terug  begin  verder

[p. 259]

Nawoord

De verhalen van François HaverSchmidt behoren tot de fijnzinnigste en toegankelijkste van de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw. Ook staan ze niet zo ver af van de geliefde dichtbundel Snikken en glimlachjes, die HaverSchmidt onder de schuilnaam Piet Paaltjens publiceerde, als wel gedacht wordt. Er is grote overeenkomst in taalgebruik. Geen ingewikkeld geconstrueerde zinnen met talloze vertakkingen in bijzinnen, nevenzinnen en bijvoegingen, maar eenvoudige heldere taal die haar kracht ontleent aan een grote klankrijkdom. Meer nog dan in HaverSchmidts poëzie zien we in de verhalen van Familie en kennissen het motto ‘schrijft zoals gij spreekt’ in praktijk gebracht. De negentiende-eeuwse schrijftaal, met name het proza in tijdschriften en bundels, had door invloeden van het Latijn en de bijbel haar band met de gewone sprekers verloren. Dit was des te schrijnender omdat er veel meer mensen dan voorheen aan het lezen geslagen waren en juist die nieuwe lezersgroep zocht naar toegankelijke en herkenbare literatuur. HaverSchmidt beheerste feilloos het taalgebruik dat het gros van de mensen aansprak en waar andere schrijvers in de negentiende eeuw, vooral de collega-schrijverdominees, niet zo'n hoge dunk van hadden. Dat wil niet zeggen dat zijn taal simpel is, maar HaverSchmidts troeven zitten in de dubbele bodems, in de humor en de ironie.

Een andere overeenkomst met de Snikken en glimlachjes ligt in het thema. Zoals daar, overheerst ook in Familie en kennissen de weemoed om alles wat vergankelijk bleek te zijn. Een tijd of een sfeer die voorbij is, idealiseert de schrijver en vervolgens treurt hij om de onmogelijkheid die weer terug te halen. Tegelijkertijd echter relativeert en bespot hij zijn geklaag en verwijst dat naar klingen van dweepzuchtigen. De pointe van Piet Paaltjens' poëzie zit in de confrontatie van de onwezenlijke hooggestemdheid van de dwepende student met de praktische

[p. 260]

werkelijkheid. HaverSchmidt schept spottenderwijs afstand tussen de lezer en de studenten, en relativeert zo de mythe van de gelukkige studententijd. Over de kindertijd, die de spil is van de meeste verhalen in Familie en kennissen, is hij veel minder ironisch. Alleen om het eenzijdige en beperkte waarnemingsvermogen van het kind te demonstreren gebruikt hij ironie, maar niet om de houding van het kind in het leven te ridiculiseren.

Toch is ook in Familie en kennissen ironie het voornaamste stijlmiddel, en hierin ligt nog een overeenkomst met de dichtbundel. Bij de gedichten is het vooral de overdrijving die het humoristische effect veroorzaakt. In de verhalenbundel roept HaverSchmidts wijze van vertellen ironie op. Tussen neus en lippen krijgt de lezer meer informatie toebedeeld dan de personages die hij sprekend op laat treden. De lezer zelf constateert dan hoe kortzichtig de oordelen en visies van de personen zijn, zoals in het verhaal ‘Bedorven’. HaverSchmidt creëert een actieve rol voor de lezer. In het begin van de verhalen stelt de verteller alles in het werk om de lezer een juiste houding in te laten nemen. Toch identificeert de verteller zich niet met de standpunten van de hoofdpersonen van het verhaal. Integendeel, door ironische correcties en humoristische ingrepen laat hij blijken dat zijn perspectief gebrekkig is en dat het verhaal dus ook vanuit een andere gezichtshoek beschouwd kan worden. Heel letterlijk doet hij dat door van het ene naar het andere perspectief te zwaaien, of door een verhaal in een verhaal in te bedden. In ‘Het verhaal van oom Jan’ laat hij een ikfiguur vertellen over een oom die over zijn oom vertelt. HaverSchmidt wijst er steeds op, dat zijn waarnemingen voor correctie vatbaar zijn. De lezer wordt zodoende gedwongen een standpunt te kiezen. Het opvallendst is dit in de verhalen die vanuit een kinderperspectief verteld worden. Hij imiteert de stijl van een schoolopstel met stuntelige wendingen en onlogische gedachtensprongen, maar steeds zó, dat een humoristische aaneenschakeling ontstaat. Enerzijds ziet de lezer de on-

