|
|
|
| | | | | |
Anna de Haas
Frans-classicisme en het Nederlandse toneel,
1660-1730
De zeventiende-eeuwse Franse doctrine classique,
geënt op de vooral Italiaanse renaissancistische interpretaties van de
klassieke poëtica's (Aristoteles, Horatius), was de eerste volwassen theorie
van het eigentijdse en eigen toneel. In de loop van de jaren zestig van de
zeventiende eeuw begonnen de daarin in Frankrijk geformuleerde opvattingen en
ideeën tot ons land door te dringen en brachten geleidelijk de nodige
veranderingen teweeg in de Nederlandse toneelwereld. Enkele van die
veranderingen worden hier geschetst aan de hand van contemporaine teksten en
noties over twee aspecten van de doctrine classique:
waarschijnlijkheid (vraisemblance) en decorum (bienséance).
| |
Classicisten als voorhoede en
elite
Het staat buiten kijf dat het Nederlandse toneel, in de periode die
wij classicistisch noemen, zo tussen 1660 en 1760 (hier beperkt tot 1730),
vooral onder invloed stond van Franse toneeltheorieën. Toen deze hier hun
intrede deden
1, bestond er al een respectabele toneeltraditie, met name in
Amsterdam dat sinds 1617 een openbaar theater had. In hun streven de Franse
toneelopvattingen en het toneel op z'n Frans hier ingang te doen vinden, zetten
de pleitbezorgers van dat toneel (vanaf ca. 1670 met name bij monde van het
kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum) zich allereerst af tegen de heersende
smaak. Daarbij schilderen zij zichzelf af als kenners - van uiteraard het
Franse toneel en de nodige theoretische geschriften - en als verstandige en
beschaafde mensen, het publiek met zijn voorkeur voor andersoortig toneel als
onbeschaafd ‘gemeen’ en de schouwburgregenten die, zo beweerden zij, aan de
smaak van dat publiek toegaven als al te winstbelust.
2
| | | |
Anders gezegd: er is veel mis met het dan bestaande toneel (dus het
toneel als geschreven door pre-classicisten), wat in stand gehouden wordt door
een mercantiel Schouwburg-bestuur en een onbeschaafd, onnozel publiek.
3 Dit is, het kan niet uitdrukkelijk genoeg gezegd worden, de
classicistische visie op de toenmalige toneelwereld. Het is
een sterk moraliserende, veroordelende visie met onmiskenbaar elitaire trekken.
4
Zo wordt in niet mis te verstane bewoordingen een scheiding der
geesten gecreëerd. Een verstandig kenner volgt niet ‘den ongegronden waan der
onbedreevene meenigte’, maar weet met ‘overleg en reden’ en een ‘keurig
oordeel’, ‘de zinlykheid der beschaafde letteren [...] te onderscheiden van al
het gene, waar aan de domme driften der menschen zich vergaapen’.
5 Hij heeft
een ‘beschaefde geest en gevoelige ziel’ en ‘de bron van zyne verlustiging’ is
een stuk, dat zijn ‘behaeglyke ontroering’ wekt
6,
‘een hoogdraavend stuk, dat uytmunt in zielroerende vaerzen’.
7 Evenzo zal een beschaafd en
| | | | verstandig dichter liever ambiëren ‘de bestendige goedkeuring van
een klein getal verstandige Kunstbeminnaren weg te dragen, dan de onbezonnen
toejuiching van de onbedrevene Menigte, wier ydele lofspraak schielyk in
vergetelheid [...] verkeert’.
8 Of zoals een anoniem dichter opmerkte:
‘'t Gemeen Lof is doch als een vliet,
Die lichte dingen op doet drijven,
En swaare zinken, ziet men niet
Hoe 't waardigst vaak moet achter blijven?
Iet deftigs zou het minste deel,
En Mannen van Verstant behaagen;
Maar vullen die het Schoutoneel?’
9
Zo presenteerden zich die toneeldichters en geletterden, die zich
door het Franse classicisme lieten inspireren: hooghartig, offensief en zich
bewust dat ze een avantgardistische minderheid vormden. We zullen hen in het
vervolg gemakshalve classicisten noemen.
10
De kritiek der classicisten diende niet alléén om onwillige of
tegenstribbelende tijdgenoten op hun plaats te zetten, maar tegelijkertijd ook
om hun eigen inzichten uiteen te zetten, om te laten zien wat er mis was in het
toneel en hoe dat verbeterd of veranderd moest worden. Door zichzelf uit te
roepen tot minderheid erkenden zij dat zij ‘het schoutoneel’ niet afdoende
zouden kunnen vullen, noch met genoeg goede stukken, noch met genoeg publiek.
Het was dus zaak hun positie tegenover het bestaande repertoire te bepalen en,
indien mogelijk, dat repertoire aan te pakken. Daarvoor kwamen vooral in
aanmerking: het treurspel met kunst- en vliegwerken, het gruweldrama en tot op
zekere hoogte het Spaanse toneel - alle drie bij het publiek zeer geliefd.
Hier zal ik slechts op een paar aspecten van die classicistische
kritiek ingaan en daarvoor is een toelichting nodig op twee cruciale begrippen:
waarschijnlijkheid en decorum. Elk van deze begrippen kent twee toepassingen:
een interne toepassing die de opbouw van een toneelstuk en de karaktertekening
van de personages betreft, en een externe toepassing waarin de relatie tussen
toneelstuk en toeschouwer de leidraad is. Het is vooral deze laatste, de
externe toepassing, die de aard van het classicisme bepaalt.
| |
‘Werreldsche zaaken’
De waarschijnlijkheid van een toneelstuk ten overstaan van de
toeschouwers berust op het gegeven, dat de toeschouwers zien
wat zich op het toneel afspeelt èn op de opvatting dat een treurspel zich moet
afspelen in de werkelijke wereld, liefst een ‘ware historie’ moet
representeren. Daarom mag wat | | | | de toeschouwer te zien krijgt op
het toneel niet wezenlijk afwijken van wat hij waarneemt of zou kunnen
waarnemen in de wereld om hem heen. Op het podium moet alles, zoals
Balthazar Huydecoper opmerkte, ‘natuurelyk, en
volgens den gemeenen loop der werreldsche zaaken’ zijn.
