De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe


auteur: Christiaan van Heule


bron: Christiaan van Heule, De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe (ed. W.J.H. Caron). J.B. Wolters, Groningen / Djakarta 1953  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

+Vande Oorspronkelikheyt.3)

+De oorspronkelikheyt of (beter) veranderlikheyt / vervaet4) en wijst aen / allerleyen aert de5) veranderingen / die in de woorden onstaet.

Hoe menigerleye woorden zijnder?

++Alle de woorden worden in zesderleye (14) soorten gedeelt / en worden genaemt ledekens, Namen, of Naem-woorden, voor-namen, werk-woorden, deel-woorden en Help-woorden, welke benamingen den woorden gegeven worden / om van elc onderscheydelic te konnen spreken: gelijc als het zelve geschiet in het onderscheyt der waren / werk-tuygen / munte en gewicht / etc.

Merc.

De genaemde zes soorten van woorden zijn alle veranderlic / behalven +de Helpwoorden6) / welke meest onveranderlic zijn / het welc vervolgens breder te zijner plaetse zal aengewezen worden.

+Van de Ledekens.7)

Deze woorden / als de, het ende een, worden Ledekens genaemt / om datse veeltijts onscheydelic / hangen aen die dingen daer wy van spreken / als

[p. 16]

gevraegt zijnde / wat is dat? men antwoort een mensch, een man, een boom, +een beest, hier en kan men het woordeken Een niet naelaten / en zeggen +Het is mensch, het is man, het is boom, het is beest.

Ziet hier af vorder in de Samenvouginge.1)

Dit gebruyc der Ledekens / is mede den Grieken gemeyn / welke ooc volgens onze wijze zeggen ὁ ἄνϑρωπος, ὁ άνὴρ, τὸ δενδρὸν τὸ ζώον,

++Van Naemen.2)

De Namen of Naem-woorden worden bequamelic ontleed / na de uyt-beeldinge der volgende Tafel / worden ooc vervolgens3) zulken order verklaert en beschreven.



illustratie

+Verklaringe.

De Namen4) zijn woorden / waer mede men alle lichamelicke / en onlichamelicke / zichtbare en onzichtbare dingen benaemt / als God, Geest, mensch, dier, Hemel, aerde, Lucht, water, vier, wint.

+De verdelinge der Namen.5)

De Namen worden aengemerkt in hare hoedanicheyt, vergelijkinge, geslacht, aert, getal, figuyre en buyginge.

[p. 17]

Van de hoedanicheyt.1)

De Namen zijn eygen of gemeyn.

+Een eygen Naem is / welke alleenelic een dinc toekomt / als Petrus, Keulen, Rijn.

+Een gemeyne Naem / is velen dingen gemeyn / als Mensch, Stat, Revier.

Een gemeyne Naem is Zelfstandich of By-vougelic.

+Zelf-standige Namen zijn / die alleen staende / volkomelic bedieden / het gene datmen naemt / als Man, Vrouwe, Wijf, Berg, Stat, Hof, etc.

+By-vougelicke Namen zijn2) / die de gedaente of het ghestalt / eenes dinx / maer geen dinc zelve en uytbeelden / als goed, schoon, sterc, deze konnen altijt den zelf-standigen woorden toegevoucht worden / als Goet +lant, Schone stat, Sterc huys.

Opmerkinge om de By-woorden van Zelfstandige te onderscheyden.

+Alle namen der dingen die wezen hebben / zijn zelf-standige woorden.

Ooc konnen de woorden op eene andere wijze3) onderscheyden worden / als tot voorbeelt / men begeert te weten of Goet een zelf-standich of een By-woort is / stelt nu het woordeken Goet, by eenich bekent zelf standich woort / genomen Man, zo is het te zamen Goet man, deze woorden nu eenigen stant van reden5) makende / geven te kennen dat Goet een By-woort is / want twee zelf-standighe woorden / en konnen malkander / in eene Reden niet lijden / ten zy datter een woort van gemaakt werde.6)

Van de Vergelijkinge.7)

+

illustratie

De By-woorden zijn vergrotelic of onvergrotelic.

Een vergrotelic woort is / welc in vergelijkinge der eerste stellinge / groter en uytnemender8) kan worden als.

+Stellende Rijc, Arm, Jong, out, bequaem, moedich, is

[p. 18]

+Vergroot / Rijker, Armer, Jonger, ouder, bequamer, moediger, ende deze zijn

+Wtnemende / als Rijcxt, armst, Jong,1) outst, bequaemst en moedigst, Dusdanige vergrotinge / worden ooc trappen der vergelijkinge2) of vergrotinge genaemt /

Deze vergrotelicke woorden nemen gemeynelic vergrotende / eene R op het eynde / en in de grootste vergelijkinge / nemen zy St aen / als

Sterc, sterker, sterkst. Zoet, zoeter, zoetst.
Kranc, kranker, krankst. Wijs, wijzer, wijst.

+De By-woorden welke volgens deze order niet vergroot en worden / die worden byzondere vergrotende genaemt / als

+

illustratie

Alle By-woorden die in L, N en R eyndigen / nemen in de vergrotinge Der op het eynde / als Snel, snelder, Schoon, schoonder, Swaer, swaerder, dit is ooc buyten den Regel der gemeyne vergrotinge.

+De onvergrotelicke By-woorden / zijn genaempt Deelwoorden, die in En eyndigen / als Gehouden, gekomen, geroepen, etc.

+Ooc zijn alle de namen der getallen on-(19)vergrotelic / als Een, Twee Drie, Vier, etc.

+Van het Geslacht der woorden.4)

Alle Namen worden in drie geslachten onderscheyden.

De benaminge der geslachten is Mannelic / Vrouwelic en generley / of derde geslacht.

+Volgen eenige Regelen, tot kennisse van de
geslachten der zelfstandige woorden.5)

1.

Alle namen die den mannen Goden, Engelen en Geesten, gegeven worden / die behoren tot het Mannelic geslacht / als Petrus, Paulus, Timmerman, werker, Jupiter, Gabriel, Beelzebub.

[p. 19]

2.

Alle namen die alleenelic den Vrouwen toekomen / behoren tot het vrouwelic geslacht / als Maria, Moeder, Venus, Zuster, Naester1), Breyster.

Behalven.

+Het woordeken Wijf, welc tot het generley geslacht behoort.

3.

+Alle werc-woorden der onbepaelde wijze / wanneer zy voor zelf-standige +genomen worden / behoren tot het Generley geslacht / als Het werken, het lopen, het rusten, het lijden. Hier in volgen wy de Grieken welke zeggen τὸ εργάζεσϑαι, τὸ τρέχειν, τὸ(20)λοφεῖν2). τὸ παϑεῖν. De Francoyzen gebruyken mede / die zelve Tael-wijze / zeggende le labourer, le courir, le roposer3), le souffrir.

4.

+Alle Werc-achtige woorden / die met Ge, be of ver beginnen / behoren tot het Generley geslacht / als het gewerc, het begrijp, het verloop, het verhael.

5.

+Tot het Generley geslacht behooren ooc de By-woorden / als die voor zelf-standige gebruykt worden / als Het recht, het ront, het gelijc, alzo zeggen mede de Grieken τὸ ἀγαϑὸν, τὸ περιφερὲς, τὸ ὀμαλὸν.4)

6.

+Tot het Generley geslacht / behoren alle Verkleynde woorden / als Het manneken, het wijfken, het boomken, het huysken.

7.

Ooc behooren tot het Generley geslacht / deze woorden der tellinge / als Het paer, Het dozijn, Het twintich, Het hondert, Het duyzent.

8.

+Ooc behoren tot het Generley geslacht de Help-woorden / welke voor zelf-standige woorden gebruykt worden / als het buyten, τὸ ἔξω, het binnen, τὸ ἐντὸς, het ja, τὸ ναι, Het neen, τὸ οὔ, Het onder, τὸ νέρϑεν, Het boven τὸ ὑπὲρ.

9.

De namen der Revieren / behoren tot het Vrouwelic geslacht5) / als De Maze, De Jordaen, De Schelde, De Isel.

[p. 20]

Behalven.+

De Rijn, welc tot het Mannelic geslacht behoort.

Om de zelf-standige woorden na hare geslachten te
onderscheyden, uyt de eyndinge der woorden.1)

1.

+Alle Naem-achtige woorden / die in heyt eyndigen / behoren tot het Vrouwelic geslacht / als Wijsheyt, Schoonheyt, goetheyt.

2.

+Ooc behoren tot het Vroulic geslacht / alle Werk-achtige woorden die in inge, isse ende ije eyndigen / als De gevinge, de lijdinge, de gevangenisse, de visscherije2), de hoverdije 2), de galeije.3)

Behalven.

Getuygenisse, welc tot het Generley geslacht behoort.

3.

+Ooc behoren tot het Vrouwelic geslacht / alle Werkachtige5) woorden / die op het eynde in plaetse van Heyt, hebben Te als de sterkte, de grote, de dikte, in plaetse van Sterkheyt, grootheyt, dikheyt.

4.

Ooc behoren tot het Vrouwelic geslacht / de Latijnsche of Francoysche woorden / welke in ie of ij6), eyndigen / als de gratie, de blamatie, de executie, de harmonije, de valeye.

5.

+Tot het Generley geslacht behoren / de (22) Naem-achtige woorden / die +in Dom eyndigen / als het Bisdom, Het Hertochdom, Het Pausdom.

Behalven.

Rijcdom welc tot het Mannelic geslacht behoort / gelijc ooc mede het woordeken Dom, de name eener Kerke.

6.

+Ooc behoren tot het Generley geslacht / alle Werk-achtige woorden / welke in ment eyndigen als Het Testament, Het Tractement, Het present7), deze zijn alle vreemt.

[p. 21]

7.

+Ooc behoren tot het Generley geslacht / alle Naem-achtige woorden die in Schap, eyndigen1) / als Het Lantschap, het Graefschap, Het Maegschap.

Behalven.

Blijschap en vrienschap2), welke tot het Vroulic geslacht behoren.

8.

Ooc behoren tot het Generley geslacht / de namen der Steden / als het Jeruzalem, Het Romen, Het Athenen, doch weynige namen der Steden +mogen de Ledekens by haer lijden.

9.

Ooc behoren tot het Generley geslacht / de Griexsche en Latijnsche woorden / die in Us3), um of on eyndigen / als Het Hymnus, Het Articulus 3), Het Genitivus, Het Dativus, Het Euangelium, Het Encomion.

Merc.

+Een zelf-standich samen-gevoucht (23) woort / behoort tot het geslacht van het laetste woort / als Koop-stat, mis-daet, en on-geneucht4), zijn woorden van het Vrouwelic geslacht / om dat Stat, daet en geneucht, Vrouwelicke woorden zijn.

Behalven.

Demoet5), welc behoort tot het Vroulic / en moet behoort tot het Mannelic geslacht alzo is.

Booswicht Mannelic / en Wicht Generley Kleynoot, geenerley / en Noot Mann.

Lit-maet geenerley / en Maet Vroulic.

Vrou-persoon geenerley / en Persoon Mannelic.

Vrou-mensch geenerley / en Mensch Mannelic.

+Ooc worden hier uytgenomen / alle werc-achtige / die met ge, be, of ver, beginnen / als geval, bedwang, verstant, welke tot het generley geslacht behoren / alhoewel val, stant en dwang, tot het Mannelic geslacht behoort.

[p. 22]

Merc.

+Tot de kennisse van het onderscheyt der geslachten / zo is deze opmerkinge vorderlic / doch geen zekere wet / Dat de woorden des Vrouwelicken geslachts / gemeynelic in E, eyndigen / als Hope, Kerke, Lere, Heyde, etc.

Doch / Deucht, hant, Jeucht, kracht, etc. verwerpen de E.

+De woorden des Mannelicken en Generleyen geslachts / verwerpen +gemeynelic de E op het eynde / als Man, Boom (24) Berg, etc. doch deze Mannelicke woorden / behouden eene E, op het eynde / als name, zone, reuze, neuze.

Deze woorden des Generleyen geslachts behouden de E, bequamelic / op het eynde / als Eynde, geloove, herte, bedde.

Dit zy nu gezeyt van de geslachten der zelf-standige / volcht nu

+Het onderscheyt der By-woorden, volgens
de drie geslachten.1)

Alle By-woorden worden na de drie geslachten onderscheyden / welke onderscheydinge wy hier met exempelen / (in plaetse van regelen) voor ogen stellen.

Het natuyrelic eenvoudich3) onderscheyt der geslachten onzer Bywoorden / +eyndicht in het Mannelic geslacht in N, de Vrouwelicke woorden eyndigen in E, de woorden des Generleyen geslachts / verworpen beyde de N, ende de E, als hier vervolgens gezien wort /

+Mann. Vrouw. Gener.
Sterken, Sterke Sterc.
Heyligen, Heylige, Heylich,
Hogen, Hoge, Hooch,
Goeden, Goede, Goet.
Schonen Schone, Schoon,
Eenen Eene Een

Merc.

Alhoewel dit onderscheyt der geslachten / zich aldus uytter nature van +een scheyt (25) zo is het nochtans in spreken en schrijven gebruykelic / de N op het eynde der Mannelicke woorden naer te laten / om de dienstbaerheyt5) des zelven gebruyx / en ooc de zoetvloeyentheyt der Tale.

[p. 23]

De volgende exempelen / stellen wy dan volgens de meeste volkomenheyt des gebruyx / ende deze1) hebben wy tot aenwijzinge des onbesnoeyden naturelicken stants / aengewezen.