[p. 261]

beholpenheid van kinderwaarnemingen, anderzijds krijgt hij een blik op de voosheid van volwassen standpunten (bij voorbeeld in het verhaal ‘Hoe de koning bij ons in de stad kwam’). In ‘Mijn broertje’ krijgt dit perspectief dramatische kracht, omdat geen volwassene antwoord kan geven op de gerechte kindervraag waarom een geliefd broertje zo'n verschrikkelijke dood moest overkomen. Wie weet dat HaverSchmidt een tweejarig zoontje verloren had en vroeger de verdrinking van een neefje had meegemaakt, begrijpt dat hij het kinderoog slechts gebruikte als excuus voor zijn eigen twijfels: wat is dat voor een God die een onschuldig kind smoort in een sloot?

HaverSchmidts opvattingen over kinderen zijn genuanceerder dan men uit het bovenstaande zou kunnen opmaken. Hij gelooft niet blindelings in het ongerepte van het kind. Kinderen nemen onbarmhartig waar - maar daardoor des te scherper. Zij kennen het vergoelijkende en verzachtende nog niet, maar hun zwart-wit observaties zijn in essentie wel juist. De opvoeding moet liefderijk en zacht zijn, dan alleen kan het egocentrisme dat ieder kind in zich draagt en waaruit zijn onverdraagzaamheid voortvloeit, omgebogen worden tot gevoel voor medemensen. Strenge tucht, wantrouwen en gierigheid bederven een kind. Gelovigheid leert het niet in de kerk, en het heeft geen zin kinderen tegen hun verlangen kerkwaarts te sturen. Voor hen zijn de ouders de eerste goden, en van deze moeten ze de ware godsdienst leren.

 

De verhalen van HaverSchmidt moeten zeker moralistisch genoemd worden. In de wereld die voor de schrijver leefbaar is, staan klein geluk, huiselijkheid, vredig familieleven, goeddoen-in-stilte, eenvoud, rust van de natuur en ondogmatisch geloof hoog aangeschreven. Grote hartstochten, wilde verlangens en overweldigende emoties wijst hij af. Dat bestempelt deze verhalen tot náromantische. Hier wordt niet weggedroomd in een ver, kleurrijk verleden en er wordt geen uitgebreide schildering van vreemde zeden en gewoonten gegeven.

[p. 262]

Eigentijdse onderwerpen snijdt HaverSchmidt aan, met personen uit de vertrouwde burgerlijke kring zonder buitensporige temperamenten of buitenissige karaktertrekken. Als dominee kende hij het volk, als schrijver kende hij de kleine burgers die 's avonds naar voordrachten kwamen luisteren en hij wist dat dit publiek beschrijvingen van het herkenbare wilde, en geen extreme, romantische thema's. Een aantal kenmerken van het realisme, dat in Nederland zijn intrede had gedaan met de Camera Obscura van Hildebrand, treft men aan in Familie en kennissen: contemporaine stof, gewone karakters, aandacht voor details, natuurlijke weergave van de dialoog en nabootsing van dialect en spreektaal. HaverSchmidts variant van het laatste is, dat hij niet de spreektaal van het kind probeert weer te geven, maar de gedachtentaal. Daarin is hij uniek in deze periode. Hij voert kinderen niet in om het anekdotische effect, maar om hun redeneertrant die meer zegt over de werkelijkheid dan een gewone beschrijving. Alleen Multatuli in Woutertje Pieterse heeft zich in deze tijd op een vergelijkbare manier verplaatst in de mentaliteit van het kind.

