|
|
|
| | | | | |
De meervoudsvorming in het Nederlands
| |
door C.B. van Haeringen
Er zijn in het tegenwoordige Nederlands twee meervoudsuitgangen,
namelijk -en, in een groot deel van het taalgebied als -e
gesproken, en -s. De uitgang -eren in kalveren, kinderen,
waarnaast het oudere kinder vooral in de mond van oostelijke
Nederlanders nog niet onbeschaafd mag heten, kunnen we als helemaal
improductief ter zijde laten.
Hier spreken we dus alleen over -en en -s. Van deze
twee maakt de -s, als we alleen afgaan op de middelnederlandse en latere
overlevering, op ons de indruk van de jongere uitgang, die zich een plaats
naast de oude gaat veroveren. Die indruk is misschien bedrieglijk. Het is heel
goed mogelijk dat de -s al een oud-nederlandse traditie achter zich
heeft
1). Is de
meervoudsuitgang -s dan in strenge zin geen nieuweling, een opkomeling
is het stellig. En we doen de toestand geen geweld aan, als we, sprekende over
de meervoudsvorming in het Nieuw-nederlands, de -en als de meest
gevestigde, de oude uitgang beschouwen, en de -s als de nieuwe, die
geleidelijk terrein wint.
Voor de latere ontwikkeling is het ook van weinig belang dat de
-en op zijn beurt zich uitgebreid heeft ten koste van een vroeger
-e (mnl. dage, blade), en dat er historisch wat voor te zeggen
is, de uitgang als -n aan te duiden, zoals nu nog -n de uitgang
is in pluralia als gegadigden, betrokkenen.
Wij zullen dus enig gezicht op de verhouding tussen -en en
-s krijgen, als we nagaan langs welke wegen de terreinwinst van de
-s behaald is. Of wil men de kwestie zuiver synchronistisch stellen:
-en is de normale uitgang, -s de minder gewone. Slagen we er nu
in, de voorwaarden te omschrijven waaronder de -s optreedt, dan is de
huidige toestand bevredigend gekenschetst.
Bij het waarnemen van de tegenwoordige meervoudsvorming merkt men
evenwel op dat niet overal stabiliteit is, en de waarnemer moet | | | | zich
voortdurend rekenschap geven van de richting waarin de toestand bezig is te
veranderen. Sommige factoren waren al lang werkzaam en werken nog in de
richting van -s. Er ontstaan steeds nieuwe substantieven, waarvoor de
keus tussen de twee mogelijkheden gemaakt moet worden. Zo is er een doorgaande
ontwikkeling, en het is geenszins vreemd dat die blijft gaan langs eenmaal
getraceerde wegen. Het historische en het contemporaine lopen in elkaar
over.
Sedert eeuwen doet op de meervoudskeuze zijn invloed gelden wat ik
zou willen noemen een rhythmische factor. Van de oudste middel-nederlandse
overlevering af is al een afkeer merkbaar van de opeenvolging van twee
onbeklemde syllaben, dat wil bij inheemse woorden gewoonlijk zeggen twee
syllaben met onduidelijke vokaal. Drie van die soort achtereen werden in de
middeleeuwen bepaald niet geduld:
Franck, Mnl. Gr.2 § 21,6. Waren
het er twee, dan werd er veelal een geapocopeerd of gesyncopeerd naardat de
functie van de lettergreep het toeliet of naar gelang van de omringende
consonanten. Het is hier niet de plaats om de vrij gecompliceerde
bijzonderheden te bespreken: het is voldoende dat de tendentie vaststaat. Een
uiting van diezelfde tendentie is waar te nemen in hedendaagse taal, wanneer
participia of adjectiva op -en niet verbogen worden: de gestippelde
lijn tegenover de gebogen lijn, de verstopte goot tegenover de
zinken dakgoot. Zo is het ook te begrijpen dat een meersyllabig
substantief, waarvan de laatste syllabe onbeklemd was, voorkeur had voor het
-s-meervoud boven dat op -en, omdat op die manier de minder
gewenste opeenvolging van twee onbeklemde syllaben werd vermeden.
Deze rhythmische factor zien we al dadelijk aan het werk bij de
oudste -s-meervouden die in middeleeuwse teksten voorkomen, nl. bij
woorden van het type riddere. Bij de discussie over de herkomst van de
meervouds-s
2) is erop gewezen
dat het ‘klankwettige’ meervoud van riddere gelijk was aan
het enkelvoud, en dat daarom behoefte kon ontstaan aan een duidelijker exponent
van het meervoud. Dit zal zeker bij het opkomen van -s hebben meegedaan,
maar de oplossing van de moeilijkheid had evengoed gevonden kunnen worden in
een meervoud op -n. Deze weg is immers ook ingeslagen bij de vrouwelijke
-ô-stammen van het type siele, die hetzelfde bezwaar hadden
van de gelijkluidendheid van singularis en pluralis. Maar in ridderen
e.d. zou dat de rhythmisch ongewenste opeenvolging van twee onbeklemde syllaben
hebben veroorzaakt. Zo werd de pluralis toegankelijk voor de nieuwe uitgang.
Het is de moeite waard op te merken dat de woorden op -are (moordenare,
toverare, woekerare), waarin de voorlaatste syllabe een | | | | krachtig
bij-accent had, aanvankelijk minder geneigd zijn tot de -s-pluralis.
Een andere rubriek van substantiva, die wellicht uit soortgelijk
motief al vroeg de -s als meervoudsuitgang kregen, zijn de
verkleinwoorden op -ken, die temeer in aanmerking kwamen doordat vaak
aan het -ken nog een syllabe zonder klem voorafging, als in
hoefdekens, sinnekens, ketelkens, crudekens, voghelkens, bellekens,
mannekens, zodat een andere pluralisvorming tot een opeenvolging van drie
zwakke syllaben zou geleid hebben. Deze voorbeelden ontleen ik aan
Van Helten, Mnl. Spraakk. 324, maar de
billijkheid gebiedt te erkennen dat daar ook heel wat woorden vermeld staan,
van overigens gelijke rhythmische bouw, die niet -ken, maar -kijn
als suffix hebben, b.v. gebedekijns, maechdekijns, herderkijns, handekijns,
husekijns, voghelkijns e.a. Zou het te gewaagd zijn aan te nemen dat de
-s-pluralis het eerst vaste voet heeft gekregen in de verzwakte vorm op
-ken? En dat de -kijn-vormen met -s-pluralis zich daarnaar
gericht hebben? We moeten trouwens ook bedenken dat het -kijn van
jongere handschriften ten dele traditionele schrijfwijze kan zijn:
Vondel kent blijkens Van Helten, Vondels taal,
§ 80, al helemaal geen verkleinwoord met duidelijke klinker meer. Het
beeld van de middeleeuwen omdraaiende, mogen we, dunkt mij, wel zeggen dat de
oude uitgang -e, waar die voorkomt, steeds achter het suffix
-kijn met volle vokaal staat; een pluralis als *crudekene,
*voghelkene schijnt onbestaanbaar. Ik beschik niet over statistisch
materiaal van beslissende omvang om deze veronderstelling te staven.
Als de koers voor de verkleinwoorden op -ken eenmaal
gewezen is, blijven de later gevormde exemplaren die volgen, al verandert
intussen het suffix van vorm. Zo wordt -s de meervoudsuitgang bij een
numeriek zeer sterke groep van substantiva: de voorliefde van het Nederlands
voor diminutiefformaties is oud en bestaat tot heden onverzwak voort.
Het is allang opgemerkt dat de neiging tot -s-meervoud zich
sterk doet gelden bij woorden op -m, -n, -r en -l, van het type
bezem, bodem, baken, toren, adder, akker, bengel, vogel. Deze
substantiva hebben alle een zodanige klemtoon-verdeling dat het
-s-meervoud te wachten is volgens het rhythmisch principe. Tot die op
-er behoort trouwens de zeer talrijke groep van de nomina agentis op
-er, de tegenwoordige vorm van het oudere -ere-type, dat als punt
van uitgang voor de nieuwe uitgang mag worden beschouwd. En de verkleinwoorden
die wij juist bespraken, vormden in hun oude gestalte een groep op
-en.
Er zijn maar weinig woorden van deze vorm, die geheel
ontoegankelijk zijn gebleven voor de -s. Bij woorden als mazelen,
troebelen zal dat wel hieraan liggen dat ze geen enkelvoud hebben en
daardoor wat | | | | buiten het gewone kader vallen. Engelen, wonderen
en enkele andere komen straks in ander verband ter sprake.
Merkwaardig is echter de vasthoudendheid aan -en bij
woorden als havik en monnik, die toch in klemverdeling niets van
bezem, bodem enz. verschillen, terwijl bovendien monnik behoort
tot de persoonsnamen, een groep die, gelijk wij straks zullen zien, vanouds
voorkeur vertoonde voor de -s. Nog sterker komt met het rhythmische
beginsel in botsing het meervoud leeuweriken met zijn drie zwakke
syllaben achtereen. Ook lemmet met lemmeten bevreemdt, te meer
omdat de bijvorm lemmer het -s-meervoud heeft. Zo'n tegenstelling
leidt tot het vermoeden dat de woorden op nasaal of liquida toch wel iets
bijzonders hebben waardoor ze voor de -s-pluralis zo vatbaar zijn. Ik
kan er niet bevredigend rekenschap van geven. Ligt het hieraan dat in woorden
als bezem, toren, vogel, ridder de tweede syllabe vaak een nasalis of
liquida sonans werd, waarachter een tweede lichte, al mede tot sonantische
-n neigende syllabe rhythmisch wel heel bezwaarlijk werd? En is het
verder voortdringen van de -s in zulke woorden bevorderd doordat in
tweesyllabige woorden met onbeklemde eindsyllabe op een consonant uitgaande,
die consonant in verreweg de meeste gevallen nasaal of liquida is?