+Zo dat dan / de gemeyne By-woorden / in het Mannelic en Vrouwelic geslacht / eene E, op het eynde hebben / welke E, van het generley geslacht verworpen wort.

+Daer zijn ooc eenige woorden / die Deel-woorden genaemt worden2) / die zonder veranderinge by de drie geslachten / konnen gebruykt worden / als

  De lopende Man, Currens vir.
  De lopende Vrouwe, Currens foemina.
  Het lopende Dier, Currens animal.
Ooc De minnende Man, Amans vir.
  De minnende Vrouwe, Amans mulier.
  Het minnende Dier, Amans animal.

Merc.

Als de Ledekens De of Het3) voor de Deel-woorden komen / zo vallen die zoeter in het Generley geslacht met eene E, op het eynde / als het +minnende Dier, is wel zo cierlic gezeyt / als het minnend Dier, maer wederom +is een lopend Wilt, zoeter / dan een lopende Wilt, daerom zoude ic (26) achten / dat wy van zulke woorden in het Generley geslacht / de E beter zouden mogen naer-laten / als-er het Ledeken Een voorstaet / (dit wort ooc by de Hoogduytschen voor eenen regel gehouden) zo dat wy dan achten / datmen na de meeste bevallikheyt des gehoors / zoude behoren te zeggen Het groeyende Boomken, ende een groeyent Boomken, Het knagende Muysken ende een knagent Muysken.

+Jacop van der Schure / oordeelt de laetste E, in de Deel-woorden des generleyen geslachts heel overtollich / ic en zoude het zelve niet wel durven tegen-spreken.

Ooc en veranderen de op tellende woorden in de geslachten niet / als de eerste Man Primus vir. De eerste Vrouwe, Prima foemina. het eerste Dier, Primum animal.

Alzo ooc De tweede Man.
  De tweede Vrouwe.
  Het tweede Dier, etc.

+Ooc en veranderen de vergrote worden5) / na de geslachten niet / als

Een wijzer Man, Sapientior vir.
Eene wijzer Vrouwe, Foemina sapientior.
Een wijzer Dier, Animal sapientius.

[p. 24]

Alzo ooc De wijste Man,
  De wijste Vrouwe,
  Het wijste Dier.

+Van de Geslachten der Deel-woorden1) / die in En, eyndigen / wort de N, +in de (27) Vrouwelicke woorden naergelaten / en het Mannelic en Generley geslacht behout eene N, op het eynde / als

man. Gebonden vinctus.
vrou. Gebonde of Gebondene vincta.
gene. Gebonden vinctum
man. Bedwongen Coactus.
vrou. Bedwonge of Bedwongene Coacta.
gene. Bedwongen Coactum.
man. Verscheyden diversus.
vrou. Verscheyde of Verscheydene diversa.
gene. Verscheyden diversum

Daer zijn ooc eenige materiale By-woorden2) / welke in het Mannelic en Generley geslacht / eene N, behouden / als

man. Aerden terrenus Vochten3) Humidus, Tinnen stanneus
vrou. Aerde terrena Vochte Humida, Tinne stannea
gene. Aerden terrenum Vochten Humidum, Tinnen stanneum
man. Gulden Aureus, Koperen AEreus Wollen Laneus,
vrou. Gulde Aurea, Kopere AErea Wolle Lanea,
gene. Gulden Aureum, Koperen AEreum Wollen Laneum.

+Deze opmerkingen heeft zeer wel waer genomen / onze Tael-bezorger Kilianus, worden ooc zeer zuyverlic van Cats in het Houwelic / tot vele plaetsen ingebrocht.

++De verscheydenheyt van het geslacht der Voornamen5) is hier wat breder gestelt om dat die scheydinge / door het gemeyn gebruyc zeer bedorven en vermengelt is

man. Onze noster Mijn meus,
vrou. Onze nostra Mijne mea,
gene. Ons nostrum Mijn meum,

[p. 25]

man. Deze Hic Die iste,
vrou. Deze haec Die ista,
gene. Dit hoc Dat istud,
man. Wie quis Welke qui,
vrou. Wie quae Welke quae,
gene. Wat quod Welk quod,
man. Gene iste Uw tuus,
vrou. Gene ista Uwe tua,
gene. Geen istud Uw tuum,
man. Zulken1)   Zodanigen1) talis,
vrou. Zulken of Zodanigen talis,
gene. Zulken   Zodanigen tale.

Opmerkinge op eenige byzondere woorden
des Mannelicken Geslachts.2)

+Daer zijn eenige mannelicke woorden als Man en mensch, welke twederleye By-woorden / by haer konnen lijden / want als men zegt een goet Man, ende goede Man, dit is beyde wel gezeyt / alzo mede een goet Mensch, ende een goede Mensch.

Ooc zo zijnder noch eenige weynige als Meester, Koning, Knecht, Dienaer, +Propheet, Navolger, Priester, en Vrient die de-(29)zen aert schijnen te hebben / doch niet zo volkomelic / zo dat men zeggen mach.

  { +Meester   { Meester,
  { Koninc,   { Koninc,
Een goet { Knecht, of Een goede { Knecht,
  { Dienaer,   { Dienaer,
  { Vrient.   { Vrient.

De oorzake van dezer woorden eygenschap / schijnt te wezen / om dat het van de gemeynste woorden zijn / die wy gebruyken / en het meeste gebruyc / veroorzaekt de meeste inwickelinge3) / van de verkortinge der woorden.

Merc.

Daer zijn ooc eenige Vrouwelicke by-woorden / die op het eynde eene R, aennemen / als De zuyder Zee, de rechterhant, de slinkerhant, de rechter zijde, Eene enkhuyser Vrouwe. Ziet hier af vorder.4)

[p. 26]

Aenmerkinge op de Mannelicke en
Vrouwelicke ampt-namen.

Eenige Mannelicke woorden / worden in Vrouwelicke verandert / nemende op het eynde (int gemeyn) Inne, of Ster, zo komt van Koninc, Koninginne, van Keyzer, Keyzerinne, van Graef komt Gravinne, van Boer, Vryer, Loper, Leeu, Wolf, Ezel, komt Boerinne, Vryster, Loopster, Leewinne, Wolvinne, en Ezelinne.

Daer zijn ooc eenige Vrouwelicke woorden / welke in esse eyndigen / als +Princesse, (30) Meestresse, Toveresse, deze worden1) schijnen vreemt te wezen / (alhoewel niet verwerpelic /) Dewijle wy geen woorden2) en hebben / die in Esse eyndigen.

Van deze3) Ampt-namen / zo der Mannen als der Vrouwen / en konnen niet wel niewe woorden in het gebruyc gebrocht worden / daerom4) in dezen dele / een scherp oordeel van node is.

+Opmerkinge van het gebruyc der By-woorden.

+Eenige geleerde achten dat de By-woorden van het Mannelic geslacht5) / in N behoren te eyndigen / als daer woorden naer volgen / die met eene H R D of eenige Vocael beginnen / stellende in plaetse van de Hemel, de Dach, de Raet, de Avont, de Oven, den Hemel, den Dach, den Raet, den Avont, den Oven.6)

+En als-er verscheyde By-woorden voor de zelf-standige staen / zo heeft het laetste By-woort eene N op het eynde / als de Hoge en heyligen Outaer, de schone helderen Hemel, deze maniere is den Grieken in vele woorden / eene zekere wet / verzoet ooc zeer bevallic / veler woorden uytsprake / maer overmits deze order het onderscheyt der geslachten / in onze sprake zeer vermengt / zo achten wy voor nodichst datmen eerst het onderscheyt der geslachten / met eene zekere order lere gebruyken.

++Hier af zegt Ampsingius, het Ledeken (31) De, wort in den Noemer vant eenvoudt des Mannelicken en Vrouwelicken geslachts / voor alle Letteren zonder onderscheyt / ooc voor de Klinkers / ende de letter H gestelt / om dat onze Tale van de ontmoetinge der Klinc-letteren geen afkeer en heeft / of schoon zommige geleerde / zich dat zonder reden inbeelden / zo spelle ic / de Arent, de Autaer, de Hemel, zo wel als de Man, de Vrouwe, want zo mosten wy anders / na dezen Regel deze ontmoetinge der Klink-letteren over al mijden / zeggende / den Aerde, den Eewe, den Olije, en diergelijke.

[p. 27]

Dit zy van het onderscheyt der geslachten gezeyt / Doch dit onderscheyt / en behouft in den Rijm1) / altijt niet nagevolgt te worden / om dat de Rijmers al te nau / zouden gebonden zijn / in het waernemen der veirzen / maer dewijle dat zulke benoude wetten / de Rijm-konste meer zoude verbreken +dan verbeteren / zo wort den Rijmers toegelaten / de By-woorden in het geslacht / te verkorten of te verlangen / om de zoetvloeyentheyt2) des te beter te bekomen.

+Redenen tot bevestinge, van het aengewezen
onderscheyt der Geslachten.

Hier voren is gezeyt dat alle Mannelicke en Vrouwelicke By-woorden / eene E, op het eynde hebben / als Goede, Schone, Vrome, Wijze, zijn Bywoorden +van het (32) Mannelic en Vrouwelic geslacht / maer de E op het eynde geweirt zijnde / zo heeftmen woorden van het Generley geslacht namelic / Goet, Schoon, Vroom, Wijs.

Deze order der geslacht-scheydinge / is wel van de geachtste Schrijvers onzer Eewe naer-gevolcht / maer zomwijlen ooc overtreden / misschien wel te meer / overmits alle onze geachtste Auteuren Rijmers zijn / welken de vermeerderinge of verminderinge der Silben / zeer groten dienst doet: +Daerom men in hare Schriften menichmael zal vinden / Het kleyne kint, voor het kleyn kint, ooc het het3) zoete Dier, voor het zoet Dier, in welke Tael-spreuken4) het mis-bruyc / boven de naturelicke wetten / schijnt lief-tallich te wezen.

Alzo valt het mede onzen oren bevallicker / als men zegt Het gantsche volc, dan het gansch volc, ooc het gemeyne beste, schijnt zoeter te wezen +dan / Het gemeyn beste. De oorzake waerom deze onvolmaekte Tael-spreuken / ons bevallic schijnen in hare onvolkomenheyt / achten wy / het gemeyn Spreec-gebruyc / welc alle hardicheyt zeer kan verzoeten / ooc zoo5) scheyt het de ontmoetinge der Consonanten6) / twelc de uytsprake der woorden / mede grotelicx verzacht:

Hier uyt hebben verscheyde Tael-kenders geoordeelt / dat de E, op +het eynde der By-woorden des generleyen geslachts / eene vaste plaetse ++behoort te hebben / (33) ende dat noch te meer /dewijle ooc volgens onze beschrijvinge / vele Deel-woordrn7) in het generley geslacht eene E op het eynde mogen hebben / als Het lopende wilt, Het groeyende kint.

[p. 28]

Dewijle noch daerenboven / de optellende woorden / in alle geslachten / eene E op het eynde hebben / als Het eerste, Het tweede, Het honderste.

Ooc zo hebben de woorden des Generleyen geslacht1) eene E op het +eynde / als de By-woorden zelf-standichlic gestelt worden / als Het hemelsche coelestia, Het geestelicke Spiritualia, Het begeerde Desiderata, deze manieren van spreken / zijn volmaekter / en van meerder uytbeeldinge / dan of men zeyde / Het hemelsch, Het geestelic, Het begeert: doch die voorgaende manieren van spreken2) oordelen wy / byzondere Tael-spreuken3) te zijn / die het onderscheyt der geslachten niet en raken.

Ende deze bedenkingen4) achten wy / het onderscheyt der geslachten zeer verduystert te hebben.

Om welke twijfelachticheyt te weren / stellen wy deze redenen5) tot eene zekere6) betoninge / des generleyen geslachts.

Het is by de Grieken en Latijnen / gelijc ooc in onze Tale gebruykelic / als +men By-woorden voor Help-woorden ghebruykt / dat-men die in het Generley gheslacht stelt / als Hy heeft daer eerst gheweest, ille fuit illic +prius, Hier blijkt ontwijfelic dat het woordeken Eerst, tot (34) het Generley geslacht behoort / gelijc ooc Prius.

Alzo hoort-men in deze woorden Het is gantsch gedaen, Hy is laetst gekomen, Zy heeft schoon gesproken, dat de woorden Gantsch, laetst en schoon, van het Generley geslacht zy7) / en datse ooc alle de E op het eynde verwerpen.

+Van woorden die een twijfelachtich geslacht hebben.8)

De woorden welke een twijfelachtich geslacht hebben / zijn zulke welke by verscheyde geslachten gevoucht worden / als Lof, Bouc9), Hof, welke behoren tot het Mannelic / of tot het Generley geslacht / alzo ooc Tijt en Dach, welke tot het Mannelick of Vrouwelic geslacht behoren / dusdanige twijfelachtige woorden / zijn in onze sprake zeer weynich.10)

+Van den Aert der Naem-woorden.11)

Daer is tweederley' Aert van woorden / de eene soorte zijn Gront-woorden / +of Oorspronkelicke woorden / de andere zijn Af-komstige woorden / De Gront-woorden en worden van geen andere woorden gemaekt / als Steen, yzer, Kalc, Zout, Water, gaen en lopen, etc.

[p. 29]

++De Af-komstige woorden zijn / welke (35) van de Gront-woorden komen / of gemaekt worden / als Steenachtich, yzerachtich, Kalken, Zouten, Waterich, Gaende en Lopende, etc.

+Van deze Namen spruyten vierderleye1) woorden / als Volc-namen / Ervelicke / Naem-achtige / Werk-achtige en Verkleynde woorden.

