|
|
|
| | | | | |
Congruerende voegwoorden
C.B. van Haeringen
Ieder die wel eens een hollands dialect heeft horen spreken, heeft
opgemerkt dat de voegwoorden as (als) en of soms voorkomen in de
verlengde vorm azzə en ovvə. Alleen de
onderschikkende voegwoorden vertonen deze dubbelheid van vorm. Men
hoort b.v. niet Kees ovvə Piet, etən ovvə slapə,
mensən ovvə beestə, wə mottə blijvə ovvə
wə mottə weggaan, maar wèl: wə zellən əs
vragə ovvə zə morgə kommə, kijk əs ovvə
də appəls geen kwaad kennə. De verlenging is streng beperkt
tot de afhankelijke zin.
Verder blijkt bij nader opletten dat de vormen azzə en
ovvə alleen voorkomen wanneer in die ondergeschikte zin het
onderwerp meervoudig is. Azzə is b.v. onmogelijk in As Wim komp,
mot jə zorgə dat je tuis ben, maar kan wel gebruikt worden in
Azzəwə (eventueel azzəmə
1)
kommə, mot jə zorgə … enz. Evenzo As Kees
komp, maar Azzə Kees en Willəm kommə …, of wel
As ən koe hongər heb, maar Azzə koeiə hongər
hebbə … Noodzakelijk is de lange vorm niet; ook
As koeiə hongər hebbə is ‘goed’. Maar
azzə is alleen mogelijk onder de aangegeven condities.
Of bij meervoudig onderwerp de keus tussen as en azzə berust
op rythmische gronden, zodat het zou afhangen b.v. van de lengte van de zin of
van spreektempo of wel van de verdeling van zwakke en sterke syllaben in de
zin, heb ik niet kunnen nagaan. Waarschijnlijk lijkt het mij niet. Eerder zou
ik denken dat azzə wat gemeenzamer en platter gevoeld wordt dan
as, zodat wie wat verzorgd spreken wil, zijn azzə, ovvə
door as en of vervangt.
Het is niet overbodig de gebondenheid van azzə en
ovvə aan meervoudige onderwerpen nadrukkelijk te vindiceren,
omdat | | | | men uit de dialectgrammatica's, voorzover deze het
verschijnsel bespreken, wel eens een andere indruk krijgt. Zo willen b.v.
Opprel,
Dial. van Oudbeierland 45, en
Boekenoogen,
Zaansche Volkstaal 19, azzə
beperken tot een volgend wə, zə en dər
‘er’. Zij menen blijkbaar dat de conditie voor azzə van
fonetischen aard is. Ik wil niet loochenen dat hier of daar zulk een fonetische
conditie gelden kan naast of als beperking van de hier vastgestelde
meervoudseis. Men kan zich denken dat de neiging in een meervoudige zin
bestaat, maar alleen tot hoorbare uiting komt wanneer bepaalde consonanten op
het voegwoord volgen. Maar het meervoudige blijft primair. Wat zə
betreft, moet ik voor mijn waarnemingsgebied, dat tamelijk uitgebreid is,
fonetische invloed van de z bepaald afwijzen. Die stellige afwijzing
berust op vergelijking tussen de volkomen gelijkluidende woorden zə
singularis en zə pluralis. De vorm azzə is ondenkbaar
in De meid gaat uit as zə zin heb, maar kan zeer goed voorkomen in
De meidə gaan uit azzə zə zin hebbə. Voor
wə ‘wij’ is het moeilijker een precies gelijk
enkelvoudig geval aan te voeren. Dat echter de medeklinker w in dezen
geenszins beslissend is, blijkt terstond uit As Willəm komp
tegenover Azze Willəm en Kees kommə. Onjuist is ook het
vermoeden, dat dər ‘er’ voldoende zou zijn om
azzə en ovvə te motiveren: ook hier is het meervoudige
onderwerp vereist. Vgl. b.v. Azzə dər ziekə mensə
bennə, maar As tər ziektə-n-is: in het laatste geval
is azzə onmogelijk.
Dat aan Boekenoogen (en Opprel die B. volgt) de juiste samenhang
niet duidelijk is geworden, zal gelegen zijn in het voornaamwoord je,
dat in zijn dialect ook azzə en ovvə veroorzaakt. Nu
moet men echter terstond opmerken dat je in het Noordhollands
meervoudige werkwoordsvormen bij zich heeft (vgl. b.v. Boekenoogen § 157:
jə roepə, jə makə). Voor het Oudbeierlands, waar dit
niet zo is, komt voor jə géen azzə: Opprel merkt
het uitdrukkelijk op. Wij kunnen veilig aannemen dat de toestand aan de
Zaan gelijk is aan die in Westfriesland, die door
Karsten,
Dial. van Drechterland I, | | | | 117 (vgl.
ook II, 89) aldus wordt beschreven: ‘De vorm (azzə) komt voor
na (blijkbaar een lapsus; bedoeld is: ‘vóór’)
wai, we, wullie; zai, ze, zullie, hullie; je, jullie; der en
voor zelfst. nw. in het meerv.’ (de cursivering is van Dr. K.). M.
a. w. bij meervoudig onderwerp, of misschien juister: bij meervoudige
persoonsvorm van het werkwoord.