11
Onwaarschijnlijk (onnatuurlijk) waren daarom treurspelen met kunst- en
vliegwerken, zoals die sinds 1667 op de schouwburg te zien waren. Spoken en
geesten verrezen of verdwenen daarin via val- en zinkluiken, terwijl heidense
goden en mythologische figuren als Medea af- en aanvlogen boven het toneel.
12 Maar heidense goden, vliegende mensen al zijn ze mythologisch,
geesten, spoken en metamorfosen zijn geen fenomenen die we ooit in de ons
omringende wereld waarnemen. Ze zijn daarom voor een classicist het toppunt van
onwaarschijnlijkheid: kunst- en vliegwerken, die alleen maar dienen als
vehikels voor zulke onnatuurlijkheden, kunnen daarom ‘in geene waare historien
[...] ingevoegt worden, als teegens de waarschynlijkheidt aanloopende’.
13
Ook de eenheden van plaats en tijd kunnen we in het licht van
‘waarschijnlijkheid is gelijk werkelijke wereld’ bekijken. Wanneer een
toneelpersonage verondersteld wordt tijdens een voorstelling van
Amsterdam naar Parijs en weerom te reizen, is
dat onwaarschijnlijk: zoiets vergt méér tijd dan een bedrijf of zelfs een heel
toneelstuk duurt. Hoe moet de toeschouwer zich dat voorstellen? Of stel dat het
ene bedrijf zich in Amsterdam afspeelt en het volgende in Parijs: hoe kan dat
als de toeschouwer niet van plaats verandert? Is het niet onwaarschijnlijk dat
de toeschouwer in de Amsterdamse schouw- | | | | burg blijft zitten of
staan, terwijl de acteurs ondertussen opeens in Parijs blijken te zijn? Eenheid
van tijd en eenheid van plaats verhogen dus de waarschijnlijkheid - of, zo men
wil, het realiteitsgehalte - van een toneelstuk, waardoor de toeschouwer als
het ware directer bij de toneelhandeling betrokken wordt. Weliswaar zijn de
noties van eenheid van tijd en plaats niet exclusief kenmerkend voor het toneel
naar classicistische opvattingen, maar het is wel de classicistische leer die
deze dwingend gaat voorschrijven.
Het is onder andere op het punt van deze eenheden dat het Spaanse of
Spaans geïnspireerde toneel voor kritiek vatbaar blijkt. Dit romaneske genre,
met zijn opeenstapeling van gebeurtenissen, verrassende wendingen, avonturen en
liefdesperikelen, muntte immers uit ‘in wanschikking’ ofwel in gebrek aan
eenheid van tijd en plaats.
14 Maar voor het publiek was dit gebrek juist een van de
aantrekkelijke kanten, omdat de nodige decorwisselingen voor visuele
afwisseling zorgden. In een stuk waarin de eenheden strikt waargenomen zijn,
blijft daarentegen het decor van begin tot eind hetzelfde.
| |
‘Betamelijkheid en eerbaarheid’
De regels van het extern decorum op hun beurt bepalen, simpel gesteld,
dat alles wat een toeschouwer kan kwetsen in zijn religieuze, politieke en
zedelijke opvattingen aanstootgevend is en van het toneel geweerd moet worden.
Dat dergelijke opvattingen tijdgebonden kunnen zijn, behoeft geen betoog: wat
classicisten veelal aanstotelijk vonden, waarderen wij nu (bijvoorbeeld het
vrijmoedige taalgebruik in de stukken van Bredero). Aan de andere kant is
sommige classicistische kritiek nog altijd (of weer) actueel, zoals de vraag of
het vertonen van gewelddaden geoorloofd is.
In dit opzicht waren het toentertijd de zeventiende-eeuwse gruweldrama's
die voor kritiek in aanmerking kwamen; drama's, waarin de gewoonlijk als
Senecaans gekwalificeerde elementen van gruwelijke en bloedige scènes en
beschrijvingen de toon zetten.
15 Sinds de
aanval van
Andries Pels staat gedurende de gehele
achttiende eeuw
Aran en Titus, de roemruchte wraaktragedie
van
Jan Vos
16, model voor alles wat er mis is met dit soort
toneel: | | | | ‘uitzinnige werken’ vol ‘monsters, en wanschepzels’,
‘buitenspoorigheden’, ‘onnatuurlijke wreedheden’ en ‘verwart getier en gewoel’
17, alleen geschikt voor lieden met ‘grove
harten’ en ‘onbeschaafde gemoederen’, voor wie ‘alles uiterlyk [moet] zyn’.
18 Ik zal hier niet de overvloedige en vaak venijnige kritiek op
Aran en Titus uitmeten.
19 In
het algemeen geldt, dat de vertoning van gruwelscènes beschouwd wordt als tegen
de natuur, met name die van ‘beschaafde vernuften’, die daar slechts vol
walging het hoofd van kunnen afwenden. Het enige wat de vertoning van
gruweldaden doet, is choqueren: dat is weinig verheffend en dient bovendien
geen enkel nut. Het vereiste nut werd al helemaal niet gediend, wanneer in zo'n
stuk ook nog de poëtische gerechtigheid
20
ontbrak: dat alleen al kon genoeg zijn om een toneelstuk, zeker een treurspel,
als te wreed van de hand te wijzen.
Een ander terrein waar de decorum-opvattingen zich lieten gelden, was
dat van het geloof. Godsdiensttolerantie werd na de Opstand als een belangrijk
goed gezien en daarin paste getwist over religieuze zaken niet. Het verbod
religieuze onderwerpen ten tonele te voeren, uitgevaardigd in 1677 door de
Amsterdamse burgemeesters, werd door Pels tot toneelwet verheven, toen hij het
in 1681 opnam in zijn handleiding voor de classicistische toneeldichter,
Gebruik én misbruik des tooneels.
21 Hiermee werd definitief afgerekend met het bijbels treurspel, het
specialisme van
Vondel.
22
| | | |
Een andere gevoelige kwestie was actuele politiek, een onderwerp waar
men in de Renaissance niet voor terugschrok - wat niet wil zeggen dat men er
geen problemen mee kon krijgen.