+Van de Namen der Volkeren.2)

De Namen der Volkeren / zijn woorden / welke een 1. Huysgezin / of een 2. Vaderlant / of ooc 3. eenich Volc beduyden / als 1. Nassouwer, Levijt, Rubeniter, 2. Spartiaen, Corinther, Epheser, Enkhuyzer, 3. Romeyn, Hebreer, Cananiter.3)

Merc.

Van Levijt, Rubeniter, Cananiter, komen ooc Levijtsche, Rubenijtsche ooc Israelijtsche, Iootsche, welke van zommige Geleerde / na den aert der Latijnsche woorden geschreven worden Levitische, Rubenitische, Cananitische, Israelitische, Iodische4), welke deze Latijnsche woorden naer-volgen / als Levitica, Rubenitica, Cananitica, Israelitica, Iudaica, maer al hoewel deze maniere / niet geheel hart en valt / zo wijkt het nochtans van den aert onzer sprake.

Merc.

De benamingen der Volkeren / die in Er eyndigen / als Edammer, Medenblicker, +(36) Enkhuyzer, Amsterdammer etc. vallen in het gehoor zoeter als die gene / welke in Aer eyndigen / als Leyenaer, Delvenaer, Gouwenaer, Hagenaer. etc.

+Opmerkinge der Namen van vreemde Talen.

Sprekende van Volc-namen / zo vougen wy hier mede in eene opmerkinge / der Latijnsche en Griexsche Lant-namen / welke gemeynelic / in A, Us of Os eyndigen / deze woorden zijn by onze Voor-vaderen tijden / na den aert onzer sprake / met EN op het eynde uytgesproken / zo dat wy Roma, Cicilia, Antiochia, Syria, Asia, Galilaea, Muscovia, Cyprus, Corinthos, zeer bequamelic schrijven Romen, Cicilien, Antiochien, Syrien, Asien, Galilaeen, Muscovien, Cypren en Corinthen, etc.

+Van de Ervelicke woorden.5)

De Ervelicke woorden zijn / welke eenen ervelicken naem ontfangen / van die woorden / daerse van her-komen / als Koninclic van Koninc, Vaderlic van Vader, Broederlic van Broeder, Eewich van Eewe.

[p. 30]

+Aenmerkinge op de Afkomstige woorden.

+De Afkomstige woorden / die in Sche (37) eyndigen / beteykenen eene eygenschap / of eenich Volc of Vaderlant / of Secte als Roomsche, Poolsche, Saxsche, Keyzersche, Luytersche, Evangelische, Doopsche.1)

+De Afkomstige woorden die in IC2) of icH, Rijc, zaem en Baer eyndigen / beteykenen gemeynelic prijzelicke eygenschappen / als Barmhertich, Eewich, Almachtich, Levendich, vlijtich, Volc-rijc, zin-rijc, lijtzaem, raetzaem, vruchtbaer.

+De Afkomstige woorden / welke in Achtich, en lic, eyndigen / volgen hare Gront-woorden / 't zy prijzende of lakende / als Waerachtich en Leugenachtich, zoetachtich en zuerachtich, vriendelic, vyandelic, zoetelic en Bitterlic, etc.

+De Afkomstige woorden die in EN eyndigen / beteykenen gemeynelic eenige stoffe / als Tinnen, Koperen, Gouden, Gulden, Silveren, Stroyen, Iseren.

+Van Naem-achtige woorden.3)

+Naemachtige of Naemstammige woorden komen van Namen / en eyndigen alle in Heyt, Dom en Schap, als van Recht, Waer, Rijc, Hertoog, blijde, Vrient komen Gerechticheyt, Waerheyt, Rijcdom, Hertoochdom, Blyschap4) en Vrienschap, deze woorden worden Naemachtige genaemt.

+Van Werkachtige woorden.5)

+Alle Zelf-standige woorden die van de (38) Werk-woorden komen / worden Werkachtige woorden genaemt / als Lezinge, Lopinge, Bereydinge, Getuygenisse zijn Werc-achtige woorden / welke komen van Lezen, Lopen en Bereyden.

+Ooc behoren onder de Werk-achtige Het gelees, Het beloop, Het gezeg6), Het verhael, en diergelijke.

Het verschil van Naem-achtige en Werk-achtige woorden is alleenelic / dat het een woort van een Naem-woort / en het ander van een Werk-woort af komt.

+Van verkleynde woorden.7)

Daer zijn Afkomstige woorden / welke hare Grond-woorden verkleynen / als Steenken, Boomken, Beddeken, welke komen van Steen, Boom en Bedde.

[p. 31]

Deze verminderinge geschiet / door het byvougen van eenige letteren / waer af wy hier de byzonderste veranderingen voor oogen stellen.

+Gemeynelic wort by een woort Ken op het eynde ghestelt in het verkleynen der woorden / als Steenken1), Boomken, Beddeken, maer by de woorden die hare laetste Letters verdobbelen2) in het Meer-voudich getal / by die woorden vougtmen Eken om te verminderen3) / als

Eyndigende in

{ Al, Gal, bal Galleken, balleken
{ Il, Bril, wil Brilleken, willeken
{ Ol, Tol, hol Tolleken, holleken
{ +Ul, Bul Bulleken
{ Am, Lam, dam Lammeken, Dammeken
{ Em, Stem Stemmeken
{ Im, Sim Simmeken
{ An, Man, pan Manneken, panneken
{ EN Pen, Penneken
{ On, Ton, Tonneken
{ Ond Hond, mond Hondeken, mondeken.
   
{ C, K, zac, balc Zacxken, balcsken
{ G, ganc, berg Gancxken, bergsken,
{ gge, Vlagge, brugge, Vlagsken, brugsken.

De woorden die in het veelvoudich veranderen / worden verkleynende uyt het Veelvoudich genomen / als Pat heeft Padeken van Paden, Schip heeft Scheepken, van Scheepen, kleet, kledeken, loof, loverken, Stat, Stedeken, etc.

+Van het getal der woorden.4)

Het getal welc in de woorden gade geslagen wort / is Enkel of Veelvoudich / want wy spreken altijt van eene zake of van vele zaken.

+Het enkel of Eenvoudich getal is / met welc men van een dinc spreekt / als Mijn Vader, Het Huys.

+Het Veelvoudich getal is / welc van vele dingen spreekt / als Mijne Vaders, De Huyzen.

Merc.

++Om der korticheyt wille zeggen wy in (40) plaetse van Eenvoudich en Veel-voudich Eenvoud en Meervoud.

[p. 32]

In onze sprake hebben wy vele woorden1) die in het Meervoud niet uytgesproken en worden / als

d.Douw2), deeg, deesem, donder, dronc. Draf, drec, droesem, dwang.
e.Echt, edic, eere, eirde, etter, ernst.
f.Fluweel.
g.Galm, garen, gehoor, Gelt, gist, glas, gom, gruys.
h.Heyl, honger, huysraet, hagel, handel, haver, helle, hemel-rijc, herfst, hinder.
i.Ioc3), inkt, ijs, ijzer, jeucht.
k.Kley, koude, kaf, klanc, koorn, koper.
l.Leed, lijt4), leder, leem, lever, locht, looge5), lood, looc.
m.Maegdom, Merg, melaetsheyt, midden, moet, mout, mul6), moes.
o.Oeft7), olie, ondanc, onkruyt, ontsicht8), oorlof, oorboor, ouderdom, overschot, overspel, onrecht, onwille.
p.Palm9), pec, pekel, peper, poeder, pracht.
q.Qualic-vaert.
r.Ramp10), rattekruyt, regen, ried.11)
s.Satijn, slijc, slijm, snee, spec, speeksel, stael, stand, stof, pulvis.
t.Tin, toevlucht.
v.Vaek, vee, vier12), vleesch, voorraed, venijn, vorst, frigus.
w.Waen, waerheyt, wasdom, wezen, wouker, wreetheyt.
z.Zout, zemel.13)

++Hier by behoren ooc alle Werc-achtige woorden14) / die met GE, BE, en Ver beginnen / als Geklap, bedrog, verhael, en diergelijke.

Hier by behooren ooc de namen der metalen / als Gout, Silver, Loot, Tin, Stael, etc.

Ooc vele namen der vruchten / als Rogge, Gerst, Haver, Linden, Hoy, Riet, Gras, Stro, Vlas, Hyzoop, Peper.

+Ooc vele namen der vochtige waren / als Water, Melc, Honich, Azijn, Boter, Pec, Olie, Wijn, Bier.

Ooc alle woorden die in het Meervoud een werc-woort zouden beteykenen / als Bloed, sweet, mest, raet, zouden in het meervoud hebben Bloeden, +sweten, mesten, raeden, welke alle Werk-woorden zijn / ende niet toegelaten en worden / in plaetse des Meer-vouds te gebruyken.

[p. 33]

De namen der Steden / Landen en Revieren / en mogen niet wel / in het Meervoud uytgesproken worden / als Romen, Rijn, Leyden, Amsterdam, Vrankrijc.

Alzo ooc vele vreemde namen / als Paulus, Petrus, Christus, Barnabas.

+Daer zijn ooc eenige woorden / die het Meer-voud beteykenen / ende in het Eenvoud uytgesproken worden / aldus

Een zac Broot, }   { Zeven Broden,
Eene tonne Haring, }   { Een Haring,
Eene mande Turf, } en { Twee Turven,
Eene winkel vol laken, } ooc { Vijftich Lakens
Eene benne Visch, }   { Zes Visschen,
Duyzent pont Kaes, }   { Vijf Kazen.

++Daer zijn eenige woorden / welke allenelic in het Meervoud uytgesproken worden / als Hersenen, Ouders, Voor-ouders, Lieden of Luyden, De Lenten1), boxens2), De Staten Ordines, Versenen, Lenten.

+Van de gedaente der woorden.3)

In alle woorden zijn twee Gedaenten aen te merken / dat is de Enkele ende de Dobbele.

+Een enkel woort is / welc van geen twee / of drie woorden te zamen gekoppelt en is / als Moet, Zalich, Lief, Werker, Arm.

+Een Dobbel woort is / welc van twee of drie woorden tsamengevoucht is / als Groot-moedich, God-zalich, Lief-hebber, On-her-varen, On-ver-winnelic.

In deze Hecht-woorden schijnen de Grieken / alle andere Talen te overtreffen: +hier van onstaet ooc die grote overvloedicheyt harer Konstwoorden4) / die de Latijnen in grooten getale van haer ontlenen / ende dewijle onze sprake in dezen dele / de Griexsche uyter nature na-volgt / zo zullen wy de kennisse der Samen gevougde woorden / wat breder aenroeren:

Daer worden vele woorden te zamen gevoucht / door of met deze Hechtwoorden / als daer zijn / Aen, af, of, be, by, ramp, Door, Her, ge, in, om, on, ont, op, me, mede, mis, naer, nae, toe, ver, onver, onvoor, uyt, wan. Deze +woordekens komen altijt / voor de Dobbele woorden.

[p. 34]

++De naer-volgende Hecht-woordekens zijn / Heyt, Baer, Ingschap1), Achtich, Lic, likheyt, Lijc, lijkheyt, zaem, saem, zaemheyt, dom, loos, ich, icheyt, sel.

Alle deze woordekens / kanmen uyt de volgende woorden afnemen / als

Aen-zien By-zien Door-zien Nae-zien Ver-zien Mede-zien
Af-zien Door-zien Her-zien Om-zien Ont-zien Mis-zien
Of-zien Onver-zien Ge-zien On-gezien Op-zien Wan-trou
Be-zien Uyt-zien In-zien Toe-zien Me-zien Ramp-zalich.

Merc.

Wat Letter-ontmoetingen2) gebruykelic of verwerpelic zijn / wort in de Prosodia beschreven.

+De naer-volghende Hecht-woorden / kanmen in de volgende woorden afnemen / als

Zienelic-heyt Vrien-schap Ziene-likheyt Gehoor-zaemheyt Voorzich-tich
Zicht-baer Waer-achtich Gehoor-zaem Rijc-dom Bereyt-sel.4)
Voorzien-inge Ziene-lic Vreed-saem3) God-loos  

++Daer worden oocdobbele woorden / van (44) van5) twee Zelfstandige woorden gemaekt / als van Molen en Water komt Water-molen, en Molen-water, van Regen en Water, komt Regen-water.

Merc.

Van alle gehechte woorden / is het laetste woort het gene welc iet uyt beelt / als tot exempel / als men van eenen Watermolen spreekt / zo spreektmen aleenelic van eenen Molen, en niet van eenich water, alzo ooc als men van Rege-water6) spreekt / zo roert men het woort Water aen / zonder aenzien van regen.

+In het tsamen-vougen der woorden / worden dicwils eenige Letteren uytgelaten7) / om der zoet-vloeyentheyt8) wille / als Burgemeesters voor Burgeren-meesters, Blyschap voor blijdschap, Jonk-vrou en Joffrou, voor Jonge-vrouwe, Jonker voor Jongen-heer.

Het gebeurt ooc in het verdobbelen der woorden / dat het voorste woort / +de eerste buyginge aen neemt / als Schaeps-vel, Oorloochs-man, Krijchs-macht.

Ooc worden de woorden des Vrouwelicken geslachts / wel in het Meer-voud by de gekoppelde woorden genomen / als Herten-leet, Hoeren-loon.

