwel niets
en lijken we, gezien het geringe aantal onderzoekers dat aan dit onderwerp
aandacht besteedt, niets te willen weten ook.
Dit gebrek aan belangstelling kan niet gerechtvaardigd worden met
het argument dat | | | | archiefonderzoek zoveel tijd kost en relatief zo
weinig oplevert. Ook in de archieven is de laatste honderd jaar veel veranderd.
Juist de bronnen voor biografisch onderzoek zijn veel toegankelijker geworden.
Natuurlijk zijn de antwoorden op bovenstaande vragen niet alleen in de
archieven te vinden. Belangrijk voor het achterhalen van de netwerken waartoe
auteurs behoorden, zijn bijvoorbeeld de lof- en drempeldichten in de
toneeluitgaven.
Slechts incidenteel verdiept iemand zich in de biografie van een
toneelauteur. Een opzienbarend resultaat behaalde
S.A.C. Dudok van Heel met zijn onderzoek naar de
geliefde en later verguisde toneelauteur en schouwburgregent
Jan Vos. Met de waardering voor zijn gruwelstukken als
Medea verdween ook die voor zijn persoon: de
achttiende en negentiende eeuw maakten van hem een arme glazenmaker zonder
opleiding. Dudok van Heel toonde na grondig archiefonderzoek aan dat dit beeld
herzien moest worden. Vos behoorde tot een belangrijke oude katholieke familie
die na de alteratie haar officiële macht had verloren, maar nog altijd in
groot aanzien stond en zeker niet onbemiddeld was.
2 Dudok van Heel onderzocht tevens tot
welke religieuze groeperingen andere zeventiende-eeuwse schouwburgregenten
behoorden en kwam tot de conclusie dat velen het katholicisme aanhingen. De
functie van schouwburgregent was een bestuurlijke baan van het tweede plan.
Katholieken die sinds de alteratie niet meer in aanmerking kwamen voor de
uitvoering van de allerhoogste ambten, werden nog wel toegelaten tot de minder
invloedrijke bestuursorganen. Natuurlijk speelde ook de affiniteit met het
toneel een grote rol bij de benoeming van schouwburgregenten.
In andere studies van Dudok van Heel wordt aangetoond dat er vanaf
de tweede helft van de zeventiende eeuw een ontwikkeling te constateren is
waarbij een grote ‘agglomeratie van tonelistengezinnen [ontstond], die
door huwelijk en parentatie nauw aan elkaar verwant waren’.
3 Deze
trend valt al eerder te bespeuren en geldt bovendien niet alleen voor de
‘tonelisten’; ze strekt zich uit tot alle personen die met het
toneelleven in die tijd te maken hebben.
In het volgende hebben wij geprobeerd om twee (van de vele)
zeventiende-eeuwse toneelauteurs van biografische gegevens - en daarmee van een
sociale achtergrond - te voorzien. Het zijn
Leonard de Fuyter
4 en
Dirk Pieterszoon Heynk. Beiden bewerkten van oorsprong
Spaanse toneelstukken tot Nederlandse spelen die tot ver in de achttiende eeuw,
al dan niet aangepast aan de veranderde toneelopvattingen, op het repertoire
van de Amsterdamse Schouwburg bleven staan.
| |
Leonard de Fuyter (1622-1658)
Leonard de Fuyter is niet geheel onopgemerkt gebleven in de oudere
naslagwerken. Aan
Te Winkel is hij uiteraard niet ontsnapt; in
Kalff valt zijn naam even;
Frederiks en
Van den | | | | Branden hebben hem opgenomen;
Ter Laan kent hem; hij staat in Coffeng. Bijzonder is
dat het NNBW twee lemmata aan
De Fuyter heeft gewijd.
5
Het is duidelijk het grachtengordelmilieu waaruit de koopman,
dichter en toneelschrijver Leonard de Fuyter
6 voortkomt
of waarin hij vanuit Den Haag terechtkomt. Hij is het vijfde van
de zeven kinderen van
Jacobus Lion de Fuyter en
Magdalena van Ebelen die zich vanuit Den Haag op de
Keizersgracht vestigen. Zijn vader Jacobus Lion en zijn broers
Louis en
Jacob Leon de Fuyter hebben een zekere vermaardheid
als schilder; een dochter van Louis trouwt met de schilder
Huijbertus Appel en een dochter van zus
Catarina huwt later in de eeuw de fijnschilder
Charles du Fresne.
7 Een hoog
kunstenaarsgehalte in de familie dus.
Hoezeer het schilders-, schrijvers- en toneelmilieu in het
zeventiende-eeuwse Amsterdam verweven is, laat zich uitstekend
illustreren aan de hand van tal van archivalia in verband met de familie De
Fuyter en door de context waarin de literaire produktie plaatsvindt.
Leonard de Fuyter, die zich bij zijn ondertrouw op 8 januari 1649
koopman noemt
8, heeft zich trachten te manifesteren als dichter. De
liedbundel
Amsteldamse vrolikheyt van 1647 bevat twee
gedichten van ‘Fuyter de Lion’: ‘De klagende Casander, over
de breeckende vrindschap van Damon’ (in 1649 overgenomen in het
Utrechts zang-prieeltjen) en een
‘Sonnet’. Maar belangrijker dan de inhoud van deze verzen zijn de
namen van de andere poëten uit deze bundel, zoals
J. Vos,
Gillis Nooseman,
Jan Pietersz Meerhuysen of
Jan Tamboer,
Ariaan van den Berg,
M.F. Besteben,
W. Robyn,
I. Vos,
M. Michaelis (Tracht nae't best) en
A. Bormeester. Zij allen hebben met het toneel te maken,
hetzij als auteur van stukken, hetzij als toneelspeler.
9
In 1646 noemt De Fuyter zich de ‘verbonden konst-genoot, en
leerling’ van
Adam Karels van Germez wanneer hij aan de laatste zijn
Bedekten verrader opdraagt. In het voorwerk van
dit toneelstuk treft men als lofdichters aan
Isaac Vos,
Abraham Bormeester,
Gillis Noozeman en
D.L. Bleu. De laatste, Daniël le Bleu, is
waarschijnlijk een neef van de dichter
François le Bleu
10. De Fuyter is de enige lofdichter
in
Gedwongen vrient (1646) van
Isaac Vos en in
Lambert van den Bosch'
Rampzalige liefde ofte Bianca Capellis van 1649;
samen met
Le Bleu,
D. de Lange en
J. Noozeman zwaait hij in 1651
Van den Bosch lof toe in diens
Roode en Witte Roos, of Lankaster en Jork. Het
laatstgenoemde werk is gedrukt door
Tymon Houthaak en uitgegeven door
Dirk Cornelisz Houthaak die beiden ook actief waren als
toneelspeler.