Inderdaad valt bij een vluchtig doorzien van een Nederlandse
woordenlijst die meerderheid sterk in het oog. Ook wanneer men de zeer talrijke
infinitieven op -en buiten beschouwing laat. De enige uitzondering van
enige omvang vormen de eveneens talrijke -ing-afleidingen. Als deze
constant de pluralis op -en hebben en houden, moeten we in de eerste
plaats bedenken dat de tegenwoordige vorm uit -inge geapocopeerd is. In
de tijd van deze langere vorm zal op -ing- een merkbaar bijaccent gerust
hebben, inzonderheid wanneer geen beklemde syllabe onmiddellijk voorafging, in
woorden dus van het type tekeninge, wisselinge. Uit middeleeuwse rijmen
blijkt dit voldoende, en nog heden ten dage heeft -ing in
tekening en wisseling zwaarder accent, en parallel daarmee
duidelijker klinker dan in boring en kroning, zodat een rijm van
wisseling(en), huivering(en) op ding(en), ring(en) volkomen
aannemelijk blijft. Als boring, kroning, deining, wijding e.d. eveneens
een duidelijke klinker hebben, wat bij Noordnederlanders wel voorkomt, maar in
de uitspraak van sommige Zuidnederlanders toch sterk in het oor valt, dan zal
spelling pronunciation hieraan niet helemaal vreemd zijn. In het algemeen
hebben bij de meervoudsvorming van de ing-woorden blijkbaar die met
voorafgaande zwakke syllabe, dus behoorlijk beklemtoond -ing, de toon
aangegeven.
En het is misschien niet toevallig dat concreta als batting,
lording en putting, die niet onmiddellijk als
-ing-afleidingen toespreken, een -s-pluralis hebben. Nu en dan
leest en hoort men ook de pluralis voe-
| | | |
rings. In de formele
groep van de -ing-abstracta is ook bokking niet te rangschikken,
en we zouden geneigd kunnen zijn dit woord met batting c.s. op
één lijn te stellen ter verklaring van de pluralis
bokkings, die door het WNT, maar niet door
Beets in de Woordenlijst wordt opgegeven. Maar
andere visnamen van dezelfde formatie, zoals haring, paling, wijting,
hebben consequent -en, een van die feiten zoals we ze bij het beschouwen
van de meervoudsuitgangen wel meer zullen ontmoeten, feiten die ons waarschuwen
voor te vlug trekken van scherpe lijnen. Misschien zouden we bokkings
tegenover haringen kunnen toeschrijven aan de nogal verbreide vorm
bokkem, waarbij de -s-pluralis te wachten is
3).
Tegen de hier aangenomen rhythmische factor bij de meervoudskeuze
mag niet worden aangevoerd de grote vlucht die de z.g. frequentativa op
-elen en -eren genomen hebben, verba als schuifelen,
trappelen, bibberen, huiveren, die zich juist kenmerken door dezelfde
klankgroepering die bij de substantiva vermeden wordt. De gevallen zijn niet
vergelijkbaar: in de eerste plaats was bij deze verba de uitgang -en als
vormend element onmisbaar. Maar bovendien deed de klanksymbolische waarde van
het geheel een overigens minder gewenste opeenvolging ingang vinden. Misschien
mogen we het zelfs zó zien dat het klanksymbolische beter spreekt juist
doordat er uit een oogpunt van klem- en klankgroepering aan de woorden van dit
type iets vreemds en uitzonderlijks is. Dat vreemde en uitzonderlijke zou dan
uit de verte te vergelijken zijn met andere, nog sterker treffende
abnormaliteiten in expressieve taal. Zoals de, overigens aan ons klanksysteem
vreemde, lange consonant in l..ammeling,
ber..oerde jongen, of de abnormale vorm van de syllabe in
interjecties als br, pst, bah (met een vokaal die normaal aan het eind
van een syllabe, althans aan het eind van een woord, niet voorkomt).
Maar het zou geforceerd zijn, te trachten het rhythmisch beginsel
op te werken tot een vaste regel, en alle uitzonderingen op die regel
onschadelijk te maken. Daarvoor zijn er toch te veel gevallen die tegen het
beginsel ingaan. Als arend standvastig arenden houdt, kan men nog
zeggen dat de naam van deze in onze streken onbekende roofvogel een
literatuurwoord is, en buizerd ernaast zetten dat beide uitgangen heeft
(bij Beets zelfs alleen -s). Maar als avonds niet de minste kans
maakt
4), | | | | terwijl
bovendien het voorbeeld van morgens trekt, dan is dat op zijn minst
vreemd.
We moeten volstaan met te constateren dat na een onbeklemtoonde
syllabe zich een neiging tot pluraliseren met -s openbaart, terwijl de
normale uitgang -en zowel in polysyllaba als monosyllaba weinig
concurrentie ondervindt na beklemtoonde syllabe. In het Afrikaans heeft deze
tendentie zodanig doorgewerkt dat men er van een regel kan spreken: ‘Die
-e en die -s is die gewone meervoudsuitgange’, zeggen
Bouman en
Pienaar in hun Afrik. Sprkk.3,
§ 69, ‘en die algemene reël is: e volg na 'n beklemde
lettergreep, -s na 'n swakbeklemde lettergreep’.
Deze verhouding tussen -en en -s is in het
Nederlands ook duidelijk te zien aan sommige bijzonderheden van aan het Frans
ontleende of daarmee gelijk te stellen geleerde en technische grieks-latijnse
woorden. Zo staan bv. de woorden met beklemtoonde -ie aan het eind zoals
democratie, encyclopedie, fantasie, fotografie, genie, ideologie,
trilogie en zovele andere -logieën, tegenover die op
onbeklemtoonde -ie van het type familie, kolonie, natie, olie,
provincie en voorts de talrijke formaties op -atie (inundatie,
malversatie enz.), -itie (conditie, traditie), -utie (constitutie,
restitutie, vendutie), -antie (extravagantie, kwitantie, remonstrantie) en
-entie (referentie, consequentie). Bij de laatste groep, waar het
meervoud op -en de opeenvolging van twee onbeklemtoonde syllaben
oplevert (inundatiën, traditiën) concurreert het meervoud op
-s sterk; als een woord als financiën volkomen immuun
tegenover de neiging tot -s staat, dan zal hieraan wel niet vreemd zijn
dat het een plurale tantum is. Bij de eerste groep, de woorden op beklemtoonde
-ie daarentegen (fantasieën, genieën) komt het
-s-meervoud zo goed als niet voor.
Couperus,
Van oude menschen II (1905), 220, heeft
fotografies als meervoud. Als deze vorm meer is dan gewilde
fransdoenerij van de auteur, dan bewijst zijn kortstondig bestaan, hoe snel
zo'n ‘frans’ meervoud door de algemene tendentie is opgeruimd.
Deze tendentie verklaart ook de tegenstelling
condensa'tors-condensato'ren, mo'tors-moto'ren, radia'tors-radiato'ren,
sec'tors-secto'ren en meer van zulke doubletten.
De franse en geleerde woorden op onbeklemd -er, hypochonder,
kalender, masket, revolver e.d., in klemverdeling gelijk aan de inheemse op
-er, sluiten zich ook in hun meervoudsvorming daarbij aan.
Indische woorden pluraliseren over het algemeen volgens het
rhythmisch beginsel. Monosyllaba als baar, jonk hebben het meervoud op
-en; onder de meersyllabigen staan kabaaien en pagaaien
tegenover bandjirs, pisangs en sarongs. De met -er
genaturaliseerde substantiva als klapper, sjappitouwer sluiten zich ook
in hun meervoud aan bij de nederlandse nomina agentis on -er. | | | |
Al vroeg zien we, ook in woorden waar volgens het rhythmisch
beginsel -en te wachten was, de meervoudsuitgang -s bij
persoonsnamen: knechts en ooms behoren tot de vroegste
voorbeelden. Persoonsnamen van franse herkomst of met een suffix van franse
oorsprong hebben veelal -s, ook wanneer de laatste syllabe beklemtoond
is, zoals die op -eur: coupeur, commandeur, gouverneur, masseur, en op
-ier: juwelier, kanonnier, lancier, portier, tuinier, valkenier
5). Ook de door hun klemtoon niet meer
frans aandoende namen op -aard, waarbij het rhythme veelal eerder
-en zou doen verwachten, hebben zich hierbij aangesloten. In hetzelfde
verband behoren verder de namen, van officiers- en onderofficiersrangen:
korporaals, generaals, majoors,
Beets geeft in de Woordenlijst nog
sergeanten; naar de maatstaf van het tegenwoordig taalgebruik schijnt
dit aannemelijker dan kapiteinen, dat bij
Busken Huet voorkomt. Het woord
officieren5) zelf neemt tegenover de meeste persoonsnamen op
-ier een uitzonderingspositie in.
Ook de romaanse woorden op -oor, als cargadoor, pastoor,
stukadoor, stuwadoor, hebben -s-meervoud wanneer ze persoonsnamen
zijn. Matado(o)r heeft -s en -en, al vermelden de
woordenboeken de laatste uitgang niet. Tenoren is voor mij een meer voor
de hand liggend meervoud dan tenors; het is ook maar half persoonsnaam:
‘tenorstem’ is een tenminste even gangbare betekenis als
‘tenorzanger’. Maar de onbetwistbare voorwerpsnaam
kwispedoor heeft in alle woordenboeken, ook in de citaten van het
WNT, uitsluitend kwispedoren
6).
Het rhythmisch beginsel, gecombineerd met de -s bij
persoonsnamen, wordt wel heel consequent, te consequent, toegepast door
Brill in zijn
Nederlandsche Spraakleer I4, 192, als
hij zegt dat ‘alle vreemde woorden en alle eigennamen die den toon op de
laatste syllabe missen, eene -s in het meervoud krijgen.’ Hij
geeft daarbij als voorbeelden satans, sultans, Josephs, Cherubs, Seraphs,
tamboers (wie tamboer' spreekt, zal ook tamboeren mogelijk
achten), Caesars, Everts, Lessings.
Het is mogelijk dat de persoonsnamen onder invloed gekomen zijn van
het type riddere, dat aanvankelijk ook uit persoonsnamen bestond. Zo is
ongeveer de opvatting van
Van Helten, Mnl. Sprkk. § 251. De | | | | franse namen op -ier en -eur vertoonden zowel in
uiterlijke vorm als in etymologische bouw en betekenis een onmiskenbare
overeenkomst met de nomina agentis op -ere. Portier heeft zelfs
portere als meer inheemse tegenhanger. Voor valkenier vormt
valkenare een brug naar de -ere-woorden. Ook de woorden op
-aard herinneren formantisch aan die op -are, en de pendanten op
-erd hebben zich in de loop van de ontwikkeling tot samenvallens toe
geassocieerd met die op -er (vgl. knoeierd, snoeperd e.d.).