Toch loochenen deze verhalen, ondanks de moraal van intieme vredigheid, hun afkomst niet. Rob Nieuwenhuys heeft erop gewezen, dat er bijna geen verhaal in Familie en kennissen staat of de dood komt er wel in voor. Deze sombere ondertoon die de huiselijke boodschap vaak overstemt, wijst, met het overvloedig gebruik van humoristische verstoringen van illusies, toch op verwantschap met de Romantiek. Een van de recensenten van de eerste druk van Familie en kennissen meende dat Piet Paaltjens wel een handje geholpen moest hebben bij het nazien van de drukproeven, en zelfs ondeugend genoeg was geweest er hier en daar een volzinnetje van eigen maaksel in te smokkelen, dat herinnerde aan de kwaal van vroeger dagen.

De plaats van François HaverSchmidt in de literaire stromingen van zijn tijd is niet zo makkelijk aan te wijzen. Zijn gedichten kunnen in een romantische traditie geplaatst worden,

[p. 263]

zijn verhalen in een realistische. Maar hij maakte geen deel uit van enige literaire club of beweging, en was slechts korte tijd almanakredacteur. Nog in de tijd dat hij succes had, kwam er een ingrijpende vernieuwing in de literatuur op gang: die van de Tachtigers. In de kritiek heeft HaverSchmidt daar niets van gemerkt. Integendeel, hem werd bij de eerste uitgave van Familie en kennissen in 1876 door enkele critici juist verweten dat hij te weinig traditioneel was. Zijn stijl werd te springerig genoemd en de spreektaal zou te veel overheersen. Ook vond men hem wel te realistisch: ware kunst jaagt niet naar kippevel, schreef een van de recensenten. Maar in het algemeen waardeerde men zijn natuurlijke vertelkunst hoog, en zijn uitgever maakte hoge oplagen van de eerste en tweede druk, die snel uitverkocht raakten. Ook uit de ontvangst van de derde druk in 1894 blijkt niet, dat HaverSchmidts proza inmiddels passé zou zijn. Enige negatieve geluiden over zijn sentimentalisme verdwijnen in de algemene waardering voor zijn humor.

Veel duidelijker is HaverSchmidts plaats in de orale cultus van de negentiende eeuw. De schetsen uit Familie en kennissen waren bestemd om voorgedragen te worden. Onder auspiciën van een genootschap, zoals de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen of de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, boden allerlei steden en stadjes het publiek voorleesavonden aan, waarop gevestigde schrijvers en plaatselijke grootheden voordroegen uit eigen werk. HaverSchmidt behoorde tot de geliefdste sprekers. Terwijl het gerucht wil dat zijn kerk 's zondags steeds leger werd omdat hij zo somber over de dood preekte, trok hij volle zalen in het land. Verhalen als ‘Een Nutsbijdrage van oom Jan’, ‘Mijn ouders huis’, ‘Het verhaal van oom Jan’, ‘Mijn broertje’, ‘De tandmeester’, ‘Een gebeurtenis van belang’, ‘Bedorven’ en ‘Een Kerstvertelling’ droeg hij vele malen voor, in plaatsen als Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Leeuwarden, Leiden, Groningen, Breda, Vlaardingen, Alkmaar en vanzelfsprekend in zijn woonplaats Schiedam. Zijn natuurlijke manier van voordracht, waarbij hij

[p. 264]

als het ware een dialoog met het publiek aanging, maakte grote indruk op de toehoorders die gewend waren aan dreunende retoriek. Gewoonlijk droeg hij enkele verhalen en gedichten voor, en daar maakte hij een sluitend geheel van in een raamvertelling. Vooral de delen tussen de verhalen lijken gemoedelijke onderonsjes waarin hij zijn toehoorders rechtstreeks aanspreekt.