23
In de laatste decennia van de zeventiende eeuw komt de actualiteit als
toneelonderwerp echter steeds meer in diskrediet. In het door
Pels geformuleerde verbod op dit soort
thematiek, kunnen we waarschijnlijk eveneens de hand van de overheid zien: net
als religieuze onderwerpen konden ook politieke onderwerpen voor ongewenste
onrust zorgen. Pels gaf het verbod een klassiek tintje door het te illustreren
met een aan
Vossius ontleend verhaal over een Griekse
dichter die in zee verdronken werd, omdat hij zich over actuele zaken had
uitgelaten. Sindsdien zijn, aldus Pels, spelen met ‘kortelings gebeurde stof’
uit de gratie en haalt men de treurspelstof ‘uit aaloude boeken’.
24 Overigens moet
‘kortelings gebeurd’ niet te eng geïnterpreteerd worden: het heeft de betekenis
van ‘recente geschiedenis’ tot zeker een eeuw terug. In Nederland waren vooral
controversiële episoden uit de vaderlandse geschiedenis taboe
25, zoals in
principe goed dramatische onderwerpen als de terechtstelling van Oldenbarnevelt
in 1619 en later de moord op de gebroeders De Witt in 1672.
Waar de eis van extern decorum waarschijnlijk het hardst heeft
toegeslagen, is op het gebied van het taalgebruik. Al vóór de oprichting van
Nil, in de jaren zestig van de zeventiende eeuw, manifesteert zich een
duidelijke trend, waarbij reeds bestaande en nog steeds gespeelde stukken
onderworpen worden aan taalzuivering met name wat betreft godslasterlijk of
onzedelijk geachte taal. Zo werd bijvoorbeeld in 1662, in het van origine
Spaanse stuk
Sigismundus, prince van Poolen, het woord
‘God’ overal vervangen door ‘hemel’, ‘natuur’ of vergelijkbare, meer neutrale
termen.
26 In 1667 werd
Biron, een treurspel van
H. Roeland uit 1629, gezuiverd van ‘eenige
aanstootlijkheden (die men in deze tijdt, met de grootste reden, verwerpt,)
[...], als het misbruik van Gods allerheiligsten Naem, en vele schrikkelijke en
| | | | overtollige vloeken, waar door het ten deel van zijn glans, in
d'oogen der verstandige Kunstbeminnaars, wierd berooft’.
27
De invloed van de verstandige kunstbeminnaars, in 1677 en 1696 gesteund
door verordeningen van de Amsterdamse burgemeesters aangaande ‘aenstotelijke
spellen’, is in dit opzicht blijvend geweest.
28
In 1698 werd
Medea, Jan Vos' treurspel met kunst- en
vliegwerken, van ‘aanstootlykheden’ gezuiverd, ‘in gevolge van de ordre der
Grootachtbaare Heeren Burgermeesteren van Amsterdam’.
29 In 1729 achtten de schouwburgregenten Bredero's
Spaansche Brabander rijp voor kuising,
omdat het ‘volgens de gewoonte en zeden van dien [Bredero's] tyd, vol [is] van
uitdrukkingen en bewoordingen, strydig niet alleen tegen de betaamelijkheid en
eerbaarheid, maar ook tegen den eerbied die wij allen schuldig zyn aan den
Goddelyken naam’.
30 In hetzelfde jaar
verscheen bij schouwburgdrukker
David Ruarus een uitgave van
Gysbrecht van Aemstel met de gekuiste
tekst zoals die toen al jaren lang gespeeld werd. Deze verving de tekstboekjes
met Vondels oorspronkelijke tekst, meegelezen tijdens de voorstelling, opdat
‘de Aanschouwende Leezer niet zie, het geenmen hem niet wil laaten hooren’.
31 De bewoording spreekt boekdelen. Het is dan ook
niet duidelijk waarom Aran en Titus in al zijn herdrukken,
inclusief die voor de schouwburg, nagenoeg ongewijzigd blijft. | | | |
Hoe dat ook zij, het is opvallend dat het extern decorum niet alleen een
kwestie van literaire opvattingen is, maar ook een van overheidsbemoeienis.
Huydecoper stelt dit heel uitdrukkelijk vast: door ‘zulke misbruiken en
aanstootelykheden’ die ‘in veel oude Stukken [...] gevonden worden’ te weren,
beogen de schouwburgregenten ‘te voldoen, aan de intentie uwer Ed. Gr. Achtb.,
die altyd gewild hebben, dat de schouwb. zou strekken tot een nut
en leerzaam Tydverdryf’.
32 Dit gegeven roept de vraag op of deze gevoeligheid voor
onbetamelijke taal, vloeken en wat dies meer zij een algemene tendens is die
gesteund wordt door bredere lagen van de bevolking of dat er sprake is van een
maatschappelijke en intellectuele elite, die aldus op indirect opvoedende wijze
kenbaar maakt wat niet (meer) door de beugel kan.
33
| |
De ‘hervormde zuyvering’ van de
schouwburg
In 1671 vermengde
Thomas Asselyn, aanhanger van de
toneelopvattingen van
Jan Vos, zijn inkt met wat venijn toen hij de
heren van Nil Volentibus Arduum aanwreef, dat zij ‘schier van spijt berst[en],
dat de Schouwburgh, (die noch [...] de hervormde zuyvering niet heeft
aangenomen) tegens al uw woelen aangroeyt, in 't vermeerderen van haar
inkomsten; niet tegenstaande, daar niet als vodden, zoo gy zegt, werden
vertoont’.
34 Het schouwburg-publiek liet zich in zijn voorkeuren ook in de
achttiende eeuw nog niet zomaar hervormen. Alle kritiek van verstandige
classicisten kon niet verhinderen dat veel van de door hen afgekeurde
toneelstukken jaar in, jaar uit gespeeld bleven worden. Dat blijkt althans uit
het toenmalige Schouwburgrepertoire, waarvan ons voornamelijk de titels der
gespeelde stukken bekend zijn.
35 In hoeverre de classicistische
opvattingen invloed gehad hebben op de opvoeringspraktijk is
wegens schaarste aan ooggetuigenverslagen helaas nauwelijks na te gaan: er zijn
aanwijzingen dat voorstellingen niet altijd overeenkwamen met de tekst en de
toneelaanwijzingen zoals die tot ons gekomen zijn.
