Brieven aan Van Deyssel


auteur: Henri Hartog


editeur: Jan Noordegraaf en Arie Ijzerman


bron: Henri Hartog, Brieven aan Van Deyssel (eds. Jan Noordegraaf en Arie IJzerman). De Vrye Vogel, Leiden 1978


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 43]

Bijlagen

[p. 45]

Drie brieven aan Albert Verwey

1.

Rotterdam, 8 October 1902 (Bloemstraat 15)

WelEdelGeboren Heer

 

Het tusschen kruisjes gemerkte gedeelte van de circulaire geeft het in 't algemeen, en feitelijk niet zeer juist aan, wat met de oprichting van ‘Voor de Kunst’ beoogd werd. Er staat bijv. een' geruststellende zinsnede in, vermeldende dat ‘Voor de Kunst’ den ‘Kunstkring’ alhier geen concurrentie zal aandoen; deze zinsnede had best weggelaten kunnen worden. Het comité van ruim 50 personen is indertijd door mij aangezocht, de oprichting der Vereeniging voor te bereiden, en als proletariër is het mij natuurlijk totaal onverschillig welken invloed onze Vereeniging op den bloei van de Kunstkring heeft. Wij leven in goede verstandhouding met onze ‘zustervereeniging’, onze leden hebben een paar maal gratis toegang gehad tot tentoonstellingen - voor dat Voor de Kunst bestond deed de Kunstkring niet aan dergelijke philantropie - maar overigens hebben wij met de Kunstkring niets te maken, onze Vereeniging werkt, moet althans werken naar geheel andere inzichten en is ontstaan door den drang van geheel andere behoeften. Vereenigigen als de Kunstkring e.d. houden veel tentoonstellingen, gewoonlijk van hedendaagsche kunst van allerlei richtingen, tentoonstellingen dus van vaak zeer goede, maar heel dikwijls van decadente modekunst, kweeken een ongemeende liefde, een kunstaffectie aan, oppervlakkige kennis voor verdachte conversatie. Wat wij bedoelen is een aesthetische propaganda van de idee, dat het Leven schoon geleefd moet worden, dat dus het leven van den enkelen mensch moet zijn schoon, harmonisch en heroisch, en dat ook in de verhoudingen der menschen, in de samenleving, de schoonheid moet heerschen. Hierdoor komen wij noodzakelijk in democratische richting,

[p. 46]

en krijgt ons program een groote uitgebreidheid. Het is dus niet met min of meer vergankelijke vormen van hedendaagsche kunst, dat wij ons bezig houden, het is de kunst van den tegenwoordigen tijd en die van de vroegere tijden, waarmee wij pogen de leden in aanraking te brengen. In de circulaire staat, dat tot het program behoort, het houden van voordrachten over kunst. Dit is juist, maar behalve deze, worden bedoeld voordrachten, verklarend en bespiegelend, de werken die wij tentoonstellen, en opvoeren, in dien zin, dat zij verklaren artistiek en technisch de kunstwerken, en hoe deze ontstonden, d.w.z. gelijktijdig met wijsgeerig en economische veranderingen in zekeren tijd, en hun verband daarmede.

Wij hebben thans ongeveer 2400 leden, en hoognodig was het, dat te Rotterdam bestond een gebouw, dat het vereenigingspunt kon zijn voor een' groote zelfstandige schoonheidslievende gemeenschap. Een dergelijk gebouw moest natuurlijk van gemeentewege gebouwd worden, maar het zal, denk ik, nog wel heel lang duren, voor wij voor een dergelijk doel een half millioen los krijgen. Ik hoop omstreeks Januari een' brochure te schrijven over ‘Voor de Kunst’. De tentoonstelling van werken, afkomstig van de Kelmscottpress, Vale press, etc. - de Heer R.N. Roland Holst zal uitgenoodigd worden over Morris te spreken - lijkt mij te zijn geheel overeenkomstig het doel en werkplan onzer Vereeniging.

Zoodra de tentoonstelling geopend wordt zend ik een catalogus, en als U haar wenscht te bezoeken, dan zal het mij zeer aangenaam zijn U te introduceeren, zoo wel op de tentoonstelling als op den avond, dat - wij hopen dat hij zal komen - de Heer Roland Holst zijn voordracht houdt.

 

Met Hoogachting

 

Uw. dw.

 

H. Hartog

 

P.S. Ik heb den Heer Alberdingk Thijm Maandagavond geschreven.

[p. 47]

2.

Rotterdam, 5 October 1903. (Bellevoystraat 24)

WelEdelgeboren Heer.

 

Ik verkeer op 't ogenblik in zeer onaangename omstandigheden. Ik stond op 't punt verloofd te worden met een meisje, waar ik al 10 maanden mee omgegaan heb, maar door invloed van anderen is het meisje langzamerhand overspannen en van streek geraakt, en heeft in angst en ellende onze verhouding afgebroken. Door de weifeling van 't meisje ben ik misschien nagenoeg drie maanden in een toestand van onrust en onzekerheid gekomen, waardoor 't werken me onmogelijk was. Het laatste hoofdstuk van ‘Buurtleven’ ligt nog altijd gedeeltelijk klaar. Ik hoop spoedig opgewektheid en zelfbeheersching te vinden, om 't te voltooien.

Bovendien zit ik nog al erg in geldverlegenheid; ik moet belasting betalen, kleeren, en rekeningetjes voor andere dingen, en mijn salaris als onderwijzer is ook gering. Ik had gehoopt door een' vrouw wat illusie in mijn leven te krijgen, en een rustiger stemming om te werken. Maar daar kan ik nu wel van afzien.