11
Aan schouwburgregent, koopman en kunsthandelaar
Marten Kretzer draagt De Fuyter in 1647 zijn ten
onrechte aan
Lope de Vega toegeschreven
Verwerde-hof op.
12
Isaac Vos, ene
B.V.E.,
I.R. van Staeveren en
Le Bleu staan klaar om lofdichten te leveren.
Kretzer is geen onbekende in de familie De Fuyter.
Leonards broer, de schilder
Louis de Fuyter, legt samen met Kretzer op 16 maart 1660
een verklaring af voor
notaris Friesma over de verdeling van schilderijen onder
de - inmiddels ruziënde - erfgenamen van
Lodewijk (de) Bas.
13 Jan en | | | | Joan Bas vallen samen met onder anderen
Ds. Jacobus Trigland weer in de prijzen bij de verdeling
van de erfenis van koopman
Joan de Marees Danielsz in 1663 die blijkbaar eveneens het
een en ander aan de wand had hangen. Ook nu speelt
Louis de Fuyter een belangrijke rol als taxateur en
verdeler van dit onderdeel van de boedel.
14 Een andere (toekomstige) schouwburgregent,
Pieter de la Croix, vergezelt Louis de Fuyter als getuige
naar
notaris Danckerts in 1669 wanneer er een regeling
getroffen moet worden voor zijn zoon Frans die op het punt staat als matroos
aan te monsteren.
15
Leonard neemt de toneelschrijver
Daniel Wels als getuige mee naar de notaris wanneer hij in
1656 een huis koopt in de Anjeliersdwarsstraat ‘daer de
jonge tobias uijthangt’.
16
Maar er zijn nog meer familieleden dan Louis. De Jacob Leon die door
Wybrands en Kossmann als toneelspeler en ‘boekhouder’ (souffleur)
genoemd wordt, moet een De Fuyter zijn, namelijk de broer van Leonard en Louis.
17 Leonards
dochter,
Maria de Fuyter, huwt een zekere
Pieter Teunissen Coster die bij zijn ondertrouw als
beroep eveneens boekhouder opgeeft, maar hier moeten we zeer waarschijnlijk aan
een ‘echte’ boekhouder denken.
18 Een
interessant familielid is Leonards zwager
Frans Schuijlinx, die in 1646 in Sloten in
het huwelijk treedt met
Susanna de Fuyter. Wanneer zijn weduwe in 1656 de
Weeskamer bewijst, blijkt dat hij herbergier was.
19
Volgens Worp
20 heeft
Schuijlinx model gestaan voor Frans de Gek die een paar maal voorkomt in het
werk van Tengnagel. Oversteegen
21 durft
de identificatie niet aan, maar de archivalia geven wel degelijk steun aan de
hypothese. In
Frik in't veur-huys heeft Tengnagel het over
‘Frans de Gekken op 't hoekje van de wortelmarkt, by de hal’.
Susanna de Fuyter wordt in 1661 begraven: zij ‘komt van de oude
wortelmarckt int beloofde landt over het Prinssen Hof’.
22
In hoeverre er relaties bestaan met de familie van
Jan Harmensz Krul is niet helemaal duidelijk. Lodewijk,
de zoon van schilder Louis de Fuyter, trouwt in 1663 met ene
Maria Crul, dochter van
Wouter Jansz Crul
23, maar om dit helder te krijgen, moet
nog aanvullend archiefonderzoek plaatsvinden. Via de echtgenoot van Maria de
Fuyter,
Adriaen Joosten, is er een link met de boekverkoper
Jan Jansz of
Johannes Janssonius uit Arnhem: deze is de
vader van Joostens eerste vrouw
Anna Jansz Janssonius stelt zich gerant - en de
boekverkopers
Isaac Commelin en
Jan Jansz Brouwer staan borg - voor het erfdeel aan zijn
kleinzoon
Pieter Joosten.
24
Een voor de toneelgeschiedenis interessante akte werd op 20 augustus
1654 opgemaakt voor notaris
Antoni Tullingh. Wij laten die in haar geheel
volgen:
Op huyden den 20 Augustus 1654 Comp[areerden] voor mij Antoni
Tuillingh Not[ari]s etc. ter presentie vande ondergescr. getuijgen d'eersame
Pieter Seerijp out ontrent 34 Jaren woonachtich inde
runstraet alhier ende d'eersame Jacob de Fuijter schilder woonende | | | | opde prinsegraft out ontrent 36 Jaren ende hebben bij ware woorden
onder presentie van Solemnelen Ede ten versoecke van d'eersame Jacob gosens van
Scheijck verclaert, ge-tuijcht ende geattesteert hoe waer ende haer getuige wel
bekent is dat Judith willems bejaerde dochter, die indes requirants huyse
staende naest d'accademie deser Stede, heeft gewoont ende getapt ende herberge
gehouden nu ontrent out is ses ende dartich Jaren, off ouder Geven sij
getuijgen voor redenen van wetenscap te weten de voorsz Jacob de Fuijter dat
hij de voorsz Judith willems van kints been aen gekent heeft ende doen
sij'tsamen cleijn waren de voorsz Judith altijt een Jaer ouder seijde te wesen
als hij getuijge was ende hem mede noch wel bekent te syn dat dese Judith
willems ontrent drie ende twintich Jaren geleden, al voor pas*..* int Spel van
Stirus ende ariane op d'academie heeft gespeelt ende de voorsz Pieter Serep dat
de selve Judith willems, haer ouderdom hem selfs wel verclaert heeft, ende
heeft hij haer Judith omtrent de twintich Jaren gekent ende als hij aen haer
kennis kreech dat sij doen al een volwassen vryster was. Aldus gedaen't
Amsterdam ter presentie van Hend. hend Brae ende pieter Mattysz woonende inde
runstraet als get[uigen] [ondertekend:] Jacop de Fuijter, Pieter Zeerijp,
Pieter Matthijs, Hendrick henderick bra, A. Tullingh Nots Pub. 1654.
De reden waarom
Jacob Gosens zoveel belang hecht aan de leeftijd van de
tappende
Judith wordt niet duidelijk, maar wel duidelijk is dat
zijn huis op een uitstekende locatie stond, naast de Schouwburg.