Het Spaanse toneel hield stand, maar het is maar de vraag hoe hoog het
‘Spaanse’ gehalte daarvan eigenlijk nog was, na alle aanpassingen die het
| | | | had ondergaan: omgezet in alexandrijnen
36, verdeeld in
vijf bedrijven in plaats van de Spaanse drie jornada's, en
gezuiverd van aanstotelijk geacht taalgebruik, om er maar een paar te noemen.
Ook Aran en Titus bleef op de planken, maar de kennelijk
meest aanstootgevende scène, waarin Titus zijn hand afhakt, werd voor het oog
der toeschouwers verborgen achter de schermen: gruweldaden waren in de
schouwburg waarschijnlijk niet of alleen in afgezwakte vorm
te zien in vertoningen of tableaux vivants.
37 Gijsbrecht van Amstel en
Medea traden nog steeds op, maar spraken niet meer de taal die hun verwekkers
hun in de mond gelegd hadden. Zo zal, wat het oude repertoire betreft, de
invloed van het classicisme zich in de schouwburg vooral in negatieve zin
hebben doen voelen, namelijk in wat het publiek van een treurspel niet meer te zien of te horen kreeg. En wat betreft de nieuwe
dichters die hun treurspelen naar classicistische snit sneden: zij hielden
zich, zo beweerden zij, aan de regels van wat wel en niet kon op het toneel.
Anders gezegd: zij legden zich in dit opzicht zelfcensuur op.
Maar waar oude en andere treurspelen (en blijspelen) zo nodig en
mogelijk aangepast werden aan classicistische eisen, werd er wat nieuwe stukken
betreft soms wat water in de classicistische wijn gedaan om te voldoen aan de
behoefte aan visuele variatie op het toneel. De eenheid van plaats kon zo
opgerekt worden, dat elk bedrijf van een treurspel zich op een andere plaats
afspeelde, zodat het publiek tenminste niet het hele stuk door naar één en
hetzelfde decor hoefde te kijken. En er zijn aanwijzingen dat sommige stukken,
al of niet met instemming van de auteur, bij opvoering opgesierd werden met
vertoningen of tableaux vivants, een aspect van de toneelpraktijk overigens,
dat in de achttiende eeuw angstvallig buiten elke discussie wordt gehouden.
38
| |
De ordening van het classicistisch
universum
Vanaf ongeveer 1700 is de wereld der toneeldichters een classicistisch
universum, in die zin dat de classicistische opvattingen de theoretische norm
zijn waaraan zowel voorstanders als tegenstanders hun eigen opvattingen
toetsen. Felle discussies als in de laatste decennia van de zeventiende eeuw
| | | | zijn er niet meer. Afwijkende opvattingen zijn naar de marge
verdrongen. In dit classicistisch universum was inmiddels ook plaats gemaakt
voor dat soort toneel, dat populair bleef maar op bepaalde punten afweek van de
treur- en blijspelwetten. Dat was mogelijk, omdat de scheiding der genres
inmiddels haar beslag had gekregen
39,
waarbij het classicisme met name de genres treurspel en blijspel voor zich had
opgeëist. Een benaming als ‘blij-eindend treurspel’, nog heel gebruikelijk in
de zeventiende eeuw, verdween geleidelijk in de achttiende eeuw vanwege de
suggestie van vermenging van genres. Maar omdat een blij einde als slot van een
treurspel volkomen ‘wettig’ was, zeker als het kwam in de vorm van poëtische
gerechtigheid, met een beloonde deugd en een gestrafte ondeugd, konden zulke
zeventiende-eeuwse ‘blij eindende treurspelen’, omgedoopt tot ‘treurspel’, een
legitieme plaats krijgen.
Ook voor de kunst- en vliegwerken was een plaats ingeruimd. Waren de
eerste stukken met kunst- en vliegwerken vrijwel allemaal treurspelen, tussen
1677 en 1720 werd dit soort spektakel steeds vaker ‘weggeschreven’ naar andere
genres, vooral naar zinnespelen en genres waarin zinnebeeldige personages
kunnen optreden, zoals voor- en naspelen, oorlogs- en vredespelen en andere
soorten gelegenheidsstukken.
40 Dergelijke genres vielen tot op
zekere hoogte buiten het bereik van de machtige arm van het classicisme, al zal
het publiek zich daar weinig van aangetrokken hebben.
Ook treurspelen met een bijbels of daaraan verwant onderwerp kregen een
plaats. Dergelijke treurspelen mochten dan wel niet opgevoerd worden, maar
niemand, ook
Pels niet, verbood het schrijven ervan. En
aangezien sommige schrijvers zo'n christelijk onderwerp stichtelijker en
leerzamer vonden dan de veelal heidense geschiedenissen van het reguliere
treurspel, bleven zij ze schrijven. Alleen waren zulke stukken uitdrukkelijk
niet voor opvoering bestemd: de schrijvers zelf plaatsten ze
bij voorbaat in de categorie ‘leesdrama’.
41 Alleen het oude
gruweldrama kreeg geen plaats in het classicistisch toneeluniversum, behalve
misschien als afkeurenswaardig vertier voor het volk.
| |
1730: een keerpunt
Betekende het feit dat omstreeks 1720 alle stukken zo'n beetje op hun
plaats gevallen waren een overwinning voor het classicisme? Enkele
ontwikkelingen wijzen erop dat inderdaad in de jaren twintig, althans bij de
toneeldichters, | | | | de ‘oude’ smaak is uitgewoed. Als inspiratiebron
en alternatief voor classicistisch toneel neemt het belang van het Spaanse
toneel af: na 1720 worden er geen Spaanse stukken meer vertaald en de
aanduiding ‘blij-eindend treurspel’, die onder meer met Spaans toneel werd
geassocieerd, raakt na 1723 nagenoeg in onbruik. In 1721 verschijnt het laatste
oorspronkelijk Nederlandse treurspel met kunst- en vliegwerken, Goden twist, ofte Paris oordeel van het genootschap Industria et
Labore. Daarna komen ze eigenlijk alleen nog voor in andere genres dan het
treurspel. Deze fenomenen zouden kunnen wijzen op terreinwinst voor de
classicistische opvattingen.
