Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815


auteur: Robert Halleux, Carmélia Opsomer en Jan Vandersmissen


bron: Robert Halleux, Carmélia Opsomer en Jan Vandersmissen (red.), Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815. Gemeentekrediet / Dexia, Brussel 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 229]

Carmélia Opsomer en Robert Halleux
De natuurwetenschappen, de scheikunde en de geneeskunde

In de natuurwetenschappen en geneeskunde is het concept Wetenschappelijke Revolutie minder relevant dan in de natuurkunde en astronomie. De hier bestudeerde periode beslaat de jaren tussen 1484 (Johann Veldener drukt het eerste Vlaamse herbarium te Leuven) en 1685 (oprichting van de leerstoel scheikunde aan de Leuvense universiteit). De geneeskunde, natuurwetenschappen en scheikunde zullen - net zoals dat ook toen het geval was - als één geheel worden behandeld.

Tijdens de Renaissance werden de antieke geneeskundige teksten in ere hersteld, aan de realiteit getoetst en kritisch becommentarieerd. De herziening van de anatomie door Vesalius past in deze context. Door de verspreiding van Paracelsus' leerstellingen ging men in de tweede helft van de 16de eeuw de zaken nog radicaler in vraag stellen. De strijd tussen traditie en vernieuwing zou tot uiting komen in het werk van van Helmont. Aan het begin van de 17de eeuw beïnvloedde het mechanistische concept ook de biologie. De tegenstellingen tussen iatrochemie en iatromechanisme leidden tot een compromis.

De plantkunde stond in dienst van de geneeskunde, ofschoon ze vooral werd beoefend door apothekers zonder universitaire vorming. In de eerste helft van de 16de eeuw werd haar ontwikkeling gestimuleerd door het verlangen de door de antieken beschreven geneeskrachtige planten terug te vinden - teneinde ze opnieuw voor medische doeleinden te gebruiken - en door de ontdekking van planten in de Nieuwe Wereld die de klassieken nooit hadden gezien. Echter, met de grote plantkundigen van rond de eeuwwisseling ging de botanica zich tegenover de geneeskunde losser opstellen en evolueerde ze tot een beredeneerde inventarisatie van het plantenrijk. Ook de mineralogie had met de geneeskunde een aantal zaken gemeen, in die zin dat heel wat mineralen werden gebruikt, hetzij voor galenische bereidingen, hetzij voor de vervaardiging van talismannen in de sympathische geneeskunde. De delfstoffenkunde had trouwens ook raakpunten met de kunsten en ambachten. De scheikunde verwierf - ten koste van de alchimie - een speciale positie ten opzichte van de geneeskunde en de nijverheid. De dierkunde kon slechts rekenen op de belangstelling van enkele reizigers. Ze zat nog steeds in het keurslijf van de ‘medicinae ex animalibus’.

▪ De geneeskunde in de 16de eeuw

▫ Het arabisme en het hellenisme aan de Leuvense universiteit

Sinds haar stichting in 1425 was de Leuvense universiteit het belangrijkste studiecentrum in onze streken, zowel voor de geneeskunde als voor de daaraan ondergeschikte natuurwetenschappen. De eerste lessen aan de medische faculteit werden gegeven op 18 oktober 1426 door de van Breda afkomstige Jan van Nele (†1469), een te Parijs afgestudeerde magister in de artes en doctor in de medicijnen. De faculteit had twee reguliere professoren (primarii). De ene onderwees de zogenaamde natuurlijke zaken (anatomie en fysiologie) en niet-natuurlijke zaken (dieetleer), terwijl de andere de zogenaamde tegennatuurlijke zaken (pathologie en therapeutiek) voor zijn rekening nam. In 1443 werden nog eens twee gewone hoogleraren aangesteld, die konden genieten van kanunnikprebenden uit de tweede stichting. De studie van de medicijnen volgde op de artes-opleiding en duurde drie jaar. Aan boeken was er geen gebrek vermits Jan Spierinck (†1499), geneesheer van Filips de Goede, een medische bibliotheek had aangelegd die voor alle Leuvense artsen toegankelijk was. Eminente geleerden, zoals Jacob van den Eetvelde, hoogleraar tussen 1507 en 1539, ontbraken evenmin.

Net als in de andere Europese universiteiten lag de nadruk in het onderwijs vooral op her Arabisch-Latijnse galenisme, dit wil zeggen op Arabisch-Latijnse vertalingen van Galenus, door Arabieren en westerse

[p. 230]



illustratie

Mosterdzaad. Johann Veldener, Herbarius cum figuris. Leuven, 1484. Luik, Bibliothèque de l'Université de Liège. © B.U.L. ▪


universiteitsprofessoren van glossen voorzien. De gebruikte terminologie bevatte heel wat arabismen. Een mooie illustratie vormt het handschrift Commentarium in Avicennae practicum van de Antwerpse arts Jacob van den Bogaert (1440-1520).

De boekdrukkunst werd in 1473 door de Aalstenaar Dirk Martens (1446-1534) in de Zuidelijke Nederlanden geïntroduceerd. Het intellectuele centrum Leuven en de handelsmetropool Antwerpen ontwikkelden zich snel tot voorname centra in de wereld van drukkers en boekhandelaars. De productie van onze eerste drukkers beantwoordde aan het niveau van de cliëntèle. De incunabelen, gewijd aan de geneeskunde en de natuurwetenschappen, volgden getrouw de algemene Europese tendens, die erin bestond voorrang te geven aan de grote klassieken, die een succesvolle verkoop garandeerden. Als taal gebruikte men meestal het Latijn, waardoor men een publiek bereikte van studenten en praktiserende artsen. Enkele populaire werken: Fasciculus medicinae van John Ketham, de Chirurgia van Guy de Chauliac, die van Lanfrank van Milaan, enz. Even interessant: het Tractatus de aegritudinibus puerorum (Leuven, Johann Veldener, ca. 1484) van de Mechelse arts Cornelius Roelants (1450-1525), alsook Nederlandse uitgaven zoals het post-incunabel Tregement der gesontheit (Brussel, Thomas van der Noot, 1514) van Magninus van Milaan en bepaalde herbaria.

Op Kerstdag van het jaar 1542 werden de professoren Noot en Willemaers uit hun functie ontheven omdat studenten er hen van beschuldigden ‘zich van eeuw te hebben vergist’, een gevolg van de sterke humanistische stroming die Leuven aan het begin van de 16de eeuw mee aan de spits stelde inzake de kritische herziening van de antieke teksten.

Erasmus ging door voor heraut van deze nieuwe benadering van medische teksten. Hij was ervan overtuigd dat de theorieën en praktijken van Hippocrates, Dioscorides en Galenus door de Arabisch-Latijnse traditie waren bedorven en verdraaid. Een terugkeer naar de originele teksten, volgens de regels vergeleken met de ‘res’ die ze werden geacht te beschrijven, zou een heropleving van de therapeutiek in de hand werken. Hoewel Erasmus zelf enkel de filosofische en propedeutische werken van Galenus heeft vertaald, was hij - als eeuwige zieke - bijna steeds omringd door artsen, wier studies hij stimuleerde. Een aantal van hen, onder wie Joachim Martins (Martianus) van Gent, vertaler van Galenus' traktaat over voedsel, kwam uit onze streken.

Aan het Leuvense Collegium Trilingue, opgericht in 1517, kregen de studenten een taalkundige en methodische vorming van hoog niveau. Wie daarna voortstudeerde in de medicijnen, kon de klassieken lezen in het Grieks, wat vaak tot twisten leidde met de meesters. Hubertus Barlandus, bevriend met Erasmus en een leerling van Vives, vervolledigde zijn studies in Parijs en Montpellier, herzag Dioscorides in praktische zin, viel Avicenna aan omwille van diens ideeën over de planten en de aderlating, maakte een vertaling van Galenus' traktaat De medicamentis paratu facilibus en gaf een genuanceerd oordeel over het gebruik van gedistilleerde waters. Een epidemie van de Engelse zweetziekte te Antwerpen in 1529 toonde de creativiteit van de nieuwe lichting artsen (Jacob van Castere, Simon Riquinus en Joachim Roelants). De bekendste leerling van het Drietalencollege was ongetwijfeld

[p. 231]



illustratie

Aspecten van het onderwijs in de geneeskunde in de 15de eeuw. Johannes de Ketham, Fasciculus medicine, Venetië, 1495. Luik, Bibliothèque de l'Université de Liège. © B.U.L. ▪




illustratie
Poort van het Drietalencollege te Leuven. © Archief K.U.L. ▪


Johann Günther van Andernach (1505-1574), een hervormer van het hippocratisme en het galenisme wiens Institutiones medicae heel wat succes kenden. Jeroen de Drivere (Triverius), geboren te Brakel nabij Geraardsbergen in 1504, is ook aan het Trilingue gevormd. Al vroeg in zijn loopbaan - in zijn werken over de aderlating en de behandeling van gewrichtsontsteking - keerde hij zich tegen het arabisme. Omwille van zijn werken over anatomie werd hij de vervanger van Noot en Willemaers. Op methodologisch vlak was hij erg verdienstelijk. Dit weerspiegelt zich onder meer in het beknopte Ad studiosos medicinae oratio de duabus hodie medicorum sectis et de diversa eorum methodo (1544) en in zijn grote commentaar op de Aforismen van Hippocrates. Het is in zo'n milieu dat een geniaal iemand als Andreas Vesalius tot volle ontwikkeling is kunnen komen.

[p. 232]

▫ Andreas Vesalius

Vesalius' bijdrage aan de wetenschappelijke ontwikkeling van onze streken wordt vaak onjuist ingeschat omwille van het hagiografische van de meeste biografieën. Om Vesalius opnieuw in een juiste context te plaatsen is het niet slecht Marcel Florkin te citeren: ‘Vesalius heeft ongetwijfeld niet als eerste secties op lijken uitgevoerd; deze praktijk was in zijn tijd wijdverbreid en werd gedoogd door de Roomse Kerk, die de universiteiten onder haar bevoegdheid had. Hij heeft evenmin als eerste anatomische afbeeldingen gebruikt om de structuur van het menselijk lichaam te leren kennen. Hij heeft deze methoden echter wel op een tot dan toe ongekende wijze geperfectioneerd. Vesalius' respect voor Galenus bleef zijn hele loopbaan door intact; hij plaatste zich evenwel op een ander niveau. Het openhalen van lijken werd Galenus, die lijfarts was van keizer Marcus-Aurelius, verhinderd doordat de Romeinse godsdienst het hem formeel verbood. Daarom raadde Galenus iedereen die wonden moest verzorgen of zich bezighield met de opvang van gewonden aan secties uit te voeren op dieren. Aan de praktijk van het dissecteren van varkens, honden of apen van Gibraltar wijdde Galenus een anatomie waarin hij alle gegevens die hij voorhanden had op het menselijk lichaam transponeerde; het besef dat alle zoogdieren eenzelfde structuur hebben, vormde de wetenschappelijke basis van deze tekst. Dit aspect van Galenus' anatomische filosofie werd volledig in zijn monumentale oeuvre geïntegreerd en deed het prestige ervan terecht stijgen. Het is Vesalius' grote verdienste dat hij - niettegenstaande alle kennis hieromtrent was verloren gegaan - heeft ingezien dat de anatomische structuren in de beschrijvingen van Galenus niet overeenstemden met de menselijke lichaamsbouw en dat hij - louter op grond van de ontleding van lijken - begonnen is met de samenstelling van een anatomie van de mens’.

Andreas Vesalius werd geboren te Brussel op 31 december 1514. In 1530 schreef hij zich in aan de pedagogie Het Kasteel te Leuven. In 1533 studeerde hij medicijnen te Parijs onder leiding van Jacques Dubois (1478-1555) en Johann Günther van Andernach, die hem inwijdde in de anatomie. Drie jaar later keerde hij naar Leuven terug en publiceerde er een parafrase op Het Negende Boek aan Al-Mansoer, een verhandeling over remedies - ‘van hoofd tot voeten’ - van de Arabische arts Rhazes (ca. 854-925/35). Vervolgens trok hij naar Padua, waar hij op 5 december 1537 promoveerde tot doctor in de medicijnen en hij belast werd met chirurgische demonstraties. Hij oefende zich in het dissecteren en formuleerde voor het eerst de principes van zijn methode in de cursus anatomie; hij bracht ze in praktijk te Bologna in 1540. De te volgen werkwijze is beschreven in zijn Fabrica: de opening van één of twee lijken gebeurt in aanwezigheid van een gemonteerd skelet, tekeningen en ruwe schetsen en wordt - bij wijze van oefening in de vergelijkende anatomie - gevolgd door een ontleding op een dier. Ten behoeve van zijn studenten liet hij Johann Stephan von Calcar drie gravures van skeletten vervaardigen, waaraan hij drie - misschien door hemzelf getekende - figuren toevoegde die de inwendige organen

illustratie

Portret van Andreas Vesalius.
In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


[p. 233]



illustratie

Andreas Vesalius, De corporis humani fabrica libri septem, Bazel, 1543. © C.A.L. ▪


tonen. Het geheel werd in 1538 te Venetië gepubliceerd onder de titel Tabulae anatomicae. Heden zijn nog slechts twee volledige exemplaren van dit werk gekend. Het werd evenwel overvloedig geplagieerd en daarvan zijn er nog voldoende getuigen bewaard.

In 1543 (het jaar van Copernicus' De Revolutionibus) publiceerde Vesalius bij Johannes Oporinus te Bazel zijn beroemde De corporis humani fabrica libri septem, aangevuld met een samenvatting van dit werk in het Latijn en het Duits (vertaling van Albinus Torinus, rector van de universiteit van Bazel), getiteld Epitome en samengesteld uit een frontispies en negen prenten. Er zich van bewust dat Galenus heeft geëxtrapoleerd vanuit de dierlijke anatomie, nam Vesalius zich voor de anatomie van de mens volledig te reconstrueren op basis van lijkopeningen. Vooral in het eerste deel is hij in zijn opzet geslaagd; het tweede deel is eerder compilatiewerk. De uitzonderlijke kwaliteit van de illustraties wordt al lang geprezen; over de namen van de kunstenaars is men het niet eens. De zuiver anatomische elementen zijn waarschijnlijk door Vesalius zelf getekend. Voor de landschappen heeft men gedacht aan het atelier van Titiaan en aan Domenico Campagnola. Het werk zou meerdere edities kennen: een niet geautoriseerde tweede uitgave verscheen in 1552 te Lyon bij Jean de Tournes, een derde in 1555 bij Johannes Oporinus, een vierde in 1568 te Venetië bij Francesco de' Franceschi en Johann Criegher en een vijfde in 1604 bij Giovanni Antonio en Giacomo de' Franceschi. Thomas Gemini, een graveur en instrumentenbouwer van Luikse afkomst, publiceerde in 1545 te Londen zijn Compendiosa totius anatomiae delineatio, dat in grote mate op Vesalius teruggaat vermits de tekst van het Epitome en 40 kopieën van gravures uit de Fabrica erin zijn opgenomen.