Het kan wat aanmatigend schijnen aldus den enen dialect-beschrijver
gelijk te geven en den ander min of meer te desavoueren, terwijl die ander het
toch heeft over het dialect dat hij van kindsbeen af gesproken heeft. Er zijn
echter twee redenen, waarom kritisch lezen op dit punt gewenst is:
1o De samenstellers van dialectgrammatica's hebben zich
vooral op klank- en vormleer geconcentreerd en daarom aan de onbuigbare
voegwoorden weinig aandacht geschonken.
2o en ten voornaamste: De korte vorm is niet, ook bij
meervoudig onderwerp, strijdig met het taaleigen. De lange vorm kàn in
de omschreven positie gebruikt worden, maar is niet dwingend. Men kan dus geen
dialectschrijver verwijten dat hij een ‘fout’ maakt, wanneer hij in
een proeve van zijn dialect alleen as en of geeft. Daar nu de
waarnemer, ook al is hij ingeborene, min of meer uitgaat van het
Algemeen-Nederlands, en vastlegt wat als afwijking daarvan interessant kan
heten, kan hem licht de nuance tussen as en azzə ontgaan of
niet in het juiste verband voor ogen staan
1).
Doordat azzə en ovvə maar in een uithoekje
van de belangstelling liggen, kan het voorkomen dat men een behoorlijke
beschrijving opslaat van een dialect, waarvan men zeker weet of op goede
gronden vermoeden kan dat de as-azzə-nuance er bestaat, en toch er
niets van vermeld vindt. Daarom mag men | | | | ex silentio lang niet
altijd een argumentum halen voor de afwezigheid ervan. Zo heb ik het vermoeden
dat het Katwijks, waarvan
Overdiep zo levendige specimina geeft in
Onze Taaltuin III, ook wel azzə en
ovvə zal kennen, al vindt men er geen enkel voorbeeld van in de
samenhangende tekst ald. 248 vlgg. (wel as met meervoud; vgl. ook
ald. 287: as wə behouwə teelt haddə). Dat
vermoeden bij een beschrijving, waarvan men waarlijk niet zeggen kan dat ze
eenzijdig klank- en vormleer geeft, steunt op een katwijkse bijzonderheid die
straks nog ter sprake komt.
En schrijver dezes die, hoewel geen publicist over enig hollands
dialect, zich toch verbeeldt enige decennia met belangstelling naar
Zuidhollands, continentaal en insulair, te hebben geluisterd, had de
gebondenheid van azzə en ovvə aan een meervoudig
onderwerp nooit opgemerkt, totdat hij er opmerkzaam op werd
gemaakt door iemand die zelden of nooit een nederlandse dialectgrammatica in
handen heeft gehad, nl. zijn broer Dr.
J.H. van Haeringen, classicus van professie. Wie aldus
eigen zwakheid in observatie heeft leren kennen, zal geen ander iets verwijten
en slechts te meer waardering hebben voor de dialectbeschrijvers zoals
Karsten, die het verschijnsel ten volle hebben
waargenomen en vastgelegd.
Totnogtoe sprak ik alleen over als en of, omdat bij
deze twee, vooral bij het eerste, de voorhanden dialectliteratuur althans enige
gegevens levert. Eigen en anderer waarneming echter aan het Zuidhollands toont
dat er nog andere voegwoorden en andere verbindingswoorden zijn die eenzelfde
differentiatie vertonen. Zo b.v. het voegwoord dat. Dattə of
daddə kan hiernaast voorkomen in dezelfde omstandigheden als
azzə naast as, b.v. Zə zeggə dattə zə
ziek bennə. Wə mottə zien dattəme klaar kommə. Ook
de met het relativerende dat versterkte voegwoorden vertonen het, zoals
oftat en astat, b.v. 'k Heb əm gəvraagd oftattie zin
had, maar eventueel 'k Heb zə gəvraagd oftattəzə zin
haddə. En hier moge ik ook een voorbeeld aan Overdiep ontlenen uit het
Katwijks, waaruit af te leiden valt dat ook dit dialect de differentiatie
kent: | | | |
Ik hoor astattəzə gien záut ən
hebbə. Ook bij wat ter inleiding van een afhankelijke zin komt
de verlenging voor. B.v. Ik zel əs horə wattə zə
zeggə. En uit het Katwijks, weer naar
Overdiep: Weet ik wattə zə wullə
1).
Nog andere verbindingswoorden van afhankelijke zinnen vertonen in
het Zuidhollands in meer of mindere mate de verlenging, b.v. het voegwoord
toen: Toenə mə kwammə, wastie al weg, en het relativum
die: ən jongə die werkə wil, maar jongəs
dieə werkə willə. Sprekender en regelmatiger nog het
onzijdige relativum dat: ət huis da(t) Gerrit gəkocht heb,
maar ət huis dattəmə gəkocht hebbə. En nog
onlangs hoorde ik een bejaarde vrouw, uit Sliedrecht geboortig,
spreken over van die rāmə, wārə zə də
gordijnə mee spannə. Ook dit wāre is, zo zal
ieder ‘taalgevoelige’ uit de streek toegeven, niet mogelijk in een
zin met enkelvoudig onderwerp. Dr.
