Pioniers van een verenigd Europa


auteur: Annemarie van Heerikhuizen


bron: Annemarie van Heerikhuizen, Pioniers van een verenigd Europa. (diss. Universiteit van Amsterdam) Amsterdam 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 99]

4 P.J.S. Serrarens (1888-1963)

Inleiding

De tweede ondertekenaar van de moties blikte bij het begrotingsdebat van januari 1951 terug op wat zich na de oorlog in de Tweede Kamer had voltrokken op het terrein van de buitenlandse politiek. Hij zei:

‘Toen wij in December 1946, voor het eerst na de oorlog, de Begroting van Buitenlandse Zaken behandelden en voor het eerst konden spreken over de gewijzigde positie van Nederland, dat uit “de stille wateren, waar zelfstandigheidspolitiek hoogste wijsheid was, is uitgejaagd op de wilde wereldzee”, trachtte ik de stuurman er van af te houden, ook na de oorlog in konvooi te varen en hem te bewegen eigen koers te houden.’
‘Het was in die tijd gewoonte, vrees uit te spreken voor blokvorming...’
‘Wij hebben anders geleerd. Wat in het Oosten van Europa gebeurt, is in zijn verschijningsvorm moderner dan ooit overweldigers hebben getoond, maar in zijn wezen niet anders dan imperialistische machtsvorming.’
‘Deze gehele ontwikkeling van de laatste jaren heeft ons in West-Europa gedwongen (...) tot een Europese integratie te komen.’1

‘Wij hebben anders geleerd’: bij het begrotingsdebat van 1947 drong Serrarens er al niet meer op aan ‘eigen koers te houden’. ‘Thans beginnen de volkeren van het avondland zich bewust te worden van de noodzakelijkheid, samen te leven en samen te werken om niet, het een na het ander, onder te gaan’, zo sprak hij toen.2 Serrarens had in 1947 vooral de samenwerking binnen de OEES in gedachten. ‘Ik geloof’, liet hij de Kamer weten, ‘dat geen dier landen in West-Europa [de landen van de OEES] toekomst

[p. 100]

heeft, tenzij zij het samen hebben.’3 In 1948 verbond hij zijn naam aan de motie die steun betuigde aan het Verdrag van Brussel - de motie-Van der Goes/Serrarens I - en aan die van de bovennationale organen - de motie-Van der Goes/Serrarens II. In 1949 volgde zijn ondertekening van de moties die waren gericht op de Raad van Europa: de motie-Van der Goes/Serrarens III en de motie-Bruins Slot.4

Serrarens had zitting, naast onder anderen Bruins Slot, in het voorbereidingsorgaan van de Raad van Europa, het Vijf Mogendheden Studiecomité voor de Europese Eenheid. Voorts was hij lid van de Assemblée Consultative van de Raad van Europa, en werd hij in 1952 benoemd tot rechter van het Hof van Justitie van de EGKS. Deze laatste benoeming leidde tot zijn vertrek uit de Tweede Kamer waar hij als specialist op het terrein van de buitenlandse politiek deel had uitgemaakt van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken.

‘Wat in het Oosten van Europa gebeurt’ was inderdaad Serrarens' voornaamste beweegreden om zich met het idee van Westeuropese blokvorming in te laten en er zijn aktiviteiten volledig op af te stemmen. Serrarens koesterde namelijk, zo is ook op te maken uit zijn in 1950 verschenen publicatie Rusland en het Avondland, een welhaast panische vrees voor het zijns inziens in communistische vermomming gestoken tsarenrijk van weleer. Hiertegen een ‘dijk’ op te werpen was zijn voornaamste motivatie om tot nauwe Westeuropese samenwerking over te gaan. Serrarens schetste het gevaar aldus:

‘Als een mateloos oerwoud, ontzagwekkend groot en ondoordringbaar, waar lianen eeuwenoude stammen verbinden en waar geen weg binnenvoert en geen uitweg is, als een oerwoud, waar de dag amper haar lichtglanzen werpt en waar ongekende maar vaag bevroede gevaren vanuit de donkere diepten dringen, zó is Rusland voor ons, mensen van het avondland!’5
[p. 101]