In 1543 werd Vesalius ‘medicus familiaris ordinarius’ van Karel V, een functie die hij behield tot diens aftreden in 1556. Hij reisde met de keizer mee en installeerde zich in 1553 te Brussel, waar hij veel patiënten had. Van 1559 tot 1564 resideerde hij in Madrid als arts van de Vlaamse hovelingen. Vesalius overleed in 1564 op het eiland Zante, op de terugweg van een pelgimstocht naar het Heilige Land, uitgevoerd voor rekening van Filips II.

▫ Het universitaire galenisme en de verspreiding ervan door het boek

Zowel aan de Leuvense universiteit als aan de vorstelijke hoven van de Nederlanden waren heel wat aanhangers te vinden van een filologische geneeskunde die terugviel op antieke teksten en deze aanvulde met eigentijdse inzichten. Ze moesten een dubbele strijd leveren: én tegen de diepgewortelde praktijken van het middeleeuwse galenisme, én tegen Paracelsus' subversieve medische theoriën. De Tieltenaar Willem

[p. 234]

Pantin, een leerling van Triverius, publiceerde te Brugge het vijftig jaar eerder ontdekte De medicina van de Romeinse arts Celsus.

De te Leuven gevormde Bergenaar Josse d'Harchies (†1580) publiceerde in het jaar 1567 te Luik zijn De causis comtemptae medicinae, waarin hij twee wijdverbreide praktijken van de Arabisch-Latijnse geneeskunde aanvalt: de medische astrologie en het onderzoek van urine.

Gilbert Fusch (ook bekend als Gilbert van Lymborch, naar zijn geboorteplaats, of als Philaretes, zijn zelf gekozen Grieks pseudoniem) werd vermoedelijk in 1504 geboren. Hij vestigde zich te Luik vóór 1528, het jaar waarin hij er een epidemie van de zweetziekte mee hielp bestrijden. Erard de la Marck (1472-1538) nam hem tot lijfarts en hij bleef ook onder diens opvolgers hoofdgeneesheer van de prins-bisschoppen, tot hij zelf stierf in 1567. George van Oostenrijk (1504-1557) benoemde hem tot kanunnik van de Sint-Pauluscollegiale, maar wat later gaf hij deze functie aan zijn broer Remaclus (†1587) om zelf kanunnik van Sint-Lambertus te worden. Hij weigerde een leerstoel aan de universiteit van Leuven en legde een uitnodiging om zich te vestigen aan het hof van Filibert van Savoy naast zich neer. Zijn belangrijkste werken redigeerde hij te Luik. In Conciliatio Avicennae cum Hippocrate ac Galeno (1541) tracht hij de antieke geneeskunde en de Arabische commentatoren met elkaar te verzoenen. Polybius (1543) is een van commentaar voorziene vertaling van een pseudo-hippocratisch traktaat over een heilzame levenswijze. Het aan geriatrie gewijde traktaat Gerocomice (1545) werd, in de geest van Hippocrates en Galenus, geredigeerd in het kader van de leer van de vier elementen. Gilbert Fusch bespreekt als eerste de bronnen van Spa. Des fontaines acides de la forest d'Ardenne, dat hij in 1559 zowel in het Frans als in het Latijn publiceerde, zou in het Spaans en in het Italiaans worden vertaald. De Gentenaar Nicolaas Biesius (1516-1571), student van Leuven en Siena, werd in 1558 door Filips II aangesteld om aan de Leuvense universiteit Galenus' Ars parva te onderwijzen. Hij gaf het Leuvense neo-galenisme zijn klassieke vorm. Nadien zou Viringus het onderwijs in de anatomie hervormen in de trant van Vesalius.

In de eerste helft van de 16de eeuw was Antwerpen, met 66 drukkers op een totaal van 133 en 2.254 uitgaven op een totaal van 4.000, het belangrijkste centrum van boekenproductie in de Nederlanden. De werkplaats van Jan en Hendrik Van der Loe was iets ouder dan die van Plantijn. Tussen 1552 en 1578 drukten ze zeven werken van Rembert Dodoens, die zich daarna zou richten tot Plantijn. Christoffel Plantijn, die zich in 1550 te Antwerpen vestigde en er in 1555 een drukkerij opstartte, zag snel in dat wetenschappelijke werken commercieel interessant waren en maakte de publicatie ervan tot één van zijn specialiteiten. 196 wetenschappelijke publicaties staan op zijn actief; een onderverdeling naar thema geeft volgend resultaat: aardrijkskunde (55), geneeskunde (49), natuurkunde (32), sterrenkunde (23), plantkunde (22), wiskunde (13) en krijgskunst (2). De meest opmerkelijke drukken zijn de werken van Mathias de l'Obel en Charles de l'Escluse, geïllustreerd met houtsneden van Pieter van der Borcht (1545-1608), en de boeken van Rembert Dodoens.

▫ De verspreiding van de leer van Paracelsus

Op 24 september 1541 stierf te Salzburg Theophrastus Philippus Aureolus Bombastus von Hohenheim, beter bekend als Paracelsus. Tijdens zijn dolend bestaan had hij de geneeskunde van de Grieken, de Romeinen en de Arabieren onafgebroken bestreden. Het lijkt erop dat hij ook onze streken heeft bezocht - in ieder geval de steden Bergen en Leuven. Men heeft gemeend op de achtergrond van één van zijn portretten de Beiaardrots te moeten herkennen. Volgens Paracelsus kan de geneeskunde noch op de antieken, noch op deductieve redeneringen berusten. Ze berust op een dubbel inzicht: dat van de Heilige Schrift (wat Paracelsus lieert met bepaalde stromingen binnen de Hervorming), en dat van de natuur, dit wil zeggen kennis afgeleid uit het contact met boeren, mijnwerkers en waarzeggers, en uit de resultaten van de ontbinding en samenstelling van stoffen in het laboratorium van de alchimist. Het lichaam functioneert zoals een alchemistisch laboratorium; het is dan ook in de scheikunde en niet in de galenische kruidenleer dat men remedies zal vinden.

Louter om tegendraads te doen, schreef Paracelsus in een Duits dat uitpuilde van neologismen en dialectvormen. Het was vooral in Vlaanderen dat zijn ideeën, samengevat in korte Vlaamse uittreksels bestemd voor de lager geschoolde groep van chirurgijns, het vroegst werden verspreid. Het bestaan van een school

[p. 235]



illustratie

Portret van Paracelsus. © C.H.S.T. ▪


voor heelkunde te Antwerpen verklaart misschien waarom de eerste werken in dit genre juist daar werden gedrukt. In 1553 publiceerde de Antwerpse drukker Jan Roelants Die peerle der chirurgeyen. De vertaler en compilator, Philippus Hermanni, heeft drie uittreksels genomen uit de eerste twee boeken van de Grosse Wundartzney (Augsburg, 1536) en deze met uittreksels van eigentijdse auteurs geïnterpoleerd. In 1556 publiceerde een andere Antwerpse drukker, Gillis van Diest, de betere en meer volledige vertaling van de Delftse chirurg Pieter Volckholst.

In het volgende decennium werd de beweging versterkt met Martin Everaert (fl.1563-1610) van Brugge. Naast geneeskundige en astroloog was hij ook vertaler van talrijke Franse, Latijnse en Italiaanse werken, waaronder enkele van Justus Lipsius. In 1563 vertaalde hij één van Paracelsus' meest subversieve werken, het Labyrinthus, uit het Latijn. Met de uitgave van zijn Gasthuysboec (1567), een vertaling van het Spitalbuch van 1529, en met die van zijn Cleyne Chirurgie (1568), een vertaling van het in 1563 en 1565 door Adam von Bodenstein uitgegeven Drei Bücher von Wunden und Schaden, ging zijn aandacht ook naar

illustratie

Titelblad van het verzameld werk van Paracelsus, uitgegeven door Johan Huser, Bazel, 1589. © C.H.S.T. ▪


werken met praktische inhoud. Everaert was een vurig aanhanger van Paracelsus en bekritiseerde fors het galenische humorale systeem en de ondoeltreffende en misleidende remedies van de universitaire artsenijboeken.

Het lijkt er dus op dat Paracelsus in Vlaanderen een grote schare aanhangers heeft gehad. Een ervan was Pieter Hasschaert (of Hassard) van Armentières, die praktijk hield te Rijsel, Leuven, Brussel en Luik. Hij schreef in het Latijn over syfillis (1554), vertaalde Hippocrates' De capitis vulneribus in het Nederlands (1565), becommentarieerde een ‘hygiënisch’ traktaat van de dichter Eobanus Hessus (1488-1540) en publiceerde medische almanakken; faam verwierf hij vooral met zijn Franse vertaling van de Grosse Wundartzney (1566). Dit werk verscheen in 1567 en werd al in 1568 herdrukt. Het beeld van een geneeskunde in verval contrasteert met de quasi Messiaanse rol die Paracelsus krijgt toebedeeld. Hasschaert herneemt deze visie in De peste, waarvoor hij twee pesttraktaten

[p. 236]

van Paracelsus, respectievelijk in 1564 en 1567 uitgegeven, met elkaar combineert. Zijn oeuvre vertoont gelijkenissen met dat van de eerste Franse Paracelsus-aanhangers, Jacques Gohory - die hem bekritiseerde - en Roch Le Baillif, sieur de la Rivière; de invloed ervan op het Franse paracelsisme kan niet worden ontkend.

Is over de Vlaamse aanhangers van Paracelsus maar weinig geweten en behoeft dit milieu nog verder onderzoek, dan is de groep mensen die Ernest van Beieren (1554-1612), prins-bisschop van Luik en aartsbisschop van Keulen, tussen 1580 en 1612 rond zich verzamelde, veel beter gekend. Hoewel het ging om een rondtrekkend hof dat de verschillende bezittingen van de vorst aandeed, lijkt het dat Luik één van de voornaamste verblijfplaatsen was, vermits men er tot laat in de 17de eeuw het laboratorium toonde waar Ernest alchemistisch bezig was. Naar het voorbeeld van verschillende familieleden - in het bijzonder zijn neef Rudolf II (1552-1612) - zou Ernest zich zijn hele leven lang inzetten voor de aanhangers van Paracelsus en hen van zijn mecenaat laten genieten. In 1585 ontmoette hij in Bonn de arts Johann Huser van Breisgau, die met zijn morele en materiële steun de volledige uitgave van Paracelsus' werken - die in de jaren 1589-90 bij de Bazelse drukker Waldkirch van de persen rolde - zou aanvatten. Zijn entourage bestond uit Paracelsus-adepten zoals Leonard Thurneysser (1530-1595/96) en Joseph Duchesne (ca. 1544-1609), alchimisten zoals Theobald van Hoghelande (ca. 1560-1608), John Dee (1527-1608) en Nicolas Guibert (ca. 1547-ca. 1620), bedriegers zoals Bragadino, en ingenieurs, astronomen en kunstenaars. De vorst zocht blijkbaar zelf naar alchemistische transmutaties, maar zijn bezigheden vielen samen met een meer concrete belangstelling voor de ontwikkeling van de mijnbouw en de metallurgie. Het Land van

illustratie

‘Hôpital de Bavière’ te Luik, gesticht door Ernest van Beieren. Aquarel en gouache van Olivier Henrotte, 19de eeuw. Luik, Bibliothèque de l'Université de Liège. © B.U.L. ▪


[p. 237]

Luik beleefde omstreeks die tijd een opmerkelijke industriële ontwikkeling.

Zijn erg paracelsiaanse belangstelling voor medische toepassingen verklaart de opening van een hospitaal te Luik op 16 september 1603; nog tot voor kort stond dit bekend als het ‘Hôpital de Bavière’. Ernest en zijn entourage zouden zich toeleggen op de analyse van mineraalwater, met name uit de bronnen van Tongeren en Spa, twee plaatsen die elkaar bekampten om de eer wie van beide door Plinius was geciteerd in het boek Historia naturalis. De talrijke in vorstelijke kring uitgevoerde analyses van bronwater wijzen - althans in de Luikse microkosmos - op een vooruitgang van de analytische scheikunde. Philippe Gheerincx (1549-1604), Thomas de Rye (ca. 1540-begin 17de eeuw), Hendrik van Heer (1570-ca. 1636), allen artsen van de prins-bisschop, hebben zich op dit vlak onderscheiden. Het is niet bekend of deze kring na het overlijden van Ernest op 17 februari 1612 is blijven voortbestaan. Van alchemistische praktijken onder zijn opvolgers Ferdinand van Beieren (1577-1650) en Maximiliaan-Hendrik van Beieren (1621-1688) zijn slechts vage sporen teruggevonden.

▪ De natuurwetenschappen in de 16de eeuw

▫ De periode 1480-1550

De erfenis van de Middeleeuwen en de inbreng van het humanisme

Zaken die nu worden omschreven als onderdelen van ‘de natuurwetenschappen’ kwamen op het einde van de Middeleeuwen in twee soorten literatuur aan bod: in encyclopedieën en in herbaria. De nog jonge boekdrukkunst zou zorgen voor een ruimere verspreiding van beide genres.

Encyclopedieën zijn beredeneerde inventarissen van de Schepping, dit wil zeggen beschrijvingen van het universum die op alle niveau's - van het heelal tot en met de mens - exhaustiviteit pretenderen. In 1485 drukte Johann Veldener Van den proprieteyten der dinghen, een Vlaamse vertaling van De proprietatibus rerum van de franciscaan Bartholomaeus Anglicus (midden 13de eeuw), dat - althans wat de stichtende voorbeelden betreft - een symbolische en wonderlijke voorstelling geeft van de natuurlijke wereld, waardoor het een brug werpt naar de volkscultuur.