Een aantal van de stukjes die HaverSchmidt voordroeg, publiceerde hij in tijdschriften en almanakken, en naar aanleiding daarvan werd hij aangespoord eens een bundel samen te stellen. Snikken en grimlachjes kwam op aandringen van de uitgever tot stand. Hetzelfde schijnt te gelden voor de bundeling van verhalen. Uitgever H.A.M. Roelants was HaverSchmidts overbuurman in Schiedam. In 1876 verscheen de eerste druk van Familie en kennissen, waarin zes eerder gepubliceerde verhalen, en zes nieuwe. HaverSchmidt had voor de bundeling de orale kenmerken enigszins uit de verhalen gehaald, bij voorbeeld door ze los te maken van het overkoepelende raamwerk, maar toch blijven ze duidelijk herkenbaar als voordrachtsstukken. Vijf jaar later was een tweede druk nodig, die dezelfde samenstelling als de eerste had. In 1889 sprak de bekende literator Jan ten Brink in zijn Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de XIXe eeuw de wens uit dat er spoedig een uitgebreide derde druk zou verschijnen. Toch zou de tweede de laatste druk zijn die bij HaverSchmidts leven verscheen. Wel maakte de uitgever al in 1892 plannen voor een nieuwe prachtuitgave met illustraties. Hij zocht daarvoor contact met de schilder Jan Hoynck van Papendrecht, die bekendheid had als illustrator van het familietijdschrift Eigen Haard. HaverSchmidt ging met de keuze akkoord en beloofde de bundel met een paar verhalen uit te breiden en van een nieuwe inleiding te voorzien. Hij begon aan het voorwoord, maar bleef midden in een zin steken. Al geruime tijd leed hij aan depressies die hem alle werklust ontnamen. Weliswaar vertoefde hij enige tijd in een ‘instelling voor zenuwlijders’ in

[p. 265]

Laag-Soeren, maar dat mocht niet baten. Zijn preoccupatie met de dood, zoals die uit zijn werk blijkt, nam bezit van zijn denken en doen, en er was niemand bij machte zijn standpunt te corrigeren, hijzelf het minst. Ten slotte ontging de zin van verder bestaan hem en op 19 januari 1894 maakte hij een eind aan zijn leven.

 

Het is niet duidelijk hoe ver de voorbereidingen voor de derde druk bij uitgever Roelants toen waren. Of HaverSchmidt alle drukproeven gecorrigeerd heeft, of slechts een gedeelte, is onbekend. Wel is er een vel met correcties overgeleverd, wat bewijst dat hij in ieder geval een deel gezien heeft. Ook blijkt uit verschillen tussen de tweede en de derde druk dat er inhoudelijke veranderingen aangebracht zijn, en het ligt niet voor de hand dat de uitgever dat gedaan zou hebben. Waarschijnlijk heeft HaverSchmidt ook zelf de keuze van de verhalen gemaakt, want er is een kladje in zijn handschrift bewaard met een voorlopige inhoudsopgave. Daaruit blijkt ook dat hij sommige verhalen die Ten Brink geprezen had, toch niet in de derde druk wilde opnemen. Toegevoegd zijn zes verhalen, die alle reeds eerder in een tijdschrift of almanak verschenen waren.

Omdat de eerste tekeningen al in 1892 gemaakt zijn, is het niet ondenkbaar dat HaverSchmidt ze allemaal gezien heeft. Uit twee brieven van Hoynck van Papendrecht aan HaverSchmidt blijkt dat er overleg geweest is tussen de schrijver en de tekenaar.

Al deze gegevens wijzen erop dat de derde druk een door de schrijver geautoriseerde uitgave genoemd mag worden, ook al verscheen die pas na zijn dood. Zoals toen gebruikelijk was, kwam het boek in gedeelten uit: de eerste aflevering in maart 1894, de laatste in november van dat jaar. Bij die laatste werd ook de tragisch afgebroken inleiding gevoegd, die voltooid werd door de uitgever.

[p. 266]

Deze nieuwe uitgave van Familie en kennissen, die ter herdenking van François HaverSchmidts honderdste sterfdag uitgegeven wordt, volgt de tekst van de derde druk (exemplaar uit particuliere collectie). Er zijn alleen typografische wijzigingen aangebracht. De tekeningen zijn overgenomen zoals die in de derde druk voorkomen. Van veel van HaverSchmidts verhalen zijn manuscripten en voorpublikaties overgeleverd. Het is wenselijk dat er in de toekomst een varianteneditie van Familie en kennissen gerealiseerd wordt.

 

Marita Mathijsen

terug  begin  verder