Opmerkelijk is, dat de persoonsnamen op -ling, in latere tijd
een zeer productief type, zonder uitzondering het -en-meervoud hebben:
beroerling, duisterling, lammeling, stommeling. Ter aanvulling op wat
boven over de klemverdeling bij de -ing-abstracta is gezegd, kan nog
dienen dat bij de -ling-afleidingen het zware bijaccent op -ling,
en daarmee in verband de duidelijkheid van de vokaal, buiten twijfel is.
Bij de familienamen op -ing, -ink treffen we meestal de
meervoudsuitgang -s aan, vooral wanneer ze tweesyllabig zijn en daardoor
de rhythmische bouw mede bevorderlijk is aan het -s-meervoud: de
Bannings, de Schultinks. Bij namen als Alberding, Wesseling, zal
door de andere klemverdeling een pluralis Alberdingen, Wesselingen meer
kans maken. Maar ook Banningen, Frijlingen zijn niet ondenkbaar, al was
het alleen maar om duidelijk het onderscheid te doen spreken met
Bannings en Frijlings als singularisvormen. Deze laatste hebben
dwingend -en als meervoudsuitgang: zie even verder.
Er zijn voorts een reeks van gevallen waarin de keus van het
meervoud bepaald wordt door fonetische factoren in de eindsyllabe.
Een consonantisch woordeinde heeft, voorzover ik zie, alleen invloed
wanneer het -s is. Bij zulke woorden zou immers een -s-meervoud
alle onderscheid tussen singularis en pluralis uitwissen. Woorden als
dassen, jassen, messen, vossen, bazen, hazen, dozen, of vreemde woorden
als congres, grimas, kuras e.t.q. zeggen weinig, omdat het ook om de
beklemtoning typische -en-woorden zijn. Iets meer vermeldenswaard zijn
woorden die overigens door hun rhythmische bouw voor een -s-pluralis in
aanmerking zouden komen, zoals bakkes, dreumes, loeres, vonnis, en
vreemdelingen als commissarissen, inventarissen, mandatarissen, notarissen,
polissen, salarissen, sinussen. Ook persoons- en familienamen doen mee:
er zijn twee Bertussen in de familie, een avondje bij de Jollesen, In de
Isingsen, de Reininksen herkent ieder terstond het meervoud van
Isings en Reininks, in tegenstelling met de Bannings en
de Reininks, zoëven vermeld als de meest gebruikelijke meervouden
van Banning en Reinink.
Deze invloed van -s aan het woordeinde spreekt voor ieder
Nederlander zo vanzelf, dat het nauwelijks de moeite van het constateren | | | | waard is. Belangwekkender zijn de bijzonderheden die zich voordoen bij
woorden die in het enkelvoud op een klinker uitgaan. De uitgang -en is
hier soms onmogelijk of althans heel bezwaarlijk, omdat er een hinderlijke
hiaat door zou ontstaan. En aangezien de oude meervoudsvorming met -n
alleen, zoals in mnl. scoen als pluralis van scoe, al vroeg
improductief is geworden, bracht de nieuwe uitgang uitkomst.
In het bijzonder bij woorden op -a is de uitgang -en
wegens de hiatus ondenkbaar. Bekende voorbeelden geeft het door de spelregels
aaneengesmede drietal raas, vlaas en eegaas, maar even duidelijk
spreken veel andere meervouden, waarin de s niet zomaar aan het woord
vastgeschreven wordt, zoals de naam van de letter a, de pa's en
de ma's, en vrouwennamen als Anna's en Ida's.
Het woordeinde op -ee en -eu vormt geen bezwaar tegen
de -en- pluralis (tweeën, zeeën, tropeeën, keuen,
reuen), omdat deze vokalen enigszins difthongisch zijn en de consonantische
naslag van de klinkers een gemakkelijke overgangsklank vormt, zodat van hiaat
geen sprake is. Enigszins anders, maar toch overeenkomstig, is de toestand bij
woorden op -ie en -u. Deze hoge vokalen worden wel in de
singularis vrij zuiver monofthongisch gesproken, zijn trouwens ook korter dan
de zoëven genoemde middenvokalen, maar bij toevoeging van -en vormt
zich een j, resp. w als natuurlijke overgangsklank, als in
drieën, spieën, en de talrijke franse of geleerde woorden op
-ie als democratie, fotografie, ideologie e.d. Voorts komen
individuen, revenuen en residuen voor, maar het
-s-meervoud is bij deze woorden niet onbekend. Bij fichu's en
tissu's is het zelfs het enige: bij zulke woorden wordt de
-s-uitgang gedistingeerder geacht wegens hun nog duidelijke vreemde,
franse, cachet: straks komen er meer zulke ter sprake, alsook het volkomen
ingeburgerde paraplu, dat niettegenstaande die inburgering zo goed als
alleen paraplu's heeft.
Parallel met de middenvokaal -ee, zo zou men verwachten,
loopt de achtermiddenvokaal -o, die evenzeer licht difthongisch
gesproken wordt. Toch weet ik geen ander -en-meervoud te noemen dan
protozoën; licht kent de biologie meer zulke wetenschappelijke
termen. En dat heeft nog het bezwaar dat de singularis wat onwaarschijnlijk
aandoet. Het meer alledaagse vlo-vlooien toont in zijn onregelmatigheid,
dat de -en-uitgang in de nominale flexie na -o bezwaarlijk
gevonden wordt. Aan namen als Exloërmond en
Grolloërstraat kan men horen dat de hiatus tussen o en
ə zich bij o op precies analoge wijze laat overbruggen als
die tussen ee en ə, zelfs wanneer de o geen klemtoon
van betekenis draagt. Evenzo aan de werkwoorden autoën,
kanoën, maar het meervoud van auto, kano luidt toch nooit
anders dan auto's, kano's, al werkt dan de rythmische bouw van dit
woord, zoals we boven zagen, het -s-meervoud in de hand. Geaccentueerd
is de slot-o in | | | |
zozo's, dat trouwens een persoonsnaam
is, en in de naar mijn gevoel precieuze, uitspraak hobó's. De
vrij talrijke woorden van Italiaanse herkomst, zoals saldo, torso, en
het daarmee op één lijn staande salvo, hebben altijd
-o's, voorzover ze niet op z'n italiaans gepluraliseerd worden. Maar ook
hier bevordert de beklemtoning de -s. Misschien kan men het bevreemdende
verschil in gedrag tussen de -o- en de -ee- woorden daaruit
verklaren dat het aantal substantieven op beklemtoonde -o veel geringer
is dan dat op beklemtoonde -ee, zodat het -en- meervoud hier
geringere kans kreeg door de rhythmische bouw.
Zo zou het dan ook moeten zijn met de woorden op -oe, die
toch ten aanzien van mogelijk hiaat in dezelfde gemakkelijke omstandigheden
verkeren als die op de hoge tegenhangers -ie en -u. Hier neemt
evenwel koe, een van de weinige deugdelijke, inheemse woorden met
beklemtoonde oe, met koeien dezelfde afwijzende houding tegen
-en aan als vlo bij de -o-woorden. Tegen
koeén zou a priori even weinig bezwaar zijn als tegen de
roekedekoeënde duiven van
Herman Gorter, een vorm die in zuidnederlandse dialecten
ook niet ongewoon is blijkens het WNT s.v. roekoeken. En als
een toeë deur of een moeë trek wat neologistisch
gedurfd aandoen, dan is dat zeker niet alleen om fonetische redenen. Intussen
is moe's het enig denkbare meervoud van moe ‘moeder’,
al wordt hier de -s ruimschoots gesteund door ma's en
moeders, en door het feit dat het woord een persoonsnaam is. Met
onbeklemtoonde -oe: opoes, Hindoes, Zoeloes, baboes. En wie
ratjetoe, met bijaccent op -oe, pluraliseren wil, zal stellig
ratjetoes vormen.
Afzonderlijke bespreking is gewenst van de woorden waarin, bij een
oorspronkelijk woordeinde op -de, de d gesyncopeerd is met
syllabeverlies (zie Ts 46, 1 vlgg.): gevallen als la, sla, zo, roe,
slee, wei.
Die op difthong en difthongachtige klank, zoals wei, slee
leveren geen moeilijkheid op: zonder hiatusbezwaren krijgen ze -en.
Alleen is een geschreven d-loze vorm in het meervoud soms nog wat
gewaagd: groene weien zal vreemd aandoen, sleeën minder
bezwaar ontmoeten. Bij een woord als vouw bestaan in 't geheel geen
scrupules meer, omdat er geen vorm, ook geen geschreven vorm, met d meer
bestaat. Die op -a en -oe komen in aanmerking om de algemene
tendentie tot -s- meervoud te volgen, en doen dat ook, wanneer geen
traditioneel meervoud met d zich verzet. Wie het woord sla in het
meervoud wilde gebruiken zou zonder weerstand van smakelijke sla's
kunnen spreken
7). Ook
het al genoemde vla is voldoende vrij van het oudere vlade, om | | | | de gewone meervoudsformatie van woorden op -a te krijgen;
vlaas is dan ook zo vast geworden dat
De Vries en
Te Winkel er het inheemse etiket aan hebben durven geven
door de schrijfwijze met twee a's te sanctionneren, evenals bij
eega, waar de langere vorm althans in het simplex gade nog had
kunnen doen aarzelen. Daarentegen is la twijfelachtig. Er zijn twee
diepe la's in het bureau ondervindt nog sterke concurrentie van
laden, om van het vulgair geworden laaien te zwijgen. Kade
heeft alleen al om zijn hypercorrecte, dus in oorsprong precieuze, d
kans om de enige beschaafde vorm te worden. Wie ka durft gebruiken, zal
allicht kaden
8) als pluralis
daarbij maken, en kaaien heeft in Noord-Nederland, om
dezelfde reden als laaien, een heel zwakke positie. De koperen of
bronzen of houten staaf die een traploper of een gordijn in de vorm houdt, heet
roe, nooit roede, maar niemand zal nog spreken van koperen
roes, maar roeden als pluralis gebruiken, met verwerping van de
gedeprecieerde vorm roeien. Zo = ‘graszode’ leeft als
enkelvoud in het taalgevoel van de beschaafde stedeling nog te weinig om
bespiegelingen over het meervoud te houden: zoden is de gewone vorm. Het
andere zo ‘zoodje vis; rommel’ heeft, voorzover het niet de
diminutiefvorm heeft, royaal het meervoud zooien; hier is die familiare
vorm voor zo'n familiaar begrip zelfs in het enkelvoud zooi
doorgedrongen, welk enkelvoud dan op zijn beurt het meervoud zooien als
normaal doet voorkomen.