Herbaria zijn meestal alfabetisch geordende repertoria van plantaardige, dierlijke en minerale substanties die alleen of in combinatie met andere stoffen werden gebruikt voor de bereiding van geneesmiddelen. De eerste in onze streken gedrukte herbaria, vormen een groep van vijf. In 1483 publiceerde Johann Veldener een Latijns herbarium met ondertitels in het Latijn en het Nederlands; het werk kreeg geen algemene titel en de plaats van uitgave bleef onvermeld. Het jaar daarop publiceerde Veldener zowel de originele tekst in het Latijn, met 150 houtsneden en getiteld Herbarius in latino cum figuris, als de Nederlandse vertaling. Dit werk zou omstreeks 1500 door Willem Vorsterman en in 1511 door Govaert Back onder de titel Den herbarius in dyetsche worden herdrukt. De overeenkomsten tussen deze herbaria en de Herbarius latinus (Mainz, 1484) van Peter Schöffer zijn overduidelijk. De proloog en de 150 prenten zijn identiek. De bronnen zijn middeleeuws: Platearius, Avicenna, Serapion en Mathaeus Silvaticus.

Erasmus' oproep vond gehoor bij artsen-filologen. Ze zouden zich bij voorkeur wijden aan de restauratie en exegese van de antieke botanica, waarbij problemen inzake nomenclatuur en identificatie essentieel waren. De materia medica van de Griekse farmaceut Dioscorides (1ste eeuw), Historia naturalis van Plinius (1ste eeuw) en het farmacologische oeuvre van Galenus (2de eeuw) zijn bronnen waarnaar ze constant refereerden. Georg Agricola (1494-1555), een Saksische arts en vriend van Erasmus is erg duidelijk wanneer hij schrijft: ‘(...) heel wat zaken over de levende wezens, over de planten van deze wereld, over wat de aarde in haar binnenste doet ontstaan, blijven voor ons verborgen en zijn ons onbekend. En als we deze realiteiten wel kennen, ze soms zelfs manipuleren, dan nog blijven de namen die de antieken eraan gaven ons totaal onbekend. Een noodzakelijk gevolg hiervan is dat we ze meestal niet meer weten te gebruiken. Vermits de antieken - in het bijzonder de Grieken - met veel zorg teksten hebben geschreven over de aard en de kracht van deze substanties, en zowel de praktijk als de rede ons leren dat al deze kennis een geheel van ontdekkingen is, moeten we onszelf de vraag stellen of het ons niet vrijstaat ons aan deze bron van puurheid te laven? Waren de oude, niet verbasterde benamingen toch maar niet zo verholen en bleven - eens deze namen bekend - de realiteiten die ze aanduiden ons toch maar niet zo onbekend!’

[p. 238]

Ook het werk Assaut d'escrime contre Arnold Noot, docteur en médecin à Louvain où on démontre longuement que nous abusons des médicaments simples comme le cheveu de Vénus, le bois d'aloès, le bois de baumier, la spode et autres semblables et sur l'hallucination d'Avicenne en la plupart de ces matières, in 1531 gepubliceerd door Hubertus Barlandus, is veelbetekenend. In realiteit was er een grote afstand tussen de uit de Oudheid overgeërfde recepten en de feitelijke geneesmiddelen die de onwetende apothekers onder dezelfde naam bereidden. Bepaalde planten waren van naam veranderd; sommige namen hadden intussen een andere inhoud gekregen. De farmacopeën werden terug op orde gesteld door in de inleiding van in de volkstaal geschreven geleerde boeken over botanica meertalige lijsten met synoniemen op te nemen. De sinds de Oudheid wijdverbreide idee dat ook ‘rustici’, oude dorpsvrouwen, waardevolle kennis bezaten, vestigde anderzijds de aandacht op plaatselijke realiteiten.

Door de antieke beschrijvingen van de mediterrane flora te vergelijken met de planten uit onze streken, konden de voorstellingen van planten die nooit eerder door de antieken waren beschreven, worden bijgewerkt. De discussie over Plinius' vergissingen, die rond die tijd aan de Italiaanse universiteiten woedde, past in dit kader. De problemen zouden toenemen wanneer de handel in kruiden en de ontdekkingsreizen een resem onbekende, door inlanders gebruikte planten aanvoerden, die een nieuwe naam moesten krijgen en die met bestaande planten in verband moesten worden gebracht.

Men zal zich herinneren dat het Latijnse woord ‘species’, waarvan het woord ‘specerij’ is afgeleid, aanvankelijk sloeg op gewone kruiden voor medicinaal gebruik en pas later de aanduiding werd voor exotische kruiden. Oosterse kruiden, aangevoerd langs de karavaanroute, waren al van in de Oudheid onmisbaar voor de bereiding van verschillende geneesmiddelen. Als gevolg van de ontdekkingsreizen werden ze in steeds toenemende hoeveelheden aangevoerd en waren ze in een meer natuurlijke vorm beschikbaar. Het lijdt geen twijfel dat het farmacologisch denken hierdoor werd bevorderd.

In de eerste helft van de 16de eeuw was Antwerpen het centrum van de handel in Portugese specerijen (peper, gember, nootmuskaat, kaneel, foelie en kruidnagel). Dit heeft het plantkundig en farmacologisch onderzoek in onze streken zeker gestimuleerd. Reisverhalen zoals het Vander schipvaert (Antwerpen, 1563) van Lodovico de Varthema (ca. 1465/70-1517) beschrijven frequent de oogst en bereiding van kruiden in Oost-Indië.

Het werk van Remaclus Fusch situeert zich in dezelfde context. Eens zijn studies bij de Broeders van het Gemene Leven te Luik afgewerkt, reisde Remaclus naar Duitsland en Italië. In Straatsburg woonde hij waarschijnlijk de lessen bij van Otto Brunfels. Vervolgens keerde hij naar Luik terug, waar hij tot aan zijn dood genoot van een prebende van het Sint-Paulus-kapittel, door zijn broer Gilbert op hem overgedragen. Een deel van zijn werk is gewijd aan medische onderwerpen. In Plantarum omnium nomenclaturae (Parijs, 1541) tracht hij de Griekse, Latijnse, Franse, Spaanse en Duitse termen voor medische planten te ordenen en vermeldt hij ook de synoniemen in de Luikse volkstaal. Zijn meertalig woordenboek bespreekt 350 veelgebruikte planten. In dezelfde lijn beschrijft hij in De plantis antehac ignotis (Venetië, 1542) planten die de klassieken niet bekend waren. Het gaat hier ofwel om volstrekt nieuwe gewassen, ofwel om planten waarvan de naam was veranderd, ofwel om nieuwe variëteiten. Hoewel Conrad Gesner (1516-1565) hem een aantal fouten heeft aangewreven in verband met de nomenclatuur, vormt het oeuvre van Remaclus Fusch een verlengstuk van de grote middeleeuwse synonymieën, zoals die van Simon van Genua, en gaat het vooraf aan de opbloei van de wetenschappelijke botanica van Dodoens, de l'Obel en de l'Escluse.

Talrijke monografieën waren gewijd aan één of andere nieuwe plant. Zo publiceerde Vesalius in 1546 een brief ‘over de wijze waarop de Chinese wortel moet worden toegediend’ (het betreft de wortel van de Chinese salsaparilla, de ‘Smilax China L.’). Het traktaat De herba panacea, quam alii tabacum, alii petum, aut nicotianam vocant, brevis commentariolus (1573, 1587, 1644) van Gillis Everaerts is bijzonder interessant omdat het een van de eerste monografieën is over de geneeskrachtige eigenschappen van tabak. Deze plant, die Columbus' reisgezellen voor het eerst door inlanders zagen roken in 1492, werd in Spanje geacclimatiseerd door Francisco Hernandez (1559) en in Frankrijk door André Thevet (1556) en Jean Nicot (1560). Vermoedelijk hebben Spaanse soldaten het gewas in onze streken ingevoerd. Tabak had

[p. 239]

veel medische toepassingen: men gebruikte het tegen hoofdpijn, verwondingen, opwellingen, difterie, scheurbuik, ischias en de pest.

Reizigers-plantkundigen en acclimatisatietuinen

De reizen naar de Levant hebben bijgedragen tot een betere kennis van de flora van het Middellandse-Zeegebied en het Nabije Oosten. Reeds bij Jacob van Vitry en de legendarische Jan van Mandeville komt de flora van het Heilige Land aan bod. Aan het einde van de 15de eeuw bezochten de Gentse ridder Joos van Ghistele (1446-1525) en diens kapelaan het Heilige Land, Egypte en Arabië. Het verhaal van hun tocht, geredigeerd door Ambrosius Zeebout, bevat heel wat gedetailleerde botanische gegevens. De opname van de Nederlanden in het Habsburgse Rijk verstevigde de banden tussen de universiteiten van Leuven en Wenen.

Belast met diplomatieke missies in Centraal-Europa of de Levant, beproefden vele geleerden uit onze streken op het terrein de methoden die ze aan het Drietalencollege hadden geleerd. Dit was het geval voor Augerius Gislenius Busbequius (1522-1591) en diens arts Willem Quackelbeen (1527-1561), die tussen 1548

illustratie

Portret van Augerius Gislenius Busbequius. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


en 1554 hoogleraar was aan de Weense universiteit. Als ambassadeur van Ferdinand I (1503-1564) aan het hof van sultan Süleyman de Grote (1494/95-1566), ondernam Busbequius tussen 1554 en 1562 verschillende reizen naar Turkije in het gezelschap van Willem Quackelbeen, die er in 1561 aan de pest overleed. Constantinopel was een uitgelezen plaats voor handelstransacties met het Verre Oosten. Beide geleerden benutten hun verblijf ten volle door planten en dieren te bestuderen die in Europa weinig aandacht kregen of er niet bekend waren. Busbequius, die gestudeerd had aan het Drietalencollege, joeg op Dioscorides-handschriften. Drie ervan stelden de Italiaanse plantkundige Pier-Andrea Mattioli (1501-1577) in staat zijn Dioscorides-commentaar te verbeteren. Het was Busbequius zelf die de beroemde Codex Aniciae Julianae verwierf, een geïllustreerd Dioscorides-handschrift uit de 6de eeuw dat uiteindelijk terechtkwam in de keizerlijke bibliotheek te Wenen. Dankzij de relaties die

illustratie
Portret van Pier-Andrea Mattioli. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


[p. 240]

Busbequius en Quackelbeen met Mattioli onderhielden, kon deze Sienese botanist zijn kennis met meer dan vijftig planten verrijken. Beide geleerden verzamelden onbekende of nauwelijks beschreven plantensoorten, maakten er zelf beschrijvingen van en lieten er achteraf afbeeldingen van vervaardigen. Vervolgens lieten ze hun collega's van deze kennis meegenieten. Ze worden verantwoordelijk geacht voor de introductie van de tulp, het zwanebrood, de wilde kastanjeboom en de plataan in Europa.

Deze specimens zouden met liefde worden gekweekt in botanische tuinen, die snel in aantal zouden toenemen. Reeds in de vroege 16de eeuw waren onze streken voor hun tuinen vermaard. Jacques Meyer heeft erop gewezen dat Vlaanderen talrijke verzamelingen van fruitbomen, bloemen en planten rijk was. Johannes Goropius Becanus (1518-1572) beweerde dat één volume niet zou volstaan om alle planten- en bloemenvariëteiten op te noemen die in Antwerpen door farmaceuten en amateurs werden gekweekt. De Rijselse botanist Mathias de l'Obel schrijft hierover in lyrische bewoordingen: ‘Dit land kan worden beschouwd als de beroemdste stapelplaats van Europa, waar men zich uitslooft om al wat in het universum opmerkelijk en begerenswaardig is, zowel over land als over zee aan te voeren en waar men de schatten van Europa, Azië en Afrika ziet opstapelen. Dit land is rijk aan getalenteerde figuren die in alle kunsten en wetenschappen uitblinken; en ofschoon deze noordelijke contreien door de strenge koude voor het kweken van menige planten minder geschikt zijn, is de vaardigheid van dit volk en dier constante inzet voor de bescherming van de meest fragiele planten tegen de voornoemde nadelen, toch van die aard dat het onmogelijk is in de wereld één plant te vinden, die niet kan worden opgekweekt door de zorg en de arbeid van de beroemde liefhebbers van dit land, die zichzelf kosten noch moeite sparen om hun doel te bereiken. En om die reden heb ik er geen moeite mee om de Belgen de eerste plaats toe te kennen wat betreft de kunst van het zaaien en kweken van planten; want men vindt in dit land alleen méér soorten en variëteiten van planten, bomen en struiken, dan in Griekenland, Spanje, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië of de omliggende streken samen’.

Vervolgens vermeldt de l'Obel de namen van een aantal amateurs: Charles de Croÿ, prins van Chimay, Pierre de Bossut, heer van Jeumont, Charles de Bossut,

illustratie

Dioscorides, Codex Aniciae Julianae, 6de eeuw. Wenen, Österreichische Nationalbibliothek © Ö.N.B. ▪


burggraaf van Brussel, Gérard d'Oignies, bisschop van Doornik, Jean de Brancion, Charles d'Houchin, heer van Longastre, Jean Dilfius, Jean Boisot, Jacob Utenhove, Philippe Deurnagle, heer van Vroylande, de heer Jean de Limoges, alias Nonnius, Charles de l'Escluse, Pieter Breughel, Cornelius Gemma, Joannes Viringus. Enkele liefhebbers, zoals Carolus Langius, Jean Mouton en Pieter Coudenberg, zijn iets beter gekend.

Charles de Langhe (Langius), kanunnik van Sint-Lambertus te Luik en overleden op 29 juli 1573, is vooral bekend als filoloog. Zijn vriend Justus Lipsius geeft in Quaestiones epistolicae (Lib. IV, epist. XVII) heel wat details over zijn activiteiten als tuinier. In zijn tuin, aangelegd in bedden, kweekte hij uitheemse bloemen en planten die recent uit Oost-Indië en Amerika waren ingevoerd. Langius heeft hierover nooit iets gepubliceerd; het manuscript met zijn notities over Dioscorides is verloren gegaan.