Jacob de Fuyter en
Pieter Zeerijp - toneelspeler en -schrijver en
leverancier van allerlei waren aan de Schouwburg, inclusief tabak, bier en
brandewijn
25- kennen elkaar
al lang en beiden kennen ze Judith. De mededeling dat deze dame als jongedame
reeds op de planken stond, werpt een beetje meer licht op het optreden van
vrouwen aan de Amsterdamse Schouwburg. In de literatuur gaat men er nog steeds
van uit dat
Adriana Nooseman in 1655 het vrouwendebuut maakt in de
Schouwburg
26, maar
Judith Willems treedt op in
Stirus, een stuk van
J. Struys dat in december 1629 in première ging, in
diezelfde maand nog vier maal werd opgevoerd en in 1630 nog een keer een
voorstelling beleefde.
27
Jacob de Fuyters getuigenis lijkt betrouwbaar: 1654 min 23 komt aardig in de
buurt van 1629-1630. Ten slotte valt op dat zowel De Fuyter als Zeerijp als de
getuigen vlak bij de Schouwburg wonen: Prinsengracht en
Runstraat.
28
Archiefonderzoek wordt pas echt leuk als er burenruzies opdoemen.
Het gevecht waarin
Leonard de Fuyter terechtkomt, lijkt aanvankelijk extra
aantrekkelijk omdat zijn overbuurman
Pieter de Hooch heet, die echter knopenmaker blijkt te
zijn. Eind augustus 1652 slaat de vlam in de pan. Mijnheer de Hooch heeft
mevrouw de Fuyter publiekelijk ‘een tuijnhoer’, een ‘wavel
smots’ en een ‘varcken’ genoemd. De laatste is toen de straat
overgestoken, ‘vraegende | | | | wiens hoer hij conde seggen dat sij
was’. Het antwoord was kort maar krachtig: ‘loopt hoer laet u man
comen’. Die kwam, met als gevolg ‘een vuijst in sijn aengesicht
geslaegen in sulcker voegen dat hij daer door seer geweldich bloede’. Er
zijn niet minder dan vier notariële akten nodig om de verbale en fysieke
gewelddadigheden te boekstaven. Een van de buren die getuigen is
Vincent Drielenberch, waarschijnlijk een zoon van de
gelijknamige vader die eerder in de eeuw publicitair actief was.
29
Drie jaar later staat Leonard weer voor de notaris. Nu heeft hij
ruzie met ene juffrouw
Elisabeth van Meurs ‘ter sake van injurien, ende
andere beuselingen’ die dreigen uit te lopen op een proces. Door
bemiddeling van ene
Johan van Rheenen besluiten beide partijen de
‘injurien’ waarvan ze elkaar beschuldigen te ‘vergeven,
versmoren ende vergeten’.
30
| |
Dirk Pietersz Heynk (1630-1679)
Deze auteur is, ondanks zijn populariteit tot ver in de achttiende
eeuw, volledig in de vergetelheid geraakt. Zo verzucht Wijnman in het
NNBW: ‘omtrent zijn leven is niets bekend’ en verder dan de
constatering dat hij een neef in Haarlem heeft en drie
toneelstukken heeft geschreven, komt hij niet. Zelfs de levensjaren van de man
worden niet genoemd.
31 Nu is het inderdaad lastig gebleken om
de sporen van Heynk te traceren, maar een betere karakterisering dan
‘zeventiende-eeuwse toneelschrijver’ valt wel te geven.
Op dinsdag 30 januari 1630 wordt Dirk Pietersz Heynk
32 als eerste kind van
Pieter Dirks Heynk en
Grietje Pietersdr Bont ten doop gedragen in de
Nieuwe Kerk te Amsterdam.
33
Zijn ouders waren twee jaar eerder in het huwelijk getreden en waren sindsdien
woonachtig aan het Singel, waarschijnlijk op het stuk tussen het
huidige Spui en de Paleisstraat. Niet zover van de
Academie aan de Keizersgracht dus. De familie waarin Dirk Heynk
werd geboren bood alle mogelijkheden voor een goed leven. Zowel de verwanten
van moeders- als van vaderskant behoorden tot de Amsterdamse elite van
geslaagde kooplieden van gereformeerde huize, zodat ook de weg naar
bestuurlijke macht open lag. De vader van Dirk dreef samen met zijn broer
internationale handel op onder meer de handelssteden aan de Oostzee en in
Frankrijk. De familie Heynk heeft zelf nooit bestuurlijke functies in Amsterdam
gehad. Alleen bij aangetrouwde leden was dit het geval. De overgrootvader van
D.P. Heynk bracht het in zijn woonplaats Deventer tot het
burgemeestersambt.
34
Al kort na de geboorte van zijn zoon sterft Pieter Heynk. Op 9
maart 1632 vermoedt hij een spoedig einde van zijn leven en ontbiedt hij
notaris
Pieter Carelsz om twee uur 's nachts aan zijn doodsbed
om zijn testament op te maken. Zijn goede vriend en buurman,
Cornelis Dirksz Abba (1604-1675), treedt op als
getuige. Heynk benoemt zijn zoon Dirk tot erfgenaam.
35 Vier
dagen later wordt hij begraven op de aanzienlijkste plek in de Nieuwe
Kerk: het | | | | hoogkoor.
36 Dirk erft het behoorlijke bedrag van ruim achtduizend gulden.
37
Grietje Bont treedt na twee jaar opnieuw in het
huwelijk.
38 Haar tweede echtgenoot,
Bartholomeus van der Wiere, stamt eveneens uit het
milieu van geslaagde gereformeerde zakenlieden, in dit geval een familie met
bestuurlijke macht.
39 De halfzuster van Bartholomeus van der Wiere,
Sara, was gehuwd met de al eerder genoemde
Cornelis Abba: de buurman van de familie Heynk.
De familie Abba was in het bezit van een grote en goedlopende
brouwerij genaamd ‘de Vijffhoeck’. Het huwelijk tussen Grietje Bont
en Bartholomeus van der Wiere bracht
Pieter Heynk dus al jong in de invloedrijkste kringen
van Amsterdam. Zijn stiefvader was eveneens een internationale
handelaar. Dirk Pieters Heynk was ongetwijfeld voorbestemd om in de voetsporen
van zijn (voor)ouders te treden, maar of hij dit gedaan heeft valt niet met
zekerheid te zeggen. De vermelding van een Dirk Heynk als rekeninghouder bij de
wisselbank kan ook betrekking hebben op zijn neef
Dirk Jansz Heynk.
40 De enige vermelding van een beroep
van D.P. Heynk is te vinden in het belastingkohier uit 1674, waarin hij
kapitein wordt genoemd. Waar blijft onduidelijk, maar in ieder geval niet bij
de Amsterdamse schutterij.