Ook wanneer de d aan het einde van het woord staat, kan de
pluralisvorming tot complicaties aanleiding geven. Kleren is èn
door de d-syncope èn door de ongewone meervoudsuitgang een
plurale tantum geworden; het is geïsoleerd geraakt van kleed, dat
in gewone taal niet meer ‘kledingstuk’ betekent, en kleden
als meervoud heeft. En als iemand kleed = ‘kledingstuk’ nog
eens min of meer archaïstisch gebruikte, b.v. schreef of sprak van een
lang, statig kleed, dan zou hij, als hij dat pluraliseren wilde, wel in de
stijl moeten blijven en tot het meervoud klederen zijn toevlucht nemen,
na geaarzeld te hebben over de mogelijkheid van kleden, maar zonder
aarzelen lange, statige kleren te hebben verworpen. Kwaaie en
goeie zijn wel aanvaard, zij het ook nog niet in geschrifte, als
verbogen vormen van de adjectieven kwaad en goed, maar bij het
gesubstantiveerde kwaad (trouwens een woord van hogere stijl) past
alleen (van twee) kwaden (het beste kiezen). Hoge hoeien als meervoud
van hoed is volkomen onmogelijk van vulgariteit, maar bloeien van
kinderen heeft zich, aanvankelijk als schertsend bedoelde gemeenzaamheid,
weten omhoog te werken, en als ik me niet bedrieg, is het schertsende er
langzamerhand af, zozeer dat | | | | velen er geen meervoud van bloed
meer in herkennen, maar het met bloeien verbinden, zodat de betekenis
gaat worden ‘flinke, gezonde, bloeiende kinderen’.
Bijzondere aandacht verdient de toeneming van het -s-meervoud
bij woorden die op -ə, geschreven -e, uitgaan. De voor de
hand liggende verklaring, te vinden o.a. bij
Schönfeld, Hist. Gr.3 116,
Overdiep, Stil. Gr. 249, is deze dat het meervoud
niet van het enkelvoud te onderscheiden is bij sprekers die in woorden als
kiezen, gieten enz. de slot-n apocoperen. Zo komen meervouden op
als bendes, boetes, gemeentes e.d. Zulke pluralia horen dus thuis in het
gebied dat de -n apocopeert, en aangezien in dat gebied de centra van de
beschaafde omgangstaal liggen, worden ze hoe langer hoe meer
algemeen-nederlands. In de niet-apocoperende dialecten geldt het bezwaar van
het ongemarkeerde meervoud niet, en zo staan door bendn, boetn, gemeentn
enz. steviger, maar ook daar wint de -s veld, in de noord-oostelijke
provincies hier en daar misschien met steun van een daar voorkomende neiging
tot -s-meervoud ook bij substantiva die daarvoor in de algemene taal
niet in aanmerking komen, zoals arms, diers.
De geschreven taal houdt zich nog tamelijk afwijzend tegenover de
-s-meervouden, en vindt daarbij licht steun in het spreekgebruik van
niet-apocoperende Nederlanders, wier bendn en boetn nog evenmin
als de -n in verbale vormen als kiezn en gietn tot
vulgarisme zijn afgezakt, maar als provinciale nuancering worden aanvaard.
Brill keurt in zijn Nederl. Spraakleer
I4, 187, lentes en begeertes nog uitdrukkelijk af. Het
WNT noemt gewoontens (op -ens kom
ik nader terug) als gebruikelijk in de 18e eeuw ‘en tegenwoordig in de
volkstaal’. Evenzo bediendes ‘in de volkstaal, althans die
van Holland’. Dat odium van volkstaal-achtigheid zal ook de
oorzaak zijn dat het veel gebruikte
Handwoordenboek van
Koenen-Endepols-Heeroma nog zo
zelden het -s-meervoud staaft. De 20e druk van 1942 vermeldt bij woorden
als bediende, belofte, bende, boete, bode, halte, holte, gemeente, gewoonte,
orde, rede, winde, ziekte en veel andere, die men in beschaafd
‘hollands’ Nederlands zelden anders dan met -s hoort
pluraliseren, uitsluitend het -n-meervoud. Ook bij franse en daarmee
gelijk te stellen woorden, en daaronder vrij wat jonge ontleningen waarbij het
-s-meervoud uit franse traditie geenszins zou misstaan (zie bldz. 19
vlg), geeft het Handwoordenboek vaak alleen -n: legende, lijfrente,
maskerade, palissade, promesse, sinecure (hier geeft Verschure ook al
-s), sirene, succursale, tube. Pauze was in de 18e druk nog uitsluitend
-n-woord, maar heeft in de 20e ook -s gekregen; cassette
heeft beide meervouden, maar de vernieuwing is niet doorgedrongen tot
schrijf-cassette, dat nog alleen -n heeft. Evenzo is
schaalcollecte met alleen -n nog achtergebleven bij het simplex
collecte, waarbij het -s-meervoud | | | | al wordt erkend.
Beets gaf in 1914 van kazerne nog uitsluitend
kazernen, daarentegen aanvaardde hij al methodes naast
methoden. Ook bij zulke vreemde en bastaardwoorden geldt blijkbaar het
-s-meervoud als populairder en minder verzorgd. In een onderwijskundige
commissie had een rapporteur geschreven schooltypes; op voorstel van de
voorzitter kwam in het gedrukte rapport schooltypen te staan, omdat dat
beter in de ambtelijke omgeving paste. Eenstemmig zijn alle woordenboeken bij
principes. Maar wie in het enkelvoud princiep aandurft, zoals in
het Zuiden nogal voorkomt, die pluraliseert princiepen, dat hier juist
de meer verinheemste vorm representeert. Nomades komt niet voor, omdat
nomaden een plurale tantum is; de uitgang -ade is geenszins een
beletsel: balustrades en palissades zijn gewoon.
Het meervoud paraplu's, dat ik boven bevreemdend noemde, zou
wellicht kunnen uitgegaan zijn van het enkelvoud parapluie, viersyllabig
gesproken met ə aan het eind. Wel komt onder de citaten van het
WNT juist van deze vorm een paar maal het meervoud parapluien
voor, maar dit kan de deftige (schrijf)vorm zijn, die een populairder
(gesproken) parapluies naast zich had. Aannemelijker nog is zo'n verloop
van zaken bij het inheemse bladzijs, dat men als gesproken meervoud vaak
hoort, en dat ik gedrukt als bladzij's ontmoette bij
Jc. Smit,
Bijdrage tot Potgieters stijl, passim. Het
s-meervoud zal in eerste instantie gevormd zijn bij
bladzijde.
In het Drechterlands, zo deelt
Karsten,
Dial. v. Drechterland I, § 103 mee,
‘hebben de woorden met het suffix -te, die thans in het A. B. de
uitgang -n hebben, bij ouderwetse mensen nog een -s.’ Dat
geeft de indruk alsof de -s in het Drechterlands op terugtocht is, en we
vragen ons af hoe dan moderne Drechterlanders gemeente en
gewoonte
9) pluraliseren, daar het
Drechterlands geen -n kent, maar alleen, volgens § 101, -e,
-ere en -s als meervoudsuitgangen heeft. Zeker is dat het
‘A.B.’ de andere koers volgt. En de -s is allang niet meer
een meervoudsuitgang van de ‘spreektaal’. Ook in het schrift gaat
de natuur steeds meer boven de deftige leer.
H.Y.D. Lammers, Weekblad v. gymn. en middelb.
onderwijs, 37e jrg. blz. 174, laat rectorale redes drukken,
Van Wijk in Geert Grote, blz. 6 voorredes.
Daarentegen heeft
Bordewijk, De laatste eer, nog grafreden;
Brom, Nietzsche's Antichrist, 148 lofreden,
en
de Romein's Erflaters IV, 48 gedenkreden.
Het woord rede was trouwens al lang een crux wat zijn meervoud betreft:
leerrede kon gevoeglijk leerredenen hebben, maar het simplex
redenen zou stellig als het meervoud van reden opgevat worden.
Daarom leraarde men wel dat bij rede ‘oratie’
redevoeringen als plu- | | | | ralis diende gebruikt te worden. Men
ziet, de pluralis redes is in meer dan een opzicht een uitkomst.
Begeertes naar kleine wijsheden is de titel van één van
Couperus'
Korte Arabesken.
A.C. Bouman,
Bundel-De Vooys, 34, schrijft vereistes
10). In kopij
van een neerlandicus voor een vaktijdschrift vond ik gemiddeldes.
Van Ginneken,
Onze Taaltuin IX, 87 heeft
literatuuropgaves. En bodes, trouwens als mannelijke persoonsnaam
ook al tot -s geneigd, komt al voor in de
Camera Obscura, zij het ook dat het daar aan Kees de
schippersknecht-ex-huisknecht in de mond wordt gelegd. Ik durf vermoeden dat
kerkbode, waarvoor ik in geen woordenboek een meervoud vind, standvastig
kerkbodes heeft. Het woord zege ‘overwinning’ heeft
in de gangbare woordenboeken geen meervoud. Maar Het Vaderland,
avondblad van 20 November 1942, schreef over de biljartsuccessen van
Jan Dommering: ‘Die jaren waren de zeges niet
van de lucht’. Een pluralis zegen zou hier aanleiding gegeven
hebben tot twijfel of misverstand.