Tezelfdertijd, vanaf ongeveer 1725, begint echter de productie van
oorspronkelijke Nederlandse toneelstukken te dalen naar een dieptepunt waar pas
in de jaren zestig een eind aan komt. En oversteeg tussen 1705 en 1730 het
aantal gepubliceerde oorspronkelijke stukken het aantal vertaalde, vanaf 1730
is de situatie omgekeerd en daar komt, in ieder geval vóór 1800, geen
verandering meer in. Tegen 1730 lijkt kortom de fut eruit te zijn.
Misschien heeft die daling in productie ook te maken met het feit dat de
gelederen der toneeldichters uitgedund raakten: een aantal van hen overleed in
de jaren twintig en dertig, anderen zetten in die periode een punt achter hun
toneelwerkzaamheden.
42 Misschien ook
droogden de inspiratiebronnen op. Het Spaanse toneel was uitgediend en wellicht
waren de voor een treurspel geschikt geachte onderwerpen uitgeput
43, terwijl het verbod op recente
geschiedenis dan wel actuele onderwerpen vooralsnog het ontstaan van een
volwassen vaderlandse variant van het treurspel in de weg stond.
44 Mis- | | | | schien ook raakten met
name de classicistische toneeldichters ontmoedigd, omdat ze met hun stukken
nooit echt de schouwburg hebben kunnen veroveren. Lang niet alle tussen 1700 en
1730 geschreven Nederlandse treurspelen haalden de schouwburg en weinige kwamen
verder dan een première. De vergetelheid waar hun scheppers in zijn geraakt, is
niet alleen te danken aan de literatuurgeschiedschrijving; voor velen begon die
al in hun eigen tijd.
De Nederlandse classicistische treurspelen die hun première wel
overleefden - Lukas Rotgans'
Scilla (1709), een aantal stukken van
Claas Bruin (uit de jaren 1713-1722),
Achilles (1719) en
Arzases (1722) van
Huydecoper - hebben echter nooit, wat
opvoeringsfrequentie betreft, kunnen concurreren met oorspronkelijk Franse
stukken als De Cid en Cinna van Corneille
of Andromaché en Iphigenia van Racine. Dat
bleef, behalve aan die ene uitzondering (
De doodelyke minnenyd (1714) van de acteur
Willem van der Hoeven), voorbehouden aan enkele
zeventiende-eeuwse spelen: de
Gysbreght, het
Beleg en ontzet der stad Leiden van
Reinier Bontius,
Aran en Titus,
De toveryen van Armida van
A. Peys en sommige Spaanse stukken.
Zo is de idee dat het toneel eind jaren dertig uitgeput raakte niet
geheel zonder grond. Te veel achttiende-eeuwse toneeldichters en -schrijvers
lijken moeite te hebben om op eigen benen te staan. Zoals de bloei van de
eerste twintig-dertig jaar gezien kan worden als geïnspireerd door het Franse
classicisme, zo kan de nieuwe bloei die omstreeks 1760 inzet, gezien worden als
geïnspireerd door Voltaire en door de opkomst van het Franse en Duitse
melodrama en prozatoneel: nieuwe mogelijkheden, nieuwe inspiraties dienen zich
aan.
| | | |
| |
French Neoclassicism and Drama in the Netherlands
1660-1730
During the 1660s the French doctrine classique found
its way to the Netherlands. The Dutch adherents of this theory, and notably the
fraternity (kunstgenootschap) ‘Nil Volentibus Arduum’ set out
to ‘reform’ the theatre, launching attacks on current stage practice, on the
audience, and on playwrights. Of the genres cultivated at that time the
neoclassicists appropriated tragedy and comedy. These in particular ought to
conform to the requirements of verisimilitude (vraisemblance)
and decorum (bienséance). The first requirement implied a
criticism of the then popular Spanish drama (neglecting the unities of time and
place), and the supernatural phenomena (ghosts, gods, metamorphoses etc.) of
the pièces à machines. Following the second requirement, no
allusions to politics, religion or sex should be allowed in any play, as being
potentially offensive; nor should scenes of cruelty be represented on stage (as
in revenge tragedies).
Although, when one goes by the titles of the plays performed, all these
‘irregular’ genres continued to be staged throughout the eighteenth century,
there is evidence that actually they were thoroughly ‘neoclassicized’. Texts
were censured and adapted, cruel scenes ‘acted’ backstage. For the audience,
then, neoclassicism consisted especially in things not heard and not seen.
During the 1720s the Spanish drama ceased to be a source of inspiration
for playwrights; the machines were banished from tragedy to
other genres (e.g. the morality plays). In the neoclassical universe of the
early eighteenth century each genre (except the revenge tragedy) had been
assigned its own place: tragedy and comedy in the centre, minor genres like the
morality plays and pièces à machines in the border regions
where neoclassical rules were only partly applicable.
This might be viewed as a victory for neoclassicism, but it was
shortlived: by 1730 the neoclassical elan seems to have withered; the
production of original Dutch plays dropped sharply. Various causes may be
pointed out for this: (1) of the playwrights originally inspired by the
doctrine classique some died and others stopped writing
plays; (2) the historical and literary sources, used for tragedies were
depleted; (3) playwrights lost their elan because their plays were never very
successful onstage (if they made the stage at all). Thus, for any or all of
these reasons Dutch playwrights fell silent until 1760 when new ideas from
France and Germany inspired a new generation again to take to the stage.
|
1Met zijn voorrede bij het treurspel
Verloofde koninksbruidt (1668) was Lodewijk Meijer, later
vooraanstaand lid van Nil Volentibus Arduum, de eerste die in Nederland
bekendheid gaf aan althans delen van de Trois discours sur le
poème dramatique (1660) van Pierre Corneille (een moderne uitgave van
Meijers treurspel, met toelichting en annotaties, werd verzorgd door ‘een
werkgroep van Utrechtse neerlandici’ (Ruygh-bewerp VII; Utrecht, 1978)). Een
(grotendeels afwijzende) reactie op het opkomende classicisme verscheen al een
jaar eerder: zie Jan Vos' voorrede bij Medea: in Vos,
Toneelwerken, ed. W.J.C. Buitendijk (Assen/Amsterdam, 1975)
352-366.