[p. 241]


illustratie
Dioscorides, Codex Aniciae Julianae, 6de eeuw. Wenen, Osterreichische Nationalbibliothek © O.N.B. ▪


De Doornikse apotheker Jean Mouton kennen we uit de brieven die hij vanaf 1570 uitwisselde met Charles de l'Escluse. Zijn kennis en belangstelling overstegen die van de gemiddelde amateur. In een brief van 1583 vraagt hij aan Jan Moretus of hij op de boekenmarkt van Frankfurt voor hem de werken van Paracelsus wil aankopen, alsook de Historia plantarum van de Griekse plantkundige Theophrastes (3de eeuw v.C.) in een vertaling van Theodoor Gaza.

Pieter Coudenberg (Van Coudenberghe), geboren te Brussel in 1517, hield apotheek in de Oude Klok te Antwerpen en overleed in deze stad omstreeks 1599. Waar hij juist werd gevormd en elegant Latijn heeft leren schrijven is nier bekend. Zijn kennis was over het algemeen van een hoger niveau dan dat van zijn collega's. Hij was blijkbaar bevriend met Christoffel Plantijn en met Charles de l'Escluse, die in 1561 zijn Antidotarium - een vertaling van een Italiaans receptenboek - aan hem opdroeg. In een periode van twintig jaar bracht hij in zijn tuin ruim 600 verschillende exotische planten samen. Hij betreurde het dat het hem aan middelen ontbrak om ‘op zijn minst al wat onze grond kan dragen’ bijeen te brengen. Hij stuurde een catalogus van zijn collectie, geredigeerd volgens de nomenclatuur van Dodoens, naar de Zwitserse natuurkenner Conrad Gesner, die hem meermaals citeerde onder de letter C van zijn De hortis Germaniae, een alfabetisch repertorium van de geacclimatiseerde planten in Noord-Europa.

Christoffel Plantijn belastte hem met de herziening van het Dispensatorium pharmacorum van Valerius Cordus, een klassieker onder apothekers in heel Europa die in 1535 voor het eerst was uitgegeven. Coudenbergs werk, opgedragen aan de geleerde Gerard Gramaye, verscheen in 1568 in het Latijn en in 1575 in het Frans. Het werd nadien aangevuld door Mathias de l'Obel.

De ruim 400 glossen waarmee hij zijn model verrijkte, bevatten vooral correcties en nadere gegevens betreffende de te gebruiken kruiden in recepten en samenstellingen (synoniemen in de volkstaal, meningen van oude plantkundigen zoals Dioscorides en Avicenna, opinies van tijdgenoten zoals Fuchs en Garcia ab Horto) en gegevens verzameld in de haven van Antwerpen en in zijn eigen tuin.

Grote natuuronderzoekers, zoals Charles de l'Escluse (Clusius), Rembert Dodoens en Mathias de l'Obel putten heel wat informatie uit het materiaal dat deze tuiniers bij elkaar hadden gebracht. Omstreeks 1565-66 verbleef Clusius bij zijn vrienden Mark en Guy Laurin te Brugge en bij Karel van Sint-Omaars (†1569) te Moerkerke. Ze legden zich alle drie toe op het kweken van zeldzame planten. De collectie van Karel van Sint-Omaars was bijzonder rijk. De afbeeldingen die hij van zijn zeldzame planten had laten maken, liet hij onder de titel Centuriae plantarum rariorum in vier folio-banden bundelen. Een publicatie met een tekst van Clusius was voorzien, maar zag nooit het licht. Een ongelooflijke hoeveelheid zaden en bloembollen van uitheemse planten was toentertijd in omloop. Als voorbeeld geven we een uit 1571 daterende dankbrief van Jean de Brancion aan Clusius met betrekking tot een ‘pakje’ dat hij uit Parijs had ontvangen. Alle dames uit de hogere kringen met wie hij de inhoud had gedeeld, en die hierover bijzonder opgetogen waren, worden erin opgesomd.

[p. 242]

▫ De periode 1550-1600: de grote natuuronderzoekers

Rembert Dodoens

Rembert Dodoens (gelatiniseerd tot Dodonaeus) werd geboren te Mechelen op 29 juni 1517. Geïmmatriculeerd aan de Leuvense universiteit op 9 augustus 1530, studeerde hij geneeskunde onder leiding van Arnold Noot van Halle, Leonard Willemaers van Leuven, Jan Heems van Armentières en Paul Roels van Dendermonde. Op 10 september 1535 promoveerde hij tot licentiaat in de medicijnen. Door zijn bekwaamheid inzake klassieke talen en medicijnen trok hij de aandacht van Johann Günther van Andernach, die hem vroeg zijn vertaling van het werk van de grote Griekse clinicus Paulus Aegenita te corrigeren. Nadat hij een rondreis had gemaakt doorheen landen als Frankrijk, Italië en Zwitserland, trad hij in 1548 in dienst van de stad Mechelen als één van de drie beëdigde stadsgeneesheren. Hij zou tot 1574 in functie blijven.

In 1548 publiceerde hij een werk over kosmografie en spoorde zijn uitgever, Jan Van der Loe, hem aan tot het schrijven van een Vlaamstalig werk over planten (Voorwoord van de Pemptaden, 1583). In 1552 werd het werk, dat zes boeken telt, voltooid. Het was reeds ter perse toen Dodoens hieruit een in het Latijn vertaald uittreksel publiceerde over graangewassen, groenten en veevoeders (Voorwoord van De frugum

illustratie

Orchideeën. Rembert Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex, Antwerpen, 1583. Antwerpen, Museum Plantijn-Moretus. © M.P.M. ▪


[p. 243]



illustratie

Portret van Rembert Dodoens. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪




illustratie
Portret van Charles de l'Escluse. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


historia, 1552). In 1553 publiceerde hij daaruit nog een ander uittreksel, dat onder meer de platen van de eerste drie boeken bevat, en een korte lijst van synoniemen in het Latijn, Grieks, Vlaams, Duits en Frans.

Het Cruydeboeck, dat 867 pagina's beslaat en 715 afbeeldingen - waarvan ongeveer 200 nieuwe - bevat, werd in 1554 gepubliceerd. Een weinig later verschenen, van elkaar gescheiden, de platen van de laatste drie boeken. Van der Loe had voor de illustratie van het Cruydeboeck de platen gekocht van Leonhard Fuchs. Misschien kwam het er voor hem op aan zijn aankoop rendabel te maken. In 1557 verscheen een Franse vertaling, opgesteld door Charles de l'Escluse, met als titel Histoire des plantes en laquelle est contenue la description entiere des herbes, c'est à dire, leurs especes, forme, noms, temperament, vertus & operations: non seulement de celles qui croissent en ce païs, mais aussi des autres estrangeres qui viennent en usage de medecine par REMBERT DODOENS, medecin de la ville de Malines & nouvellement traduite de bas Aleman en François par Charles de l'Escluse (Antwerpen, Jan Van der Loe). Dodoens had aan de l'Escluse een geactualiseerde tekst gegeven die rekening hield met de nieuwe ontwikkelingen van zijn eigen onderzoek en met de recente publicaties van Pierre Belon (1517-1564), Andrea Mattioli en Andres Laguna (1499-1560). Het werk kende meerdere herdrukken en vertalingen. In 1565 wisselde Dodoens van uitgever: voortaan zouden zijn werken worden gepubliceerd door Plantijn. Die publiceerde zijn werk over tarwe, groenten en kruiden (Historia frumentorum, leguminum, palustrium et aquatilium herbarum, 1565), een boek over kroonbloemige planten en welriekende kruiden (Florum et coronariorum odoratarumque nonnullarum herbarum historia, 1568) en het werk over planten met een laxerende werking (Purgantium aliarumque eo facientium, tum et radicum, convolvularum, ac deletariarum herbarum historiae libri IIII, 1574).

In 1574 verliet hij op uitdrukkelijk verzoek van keizer Maximiliaan II (1527-1576) de Nederlanden en vestigde hij zich als arts van de keizerlijke familie te Wenen, waar zijn vriend Charles de l'Escluse sinds 1573 de botanische tuin leidde. Niettegenstaande hij onder Rudolf II zijn functie kon behouden, verliet hij Wenen in 1578. Zoals zoveel andere geleerden week hij omwille van de oorlog in de Nederlanden uit naar Keulen (1580). Hij publiceerde er een traktaat over de wijngaard en de wijn (Historia vitis

[p. 244]

vinique), een geneeskundige nota (Medicinalium observationum exempla, 1580), synoptische tafels voor de studie van de fysiologie (1581), een zoölogische farmacopee (1581) en de tweede uitgave van zijn medische observaties (1581).

Tenslotte installeerde hij zich in 1581 te Antwerpen. Plantijn drukte er in 1583 zijn tweede grote werk over botanie (Stirpium historiae Pemptades sex sive libri XXX). Het bevat dertig boeken, gegroepeerd in zes delen van ieder vijf boeken (pemptaden). In 1582 boden de stichters van de universiteit van Leiden hem de rijkelijk gehonoreerde leerstoel pathologie en therapeutiek aan. Hij voegde zich in Leiden opnieuw bij Charles de l'Escluse en Justus Lipsius, en hield er zich, in samenwerking met het plaatselijke filiaal van Plantijns drukkerij, bezig met de heruitgave van zijn kosmografie (1584), zijn medische observaties (1584) en zijn pemptaden (die in 1616 postuum verschenen). Rembert Dodoens stierf te Leiden op 15 maart 1585. Eén van zijn leerlingen, Sebastiaan Egbert, publiceerde in 1616 onder de titel Praxis medica de lessen die hij in 1583 en 1584 bij Dodoens had gevolgd.

Charles de l'Escluse (Clusius)

Charles de l'Escluse werd op 19 februari 1526 geboren te Atrecht. Tussen 1546 en 1548 was hij te vinden aan de universiteit van Leuven, waar hij les volgde aan het Drietalencollege en promoveerde tot licentiaat in de rechten. Op 20 juni 1548 schreef hij zich in aan de universiteit van Marburg met de bedoeling zijn rechtenstudies voort te zetten. Hij volgde er de cursussen theologie van zijn gastheer Andreas Gheeraerdts, alias Hyperius (1511-1564), onder wiens invloed hij een aanhanger zou worden van de Hervorming. Vervolgens ging hij naar Wittenberg, waar Philippus Melanchton (1497-1560) hem adviseerde de studie van de medicijnen aan te vatten. In 1551 trok hij naar Montpellier en schreef er zich in aan de medische faculteit. Hij assisteerde er zijn leermeester Guillaume Rondelet (1507-1566), die werkte aan zijn ‘opus magnum’ over ichtyologie, De piscibus marinis libri XVIII (1554).

In 1554 was hij terug in de Nederlanden en nam hij contact met Rembert Dodoens. Samen met zijn Franse vertaling van Dodoens' Cruydenboeck verscheen bij Jan Van der Loe in 1557 zijn eerste, grotendeels gecompileerde werk: Petit recueil auquel est contenue la description d'aucunes gommes et liqueurs pro-

illustratie

Kaneel. Charles de l'Escluse, Aromatum Historia. © C.A.L. ▪


venans tant des arbres que des herbes: ensemble de quelques bois, fruicts, & racines aromatiques, desquelles on se sert és boutiques: retiré en partie hors de l'herbier aleman, & assemblé en partie hors des escrits de divers autheurs tant anciens que modernes, lesquelz ont traité de ceste matiere. In 1561 voltooide hij voor Plantijn de vertaling van het Ricettario fiorentino, een nieuw Florentijns artsenijboek dat in opdracht van Cosimo I de Medici (1519-1574) was samengesteld. Het kreeg als titel: Antidotarium sive de exacta componendorum miscendorumque medicamentorum ratione libri tres, Omnibus Pharmacopoeis longe utilissimi, ex Graecorum, Arabum, & recentiorum medicorum scriptis maxima cura & diligentia collecti. Nunc vero primum ex Italico sermone Latine facti.

[p. 245]

Een carrière als mentor voerde hem achtereenvolgens naar Frankrijk, Engeland, Italië, Duitsland, Bohemen, Spanje en Portugal, vanwaar hij een exemplaar meebracht van de Coloquios dos simples van de Portugese arts Garcia de Orta. Dit werk, uitgegeven te Goa in 1563 beschrijft in dialoogvorm de ‘drogerijen en medicinale zaken van Indië’. Charles de l'Escluse

illustratie

Aardappelplant. Charles de l'Escluse. Rariorum plantarum historia, Antwerpen, 1601. © M.P.M. ▪


zorgde voor een beknopte Latijnse versie, waaruit de dialoogvorm is weggelaten. Het werk is getiteld: Aromatum et simplicum aliquot medicamentorum apud Indos nascentium Historia (Antwerpen, Plantijn, 1567). Uit Spanje bracht hij bijna 200 planten mee. In 1571 maakte Clusius een reis doorheen Frankrijk en Engeland, waar hij Mathias de l'Obel ontmoette.

Rond die tijd legde hij Plantijn twee handschriften voor: een Spaanse flora (Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatarum Historia, 1569) die Plantijn wegens geldgebrek pas in 1576 zou publiceren, en een vertaling van twee werkjes van de Sevillaanse arts Nicolaus Monardes (1493-1588), getiteld Dos libros. El uno trata de todas las cosas que traen de nuestras Indias occidentales, que sirven al uso de Medicina y como se ha usar la rayz del Mechoacan, purga excelentissima. El otro libro, trata de las dos medicinas maravillosas que son contra todo Veneno, la piedra Bezaar, y la yerva Escuerçonera. Con la cura de los Venenados. Do veran muchos secretos de naturaleza y de medicina, waarvan de eerste editie in 1574 zou worden gepubliceerd.

Vermeldenswaardig is ook dat de Spaanse flora 233 houtsneden bevat van Gerard Janssen van Kampen, waarvan enkele reeds voordien met instemming van Clusius waren afgedrukt in Dodoens' Purgantium Historiae (1574). De Spaanse flora is voor de beschrijvende plantkunde van groot belang geweest. Er zijn sporen in terug te vinden van de begrippen geslacht en soort, hoewel ze niet op een systematische manier worden gebruikt. Clusius brak ook met de traditie door niet langer de geneeskrachtige werking van planten te beklemtonen. Hij ging onbekende planten beschrijven en kan worden beschouwd als de grondlegger van de floristiek.