Een steeds groeiende rubriek van woorden op -e wordt gevormd
door de vervrouwelijkte persoonsnamen naast mannelijke zonder die -e
11):
echtgenote, leerlinge, erfgename, Heilsoldate, ingelande, passagiere,
dieve (Multatuli, Vorstenschool, 1e bedrijf). Vooral vreemde woorden
op -ant, -ent en -ist worden hoe langer hoe minder
‘gemeenslachtig’, en eisen hoe langer hoe dwingender hun vrouwelijk
pendant op -ante, -ente, -iste. Inzonderheid bij de -ist-woorden
is de differentiatie ver doorgewerkt, bij telefonist kan men zich
ternauwernood een vrouw meer denken, bij typist helemaal niet meer. En
een lokettiste heeft voorzover ik weet geen mannelijke tegenhanger.
Opmerkelijk is nu dat de -iste-vorm ook in de pluralis zich van de
masculiene -ist gaat onderscheiden. Een zo gezaghebbend lichaam als het
Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen heeft èn het sexuele
distinctief aan -iste, èn de -s-pluralis daarbij, erkend
in een advertentie van Mei 1946, waarin het ‘stenotypistes en
typisten’ vraagt. Het is duidelijk, dat met de
‘stenotypistes’, meervoud van stenotypiste, jongedames zijn
bedoeld, terwijl de ‘typisten’ of manspersonen moeten of wel
van beiderlei kunne mogen zijn.
Het is opmerkelijk, dat gesubstantiveerde adjectiva en deelwoorden
de neiging tot -s niet vertonen
12), hoewel het veelal persoonsnamen zijn, zodat de kansen voor -s
hier gunstig waren. Blijkbaar worden zulke | | | | woorden nog te veel als
gewone adjectiva gevoeld, om ze de -s te geven, die aan de adjectivische
flexie vreemd is. Bedeelde, belanghebbende, betrokkene, blinde, dode,
geestelijke, geleerde, gewonde, lange, lijfeigene, neringdoende, onbehuisde,
ondergeschikte, schele, slechthorende, uitgewekene, verdachte, verminkte,
vermiste, volwassene, vrijgestelde en dergelijke woorden kunnen we ons
voorlopig niet met -s gepluraliseerd voorstellen. Het Afrikaans is in
dezen heel wat verder gegaan: blankes, geleerdes, taalkundiges en
dergelijke meervouden ontmoeten daar geen bezwaar.
Het nederlands taalgebruik luistert nog nauwer. Het boven al
genoemde bediende kan niet als verbogen vorm van het deelwoord
bediend worden opgevat, en heeft zonder bezwaar bediendes. Met
beambte staat de zaak niet anders; wanneer beambtes nog wat
gedurfd is, dan ligt die aarzeling wellicht aan de ‘deftigheid’ van
het woord. Beklaagde kan bij de nu gewone betekenis van beklagen
niet meer als participium daarvan gelden. Zo wordt beklaagdes
langzamerhand mogelijk. Gedaagdes daarentegen, van een normaal
participium bij dagen, is voorlopig ondenkbaar. Taaie in de zin
van ‘borrel’ veronderstelt een zo ongewone betekenis van
taai, dat drie taaies heel wel kan voorkomen. Ook het deftige
gecommitteerde is wel zozeer losgeraakt van het thans weinig meer
gebruikelijke committeren ‘opdracht verlenen’
13), dat ik een meervoud
gecommitteerdes heb kunnen horen uit de waardige mond van iemand die
zelf de functie van regeringsgecommitleerde bij gymnasiale eindexamens
vervulde; het was nog wel een ‘eerste gecommitteerde’. Merkwaardig
is het in de schooltaal, althans in de gesproken schooltaal, zeer gangbare
onvoldoendes. Hoewel de betekenis geenszins afwijkt van het gewone
adjectief in onvoldoend cijfer, bewijst het substantief
onvoldoende zijn afdoende isolering daarvan doordat het een
de-woord geworden is
14). Zo is het een ontwijfelachtig
substantief en wordt met -s gepluraliseerd. In gezegde ‘wat
iemand zegt, wat men vaak zegt’ heeft misschien juist het
dat-genus meegewerkt tot het meervoud gezegdes; in de bet.
‘praedicaat’ is het ook semantisch los van het participium
gezegd, en wordt bv. in de
Nieuwe Nederlandse Spraakkunst van
Erné en Jc. Smit (Deel I, 1946), geregeld met
-s gepluraliseerd.
Wanneer zulke gesubstantiveerde adjectieven op -e
familienamen zijn, | | | | worden ze niet meer als adjectiva beseft en
krijgen altijd -s, misschien met medewerking van de voorkeur voor die
uitgang bij persoonsnamen. Het niet zelden voorafgaande lidwoord in namen als
De Jonge, De Lange, De Zoete, is trouwens evenmin meer in actieve
dienst, maar is een onmisbaar bestanddeel van de naam gaan vormen, zoals
duidelijk blijkt wanneer in het meervoud het gewoon functionnerende lidwoord er
nog eens voor geplaatst wordt: de De Jonge's, de De Zoete's.
Een oud geval van substantivering is jongen. In het grootste
deel van het taalgebied leeft mnl. jonghe voort (Supplement op
Franck-Van Wijk i.v. jongen; vgl. ook
Kruisinga, Taal en Leven VI, 80); ook de
dialecten die de -n in woorden op -en niet apocoperen, hebben
jonge. In hoeverre de schrijfvorm jongen aan een gesproken
werkelijkheid beantwoordt, kunnen we hier buiten beschouwing laten: volgens
Blancquaert en
Mevr. Tavern-Vereecken,
Feestbundel Van de Wijer II, 18, is de vorm met
-n levend in noordelijk Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen
15). Voor het grootste deel van Noord-Nederland blijft daarmee de
toestand deze dat het substantief jonge een meervoud jonges
heeft. Of misschien het ongewone van het schriftbeeld jonges de spelling
jongens bevorderd heeft, en daarmee ook de - in het overgrote deel van
Noord-Nederland papieren - singularis jongen?
Die veronderstelling is niet zo gezocht als ze op het eerste gezicht
lijkt. Het is nl. merkwaardig dat de oudste schriftelijke getuigenissen van het
-s-meervoud bij woorden op -e altijd de schrijfwijze -ens
vertonen. Het alleroudste voorbeeld, dat ik aan
Schönfeld Hist. Gr.3, 115 te
danken heb, is wellicht het in het MnlW IX, 1875 vermelde weddens
als meervoud van wedde. Het citaat is ontleend aan de Oudste
Stadsrekeningen van Dordrecht, uitg.
Ch.M. Dozy. Aan een drukfout in de uitgave zullen we wel
niet mogen denken. Wie erg wantrouwig wil zijn, zou de -s van
weddens desnoods kunnen toeschrijven aan nawerking, bij de schrijver van
de stadsrekening, van de -s in het naburige tresoriers: er staat
nl. den tresoriers haer weddens. Maar zo laat zich niet wegredeneren het
webbens uit een 16e-eeuwse rekening van Gouda (MnlW
IX, 1841). En deze -ens-spellingen treft men tot aan het eind van de 18e
eeuw aan. In 1792 b.v. nog gedoentens (Hand. en Levensber. Mij. Ned.
Lettk. 1941/42, bldz. 5);
A.R. Falck schrijft | | | | in een brief van 25 Juni
1798 boetens, in een van 11 Mei 1800 ziektens. Het WNT
Suppl. 246 vermeldt een meervoud aardens bij aarde van 1794.
Misschien mogen we wel zeggen dat de -ens-spellingen zo lang voorkomen
totdat ze door de officiële grammatica in de ban gedaan zijn. Als
Multatuli in
Woutertje Pieterse nog ongerijmdhedens
gebruikt, dan is dat wel opzettelijk om het komische effect.
Deze pluralia zullen wel van dezelfde aard zijn als die we voor
latere tijd constateerden bij substantiva op -e. Dat is ook de mening
van
Opprel, Dialect van Oud-Beierland § 51, waar
hij van gedeeltens, weddens, boodens uit de Privilegiën van
Dordrecht (16e eeuw) zonder aarzelen aanneemt dat die woorden toen als
gedeeltes enz. gesproken zijn.
Het spellingbeeld geeft echter de indruk alsof de twee
meervouds-uitgangen -en plus -s tot één zijn
versmolten. Het geval zou dan te vergelijken zijn met -eren of
-ers in kinderen en kinders. Zo beoordeelt
Schönfeld, Hist. Gr.3 115 het
inderdaad, maar hij helt toch tot het standpunt van Opprel over, als hij
ibid. 116 zegt dat ‘het uitgangspunt vormden substantieven op
-e, waar de -s bij zwakke uitspraak of apocope van de -n
het meervoud verduidelijkte’.
Schönfelds weifeling om voor vroegere eeuwen reeds het proces
te aanvaarden dat de 19e en 20e eeuw ons onmiskenbaar te zien geeft, zal wel
zijn oorzaak vinden in vormen die zich op het eerste gezicht wel heel
bedrieglijk als ‘dubbele’ meervouden voordoen, zoals holl,
kippes, meervoud van kip
16). Maar ook zulke gevallen maken het niet nodig om
in het -ens van vroeger eeuwen een werkelijk dubbel meervoud aan te
nemen. Kippes e.d. zullen hun voorbeeld ontleend hebben aan de
-s-pluralia van woorden die vroeger op -e uitgingen, zoals de
door Opprel genoemde Beierlandse beddes, muddes, mugges, vlagges. Na de
apocope van de -e kwam naast een enkelvoud bed, mud een meervoud
beddes, muddes te staan, en deze verhouding kon aanleiding geven tot een
kippes bij kip.