2Over winstbelustheid van de Amsterdamse
schouwburgregenten o.a.: A. Pels, Gebruik én misbruik des
tooneels [1681], ed. M.A. Schenkeveld-van der Dussen (Culemborg, 1978) 68,
v. 825, 832-833. Saillant gegeven is, dat in februari 1679 de Amsterdamse
burgemeesters de (zes) Schouwburgregenten het financieel beheer van de
Schouwburg ontnamen wegens wanbeleid, i.c. het aanwenden van gelden voor eigen
plezier (zoals etentjes). Van die zes regenten waren er drie lid van Nil:
Joannes Bouwmeester, Lodewijk Meijer en Andries Pels. Zie J.A. Worp,
Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg 1496-1772,
(Amsterdam, 1920) 139-140, 140 n. 2; C.N. Wybrands, Het
Amsterdamsche tooneel van 1617-1772, (Utrecht, 1873) 230, 237. Ook
probeerde Nil betaling te bedingen voor voorstellingen van ‘zijn’ (meestal
vertaalde) toneelstukken, een poging die met afkeuring begroet werd, ook door
toneelschrijvers. Zie G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam
in de zeventiende eeuw, (Haarlem, 1895) 29; Wybrands, 143-145. Dit is
eventueel te interpreteren als een vroege poging tot erkenning van
auteursrechten, maar doet in het licht van Nils beschuldigingen wel vreemd
aan.
3De houding van classicisten jegens ‘het’
schouwburgpubliek is zeer dubbelzinnig. Aan de ene kant verwijten zij het
onverbeterlijkheid (goed toneel wordt slechts door een minderheid begrepen),
aan de andere kant willen zij niets liever dan dat publiek verbeteren
(beschaven).
4Deze visie bleek een lang leven beschoren.
Eén van de mikpunten van de vroege classicisten waren de (huns inziens) ‘vuile’
kluchten van hun voorgangers. Dit oordeel vinden we nog bij bijv. Wybrands (n.
2), Amsterdamsche tooneel, 156: ‘[wij kunnen betreuren] dat
het [volk] wat al te veel zijn vermaak zocht in groot geraas en gebulder, in
overdreven mise-en-scène, en voorts in kluchten met de ergerlijkste
uitdrukkingen en platheden, in het vertoonen van de grofste
onkieschheden’.
5Opdracht van Nil Volentibus Arduum,
gedateerd 1716, in: [Pierre Corneille], Cinna, óf goedertierenheid
van Augustus. Treurspél, (Amsteldam: Is. Duim, 1736) *4v.
6Hollandsche spectator, dl.
VII (Amsterdam, Hermanus Uytwerf) no. 200 (1733) 159, 160 (overigens wordt daar
op p. 159 een beeld geschetst van de ‘beschaefde geest’ dat althans op ons niet
per se gunstig overkomt, namelijk als iemand die zijn ‘verlustiging’ haalt uit
het feit ‘dat hy door den ganschen loop van het stuk een levendig gevoel heeft
van zyne grootmoedige liefde voor de deugt, met dezelve lyd, naer mate zy
onderdrukt wort; zich verheugt, naer mate zy gelukkig is; en wegens die
loffelyke belangneming zyne eige liefde streelt en als geluk wenscht’).
7T. Asselyn, Kraam-bedt, of
Kandeel-maal, van Zaartje Jans, vrouw van Jan Klaazen. Blyspel,
(Amsterdam: A. Lintman, 1684) A2v.
8S[ybrand] F[eitama], Tooneelpoëzy, dl. I (Amsteldam: P. Visser en A. Slaats, 1735)
**1r.
9Anoniem pamflet, De
triomfeerende Schouburg aan Apollo, (z.p. [ca. 1685]) 3.
10Als verkorte vorm van
‘Frans-classicisten’.
11B. Huydecoper, Achilles, ed.
C.J.J. van Schaik (Zwolle, 1964) 27. Dit treurspel verscheen oorspronkelijk in
1719. Huydecoper (1695-1778) had tussen 1717 en 1732 als auteur en als
Schouwburgregent intensieve bemoeienissen met het toneel; hij was echter vooral
taalgeleerde. Na zijn benoeming tot baljuw van Texel in 1732 zei hij het toneel
vaarwel.
12Ook in andere opzichten leverde de
(geallegoriseerde) klassieke mythologie problemen op. De ochtendstond Aurora
noemen, om een simpel voorbeeld te nemen, werd vaak gezien als een vertoon van
geleerdheid dat tot onbegrijpelijke poëzie kon leiden. Ook meenden velen dat
dergelijke heidense stof niet paste in een christelijke literatuur. Zie o.a. J.
Jansen, ‘Een Neolatijnse encyclopedie en een voorrede in de moedertaal. Twee
opvattingen over perspicuitas in 1616’, in: C. van Eck e.a.
(red.), Een kwestie van stijl. Opvattingen over stijl in kunst en
literatuur, (Amsterdam, 1997) 79-95, m.n. 86-89; E. Stronks, Stichten of schitteren. De poëzie van zeventiende-eeuwse gereformeerde
predikanten, (Houten, 1996); M. Spies, ‘“Poeetsche fabrijcken” en andere
allegorieën, eind 16de-begin 17de eeuw’, Oud Holland, 105
(1991) 228-243; E.K. Grootes, ‘Waarom in 's hemels naam al die mythologie?’,
in: Vragende wijs. Vragen over tekst, taal en
taalgeschiedenis, (Amsterdam/Atlanta, 1990); S. Brinkkemper, I. Soepnel,
m.m.v. E.K. Grootes, Apollo en Christus. Klassieke en christelijke
denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur, (Zutphen,
1989).
13Nil Volentibus Arduum, Onderwys in
de tooneel-poëzy, ed. A.J.E. Harmsen (Rotterdam, 1989) 423. De uitgave van
Harmsen is gebaseerd op het handschrift uit de jaren zeventig van de 17de eeuw;
de eerste uitgave is van 1765 (Leiden: C. van Hoogeveen).