41 Een loopbaan
als koopman is zeker niet helemaal vanzelfsprekend geweest. Diverse leden van
de familie oefenden een juridisch vak uit en de stiefneef en vriend van Dirk,
de dichter
Bartolemeus Abba, studeerde en promoveerde in
Harderwijk in de rechten en vestigde zich daarna als advocaat in
Amsterdam.
42
Het echtpaar Bont-van der Wiere vestigde zich vermoedelijk kort na
hun huwelijk aan de Keizersgracht vlakbij de Amsterdamse
Schouwburg. D.P. Heynk zal hier zijn verdere leven blijven wonen.
43 Dirk kreeg nog twee halfzusters,
Swana en
Maria. Een broertje,
Bartholemeus, overleed al snel na zijn geboorte in
1640.
Wanneer D.P. Heynk belangstelling kreeg voor het theater valt
nauwelijks meer te achterhalen. Dat de Academie, later de Schouwburg,
letterlijk in zijn straatje lag, zal hem natuurlijk al jong in contact gebracht
hebben met het toneelleven. Maar er zijn meer verbanden te ontdekken. Een van
de schouwburgregenten, Mr.
Pieter van der Gracht (regent 1651-1655), was familie
van D.P. Heynk. Zijn nichtje
Anna Heynk was getrouwd met een broer van deze man.
Tijdens de bestuursperiode van Van der Gracht zette Heynk de eerste schreden
als toneelauteur. Zijn eerste stuk,
De Gestrafte Kroonzucht
44, werd slechts eenmaal
opgevoerd. Zoals gebruikelijk was, werd ter gelegenheid van de première
een tekstuitgave verzorgd van het toneelstuk door de vaste uitgever van de
Schouwburg,
Dirck Cornelisz Houthaak. Het stuk wordt in het voorwerk
bejubeld door een collega-auteur:
P. Dubbels.
Hoewel ons tot 1662 geen werk van Heynk bekend is, lijkt hij wel in
contact te zijn gebleven met de kringen rond de Amsterdamse Schouwburg. In 1662
schrijft hij een lofdicht voor | | | | de uitgave van het verzamelde werk
van de machtige schouwburgregent
Jan Vos die doorhemzelf werd geredigeerd.
45
Een jaar later beleeft het tweede toneelstuk van Heynk,
Veranderlyk Geval, of Stantvastige Liefde, zijn
première in de Amsterdamse Schouwburg. Net als zijn eersteling was dit
stuk een bewerking van een vertaling uit het Spaans. De vertaler is in dit
geval bekend:
Jacobus Barokes. Het stuk had van meet af aan aanzienlijk
meer succes dan
De Gestrafte Kroonzucht.
Veranderlyk Geval werd in ieder geval tot 1769
(met uitzondering van de jaren 1748 en 1754-1758) jaarlijks opgevoerd.
46 De uitgave
van dit stuk, minstens twee weken na de première, werd dit keer
opgeluisterd door een gedicht van de dichter
Bartholomeus Abba (1642-1684), zoals gezegd een stiefneef
van Heynk, en opgedragen aan de neef in Haarlem die Wijnman noemt
in het NNBW,
G. Colterman.
Het laatste bewijs van Heynks rol in het literaire leven is zijn in
1668 verschenen en opgevoerde treurspel
Don Louis de Vargas, of edelmoedige wraek.
Opnieuw een kassucces dat tot in de achttiende eeuw op het repertoire van de
Schouwburg blijft staan.
Bartholomeus Abba verkeerde eveneens in het Amsterdamse
toneelmilieu. Aanvankelijk werd hij geroemd als een aanstormend talent en mocht
hij
Vondel en
Jan Zoet tot zijn bewonderaars rekenen. Zoet droeg zelfs
een dichtbundel aan hem op. Behalve het lofdicht voor Heynk schreef hij eerder
een lofdicht voor een toneelstuk van
P. Toll in 1661.
47
Abba kon de hooggespannen verwachtingen echter niet waarmaken. De kring van
Zoet keerde zich tegen hem en menig schelddicht werd zijn deel. Hem werd onder
meer dronkenschap verweten, verkwisting en het kopen van gedichten die hij voor
eigen maaksels liet doorgaan. Wijnman vermoedde al dat deze geruchten op
waarheid berustten. Inderdaad is het slecht afgelopen met Abba. Hij bleef
weliswaar dichten tot zijn dood, als dit tenminste zijn eigen gedichten zijn,
maar financieel verkeerde hij aan het einde van zijn leven in een grote crisis.
In 1679 werd hij gedwongen een deel van de nalatenschap van zijn vader, de
brouwerij ‘De Vijffhoeck’, te gelde te maken om zijn schulden te
kunnen voldoen. De executoriale verkoop bracht ruim zestienduizend gulden op
die onmiddellijk in een bodemloze put verdwenen.
48
Ook
D.P. Heynk lijkt zijn vermogen op onverklaarbare wijze
te zijn kwijtgeraakt. In 1674 bezit hij in ieder geval nog de erfenis van zijn
moeder, die op dat moment op ruim twaalfduizend gulden wordt geschat.
49
Maar bij zijn dood in 1679 is er geen spoor van terug te vinden.
50 Waren Abba en Heynk typische
voorbeelden van de in de zeventiende-eeuwse literatuur zo vaak beschimpte rijke
jongelingen die het vermogen dat hun ouders hadden gemaakt al drinkend en
spelend verbrasten?
| | | | | |
Conclusie
De conclusie kan zijn, dat het de moeite loont - in het ene geval
wat meer dan in een ander - via biografisch onderzoek netwerken te
reconstrueren waarbinnen literaire en andere kunstzinnige activiteiten zich
voltrekken. Er blijken vaak allerlei dwarsverbanden te bestaan tussen
beoefenaars van schilderkunst, literatuur en toneel en drukkers-uitgevers, die
elkaar ook spreken over kunsttheoretische zaken en tussen wie afspraken gemaakt
worden over het uitgeven en drukken van hun teksten.
51 Bij de
reconstructie van uitgeversfondsen kan hiermee rekening gehouden worden evenals
bij het nagaan van onderlinge beïnvloeding op thematisch en theoretisch
gebied.
Het onderhavige onderzoek heeft geen directe bewijzen opgeleverd
voor relaties tussen de bewerkers van Spaans toneel
De Fuyter en
Heynk, hetgeen ook niet direct te verwachten was
gezien hun leeftijdsverschil. Wel zijn de contouren van twee netwerken rond de
Amsterdamse Schouwburg zichtbaar geworden. Biografisch onderzoek naar andere
‘toneelfiguren’ zal deze ongetwijfeld scherper maken, zodat de
vragen die in de inleiding gesteld zijn beantwoord zullen kunnen worden.