Zijderveld kent van het eiland IJselmonde
dezelfde verlengde vorm van het voegwoord wanneer.
Nadat ik bovenstaande gegevens had verzameld, kreeg ik een korte,
maar zaakrijke mededeling omtrent het as-azzə-verschijnsel onder de
ogen, die mij te meer welkom was, omdat ze te vinden is in een proeve van het
dialect van Rotterdam, de plaats dus die ook het middelpunt was
van mijn waarnemingen. Deze mededeling is van de hand van
L.J. Rogier, en is gepubliceerd in het Tijdschrift
voor Taal en Letteren XXVI (1938), 191 vlgg. Het zij mij vergund den heer
Rogier, dien ik als kroongetuige achteraan plaats, woordelijk te citeren. Hij
zegt t.a.p. 198: ‘Een verschijnsel dat ik ook wel in andere
dialecten heb opgemerkt, maar dat m.i. meer aandacht verdient dan het bij mijn
weten tot nu toe | | | | trok, is de voegwoordencongruentie met het getal
van het werkwoord. Het doet zich voor bij de voegwoorden dat, of, als en
toen, ook wel bij het vragend voornaamwoord wat (als
verbindingswoord)’. R. geeft dan de volgende voorbeelden (in mijn
transcriptie):
Waar oftie woont, wēdək nie(t) naast
Waar
1) ovvəzə wōnə,
wēdək nie(t). Hij zee dattie ziek was, maar
…daddə zə kindərə ziek wazzə. Hij vroeg
ovvək kwam, maar …ovvəmə kwammə.
Toe(n) ək tuiskwam, maar toenəmə
tuiskwammə. Astie komp, maar azzəzə kommə. Wissie
waddək (ook waddovvək) bədoeldə? maar
wissie waddəmə (ook waddovvəmə)
bədoeldə? Verder wijst Rogier nog op de aanhef van een
populair liedje: En daddəmə toffə jongəs sijn
willəmə wētə.
Wij hebben dus uit zoveel verschillende plaatsen in
Holland getuigenissen aangaande azzə, ovvə e.d.,
dat het niet gewaagd is aan te nemen dat het van Oudbeierland tot
Drechterland algemeen is, zij het dan niet overal in dezelfde mate
en bij dezelfde woorden. Een grens naar het zuiden kan ik niet geven, evenmin
naar het oosten. Voorlopig vermeld ik alleen, dat in geen van de mij bekende
beschrijvingen van oostelijke dialecten azzə of ovvə
vermeld is.
Wèl komt iets dergelijks voor in het uiterste zuiden van het
nederlandse taalgebied, nl. het Zuidoostvlaanders van
Teirlinck. Formeel is het wat anders, maar de condities
zijn zeer overeenkomstig. Teirlinck deelt nl. in zijn
Klankleer p. 90 mede dat het Zovla. an
heeft ‘(niet verplichtend) naast en voor ndl. as, enkel
vóor klinker of ndl. d, t, h, z en gevolgd door een meervoudig
onderwerp en werkwoord’. Inhoeverre de beperking tot bepaalde
volgconsonanten juist is, kan ik niet nagaan: hoofdzaak is de volkomen
ondubbelzinnige formulering van de eis betreffende het meervoud.
Ik meen dit an ook in noordelijker streken, bv. westelijk | | | |
Noord-Brabant, wel te hebben gehoord, maar durf
hieromtrent niets stelligs beweren. Intussen kan ik noch uit de
Bommelerwaard (Van de Water) noch uit
Grave (Jacob), noch uit Antwerpen
(Smout), noch uit Brussel (Mazereel)
iets vermelden, dat op bekendheid van azzə of an wijst. Ook
Weijnen bespreekt het niet.
Vercoullie Onze Volkstaal II, 19 vermeldt, zeer
terloops, westvl. ao(n)k ‘als ik’, waaruit men
desnoods zou kunnen afleiden dat an in het westvl. ook bij enkelvoudig
gevolg voorkomt. Maar V. spreekt niet expressis verbis over een differentiatie.
Overdiep Stil. Gramm. § 386 vermeldt uit het
Gents aon vóor z en d, welke vorm hij als een
‘verzwakking’ van as beschouwt. Misschien bestaat hier een
toestand die niet veel van die bij
Teirlinck verschilt.
Bij
Frings-Vandenheuvel Südniederl. Mundarten is
het toen in Wenkerzin no. 24 (‘Toen we gisteravond
terugkwamen’) veelal vertaald met as. Hasselt heeft
hier azəvə, een voorbeeld waarop ik niet veel zou willen
bouwen. In Brabant-Antwerpen komt een vreemd
aləvə voor uit Heyst-op-den-Berg. Verder beginnen
in Vlaanderen vormen te komen als amə, omə, die
misschien te verklaren zijn uit an en wə, en
dan het hier bedoelde an zouden vertonen. Maar dit is geenszins
zeker.
De dialectatlassen van
Blancquaert c. s. geven een voorbeeld van als,
gevolgd door meervoudig onderwerp en werkwoord, in de eerste zin: ‘Als de
kiekens een steekvogel (sperwer) zien, hebben ze schrik (zijn ze bang)’.