Nu wou ik U vragen mij een beetje te helpen. Ik meen, dat bij de XXe eeuw nog een 40 pag. vervolg van Buurtleven berust. Wilt U bij den uitgever daarop tegen 1 November een voorschot van f 60 voor mij vragen. Ik hoop dan spoedig met het laatste hoofdstuk gereed te komen en kan U voor de volgende jaargang nog een kleine schets toezeggen.

 

Met hoogachting

Uw. dw.

 

H. Hartog

[p. 48]

3.

Rotterdam, 11 October 1903 (Bellevoystraat 24.)

WelEdelGeboren Heer,

 

Zaterdag j.l. ontving ik Uw' brief, die over den Haag hier was aangekomen. Ik ben U zeer dankbaar voor Uw' tusschenkomst bij den uitgever en voor Uw' vriendelijke bedoeling mij wat op te beuren.

Ik hoop langzamerhand over deze misère heen te groeien, maar het zal niet gemakkelijk gaan. Ik heb jarenlange ellende, naar ik meen, nogal trotsch gedragen. Ik ben zeven jaar ernstig zenuwziek geweest; toen ik indertijd in Januari '95 mijn' eerste schets bij den Heer Thijm bracht, was ik zoo ver, dat ik nagenoeg geen kwartier kon loopen. Een jaar daarna was mijn toestand zoo verergerd, dat ik met hevige congesties, en snijdende hoofdpijnen door mijn' klas liep en meestal duizelig me aan 't schoolbord vasthield, als 'k les gaf. Door de verkeerde behandeling van een ouwen busdokter, die een tijdelijke overspanning als influenza behandelde, was ik na drie maanden op bed doorgebracht te hebben totaal uitgeput en ging, om er maar een eind aan te maken, weer naar school terug. Ik mocht toen les gaan (geven) aan 65 kleine kindertjes van zes jaar. Daarna in een groot lokaal waar 3 klassen zaten, tezamen van ongeveer 120 kinderen; in mijn eigen klas waren er ruim 50. Misschien zou ik op een goeie dag neergevallen zijn, maar mijn patroon kwam me voorstellen wat verlof te nemen. Drie en een halve maand heb ik een deel van den dag doorgebracht aan een dijk, op 3 min. afstand van mijn' woning; een gedeelte buiten Schiedam, op 15 min. afstand waar het wat mooier en frisscher was, kon ik gewoonlijk niet bereiken; een' speciale verpleging, extra voeding of rust had ik niet. Daarna ben ik nog jaren onder behandeling geweest van Dr. Arie de Jong in den Haag, die me hypnotiseerde en me bromen te slikken gaf. Al die jaren ben ik nooit 8 dagen lang normaal geweest; met groote klassen moest ik tobben, gekweld en gewantrouwd door een ploertig schoolhoofd, die me ook bij autoriteiten verdacht maakte. Toch heb ik altijd vertrouwen gehad in de goedheid van het leven. Maar de

[p. 49]

schoonste jaren, die het rijkst hadden kunnen zijn aan emotie en geluk van levenskracht en strijd, zijn arm en schraal voorbijgegaan. Van al die jaren is niets overgebleven dan een' bundel schetsen en Buurtleven, niet meer dan wat aannemelijk tijdschriftvulsel. Nu ben ik physiek de ergste ellende te boven. Maar ik ben al 34 jaar oud.

En zoo iets heel gewoons, dat honderden hebben, een weinigje welvaart, en een beetje warme gezelligheid om mme heen, heb ik nooit gehad, en daar, sedert 'k begon te schrijven, heel wat auteurs, met wie ik me vroeger weleens gelijk dorst te stellen, me een heel end vooruit zijn geschoten, ben ik ook over mijn auteurschap vrij cynisch gaan denken. Verleden jaar heb ik kennis gemaakt met het meisje, waarover ik U schreef. Het is een onderwijzeres te Schiedam, 11 jaar jonger dan ik, en in dat hatelijk Schiedam zoo iets jeugdigs; 'k ontmoette het meisje op straat, en ze had zoo iets kinderlijks gelukkigs en onbevangens in d'r uiterlijk. 'k Heb 'r een paar keer bloemen gestuurd, heb haar toen gesproken, we waren gauw vrienden, 't was heel iets nieuws, zoo'n jong meisje met een aardig gemoedsleven. En ze sprak over 't getrouwd zijn met mij, al van den beginnen af, als iets heel gewoons.

Zoo heb ik eenige maanden van gelukkige verwondering doorgebracht. Na al het geworstel om gezondheid en werkkracht, na al 't gepoog, om wat te doen, deel te nemen aan het leven, was het een laatste inzet om wat geluk te winnen. Maar nadat eerst een vriendin het meisje week aan week had opgestookt, zijn in de laatste weken andere vrienden en familieleden met paardenmiddelen aan 't werk gegaan; eenig tegenwicht van vrienden van mij gaf haar weer een paar weken vertrouwen en opwekking. Maar eindelijk is ze toch bezweken en schijnt ze het als een plicht beschouwd te hebben, met mij te breken, en in zenuwoverspanning is ze gevlucht naar de vriendin. En die zal haar nu wel voorgoed inprenten, dat ze met mij de hel ingaat. Ik hoop, dat U zoo vriendelijk wilt zijn, mijn klacht met geduld aan te hooren.

 

Met vriendelijke groet

 

Hoogachtend

Uw. dw.

H. Hartog