In 1573 werd Clusius door Maximiliaan II naar Wenen geroepen om er een kruidtuin aan te leggen. Tijdens zijn Weense periode koesterde hij het voornemen een flora van Oostenrijk op te stellen. Onder de vele geleerden die hij aan het hof ontmoette, treffen we zijn vriend Rembert Dodoens, lijfarts van de keizer, en Augerius Gislenius Busbequius, mentor van Maximiliaans zonen. Na het overlijden van Maximiliaan II in 1576 verloor hij zijn hoge bescherming. In 1578 ging hij in op een uitnodiging van Balthazar Batthyàny om de flora van Pannonië (West-Hongarije en Oostenrijks Burgenland) te bestuderen. Dit lag aan de basis van drie grote werken: Rariorum aliquot

[p. 246]

Stirpium, per Pannoniam, Austriam et vicinas quasdam Provincias observatarum Historia (Antwerpen, Plantijn, 1583), over zeldzame planten in Pannonië en Oostenrijk; Stirpium Nomenclator Pannonicus (Nemetvywarini, J. Manlius, 1583 en Antwerpen, Chr. Plantijn, 1584), over de Pannonische (Hongaarse) nomenclatuur der planten; Fungorum in pannoniis observatorum brevis Historia (in 1601 bij Plantijn gepubliceerd in de Rariorum plantarum Historia), notities over paddestoelen uit Hongarije.

Na enkele jaren zwerven in Engeland, de Nederlanden en Duitsland, vestigde Clusius zich van 1588 tot 1593 in Frankfurt. Tijdens deze periode bleef hij de Plantijnse drukkerij voorzien van informatie over exotische planten: notities bij Garcia de Horta met beschrijvingen van exotische planten door Francis Drake, een vertaling van Monardes' derde boek (1582), een vertaling van ‘de drogerijen en medicijnen van Oost-Indië’ van Cristovão De Acosta (1582) - het origineel was verschenen in 1578 te Burgos - en een vertaling van de reisverhalen van Pierre Belon (1589).

Clusius' belangstelling voor reisverhalen blijkt eveneens uit het feit dat hij Thomas Hariots A briefe and true report of the new found land of Virginia, of the commodities and of the nature and manners of the natural inhabitants. Discovered by the English colony in the yeere 1585 at the special charge of the honourable Sir Walter Raleigh. This fore book is made in English by Thom. Hariot (Frankfurt, Th. de Bry, 1590) uit het Engels in het Latijn heeft vertaald.

De houtsneden voor de Oostenrijkse flora kunnen de vergelijking met die van de Spaanse flora niet doorstaan. Clusius was de eerste die zich met de Alpijnse flora bezighield. Hij schonk veel aandacht aan planten die uit het Oosten waren ingevoerd (vb. laurier, de kers, bolgewassen zoals de sjalot, de anemoon, de krokus, de hyacint, de ranonkel en - uiteraard - de tulp).

Zoals Justus Lipsius dit reeds in 1587 had gedaan, zetten Marie de Brimeu en Jan van Hoghelande Clusius in 1591 onder druk om zich naar Leiden te begeven, waar de universiteit, gesticht in 1575, een befaamde ‘hortus medicus’ had aangelegd en het onderwijs toevertrouwde aan professoren met een internationale uitstraling. In 1593 kwam Clusius te Leiden aan. Voorzien van een rijkelijk honorarium en vrijgesteld van onderricht en het eigenlijke beheer van de tuin, kon hij al zijn tijd aan onderzoek wijden, met name aan de heruitgave van bepaalde werken en aan de publicatie van zijn Opera Omnia. Dit werk telt twee volumes: Caroli CLUSI Atrebatis, Impp. Caess. Augg. Maximiliani II. Rudolphi II. Aulae quondam familiaris, Rariorum plantarum Historia. Quae accesserint, proxima pagina docebit (Antwerpen, J. Moretus, 1601) en Carolo CLUSII Atrebatis, Aulae Caesaereae quondam Familiaris, Exoticorum libri decem: Quibus animalium, plantarum, aromatum, aliorumque peregrinorum fructuum historiae describuntur: Item Petri Bellonii Observationes, eodem Carolo CLUSIO interprete. Series totius operis post praefationem indicabitur (Leiden, Fr. Raphalengius, 1605).

Mathias de l'Obel (Lobelius)

Mathias de l'Obel, geboren te Rijsel in 1538, studeerde te Leuven onder leiding van Jeroen de Drivere (Triverius) en was er bevriend met Cornelius Gemma. Vervolgens bezocht hij verschillende Italiaanse universiteiten: Pisa, waar hij les volgde bij Lucas Ghini (1500-1556), Padua, waar Fallope (ca. 1523-1562) zijn leermeester was, en misschien ook Bologna en Ferrara. Op 22 mei 1565 schreef hij zich in aan de universiteit van Montpellier. Ook hij kwam vaak in contact met Guillaume Rondelet, die bij zijn overlijden in 1566 al zijn farmaceutische papieren aan hem overliet. Hij werkte er samen met Pierre Pena, een andere jonge botanist. Deze samenwerking verliep niet zonder moeilijkheden en gaf latere bibliografen heel wat stof tot discussie.

Van 1567 tot 1571 verbleven beide vrienden in Engeland als gevolg van de religieuze troebelen in Montpellier. In 1571 publiceerden ze bij Thomas Purfoot te Londen Stirpium adversaria nova, perfacilis vestigatio, luculentaque accessio ad priscorum, presertim Dioscoridis & recentiorum, materiam medicam. Quibus prae diem accedet altera pars. Quo coniectaneorum de plantis appendix, de succis medicatis et metallicis sectio, antiquae et novatae medicinae lectiorum remediorum thesaurus opulentissimus de succedaneis libellus continentur. Het gaat in hoofdzaak om beschrijvingen van planten (ongeveer 1.400, geïllustreerd op 268 gravures). Uit Italië en Frankrijk hadden ze meerdere herbaria van gedroogde planten meegenomen die ze in Engeland met allerhande plaatselijke planten aanvulden. Alle planten werden op figuren afgebeeld. De synoptische tabellen vormen een nieuwigheid.

[p. 247]



illustratie

Tulpen. Mathias de l'Obel, Cruydtboeck, Antwerpen, 1581. © M.P.M. ▪


In 1571 vestigde de l'Obel zich te Antwerpen en trad hij toe tot de vriendenkring van Plantijn. Hij nam als het ware de plaats in van Dodoens, die weldra zou vertrekken naar Wenen. Plantijn had 800 exemplaren gekocht van de Londense editie. Hij voegde ze toe aan het door de l'Obel te Antwerpen geredigeerde Plantarum seu stirpium historia, dat in 1576 werd gepubliceerd. Van de 1.473 figuren in dit herbarium werden er 416 ontleend aan het kruidenboek van Dodoens, 233 overgenomen uit de Spaanse flora van Charles de l'Escluse, 36 opgegeven door Cornelius Gemma, 708 ter beschikking gesteld door de graveur Antoon Van Leest en 74 overgemaakt door Gerard Janssen. Deze 782 gravures waren in feite aanvankelijk voorzien voor Dodoens, maar die had zijn opdracht niet voltooid. Ze werden dus toegevoegd aan het werk van de l'Obel. De tekst berust op de l'Obels persoonlijke waarnemingen en op ontleningen aan klassieke auteurs zoals Theophrastes en Dioscorides en Arabische schrijvers zoals Mesue en Serapion. De medische aspecten die hij in de Adversaria aan de kant heeft gelaten, brengt hij in dit werk tot ontwikkeling. Hij toont zich een warm voorstander van de antieken, met name van Galenus, en keert zich tegen iedere medische vernieuwing, Paracelsus incluis.

[p. 248]

In 1579 vestigde hij zich in Delft als lijfarts van Willem van Oranje; hij bleef dit tot deze laatste in 1584 werd vermoord. Het is de periode van het Cruydtboeck en de Stirpium icones van 1581. Het Cruydtboeck is een Vlaamse adaptatie van de Adversaria en de Plantarum historia, aangevuld met nieuw materiaal en verbeterde synoptische tabellen. De Stirpium icones verschenen tezelfdertijd en hernemen enkel de figuren en de nomenclatuur van 2.173 planten, geklasseerd volgens de systematische methode van de l'Obel. Het werk, een botanisch meesterwerk, is anoniem en werd gepubliceerd op initiatief van Plantijn.

De l'Obel keerde in 1584 naar Antwerpen terug in de functie van beëdigd stadsgeneesheer. Op een onbekend tijdstip, hetzij in 1586, hetzij in 1590, vertrok hij, als lijfarts van lord Zouche, opnieuw naar Engeland, waarna hij botanist werd van Jacob I. In 1605 publiceerde hij bij Thomas Purfoot een dikke bundel met notities van Rondelet, de Stirpium adversaria nova met commentaren, de reeds in de editie van 1571 aangekondigde Adversariorum altera pars, en verschillende medische werkjes van Rondelet en hemzelf. Het is een zeer heterogeen werk. Mathias de l'Obel stierf in 1616.



illustratie

Portret van de Italiaanse verzamelaar Ulisse Aldrovandi. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


Anselmus Boëtius de Boodt

Anselmus de Boodt, geboren te Brugge in 1550, schreef zich op 26 februari 1567 in aan de artesfaculteit van de Leuvense universiteit, waarna hij aan de rechtsfaculteit promoveerde tot licentiaat ‘utriusque iuris’, dit wil zeggen zowel in Romeins als in kerkelijk recht. In zijn geboortestad bekleedde hij enige tijd de functie van stadsraad, maar al gauw vertrok hij, misschien omwille van de oorlog, naar Heidelberg om er les te volgen bij de arts Thomas Erastus (1524-1583), die bekend stond voor zijn onbuigzaam aristotelisme en voor zijn verzet tegen Paracelsus. Hij ondernam deze studies vóór 1580; in dat jaar moest Erastus immers met de lessen stoppen. De Boodt trok vervolgens naar het keizerlijke hof te Wenen, toentertijd een smeltkroes van Nederlandse intellectuelen. In 1584 was hij in Praag. Hij was er eerst lijfarts van de keizerlijke raadsheer Wilhelm Rosenberg en vanaf 1603 van Rudolf II zelf. Op een niet nader gekend tijdstip trok hij naar Padua om er zijn doctorsmuts te behalen. In zijn voorlaatste boek, uitgegeven in 1628, staat hij echter nog steeds vermeld als licentiaat in de medicijnen.

Het Praagse milieu, dat uiterst geschikt was voor de ontwikkeling van zijn naturalistische roeping, zorgde door de aanwezigheid van alchimisten en aanhangers van Paracelsus voor een omschakeling op filosofisch vlak. Dankzij Nicolas Barnaud en Theolbald van Hoghelande weten we dat hij zich op het Grote Werk heeft toegelegd. Deze oriëntatie treedt aan de dag in zijn eerste boek, het in 1603 uitgegeven derde deel van de Symbola uaria diuersorum principum, een emblemenboek dat na de dood van de hofhistoriograaf Jacobus Typotius (1540-1601) onafgewerkt was gebleven. Hoewel de Boodt slechts commentaar geeft bij de door Aegidius Sadeler gegraveerde platen van medailles en penningen, blijkt uit meerdere uitweidingen bij de verklaring van deviezen een gedegen kennis van de natuurlijke historie en haar symboliek. Het werk Gemmarum et Lapidum Historia, dat in 1609 te Hanau verscheen en aan Rudolf II is opgedragen, zou ongetwijfeld nooit tot stand zijn gekomen indien de auteur niet aan het keizerlijke hof had gewerkt, waar hij buitengewone verzamelingen kon aanspreken en een beroep kon doen op uit Italië afkomstige juweliers en op bodemonderzoekers die door Rudolf naar alle uithoeken van Bohemen waren gezonden om mineralen op te delven. Vooral de theorieën in het boek

[p. 249]

weerspiegelen de complexe wetenschappelijke vorming van de auteur.

Het werk zou in 1636 te Leiden worden herdrukt. Het werd aangevuld met enkele bibliografische nota's en met een index, opgesteld door de arts Jan Toll. De editie die in 1647 bij Jean Maire verscheen was vervolledigd met twee boeken over stenen en edelstenen en met een Latijnse vertaling van het lapidarium van Theophrastus, uitgevoerd door de Antwerpse polygraaf Jan de Laet (1593-1624). Deze laatste verdient een plaats in de geschiedenis der natuurwetenschappen omwille van zijn werken over de Nieuwe Wereld en meer in het bijzonder voor zijn aanvechting van Hugo Grotius' boek over de oorsprong der Amerikanen.

De Boodt schreef tevens een boekje over planten waarvan de legenden in versvorm zijn gesteld. De vraag of het hier gaat om een authentieke tekst of om plagiaat werd reeds eerder gesteld. Tussen 1609 en 1615 schilderde hij ook 748 zoölogische en botanische aquarellen, gebundeld in elf albums. Deze platen zijn al die tijd in familiebezit gebleven en werden pas in 1990 verkocht. Het is een vreemde verzameling. Een indeling in groepen wijst op pogingen tot classificatie, ja zelfs op een onderliggende verzameling. De overeenkomsten met Praagse en Italiaanse collecties, zoals die van Ulisse Aldrovandi (1522-1605), moeten nog worden onderzocht.

Besluit

Toen Rabelais in 1534 de opvoeding van de jonge Gargantua beschreef, sprak hij op vermakelijke wijze over het werk van een 16de-eeuwse botanist: ‘(...) als ze voorbij een weide of een andere grasrijke plek passeerden, onderzochten ze de bomen en de planten, vergeleken ze deze met de beschrijvingen in de boeken van antieke auteurs zoals Theophrastes, Dioscorides, Marinus, Plinius, Nicander, Macer en Galenus, en namen ze er zoveel ze dragen konden mee naar huis, waar ze door een jonge page, Rhizotomus, met behulp van een set hakken, houwelen, snoeischaren, spaden, schoppen en andere instrumenten goed werden aangeplant’.