De woorden ‘als de kiekens’ zijn bovendien op kaart no. 78 te
overzien. Het resultaat is als volgt. Klein-Brabant heeft
uitsluitend az, in Zuid-Oost-Vlaanderen hebben verscheiden
plaatsen an, sommige ook azn
1). Noord-Oost-Vlaanderen en
Zeeuws-Vlaanderen vertonen een dergelijk beeld, misschien zijn de
an-gevallen hier wat talrijker. Voor Sluis geeft Bl. op
‘alz of an’; zo ook voor
Adegem1) en Merendree1). Ik
weet niet of Prof. Bl. en Dr.
Vangassen uitdrukkelijk op mogelijke dubbelheid gelet
hebben, dan wel of de zegslieden - ongevraagd - in | | | | sommige plaatsen
dubbele vormen opgaven. Is het laatste het geval, dan mogen we wellicht
aannemen dat de dubbelheid nog meer voorkomt dan kaarten en teksten
aangeven.
Zoveel over an bij meervoudig onderwerp en werkwoord in het
Zuidnederlands. Voorts vermeldt
Teirlinck Klankl. 84 voor wat en
dat bijvormen wan en dan, die voorkomen in dezelfde
positie als an, b.v. Wan die kindərs vərtellən,
ən es 't oorən (horen) nie wert. Dat als voegwoord: 'k
gəlōvə dan onz āpəls op zijn, en als
relativum: 't werk dan də kindərs gəmaakt ēn
(hebben) ən deucht niet.
De gegevens voor het zuiden zijn dus vrij mager, maar het
stilzwijgen over an en dergelijke vormen kan dezelfde oorzaak hebben als
de geringe mededeelzaamheid in het noorden over een en ander. In ieder geval
bezitten wij uit het uiterste zuiden een onwraakbaar getuigenis aangaande
vormverschil van het voegwoord als en enige soortgelijke
verbindingswoorden, afhangende van dezelfde syntactische condities als een
ander vormverschil bij dezelfde woorden in het noorden.
Wat is nu de verklaring van dit zeer merkwaardige verschijnsel? Er
komt voor azzə c.s.m.i. maar éen verklaring in
aanmerking, die door
Rogier, als ik hem goed lees, ook al is aangeduid, nl.
deze: onder invloed van de meervoudige werkwoordvorm prātə,
lōpə enz. krijgt het voegwoord of verbindingswoord ook een
ə. De meervoudige persoonsvormen zijn meestal alle gekenmerkt
tegenover de enkelvoudige doordat ze een syllabe meer hebben. Dit geldt
algemeen voor het praesens, d.w.z. de meest gebruikte tijd. In het
praeteritum bestaat het verschil niet bij de meeste zwakke werkwoorden, wel
echter bij de sterke: ik riep, wə riepə; jə kwam, zə
kwammə. Wij kunnen dus veilig zeggen dat in de overgrote meerderheid
van de voorkomende werkwoorden de tegenstelling tussen enkelvoud en meervoud
bestaat. Tussen de enkelvoudige persoonsvormen is soms onderling wel enig
vormverschil - in veel gevallen is dit trouwens gering: vgl. ik giet, jij
giet, hij giet, maar ook zeer verbreide typen als ik loop, jij
loop, | | | |
hij loop; ik heb, jij heb, hij heb; ik
kom(p), jij komp, hij komp; ik riep, jij riep, hij riep en
alle praeteritale persoonsvormen. Maar in ieder geval heeft het hele meervoud
tegenover het hele enkelvoud het zeer in het oor vallende distinctief van de
meersyllabigheid, of wel van de verlenging van de praesens-of
praeteritum-‘stam’ (die veelal gelijk is aan de enkelvoudige
persoonsvormen) met ə. Deze ə nu wordt ook aan het
verbindingswoord gehecht. In het Noordhollands wordt ook jə met
meervoudige persoonsvorm verbonden: jə lōpə, jə
kommə enz.; vandaar dat azzə, ovvə daar ook
vóór jə komen.
En hoe dan met an, wan en dan voor
a(l)s, wat en dat? Hiervoor geldt dezelfde
verklaring: ook hier heeft ‘attractie’ plaats gehad van
werkwoordsvormen, doch niet op -ə, maar op -ən. Immers in het
zuidnederlandse gebied dat hier ter sprake kwam, is de -n niet
geapocopeerd. Zo blijken de schijnbaar zeer uiteenlopende verschijnselen te
berusten op eenzelfde oorzaak, waardoor de verklaring op haar beurt aan
waarschijnlijkheid wint.