14T. Asselyn, De dood van de graaven
Egmond en Hoorne. Treurspel, (Amsterdam: erfg. van J. Lescailje, 1685)
A5r: ‘de Spaansche die in wanschikking uitmunten, en noch tyd, noch plaats
aanzien’; Nil Volentibus Arduum, De gelukte list, óf bedrooge
mof. Klucht-spél, (Amsterdam: A. Magnus, 1689) *3r: ‘wilde én
wanschikkelyke Spaansche Stukken’. Zie ook Pels (n. 2), Gebruik én
misbruik, 76, v. 1068: ‘Van schikking zijn zy wild in plaats én
tyd’.
15Zie J.W.H. Konst, Woedende
wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten. De hartstochten in de
Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw, (Assen/Maastricht, 1993)
o.a. 176-177; M.B. Smits-Veldt, Het Nederlandse
renaissancetoneel, (Utrecht, 1991) 35-36, 41-42; idem, Samuel
Coster ethicus-didacticus (Groningen, 1986) o.a. 69-70.
16Andries Pels (1631-1681), advocaat, was een der
belangrijkste leden van Nil Volentibus Arduum. Hij gaf een bewerking van
Horatius' Ars poetica uit en Gebruik én misbruik
des tooneels (n. 2). Jan Vos (1610-1667) maakte, met uitzondering van het
seizoen 1652/1653, vanaf het seizoen 1647 tot zyn dood deel uit van het college
van Schouwburgregenten. Zijn met verve uitgedragen, en ongetwijfeld ook
gerealiseerde opvatting dat je op een toneel zo veel mogelijk moet vertonen,
niet vertellen, bezorgde hem een vooraanstaande plaats in de rij van door
classicisten afgekeurde toneeldichters. Behalve Aran en Titus
(1641) schreef hij een, eveneens verguisde, Klucht van Oene
(1642) en een treurspel met kunst- en vliegwerken, Medea
(1667); zie boven, n. 1.
17Resp. D. van Hoogstraten, in: J. van [den]
Vondel, Alle de treurspelen, dl. I (Amsterdam: J. Oosterwyk,
1720) ***2r; W. van der Hoeven, De schrandere
tooneelspeelder. Blyspel, (Amsterdam: erfg. van J. Lescailje, 1693) 13; L.
Rotgans, Boerekermis, (Amsterdam: S. Halma, 1708) 51; L.R.,
Zedig en dicht-lievend onderzoek op Aran en Titus [...],
(Amsterdam: J. Oosterwyk, 1718) 26; Hollandsche spectator (n.
6), 159. Voor de aanval van Pels: Pels, Gebruik én misbruik
(n. 2), 65-66, v. 732-773.
18Hollandsche spectator (n. 6)
160, 159.
19Zie Buitendijks ‘Inleiding’ op Aran
en Titus in: Vos (n. 1), Toneelwerken, 85-97.
20Dat wil zeggen: een afloop, waarin de deugd
beloond en de ondeugd gestraft wordt. Poëtische gerechtigheid is een van de
belangrijkste leerstukken van het Nederlandse toneelclassicisme.
21Het verbod staat in de overeenkomst van 1677,
gemaakt voor de heropening van de Schouwburg begin 1678, zie Wybrands (n. 2),
Amsterdamsche tooneel, 233. Voor de toneelwet: Pels (n. 2),
Gebruik én misbruik, 61, v. 595-597; 80, v. 1184-1185,
1199.
22Het bijbels toneel van Vondel werd overigens al
tijdens zijn leven nauwelijks meer opgevoerd; zie Smits-Veldt (n. 15),
Renaissancetoneel, 99-100.
24Zie Pels (n. 2), Gebruik én
misbruik, 46, v. 158-164 (over de Griekse dichter; zie aldaar de noot van
Schenkeveld-van der Dussen); 80, v. 1184-1198.
25Andere, niet-controversiële vaderlandse
onderwerpen, zoals het beleg en ontzet van Leiden en de moord op Willem van
Oranje, zijn al vanaf begin zeventiende eeuw meermalen gedramatiseerd. In dit
opzicht onderscheidt Nederland zich van Frankrijk, waar tot eind achttiende
eeuw nauwelijks sprake was van zulk vaderlands toneel. Zie L. Breitholz,
Le théâtre historique en France jusqu' à la révolution, (=
Uppsala Universitets Årsskrift 1952, Band II) 9: ‘Le Siège
d'Orléans [vijftiende eeuw] occupe une place particulière par le fait que,
durant les trois siècles qui vont suivre, l'histoire nationale n'a fourni
qu'exceptionnellement des sujets aux auteurs dramatiques’.
26Zie J.A. van Praag, La comedia
espagnol aux Pays-Bas au XVIIe et au XVIIIe siècle, (Amsterdam, z.j.) 118.
J. Schouwenberghs Sigismundus, naar La vida es
sueño van P. Calderón, verscheen oorspronkelijk in 1647 in Brussel onder
de titel Het leven is maer droom.
27Anon., ‘Aan de konstlievende lezers’ in: H.
Roeland, Biron. Treurspel, (Amsterdam: J. Lescailje,
1667).
28Voor de verordening van 1696: Wybrands (n. 2),
Amsterdamsche tooneel, 248. Zie ook, m.b.t. het komische
toneel, R. van Stipriaan, ‘Vrouwenzaken als motief en thema. Over de
bruikbaarheid van zeventiende-eeuws komisch toneel als sociaal document’,
De nieuwe taalgids, 87 (1994) 385-400, m.n. 390-393.
29‘De drukker aan de bescheidene leezer’ in: Jan
Vos, Medea. Treurspel, (Amsterdam: erfg. van J. Lescailje,
1698) *2r.
30Remonstrantie aan de Amsterdamse burgemeesters
d.d. [1729] van Balthazar Huydecoper namens de schouwburgregenten n.a.v. een
request van de schouwburgdrukker Dirk Rank (Rijksarchief Utrecht,
Familiearchief Huydecoper, inv.no. 67: 354). Met dank aan drs. Ellen Grabowsky
(Amsterdam), die mij attent maakte op dit document.