Dodoens, de l'Escluse en de l'Obel zouden zich steeds solidair tonen met de onder invloed van het humanisme hernieuwde antieke traditie. Ze zouden het aantal beschreven planten gigantisch optrekken en zowel de beschrijvingen als de terminologie gevoelig verbeteren. Ze waren er van overtuigd dat ze slechts enkele retouches aanbrachten; Dioscorides en Galenus zouden ze nooit verwerpen. De botanica, die volledig in het medische onderwijs was geïntegreerd, zou dan ook uitgroeien tot een machtige bondgenoot van het universitaire galenisme in haar strijd tegen de aanhangers van Paracelsus. Het voorwoord van de l'Obels Plantarum seu stirpium historia (1586) geeft de oriëntatie van onze botanisten goed weer: ‘Het is beter dat men uit de bronnen put dan dat men de beekjes volgt. Onder de meer recente auteurs zijn er immers heel wat die het als hun grootste verdienste beschouwen dat ze nieuwe remedies en nieuwe recepten voor de bereiding van geneesmiddelen hebben gevonden. Eén van hen is Paracelsus, met zijn duistere geschriften en zijn sektarische aanhangers. In de monumentale werken van Dioscorides en andere oude auteurs vinden we evenwel de methode die aan het nageslacht werd nagelaten om de eigenschappen van kruiden te benutten en medicijnen te bereiden. En om niet - zoals anderen - meerdere malen hetzelfde te herhalen, heb ik het onwijs geacht om in mijn werkje de teksten van Galenus, Paulus van Egina, Plinius en anderen woord voor woord aan te halen. Ik heb de lezer nochtans ingelicht over de zaken die door Dioscorides zijn weggelaten en die door anderen zijn toegevoegd. Bovendien verklaar ik dikwijls aan de hand van Galenus meerdere passages uit het werk van Dioscorides over de genezende werking van kruiden en de oorzaak hiervan. In feite bewijst Galenus dat van al diegenen die vóór hem over planten hebben geschreven, niemand met meer zorg, precisie en kennis heeft gewerkt dan Dioscorides. Hij beklemtoont dat enkel hij moet worden gevolgd; op menige plaats toont hij zich dan ook de vertolker van diens ideeën (...). Dat ze dus hun lasterlijke mond houden, die onzinnige kwaadsprekers die de geschriften van Dioscorides - de prins der herboristen, naar de mening van hoge geleerden - als puur empirisme van de hand wijzen’.

Ondanks trouw ten aanzien van de antieken leverden de 16de-eeuwse botanisten een grote persoonlijke bijdrage aan de plantkunde. Vooreerst konden ze beschikken over een massa monsters - gekregen van correspondenten ofwel aangekocht bij verzamelaars, zelf in gedroogde toestand in herbaria verzameld, ofwel als levende geacclimatiseerde specimens in tuinen aangeplant- en over beschrijvingen die via een netwerk van correspondenten uit alle hoeken van de wereld toestroomden. Enkelen, zoals Charles de l'Escluse, gaven

[p. 250]

het wetenschappelijk bewustzijn desnoods een duwtje in de rug door zelf te zorgen voor een vertaling van de grote Spaanse en Portugese verhandelingen. Vermits ze door hun opleiding vertrouwd waren met de filologische methoden, verrichten ze belangrijk werk op het vlak van de terminologie en de uniformering van synonymieën; ze vormden zelf nieuwe woorden en gaven aan bestaande een moderne inhoud. Eigenlijk stelden ze het eerste Latijnse - dit wil zeggen internationale - vocabularium voor biologische wetenschappen samen. Linnaeus zou voor de uitwerking van zijn binominale nomenclatuur rijkelijk putten uit het door hen samengestelde vocabularium. Voor het maken van beschrijvingen hadden ze een soepele en nauwkeurige techniek ontwikkeld, die met alle aspecten van de plant rekening hield en die met levensechte afbeeldingen was aangevuld. Uiteraard werden ze ook geconfronteerd met het probleem van de classificatie, maar tot een echte oplossing is het nooit gekomen. Omdat ze vonden dat de middeleeuwse gewoonte om planten alfabetisch op te sommen voorbijgestreefd was, legden ze zich toe op het hergroeperen van planten op basis van natuurlijke overeenkomsten.

Dodoens' schema in de zes delen van de Plantarum historia toont zowel de nauwkeurigheid als de beperkingen van zijn classificatie. In het eerste deel groepeert Dodoens de planten die hij elders niet heeft kunnen klasseren, maar die wel gemeenschappelijke kenmerken vertonen. Bepaalde families zijn goed vertegenwoordigd: de Geraniaceae, de Hypericaceae, de Plantaginaceae, de Rutaceae, de Crassulaceae en de Saxifragaceae. Het tweede deel bevat planten die opvallen door hun bloemen, gebruikt worden als versiering of van nut zijn voor de geneeskunde, welriekende planten en Ombelliferae. De bloemdragende planten worden onderverdeeld in veld- en tuinplanten, die op hun beurt worden onderverdeeld in bolgewassen en zaaddragende planten. Het derde deel beschrijft planten die gebruikt worden in de geneeskunde en die elders niet worden beschreven. Er wordt een onderverdeling gemaakt tussen wortels met geneeskrachtige eigenschappen, planten met een laxerende werking, wortels met een laxerende werking, klimplanten, giftige planten en cryptogamen. Het vierde deel behandelt voedselgewassen: granen en peulgewassen en planten die indertijd werden beschouwd als zijnde gedegenereerd, met name gras, veevoer, moeras- en waterplanten. Het vijfde deel groepeert de tuinplanten, de specerijen en de distels. Het zesde deel is gewijd aan de bomen en de struiken: doornplanten, planten zonder doornen, gecultiveerde bomen en struiken, bomen en struiken in wouden, bomen en struiken met immergroene bladeren.

▪ De geneeskunde, de natuurwetenschappen en de scheikunde tussen 1600 en 1685

▫ Jan-Baptist van Helmont: de leer van Paracelsus en de Wetenschappelijke Revolutie

Het leven en het werk van Jan-Baptist van Helmont (1578/9-1644) zijn illustratief voor de ambivalentie en de aarzelende pogingen van de Wetenschappelijke Revolutie op het vlak van de scheikunde, geneeskunde en natuurwetenschappen bij de overgang van de 16de naar de 17de eeuw. Positivistische historici meenden hem te moeten eren als vurig criticus van het galenisme, bedreven experimentator, uitvinder van het begrip gas en pionier van de fysiologie. Meer recentelijk werd hij ingedeeld bij de hermetici en de Paracelsus-aanhangers van de tweede generatie. Eigenlijk is geen van beide visies volstrekt juist. Zijn denkpatroon was niet altijd even rechtlijnig, maar dat is typisch voor zijn generatie. De bittere strijd tussen paracelsisme en galenisme leverde een nieuw model voor de inerte en de levende materie waarbij alles werd verklaard door gedaante en beweging.

Jan-Baptist van Helmont werd op 12 januari 1579 gedoopt in de Brusselse Sint-Goedelekerk. Zijn ouders behoorden tot voorname Vlaamse families met talrijke bezittingen in Brabant. In 1590 of 1591 schreef hij zich in aan de artesfaculteit van de Leuvense universiteit, die toen een spectaculaire opleving kende. Nadat hij het volledige ‘corpus aristotelicum’ had afgewerkt, maakte hij zich vertrouwd met het copernicanisme en de wiskunde. Ontevreden over het waarheidsgehalte dat hij daarin aantrof, maakte hij zich de grondbeginselen van het occultisme eigen, las hij de werken van Agrippa en volgde hij aan het jezuiëtencollege de lessen die Martin Antonio del Rio (1571-1608) wijdde aan magie ter voorbereiding van zijn erudiete Disquisitiones magicae van 1599.

Tezelfdertijd zocht hij in het christelijk stoïcisme van Justus Lipsius (1547-1606) zelfkennis en een afdoend antwoord op zijn existentiële vragen. In 1594 schreef

[p. 251]



illustratie

Portret van Jan-Baptist van Helmont en zijn zoon. © C.A.L.


hij zich in aan de medische faculteit, waar op dat moment briljante vertegenwoordigers van het kritisch galenisme les gaven: Gerard de Villers en Thomas Fyens. Hoewel het debuut van deze jongeman veelbelovend was, mislukten al zijn projecten. Voor een geneeskunde die de ziekte alleen maar besprak in plaats van haar te genezen, had hij geen goed woord over. De ondoeltreffendheid van de geneeskunde kwam voort uit de ijdelheid van haar principen en methoden. Hoewel niet bekend is of hij uiteindelijk een graad heeft behaald, staat het vast dat hij in deze periode van verwarring en ontgoocheling op 24 september 1593 bij het vallen van de avond aan de Schelde nabij Kallo een droom of visioen heeft gehad, waarin de schim van Paracelsus hem introduceerde bij het hemelse college der geïnitieerden in het paleis van Hermes Trismegistus. Opvallend zijn de parallellen met Descartes' dromen in de nacht van 10 op 11 november 1619, die aan diens leven en werk eveneens een nieuwe wending hebben gegeven. Naar het voorbeeld van andere door Paracelsus geïnspireerde artsen doorkruiste hij Europa, op zoek naar de waarheid. Hij bezocht Italië, maar wanneer is met bekend. In 1602, 1604, 1605 en 1606 was hij te London in het kader van de diplomatieke missies van de baron van Hoboken. Hij verwierf er een grondige kennis van de geneeskunde van Paracelsus. In 1607 voltooide hij zijn eerste boek, Eisagogè in artem medicam a Paracelso restitutam, een inleiding op de door Paracelsus in eer herstelde geneeskunde. Van Helmont pastte het werk evenwel voortdurend aan. De officiaal vond het onuitgegeven tussen zijn papieren in 1634. Tot een populair arts uitgegroeid, vormde hij een laboratorium en frequenteerde hij - zonder er zelf lid van te worden - de kring rond Ernest van Beieren. Het is mogelijk dat hij op geregelde basis omging met de mysterieuze Antwerpse alchimist Willem Mennens (1525-1608), die in zijn Aurei velleris (1604) de mythe van het Gulden vlies interpreteert in het licht van de christelijke kabbala. Van Helmont spande zich in om in zijn onafgewerkt gebleven commentaar op de boeken De Diaeta en De alimento de hippocratische geschriften in dezelfde zin te interpreteren. In 1609 huwde hij Margriet van Ranst. Daardoor kreeg hij toegang tot de voornaamste Brabantse families. Bovendien werd hij er zo welstellend mee dat hij geneeskundige hulp voortaan gratis kon verstrekken. Gedurende zeven jaar trok hij zich terug op zijn domein in Nederheembeek bij Vilvoorde. Profiterend van de vrede trok hij in 1616 naar Brussel, dat dankzij aartshertogin Isabella een centrum werd van wetenschap en belletrie. In dit milieu waakte echter de muggezifterige orthodoxie van de Contrareformatie. Van Helmont haalde zich heel wat problemen op de hals door zich te mengen in de controverse rond de wapenzalf van Paracelsus.

Paracelsus had een zalf beschreven die geacht werd verwondingen op afstand te genezen. Voorwaarde was dat het wapen waarmee de blessures waren veroorzaakt met de zalf werd ingewreven. Dit gebruik paste volledig in het paracelsiaans universum; alle zaken stonden er door een occulte sympatische of onsympatische samenhang met elkaar in verbinding. Hoewel de spectaculaire genezingen die men als voorbeeld aanhaalde niet in twijfel werden getrokken, was men het in 17de-eeuwse wetenschappelijke kringen wel grondig oneens over het mechanisme van de genezing op

[p. 252]

afstand - hetzelfde geldt trouwens voor de al even occulte newtoniaanse aantrekking. In meer algemene zin riep de zalf vragen op met betrekking tot de natuurkrachten, de natuurlijke magie en - daaruit voortvloeiend - de scheiding tussen de natuurlijke en de bovennatuurlijke orde. In 1608 had Rudolfus Goclenius de jonge (1572-1621) hiervoor een astrologische verklaring geformuleerd. Hierop volgde in 1615 een scherpe repliek van de jezuiët Jan Roberti (1569-1651). Het lijkt erop dat Jan-Baptist van Helmont zijn eigen opvattingen heeft neergeschreven op vraag van Roberti. Volgens van Helmont was de werking van het geneesmiddel te wijten aan het natuurlijk magnetisme, een vaag begrip dat zowel betrekking had op verschillende gevallen van werking op afstand, als op de kracht van relieken en het uitdrijvend effect dat geassocieerd werd met de psychologische handelingen van een exorcist. Het handschrift circuleerde aanvankelijk in besloten kring, maar in 1621 werd het door een vriend van van Helmont, de ingenieur Jean Gallé, zonder zijn medeweten te Parijs gepubliceerd. Gealarmeerd door Roberti, omschreven de Leuvense theologen en een aantal artsen uit Leuven, Douai en Luik in 1624 24 proposities van van Helmont als afkeurenswaardig (Propositiones notatu dignae). De Spaanse Generale Inquisitie veroordeelde het werk op 16 oktober 1625; op 23 februari 1626 werd een onderzoek bevolen tegen van Helmont. Eigenlijk kunnen we deze gebeurtenissen enkel begrijpen indien we ze plaatsen binnen de context van onrust en onzekerheid, die het gevolg was van het feit dat zowel Kerk als universiteit zich bedreigd voelden door een complot van ‘libertijnen’, een vage term die slaat op het bonte allegaartje van sceptici, vrijdenkers, naturalisten, atheïsten, aanhangers van Copernicus en aanhangers van Paracelsus. In 1616 werd het copernicanisme door de Index veroordeeld; in 1619 werd de Italiaan Lucilio Vanini geëxecuteerd en Théophile de Viau uit Frankrijk verbannen. In 1621 werd Fontanier terechtgesteld. In 1624 werden Etienne de Clave en zijn vrienden verbannen en werd het lijk van Marcus Antonius de Dominis openbaar verbrand.

Van Helmont werd verhoord op 3 september 1627. Aangezien hij niet van zijn stellingen afweek, vroeg de officiaal een bijkomende instructie aan de Leuvense theologen. Het zou drie jaar duren om het dossier aan te vullen. Op 23 oktober 1630 werd van Helmont, door de procureur opnieuw opgeroepen, gedwongen een document te ondertekenen dat er voor zorgde dat al zijn publicaties werden ingetrokken. Dit gaf hem opnieuw drie jaar respijt. Op 22 juni 1633 zwoer Galilei zijn stellingen af. De pauselijke nuntius deelde de veroordeling mee aan de Leuvense universiteit. Door dit vonnis gesterkt, publiceerde de theologische faculteit een vermeerderde uitgave van de Propositiones notatu dignae. Op 4 maart 1634 werd de filosoof aangehouden; zijn persoonlijke documenten werden geconfisqueerd. Het proces, dat vier jaar zou duren, zou zonder gevolg worden afgesloten.