Netwerken zijn ‘gadeloos, en onuytsprekelik van waerden’, om een
dichtregel van Leonard de Fuyter
52 uit zijn verband te rukken.
| | | | | |
Bijlage I
Stamreeks De Fuyter (in vet de hoofdpersonen)
| I.1 |
Jacobus Lion de Fuyter (Den
Haag … - Amsterdam 1649) |
| | X (Den Haag 1612?) |
| | Magdalena van Ebelen (Den
Haag … - Amsterdam na 1665) |
| | II.1 |
Louis de Fuyter (1613-167.) |
| | | X
(1639) |
| | | Dorothea
Felbier (1615-1667) |
| | III.1.1 |
Lodewijk de Fuyter (1640-na 1681) |
| | | X
(1663) |
| | | Maria
Crul (1643-1681) |
| | III.1.2 |
Maria de Fuyter (1642-voor 1649) |
| | III.1.3 |
Geertruijt de Fuyter (1643-1689) |
| | | X
(1673) |
| | | Huijbertus
Appel (1648-1690) |
| | III.1.4 |
Susanna de Fuyter (1645-1701) |
| | | X
(1680) |
| | | Jan
de Vroet (Den Haag 1638-1709?) |
| | III.1.5 |
Magdalena de Fuyter (1646-voor 1652) |
| | III.1.6 |
Fransois de Fuyter (1647-) |
| | | X
1 (1673) |
| | | Judith
Booms (…-1674) |
| | | X
2 (1674) |
| | | Judet
Jordens (Deventer 1649-) |
| | III.1.7 |
Maria de Fuyter (1649-1690?) |
| | III.1.8 |
Jacobus de Fuyter (1651-) |
| | III.1.9 |
Magdalena de Fuyter (1652-) |
| | III.1.10 |
Jacobus de Fuyter (1654-) |
| | III.1.11 |
Johannes de Fuyter (1654-voor 1656) |
| | III.1.12 |
Johannes de Fuyter (1656-1657?) |
| | III.1.13 |
Dorothea de Fuyter (1657-1657) |
| | III.1.14 |
Dorothea de Fuyter (1659-) |
| | III.1.15 |
Cornelis de Fuyter (1660-) |
| | II.2 |
Maria de Fuyter (Den Haag
1615-1664/5) |
| | | X 1
(1643) |
| | | Adriaen
Joosten (-1649) |
| | III.2a.1 |
Maria (1644-) |
| | III.2a.2 |
Sara (1645-) |
| | III.2a.3 |
Joannes (1646-) |
| | III.2a.4 |
Nijclaes (1648-voor 1665) |
| | III.2a.5 |
Aedderian (1649-) |
| | | |
| | II.2 | X
2 (1650) |
| | | Jan
Rutgertsz vander Pool (1617-) |
| | II.3 |
Jacob Leon de Fuyter (Den Haag
1618-Amsterdam 1686) |
| | | X
(1639) |
| | | Sara
Pieters de Koning (1622-1691?) |
| | III.3.1 |
Louis de Fuyter (1640-) |
| | III.3.2 |
Jannetje de Fuyter (1641-) |
| | III.3.3 |
Aerjaen de Fuyter (1643-1674) |
| | | X
(1668) |
| | | Martijntje
Teunis Koster (1646-voor 1686) |
| | III.3.4 |
Pieter de Fuyter (1645-) |
| | III.3.5 |
Jacobus de Fuyter (1646-) |
| | III.3.6 |
Susanne de Fuyter (1648-) |
| | II.4 |
Susanna de Fuyter (1621-voor 1665?) |
| | | X 1
(1646) |
| | | Frans
Schuijlinx (-1655?) |
| | III.4a.1 |
Anna (1648-na 1679) |
| | | X
(1667) |
| | | Johannes
van Bylevelt? |
| | II.4 | X
2 (1656) |
| | | Guilliam
vander Haghe (1631-…) |
| | II.5 |
Leonard de Fuyter (1622-1658) |
| | | X
(1649) |
| | | Margrieta
van Sinnick (1614-1673) |
| | III.5.1 |
Maria de Fuyter (1649-) |
| | | X
1 (1670) |
| | | Pieter
Teunissen Coster (1648-1678) |
| | | X
2 (1683) |
| | | Dirk
Cloes |
| | III.5.2 |
Jacobus de Fuyter (1651-voor 1654) |
| | III.5.3 |
Jacobus de Fuyter (1651-1686) |
| | | X
(1677) |
| | | Maria
Belcamp (1652-1694) |
| | II.6 |
Catarina de Fuyter (-1716) |
| | | X
(1660?) |
| | | Isack
Isacksz Sindorp |
| | | |
| | III.6.1 |
Jacobus (1661-) |
| | | X
(1686) |
| | | Hester
Bellecamp (1664-) |
| | III.6.2 |
Catarina (1664-) |
| | | X
1 (1685) |
| | | Jan
van Kuijk (1664-) |
| | | X
2 (1698) |
| | | Anthonij
van Bijlevelt (1671-) |
| | III.6.3 |
Isack (1666-) |
| | | X
(1697) |
| | | Johanna
Bellecamp (1667-) |
| | III.6.4 |
Maria (1669) |
| | | X
(1698) |
| | | Charles
du Fresne (1674-) |
| | II.7 |
Magdalena de Fuyter (1629-) |
| | | X 1
(1648) |
| | | Herman
Wolffraet (Zutphen 1627-) |
| | III.7a.1 |
Gertruijt (1648-) |
| | III.7a.2 |
Susanna (1649-) |
| | II.7 | X
2 (1658) |
| | | Abraham
Buijtenvest (Leiden 1628-) |
| | III.7b.1 |
Jannetje (1659-) |
| | | X
(26.04.1680 Leiden) |
| | | Lucas
Pieter Eleman |
| |
Bijlage II
Stamreeks Heynk
| I.1 |
Dirk Jans Heynk ([1562]-tussen
1622-1628) |
| | X 1591 |
| | Neeltje Pieters (Geltsack)
([1568]-1614) |
| | II.1 |
Weijn Dirksz Heynk (1591-(1592)) |
| | II.2 |
Cornelis Dirksz Heynk (1593-na 1629) |
| | II.3 |
Dirk Dirksz Heynk (1595-na 1646) |
| | | X 1
1620 |
| | | Claesje
Claes (?-voor 1630) |
| | III.3a.1 |
Dirk Dirksz Heynk (1622-[1627]) |
| | III.3a.2 |
Annetje Dirks Heynk (1624-1666) |
| | | X
1646 |
| | | |
| | III.3a.2 | Hendrik
van der Gracht (1622-1664) |
| | II.3 | X
2 1630 |
| | | Clara
Borgers (?-?) |
| | II.4 |
Barent Dirksz Heynk (1597-1597) |
| | II.5 |
