Nevensgaand lied bewaart de herinnering aan de minachting, die de hoogere standen in Vlaanderen in de middeleeuwen koesterden voor de ‘kerels’, de kloeke, doch vaak ruwe en plompe Vlaamsche boeren. Waarschijnlijk, vooral als men de bedreiging in de slotstrofe in aanmerking neemt, was de dichter een edelman, die zijn haat op hen koelde, door hen in al hun boerschheid ten toon te stellen. Uit welken tijd het lied dagteekent, is niet juist na te gaan. Totnogtoe heeft men aangenomen, dat het de herinnering bewaarde aan den burgeroorlog onder Lodewijk van Nevers, n.l. aan den tijd, toen de kerels nog met voorspoed streden tegen den adel, voordat de nederlaag bij Casselberg alles veranderde (± 1325), doch het kan evengoed ontstaan zijn tijdens de woelingen omstreeks 1380.
Van dezen laatsten tijd bezitten wij nog een gedicht,1 dat denzelfden geest ademt als ons lied. Zijn maker is evenmin een man uit het volk: hij behoort tot de Leliaards en is door de kerels gevangen genomen. Realistisch is ook hierin de schildering van de kerels, die, als zij gedronken hebben, eerst brullen als een leeuw, maar, nadat het bier wat gezakt is, niet in staat zijn één woord te spreken. Gaan zij eten, dan gorden zij eerst den buikriem los en zitten dan te schrokken als een kropduif, tot hun gezicht vuurrood wordt. Hun vleesch of spek snijden zij niet, maar grijpen er in, dat het vet hun langs de vingers druipt. Bij de minste kleinigheid raast de kerel als een bulderende dwaas en gaat met zijn roestig lemmet zonder handvatsel aan de deur staan zwaaien, waarbij zijn vrouw schreit, zijn meid huilt en 't gansche gezin van angst samenschuilt. Kortom, al de geleerden van Montpellier, Bazel, Straatsburg, Worms, Spiers, Mainz, Keulen, Trier zouden niet de helft van hun slechte manieren kunnen beschrijven. Toch vloekt de dichter de goeden niet, maar
Ons lied is te vinden in de Oudvlaamsche Liederen en andere Gedichten der XIVde en XVde Eeuwen, in 1849 door Carton uitgegeven voor de Maatschij der Vlaamsche Bibliophilen, naar een hs., dat eeuwenlang in het bezit is geweest van het adellijke geslacht De Croeser te Brugge, en thans, na 't uitsterven van dit geslacht, berust bij den Heer De Neve aldaar. Het is gecollationneerd door Prof. L. Scharpé te Leuven, die zoo vriendelijk was, mij de - niet gewichtige - punten van afwijking met Cartons uitgave mee te deelen. In dit hs. bevindt zich het lied zonder opschrift op fol. 25v, kol. 2 en fol. 26r, kol. 1, onmiddellijk na den muziekbalk, die onder 85o, blz. 19 der bijlagen van Carton is afgebeeld. Het is het eenige, door mij in hs. aangetroffen historisch lied, waarbij een fragment der melodie vermeld staat. In 1854 gaf De Coussemaker in de Annales du Comité flamand de France de ontcijfering hiervan, welke in 1884 door F.A. Gevaert opnieuw werd bestudeerd en hersteld. Voor dezen laatsten vorm zie P. Fredericq, Onze hist. Volksl. blz. 13.
In navolging en als tegenhanger dichtte Julius de Geyter ‘Het Kaerelslied’, met de muziek, eveneens in den onden trant, van Florimond van Duyse, uitgegeven in het Nederlandsch Museum, 2de deel, 1887; ook in het Nederlandsch Liederboek uitgegeven door het Willemsfonds, 1ste deel, Gent 1891.