Petrus Josephus Servatius (Jos) Serrarens was geboren in Dordrecht op 12 november 1888, en was dus reeds zestig jaar oud toen hij zich ging inzetten voor een niet-communistisch Europa.6 Een lange carrière lag reeds achter hem. Sedert de jaren twintig vervulde hij vooraanstaande functies binnen de katholieke vakbeweging en vanaf 1920 gaf hij leiding aan het Internationaal Christelijke Vakverbond (ICV).7 Van meet af aan was hij betrokken bij de jaarlijkse conferenties van de bij de Vrede van Versailles opgerichte Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), waar men zich bezighield met internationale arbeidswetgeving.8 Serrarens verrichtte naast zijn vakbondswerk ook al jarenlang parlementaire aktiviteiten. Vanaf 1929 maakte hij deel uit van de Eerste Kamer, vanaf 1937 van de Tweede Kamer, als lid van de fractie van de Roomsch-Katholieke Staatspartij.

[p. 102]

Tijdens de oorlog, op de hielen gezeten door de Duitse bezetter vanwege zijn openlijk aan de dag gelegde anti-nationaal-socialistische gezindheid, werd hij gedwongen tot langdurig onderduiken. Serrarens was de auteur van het anti-Duitse geschrift De revolutie van het hakenkruis, verschenen in het jaar van Hitlers machtsovername, 1933.9 Zijn ICV was er vanaf 1933 toe overgegaan Duitse en Oostenrijkse afgevaardigden te weren. Voor zover bekend wijdde hij zich tijdens zijn onderduikperiode volledig aan de voorbereiding van een - ongepubliceerd gebleven -geschiedschrijving van de arbeid, die de ambitieuze titel had moeten dragen Van pyramiden tot de lopende band.10 Direct na de oorlog hervatte hij zijn vakbondswerkzaamheden. Namens het ICV adviseerde hij de VN bij de opstelling van de Verklaring van de Rechten van de Mens. In 1948 werd hij gekozen tot toegevoegd lid van de Raad van Beheer van de Internationale Arbeidsorganisatie, een functie die hij voor de oorlog ook enkele jaren had vervuld.

Direct na de oorlog hervatte Serrarens tevens zijn parlementaire aktiviteiten. Het partijprogramma van de KVP bood alle mogelijkheden voor internationale bezigheden. ‘Krachtig wordt gesteund het streven naar Europese, waar mogelijk Atlantische en in een verwijderde toekomst mondiale federale samenwerking’ zo bepaalde artikel 27 van het Algemeen Staatkundig Program van de KVP.11 Bovendien was de KVP actief binnen de in 1947 opgerichte Nouvelles Equipes Internationales (NEI), een internationaal samenwerkingsverband van christen-democraten.12 Internationale partijpolitiek wierp zijn schaduwen hierbij vooruit. De NEI was opgezet naar analogie van de Socialist Movement for the United States of Europe. Het katholieke propagandablad De Opmars schreef over het belang van de NEI: ‘Waar nu de socialisten meer dan eens getrom-

[p. 103]

petterd hebben: “Europa zal socialistisch zijn of het zal niet zijn”, daar is het wellicht noodzakelijk, dat er in plaats van bijvoorbeeld Franse, Duitse, Benelux-fracties, christelijke, socialistische, liberale fracties komen’.13

Serrarens werd binnen de partij omgeven door specialisten op internationaal terrein: volkenrechtdeskundige L.J.C. Beaufort, senator P.A. Kerstens, de parlementariërs E.G.M. Roolvink, E.M.J.A. Sassen en diens opvolgster Marga Klompé.14 Overigens had partijleider en fractievoorzitter C.P.M. Romme maar geringe belangstelling voor de internationale politiek.15 Misschien hing dat samen met Romme's gebrekkige beheersing van de vreemde talen. Bosmans schrijft in zijn biografie over Romme:

‘Op één punt voelde hij [Romme] zich zelfs hoogst onzeker en dat betrof de beheersing van de vreemde talen; al op het gymnasium had daar zijn fort niet gelegen. Frans, Duits en Engels gingen hem beroerd af, het Engels nog het meest en de gedachte dat hij er wel eens over zou kunnen struikelen, benauwde hem.’16