[p. 35]

+In de dobbele woorden onzer sprake / worden de By-woorden by allerleye woorden gekoppelt / nae de Griexsche wijze / als

Wel-doen, ἐυποιε̃ιν, Zoet-vloeyentheyt, ἐνφωνία.
+Heel-sacht. πάναβρος, Wel-wassende, ἐυαλδὴς.
Nieu-wassende, νεαλδης. Almachtigh, almogende, παντοκράτω.1)

Diergelijke woorden en pleegtmen voor geen Samen-gevougde woorden +te houden / twelc nochtans ontwijfelic blijkt / uyt de Griexsche tsamenvouginge:

Tot eene verlustinge2) dezer opmerkingen / zo stellen wy hier de gemeynste griexsche worden3) / die van het woordeken God, te zamen gevoucht en gesproten zijn / als

+ϑεογένητος, ϑεογενὴς, Godsgebooren.
ϑεογονία, Godengeboorte.
ϑεοδίδακτος, God geleerde.
ϑεοδόσιος, Gode-giftigh.
ϑεοβλαβὴς, Gods-straffelic.
ϑεοσεβὴς, God-zalig God-eerende
ϑεοσοφος, God-wetich.
ϑεόστοργος, God-lustende.
ϑεόφαντος, God-schijnigh.
ϑεοπρεπὴς, God betamende.
ϑεοπύρος, God-vlammigh.
ϑεόφοβος, God-vrezende.
ϑεολόγος, God-sprakigh.
τιμόϑεος, God-eerende.
ϑεόφιλος, God-lievigh.
φιλόϑεος, Godlievende.
ὁμόϑεος, mede-godigh.
μισόϑος, God-hatig, Godhatende
ἡμιϑεος, Half-godich.
ϑεοείκελος, God-gelijckende.
ἰσόϑεος, Even-godich.
+ἔνϑεος, Ver-godicht.
δύσϑεος, pijn-godich.
Α῎ϑεος, άπόϑεος, God-loos.
Η᾿ϑεῖος,4) God weirdigh.

[p. 36]

Hier zijn noch bygevoucht de benamingen der Afgoden / volgens de Hebreeusche sprake /

Velt-Goden Berch-Goden Leem-Goden Drec-goden, Zee-goden,
Dal-Goden Bloc-Goden Schric-goden, Bos-goden, Water-goden,1)

Hier zoude tot nae-spooringe onzer tale / van node zijn / alle de Griexsche woorden te doorlopen / waer door onze sprake eene wonderlicke kracht +zoude konnen ontfangen volgens Horatius oordeel / welke zegt /

De Nieu-verdichte woorden hebben eene Aenzienelikheyt / indiense uyt de Griexsche fonteyne spruyten /

Deze tsamen gevouchde woorden zijn geluckelic waergenomen vande Amsterdamsche Letter-konstenaers / ooc van den Tael-beminnenden Koorenhert, ooc van Heynsius, Grotius, Cats, Ian de Brune, maer byzonderlick van Simon Stevijn, in de Wiskonstige wetenschappen3) / waerin hy alle de Griexsche woorden zeer grondelic / boven alle bekende voorgaende tijden uytdrukt:

Het ware wel te wenschen / dat de geachste Auteuren deze zake in hare schriften bevorderden.

+Merc.

Inde Dobbele woorden / worden de By-woorden gemeynelic verkort als Snel-voet Levipes komt van Snellen voet, Groot-vader, komt van Grooten Vader, Baer-moeder komt van Barende moeder etc.

+Van de Gevallen der woorden.4)

De woorden zijn in de Latijnsche sprake zes gevallen onderworpen / welke wy in het Nederduytsch in onze eerste exemplaren / onzen voorgangeren +volgende genaemt hebben 1. Noemer, 2. Barer, 3. Gever, 4. Aenklager, 5. Rouper en 6. Ofnemer, maer alzoo deze woorden vreemt zijn / en daerenboven zeer hart5) vallen / zo hebben wy alle hardicheyt mijdende / de Gevallen der woorden / aldus beschreven.

De Gevallen der woorden / zijn de veranderingen of Buygingen der woorden: als Het velt, Des velts ende Den velde, zijn verscheyde benamingen / en nochtans een zelf6) woort / deze veranderingen worden buygingen of gevallen genaemt.

[p. 37]

+Het eerste geval is de benaminge der Naem-woorden zonder veranderinge / als De man, De vrouwe, Het velt, ende De mans, De Vrouwen, De velden.

+Het tweede geval / of de eerste buyginge1) / is als men in plaetse van De man, De vrouwe en Het velt, zegt Des mans, Der vrouwe, Des velts, ende Der mannen, Der vrouwen, Der velden.

++Het derde geval / of de tweede buyginge is / als men in plaetse van De man, De vrouwe en Het velt zegt Den man, Der of De vrouwe, Den velde, ende in het Meervoud Den Mannen, Den vrouwen, ende Den velden.

+Het vierde geval / of de derde buyginge is / alsmen in plaetse van De man, De vrouwe, ende Het veltzeyt Den man, De vrouwe, Het velt, en in het meervoud De mans of mannen, De vrouwen, De velden.

+Breeder verklaringe, en eerst vande
buyginge der ledekens.2)

Het ledeken De des mannelicken geslachts / wort aldus gebogen /

Eenvoud. Meervoud.
+1 Geval De Nominativus Hic 1 Ge. De Hi
2 Geval Des Genitivus Hujus 2 Ge. Der Horum
3 Geval Den Dativus Huic 3 Ge. Den of Denn4) His
4 Geval Den Accusativus Hunc. 4 Ge. De Hos.

+Dat wy hier maer drie veranderingen5) (49) aen en teykenen / daer in hebben wy de Griexsche Declinatien, meer dan de Latijnsche gevolcht / alhoewel wy de Latijnsche als meest bekent / tot meerder verstant / daer +by voegen: Het geval nu van den Rouper en Ofnemer gaen wy voorby / om dat onze sprake in die gevallen / by na geen veranderinge en lijt.

Merc.

Wy stellen in het Meervoud Denn6) met eene dobbele N, om Den in het Eenvoud / van Denn des Meervouds te onderscheyden / Hier in de Grieken naer-volgende / welke tot onderscheydinge der gevallen een Iota

[p. 38]

subscripta1) gebruyken / Schrijvende in Dativo τῇ μούσῇ τῃ τιμῇ tot meerder onderscheyt der buygingen.

Het Ledeken De des Vrouwelicken geslachts2) / wort aldus gebogen.

Eenvoud.   Meervoud.
1 Gev. De Nom. Haec De Hae
2 Gev. Der Gen. Hujus Der harum
3 Gev. Der of De Dat. Huic den of Denn3) his
4 Gev. De Accu. Hanc de has.

De buyginge van het Ledeken Het des
generleyen geslachts.

Eenvoud.   Meervoud. 
1 Gev. Het Nom. Hoc De Haec
+2 gev. des Gen. hujus Der horum
3 gev. den Dat. huic den of Denn4) his
4 gev. Het Accu. hoc De haec.

Merc.

Het Meervoud is in het Mannelic Vrouwelic en Generley geslacht gelijc / als volcht

1 Gev. De Nom. Hi, hae, haec
2 gev. Der Gen. Horum, Harum, horum
3 gev. Den of Denn5) Dat. his
4 gev. De Accu. Hos, has, haec.

Tot meerder verstant dezer buygingen / hebben wy hier de buygingen der Hoogduytschen gestelt / welker loffelicke Tael-order / ons in velen een gewichtich naerbedenken weirdich is.

Eenvoud.  Eenvoud. 
1 Gev. Der Hic Die Haec Das Hoc
2 gev. Desz hujus Der hujus desz hujus
3 gev. Dem huic Der huic Dem huic
4 gev. Den hunc die hanc das. hanc.6)

+Van de Buyginge der Namen.7)

By de Hoogduytschen worden drie Declinatien8) gestelt / onder de eerste Declinatie stellen zy de woorden des Mannelicken geslachts / onder de +tweede Declinatie de (51) Vrouwelicke woorden / en onder de derde Decli-

[p. 39]

natie de woorden des Generleyen geslachts / maer wy zullen hier alleenelic met exempelen het onderscheydelic buygen der geslachten / voor oogen stellen.

+De buyginge van de Woorden des Mannelicken
geslachts.1)

+De Mannelicke woorden nemen in het tweede Geval / eene S op het eynde / als De man, De vader, De boom heeft in de eerste buyginge Des mans, Des Vaders, Des booms, voort is de veranderlikheyt / der buygingen / uyt de volgende exempelen / lichtelic af te nemen.

Eenvoud. Meervoud.
N 1 Gev. De man De mans
G 2 gev. Des mans Der mannen
D 3 gev. Den man of manne Den mannen
A 4 gev. Den man De mans.

Eenvoud. Meervoud.
Nom. 1 Gev. God De goden
Gen. 2 gev. Gods of Godes Der goden
Dati. 3 gev. God of Gode Den goden
Accu. 4 gev. God de goden.

Eenvoud. Meervoud.
Nom. 1 Gev. De meester De meesters
+Gen. 2 gev. Des meesters Der meesteren
Dat. 3 gev. Den meester Den meesteren
Accu. 4 gev. Den meester De meesters.

Merc.

Daer wort in het derde Geval gezeyt Den manne, alzo ooc Den monde, den boome, maer dit en mach aldus niet altijt uyt gesproken worden / dan met een voorzichtich oordeel / gelijc hier naer vorder2) te zien is.

+Ooc is aenmerkens weirdich3) / het verscheyden gebruyc van Mans en Mannen, Meesters en Meesteren Wijfs, en Wijven, want dewijle vele woorden in het Meer-voud / in S en N eyndigen / zo konnen die tot onderscheyt der Gevallen dienen / gelijc ooc zulx van De Hubert5), en Ampsingius6) aen-gemerkt is.

[p. 40]

+De Buyginge van de woorden des Vrouwelicken
geslachts.1)

De woorden des Vrouwelicken gheslachts / en worden in het buygen by na niet verandert / ende de meeste veranderinge geschiet in de Ledekens / als volcht

Eenvoud. Meervoud.
1 Gev. De Wet De Wetten
2 gev. Der wet Der wetten
3 gev. Derr2) of De wet De3) wetten
4 gev. de wet De wetten.

++Hier stellen wy Derr of De in het derde Geval / volgens het lof-weirdich gebruyc der oude tijden / is mede by de Hoochduytschen gebruykelic / ende wort in deze Tael-spreuken gebruykt: als Hy is derr zake toegedaen, Op dat ic derr waerheyt getuygenisse gave, Iohan. 18, ende Rom. 6. Wy zijn derr wet4) gestorven.

Merc.

Vele Vrouwelicke woorden worden bequamelic5) in het Meer-voud6) in plaetse des Een-vouds gebruykt / als Der Aerden, Der vrouwen, Der zonnen in plaetse van / Der aerde, Der vrouwe, Der zonne.

Hier van onstaen deze Tael-spreuken Onzer lieve Vrouwen kerc, zegt Amps.7) Eener Vrouwen man8), etc.

+Aenteykeninghe eeniger vreemt buygende
Vrouwelicke woorden.

Door gewoonte is tegen order gebruykelic in plaetse van Der weirelt te zeggen Des weirelts: Ooc zo worden deze woorden als / Vrouwe, Dochter, +Moeder, Zuster, Nichte, etc. in het tweede Geval gebogen / Vrouws, Dochters, Moeders, Zusters en Nichts. Maer de Ledekens of By-woorden / blijven evenwel by die woorden gestelt zijnde onverandert9) / als tot exempel / Mijne moeder, Mater mea, gebogen zijnde is / Mijne moeders, Matris +meae, hier en mach men niet zeggen Mijner moe-(54)ders nochte Mijnes moeders, maer wel Mijner moeder, maer dan blijft het woort Moeder onverandert / alzo ooc Eene beleefde Dochter is in het twede Geval Eene beleefde Dochters, of Eener beleefde Dochter, etc.

[p. 41]

+De Buyginge der woorden des Generleyen geslachts.1)

Eenvoud. Meer-voud.
1 G. Het velt De velden 1 Gev. Het huys De huyzen
2 G. Des velts Der velden 2 Gev. Des huyses Der huyzen
3 G. Den velde Den velden 3 Gev. den huyze Den huyzen
4 G. Het velt de velden 4 Gev. het huys De huyzen.

Merc.

+In het derde Geval des generleyen geslachts heeftmen Den velde, Den huyze, Den hove, Den zade, etc. Doch en mach evenwel niet altijt zonder opmerkinge2) gebruykt werden.

Ooc en konnen eenige woorden des Generleyen geslachts / deze buyginge niet lijden / als Water, Zout, Hert, etc. ooc alle verkleynde woorden / als Boomken, Kindeken.

+Merc.3)

+De gebogene woorden van het twede Geval / hebben eenen natuyrelicken nadruc harer beteykenisse / want Vaders schijnt te willen beduyden Vader-achtich, Moeders, Moederachtich, en Velts, Veltachtich, etc.

+Eenige woorden welcke van de gemeyne
buyginge verschillen.4)

Herte }   { Herten
God }   { Godes en Gods
Heere }   { Heeren
Mensche }   { Mensches of menschs of menschen
Nicht } Heeft in { Nichts en Nichten5)
Propheet } het twede { Propheets en Propheten
Grave } geval { Graven
Hertooch }   { Hertoochs en Hertogen
Borg6) }   { Borgs en Borgen
Getuych }   { Getuychs en Getuygen.

+De woorden die in het twede Geval in N eyndigen / en konnen by haer geen By-woorden lijden / want men zegt in het twede geval Des Heeren, niet Des groten Heeren, alzo ooc niet Des swacken menschen, Des leerenden

[p. 42]

Propheten, uyt de zelve reden schijnt het datmen niet zegghen en mach Des goeden godes.1)

+Merc.