Bij an, wan en dan moet men dan een
‘vereenvoudiging’ in vorm aannemen, die op het eerste gezicht nogal
ingrijpend lijkt, maar toch bij veel gebruikte, gering geaccentueerde en
gemakkelijk verstane woorden niet zonder parallel is. Of an misschien
ontstaan is uit het verkorte a in a'k ‘als ik’ +
-n, dan wel uit az(zə)n, kunnen we in het
midden laten. Voor ‘contractie’ van azzən tot an
heb ik geen behoorlijk vergelijkbaar geval bij de hand: daartegenover staat dat
de tussenvorm azn niet hypothetisch is, maar werkelijk geconstateerd te
midden van as en an in verschillende oost- en zeeuwsvlaamse
plaatsen. Gemakkelijker is het, voor dan uit dattən of
daddən een parallel te geven. Daarmee, en met wan uit
wattən of waddən, is te vergelijken han uit
haddən, dat niet alleen bij
Teirlinck voorkomt (aanzə ‘hadden
ze’: Klankl. 199), maar ook in zuidhollandse dialecten, waar het
dan herinnert aan de tijd dat de -n nog gesproken werd (zie trouwens
over deze -n in Zuid-Holland de volgende noot). | | | |
Wie deze verklaring van an, wan en dan toch wat
gewelddadig mocht achten, neemt de verplichting op zich om de zeer zonderlinge
-n op andere wijze te verklaren, en zal daarin zeker niet bevredigend
slagen: ook al zou hij door ‘assimilatie’ of ‘reductie’
het ontstaan van een -n, die oorspronkelijk niet in het woord voorkwam,
aannemelijk kunnen maken, dan nog zou de gebondenheid van de -n aan een
volgende meervoudige werkwoordsvorm een complicerende omstandigheid zijn, die
bij de verklaring niet mag verwaarloosd worden.
Eerst toen ik aan dit opstel de allerlaatste hand legde voor de
druk, bemerkte ik dat over azzə, ovvə c. s. toch al eerder
geschreven is dan ik totnogtoe had gedacht, nl. door
Beckering Vinckers
Taal- en Letterbode III (1872), 165 vlg. Deze
spreekt in 't geheel niet over de condities waaraan de verlengde vormen
gebonden zijn, maar zijn voorbeelden komen overeen met wat hier dienaangaande
is geconstateerd. Merkwaardig is het, dat B.V. het verschijnsel waargenomen
heeft in kindertaal. Hij geeft van een 10-jarig meisje het volgende voorbeeld:
Niet durven? Offen we durven!, en van haar 4-jarig broertje: assen ze
komen, schiet ik ze dood. Misschien is het zo, dat de prolepsis aan B. V.
of zijn zegsman alleen ‘ter ore gekomen’ is via de kinderen, die
door hun omgang voor gemeenzame of dialectische taal-eigenaardigheden meer
ontvankelijk en toegankelijk zijn dan beschaafde ouders in hun kring; ±
1870 zal dit verschil tussen ouders van goeden huize en kinderen licht groter
zijn geweest dan thans. Dat echter ook voor B.V. assen en offen
niet uitsluitend verschijnselen van kindertaal waren, mag men wellicht afleiden
uit de meer algemeen geformuleerde zin, waarmee B.V. t.a.p. 166 zijn
korte mededeling besluit: ‘En evenzoo hoort men ‘datten ze
komen’ in plaats van ‘dat ze komen’’, en uit de
daarop onmiddellijk volgende overgang tot een volgend punt: ‘Zijn
voorbeelden van dusdanige prolepsis van den uitgang en niet
zeldzaam,…’
Als wij B.V.' offen, assen en datten mochten opvatten
als | | | | vormen met gesproken -n, dan zouden het zeer welkome
aanvullingen zijn bij het juist genoemde azn, en alzo een nadere
bevestiging geven van wat zoëven voor an, dan en wan is
betoogd. Maar het is waarschijnlijker, dat B.V. op juiste fonetische
aanduiding minder heeft gelet, en zich bij het weergeven der taal van blijkbaar
in beschaafd milieu opgroeiende kinderen gehouden heeft aan de gewone spelling.
Wij zullen daarom offen, assen, datten wel ‘hollands’,
d.w.z. als ovvə, azzə en dattə moeten lezen.
Wel vinden wij bij
Beckering Vinckers een bevestiging van de hier gegeven
verklaring van het verschijnsel. B.V. beschouwt nl. zijn assen, offen
en datten, gelijk uit een der boven gegeven citaten al bleek, als
evidente gevallen van ‘phonetische voorbarigheid’, zoals hij het
noemt, zó evident dat zij in de gang van zijn betoog moeten dienen om
deze zelfde voorbarigheid aannemelijk te maken in een ander geval, dat intussen
hier buiten beschouwing kan blijven omdat dit niet in de afhankelijke zin
voorkomt.
Nauwkeuriger onderzoek zou nog allerlei belangwekkende
biezonderheden aan het licht kunnen brengen. Ik maak hier alleen vragenderwijze
op enige punten opmerkzaam, die slechts door goede dialectkenners kunnen worden
opgehelderd.
1. Is hollands azzə, ovvə, dattə enz. nog
streng gebonden aan een werkelijk volgende meervoudige of althans
meersyl-labige werkwoordsvorm, dan wel zijn de lange vormen bij meervoudig
onderwerp zodanig traditioneel geworden dat zij ook zonder persoonsvorm kunnen
voorkomen? Voor het mij best bekende gebied zou ik het laatste vermoeden. Naar
mijn gevoel is op de vraag Hebbə jullie pləzier gəhad?
een antwoord Nou ovvə mə! zeer goed denkbaar. Ook
azzə als vergelijkend voegwoord strijdt niet met mijn taalgevoel,
b.v. in jullie hebbə meer tijd azzə wij. Hierbij zullen zich
wel plaatselijke verschillen voordoen.