De schrijfwijze gedeeltens, gewoontens, ziektens e.d. zal dan
zo te verklaren zijn, dat men gedeeltes, gewoontes, ziektes een al te
vreemde spelling vond, en het werkelijk gehoorde meervoud niet beter wist voor
te stellen dan door een verandering in het traditionele gedeelten,
waarvan men zich toch niet goed kon of durfde losmaken. Dit wordt te
begrijpelijker juist als men aanneemt dat een geschreven gedeelten,
ziekten, of om buiten de meervoudsvorming te gaan, een geschreven | | | |
nemen, geven normaal als gedeelte, ziekte, neme, geve
gesproken werd. Want dit feit bracht er nog niet toe om ook neme en
geve, laat staan gedeelte en ziekte als meervoud te
schrijven. Het is bekend hoe we de bewijzen in geschrifte voor de apocope van
de -n in -en met een lantaarntje moeten zoeken. Nog uit het proza
van na 1880 immers, dat in het weergeven van gemeenzame taal heel wat vrijer te
werk gaat dan vroeger, zou een vreemdeling de indruk krijgen, dat een gesproken
neme, geve hoogst onbeschaafd is en alleen voorkomt bij Nederlanders die
kaik of gait zeggen. Wanneer een tijd van realisme nog zo
scrupuleus staat tegenover de overgeleverde spelling van woorden op -en,
dan kan men dit in de 18e eeuw en vroeger in nog sterkere mate verwachten. Ten
slotte ligt de schrijfwijze -ens in hetzelfde vlak als -ens in
degens, dekens, lakens, molens, morgens, veulens en meer zulke pluralia
van substantiva op -en. Ook hier was de fonetische werkelijkheid in de
apocoperende streken moləs, morgəs, enz., maar de schrijfwijze
met -ens bleef vast.
Bij het -s-meervoud van woorden op -e is al enige
malen ter sprake gekomen een factor, die zich in latere tijd doet gelden bij de
keus tussen -s en -en, en die ik zou willen noemen de
statigheidsnuancering. Het verschil in sfeer tussen vogelen en
vogels, vleugelen en vleugels, tempelen en tempels is
allang geconstateerd: een sfeerverschil dat licht uitgroeit tot een
betekenisverschil als in letteren naast letters, vaderen naast
vaders, en de oude bekenden uit de spraakkunsten hemelen-hemels
en heidenen-heidens (van heidens moet ik bekennen dat het mij
alleen uit spraakkunsten bekend is). Voor onze ogen zien we het
betekenisverschil ontstaan tussen raadselen en raadsels, tekenen
en tekens. In het algemeen bevordert deze nuancering het
‘overdrachtelijk’ gebruik met -en tegenover het
‘eigenlijk’ met -s. Het overdrachtelijke immers hoort meer
thuis in wat men de hogere stijl pleegt te noemen.
Een dergelijk rangverschil is er tussen ernstig-verheven enerzijds
en familiaar-schertsend anderzijds. Dit spiegelt zich aardig af aan het woord
apostel waarbij, zoals het
WNT i.v. opmerkt, het meervoud op -en
past, wanneer het woord met ernst of met eerbied gebruikt wordt, en
‘apostels wanneer het in scherts of met minachting wordt
toegepast’, b.v. een huis vol kleine apostels, lastige apostels.
Hoe scherp we op dat verschil reageren, werd mij eens bewust, toen ik bij een
gymnasiaal eindexamen een candidaat van de twaalf apostels uit het
Nieuwe Testament hoorde spreken. Maar die gymnasiast was een Duitse jongen van
Joodsen bloede, die heel aardig Nederlands had geleerd, en blijkbaar ook het
juiste gevoel voor het -s-meervoud bij woorden op -el had
verworven, maar aan wie deze nuancering was ontgaan.
Soms komt bij woorden op -el, -en, -er, van het formele type
dus dat | | | | sterke neiging tot het -s-meervoud heeft, die uitgang
in 't geheel niet voor, zoals bij engelen, Christenen, lauweren,
wonderen. Deze afwezigheid van het -s-meervoud mogen we zeker (met
Brill,
Nederlandsche Spraakleer4, 188)
verklaren uit de verheven of gewijde sfeer waartoe die woorden behoren.
Als beide meervouden voorkomen, is intussen de -en-pluralis
niet altijd de oudste: er is integendeel hier en daar een verdeftiging van
-s tot -en in latere tijd te constateren. Zo is het opmerkelijk
dat
Groen van Prinsterer het veel door hem gebruikte woord
beginsel bijna altijd met beginsels pluraliseert, terwijl nu
beginselen het enig mogelijke is. Bij dit woord, dat het meest voorkomt
in ernstig betogend verband, heeft de neiging tot statigheid de overwinning
behaald over de rhythmische tendentie, die beginsels bevorderde. Bij een
meer zakelijk technisch woord als vruchtbeginsel kon zich het
-s-meervoud handhaven.
Inzonderheid bij persoonsnamen werkt het voornamere
-en-meervoud aantrekkelijk. De Amsterdamse Pakhuismeesteren (van de
Thee) zijn door die meervoudsvorm alleen al beschermd tegen mogelijke
vereenzelviging met eenvoudige magazijnchefs. Heel of half bewuste
standsijdelheid kan bij deze groep van substantieven, die al vroeg neiging tot
het -s-meervoud vertoonden, leiden tot opzettelijk prefereren of
hernieuwen van het -en-meervoud. Buiten onderwijskringen is, of was tot
voor kort, het meervoud leraars ten minste even gewoon als
molenaars of leugenaars. In het
WNT vindt men trouwens oude voorbeelden genoeg
van leraars, zelfs uit bijbelvertalingen. Maar in leraarskringen wordt
stelselmatig het meervoud leraren gepropageerd. En een
hoogleraar komt door zijn ‘standing’ al
helemaal niet meer voor het s-meervoud in aanmerking. Een gewoon mens
zal eigenaars het gewone meervoud van eigenaar achten, maar de
Bond van Huiseigenaren noemt zich zo en niet anders.
Ook bij persoonsnamen van franse oorsprong merken we nu en dan deze
jongere voornamigheidsvoorkeur op. De persoonsnamen op -eur hebben
veelal -s, zoals we zagen. Maar wie assuradeuren naast
assuradeurs of directeuren naast directeurs plaatst, voelt
onmiddellijk het rangverschil. In debiteuren en crediteuren is
het -en-meervoud het enige gebleven of geworden door het gebruik in de
wat conventioneel-ouderwetse handelstaal. Misschien heeft ook het meervoud
officieren aan deze deftigheidsdifferentiëring zijn
uitzonderingspositie te danken tegenover fouriers en grenadiers
of pontonniers, een uitzonderingspositie te opmerkelijker omdat de namen
van officiersrangen, zoals kapitein, majoor, kolonel, generaal alle met
-s gepluraliseerd worden.
Omgekeerd kan het voorkomen, vooral bij jonge frans-romaanse
ontleningen dat de -s als de minder inheemse, de ongewone, als de
interessant-moderne wordt gewaardeerd. De aansluiting bij het - | | | | overigens in hoofdzaak grafische - meervoud op -s in het frans
heeft hierbij stellig invloed. Misschien hoort tot die gevallen het boven van
Couperus aangehaalde meervoud fotografies, tot
affectatie overdreven. Zo heeft lorgnets iets gedistingeerds tegenover
lorgnetten, en lazaretten moet haast burgerlijk heten tegenover
lazarets. Kinderen of eenvoudige mensen zullen het in hoofdzaak zijn,
die het wagen met lampionnen tegenover lampions of
ballonnen tegenover ballons. En de betreurenswaardige
populariteit van de bonnen was nodig om dit meervoud algemeen te doen
aanvaarden in de distributieperiode van 1940 tot...., terwijl tijdens de vorige
wereldoorlog de ambtelijke taal nog alleen bons kende
17). Buiten de huishoudelijke sfeer handhaaft dat
meervoud zich nog in schatkistbons en zilverbons. Merkwaardig is
dat bij roman, dat toch al een lange geschiedenis in het Nederlands
achter zich heeft, nog geen meervoud romannen is kunnen opkomen.
Het gedistingeerde van de uitgang -s heeft die uitgang doen
prefereren bij heel wat jonge franse ontleningen, die hun franse accent op de
eindsyllabe behouden hebben en zodoende volgens het rhythmisch beginsel voor
een -en-meervoud in aanmerking zouden komen, zoals cordon, hotel,
odeur, parfum, ponton, salon, station e.t.q. De spelling zal bij deze
vreemde woorden ook wel van invloed zijn geweest: hoe franser de verhouding
tussen geschreven en gesproken vorm, hoe vaster de -s. Soms werken
echter ook nederlandse tendenties mee, b.v. bij ragout, bureau, cadeau
en carreau: we hebben boven gezien dat een woordeinde op -oe en
-o zich in het algemeen verzet tegen het -en-meervoud. En de
grote cacao- en chocoladefabriek, die het aandurfde om carreau
orthografisch zeer radikaal te verinheemsen tot karro, heeft dan ook het
meervoud karro's voor die lekkernij behouden. Naar schrijfwijze en naar
betekenis staat hier dichtbij het woord biskwie, van welk volkomen
ontraditioneel Kollewijniaans spellingbeeld naar ik meen de firma Verkade de
eer heeft, maar dat niettegenstaande pluralia als drieën, knieën,
genealogieën nog niet geleid heeft tot een meervoud
biskwieën: de franse schrijfwijze biscuit zal remmend
gewerkt hebben. Als daarentegen bidet met zijn franse uitspraak het
-s-meervoud heeft tegenover baret en corset met
-en, dan is dat niet alleen aan de franse verhouding tussen schrijfwijze
en uitspraak te danken: tegen het -en-meervoud bij bidet zou, ook
wanneer een woord op è echt nederlands kon zijn, het bezwaar van
het hiaat zich laten gelden. Maar als dineeën of
soupeeën geen kans maken, dan speelt daarin de franse spelling
wel | | | | mee. Dat zal ook wel gelden voor woorden als boudoir,
urinoir, souspied, sousterrain (tegenover terrein, terreinen),
souvenir enz. Misschien heeft de geschreven accent aigu ook het
-s-meervoud helpen bevorderen bij woorden als habitué,
refugié e.d., die trouwens beide persoonsnamen zijn. Bij
matinee en soiree is de accent aigu in het Nederlands niet zo
vast, maar soiree is om zijn oi frans genoeg om het
-en-meervoud tegen te gaan. Bij entree sluipt het
-en-meervoud enigszins in bij sprekers die dat woord nationaliseren tot
['εntre·] of zelfs ['ιntre·], maar die uitspraak kan
nog allerminst als de beschaafde gelden. Excuus is grillig: het doet in
het enkelvoud al tamelijk inheems aan, en is in frikskuus zelfs
bedenkelijk verburgerlijkt. Maar het meervoud is nog gedistingeerd
excuses.