Marie Dirks Heynk (1599-?) |
| | | X
1? |
| | | Reinier
Cant van der Meer ([1598]-1623) |
| | III.5a.1 |
Reinier Cant van der Meer (1623-?) |
| | II.5 | X
2 |
| | | Cornelis
Dirksz Dijckx (Haarlem [1595]-?) |
| | II.6 |
Jan Dirksz Heynk (1601-?) |
| | | X
1626 |
| | | Hillegont
Jans ([1606]-?] |
| | III.6.1 |
Dirk Jansz Heynk (1627-?) |
| | | X
1648 |
| | | Constantia
de Pris ([1626]-?) |
| | III.6.2 |
Cornelia (1629) |
| | III.6.3 |
Maria (1631-?) |
| | | X
1654 |
| | | Johannes
Camp (1624-?) |
| | II.7 |
Pieter Dirksz Heynk (1602-1632) |
| | | X 1
1628 |
| | | Grietje
Pieters Bont ([1609]-1674) |
| | III.7a.1 |
Dirk Pietersz Heynk (1630-1679) |
| | II.7 | X
2 1634 |
| | | Bartholemeus
van der Wiere (1605-?) |
| | III.7b.1 |
Swana van der Wiere (1635-?) |
| | | X
1665 |
| | | Jan
de Backer (?-1667) |
| | IV.7b.1.1 |
Jacob Jans de Backer (1667-[1667]) |
| | IV.7b.1.2 |
Jean Jans de Backer (1668-?) |
| | III.7b.2 |
Maria van der Wiere (1637-?) |
| | III.7b.3 |
Bartholemeus van der Wiere
(1640-[1640]) |
| | | |
| | II.8 |
Maria Dirksz Heynk
(1604-[1630]) |
| | | X
1629 |
| | | Barend
Staets ([1596]-?) |
| | III.8.1 |
Cornelis Staets (1630-voor 1633) |
| |
Archivalia
Gebruikte afkortingen met betrekking tot de archivalia:
| DTB |
Doop-, Trouw- en Begraafregisters, gevolgd door het
inventarisnummer en na de streep de pagina of het folium |
| GAA |
Gemeente-Archief Amsterdam |
| NA |
Notarieel Archief, gevolgd door de naam van de notaris, het
inventarisnummer en na de streep de pagina, het folium of het nummer van de
akte |
| NK |
Nieuwe Kerk |
| RA |
Rechterlijke Archieven, gevolgd door de naam van het
desbetreffende archiefbestand, het inventarisnummer en de pagina of het
folium |
| WK |
Archief Weeskamer, gevolgd door de naam van het
desbetreffende archiefbestand, het inventarisnummer en de pagina of het
folium |
| |
Bibliografie
| |
| A.J. van der Aa,
Biographisch woordenboek der Nederlanden, bevattende
levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in
ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Voortgezet door K.J.R. van
Harderwijk en G.D.J. Schotel. Dl. 3. Haarlem, 1852. |
| Amsteldamse Vrolikheyt. Vervult met Veel'erhande Gesangen,
En Nieuwe Voysen. Amstelredam, Josua Rex, 1647 (col.: Amstelredam,
Adriaen Harmensz Roest, 1647) (OB Amsterdam, Toonkunstbibliotheek 207 G
11). |
| B. Albach,
Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een
Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw. Zutphen, 1977. |
| J.M. Coffeng,
Lexicon van Nederlandse tonelisten. Amsterdam,
1965. |
| S.A.C. Dudok van Heel, ‘Bij het toneel in de 18e eeuw.
De tonelistenfamilies Van der Sluys en Duym’. In: Jaarboek
Amstelodamum 62 (1970), 111-13. |
| S.A.C. Dudok van Heel, ‘De affaire van “Beslikte
Swaantje” of de toneelverwanten van Cornelis Troost’. In:
Jaarboek Amstelodamum 65 (1973), 85-108. |
| S.A.C. Dudok van Heel, ‘Jan Vos
(1610-1667)’. In: Jaarboek Amstelodamum 72 (1980),
23-43. |
| J.E. Elias,
De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795.
[Fotomechanische herdr. van Haarlem 1903, 1905.] Amsterdam, 1963. |
| | | |
| J.G. Frederiks en F.J. van den Branden,
Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche
letterkunde. 2e, omgew. dr. Amsterdam, z.j. |
| L. de Fuyter,
Bedekten Verrader. Treurspel. Amsteldam, Ian van
Hilten, 1646. (UB Amsterdam, 690 F 114). |
| L. de Fuyter,
Lope de Vega Carpioos Verwerde-hof. Amsterdam,
Johannes Jacot, 1647 (col.: Amsterdam, Pieter Dircksz Boeteman)
(UB Amsterdam, 694 E 42). |
| D.P. Heynk,
De Gestrafte Kroonzught. Treurspel. Amsterdam,
Dirck Cornmelisz Houthaak, 1650 (UB Amsterdam, 690 F 36). |
| [D.P. Heynk],
Don Louis de Vargas, of Edelmoedige Wraek,
Treurspel. Amsterdam, J. Lescaille, 1668 (UB Leiden, 1089 B
31:2). |
| [D.P. Heynk],
Veranderlyk Geval, of Stantvastige Liefde.
Bly-spel. Amsterdam, J. Lescaille, 1663 (UB Amsterdam, 577 F
32). |
| P. Holthuis,
Frontierstad bij het scheiden van de markt. Deventer:
militair, demografisch, economisch 1578-1648. Houten enz.,
1993. |
| J.A. Jochems,
Amsterdams Oude Burgervaandels (Schutterij)
1580-1795. Amsterdam, 1888. |
| J.A. Jochems,
Amsterdams Oude Burgervaandels (Schutterij) 1580-1795.
Alphabetische naamlijst. Amsterdam, 1891. |
| G. Kalff,
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Dl.