In tegenstelling tot Galilei, een gewone professor in de wiskunde, was van Helmont niet om het even wie. Door zijn banden met de hoge Brabantse adel behoorde hij tot een onstuimige clan die de moordpartijen en proscripties van de hertog van Alva nog niet was vergeten. Onafgezien van het feit of ze de Reformatie al of niet genegen waren, waren de leden van deze groep eensgezind in hun opwinding over de aantasting

illustratie

Jan-Baptist van Helmont, Dageraed, ofte nieuwe opkomst der geneeskonst...,Rotterdam, 1660. Titelblad. © C.H.S.T.


[p. 253]

van hun oude gewoonten door het Spaanse wereldlijke en religieuze gezag.

Deze bijzondere positie verklaart de strategie die de scheikundige en zijn familie hebben gevolgd. Eerst probeerde van Helmont zijn opsluiting te laten omzetten in huisarrest. Hij betaalde daarvoor een hoge borgsom. Bovendien erkende hij tijdens de verhoren niet om het even wat en kreeg hij van zijn biechtvaders een bewijs waarin stond dat hij een aanhanger was van de orthodoxe leer. Tezelfdertijd wezen een aantal geslepen juristen bij de Raad van Brabant op de onverenigbaarheid van de kerkelijke rechtspraak met de civiele vrijheden. Tenslotte werd ook buitenlandse invloed, zoals die van Marin Mersenne (1588-1648) en van Maria de Medici (1573-1642), zeker niet onaangeroerd gelaten. Uiteindelijk was er noch een winnaar, noch een verliezer. Vanaf 1638 tot aan zijn dood kon van Helmont zijn werk voortzetten. De talrijke verstoringen en onderbrekingen hadden hem evenwel getekend.

Door een speling van het lot zijn de meeste sporen van van Helmonts activiteiten uitgewist. Dat hij nog tijdens zijn leven tot een grote reputatie was uitgegroeid, had hij te danken aan zijn medische praktijk en zijn persoonlijke contacten, niet aan zijn geschriften. Zelf publiceerde hij enkel een werkje over het dierlijk magnetisme - in 1621 tegen zijn zin uitgegeven -, een traktaat over het Spawater (1624) en - tegen het einde van zijn leven - een werk over koortsen (1642) en enkele medische geschriftjes (1644). De vele teksten die hij tussen 1599 en 1634 had geredigeerd, waren op 4 maart 1634 geconfisqueerd geworden door het kerkelijk tribunaal en kreeg hij nooit meer terug. Enkele dagen voor zijn dood (30 december 1644) ontbood hij zijn zoon Franciscus Mercurius. Hij gaf hem al zijn handschriften, het ene al meer afgewerkt dan het andere. Deze teksten, geschreven tussen 1634 en 1644, vormen de kern van de Ortus medicinae (1648), de Opera omnia (1652), de Engelse Helmontvertaling van John Chandler (1662) en de Duitse vertaling van Christian Knorr von Rosenroth (1683). Jan-Baptist van Helmont wilde zijn werken aanvankelijk in het Vlaams schrijven. Zijn eerste essays, door Franciscus Mercurius teruggevonden bij zijn zuster, werden in 1659 gepubliceerd onder de ritel Dageraed. Dit werk, kort na 1638 geredigeerd, telt drie delen: het eerste komt overeen met het begin van de Ortus, het tweede handelt over steenziekten, het derde over de pest. Indien we de evolutie van van Helmonts denken en de vorming van zijn belangrijkste concepten willen reconstrueren, moeten we noodzakelijkerwijs rekening houden met de complexe chronologie van de geschriften.

In de jaren van teleurstelling werd het voor van Helmont duidelijk dat de traditionele scholen ondoeltreffend waren omdat hun methodologische fundamenten niet deugden. Hij zag dat de navolgers van de oude hermetische geneeskundigen een andere vorm van kennis hanteerden, gebaseerd op de ontbinding van lichamen volgens hun principen. In De magnetica vulnerum curatione van 1621 waagt hij zich nog een stap verder. Hij stelt dat het dierlijk magnetisme - op zich irrationeel - slechts gekend is uit proeven. Om de ware aard ervan te begrijpen, is een specifieke, aan de magie verwante kennis noodzakelijk. Vóór de erfzonde had de mens een directe en juiste kennis van de natuur. Sinds de zondeval is deze kennis in de mens ingeslapen ten voordele van pseudo-kennis die uit de zondeval is ontstaan en door heidenen zoals Aristoteles en Galenus verder tot ontwikkeling is gebracht. Ze maakt gebruik van logische redeneringen, methodische uiteenzettingen en meetkundige bewijzen. Het gebeurt dat God de eerste kennis laat ontwaken door de kabbala, profetische dromen of een goddelijke ingeving. Deze visie wordt verder uitgewerkt in het traktaat Van reden en verstandt. Het geschriftje vormt een onderdeel van Dageraed, maar is ook terug te vinden in de Ortus onder de titel Venatio scientiarum, ‘de jacht der wetenschappen’. Eigenlijk is het een echt helmontiaans Discours de la méthode. Volgens van Helmont is de definitie van de mens als rationeel wezen heidens. Na de dood zou de ziel de rede niet meer nodig hebben. Ze zou alles onmiddellijk kennen. In afwachting daarvan moet men de rede van haar voetstuk halen door God te verzoeken de ogen van de ziel te openen om de bevoorrechte kennis, waaruit het inzicht uit zichzelf naar voor treedt (‘ecstasis’) en zich vervolgens in zijn object transformeert, te kunnen zien. Zelf is Jan-Baptist van Helmont meerdere malen in extase geraakt.

Indien deze openbaringen achterwege blijven, moet men terugvallen op de Heilige Schrift - het Woord Gods - en op waarnemingen, in het bijzonder die welke betrekking hebben op de ontbinding van lichamen in het vuur van de alchimist. Immers, voor haar producties gebruikt de natuur dezelfde middelen. De

[p. 254]

middelen waarmee men de wetenschappen kan verwerven zijn dus ‘orare, quaerere et pulsare’, dit wil zeggen ‘bidden, zoeken en op de deur kloppen’. Hiermee wordt verwezen naar de woorden uit het evangelie: ‘Vraagt en men zal u geven, zoekt en gij zult vinden, klopt en men zal u opendoen’ (Mt., VII, 7). In de Dageraed stelt hij dat hij zich uitsluitend beroept op de Heilige Schrift en op de bewijzen van zijn eigen proeven. Deze methodologie is geïnspireerd op Paracelsus en we zouden een vergissing begaan indien we haar in verband zouden brengen met de moderne experimentele methode. De methoden voor analyse en verificatie van de keurmeesters van edele metalen stonden immers naast de mechanische demonstraties van de ingenieurs, verfijnde denkoefeningen naast de grote hoop ‘experimenta’ van de alchimisten en kruidenmengers - dit wil zeggen de grote hoop naakte en onverklaarbare, door één of andere autoriteit gerechtvaardigde of gegarandeerde feiten die hun legitimiteit slechts ontleenden aan hun reële of vermeende doelmatigheid. Van Helmont maakt van deze methode gebruik in zijn bespreking van de problemen van de ultieme bestanddelen van de materie en het functioneren van een gezond of ziek lichaam.

Het probleem van de elementen, de ultieme bestanddelen van de materie, stelde zowel de methodologie als de therapeutiek in vraag. De vier elementen van Aristoteles - water, lucht, aarde en vuur - en de daarop gebaseerde vier levenssappen van Galenus - flegma, zwarte gal, gele gal en bloed - werden door de alchimisten en de aanhangers van Paracelsus bestreden. Ze werden vervangen door drie elementen - zout, zwavel en kwik - die men zogezegd verkregen had door organische substanties trapsgewijs te distilleren. Van dan af was het grootste probleem van de scheikundigen deze ‘tria prima’, die geschraagd werden met laboratoriumuitslagen, in overeenstemming te brengen met de vier traditionele elementen, die gesteund werden door de intuïtie en het gewicht van de traditie.

In zijn eerste geschriften zet van Helmont uiteen dat de ‘tria prima’ de bron zijn van de eigenschappen en activiteiten van lichamen. De vier elementen zijn niet meer dan vergaarbakken of matrijzen. Met de publicatie van het werkje over het Spawater verandert het perspectief. Het boek Genesis zegt immers over de schepping: ‘Gods Geest zweefde over de wateren’ en ‘God scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven’. Er zijn dus twee primitieve elemen-

illustratie

Alchemistisch laboratorium. © C.H.S.T. ▪


ten: lucht en water. Alle stoffen kunnen verbranden - dit wil zeggen omgezet worden in kalk of as. Hieruit kan met een gepast oplosmiddel een zout worden afgeleid dat verandert in water. De aan Paracelsus ontleende term ‘alcahest’ wordt door van Helmont gebruikt als omschrijving voor een universeel oplosmiddel, dat zelfs de meest harde stoffen in water kan omzetten. Een dergelijk middel heeft zeker nooit bestaan, vermits het in geen enkele fles zou kunnen worden bewaard. Het is een puur denkbeeldige creatie. Alle organische stoffen ontlenen hun groei aan water. Vuur is geen element maar gecondenseerd licht. Water en lucht kunnen niet in elkaar worden omgezet. Van Helmont bewijst dit aan de hand van verschillende reële of gefingeerde experimenten, zelf bedacht of ontleend aan voorgangers.

De omzetting van de primaire, ongedifferentieerde materie in concrete substanties gebeurt door tussenkomst van zaden die door het actieve ‘archeus-principe’ in het oerwater zijn afgezet. De zaden - tussen geest en stof - bevatten, net als onze genetische code, informatie die bepaalt welke bijzondere vorm de materie zal aannemen. De ‘tria prima’ zijn dus toe te schrij-

[p. 255]

ven aan de inwerking van de zaden op het water. De reactie tussen de materie en dit dynamisch principe verloopt volgens een soort gistingsproces. Het zaad werkt in op het water door een gist, waardoor een bepaalde substantie ontstaat die het midden houdt tussen geest en stof en doordrenkt is met zaden. In dit tussengebied heeft het object nog niet zijn concrete vorm, maar wel zijn specifiek karakter. Deze materie noemt van Helmont ‘gas’, misschien omdat hij wil verwijzen naar de term ‘chaos’, misschien omdat de Vlaamse term ‘geest’, een leenvertaling van het Latijnse woord ‘spiritus’, dat een omschrijving is voor elke soort vluchtige substantie, hem heeft beïnvloed. Vóór van Helmont kunnen geen echte sporen van een dergelijk concept worden teruggevonden. Het gas is geen bestanddeel van een lichaam, het is het lichaam zelf in een welbepaalde staat. In vaste lichamen is het ‘gas’ ingeslapen. Men kan een lichaam echter wel tot een gasvormige toestand terugbrengen en vervolgens - door het zaad eruit te verwijderen - in water doen condenseren. De experimenten (verbranding, fermentatie, inwerking van zuren) waarmee van Helmont dit nieuwe concept ondersteunt, zouden een nieuw onderzoeksterrein openen voor de pneumatische scheikunde. De term zelf werd in de 18de eeuw in de schaduw gesteld van de oude benaming ‘air’, maar in de loop van de 19de eeuw maakte hij een spectaculaire rentree. Op dezelfde manier verklaart van Helmont de werking van een ziek en een gezond organisme en doet hij voorstellen voor een nieuwe therapeutiek.

▫ Het kritisch galenisme en de reorganisatie van de medische beroepen

De scherpe kritiek van van Helmont op de universitaire geneeskunde en de praktizerende artsen van zijn tijd is nochtans enigszins overtrokken. Het feit dat een groot deel van hen de Propositiones notatu dignae van 1624 en 1634 mee heeft ondertekend, wil nog niet zeggen dat we ze automatisch moeten klasseren als aanhangers van het obscurantisme. Zowel aan de Leuvense universiteit als in kringen van geneeskundigen te Luik en te Antwerpen waren waardevolle praktizijnen actief die, hoewel ze een klassieke vorming hadden genoten, niet aarzelden de antieke auteurs op specifieke punten te bekritizeren. Ze hielden ook rekening met nieuwe inzichten uit de klinische geneeskunde. Te Leuven werden twee oude leerstoelen bezet door ‘primarii’ die waren aangesteld door de stadsmagistraat. Geheel in de lijn van de galenische traditie was de eerste gewijd aan natuurlijke zaken (anatomie en fysiologie) en niet-natuurlijke zaken (hygiëne en diëtetiek). In 1593 had men deze leerstoel toegekend aan Gerard de Villers. De tweede was gewijd aan tegennatuurlijke zaken, dit wil zeggen aan pathologie en therapeutiek. In 1593 was de leerstoel toegewezen aan de Antwerpenaar Thomas Fienus. Een derde, buitengewone leerstoel was opgericht door de Staten van Brabant. Het onderwijs werd verzorgd door twee professoren - houders van kanunnik-prebenden van het Leuvense Sint-Pieterskapittel - die elkaar om de maand afwisselden. Sinds het vertrek van Adriaan van Roomen werd de leerstoel voltijds bezet door Jan Storms (Sturmius, 1559-1650), die vooral bekend is als wiskundige. Een koninklijke leerstoel medische instellingen was in 1558 door koning Filips II in het leven geroepen met het doel Galenus' Ars parva aan de studenten uit te leggen. Hij werd bezet door Pieter Smenga (ca. 1560-1650).

Gerard de Villers en Thomas Fienus namen spoedig een belangrijke plaats in aan de universiteit. Niettegenstaande Gerard de Villers niet veel heeft gepubliceerd, kunnen we uit zijn handgeschreven cursussen toch afleiden dat hij een scherpzinnig clinicus was. Fienus was een schitterend denker en eclecticus. In 1609 droeg Fienus aan Ernest van Beieren een traktaat op over de verbeeldingskracht, getiteld De viribus imaginationis. In dit werk, opgebouwd uit 24 vragen, behandelt hij de relatie tussen de verbeelding, dit wil zeggen het vermogen zich van iets een beeld te vormen, en het lichaam. Fienus betwist dat de ‘phantasia’ haar kracht ontleent aan de sterren en invloed kan hebben op andere lichamen, tenzij dan op de ‘foetus in utero’. Hiermee trekt hij van leer tegen het naturalisme, vooral dat van Pietro Pomponazzi (1462-1524/26), volgens wie de beenderen van een hond even efficiënt zijn als de beenderen van een heilige, zolang men er maar in gelooft.