Men bevint dat deze namen / als Ian, Pieter, Frederic, Koenraet, etc. ooc in het twede geval hebben Iannen2), Pieteren, Fredericken, Koenraden, etc. Doch het en schijnt geen aen-nemelicke gewoonte.

Maer noch af-sienelicker3) is het dus-danige Tael-spreuken in plaetse +van het twede geval te gebruyken / als Mijn oom Zijn kint, Mijn Vader zijn Broeder, Der vrouwen Haer dochter, etc.

+Aenmerkinge op eenige Roepende woorden.

Daer zijn eenige woorden die in het roepen4) / bequamelic eene E na-laten / als Heere heeft roepende 4) ô Heer, Vrouwe heeft ô Vrou, Zone heeft Zoon, Ziele, heeft Ziel, etc.

+Vande buyginge der vreemde namen.5)

De Hebreeuse / Griexse en Latijnse namen welcke in S eyndigen / en veranderen in geen geval / als Esaias, Christus, Paulus, etc. Want wy zeggen Esaias Prophetije, Christus lijden, Paulus brieven, also zegt ooc Grotius,

Zo konde nergens toe,
+Dit goddelic opwecken,
Dan tot een vast bewijs,
Van Iesus lering strecken.6)

+De vreemde namen die in A eyndigen7) / nemen in het twede geval Es op het eynde / als Iuda heeft Iudaes, Diana, Dianaes.

+De vreemde namen / welke in E eyndigen / nemen in het twede getal8) S op het eynde als Brederode heeft Brederodes, Duyvenvoorde heeft Duyvenvoordes, deze konnen veeltijts eene Verkortinghe lijden / als Brederoos, +Duyvenvoorts.

+De vreemde namen die in I eyndigen / nemen in het twede geval IS op

[p. 43]

het eynde / als Nimsi, Nimsijs 2. Koningen 9. Levi, Levijs, Montagni, Montagnijs.

Beroë1) Actor. v. 17. heeft Beroees, om dat laetste2) silbe lang is.3)

De Nederlantse woorden des Mannelicken geslachts / welke in E eyndigen / worden ooc also gebogen / als Reuze heeft Reuzes, Neuze heeft Neuzes, maer Name en Zone hebben Naems en Zoons.

+De vreemde namen die in O eyndigen4) / nemen in het twede geval OS op het eynde als Apollo heeft Apolloos, Pharao, Pharaoos, Plato heeft Platoos.

Alzo zegt ooc Grotius,

 
+Waer by ooc niet en dient
 
Origenes vergeten,
 
Die Platoos hele school
 
Te boven ginc in t'weten.5)

++De vreemde namen die in U eyndigen / nemen in het twede geval Us of ijs op het eynde / als Iehu heeft Iehuus of Iehuys6), alzo ooc Uw7) Uwes en Uijs.

De vreemde namen die in eene Consonant eyndigen / nemen in het twede geval eene S op het eynde / als Canaan heeft Canaans, Goliath heeft Goliaths, Caesar heeft Caesars, Alexander heeft Alexanders, alzo zegt ooc Grotius.

Al warent Caesars8) ooc,
Al waren t'Alexanders,9)

Merc.

Vele geleerde onzer tegenwoordige eewe / als Heynsius, Cats, Grotius, De Hubert, Ampsingius en Stevijn, gebruyken deze aengewezene buygingen der vreemde namen / maer wort ooc van vele wedersproken.

+De reden onzer Tegen-strijders is allenelic de gewoonte / maer wat nut geeft zulken gewoonte welke eene gansche natie in onwetenheyt op-hout10)? want het is een merckelic deel van kennisse / eygene namen in eene vreemde +Tale te konnen / buygen.

[p. 44]

Wij bevinden ooc wel dat de Latijnse declinatien1) dezer woorden als Christus, Petrus, Paulus, voor de gemeyne ooren niet hart en vallen / doch en wort van geen ongeleerde gevaet.2)

Zodanich gebruyc en schijnt ooc byna geen volkeren gemeyn te zijn: +daerom wy (59) zodanighen vreemdicheyt verwerpende / de buygingen der vreemde namen / na den aert onzer sprake gestelt hebben.

+Van het Meer-voud der woorden.3)

Alle zelfstandige woorden / hebben in het Meer-voud EN of S op het eynde / als Man heeft Mans en Mannen, Wijf, heeft Wijfs en Wijven.4)

Alle een-silbige woorden / eyndigen in het Meer-voud in EN, als Voet heeft Voeten, Dier Dieren, Velt Velden, etc.

Hier moeten uytgenomen werden Man, Wijf, Maet, Koc, en Knecht, welke in het Meer-voud hebben Mans, Wijfs, Maets, Kocx en Knechts.

Alle zelf-standige woorden / die in E eyndigen / nemen eene N tot hun in het Meer-voud / als Eynde heeft Eynden, Vrage heeft Vragen, Zonde heeft Zonden.

+De zelf-standige woorden die in F, L, N, en R, eyndigen5) / die hebben in het Meer-voud S en N op het eynde / als Man heeft Mans en Mannen, Wijf heeft Wijfs, en Wijven, Meester heeft Meesters en Meesteren, Keuken heeft Keukens, en Keukenen, etc. Hier worden de verkleynde woorden uytgenomen / als Manneken, Boomken, Kindeken, welke in het Meer-voud allenelic in S eyndigen.

Doch dit onderscheyt ware zeer dienstich om de gevallen in het Meer-voud verscheydelic uyt te beelden / gelijck hier af Folio 52. iet gezeyt is.

++Van Letters welke in het Meer-voud verdobbelen.6)

Alle woorden welke op het eynde twe of meer Consonanten hebben / die en verdobbelen hare laetste Letters niet / als Bant heeft Banden, Hant Handen, Vlecht, Vlechten, etc.

Alle woorden welcke twee vocalen7) in de laetste silbe hebben / of ooc eensilbich zijn8) / die en verdobbelen de leste letters niet / als Peert heeft Peerden, Dwael Dwalen Schaer, Scharen.

Alle woorden die op het eynde eene korte9) silbe hebben / die en verdobbelen hare leste letters niet / als Tafel heeft Tafels en Tafelen, Wortel heeft Wortels en Wortelen.

[p. 45]

Behalven.

Als de leste silbe in IC of IK eyndicht zo wort die in het Meer-voud der +By-woorden verdobbelt als Vriendelic, heeft Vriendelicke, Blijdelic heeft Blijdelicke, etc.

Hier kanmen ooc mercken1) het onnodich gebruyc / als men CK altijt in plaetse van eene K stelt.

Alle een-silbige woorden / in de welke maer eene2) Vocael en is / ende die op het eynde maer eene Consonant en hebben die verdobbelen hare leste Letters / als Lip heeft Lippen, zin zinnen, wit, witte, dul dulle, etc.

+Behalven.

Deze volgende Een-silbige woorden en verdobbelen de leste Letters niet3) / als

Dag }   { Dagen Hof Hoven Slach Slagen
Dac } heeft { Daken Lot Loten Spit Speten
Gebet }   { Gebeden Pat Paden Vat Vaten
Graf }   { Graven. Staf Staven God Goden

Trec Treken Stat Steden Gebot Geboden
Vlot Vloten Schip Schepen Glas Glazen
Holl Holen, Hollen Slot Sloten Schof4) Schoven.
Lit Leden Wech Wegen Kot Koten.

+Van woorden welke in het Meer-voud van de
gemeyne order5) afwijken.

Deze zijn wel meest de navolgende / als

Kint, Kinders en Kinderen Kleet, Kleders en Klederen, Kleren
Bert, Berders en Berderen Lam, Lammers en Lammeren
Blat, Bladers en Bladeren Gemoet, Gemoederen6)
Rat, Raders en Raderen  

+Been, Beenders en Beenderen Ey heeft Eyers en Eyeren
Runt, Runders en Runderen Hoen, Hoenders en Hoenderen
Lof, Lovers en Loveren Spaen, Spaenders en Spaenderen
Kalf, Kalvers en Kalveren Kindeken heeft Kinderkens
Meyt, Meysens.7) Rabout, Rabouwen, etc.
Koe, Koejen, zoch, zeugen  

[p. 46]

Pharizeer of Pharizeus, heeft Pharizeers en Pharizeen, alzo ooc Hebreer, Nazareer en Philisteer.

+Van veranderlicke Letteren in het Meer-voud.1)

Alle woorden die in C, F, CH, S, C2) en U, eyndigen veranderen gemeynelic de leste letters / als Rijc heeft Rijke, Sweec,3) Sweken, Lijf Lijven, Zeef Zeven, Dach Dagen, wijs wijze, Leeu Leewen, Hant Handen, deucht deuchden.

Ooc verandert de K somtijts in eene G, als Koninc, Koningen,4) Ganc Gangen, etc.

Welcke Letter-wisselinge de uytsprake der woorden zeer verzoet ziet vorder fol. 7.

+Van de buyginge der Bywoorden.5)

In het buygen der By-woorden geschiet de veranderinge / op het eynde +met (63) E, N of R, de buyginge is in het Mannelic geslacht dusdanich.

Een-voud. Meer-voud.
1 gev. De Goede Bonus, De Goede Boni
2 gev. Des goeden Boni, Der goede of Goeden, Bonorum
3 gev. Den goeden Bono, Denn6) goeden Bonis
4 gev. Den goeden Bonum, De goede of goeden Bonos.

De buyginge des Vroulicken geslachts.

Een-voud.
+1 gev. De goede Bona 3 gev. Derr 6) goede Bonae
2 gev Der goede Bonae 4 gev. De goede Bonam.

Hier en veranderen de Vroulicke woorden in geen Geval / en in het Meer-voud worden de woorden van alle geslachten / even-eens gebogen.

+De buyginge des Generleyen geslachts.

Een-voud.
1 gev. Het goet Bonum 3 gev. Den goeden Bono
2 gev. Des goeden Boni 4 gev. Het goet Bonum.

[p. 47]

+Het schijnt ooc dat het Meer-voud van 't generley geslacht der Latijnen / in onze Tale uytgebeelt wort / als men zegt / Het goede Bona, Het geestelicke Spiritualia, Het Weirelicke Mundana etc.1)

+Aenmerckinge op het eerste geval, in het Meer-voud.2)

+Vele Geleerde achten / dat als de By-woorden voor3) Goden / of redelicke schepselen gestelt werden / dat die in het Meer-voud in N behoren te eyndigen zeggende De doden, De levenden, De heyligen, De Edeelen4) etc.

De reden welke zulken na-denken6) geeft / is een nodich onderscheyt / want als men zegt De dode, De levende, De oude, zo is het onzeker of men +van eenen persoon / of van vele spreekt als men nu deze order volgde / zo ware zulken twijfel heel geweert / daerom is dat gebruyc zeer vorderlic / maer is ooc veeltijts hart7) / daerentegen is het ander gebruyc in alle woorden lijdelic.8)

Doch ic achte het dienstich / datmen alle woorden die nu alzo gebruykt worden behielde / ende datmen die het noch daerenboven lijden konden / onder dien regel poochden9) te brengen.

+Aenmerkinge op het twede geval der By-woorden.

+De By-woorden eyndigen in het twede (65) geval in N als De vrome, De dode, De edele, De Heylige, hebben in het twede geval Der vromen, +Der doden, Der edelen, Der heyligen.10)

1. Merc.

+De Noot-zakelikheyt van het onderscheyt dezer buyginghe is om verscheyde twijfelingen te vermijden / want als men zegt De volstandicheyt des Heyligen, zo worter van eenen Man gesproken / als men zeyt De volstandicheyt der heylige, zo worter van eene Vrouwe gesproken.

Als men zegt De volstandicheyt der heyligen, zo worter van vele Heylige gesproken / Als men zegt Der heylige volstandicheyt Sanctae perseverantiae, dan spreektmen alleenlic van Vol-standicheyt Als men zegt Der heyliger

[p. 48]

volstandicheyt, Perseverantiae sanctioris, dat kanmen verstaen van eene heyliger vol-standicheyt / En alsmen zegt Der heyligen volstandicheyt dat is even gelijc als De volstandicheyt der Heyligen, Wt deze exempelen / kanmen klaerlic de nootzakelikheyt van het onderscheyt der gevallen in het Meervoud bemercken.

2. Merc.

Alle vergrote woorden die in R eyndigen1) / konnen dic-wils een dienstich ++onderscheyt in het twede geval uytdrucken / als Der heyliger menschen behoudinge, drukt (66) het twede geval cierlicker uyt / dan of men zeyde Der heyliger2) menschen behoudinge,3) alzo worden dusdanige Tael-spreuken voor lijdelic geacht / als Vromer helden daden, Machtiger lieden rijc-dommen, etc.

+Aenmerckinge op het derde geval der Bywoorden.4)

In het derde geval des Meer-vouds / eyndighen alle By-woorden in N, als Denn5) goeden, Bonis, Denn vromen, Probis, Denn gelovigen Fidelibus.

Merc.

Den goeden, Den vromen, Den gelovigen, wort van eenen persoon gezeyt6) / maer Denn goeden, Denn vromen, etc. van vele.

+Het vierde geval der By-woorden in het Meer-voud.

Is gelijc het eerste geval des Meer-vouds / als De goede, De vrome, De gelovige, etc.

Merc.

Vele Oude hebben dit geval / het derde geval gelijc gestelt / welc geen verstandelikheyt7) en kan veroorsaken8) / ende en wort mede by geen der tegenwoordige Schrijvers gebruykt.

+Gelijc ooc in het Ablativus pluralis,9) verworpen10) wort / want te zegghen Van den Vaderen, Van den velden, Van den menschen, is hart / ende en bevordert geen onderscheyt.