5. Groningen, 1910. |
| E.F. Kossmann,
Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche
tooneel in de 17e en 18e eeuw. 's-Gravenhage, 1915. |
| K. ter Laan,
Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. 2e,
verm. dr. met medew. voor België van L. Roelandt. 's-Gravenhage enz.,
1952. |
| H. Meeus,
Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden
1600-1650. Leuven, 1983. |
| E. Oey-de Vita en M. Geesink,
Academie en Schouwburg. Amsterdams toneelrepertoire
1617-1665. |
| Naar de bronnen bew. en ingel. M.m.v. B. Albach en R. Beuse.
Amsterdam, 1983. |
| H.J.A. Ruys, ‘Fuyter, Leonard de’. In:
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J.
Blok e.a. Dl. 6. Leiden, 1924, kol. 529-530. |
| O. Schutte,
Het album promotorum van de Academie te
Harderwijk. Zutphen, 1980. |
| W.A.P. Smit, ‘Het Nederlands Renaissance-toneel als
probleem en taak voor de literatuur-historie’. In:
Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen,
afdeling Letterkunde. Nieuwe reeks, dl. 27, nr. 4 (1964). Herdrukt in:
W.A.P. Smit, Twaalf studies. Zwolle, 1968 (Zwolse reeks, 29), 1-39. |
| Mattheus Gansneb Tengnagel,
Alle werken waarin opgenomen de paskwillen die ten onrechte
aan Tengnagel toegeschreven zijn. Ingel. en van aant. voorz. door
J.J. Oversteegen. Amsterdam, 1969. |
| | | |
| P.T. Toll,
Den grooten Timoleon, of 't Verloste Korinthen.
Treurspel. Amsterdam, Jacob Lescaille, 1661 (UB Amsterdam, 689 C
51). |
| Utrechts Zang-Prieeltjen. Verciert met De aerdighste
Liedekens van 't Haerlems Somer- Winter ende May-bloomtjen: mitsgaders, Sparens
Vreughden-Bron. Als oock eenighe andere noyt voor desen in Druck
gheweest. Utrecht, Lucas de Vries, 1649 (col.: Amsterdam,
Baltus de Wild', 1649) (UB Amsterdam, OK 80-716). |
| P.J. Verkruijsse, ‘Wie is Bleu?’. In:
Klinkend boeket. Studies over renaissancesonnetten voor Marijke Spies.
O.r.v. H. Duits, A. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt. Hilversum, 1994,
105-111. |
| J. Vos,
Alle de Gedichten. Amsterdam, Jacob Lescaille,
1662 [ex meis]. |
| J. te Winkel,
De ontwikkelingsgang der Nederlandsche
letterkunde. Dl. 5. 2e dr. Haarlem, 1924. |
| [J.A.] Worp, ‘Fuyter, Leva de’. In:
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J.
Blok e.a. Dl. 5. Leiden, 1921, kol. 194. |
| J.A. Worp,
Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg
1496-1772. Uitgeg. met aanvullingen tot 1872 door J.F.M. Sterck.
Amsterdam, 1920. |
| J.A. Worp,
Geschiedenis van het drama en van het tooneel in
Nederland. 2 dln. Groningen, 1904-1908. |
| C.N. Wybrands,
Het Amsterdamsche tooneel van 1617-1772. Bewerkt naar
meerendeels -4, onuitgegeven, authentieke bescheiden. Utrecht,
1873. |
| H.F. Wijnman, ‘De Amsterdamse bohémien Mr.
Bartholomeus Abba. Door Vondel in een lofdicht geprezen.’ In:
idem, Uit de kring van Rembrandt en Vondel. Verzamelde studies over hun
leven en omgeving. Amsterdam, 1959, 149-165. |
| [H.F.] Wijnman, ‘Abba, Bartholomeus’ en
‘Heynck, Dirck Pietersz.’. In: Nieuw Nederlandsch
biografisch woordenboek. O.r.v. P.C. Molhuysen, P.J. Blok e.a. Dl. 10.
Leiden, 1937, kol. 1; 370. |
|
*Dit onderzoek werd gesteund door de
Stichting voor Literatuur-, Muziek- en Theaterwetenschap (LMT), die wordt
gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
(NWO).
2Dudok van Heel 1980. Dudok van Heel (1970,
1973) onderzocht ook de families van acteurs en actrices die verbonden waren
aan de Amsterdamse Schouwburg.
3Dudok van Heel 1970, p. 125-126.
4Voor het archiefonderzoek naar De Fuyter
zijn wij zeer veel dank verschuldigd aan
Drs. A.J. van der Veen te Amsterdam die zijn
aantekeningen uit de moeilijk toegankelijke notariële archieven ter
beschikking stelde.
5Te Winkel 1924, p. 276; Kalff 1910, p. 74;
Frederiks-Van den Branden z.j., p. 263; Ter Laan 1952, p. 165; Worp 1921
beschrijft hem in dl. 5 van het NNBW als ‘Leva de Fuyter’ en Ruys
1924 probeert in dl. 6 de onjuistheden uit het vorige artikel recht te
zetten.
6Zijn voornaam wordt in de archivalia ook
gespeld als Leon, Lenard en Lijon; de achternaam van de familie kent de
spellingen De Fuyter, De Fuiter, De Fuijter, De Feuiter, De Feuter, De Pheuter,
De Feijter, Veyter. Zie Bijlage I, Stamreeks De Fuyter, II.5.
7Zie Bijlage I, Stamreeks De Fuyter: vader
Jacobus Lion (I.1), broer
Louis (II.1), broer
Jacob Leon (II.3),
Geertruijt, de dochter van Louis die huwt met
Huijbertus Appel (III.1.3),
Maria, de dochter van
Catarina die huwt met
Charles du Fresne (III.6.4).
8GAA, DTB 466/312: Leonard de Feuter van
Amsterdam, koopman, 27 jaar, geassisteerd met Jacobus de Feuter, zijn vader,
wonende op de Keizersgracht, en
Margrieta van Zinnick van Amsterdam, weduwe van
Hendrik Vogelpoot, in de Halsteeg.
Leonard moet in 1622 geboren zijn; hij werd begraven op 5 september 1658 (GAA,
DTB 1068/32).
9Zie de lijst van Amsterdamse toneelspelers in
Kossmann 1915, p. 91-122, en Meeus 1983. Verder baseren wij ons op de
resultaten van een werkgroep onder leiding van P.J. Verkruijsse aan het
Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam uit de cursus
1979-1980: ‘Voorlopige bibliografie van uit het Spaans (eventueel via
andere talen) tot 1800 in het Nederlands vertaalde boeken, voor zover aanwezig
in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam’.
10Zie voor François le Bleu: Verkruijsse
1994. Daniël (gedoopt te Leiden 11 oktober 1624) moet de zoon zijn van de
Leidse wolkoper Daniël le Bleu.