2. Indien an, dan en wan ook in Holland
voorkomen of | | | | althans in -n-apocoperende streken - wat ik wel
geloof, maar niet met getuigenissen bewijzen kan -, bestaat er dan nog een
levende correlatie tussen dit an, dan, wan, met -n-vormen van het
werkwoord
1), of
wel zijn ook deze vormen traditioneel geworden? M.a.w. kan men zeggen:
oftan zə terugkommə, met traditioneel oftan, of is
dan beperkt tot zinnen met werkelijk hoorbare -n-vormen als 't
ken mə nie schēlə oftan zə tərugkommən of
niet, of wel met weliswaar eensyllabige maar steeds op -n uitgaande
persoonsvormen als zien, doen, gaan
2), b.v. 't is tijd danzə weggaan? Hier zou ik
geneigd zijn, voor mijn gebied een traditionele vorm aan te nemen, geen levende
correlatie meer.
Voor zuidnederlandse streken, waar an, dan en wan
gangbaar zijn, zou het de moeite waard zijn erop te letten of deze wellicht
frequenter of uitsluitend voorkomen bij meersyllabige werkwoordsvormen zooals
werkən, lēzən, en minder of niet bij vormen als
zien, doen, gaan, die alleen door de n, maar niet door een
extra-syllabe zich van de enkelvoudige onderscheiden. Mocht dit zo zijn, dan
zou an of azn in Zeeuws- en
Oost-Vlaanderen meer kunnen voorkomen dan uit
Blancquaerts zin is op te maken (zie boven bldz. 167)
omdat deze zin juist het werkwoord zien bevat.
3. Bij de beantwoording van de vraag, of an, dan en
wan, eventueel òn < ovvən voorkomen,
verdienen de assimilatievormen ammə ‘als we’ en
òmmə ‘of we’ speciale aandacht. In verband met
de assimilatieneigingen ter plaatse trachte men uit te maken of
ammə bestaat uit an + mə (wə) dan wel of
het een ‘verkort’ a (vgl. a'k kom) bevat. Misschien
is dit niet altijd te beslissen. Vergelijking tussen de ontwikkeling vau als
we en als me kan B.V. wat opleveren. Voor mijn gebied lijkt mij
ammə kommə ‘als we komen’ goed, maar ammə
wat ovərkomp
| | | | ‘als me wat overkomt’ niet. Daar
nu in het eerste geval an denkbaar zou zijn, in het tweede niet, zou
hieruit in verband met soortgelijke verbindingen wellicht iets te besluiten
zijn. Tussen dat we, en dat me hoor ik geen dergelijk verschil:
zeg mar dammə kommə, ‘dat we komen’ maar evengoed,
zonder meervoudig werkwoord: 't ken beurə dammə wat
ovərkomp ‘dat me wat overkomt’.
Het is hier echter niet de plaats om op zulke détails verder
in te gaan.
4. Het zou de moeite lonen, in Noord-Nederland te
letten op de oostgrens van azzə e.d. Men mag verwachten dat die
niet veel zal verschillen van de oostgrens van het -n-apocoperende
gebied.
Zo hebben wij dan over een groot deel van het westelijke Nederlands
waargenomen een eigenaardige invloed, in afhankelijke zinnen, van de
persoonsvorm op het verbindingswoord.
Een overeenkomstig verschijnsel is in het oosten van het land op te
merken, nl. daar waar de 2e persoon singularis zich kenmerkt door de
zeer markante uitgang -st. Deze uitgang ‘infecteert’ dan ook
het verbindingswoord in de afhankelijke zin. Men zegt bv. in
Groningen doe krigst(ə), doe
dust(ə), maar, zo drukt
Schuringa Dial. Veenkol. § 170 het uit:
‘de enclitische vormen -st(ə) en
-t(ə)
1) komen ook voor na
as, of en dat: ast(e), ofst(e),
dast(e)’. Bij
Klatter, Onze Taaltuin II, 80 vindt men voor het
‘Hogeland’ hetzelfde ook na andere verbindingswoorden. Ik citeer
van Kl.'s voorbeelden: waist, was toe dust; bedenk wast dust; tou-st jonk
wast; ik vraog die, waor stoe om liepst; komt, omdast nog nait onderschaiden
kinst. De keus tussen -st en -stoe, waarover Klatter
uitvoerig handelt, kunnen we hier onbesproken laten: het belangrijke is thans
voor ons, dat de uitgang kennelijk in bijzinnen aan het verbindingswoord wordt
toegevoegd. | | | |
Deze groningse verschijnselen zijn mede onder de aandacht gevallen
van
Beckering Vinckers in zijn bovenvermeld artikel Taal-
en Letterbode III, en hij stelt ze, evenals ik, op éen lijn met
azzə en ovve. Van zijn voorbeelden ald. 166/7 neem ik
enkele over, met behoud van zijn transcriptie: lummel, dijste biste of
lummel, daorste biste; wijste waste duste (vgl. het juist genoemde
voorbeeld van
Klatter); schriif ijs ofste komste; denk ijs eerste
vragste ‘denk eens eer je vraagt’; en met het relativum
die, hier duidelijker dan in het eerste voorbeeld: is dit de sleutel
dijste zöchste?