In 1620 wierp Fienus zich met dezelfde kritische methode op een ander traditioneel probleem; één dat ook vandaag nog steeds actueel is. Zijn traktaat De vi formatrice foetus, ‘over de vormende kracht van de foetus’, stelt zich ten doel na te gaan welk principe aan de basis ligt van de bouw van de organen van een menselijke foetus en op welk moment de foetus door de verstandelijke ziel tot leven wordt gewekt. In

[p. 256]

tegenstelling tot Aristoteles, Galenus en Thomas van Aquino, die meenden dat de foetus achtereenvolgens wordt begiftigd met een vegetatieve, een sensibele en een verstandelijke ziel, stelt Fienus dat er geen bezieling is van het zaad vóór de conceptie, dat de foetus op de derde dag na de conceptie door de verstandelijke ziel tot leven wordt gewekt, dat het vermogen om kinderen te verwekken slechts een vorm is van het vermogen om te voeden en dat er slechts twee vegetatieve vermogens bestaan: de voeding en de groei. Fienus' kritische geest gaat niet voorbij aan de humanistische zorg om ‘res’ en ‘verba’ met elkaar te confronteren, maar in zijn opdracht aan François de Paz, hoofdgeneesheer van de Spaanse koning en de aartshertogen, legt hij nieuwe accenten: ‘de waarheid is de ziel van de filosofie en van iedere wetenschap; echter, de waarheid is voor alles niet dat wat conform is aan de mening van die en die, maar dat wat overeenkomt met wat de rede en de ervaring ons leren. Ik moet je bekennen dat ik steeds voldoende vrijheid van denken heb gehad om me niet bezig te houden met de meningen van Hippocrates, Galenus, Plato en Aristoteles, maar wel met de redeneringen waarop ze hun visies baseerden. Intussen zijn de ellende en de achterdocht in onze eeuw dermate groot geworden, dat zich niet aansluiten bij de stem van de meerderheid steeds meer weg heeft van heiligschennis en hij die het toch aandurft stuit op “de monden, de tanden en de pluimen” van iedereen’. Tijdens het debat dat hierop volgde, vond Fienus in de persoon van Pierre Gassendi (1592-1655) een invloedrijke bondgenoot.

De volgende generatie voer eenzelfde koers. Immers, op 18 april 1634 vertrouwde de universiteit de cursus medische instellingen toe aan de Hollander Vopiscus Fortunatus Plempius, geboren te Amsterdam op 23 december 1601. Na het overlijden van Gerard de Villers kreeg Plempius ook de cursus medische praktijk toegewezen. Het galenisme dat hierin werd verwoord, was al heel wat moderner dankzij de bijdrage van de anatomische en klinische observatie, de bijdrage van de oosterse filologie en een nieuwe lezing van Avicenna. Hoewel hij aanvankelijk een opponent was van Harveys theorieën over de bloedsomloop, herzag hij snel zijn mening. Tegen de fysiologie van Descartes voerde hij daarentegen een genadeloze strijd. Gelijkaardige theorieën en praktijken vonden ingang bij het medisch establishment in andere delen van het land, bijvoorbeeld in kringen van Antwerpse geneeskundigen, waaruit persoonlijkheden als Godfried Vereycken (1558-1635), Lazarus Marcquis (1571-1647), diens zoon Willem Marcquis (1604-1677) en diens schoonzoon Michiel Baudewijns (1622-1681) op de voorgrond traden. Godfried Vereycken, die te Parijs had gestudeerd en zijn graden had behaald in Toulouse, was bevriend met de beroemde humanist Torrentius (1525-1595) en schreef een aan de Antwerpse stadsmagistraat opgedragen traktaat over hygiëne, De cognitione et conservatione sui (1625), waarin zes nietnatuurlijke zaken worden bestudeerd volgens de aloude traditie der klassieken. Lazarus Marcquis, een vriend van Pieter Paul Rubens, wijdde zijn inspanningen en publicaties (1620-1634) aan de bestrijding van de pest, die in de jaren 1620 te Antwerpen meerdere malen grote verwoestingen aanrichtte en die aanleiding gaf tot een overvloedige literatuur, meestal geschreven in het Vlaams. Hij toont zich een waar eclecticus, daar hij zelfs positief staat tegenover het gebruik van kostbare stenen als astrologisch preservatief. Zijn zoon Willem studeerde medicijnen te Leuven bij de professoren Villers en Fienus. Vervolgens werd hij pensionair geneesheer te Antwerpen en hoofdgeneesheer van het hospitaal van Sint-Elisabeth. Met zijn Decas pestifuga (1627), waarin een kritisch en goed gedocumenteerd exposé wordt gegeven over wat over de pest bekend was, trad hij in de voetsporen van zijn vader. Michiel Baudewijns ontving zijn doctorstitel te Parijs in 1642. Hij was de drijvende kracht achter een haatcampagne tegen Jan-Baptist van Helmont. De dood van deze laatste maakte daaraan een einde. Ook Baudewijns was gedurende enige tijd hoofdgeneesheer van het Sint-Elisabeth-hospitaal.

Bovengenoemde groep zette zich aan de dringende opgave om de medische beroepen te reorganiseren. Profiterend van het conflict tussen de aanhangers van het galenisme en die van de leer van Paracelsus eigenden heel wat kwakzalvers zich het recht toe de geneeskunde te beoefenen. Men kon zich als apotheker om het even waar vestigen zonder vooraf een examen te moeten afleggen; men verstrekte - zonder voorschrift van een arts - geneesmiddelen die waren samengesteld met stoffen waarvan de kwaliteit niet was gecontroleerd. Voor heelkundigen en vroedvrouwen was er geen opleiding; ze konden enkel terugvallen op hun ervaring. Daarom vatten Lazarus Marcquis en Godfried Vereycken in 1617 het plan op om een medisch college in het leven te roepen. Het Collegium medi-

[p. 257]



illustratie

Het rechten van een citroenboom. Frans van Sterbeeck, Citricultura...,Antwerpen, 1682. © B.U.L. ▪


cum Antwerpiense werd op 28 april 1620 door de Antwerpse stadsmagistraat opgericht. Het kreeg een reglement dat ten gevolge van verschillende moeilijkheden op 12 september 1624 werd hernieuwd. Het college onderzocht de diploma's van de nieuwe geneesheren, inspecteerde de werkplaatsen van de apothekers en examineerde de heelkundigen, de apothekers en de vroedvrouwen. Het gaf één van zijn leden de opdracht om een cursus anatomie en chirurgie te geven aan de leerlingen van de plaatselijke school voor heelkunde. Bovendien zorgde het ervoor dat de armen van de stad gratis zorgverstrekking kregen. Eigenlijk was het een soort disciplinaire raad, vergelijkbaar met de huidige raad van de Orde der geneesheren. Naar het voorbeeld van Antwerpen kreeg Brussel een college in 1650, Luik in 1699.

Over het probleem van de nieuwe geneesmiddelen werd fel gediscussieerd wegens de concurrentie tussen de klassieke farmaca van Galenus, de meer exotische remedies en de scheikundige medicijnen. Zo reageerde Willem Marcquis in 1633 tegen het overmatig gebruik van aloë (Aloe morbifuga). De spectaculaire werking van kina bij de behandeling van koortsen wekte in 1653 de argwaan van Jean-Jacques Chifflet (1588-1660). De te Rome gevestigde Franse jezuïet Honoré Fabri (1607-1688), die in 1655 onder een pseudoniem kina had verdedigd, haalde zich verwijten op de hals van Plempius, die in datzelfde jaar meende te kunnen aantonen dat kina meer kwaad dan goed deed. In 1659 verdedigde de te Delft gevestigde Antwerpse arts Roland Storms op basis van eigen ervaring het gebruik van deze nieuwe drogerij. Hij probeerde de effecten ervan te verklaren aan de hand van een door het mechanicisme geïnspireerde scheikunde, maar daarover later meer.

Het kwam er dus op aan de artsenijboeken te reorganiseren; ze moesten voortaan gebaseerd zijn op een compromis tussen het galenisme en de scheikunde en op een kritische studie van de geneesmiddelen. Toen Brussel het slachtoffer werd van een verschrikkelijke pestepidemie riep de stadsmagistraat enkele artsen (Jean Hocquet, Paulus van Hillegaarde, Ludovicus Fabri en Jan de Lau) voor een vergadering bijeen; ze kregen de opdracht een farmacopee samen te stellen. Was het door onachtzaamheid of door achterdocht, vast staat dat de apothekers niet werden uitgenodigd. De Pharmacopoeia Bruxellensis jussu Amplissimi Senatus edita liep in 1641 van de persen bij Jan Mommaert. De inleiding bestaat uit een dissertatie van de humanist Erycius Puteanus (1574-1646) over de antieke ‘pharmacopoloi’.

Te Antwerpen gebruikte men tot in 1659 het door Pieter Coudenbergh aangepaste Dispensarium van Valerius Cordus. In 1661 verscheen bij George Willemsen de Pharmacia Galeno-chymica Antwerpiensis Amplissimi Senatus iussu edita anno 1660. Dit was niet het werk van het hele college, maar van een beperkte groep, met als meest opvallende leden Willem Marcquis en Michiel Baudewijns, die voor de coördinatie zorgde. De apothekers waren niet van in het begin aangesloten. In dezelfde lijn decreteerde de Leuvense universiteit in 1685 de oprichting van een

[p. 258]

koninklijke leerstoel scheikunde binnen de faculteit voor geneeskunde. Die was in de eerste plaats gericht op de bereiding van geneesmiddelen. De eerste titularis was Adrien Regnault, een arts die aan de Leuvense universiteit was afgestudeerd.

▫ Verzamelaars, onderzoekers en tuiniers

Priester Frans van Sterbeeck (1630-1693) uit Antwerpen is auteur van twee belangrijke verhandelingen: Theatrum fungorum (Antwerpen, 1675), dat handelt over paddestoelen, en Citricultura oft Regeringhe der Uytheemsche Boomen te weten Oranien, Citroenen, Limoenen, Granaten, Laurieren en andere (Antwerpen, 1682), dat gaat over de verbouw van citrusvruchten. In 1712 volgde, eveneens te Antwerpen, een tweede, postume editie van dit werk. Van Sterbeeck blijkt reeds vanaf 1652 in plantkunde geïnteresseerd. Hij bezat een tuin en een verzameling planten. Het Theatrum fungorum is gedeeltelijk versierd met illustraties die Clusius had getekend voor zijn Fungorum historia, maar die indertijd in de drukkerij van Moretus ongelukkigerwijs zoek waren geraakt.

Aan zijn boek over citrusvruchten heeft van Sterbeeck dertig jaar gewerkt. Het beschrijft meer dan honderd soorten en variëteiten. De auteur zet in detail uiteen welke problemen de citruscultuur stelt in gematigde streken. Het werk kende een groot succes, maar toch kreeg het in wetenschappelijke kringen niet de erkenning die het verdiende. Van Sterbeeck was immers zo onvoorzichtig geweest zijn tekst over te maken aan de Hollander Jan Commeleyn, die er rijkelijk uit putte voor zijn Nederlantze Hesperides (1676) maar naliet zijn bron te citeren.

In de 17de eeuw was het aantal plantenliefhebbers zo toegenomen dat bisschop Antoine Triest van Gent in 1637 een broederschap van tuiniers in het leven riep onder de bescherming van de Heilige Dorothea. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij zelf in de tuin van zijn Belvedère te Akkergem een van de eerste glazen serres laten optrekken. Hij kreeg navolging van Willem de Blasere, schepen van de stad Gent. Al deze tuinen zijn nu uiteraard verdwenen. Een uitzondering vormt de tuin van de Gentse Bijloke-abdij, die opnieuw in zijn oorspronkelijke staat is aangelegd. Sanderus toont verschillende tuinen in zijn Flandria Illustrata.

Heel wat apothekers bezaten een tuin en vaak was het zo dat daarin meer planten stonden dan voor de bereiding van geneesmiddelen strikt noodzakelijk was. In het werk Botanotrophium ou Description du jardin médicinal de l'apothicaire Lillois Pierre Ricart beschrijft de arts Georges Wion meer dan 1.200 planten, zowel geneeskrachtige planten als sierplanten. In 1652 droeg de Brusselse apotheker Jan Hermans († 1674) aan de landvoogd der Zuidelijke Nederlanden een gedetailleerde inventaris op van zijn eigen tuin. De lijst telt ongeveer 1.650 namen van planten, alfabetisch geordend en opgesteld volgens de nomenclatuur van Dodoens en de l'Obel. Hermans stond in contact met Bernard Wynhouts, ziekenbroeder in de norbertijnenabdij van Dileghem in Sint-Pieters Jette, die blijkens een affiche uit 1.640 fruitbomen en sierplanten verhandelde. Zijn herbarium, voltooid in 1633, bevat meer dan 700 planten, gecultiveerd in de tuin van de infirmerie der abdij. Het werk wordt bewaard in het Instituut voor Plantkunde van de Universiteit Gent.

De ‘hortus hyemalis’ of ‘wintertuin’, en het ‘herbarius vivus’ of ‘levend herbarium’ zijn aanvullingen op de eigenlijke tuin. De Koninklijke Bibliotheek te Brussel bezit vijftien exemplaren uit de 17de eeuw, waaronder de herbaria van de jezuiëtencolleges van Brussel, Leuven en Gent, het herbarium van Nicolas Haverlant van Avesnes en dat van de Antwerpse apotheker Joseph Wissinck. De functie van een herbarium is hoofdzakelijk instructief. Het stelt de apotheker in staat de meeste drogerijen onmiddellijk te herkennen, maar bewijst niet dat de apotheker een tuin bezat.

In 1676 publiceerde H.I.B. Reyntkens, monnik van de Gentse Sint-Pietersabdij, Den Sorgvuldighen Hoevenier Ende Oprechte Pracktycke Ende gront vande Wetenschap om Blommen te zaeyen, planten ende gouverneren naer de conste vande Hoof-Bauwinghe, een handboekje dat op zeer grote schaal zou worden verspreid.

Al deze inspanningen zijn een inleiding op de grote systemen en op de vernieuwingen in de agrarische wetenschappen die de periode van de Verlichting zullen kenmerken.