Bij ontleningen uit het Engels is ook de tegenstelling waar te nemen
tussen meer ingeburgerde woorden met -en en jongere, meer als engels
gewaardeerde woorden met -s. Dat die uitgang in het Engels, in
tegenstelling met het Frans, gesproken wordt, maakt zijn invloed te sterker. Zo
zijn bar, mail, truck, plaid, raid en het zeer jonge jeep, nog
niet voldoende vernederlandst om het -en-meervoud aan te nemen. Met
rails is het een bijzonder geval: dat is goed op weg om een nieuw
singulare te worden, en van eenvoudige mensen zal men dan ook reelsen of
reelzen wel kunnen horen
18). Als trams vooralsnog beschaafder is dan trammen, dan
zal de vreemde spelling daartoe wel hebben meegewerkt, evenals vermoedelijk bij
sommige jonge ontleningen uit het Frans, en bij de zojuist genoemde engelse
woorden met ai gespeld, maar gesproken met ee, zoals mail,
plaid en raid. Dat is ook wel het geval bij jam, een woord
dat gangbaar genoeg is om voor het -en-meervoud in aanmerking te komen.
Vooral mensen die het woord precieus als [džεm]
spreken, zullen niet gauw tot een pluralis jammen besluiten. Een
bijkomstige factor is, dat dit woord als stofnaam niet zo heel vaak
gepluraliseerd wordt. Dat overigens de uitheemse spelling het meer inheemse
meervoud niet altijd kan keren, bewijzen cake en cape. Hier is de
-en-pluralis zo gewoon dat het orthografisch wat onbevredigende
caken en capen aanmoedigt tot een vernederlandste spelling
keek en keep, die bij pleet al is aanvaard. Bij
pier ‘wandelhoofd, golfbreker’ en lift werkte geen
spellingbeeld tegen, en ze zijn populair genoeg om het -en-meervoud aan
te nemen, en daarmee op één lijn te komen met een veel oudere
ontlening als dog. Met de gestadig toenemende populariteit van de
bioscoop gaat parallel het veldwinnen van de pluralis filmen naast
films. Bij box heeft de -s aan het eind voor het
-en-meervoud beslist. Een woord als freewheel sloot zich
geredelijk aan bij het nederlandse wiel; het is trouwens ook wel in zijn
geheel vertaald tot vrijwiel. | | | |
Keeper heeft het
meervoud op -s, niet om dezelfde reden als back, maar omdat het
wordt behandeld als een nederlands nomen agentis bij keepen.
Niet van alle gevallen waarin -s en -en beide bij
vreemde woorden voorkomen, is het eenvoudig rekenschap te geven. In de
voorafgaande voorbeelden van woorden uit het Frans en het Engels was hier en
daar grilligheid te constateren. Die voorbeelden zijn met andere vreemdelingen
te vermeerderen. Bij archipels met zijn vreemde en wat geleerde
uiterlijk tegenover de populaire ulevellen kan men denken aan de juist
besproken nuancering tussen modieus-modern tegenover meer populair en inheems
(bij ulevel kan de associatie met vel hebben meegewerkt tot de
naturalisatie). Bij gitaars tegenover gitaren wordt het al
gezocht en bij residu's tegenover residuen is er helemaal niet
meer aan te denken. En zulke moeilijk te verantwoorden doubletten zijn ook
onder de vanouds nederlandse woorden wel aan te wijzen. Wie vast overtuigd is
dat aan elk vormverschil in de taal een verschil in semantische inhoud of
stilistische waarde of functie beantwoordt, dat geen twee vormen dus volkomen
gelijkwaardig kunnen zijn - een overtuiging die
Kruisinga in zijn latere jaren bij herhaling heeft
uitgesproken -, die zal bij aardappelen naast aardappels,
buizerden naast buizerds, of roerommen naast roeroms
wel lang moeten zoeken.
Het gaat niet aan de meervoudsvorming in het Nederlands in een
aantal rake regels met scherpe geformuleerde uitzonderingen te beschrijven. Er
is speling en er is beweging. Wel tekenen zich duidelijk lijnen af waarlangs,
en richtingen waarin die beweging gaat, maar die lijnen lopen niet overal zo
strak en de richtingen zijn niet zo vast, dat men met zekerheid de eindpunten
zou kunnen aanwijzen waarheen ze leiden.
| | | | | |
Woordregister
| aardappel | 22 |
| aarde | 17 |
| adder | 3 |
| akker | 3 |
| Alberding | 8 |
| Anna | 9 |
| apostel | 18 |
| archipel | 22 |
| arend | 5 |
| assuradeur | 7,
19 |
| auto,
autoën | 9 |
| avond | 5 |
| baar | 6 |
| baas | 8 |
| baboe | 10 |
| back | 22 |
| bah | 5 |
| baken | 3 |
| bakkes | 8 |
| ballon | 20 |
| balustrade | 14 |
| bandjir | 6 |
| Banning | 8 |
| bar | 21 |
| baret | 20 |
| batting | 4,
5 |
| beambte | 15 |
| bed | 17 |
| bedeelde | 15 |
| bediende | 12,
15 |
| begeerte | 12,
14 |
| beginsel | 19 |
| beklaagde | 15 |
| belanghebbende | 15 |
| belleken | 3 |
| belofte | 12 |
| bende | 12 |
| bengel | 3 |
| beroerd | 5 |
| beroerling | 8 |
| Bertus | 8 |
| betrokkene | 1,
15 |
| bezem | 3,
4 |
| bibberen | 5 |
| bidet | 20 |
| biscuit | 20 |
| biskwie | 20 |
| blad | 1 |
| bladzij(de) | 14 |
| blanke | 15 |
| blinde | 15 |
| bloed | 12 |
| bloeien
(van kinderen) | 11 |
| bode | 12, 14,
17 |
| bodem | 3, 4 |
| boete | 12,
17 |
| bokkem | 5 |
| bokking | 5 |
| bon | 20 |
| boring | 4 |
| boudoir | 22 |
| box | 21 |
| br | 5 |
| brommes | 17 |
| buizerd | 5,
22 |
| bureau | 20 |
| Caesar | 7 |
| cadeau | 20 |
| cake | 21 |
| cape | 21 |
| cargadoor | 7 |
| carreau | 20 |
| cassette | 12 |
| Cherub | 7 |
| Christen | 19 |
| collecte | 12 |
| commandeur | 7 |
| commissaris | 8 |
| condensator | 6 |
| conditie | 6 |
| congres | 8 |
| consequentie | 6 |
| constitutie | 6 |
| cordon | 20 |
| corset | 20 |
| coupeur | 7 |
| crediteur | 19 |
| dag | 1 |
| das | 8 |
| debiteur | 19 |
| degen | 18 |
| deining | 4 |
| deken | 18 |
| democratie | 6,
9 |
| dieve | 14 |
| diner | 21 |
| directeur | 7,
19 |
| dode | 15 |
| dog | 21 |
| doos | 8 |
| dreumes | 8 |
| drie | 9,
20 |
| duisterling | 8 |
| echtgenote | 14 |
| eega | 9,
11 |
| eigenaar | 19 |
| encyclopedie | 6 |
| | | |
| engel | 4,
19 |
| entree | 21 |
| erfgename | 14 |
| Evert | 7 |
| excuus | 21 |
| Exloërmond | 9 |
| extravagantie | 6 |
| familie | 6 |
| fantasie | 6 |
| fichu | 9 |
| film | 21 |
| financiën | 6 |
| fotografie | 6,
9,
20 |
| fourier | 19 |
| freewheel | 21 |
| frikskuus | 21 |
| Frijling | 8 |
| gebedekijn | 3 |
| gecommitteerde | 15 |
| gedaagde | 15 |
| gedeelte | 17,
18 |
| gedenkrede | 13 |
| gedoente | 16 |
| geestelijke | 15 |
| gegadigde | 1 |
| geleerde | 15 |
| gemeente | 12,
13 |
| gemiddelde | 14 |
| genealogie | 20 |
| generaal | 7 |
| genie | 6 |
| gewonde | 15 |
| gewoonte | 12,
13 |
| gezegde | 15 |
| gitaar | 23 |
| goed | 11 |
| gouverneur | 7 |
| grafrede | 13 |
| grenadier | 19 |
| grimas | 8 |
| Grolloërstraat | 9 |
| haas | 8 |
| habitué | 21 |
| halte | 12 |
| handekijn | 3 |
| haring | 5 |
| havik | 4 |
| heiden | 18 |
| Heilsoldate | 14 |
| hemel | 18 |
| herderkijn | 3 |
| Hindoe | 10 |
| hobo | 10 |
| hoed | 11 |
| hoefdeken | 3 |
| holte | 12 |
| hoogleraar | 19 |
| hotel | 20 |
| huiseigenaar | 19 |
| huiveren | 5 |
| huivering | 4 |
| husekijn | 3 |
| hypochonder | 6 |
| Ida | 9 |
| ideologie | 6,
9 |
| individu | 9 |
| ingelande | 14 |
| inundatie | 6 |
| inventaris | 8 |
| Isings | 8 |
| jas | 8 |
| jam | 21 |
| jeep | 21 |
| Jolles | 8 |
| Jonge
(De) | 16 |
| jonk | 6 |
| jongen,
jonghe | 16 |
| Joseph | 7 |
| juwelier | 7 |
| kabaai | 6 |
| kade | 11 |
| kalender | 6 |
| kalf | 1 |
| kano,
kanoën | 9 |
| kanonnier | 7 |
| kapitein | 19 |
| karro | 20 |
| kazerne | 13 |
| keek | 21 |
| keep | 21 |
| keeper | 22 |
| kerkbode | 14 |
| ketelken | 3 |
| keu | 9 |
| kijves | 17 |
| kind | 1,
17 |
| kip | 17 |
| klapper | 6 |
| kleed | 11 |
| kleren | 11 |
| knecht | 7 |
| knie | 20 |
| knoeierd | 8 |
| koe | 10 |
| kolonel | 19 |
| kolonie | 6 |
| korporaal | 7 |
| kroning | 4 |
| crudeken | 3 |