Bezoen Klank- en Vorml. Enschede 73 vermeldt
voor Enschede vormen als was ‘wat je’,
das ‘dat je’, as ‘als je’, òfs
‘of je’ naast wastòw, dastòw; hier is de
persoonsuitgang nl. -s, zie ald. § 94 en § 98.
Blijkbaar zijn de syntactische condities geheel dezelfde als in
Groningen.
Trouwens, reeds in het Middelnederlands komen datstu, ofstu,
diestu, eerstu e.d. voor, blijkbaar ook alle in afhankelijke zinnen.
Talrijke voorbeelden daarvan vindt men bij
Van Helten Mnl, Sprkk. 433. Men moet die vormen
opvatten als dat, of enz. plus 2e-persoonsuitgang. Die
uitgang kan -s of -st zijn: dat kan men in dit klankverband niet
onderscheiden. Ik vermeld dit uitdrukkelijk omdat Van Heiten a. w. 434
juist in de persoonsuitgang -s een bezwaar ziet tegen een vergelijking
van de mnl. vormen met de door Beckering Vinckers Taalen Letterbode III,
166 vlg. genoemde groningse daorste, ofste, eerste e.a. Zulk een
vergelijking gaat niet op, meent Van Helten, omdat in het Mnl. de 2e
persoon eindigt ‘alles behalve zelden op -es (niet op
-ste)’. Dit bezwaar nu is niet geldig: een ‘prolepsis’
van -es in b.v. oftu gheves kon ook tot weinig anders leiden als
ofstu gheves. De vergelijking gaat dus wel degelijk op
1). | | | |
Het groningse ofst(ə),
wast(ə), dast(ə) heeft dus al oude
voorlopers. En het is lang niet onmogelijk dat Groningen en
Twente hier een laat-middeleeuws gebruik in ongebroken traditie
voortzetten; evenals het vroeger ook westnederlandse du thans nog in het
oosten voortbestaat, evenzo kan de prolepsis van de bij du behorende
persoonsuitgang in het oosten in voortdurend gebruik zijn gebleven.
De overeenkomst tussen deze groningse, twentse en
west-middelnederlandse verschijnselen met de eerst besproken hollandse en
vlaamse is weer een steun voor de hier ontwikkelde beschouwing daarvan. Bij
alle formele verschil hebben azzə, ovvə, dattə,
wattə enz., an, dan en wan, ofst(ə),
dast(ə), wast(ə), ofs, das, was,
ofstu, datstu, watstu deze gemeenschappelijke trek, dat zij allen vertonen
een proleptische aanhechting van een verbale uitgang aan het verbindingswoord,
dat een ondergeschikte zin inleidt.
Rest ter beantwoording de vraag: waarom is en was deze eigenaardige
proleptische inwerking van de verbale uitgang zo streng gebonden aan de
ondergeschikte zin? Het antwoord is niet zo eenvoudig, en wat hier als zodanig
wordt aangeboden, is niet meer dan een vermoeden.
In ondergeschikte zinnen staat niet zelden door de eigenaardige
woordschikking de persoonsvorm verder van het onderwerp af dan in de hoofdzin.
Daardoor ontstaat een zekere spanning, die toeneemt naarmate de
tussengeplaatste zinsdelen omvangrijker worden. Hoe dichter immers onderwerp en
persoonsvorm bij elkaar staan, hoe vlotter en gemakkelijker het overzicht is
over de hele zinsconstructie. Wellicht is nu de | | | | prolepsis van de
verbale uitgang voortgekomen uit de drang om de spanning wat te verlichten door
de persoonsvorm als het ware reeds in de aanvang van de bijzin aan te kondigen,
en wel door aanhechting van de typerende uitgang aan het verbindingswoord, dat
gewoonlijk onmiddellijk door het onderwerp wordt gevolgd; een enkele maal, bij
het meervoudig relativum die, is het verbindingswoord zelf het
onderwerp. Dat is dus niet geheel hetzelfde als wat men onder ‘fonetische
voorbarigheid’ (vgl. boven bldz. 171) pleegt te verstaan. Al is er
ongetwijfeld een fonetische kant aan - men zou het verschijnsel eerder als
‘syntactische’ of ‘morfologische’ voorbarigheid kunnen
beschouwen.
Als er inderdaad een dergelijk streven achter de congruerende
verbindingswoorden ligt, is de niet zelden grote afstand tussen
verbindingswoord en persoonsvorm, waarin
Van Helten een bezwaar zag tegen de
voorbarigheidsverklaring (boven, bldz. 174 noot), eerder het tegendeel van een
bezwaar: hoe groter immers die afstand, hoe sterker allicht de neiging tot
overbrugging. Men zou zich zelfs kunnen denken dat de congruentie het eerst is
toegepast in langere bijzinnen, waar die grote afstand de spanning sterk deed
gevoelen, en van zulke zinnen is overgegaan op ondergeschikte zinnen in het
algemeen, ook die waarin onderwerp en persoonsvorm onmiddellijk op elkaar
volgden.