Romme was dus welhaast gedwongen internationale experimenten als de Raad van Europa aan zijn deskundigen over te laten.17 Soms was er sprake van regelrechte tegenwerking van zijn kant. Zo heeft hij nog gepoogd de fractie van steun aan de motie-Van der Goes/Serrarens III af te houden. Zijn reactie op het hem toegestuurde concept van deze motie: ‘Ik vind de heele motie rijkelijk ondoordacht en ik kan mij niet geheel aan het gevoel onttrekken, dat zij

[p. 104]

voornamelijk is opgezet voor de show’.18 De fractie volgde evenwel Serrarens die dezelfde commissieleden adviseerde: ‘Waar wij het wel eens zijn met de grondgedachte [van de motie], en de bewoordingen nogal soepel zijn, lijkt het mij, dat wij er in beginsel mee accoord kunnen gaan’.19

Roomse kinine

Een apart woord dient te worden gewijd aan Serrarens' relatie tot de sociaal-democratische fractievoorzitter M. van der Goes van Naters. Hun namen mogen dan aaneengeklonken zijn in de zo-even genoemde moties, in het verleden was Serrarens allesbehalve een vriend geweest van de sociaal-democraten.20 In zijn in 1918 verschenen brochure Roomsche kinine tegen roode koorts had hij ronduit de spot gedreven met de door Van der Goes zo hooggeschatte voorman van de sociaal-democraten, P.J. Troelstra. Zijn pijlen waren gericht geweest op Troelstra's onfortuinlijk verlopen revolutiepoging:

‘Nederland is ziek geweest.
Een paar dagen maar.
Ook korte ziekten kunnen echter ernstig zijn.
En velen waren bezorgd, dat het slecht zou afloopen.
Er waren verschijnselen van roode koorts.
Die kan levensgevaarlijk zijn.
Maar het is gelukkig goed afgeloopen.
De natuurlijke weerstandskracht van het lichaam heeft den aanval der
revolutie-bacillen doorstaan.
[p. 105]
Een flinke portie Roomsche kinine heeft de koorts genezen.
Nederland is weer aan de beterhand.’21

Ook Troelstra's waterschapsmodel, zo essentieel voor het denken van Van der Goes, en gefundeerd op de gedachte van functionele decentralisatie met een overheersende positie voor de staat, was niet aan Serrarens besteed geweest.22 Serrarens hanteerde zijn eigen model, zoals neergelegd in het Economisch wereldprogram van het ICV. Daarin werd onder aanvaarding, dat wel, van de noodzaak van staatkundige decentralisatie, de staat slechts een zeer terughoudende rol toebededeeld. We lezen: ‘Daar de Staat niet berust op de economische indeling van het volk, kan hij in het algemeen niet het instituut van de productie en niet de drager van de economische orde zijn’.23 En: ‘De overneming der productie door de Staat is alleen gerechtvaardigd, waar het particulier bedrijf het noodzakelijke economische doel niet bereikt’. Een standpunt dat in overeenstemming was met de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno van 1931 waarin werd bepaald, op grond van het subsidiariteitsbeginsel, dat de Staat uitsluitend leiding moest geven ‘al naargelang de omstandigheden het meebrengen en de noodzakelijkheid het eist’.24

Serrarens' wereldprogram had een uitgesproken corporatistische inslag: het economisch leven eiste een ‘solidaristische geest van alle individuen, standen en volkeren’, en diende te worden georganiseerd ‘op de grondslag der samenwerking tussen werkgevers en werknemers, ten bate der gemeenschap’.25

[p. 106]

Het Avondland

Ten einde Serrarens' opvattingen over Europa te verduidelijken is het allereerst nodig enkele passages uit zijn parlementaire redevoering op de dag van indiening van de motie-Van der Goes/Serrarens I/II, 18 maart 1948, te citeren. Het zijn passages die zijn diepe angst voor het communisme treffend weergeven, evenals zijn gehechtheid aan zijn eigen waarden en normen:

‘Mijnheer de Voorzitter! Er zijn gebeurtenissen in Europa, die voor alle volkeren van oost en west van de grootste betekenis zijn.
Wij kunnen ons niet losmaken van wat in het oosten van Europa gebeurt en wij moeten trachten de betekenis er van te peilen.’
‘...in Tsjechoslowakije, zoals in andere Staten, (is) de vrije meningsuiting onderdrukt, de critiek gesmoord, de democratie vermoord en de dictatuur heerst.’
‘Wij verwerpen het goddeloze, het onrechtvaardige, het haatzaaiende en moordende communisme. Wij verwerpen het als in strijd met de belangen van de arbeiders, wier welvaart het verwoest en wier vrijheid het vernietigt. Wij zullen het weerstaan in de mate van onze krachten.
Maar wij weerstaan het, omdat wij weten, dat de redding van het avondland ligt in wat het communisme wil vernietigen: in zijn bezinning op de Christelijke waarden, die zijn hoogste goed uitmaken, de zedenwet, met haar onderscheid van goed en kwaad, van recht en onrecht, de geestelijke vrijheid, de vrijheid der kinderen Gods, de gelijkheid van alle mensen voor de Eeuwige...’26

In zijn publicatie Rusland en het Avondland voert Serrarens de lezer mee naar de natuurlijke rijkdommen van het christelijke Avondland. Het omvatte de geneugden van het Mediterrane ras: ‘blauwe zuiderluchten’ en ‘een zacht klimaat, een landschap met natuurlijke harmonie en een heerlijke plantengroei’. Het Noordse ras had de dynamiek gebracht. Het had ‘niet van nature een plaats in de zon’. Het moest vechten, was ‘een ras van veroveraars’. ‘In ranke schepen zijn wij uitgevaren, om te weten, waar de peper groeide en de nootmuskaat’.27 Hiertegenover schetste Serrarens de ellende van de Russen: de Tartaarse onderdrukking welke het volk had afgesneden

[p. 107]

van de Westerse economische en religieuze bloei, en het begin had betekend van een weg naar ‘dictatuur van een elite’.28

Het begrip ‘Avondland’ hanteerde Serrarens in de geest van de historici Christopher Dawson en Arnold Toynbee die beiden stelling hadden genomen tegen het in 1918 verschenen werk Der Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler.29 Toynbee schreef:

‘According tot him [Spengler], civilizations arose, developed, declined, and foundered in unvarying conformity with a fixed time-table, and no explanation was offered for any of this. It was just a law of nature which Spengler had detected, and you must take it on trust from the master: ipse dixit.’30

Toynbee stelde er tegenover:

‘While civilizations rise and fall and, in falling, give rise to others, some purposeful entreprise, higher than theirs, may all the time be making headway, and, in a divine plan, the learning that comes through the suffering caused by the failures of civilizations may be the sovereign means of progress.’31

De katholieke historicus Chr. Dawson vestigde de aandacht op de in de Oudheid tot ontwikkeling gekomen en in de Middeleeuwen autonoom volgroeide christelijke beschaving.32 Waar het op aan

[p. 108]

kwam was deze beschaving, ter versterking van het Avondland, tot ‘gemeenschappelijk Europees bewustzijn’ te maken.33

Serrarens' Avondland beantwoordde aan dit christelijke beschavingsideaal van Dawson en Toynbee. En in combinatie met Serrarens' anticommunistische gezindheid en zijn vrees voor sociale onrust in West-Europa, diende dit christelijke Avondland te worden voorzien van een gedegen sociaal fundament. ‘De basis van het nieuwe Europa kan nooit zijn een leeg anti-communisme’, zo stelde de vakbondsman het in Nieuw Europa. ‘Het moet zijn een bewust samen streven en samenwerken. Het nieuwe Europa zal de geleidelijke eenwording pas kunnen bereiken als het gedragen wordt door de volkeren zelf’.34 De in de motie-Van der Goes/Serrarens II voorgestane doelverbanden en de later eraan gekoppelde gedachte van een Raadgevend Lichaam of Assemblée, kon hij dus niet anders dan in katholieke vakbondstermen bezien. Aan de vooravond van de motie-Van der Goes/Serrarens III zei hij:

‘Legt de Assemblée-gedachte de nadruk op een zekere volksinvloed, op een invloed en een stuwing van de verschillende volkeren op het gebied der organisatie van Europa, de motie, die het vorig jaar door deze Kamer werd aangenomen [motie-Van der Goes/Serrarens II], legde meer nadruk op de doelverbanden, die nodig zijn, maar bij welker vorming het veelal ook wenselijk zal zijn, een zekere invloed aan de maatschappij te verzekeren. Wij kunnen ons toch niet indenken, dat men bijv. op economisch en sociaal gebied een doelverband zou oprichten, zonder dat het bedrijfsleven, zonder dat de arbeidersbeweging daarin vertegenwoordigd zou zijn. Die twee dingen grijpen in elkaar.’35
[p. 109]