[p. 49]

Daerom zeggen wy Van de Vaderen, Van de velden, Van de menschen, want den stant dezer spreuken wort genouch door het woordeken Van verklaert.

+Vande buyginge der Samen-gevouchde woorden.

In de Dobbele woorden geschiet de veranderinghe alleenelic in het laetste woort / als Het Nederlant heeft Des Neder-lants, De groot-vader, heeft Des groot-vaders1) De hoogduytschen zeggen ooc2) Des Nederenlants, ende Des groten-vaders.

+Van de Voor-namen.3)

De Voor-namen zijn woorden welke eenen Persoon benamen / of in +plaetse van eenen Persoon of zake gestelt worden / benamende altijt4) eenen Persoon of eenich ding welc iet doet of lijt5) / en zijn deze / Ic, du, gy, hy, zy, ze die, deze, Wie, welke, mijn, Dijn, onze, Uw, gene, zelf, de leerzame verdeylinge der Voor-namen is dusdanich.

++

illustratie

[p. 50]

Merc.

+De Voor-namen en worden nimmermeer zonder Werk-woorden gevonden / ende de Werk-woorden zelden zonder Voor-namen / waerom +het niet vreemt en zoude zijn / de Voor-namen Werk-leden (69) dat is ledekens1) der Werk-woorden te noemen / door hare onscheydelicke gemeynschap.

+Van het Geslacht.2)

Alle de Voor-namen behoren tot alle de geslachten3) / eenige worden by alle geslachten gebruykt zonder op het eynde te veranderen / als Ic, gy, zyly, wy-lieden etc.

De gene die op het eynde veranderen / zijn boven in de onderscheydinge der geslachten verhaelt. Folio 28.

+Van het getal.4)

De getallen der Voor-namen zijn twee / het Eenvoud / als Ic, du en hy.

Het Meer-voud is in Wy, gyly, en zy.

+Van de Personen.5)

Daer zijn drie Personen

De eerste is die spreekt / als Ic

De tweede Persoon is tot welken men spreekt als Du of Gy

De derde Persoon is / van welken men spreekt / als Hy.

+Van den Aert.6)

Daer is tweederley' aert der Voor-namen / namelic Gront-woorden / als +Ic, gy, hy, zy, wie, welcke, etc.

++En Afkomstige woorden / als Mijn dijn, Uw, deze, zijn, etc. Deze zijn van de Grond-woorden gesproten.

+Van de gedaente.7)

De Voor-namen zijn enkel als Ic, du, en hy, of Dobbel / als Ic-zelve, die-selve, Hy-zelve, zy-zelve, Die-gene, Dat-gene, Het-gene, de-welke, die-welke.

[p. 51]

+Van de hoedanicheyt.1)

De Hoedanicheyt der Voor-namen is vierderley / als Wijzende, Ervende, Betreckende en Vragende.

+De Wijzende zijn Ic, gy, hy, die, deze.

De Ervende Voor-namen / beteykenen eenich eygendom / en zijn deze / +Mijn, dijn, zijn, onz,2) Uw.

+Betreckende Voor-namen zijn / die een gezeyt woort vertrecken3) / of daer op trecken4) / of ten dele verhalen5) / en zijn Die, wie, welke, deze betreckinge valt in dusdanige redenen voor als / Hy heeft nu gewaekt, die altijt pleecht te slapen.

Hy wiens dienst ic node gebruyke Uw broeder, dien gy meest bemint Dat scherp sweirt, welc ic ontkomen ben.

Het zijn quaet-aerdige lieden, de welke onverzoenelic zijn. etc.

+Vragende Voornamen zijn / met de welcke men vraecht / als Wie;6) welke? en wat?

++Van de buyginge.7)

De Voor-namen welke in de Buyginge iets van den gemeynen regel afwijken zijn dese / Ic, Gy, Hy, Die, Dat, Welc, Mijn, Dijn, Ons', Uw, Gene, Wie, Zelf.

Het woordeken Ic wort aldus gebogen.

+Eenvoud. Meer-voud.
1 gev. Ic Ego Gy8) Nos
2 gev. Mijns of mijnes mei onzer nostri
3 gev. My mihi ons nobis
4 gev. My of me me ons Nos.

Merc.

Het woordeken Me hebben wy in vele Tael-spreuken9) / als Hy heeft-me geslegen / Zy hebben me veracht, is derr sprake dienstich / doch weynich van Auteuren gebruykt.

De Buyginge van het woordeken Du.10)

Eenvoud. Meer-voud.
1 g. Du Tu Gy, gyly, gyluy, Vos
2 g. Dyns of Dynes Tui Uwer, ulieder of uwer lieden Vestrum
3 g. Dy Tibi U of Ulieden Vobis
4 g. Dy Te U of Ulieden Vos.

[p. 52]

+Merc.

In vorige tijden heeft-men Du in plaetse van Gy gebruykt / want Gy is zo veel als Gy-lieden, het onderscheyt van Du en Gy is onze Tale zeer dienstich / om dat de woorden kort zijn ende het onderscheyt groot is / wort van Aldegonde in zijne Psalmen1) / doorgaens ooc van Kats in den Zelf-strijt / en in het Houwelic / tot eenige plaetsen bequamelic ingevoert / zoude ooc lichtelic in het gemeyn gebruyc plaetse grijpen:

+Wy hebben ooc Gy ly en Gy luy, in plaetse van Gy-lieden gestelt / om der kortheyt wille / welke korticheyt zeer dienstich is / om by de Werc-woorden te gebruyken / is ooc in voorgaende tijden gemeyn geweest.

Het is ooc in vele spraken gebruykelic / te seggen Wy in plaetse van Ic, en Gy in plaetse van Du, welc gebruyc prijzelic is / als het geen twijfel en +veroorzaekt / en dit gebruyc schijnt het nodich woordeken Du versteken te hebben:

Ende over-mits het woordeken Gy nu gemeyn geworden is / so begintmen / Uwerlieden2) in plaetse van Du, (door eene tael-achteloze blintheyt) te gebruyken.

De Buyginge van het woordeken Hy.3)

Eenvoud. Meer-voud.
+1 g. Hy Ipse Zy, zyly, zyluyde (73) of zylieden ipsi
2 g. zijns of zijnes ipsius Harer of Hunner ipsorum
3 g. Hem of Him4) ipsi Hun ipsis
4 g. Hem ipsum Haer ze of Hen, ipsos

Merc.

+Het woordeken Him is in het derde geval / voor duyzent jaren / by onze Voor-ouders gebruykelic geweest / de Hoochduytsen hebben Im in plaetse van Him aengenomen.

[p. 53]

De Buyginge van het woordeken Zy.1)

Een-voud. Meervoud.  
1 gev. Zy Ipsa 1 gev. Zy, zyly, zyluy, ze of zylieden Ipsae
2 gev. Haers, hares of heurs ipsius 2 gev. Heurer ipsarum
+3 gev. Heur ipsi 3 gev. Hun ipsis
4 gev. Heur of ze2) ipsam 4 gev. Heurr of ze ipsas.

Merc.

+Wy stellen Heurr3) met eene dobbele R. (74) om het een-voud van het Meer-voud te onderscheyden.

+Door deze verscheydenheyt der Voor-namen / scheyden wy zeer bequamelic de geslachten der woorden / in deze maniere van spreken / Als Hare Vaders, Patres eorum, Heure Vaders, Patres earum, De schoonheyt is in heure Deucht, Pulchritudo in ipsius integritate est, nempe Mulieris, De sterkte zijner hope, Fortitudo spei ipsius, nempe Viri.

Het woordeken Hy wort ooc in het
Een-voud aldus gebogen.4)

+1 gev. Hy Ipse 3 gev. zich Sibi
2 gev. zijns of zijnes Sui 4 gev. zich Se.

Het onderscheid tusschen Hem en Zich5), kan men uyt deze spreuken afnemen / Als Hy onschuldicht zich, Excusat se, dat is Hy onschuldicht zich-zelven / maer als men zegt Hy onschuldicht hem, zo kan men dat verstaen te geschieden voor den onschuldiger6) en ooc van eenen anderen.

De Buyginge van het woordeken
Onze des Mann. geslachts.

Eenvoud.  Meervoud. 
1 gev. Onze Noster Onze Nostri
+2 Onzes Nostri Onzer Nostrorum
3 Onzen Nostro Onzenn7) Nostris
4 onzen Nostrum Onze Nostros.

De Buyginge van het woordeken Onze des
Vroulicken geslachts.8)

Eenvoud.
1 gev. Onze Nostra 3 gev. Onze of Onzerr7) Nostrae
2 gev. Onzer Nostrae 4 gev. Onze Nostram.

[p. 54]

De Buyginge van het woordeken Ons' des
generleyen geslachts.

+1 gev. Ons' Nostrum 3 gev. Onzen Nostro
2 gev. Onzes Nostri 4 gev. Ons' Nostrum.

In het Meer-voud / is de veranderinge der drie geslachten eveneens.1)

De woorden Dijn, Mijn, Uw, en welke worden ghebogen / gelijc het woordeken Onze.

Het woordeken Die, wort in het Mann. geslacht
aldus gebogen.2)

Eenvoud.   Meervoud. 
+1 gev. Die Iste Die Isti
2 gev. Diens istius Dier istorum
3 gev. Dien isti Dienn3) istis
4 gev. Dien istum Die istos.

+Het woordeken4) Die des Vroulicken geslachts heeft in het twede geval Dier Istae, en in het Derde geval Dierr 3) istae.

Het woordeken Dat des generleijen geslachts verandert in het Een-voud +allenelic in het derde geval aldus.

1 gev. Dat Istud 3 gev. Dien isti
2 gev. Dat istius 4 gev. Dat istud.

Wt dese redenen blijkt / dat het woorden 4) Dat in het twede geval niet en verandert / want men zegt Dat diers aert, Dat lants lengde,5) Dat waters onstuymicheyt. etc.

Het schijnt ooc dat het woordeken Dies van Dat gebogen is / doch heeft een ander gebruyc.

Merc.

De verscheydenheyt der buyginge die deze woorden als Mijn, Dijn, +onze, uwe, etc. hebben / is allenelic in het twede geval gelegen / want men +zegt Mijnes, Dijnes, onzes, etc. daer nochtans de gemeyne By-woorden6) in het twede geval in N eyndigen7) alzo in het Meer-voud zeyt men Mijner, Dijner, onzer, etc.

+Daer nochtans de gemeyne By-woorden / zonder R in dit geval gebogen worden.8)

[p. 55]

+Deze1) woorden volgen den aert dezer Voor-namen / ooc eene R in het twede geval aenemende als Zodanige, zulke, zommige, Eenige, Gene, Andere, Vele, Alle.

Ooc Twee, en Drie, heeft gebogen Tweer en Drier, Het gebruyc ende de nutticheyt / blijkt in deze redenen Tweer menschen getuygenisse is waerachtich, Joan. 8. dit en kan zonder dese veranderinge2) niet gezeyt worden / +ten zy met eene Omschrijvinge.

Merc.

Welc heeft in het twede geval Welken en Welx, Ander heeft / Anders en Anderen Ider heeft Iders en Ideren, Igelic heeft Igelix en Igelicken, Elc +heeft Elx en Elken, doch ider woort heeft zijn by zonder gebruyc / want men zegt Welx goederen, Cujus bona, maer niet Welx mans goederen, maer zeer wel Welken mans goederen, alzo zegt men ooc Igelix werc ende Igelicken mensches werc, niet Igelix mensches werc, etc.

Onderscheyt tusschen Gene en Geene.

Onze Tael-schrijvers onderscheyden Gene Iste, dat is Die, de eerste silbe +met eene E schrijvende / van Geene welc is te (78) zeggen / Niet een Nullus, eene opmerkinge die niet verwerpelic en ware / by aldien Gene en Geene malkander zo gelijc niet en waren in t'aenzien / daerse zeer veel in de beduydinge verschelen / daerom hebben wy in plaetse van Geene altijt +onveranderlic Geen voor een Adverbium gestelt gelijc ooc Koorn-hert en Grotius gedaen hebben.

+De buyginge van het woordeken Zelf.

Voor het woordeken Zelf en machmen niet stellen Zelve want als wy zeggen Ic doe het zelve, dat is het zelve werc / want het woort zelve is een By-woort / den drie geslachten gemeyn / als

+De zelve Man
De zelve Vrouwe
Het zelve Dier.

Maer het woordeken zelf benaemt altijt eenen Persoon / als Ic hebbe het zelf gedaen, Het is mijnes zelfs werc,4) Ic en hebbe my zelven niet konnen helpen.

[p. 56]

Hier heeftmen alle de Buygingen van het woordeken zelf.

Men zegt ooc veeltijts Zelfs1) voor zelf, welc niet hart en valt / ooc zeggen wy met de Hoochduytschen zelver 1) voor self doch eene onvermengde order ware best ghevolcht.

++De Buyginge ende het gebruyc van het woordeken Alle.

Het woordeken Alle wort by de drie geslachten gevoecht / als

Alle mensch Omnis Homo
Alle vrouwe Omnis Foemina
Alle dier Omne Animal.

Ende in het Meer-voud heeft men zonder het woordeken Alle te veranderen Alle mannen, Alle vrouwen, Alle dieren, voorts wort Alle in het Mannelic geslacht aldus gebogen /

Eenvoud.  Meer-voud. 
1 gev. Alle Omnis Alle Omnes
2 gev. Alles Omnis Aller Omnium
3 gev. Allen Omni Allenn2) Omnibus
4 gev. Allen Omnem Alle Omneis.3)

+Alle wort in het vroulic geslacht in het twede geval verandert Aller, En Alle verandert in het generley geslacht / Alles, Allen, Alle.