Zoals gezegd: deze ‘syntactische’ voorbarigheid heeft
ook haar [‘fonetische’ kant: voor proleptische inwerking op het
verbindingswoord kwamen vooral in aanmerking díe persoonsvormen, die
door hun klankvorm biezonder markant waren: de meervoudsvorm in het Hollands en
Vlaams, de tweedepersoonsvorm in het oosten.]
Den Haag, December 1938.
C.B. van Haeringen
|
1)Naar streng-fonetische weergeving heb ik
niet gestreefd; alleen leek het mij practisch voor de doffe klinker het teken
ə te gebruiken. Voor wie de dialectcitaten enigszins gelocaliseerd
wil hebben, zij medegedeeld dat zij waargenomen zijn in
Zuid-Holland, in Rotterdam en een ruim gebied
eromheen. Tenzij uitdrukkelijk andere herkomst is aangegeven.
1)Ieder kent zulke gevallen bij minder
geschoolde waarnemers. Met innige overtuiging ontkennen b.v. beschaafde
Nederlanders, dat zij ooit als na een comparatief zeggen: ze menen
stellig dat ze alleen dan gebruiken, omdat hun dit als het juiste en
navolgenswaardige is geleerd. Totdat men ze in de loop van hetzelfde gesprek op
een a( l) s betrapt. Van dergelijke gebrekkige
zelfobservatie zijn de voorbeelden te vermenigvuldigen, waar het
eigenaardigheden geldt die in de reuk staan van minder correct te zijn. Bij
geschoolde waarnemers van eigen dialect geldt dit in mindere mate, maar geheel
vrij zijn zij er ook niet altijd van.
1)Overdieps vermoeden, Onze Taaltuin
III, 209, dat in het - tə van wattə een ouder
relativerend dat zou schuilen, komt voor de vele soortgelijke gevallen
die hier besproken zijn, niet in aanmerking, en het ligt voor de hand dit
wattə hiermee gelijk te stellen. Vgl. vooral dattə en
wattə met de verderop besproken vormverschillen in het
Zuidoostvlaanders van Teirlinck, waar eveneens dat en wat beide
op dezelfde wijze worden gedifferentieerd ( dan en w an), maar
anders als in het Hollands.
Het is wel overbodig te zeggen dat dit tot de afhankelijke zin
beperkte dattə en wattə van geheel anderen aard is als
het emfatische vragend voornaamwoord wattə en het aanwijzende
dattə. Deze laatste staan op één lijn met
dittə en ikke.
1)Dat in dit geval waar niet
‘congrueert’, zoals in het juist genoemde Sliedrechtse voorbeeld,
spreekt van zelf. Waar ovvə is precies te vergelijken b.v. met
astattə of oftattə. Vgl. ook watof in het
laatste van R.'s voorbeelden.
1)Fonetische finesses in de vokaal zijn hier
verwaarloosd.
1)Fonetische finesses in de vokaal zijn hier
verwaarloosd.
1)Fonetische finesses in de vokaal zijn hier
verwaarloosd.
1)Zulke - n-vormen komen nl., o. a.
vóor vokaal, nog geregeld voor: zie b.v. Overdiep Onze Taaltuin
III, 209;
Van Haeringen Tijdschr. XLVI, 4 vlg.
2)Het is mij niet onbekend, dat in veel
plaatsen zulke vormen meersyllabig gemaakt worden: wə, zə
zienə doenə, gānə enz. In dat geval zou allicht
azzə, dattə enz. te wachten zijn. Vgl. daddə bij
zijnə in het boven bldz. 166 aangehaalde lied van de ‘toffe
jongens’.
1)Dit - t( ə) is door Sch.
blijkbaar alleen gegeven wegens as, waarna - st( ə)
niet van - t( ə) is te onderscheiden.
1)Een ander bezwaar dat V.H. aanvoert tegen
de verklaring als wat hij (naar B.V.) noemt ‘fonetische
voorbarigheid’, nl. de vaak grote afstand tussen verbindingswoord en
persoonsvorm, komt straks ter sprake.
Wij moeten echter V. Helten toegeven, dat voor jaestu en
neenstu de verklaring minder goed past, al was het alleen, omdat hierna
vaak geen persoonsvorm volgt. Ook moeten we nadrukkelijk vaststellen dat deze
vormen op éen belangrijk punt buiten het kader vallen van al de
totnogtoe besproken proleptische verschijnselen: jaestu en
neenstu zullen nl. zelden of nooit in de bijzin hebben gestaan. Wellicht
mogen we deze jaes en neens opvatten als ja des (vgl.
Mnl. Wdb. III, 975). Dan zouden dus jaestu, neenstu geheel los
staan van ofstu, datstu enz. Maar wie deze opvatting te gezocht vindt,
omdat een afzonderlijk jaes, neens (zonder geïnclineerd du)
zeer zeldzaam is, zal zich kunnen neerleggen bij een verklaring uit navolging
van geïnverteerde werkwoordsvormen als gaetstu, lietstu e.d.
Daarin is dan echter nog geen reden gelegen om ofstu, datstu, eerstu
over éenzelfde kam te scheren.
|
|