Het was vanuit sociaal oogpunt dat het Avondland afstand nam van zowel de Verenigde Staten als de Sovjetunie. De Verenigde Staten liepen voorbij aan de ‘gemeenschapstaak’, zo wezenlijk, aldus Serrarens, voor het christelijke Avondland. Het Amerikaanse Marshallplan bekeek Serrarens ook met grote reserves: het was weliswaar een ‘onmisbare economische steun’ maar kon nooit meer zijn dan een ‘bloedtransfusie’. ‘De werkelijke opbouw moet uit Europa zelf komen’, zo was zijn standpunt.36 De Sovjetunie vergreep zich, geheel tegenovergesteld aan de Verenigde Staten, aan de vrijheid der arbeiders in naam van de ‘gemeenschap’. ‘De mens mag niet worden uitgebuit, niet door een kapitalist, maar ook niet door de gemeenschap’, was Serrarens' opvatting.37 Of, zoals hierboven al weergegeven uit Serrarens' redevoeringen van 18 maart 1948: ‘Wij verwerpen het [communisme] als in strijd met de belangen van de arbeiders, wier welvaart het verwoest en wier vrijheid het vernietigt’.38

Het Avondland was niet gebaat bij een organisatie als de Verenigde Naties. ‘[E]r is in de ontwikkeling der Verenigde Naties nog maar onvoldoende gelegenheid gegeven voor een rechtstreekse medezeggenschap der volkeren’. Ook was er weinig te verwachten van de OEES, ‘een intergouvernementeel orgaan, waarin de volkeren door hun gekozen vertegenwoordigers geen invloed hebben’.39 En met de EGKS kon het alleen wat worden ‘if European workers are given guarantees that from the very start, and continuously, their interests will be safeguarded’.40 Slechts één internationaal lichaam had het vertrouwen van Serrarens en dat was zijn eigen, al

[p. 110]

lang bestaande Internationale Arbeidsorganisatie.41 Deze organisatie kenmerkte zich, een belangrijk punt voor Serrarens, door een tamelijk ongouvernementeel karakter. Een vergelijking met de vroegere Volkenbond:

‘Naast de Volkenbond, die (...) een Statenbond was, een bond van Regeeringen eigenlijk, bestond de Internationale Organisatie van den Arbeid, waarin - novum in de ontwikkeling van het volkenrecht - de bevoegdheid der souvereine Regeeringen ten opzichte van de benoeming der delegaties ingrijpend beperkt werd, doordat werd voorgeschreven, dat zij de helft der gedelegeerden moeten aanwijzen in overeenstemming met de meest representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.
Deze gedelegeerden zijn volkomen vrij van Regeeringsinstructies. Zij hebben eigen rechten, die zelfs zoo ver gaan, dat zij zelfstandig klachten tegen een Staat kunnen indienen.’42

Dertig jaar ervaring

Zoals al opgemerkt, had Serrarens reeds een vrij lange carrière achter de rug toen hij betrokken raakte bij de moties over de bovennationale organen. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog kwam Serrarens, zoon van een administrateur bij de pontonniers, in contact met de katholieke arbeidersbeweging. Serrarens had het diploma van onderwijzer op zak en kon bogen op een gedegen intellectuele vorming. Vele jaren wijdde hij zijn krachten aan de Roomsch-Katholieke Vereeniging tot bestrijding van tuberculose Herwonnen Levenskracht, en aan het Roomsch-Katholiek Vakbureau. Geen van de bestuurders van deze verenigingen kon zich met hem meten, aldus C.J. Kuiper in een terugblik op de verdiensten van Serrarens.43 Zo slaagde hij erin uit voormalige militaire barakken het noodsanatorium Berg en Bosch op te bouwen, dat zou

[p. 111]

uitgroeien tot het grootste sanatorium van Nederland ter bestrijding van tbc. Ook de oprichting van het ICV in 1920 was vooral te danken aan Serrarens. Zijn uitstekende talenkennis stelde hem in staat met succes te bemiddelen tussen de Duitse, Franse en Belgische vakverbonden, en het ICV van de grond te krijgen.