31Anoniem ‘Aan den leezer’ in: J. van [den] Vondel,
Gysbrecht van Aemstel. Treurspel, (Amsteldam: D. Ruarus,
1729) *7v (alwaar de schrijver vervolgt: ‘in 't kort, om overal het gesprokene
en het gedrukte te doen overeenkomen [...]: zynde deezen nieuwen druk niet
aangeleid, om gevoegd te worden by de andere werken van Vondel, maar alleen om
te strekken ten dienste des Schouwburgs, en der geenen die den zelven
bezoeken’) Vgl. de tekst van Huydecopers remonstrantie (n. 30): ‘Zo is het ook
geleegen [nl. qua “aanstotelykheid”] met het bekende spel van Gysbrecht van Aemstel, hetwelk jaarelyks eenige reizen, tot
merkelijk voordeel der Godshuizen vertoond wordt. Dit spel is tot nog toe altyd
gedrukt geweest, zooals de Dichter het geschreeven heeft; komende daarin onder
anderen een zeer ernstig gebed, behalve de naamen van
God, Jesus, Heiland enz. van 't begin tot het einde. 't Is
wel waar dat die woorden op het Tooneel niet uitgesproken noch gehoord worden:
maar, is 't ook niet ergelyk, dat de Aanschouwer die echter, den druk onder de
vertooning naar lezende geduurig in 't oog heeft? Met recht telde de Hr. Pels
dit onder de Misbruiken van het oude Tooneel’ (cursieve tekst is onderstreept
in het handschrift).
32Huydecopers Remonstrantie aan de burgemeesters
(n. 30).
33Vgl. Van Stipriaan (n. 28), ‘Vrouwenzaken’,
397-398 (het lijkt me overigens niet geheel juist om de ‘schuld’ van de
fatsoenering alléén in de schoenen van de predikanten te schuiven; daar moet
meer voor nodig zijn geweest).
34T. Asselyn, De moort tot Luyk door
den Graaf van Warfusé aan den burgermeester De la Ruelle (voorgevallen in 't
jaar 1637). Treurspel, (Amsterdam: J. Lescailje, 1671) *7r. Thomas Asselyn
(1620-1701) schreef, behalve blij- en kluchtspelen, ook een in de achttiende
eeuw nog zeer populair treurspel over de dood van Egmond en Hoorne (n. 14).
Over de meningsverschillen tussen Asselyn en Nil: M. Meijer Drees, De treurspelen van Thomas Asselijn (ca. 1620-1701), (z.p., 1989)
hst. 5.
35Zie Worp (n. 2), Geschiedenis, 175-180.
36In de Spaanse comedia werden
verschillende metra naast elkaar gebruikt; zie M. McKendrick, Theatre in Spain 1490-1700, (Cambridge, 1989) 73 (en geheel hst.
3 over de aard van de Spaanse comedia).
37Zie A. de Haas, ‘“Wy openen de gordyn van ons
bebloet Toneel”. Gruwelen op het achttiende-eeuwse toneel’, Literatuur, 12 (1995) 198-204.
38Tableaux vivants komen al in zeventiende-eeuws
toneel voor; zie A. de Haas, ‘[...] Vertoningen in toneelstukken in de
zeventiende en achttiende eeuw’, in: R.L. Erenstein (hoofdred.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden, (Amsterdam, 1996)
250-257 (en de daar genoemde bronnen); M.B. Smits-Veldt, ‘Vertoningen in
opvoeringen van Vondels tragedies, 1638-1720: van emblema tot “sieraad”’,
De zeventiende eeuw, 11 (1995) 210-222.
39Het gaat hier vooral om de scheiding tussen
treur-, blij- en kluchtspel, waarbij bijv. personages en stijl van het ene
genre ongepast werden geacht voor het andere. Zo werden komische scènes uit het
treurspel gebannen en vorsten de toegang tot het blijspel ontzegd.
40Gegevens ontleend aan de doctoraalscriptie van
T. Amir: Kunst- en vliegwerken in het Nederlandse drama van 1665
tot 1720, (Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Neerlandistiek -
Historische letterkunde, 1988/1989).
41Zo had bijv. P. Langedult zijn treurspel
Christus lydende, en verheerlykt (Amsterdam: A. Dircksz.,
1684) ‘slechts besteld om gelesen te werden’ (*6r).
42Om het bij de belangrijkste c.q. productiefste
treurspeldichters te houden: in 1710 overleed Lukas Rotgans, in 1711 Lukas
Schermer, in 1720 Jacob van Ryndorp, in 1730 Kornelis Boon en omstreeks 1730
Willem van der Hoeven, in 1732 Claas Bruin, Enoch Krook en Gijsbert Tyssens en
in 1734 Coenraad Droste. Balthazar Huydecoper, overleden in 1778, schreef na
1722 ( Arzases) geen toneel meer; Feitama, overleden in 1758,
publiceerde één oorspronkelijk treurspel ( Fabricius) in 1720
en in 1724 een zinnespel; zijn vertalingen maakte hij tussen 1721 en 1724, met
een nakomertje ( Pyrrhus) in 1732. Overigens moet opgemerkt
worden dat het toneelwerk van Van Ryndorp, Van der Hoeven en Krook op zijn
minst van een niet zuiver classicistisch gehalte is noch pretendeert te zijn:
bij de eerste twee zijn nog Spaanse invloeden te bespeuren en de naam van Krook
is vooral verbonden met een aantal stukken met kunst- en vliegwerken. Het feit
dat zij alledrie acteur waren en dus uit ervaring wisten wat het goed doet op
het toneel, zal hier niet vreemd aan geweest zijn.
43Cornelis van Engelen zinspeelt hierop in zijn
‘Verhandeling over den schouwburg’, in: Spectatoriaale
schouwburg, dl. I (Amsterdam: P. Meijer, 1775) 59: ‘Ik heb dikwils hooren
tegenwerpen en toestaan, dat 'er noodwendig eene Monotonie in
de Tooneelstukken moet koomen, dat zy bykans allen over eenen kam geschooren
zyn, en dat men een douzyn geleezen hebbende, steeds in het zelfde valt, en hen
bykans allen geleezen of gezien heeft’.
44Vaderlands toneel heeft Nederland sinds Hooft
altijd gekend, maar pas na ca. 1770 werden vaderlandse onderwerpen op grote
schaal gezien als gelijkwaardige vervanging van de onderwerpen uit geschiedenis
en mythologie van de Oudheid.
|
|