Het Meer-voud is by de drie geslachten gelijc / behalven het Meer-voud van het generley geslacht / welc is Alles, Omnia.

+Van de Werk-woorden.4)

+Een werc-woort beteykent eene wer-(80)kinge / die gedaen of geleden wort / of geschiet5) / als Ic beminne, Ic worde bemint, ende Het regent.

En worden na deze verdeylinghe6) beschreven.

[p. 57]


illustratie

De Werc-woorden zijn Personelic of Onpersonelic / of Generley.1).

+Een Personelic Werk-woort is / waerby altijt de Persoon-woorden (of Voornamen) bystaen als Ic minne, du mint, zy minnen.

++Onpersonelicke Werk-woorden zijn / (81) die zonder toe-doen van menschen geschieden als Het waeyt, Het regent, Het vriest.

Ooc worden de Werk-woorden onpersonelic met Men of Het wort voor te stellen / als Men mint, Men zeyt, Het wort gezeyt, Het wort gelooft.2)

+Achter de onpersonelicke Werck-woorden volgen somtijts Voornamen in het derde Geval / als Het rouwt my, Het lust u Het was hem leet.

Daer zijn ooc twee Werk-woorden / als Wezen of zijn,3) en Worden, welke zelfstandige werkwoorden genaemt worden.

+Daer zijn ooc Helpende Werk-woorden / deze zijn Hebben, Wezen, zijn en Worden, zonder welkers behulp / men alle de onderscheyde tijden der Werkwoorden / niet uytbeelden en kan.

[p. 58]

+Van den Aert der werkwoorden.1)

Daer is driederley' Aert der Werk-woorden / als Werkende, en Lijdende, en Geenerleye Werk-woorden.

+Van de werkende Werk-woorden.2)

Alle werkende Werkwoorden / beduyden eene werkinge / met eenen Voornaem / van het gene dat werkt als Ic beminne het Vaderlant, Hy plougt het Lant, De vyanden hebbent al verdorven.

++Van de Lijdende Werc-woorden.3)

De lijdende Werc-woorden worden altijt met een zelfstandich Werc-woort uytgedrukt / als Ic worde geslagen, Ic wiert onderwezen, zo dat de lijdende Werc-woorden altijt by haer hebben Het4) woordeken / Worden, Werde, Wiert, etc.

De oorzake dat wy by de werc-woorden / deze woordekens vougen / is om dat wy geen Werc-woorden en hebben die eene lijdinge uyt-beelden:5)

+Van de Werc-woorden des Generleyen Aerts.6)

De Werc-woorden die geen werkinge nochte lijdingen uyt en drucken / worden Generleye / of Oneygene Werk-woorden genaemt / als Ic schijn, Ic blinke, Ic Ic7) bloeye, Ic ben, Ic worde, etc. ooc dusdanige Werc-woorden / als Staen, Bestaen, On-staen, etc.

Tot dit geslacht behoren ooc de Inchoativa, als Ic worde warm,8) Ic worde gewaer.

Van de Onpersonelicke Werc-woorden.9)

+Onpersonelicke werkende woorden volgen naer het woordeken Men, als Men werckt, Men doet, Men zegt.

++Onpersonelicke lijdende woorden vol-(83)gen naer het woordeken Daer en Wort als Daer wort gewrocht, Daer wort gedaen, Daer wort geseyt.

[p. 59]

+Onpersonelicke ghenerleye woorden / volgen naer het woordeken Het als Het vriest, Het regent, Het geschiet.

+Van de Getalen.1)

In de Werc-woorden zijn twee Getalen / Het Eenvoud ende het Meervoud, als Ic beminne en Wy beminnen.

+Van de Personen.2)

De Personen der Werc-woorden zijn drie / De eerste Persoon is Ic beminne en Wy beminnen, De twede Persoon is Du beminnes en Gyly beminnet, De derde Persoon is Hy bemint en Zyly beminnen.

+Van de wijzen der Vervougingen.3)

De Werc-woorden worden na vijf wijzen gebogen / of verandert / de +Tonende wijze / heeftmen in deze reden / Hy leert zijne lesse.

+De Gebiedende wijse / heeftmen in Leer du dijne lesse.

+De Wenschende wijze / hoortmen als men zegt / Och4) dat ic leerde.

+De Aenvougende wijze volcht altijt deze woordekens / op dat, Om dat, +Indien5) etc. Als Opdat ic lere, Op dat ic liepe, Om (84) dat hy ware, Indien ic viele, etc.

+De Onbepaelde wijze is / welke geen zekeren Persoon / nochte getal noch geen Tijt6) en bepaelt / als Minnen, Leren, Dragen.

Van den Tijt.7)
De tijden der Werc-woorden zijn vijf.

+De Tegen-woordige tijt, als Ic minne,
+De On-verleden of onvolkomen tijt, als Ic minde,
+De Voor-leden tijt, als Ic hebbe gemint.
+De Voor-verleden tijt, als Ic hadde gemint,
+De Komende tijt, als Ic zal minnen.

Van de Vervougingen.8)

De buygingen der Werc-woorden / worden om des onderscheyts wille Vervougingen genaemt / en geschieden door Wijzen Tijden en Personen, deze Vervougingen zijn vijfderley.

[p. 60]

+Van de eerste Vervouginge.1)

Als men in de eerste Vervouginge der werk-woorden van de woorden der onbepaelde wijze / op het eynde EN af neemt / ende dan DE in die plaetse stelt / zo heeftmen een woort / dat den onvolkomen tijt uytdrukt / Als tot voorbeelt Deelen is een woort der onbepaelde wijze / hier van op het eynde EN genomen / zo is het Deel, hier dan op het eynde DE gestelt +zo is het Deelde, dit is een woort van den onvol-(85)komen tijt in den eersten persoon / als men ook by Deel stelt eene T ofte D, zo is het Deelt,+Hier dan de silbe Ge voorgestelt (welke silbe is het by-vougsel des verleden tijts) zo is het Gedeelt, dit woort drukt den verleden tijt uyt.

Tot deze eerste Vervouginge behoren deze werk-woorden / als Aezen, bouwen, hooren, hongeren, etc.

+Alle de werk-woorden / welke eene dobbele Consonant hebben / die verliezen eene Consonant in den Onverleden en in den Verleden tijt.

+De tweede Vervouginge.2)

De tweede vervouginge der werk-woorden is / als men van de onbepaelde wijze / de laetste En afneemt / en in die plaetse Te stelt / zo heeftmen een woort / welk de onverleden tijt uytdrukt / Als tot voorbeelt / als men van Braeken / de laetste En afneemt zo is het Braek, hier nu op het eynde Te gestelt zo is het Braekte dit is een woort des Onverleden tijts / als men ook by Braek, eene T stelt / zo is het braekt hier voor de silbe Ge gestelt zo is het gebraekt, dit is een woort des voorleden tijts.

Tot deze buyginge behoren deze werk-woorden als Backen, blusschen, kloppen, kampen, etc.

+De derde Vervouginge.3)

+Als men in de derde Vervouginge der (86) werk-woorden / van het woort der onbepaelde wijze / de laetste N afneemt / ofte in de plaetse van de N stelt De, zo heeftmen twee verscheydene woorden / die den onvolkomen tijt uyt-drucken / als Achten, heeft in den onvolkomen tijt / Achte en Achtede. Als men ook / van de onbepaelde wijze En afneemt / ende daer de vermeerderende silbe Ge voorstelt / zo heeft men een woort des voorleden tijts / als Geacht, Gearbeyt, Gebloet, Gehoort,4) Gegroet, etc.

+De vierde Vervouginge.5)

+In de vierde Vervouginge hebben alle werc-woorden / in de voor-laetste silbe / eene dobbele I, als in Bijten, Blijken, Blijven, als men van deze

[p. 61]

woorden / de laetste En afneemt / en in plaetse van ij stelt EE, zo heeft-men een woort / des onvolkomen tijts / als Beet, Bleek, Bleef, als men nu tot het woort des onvolkomen tijts En, achter en Ge voor aen stelt / zo heeft-men een woort des voorleden tijts / als Gebeeten, Gebleeven, Gestreeken, Gescheenen, Geweeken, etc.

+De vijfde Vervouginge.

Onder de vijfde buyginge der werk-woorden1) behooren / welke den voorleden tijt in EN eyndigen / als Ic bederve heeft in den voorleden tijt +Ic hebbe bedorven, al-(87)zo heeft Bidde, gebeden, bevele heeft bevolen, etc. Deze woorden veranderen ook in den Onvolmaekten tijt hare klinkletteren / als Ic bederve heeft Ic bedorf, Ic bedriege, Ic bedroog, Ic bidde, Ic bad, Ic bevele, Ic beval.

Die lust heeft om meer Werk-woorden van elke Vervouginge te zien / die wijzen wy tot onze eerste Spraec-konst.

Merc.

De werk-woorden verdobbelen / eenige letteren in het Veel-voudich / na den aert der zelf-standige en by-vougelicke woorden. Ziet fol. 60.

Voorts worden de Werc-woorden op eenerleye wijze gebogen / Aen-gaende nu de veranderingen in t'gemeyn / die stellen wy / met deze volgende voorbeelden vooroogen / achtende dat men de hele gestaltenisse der veranderingen / daer uyt na begeeren zal konnen afnemen.

+De vervouginge van het Werc-woort hebben.2)

De Tonende Wijze.

+Ic hebbe, Habeo, Wy hebben Habemus,
Du hebst, hebbes of Hebs3) Habes, Gy hebbet Habetis,
Hy heeft Habet, Zyly hebben Habent.

Merc.

+Wy vougen hier in4) het out gebruyc der (88) Werc-woorden / zonder welc gebruyc wy in onze Sprake zeer veel verliezen / ooc zijn tot de her-stellinge des zelven / alle Taelgeleerde gheneycht geweest / als Koornhert, Aldegonde, Ampsingius,5) ooc de E. Iacob Kats, welke in den Zelf-strijt zeyt / Du geefst gestrenge geest, ons grote stof om klagen, Du legst ons packen op die niet en zijn te dragen. Alzo spreekt Aldegonde doorgaens in de Psalmen.

[p. 62]

Deze woorden Hebst, Geefst, Legst, etc. zijn zeer gebruykelic geweest / +doch veel zoetvloeijender zoudemen zeggen / Hebs, Geefs, Legs, etc. het welc een voornemelic Taelkender1) zeer nuttelic aenteykent / ende van ons hier tot eene prouve voorgestelt wort.

+Onverleden Tijt.   Voorleden Tijt. 
+Ic hadde Habebam Wy hadden Habebamus Ic hebbe gehat Habui
Du hads2) Habebas Gy haddet Habebatis Du hebs gehat Habuisti
Hy hadde Habebat Zy hadden Habebant. Hy heeft gehat Habuit, etc.

+Voor-verleden Tijt.  
Ic hadde gehat Habueram
Du hads gehat Habueras
Hy hadde gehat Habuerat, etc.

+Komende Tijt.  
Ic zal hebben Habebo
+Du zulst of zuls of zulles hebben Habebis
Hy zal hebben Habebit, etc.

+De gebiedende wijze.      
    Hebben wy Habeamus
Heb gy Habe Hebbet gy Habeatis
Hy hebbe Habeat Hebben zy Habeant.

Daer zijn Spraec-kenders die de gebiedende woorden / met eene E op het eynde uytspreken zeggende Minne, Hebbe, Lope, Drage, maer dewijle deze gebiedende wijze noch niet zeer in gewortelt3) en is / ende daerom ooc te harder in het gehoor valt / zo wort de hardicheyt gansch wech genomen / als men zegt Heb, Loop, Draeg, Spreec, Werc, Wandel, etc.

Deze woorden heeftmen in oude schriften doch zelden onder anderen 2. Paral. 6.4) Zo hore het gebet uwes knechts, Aldegonde Psalm 59. Verlos' my Heer, wil my bewaren, Kamphuyzen, Psalm 5. Hoor Heer mijn woort, merc op mijn reden.

+Ampsin. Nu zie ic weet dit wel, dat gij in Israel, etc.

[p. 63]

+De wenschende wijze.1)
+Tegenwoordige en Onverleden tijt.

+Och of  Och
Ic hadde Haberem Hadde ic
Du haddes Haberes Hatstu
Hy hadde Haberet, etc. Hadde hy, etc.

+Verleden en Voor-verleden tijt.

Och of  
Ic gehat hadde Habuissem
Du gehat haddes Habuisses
Hy gehat hadde Habuisset, etc.

Merc.

De woorden van de Tonende / ende de Wenschende wijze zijn zeer gelijc / behalven de plaetsinge / welke by na over al verandert.

+De Aenvougende wijze.2)
De tegenwoordige tijt.

Op dat  
Ic hebbe Habeam
Du hebbes Habeas
Hy hebbe Habeat, etc.

Merc.

Wy zouden met kleyne veranderinge / verscheyde vervougingen merkelic konnen onderscheyden3) / met eene Vocael tusschen het werc-woort te brengen /als

++Hebbeën4) wy Habeamus nos
Hebbeët gy Habeatis vos
Makeën zy Faciant illi.

Desgelijx ooc Gaën, Doën, Staën, etc.5)

Het schijnt dat van Habemus, Audimus, Facimus, etc. door het invougen eener Vocael / gevonden is Habeamus, Audiamus, Faciamus, etc.

+Onverleden tijt.

Op dat ic hadde Vt haberem of Op dat ic hebben zoude, etc.

[p. 64]

+Verleden tijt.

Als ic gehat hebbe, Cum habuerim, etc.

+Voor-voorleden tijt.