Het belang van het ophalen van dit succesverhaal is gelegen in het feit dat Serrarens er in de Kamer, ten tijde van de behandeling van de moties, een behoorlijke meerwaarde aan trachtte te ontlenen. Keer op keer wees hij in zijn redevoeringen op zijn wel dertig jaar lange ervaring op internationaal terrein, waardoor hij simpelweg wíst dat bovennationale doelverbanden een grotere slagvaardigheid aan de dag konden leggen dan soevereine staten. In de Kamer verdedigde hij de bovennationale gedachte dus als volgt:

‘[Er] wordt gesproken, van doelverbonden [doelverbanden], dus van lichamen, die met een bepaald doel gesticht worden en waaraan bepaalde bevoegdheden worden opgedragen. Men kan, als men niet zo ver wil gaan, dat men de gehele beslissing in handen van een bepaald lichaam legt (...) beginnen met besluiten, die ratificatie door de Staten nodig hebben. Maar uit 30-jarige ervaring weet ik hoeveel bezwaren van traagheid deze methode meebrengt.’
‘Een grotere kracht verkrijgt men, als het bedoelde lichaam het recht heeft, beslissingen te nemen.’44

Eigen ervaring lag ook ten grondslag aan zijn zorgelijke kijk op de gang van zaken bij het departement van Buitenlandse Zaken:

‘Als men de bezetting van het Departement bekijkt, geloof ik, dat verschillende afdelingen een volkomen onvoldoende bezetting hebben. Wanneer ik zie, dat bibliotheek en vertaalbureau te zamen in totaal twee ambtenaren tellen met twee arbeidscontractanten, dan is dat voor beide diensten zeer weinig. Ik weet van vertalen een en ander af; wanneer het vertalen in haast gebeuren moet, gebeurt het slecht en als er zo weinig mensen zijn, komt het laat.’45

Zijn beoordeling van de ontwikkelingen bij de Raad van Europa verried een regelrecht verlangen naar meer verantwoordelijkheid voor parlementariërs die, zoals hijzelf, de kinderschoenen al jaren-

[p. 112]

lang waren ontgroeid. Toen dus bleek dat het Comité van Ministers de Assemblée dreigde lam te leggen door het stelselmatig terzijde schuiven van de aanbevelingen van de Assemblée, schreef hij: ‘De wijze, waarop het Comité van Ministers het werk van de Assemblée wilde stilleggen, doet denken aan de houding van sommige vaders, die hun zoontje een electrisch spoortje geven, onder de conditie, dat het kind er niet mede mag spelen, als papa er niet bij is en deze niet alles doet’.46

Gezegd zou kunnen worden dat Serrarens, met zijn trots op zijn dertig jaar lange ervaring op internationaal gebied, een wel heel eigen invulling heeft gegeven aan de door Van der Goes voorgestane democratisering van de buitenlandse politiek: buitenlandse politiek als terrein van ministers én parlementsleden die daar gezien hun jarenlange kennis van zaken voldoende gekwalificeerd voor waren.47

Europese aktiviteiten

Serrarens trad op 6 december 1948 toe tot het Vijf-Mogendheden Studie-Comité voor de Europese Eenheid, belast met de voorbereiding van de Raad van Europa. Hij was plaatsvervanger van senator P.A. Kerstens die de eerste vergaderingen van het comité in november had bijgewoond als lid van de Nederlandse delegatie. Hoewel Serrarens slechts bij twee vergaderingen aanwezig was, is zijn standpunt opvallend herkenbaar terug te vinden in het eindverslag van het comité. Zo staat genoteerd:

‘De Heer Serrarens (...) brak een lans voor de vrije meningsuiting, door te wijzen op de innovatie, die het Statuut van de Internationale Arbeidersorganisatie had gebracht in het internationale publiekrecht, toen het naast vertegenwoordigers der Regeringen gedelegeerden van
[p. 113]
organisaties van werkgevers en werknemers voorschreef, een methode, die in 30-jarige praktijk gunstige resultaten heeft gehad.’48