| kuras | 8 |
| kwaad | 11 |
| kwispedoor | 7 |
| kwitantie | 6 |
| la | 10,
11 |
| laken | 18 |
| lammeling | 5 |
| lampion | 20 |
| lancier | 7 |
| lange | 15 |
| Lange
(De) | 16 |
| lauwer | 19 |
| lazaret | 20 |
| leerlinge | 14 |
| leerrede | 13 |
| leeuwerik | 4 |
| legende | 12 |
| lente | 12 |
| lemmer,
lemmet | 4 |
| leraar | 19 |
| | | |
| Lessing | 7 |
| leugenaar | 19 |
| lift | 21 |
| lijfeigene | 15 |
| lijfrente | 12 |
| literatuuropgave | 14 |
| loeres | 8 |
| lofrede | 13 |
| lokettiste | 14 |
| lording | 4 |
| lorgnet | 20 |
| ma | 9 |
| maechdekijn | 3 |
| mail | 21 |
| majoor | 7,
19 |
| malversatie | 6 |
| mandataris | 8 |
| manneken | 3 |
| masker | 6 |
| maskerade | 12 |
| masseur | 7 |
| matado(o)r | 7 |
| matinee | 21 |
| mazelen | 3 |
| mes | 8 |
| methode | 14 |
| moe
(een moeë trek) | 10 |
| moe
(moeder) | 10 |
| moeder | 10 |
| molen | 18 |
| molenaar | 19 |
| monnik | 4 |
| moordenare | 2 |
| morgen | 6,
18 |
| motor | 6 |
| mud | 17 |
| mug | 17 |
| natie | 6 |
| neringdoende | 15 |
| nomaden | 13 |
| notaris | 8 |
| odeur | 20 |
| officier | 7,
19 |
| olie | 6 |
| onbehuisde | 15 |
| ondergeschikte | 15 |
| ongerijmdhedens | 17 |
| onvoldoende | 15 |
| oom | 7 |
| opoe | 10 |
| orde | 12 |
| pa | 9 |
| pagaai | 6 |
| Pakhuismeesteren | 19 |
| paling | 5 |
| palissade | 12,
13 |
| paraplu | 9,
13 |
| parapluie | 13 |
| parfum | 20 |
| passagiere | 14 |
| pastoor | 7 |
| pauze | 12 |
| pier | 21 |
| pisang | 6 |
| plaid | 21 |
| pleet | 21 |
| polis | 8 |
| ponton | 20 |
| pontonnier | 19 |
| portere | 8 |
| portier | 7,
8 |
| princiep,
principe | 13 |
| promesse | 12 |
| protozoën | 9 |
| provincie | 6 |
| pst | 5 |
| putting | 4 |
| ra | 9 |
| raadsel | 18 |
| radiator | 6 |
| ragout | 20 |
| raid | 21 |
| rail(s) | 21 |
| ratjetoe | 10 |
| rede | 12,
13,
14 |
| referentie | 6 |
| refugié | 21 |
| Reinink(s) | 8 |
| remonstrantie | 6 |
| residu | 22 |
| restitutie | 6 |
| reu | 9 |
| revenu | 9 |
| revolver | 6 |
| ridder(e) | 1,
4, 7 |
| roe(de) | 10,
11 |
| roekedekoeën | 10 |
| roerom | 22 |
| roman | 20 |
| salade | 11 |
| salaris | 8 |
| saldo | 10 |
| salon | 20 |
| salvo | 10 |
| sarong | 6 |
| satan | 7 |
| schaalcollecte | 12 |
| schatkistbon | 20 |
| schele | 15 |
| schooltype | 14 |
| schrijfcassette | 12 |
| schuifelen | 5 |
| Schultink | 8 |
| scoe | 9 |
| sector | 6 |
| Seraph | 7 |
| sergeant | 7 |
| sinecure | 12 |
| sinus | 8 |
| sirene | 12 |
| sjappitouwer | 6 |
| sla | 10 |
| slechthorende | 15 |
| slee | 10 |
| snoeperd | 8 |
| soiree | 21 |
| souper | 20 |
| souspied | 21 |
| sousterrain | 21 |
| | | |
| souvenir | 21 |
| spie | 9 |
| station | 20 |
| stenotypiste | 14 |
| stommeling | 3 |
| stukadoor | 7 |
| stuwadoor | 7 |
| succursale | 12 |
| sultan | 7 |
| taalkundige | 15 |
| tamboer | 7 |
| teken | 18 |
| tekening | 4 |
| telefonist | 14 |
| tempel | 18 |
| tenor | 7 |
| terrein | 21 |
| tissu | 9 |
| tob(be) | 17 |
| toe
(toeë deur) | 10 |
| toren | 3,
4 |
| torso | 10 |
| toverare | 2 |
| traditie | 6 |
| tram | 21 |
| trappelen | 5 |
| trilogie | 6 |
| troebelen | 3 |
| tropee | 9 |
| truck | 21 |
| tube | 12 |
| tuinier | 7 |
| twee | 9 |
| typiste | 14 |
| uitgewekene | 15 |
| ulevel | 22 |
| urinoir | 21 |
| vader | 18 |
| valkenare | 8 |
| valkenier | 7,
8 |
| vendutie | 6 |
| verdachte | 15 |
| vereiste | 14 |
| verminkte | 15 |
| vermiste | 15 |
| veulen | 18 |
| vizier | 7 |
| vla | 9,
10,
11 |
| vlade | 10 |
| vlag | 17 |
| vleugel | 18 |
| vlo | 9 |
| voering | 4 |
| vogel | 3,
4, 18 |
| voghelken,
-kijn | 3 |
| volwassene | 15 |
| vonnis | 8 |
| voorrede | 13 |
| vos | 8 |
| vouw | 10 |
| vrijgestelde | 15 |
| vrijwiel | 21 |
| vruchtbeginsel | 19 |
| webbe | 16 |
| wedde | 16,
17 |
| wei(de) | 10 |
| Wesseling | 8 |
| wijding | 4 |
| wijting | 5 |
| winde | 12 |
| wisseling | 4 |
| woekerare | 2 |
| wonder | 4,
19 |
| zee | 9 |
| zege | 14 |
| ziekte | 12,
17 |
| siele | 2 |
| zilverbon | 20 |
| sinneken | 3 |
| zo | 10,
11 |
| Zoeloe | 10 |
| Zoete
(De) | 16 |
| zooi | 11 |
| zozo | 10 |
|
1)Zie de uiteenzettingen bij
Schönfeld, Hist. Gr.3, bldz. 114.
2)Zie het literatuuroverzicht bij
Schönfeld, Hist. Gr.3 271 vlg.
3)In ander verband komen straks ter sprake
de familienamen op - ing en - ink, die regelmatig - s hebben.
Anders gedragen zich de persoonsnamen (geen familienamen) met - ling
afgeleid, waarover ook straks nader.
4)Bedoeld is: in de algemene taal. De
grotere uitbreiding van de - s-pluralis in oostelijke dialecten blijft in
dit en in andere gevallen buiten beschouwing.
5)Over assuradeuren, directeuren,
officieren straks. Dat bij portier het - s-meervoud een
specifiek kenmerk van de persoonsnaam is, toont de pluralis portieren,
‘rijtuigdeuren’. Eenzelfde tegenstelling tussen persoons- en
zaaknaam vertoont vizier.
6)Als ik zelf het woord, dat nu niet tot mijn
dagelijks vocabularium hoort, moest pluraliseren, zou ik het met - s
doen. Misschien is dat een relict uit mijn jeugdjaren, die ik doorbracht in een
streek waar het - s-meervoud meer gebruikelijk was dan in de algemene
taal, en.... waar de kwispedoor nog een tamelijk gangbaar gebruiksvoorwerp
was.
7)Saladen, dat Beets,
Woordenlijst5 nog geeft als het enige meervoud, zou in ieder
geval onmogelijk deftig doen. Nog daargelaten dat saladen tegenwoordig
om een andere reden op zichzelf onwaarschijnlijk zou zijn: salades is
voor de meeste Nederlanders de enig bestaanbare vorm: zie verderop.
8)En wie kade zegt, zal sterke neiging
tot het meervoud kades hebben: zie even verder.
9)Zou het werkelijk zo zijn als men uit §
102-03 moet opmaken, nl. dat de - s alleen na het suffix - te
voorkomt en niet bij andere woorden op - e?
10)Het toeval wil dat de auteur het woord
tussen aanhalingstekens plaatst. Maar die aanhalingstekens beogen niet de
formele gewaagdheid van het - s-meervoud aan te geven.
11)Vgl. NT g XXXI, 328 vlg.
12)Dit is al geconstateerd door Opprel voor
het Oudbeierlands in zijn beschrijving van dat dialect (1896) § 51 Opm.
1.
13)De jonge, half schertsende betekenis
‘als gecommitteerde fungeren’, eigenlijk een enigszins vrije
afleiding bij gecommitteerde, bewijst wel hoezeer het oude
committeren op de achtergrond is geraakt.
14)Bij Koenen-Endepols-Heeroma staat het
woord, evenals in vorige drukken van het Handwb., als ‘o.’
(onzijdig) opgegeven. Dit is mij volkomen onbekend; ik vermoed dat de
vermelding in Koenen een lapsus is.
15)Misschien mogen we voor die streken met
Schönfeld, Hist. Gr.3 124 aannemen dat deze nominatief
historisch een casus obliquus is. Deze verklaring is in ieder geval
aannemelijker dan die van Cosijn, Taal- en Letterbode II, 143, die
- en wil herleiden tot een ouder - în (zoals in veulen,
gulden): een zodanige herkomst zou eerder * jungen doen verwachten,
en bovenden pleit tegen Cosijns mening, dat uit het Mnl. geen * junghijn
of * jonghijn is opgetekend, terwijl jonghe heel gewoon
is.
16)Tobbes, door Schönfeld in
hetzelfde verband geciteerd, moet vervallen: tobbe is de gewone
singularisvorm. En kijves en brommes ( t.a.p. 116) zullen
wel meervouden van de gesubstantiveerde infinitieven kijve(n) en
bromme(n) zijn (vgl. WNT III, 1512 en VII, 2900), dus ook geen
‘dubbele’.
17)Ik ga aan mijn herinnering twijfelen, als
ik zie dat het WNT in het artikel bon, daterend van de vorige
eeuw, alleen het meervoud bonnen opgeeft. Maar het enige meervoud dat in
de citaten voorkomt, is bons in de betekenis ‘goedkeuring onder
schoolwerk’.
18)Zie Royen, Levende Talen 1943,
200.
|
|