11Zie de lijst van toneelspelers in Kossmann
1915.
12Zie Meeus 1983, nr. 95.
14GAA, NA (notaris Westfrisius, d.d. 4 mei
1663) 2806/331-363.
15GAA, NA (notaris Danckerts, d.d. 10 juli
1669) 2846/380. Het betreft Francois de Fuyter, III.1.6 in Bijlage I.
16GAA, NA (notaris Joannes d'Amour) 2156/510r.
De prijs bedraagt ƒ 2600,- plus een zilveren beker voor de vrouw van de
verkoper, Christoffel Vos, omdat De Fuyter vast aan het verbouwen mag
gaan.
17Wybrands 1873, p. 86; Kossmann 1915, p. 95.
Jacob Leon de Fuyter (II.3 in Bijlage I) is geboren in
1618 in Den Haag en overleden te Amsterdam in 1686
(begrafenis 6 november 1686: GAA, DTB 1102/117). Bij zijn ondertrouw (28 mei
1639: GAA, DTB 451/99) geeft hij als beroep schilder op.
18Zie de stamreeks in Bijlage I onder
III.5.1.
Pieter Teunissen Coster is bij zijn ondertrouw (GAA,
DTB 495/34) op 9 mei 1670 22 jaar oud en woont op de
Prinsengracht. Wanneer iemand als beroep boekhouder opgeeft, is er
wellicht sprake van een administratieve functie, niet van een souffleurschap
omdat dat laatste toch alleen als bijverdienste beoefend kan worden.
19Ondertrouw van
Frans Schuijlinx en
Susanna de Fuyter (zie de stamreeks in Bijlage I onder
II.4) op 23 november 1646 (GAA, DTB 464/131), huwelijk te Sloten
op 9 december (GAA, DTB 77/112). GAA, WK, Inbrengregister 29/331.
21Tengnagel 1969, p. 387, 548.
23Zie Bijlage I onder III.1.1. Ondertrouw op
27 april 1663: GAA, DTB 484/186.
24GAA, WK, Inbrengregister 24/4v, 231r:
notities d.d. 29 januari 1641, 4 juli 1652, 14 december 1663 (Pieter is
overleden; zijn halfbroer Claes Adriaansz krijgt nu de helft van de erfenis;
schoonzoon Jan van Waesberge bemoeit zich verder met de zaak), 25 februari 1665
(Cathalena de Fuyter ontvangt uiteindelijk het geld namens haar moeder nadat
ook Claes Adriaansz is overleden).
26Wybrands 1873, p. 84-85; Albach 1977, p.
73; Kossmann 1915, p. 121.
27Oey-de Vita en Geesink 1983, p. 53.
28In de lijst in Kossmann 1915 komen enkele
personen voor met het patroniem Willems: Symon, Jacob en Dirck. Het zou aardig
zijn om uit te zoeken of er een familieband met Judith is.
29GAA, NA (notaris Adriaen Lock)
2193/192-194, 200-202, akten d.d. 31 augustus, 2 en 3 september
1652.
30GAA, NA (notaris Joannes d'Amour)
2156/497r-v.
31Wijnman 1937, kol. 1370. D.P. Heynk wordt
ook in andere biografische woordenboeken genoemd (Van der Aa, Witsen Geysbeek)
met hetzelfde magere resultaat.
32In bijlage II (stamreeks familie Heynk)
zijn de namen van de leden van de familie Heynk die in deze paragraaf worden
genoemd vet gedrukt.
33GAA, doopregisters NK: DTB 41/60.
34Van der Aa 1852, kol. 244; Holthuis 1993,
36-37. Dat Jan Heynk de grootvader is van D.P. Heynk blijkt uit een procuratie
d.d. 03.10.1610 (GAA, NA (S. Henricx) 21M/5v). Jan Heynk was in ieder geval in
1587 burgemeester. In dat jaar moest hij de stad ontvluchten na het verraad
door Stanley. Heynk week uit naar Engeland waar hij koningin Elisabeth zo ver
probeerde te krijgen zijn stadsgenoten te hulp te schieten.
35GAA, NA (P. Carelsz) 709/680.
36GAA, DTB, begraafregister NK,
1054/50v.
37GAA, WK inbrengregisters 22/209v,
02.01.1635.
38GAA, DTB, ondertrouw kerk, 443/180,
28.12.1634.
39Elias 1963. Deel I, nrs. 144, 147, 418.
Deel II, nr. 289.
40GAA, archief Wisselbank, registers op de
Grootboeken, 58 (januari-juni 1660).
42Wijnman 1937, kol. 1-4; Schutte 1980.
D.P. Heynk is in geen van de uitgegeven alba studiosorum teruggevonden. De
notaris Barent Staets was een oom van D.P. Heynk en notaris Frederik van
Banchem was de stiefvader van zijn moeder.
43Heynk is nooit in het huwelijk getreden
en woonde tot zijn moeder overleed in 1674 bij haar in. Vreemd is dat zijn
stiefvader, Bartholomeus van der Wiere, in 1667 in Den Haag woonachtig is
(Jochems 1888, p. 66).
44Dit stuk is waarschijnlijk een bewerking van:
Juan Ruíz de Alarcon y Mendoza La crueldad por el Honor. Wie de
vertaling uit het Spaans maakte, is onbekend.
46Oey-de Vita 1983. De gegevens over
opvoeringen na 1665 danken wij aan A. de Haas en R. Rasch.
47Toll 1661, fol. *5r. Zie over B. Abba:
Wijnman 1937, 1959. Het gedicht voor P. Toll wordt hierin niet genoemd.
48GAA, RA, minuutregisters
executie-kwijtscheldingen, 2125/241r (05.02.1678); GAA, RA,
executie-kwijtscheldingen, 2171/258r (07.07.1679).
49GAA, Belastingkohier 1674, 368v.
50D.P. Heynk komt niet voor in de archieven
van de collaterale successie, waarin een registratie wel te verwachten is,
gezien het grote familievermogen.
51Zo blijkt onder meer uit opmerkingen over
de winkel van de schouwburgdrukker
Jacob Lescailje. Het netwerk van toneelauteurs en
andere in toneel geïnteresseerde personen dat daar samendromde
discussieerde over literair-theoretische onderwerpen.
52Dichtregel ontleend aan De Fuyters sonnet
in
Amsteldamse vrolikheyt 1647, fol. B4v:
‘De gaven die volmaakt besitten uwe leên / Zijn gadeloos, en
onuytsprekelik van waerden’.
|
|