Serrarens heeft, toen de Assemblée van de Raad van Europa er eenmaal was, plaatsgenomen in de Commissie voor Algemene Zaken. Daarnaast bekleedde hij het voorzitterschap van de Commissie voor Sociale Vraagstukken.49 Laatstgenoemde commissie kwam met het voorstel een Europees Wetboek van Sociale Zekerheid op te stellen: ‘we could create something really big, which might be called the European Code of Social Security’.50 Waar het op neerkwam was Europese landen te verleiden ‘to establish such a code, on the basis of the conventions which they have already adopted and which have been enforced, even if not ratified’.51 Daartoe was samenwerking met de IAO, die deze conventies had voorbereid, een eerste vereiste. Serrarens voerde de IAO in de Assembléevergadering van 1949 als volgt ten tonele:

‘When the International Labour Office laid the first foundations stone for the building in Geneva, its founder, Albert Thomas, that great Frenchman and great European, wrote “So vis pacem, cole justification”, “if you want peace, you must cultivate justice”.
The Council of Europe will meet the manifest desire of the working classes, who form the great mass of our nations, if it demonstrates to the nations, by a bold programme of social security carried out in collaboration with the International Labour Office, that the new Europe will also bring about social justice.’52

In zijn publikatie Romantiek en realisme in Straatsburg schreef hij:

[p. 114]
‘De Commissie voor Sociale Zekerheid, die ik de eer heb, te mogen leiden, heeft sinds de zitting van 1949, in samenwerking met het Internationaal Arbeidsbureau [administratief apparaat van de IAO], gewerkt aan de voorbereiding van een Europees wetboek van sociale zekerheid (...) De Assemblée, die de voorstellen [aangaande het wetboek] met overgrote meerderheid aannam, aanvaardde daarbij de overweging, dat de Conventie, die een dergelijk wetboek zou vaststellen, op het voorbeeld van de Conferenties van de Internationale Arbeidsorganisatie, op drieledige basis moest berusten, op samenwerking van regeringen, werkgevers en arbeiders.’53

Met de IAO zag Serrarens dus kansen weggelegd om vanuit de Raad van Europa te komen tot de ‘solidaristische geest’ die zijn wereldprogram van 1922 al zo nadrukkelijk voorschreef.54

Slot

Bevangen door vrees voor het goddeloze communisme wijdde de katholieke vakbondsman Serrarens zich aan de bovennationale politiek. Zijn hoop was gericht op het behoud van het christelijke Avondland, en op een West-Europa dat op ‘sociaal-solidaristische’ grondslag samenwerkte. Vertrouwend op zijn jarenlange ervaring in het internationale vakbondswerk, en met de Internationale Arbeidsorganisatie aan zijn zijde, nam hij bij de Raad van Europa het initiatief tot een zeer ambitieus project: de codificatie van het Europees sociaal recht.

Kennis van de voorgeschiedenis van het Europese eenheidsstreven had Serrarens niet. In het blad Nieuw Europa schreef hij: ‘Vroegere generaties spraken nooit van Europa’, en ‘in de jaren van de Volkenbond (bleek) de onmacht der Europese volken tot bezinning op gemeenschappelijk belang en gemeenschappelijke taak’.55 Coudenhove-Kalergi en Briand bleven in zijn denkwereld dan ook buiten beeld. Pas na de communistische machtsovername in

[p. 115]

Tsjechoslowakije, februari 1948, kwamen er zijns inziens ‘daden, zoals het Verdrag van de Vijf van Brussel, gevolgd door het Atlantisch Pact. Er ontstonden Bewegingen: de Beweging van Europese Federalisten’.56 Maar een overtuigd federalist als Denis de Rougemont stond in het denken van Serrarens toch niet al te ver af van Christopher Dawson, hoeder van het christelijke Avondland.57 Aansluitend op wat Dawson in The making of Europe schreef, namelijk dat ‘wijzelf (...) het vertrouwen (beginnen) te verliezen in de superioriteit van onze eigen [christelijke] tradities’, maar dat ‘helaas op niemand de taak rustte ‘Europa's zaak te bepleiten’, merkte Serrarens in Straatsburg op: ‘Some years ago. when Christopher Dawson wrote his book, “The Making of Europe”, he complained that no one undertook the defense of Europe. At present Denis de Rougemont can write that Europe which was beginning to break up is now beginning te recreate itself’.58