begin  verder
[p. II]
‘De kennis der Nederlandsche taal is voor ons een onuitputtelijke bron van genot; zij ontsloot voor ons zooveel schoons, van welks bestaan wij te voren geen flauw vermoeden hadden.’
Raden Adjeng Kartini, 27 april 1902.
[p. IX]

Voorwoord

In deze studie wordt de geschiedenis van het Nederlands in Nederlands-Indië beschreven, van de komst van de Nederlanders aan het einde van de zestiende eeuw in de Indonesische archipel tot aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Nagegaan wordt welke functies het Nederlands in de multiraciale Nederlands-Indische samenleving heeft vervuld temidden van een veelheid van andere talen en wat de Nederlands-Indische overheid met het Nederlands heeft voorgehad. Naast een beschrijving van de taalpolitieke geschiedenis van drieëneenhalve eeuw Nederlandse aanwezigheid in de Archipel, wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van het Nederlands, aan de vormen van ‘Indisch-Nederlands’, en aan de kwaliteit van het onderwijs van het Nederlands als moedertaal en als vreemde-(voer)taal. Bovendien wordt de verspreiding van het Nederlands bij de verschillende bevolkingsgroepen gekwantificeerd.

Mijn interesse voor het verleden van de Nederlandse taal in Indonesië werd gewekt toen ik in 1985 als docent Nederlandse taalbeheersing werd aangesteld aan de Seksi Belanda (Afdeling Nederlands) van de Universitas Indonesia te Jakarta. Van veel wetenschappelijke aandacht voor het Nederlands in Nederlands-Indië was toen nog geen sprake geweest. Afgezien van enkele ‘recente’ overzichten - in chronologische volgorde: Nieuwenhuis (1925, 1930), Brugmans (1937), Van Mourik (1948), Heeroma (1957), Pée (1962), Bertouille-Jaquet (1967-68) en J.W. de Vries (1983) -, die hoofdzakelijk teruggrijpen op hetzelfde feitenmateriaal en dezelfde bronnen, bleken er vooral studies te bestaan over de geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië - met als belangrijkste publikaties Brugmans (1938), Geschiere (1968), Kroeskamp (1974), Van der Veur (1969), Van der Wal (1963) en recentelijk ook Lelyveld (1992) en Koolen (1993) -, waarvan overigens alleen Brugmans (1938) ook aandacht geeft aan de gehele VOC-periode en de negentiende eeuw.

De geschiedenis van het Nederlands in Indonesië moest dus nog geschreven worden. Hiertoe had overigens K. Heeroma - in de jaren 1949-52 de eerste en tot op heden laatste hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Indonesië te Jakarta -, al op 12 december 1952 opgeroepen in een voordracht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, met de woorden: ‘Moge de eerste [...] hoogleraar in het Nederlands aan de Uni-

[p. x]

versiteit te Djakarta nog eenmaal opgevolgd worden door een Indonesisch geleerde, die de samenvattende geschiedenis zal schrijven van het Nederlands in Indonesië’ (Heeroma 1957:74). Een Indonesisch hoogleraar in de Nederlandse taalkunde is tot op heden echter niet benoemd aan de Universitas Indonesia. Het is echter wel een Indonesisch hoogleraar geweest die mij begin 1987 heeft aangemoedigd de taalsociologische geschiedenis van het Nederlands in Indonesië tot onderwerp van mijn dissertatie te maken, namelijk de hoogleraar Indonesische taalkunde aan de Universitas Indonesia prof. dr. Anton M. Moeliono. Het is daarmee dus uiteindelijk een Nederlander geworden die de Indonesische geschiedenis van de Nederlandse taal beschrijft.

De tekst van deze studie is in november 1992 als proefschrift aan de Rijksuniversiteit te Leiden verdedigd, Mijn dank gaat uit naar mijn enthousiasmerende promotiebegeleiders prof. dr. J.W. de Vries en prof. dr. mr. C. Fasseur van de Rijksuniversiteit te Leiden, naar prof. dr. R. Salverda van het University College te Londen die steeds weer als klankbord fungeerde, naar de Nijmeegse emeritus-hoogleraar prof. dr. M.C. van den Toorn die bereid was als referent op te treden, naar de overige leden van de promotiecommissie prof. dr. C. van Bree en prof. dr. H.M.J. Maier van de Rijksuniversiteit te Leiden, en naar de Leidse emeritus hoogleraren prof. dr. A. Teeuw en prof. dr. E.M. Uhlenbeck die een deel van het laatste hoofdstuk van commentaar hebben voorzien. Mijn dank gaat voorts uit naar allen in Nederland en Indonesië die mij bij het totstandkomen van dit boek op enigerlei wijze hebben geholpen. In het bijzonder geldt dit de medewerkers van het Arsip Nasional (Nationaal Archief) en de Perpustakaan Nasional (Nationale Bibliotheek) te Jakarta, het Algemeen Rijks Archief te Den Haag, de bibliotheken van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam en de Rijksuniversiteit te Leiden. Mijn speciale dank gaat uit naar de medewerksters van de bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden - Rini Hogewoning en Josephine Schrama -, die door hun toewijding en efficiëntie op een bijzondere manier aan dit boek hebben bijgedragen. Tenslotte wil ik bovendien bedanken José Rozenbroek en Matthias Boswinkel die met hun tekstkritische opmerkingen belangrijk aan de leesbaarheid hebben bijgedragen, en Marjan Groen die de vormgeving van het boek voor haar rekening nam.

Deze studie is mede mogelijk gemaakt door de toekenning van een studieverlof door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen in de periode november 1990 - mei 1991.

 begin  verder