Als ic gehat hadde Cum habuissem, etc.

+Komende tijt.

Als ic hebben zal Cum habuero.

+De onbepaelde wijze.1)

Tegenw.  Verleden. 
Hebben, Habere Gehat hebben Habuisse.

+De deel-woorden 1)

Tegenw. Verleden.
Hebbende, Habens Gehat Habitum in alio sensu.3)

Merc.

Alle onze Participia, worden gebruykt voor Activa en niet voor Passiva, +daer wy noch-(92)tans / eenige naturelicke Participia Passiva4) hebben / de participia activa temporis praeteriti beginnen met het augmentum sillabicum Ge, als Gemint ἠγαπηκὸς en met het sillabicum augmentum Be worden de participia passiva beschreven / als Bemint ἠγαπημένον5) of Ver tot meerder klaerheyt / hebben wy dezer naer-volgender woorden onderscheyt / benevens de Griexsche aengeteykent.6)

[p. 65]

geschreven, γεγραφὸς. beschreven, γεγραμμένον.
gelezen, λελεχὸς. belezen, λελεγμένον.
gelopen, τετρεχὸς. belopen, τετρεγμένον.
gesproken, πεφρακὸς, besproken, πεφρασμένον.
gescheenen, πεφαγκὸς, verscheenen, πεφαμμένον.

Om dezes onderscheyts wille diende-men gade te slaen / om de participia activa by de activa verba te vougen / desgelijcx ooc de passiva participia by verba activa ofte het verbum substantivum, zo zegt-men / dan zeer bequamelic Ic hebbe gelopen, niet Ic ben geloopen, maer Ic ben belopen, alzoo ooc Ic hebbe gescheenen, niet Ic ben gescheenen, maer Ic ben verscheenen.

Wy en hebben geen lijdende Werk-woorden / nochtans geeft de opmerkinge1) dezer deel-woorden een nadenken / offer wel teenigen tijde / zulken onderscheyt onder de Werk-woorden geweest heeft / gelijc alser onder de Deel-woorden is.

Merk.

+Daer en konnen geen verscheydene2) (93) Deel-woorden komen van Werk-woorden die met de silbe Be of Ver beginnen / als van Ic beleze, Ic belope, Ic bespreke, Ic verdoe, etc. want van deze woorden heeftmen deze deelwoorden / als Belezen, belopen, bespreken3) en verdaen deze en diergelijke worden voor Werk-woorden en Lijd-woorden4) genomen / na gelegentheyt des noots.5)

De buyginge van het zelf-standich Werk-woort,
wezen ofte zijn.6)
+De verkondigende wijze des tegenwoordigen tijts.

Ic ben sum Wy zijn sumus
Du bist7) es Gyly zijt estis
Hy is est Zy zijn Sunt.

Merk.

Voor Du bist zeggen wy gemeynelic Gy zijt, welc eygentlic van het veel-voudich gezeyt wort / daerom zo verbetert8) dit out gebruyc / de niewe dwalinge.

[p. 66]

+Onverleden tijt.

Ic was Eram Wy waren Eramus
Du waerst, of waeres1) eras Gyly waret Eratis
Hy was erat Zy waren Erant.

+Verleden.

Ic hebbe geweest Fui
+Du hebst of hebbes geweest Fuisti
Hy heeft geweest Fuit. etc.

+Voor-verleden.

Ic hadde geweest Fueram
Du hatst of haddes geweest Fueras
Hy hadde geweest Fuerat.

+Komende tijt.

Ic zal zijn ero
Du zulst of zulles zijn eris
Hy zal zijn erit. etc.

+De Gebiedende wijze,

    Wezen wy of wezeën3) wy Simus
Weest du esto tu Wezet gyly Sitis
Hy zy   Wezen of Wezeën 3) zy Sint

Merk.

In plaetse van Weest en Wezen wort gemeynelic Zy4) en zijn gebruykt / welke woorden de Gebiedende / Wenschende ende de Aenvougende manieren niet zekerlic uyt en beelden5) / het welc andersins / volgens onze order / wenschelic gedaen wort.6)

De wenschende wijze7) gaen wy voorby,
om dat de wenschende ende de Aenvougende
wijze in alles gelijc zijn.
++De Aenvougende wijze.8)

Op dat9)
Ic zy Sim Wy zijn Simus
Du zijst10) of zyës Sis Gyly zijet Sitis
Hy zy Sit Zy zijn Sint.

[p. 67]

Merk.

De Hoog-duytschen / die de nodige outheden vlijtich bewaert hebben zeggen Dy seyest Sis, en Ir seyet Sitis, het welke wy op het lijdelicxte1) naer-gevolgt hebben.

Het ware ook ter onderscheydinge dienstelic / dat-men in plaetse van Wy zijn en Zij zijn, gebruykten Wy zijen Simus, en zij zijen, Sint.

+Onverleden tijt.

Op dat
Ic ware Wy waren
Du waerst gyly waret
hy ware zy waren.

Merk.

Deze tijt kan in alle werk-woorden / uytgedrukt worden / als Ic liepe, hy liepe, hy dede, hy wrochte, etc.

Het verschil van de woorden dezer ende der Toonende wijze is / in de laeste letter gelegen.

Anders.

Als2)
Ware ic Essem Waren wy Essemus
wares du of waerstu esses waret gyly essetis
ware hy esset waren zy essent.

++Verleden tijt.

Als3)
Ic geweest hebbe ofte ben Fuerim
Du geweest hebbes ofte zijt4) Fueris
Hy geweest heeft ofte is, etc. Fuerit.

+Voor-verleden.

Als
Ic geweest hadde ofte ware Fuissem
gy5) geweest had ofte waert Fuisses
hy geweest hadde ofte ware, etc.  

[p. 68]

+Komende tijt.

Als
Ic wezen ofte zijn zoude Fuero
Du wezen ofte zijn zoudes Fueris
hy wezen ofte zijn zoude, etc. Fuerit.

Anders.

Als
Ic wezen ofte zijn zal Fuero
Du wezen ofte zijn zulles Fueris
hy wezen ofte zijn zal, etc. Fuerit.

Merk.

Het meeste onderscheyt van de Buygingen der werk-woorden / in de oorzakelicke1) en in de Tonende wijze / is gelegen in de verplaetsinghe der woorden / welke plaetsen eene geheele zekere order2) onderworpen zijn.

++De onbepaelde wijze.3)

Tegenwoord.  Voorleden.
Wezen ofte zijn Esse Geweest hebben ofte zijn Fuisse.

+De deel-woorden. 3)

Tegenwoord. Voorleden
Wezende ofte zijnde Geweest ofte gewezen

+Komende.

Komstich ofte Toekomstich4) Futurum.

Merk.

Wy en hebben geen participia futura5), maer daer zijn eenige adjectiva in ich, welke schijnen na een futurum tempus te aerden / als Wezich futurum, lerich, docturum, blijvich, mansurum, bouwich aedificaturum, midich, vonkich, etc. Deze opmerkingen zouden het in6) opvoeden der tale / konnen ingevoert worden / heeft misschien welgebruykelic geweest / en is door de achteloosheyt des tijts verloren.

De Vervouginge van het woort worden.7)

Het Werk-woort Worden fieri heeft in den onvoorleden tijt Ic wiert

[p. 69]

Fiebam, en in de gebiedende wijze Werd gy Fias, en Hy werde Fiat, werden wy Fiamus, werdet gy Fiatis, werden zy fiant.

++In de Aenvougende wijze / Ic wierde fierem, gy wiert fieres, hy wierde fieret, etc.

Ooc op dat ic werde, Vt fiam, ende op dat wy werden Vt fiamus, etc.

Merk.

Men vint dicmael werd in plaetse van wiert (ook in onze vorige beschrijvinge) maer veroorzaekt eenige twijfelzinnicheyt waerom wy het zekerste onderscheyt (welck mede in gebruyc is) aenwijzen: deze opmerkinge is oock doorgaens in de Bibelsche verbeteringen gevolgt.

+Van de Help-woorden.1)

Help-woort is een woort / dat by een Werc-woort gevoucht wort / om eenige omstandicheyt van het zelve Werc-woort te verklaren.

Ook en worden de rechte Help-woorden niet gebogen ende en lijden mede geen onderscheydinge de2) geslachten / De beteykeninge der by-woorden is zeer verscheyden3) / als

Der plaetse.4)

Ergens, nergens, overal, voor, achter, verre, naerby, voorwaert, achterwaert, Oost-waert, West-waert.

Des tijts. 4)

Nu, dadelic, Strax, huyden, gister, etc.

+Lochenende.5)

Neen, geensins, niet, nochte Neque.

Hechtende.6)

Ende, en ook, met, mede, evenwel.

Strijdige.7)

Maer, hoewel, nochtans, en.

Verachtende.8)

Helaes, fi, foey, fix,9) och, Wee, etc.

Eenige dezer woorden vallen den Neder-landers vreemt voor / en ooc verwerpelic / maer worden in andere spraken / als volkomene woorden gebruykt.

[p. 70]

+Merk.

Vele byvoughelicke woorden konnen voor Help-woorden gebruykt worden / en eyndigen meest in lic als / Haestelic Zuyverlic, Vromelic, etc. Welke alle woorden des generleyen geslachts1) zijn / dezer woorden gebruyc / wort in deze spreuken gehoort / als Het is haestichlic gedaen, Dit is +zuyverlic gewrocht, en / Hy heeft zich vromelic gequeten.

Deze manieren van spreken komen met vele Griexsche over-een / als ὀξὺ βλέπειν klaerlic zien, en Polib. ταχὺ συναϑροισϑεὶς haestelic vergadert, en Aristoph. Δεινὰ κεκραγεν, Hy riep vrezelic, alzo ooc Virgilius Stabat acerba fremens, Hy stont bitterlic en tierde.

+Wt dusdanige Tael-spreuken blijkt / dat onze Voor-ouders onze Sprake (over vele eewen) na het lof-weirdich gebruyc der Grieken gericht hebben / waerom wy in het volgende deel / ons gebruyc met de Griexse Tael-spreuken dic-mael verklaren.

Merk.

+De By-woorden / welke in Lic ofte lijc eyndigen / schijnen haren oorspronc van het woordeken Gelijc te hebben / als of men in plaetse van Reynelic, zoude zeggen reyngelijc dat is gelijc reyn / en zuyvergelijc dat is gelijc +zuyver / deze opmerkinge heefter vele beweegt / om alle deze Byvougelicke woorden / met lijc op het eynde te schrijven / maer overmits wy de zoet-vloejentheyt in onze sprake / zeer nootsakelic behoren te bevorderen / ende de wijle ooc de kortste uytsprake meest ghebruykelic is / Daerom hebben wy de silbe lijc, als ons minst nodich naergelaten.2)

Merc.

Onder onze Adverbia begrijpen wy / de Praepositiones, conjunctiones en interjectiones der Latijnen / om het kleyn onderscheyt des gebruyx wille.

+Daer zijn eenige Help-woorden / welke voor de woorden des mannelicken geslachts / (in het eenvoudich getal) komende de zelve woorden / in het +derde geval / doen verbuygen3) / deze woorden zijn Tot, By, Voor, tegens, tegen, ++nevens, boven, (101) binnen, buyten, langs, om, ontrent, tusschen, op, onder, door, na, naer, met, in, aen, behalven, zonder, uyt, ten,4) tot meerder verklaringhe van de beweechlikheyt5) dezer woorden / zo stellen wy hier eenige voorbeelden / als

[p. 71]

Tot eenen mensche, Ten rade, ten dage
By den rechten weg Ten derden dage
Voor den goeden tijt Ten dienste
Tegen eenen quaden viant Ten monde
Hy komt zijnen Vader tegen Ten toone
Nevens den steylen Berch Ten rove geven
Boven den hogen Hemel, etc. Ten wille zijn.
Ten tijde Ten strijde gaen.

+Vele Help-woorden doen de woorden des Generleyen geslachts / veranderen / als

By den Huyse Na den gebode Te scheep, ofte Te schepe
In den Hove Langs den velde Van ganschen gemoede
Tot den bloede Te Lande Ten goeden eynde
Van den velde Aen den Kruyce Ten viere.

Merk.

+Deze Help-woorden noemen de Latijnen voor-zettingen doch wy houdent voor Help-woorden die de gevallen regeren / gelijc zulx ooc by de Grieken gebruykelic is.

++Van de Samenvouginge1) en eerstelic.
+Van de Ledekens.

De woorden worden (in het gemein) altijt met Ledekens uytgesproken als De man heeft dat gedaen, hier zeggen de Latinen Man heeft dat gedaen, Hoc fecit vir, alzo ooc in plaetse Daer was een mensch, zeggen de Latijnen Daer was mensch, Homo illic erat, maer de Grieken / ons in veele spraek-zeden gelijkende gebruyken doorgaens deze Ledekens / als ὁ άνϑρώπος, τὸ σωμα etc.

Een Ledeken wort altijt voor dat woort gestelt / daer men van spreekt / als De man eene Vrouwe, De boomen.

De Ledekens worden in het veel-voudig dic-mael naer-gelaten2) / als menschen hebben dat gedaen, Gy hebt u als mannen gedragen, Vele goede menschen, en Daer zijn meer vrome Helden. etc.

+Deze nae-volgende woorden worden veel tijts zonder Ledekens uytgesproken / als Wijn, Water, Gout, Zilver, Loot, Tin, Rijk-dom, Armoede, Blootheyt, Stoutheyt ende diergelike / ooc het woordeken God, by exempel Het is Wijn, Het is water, Rijc-dom brengt menich mensch ten verderve. etc.

Ook worden de namen der Landen / Steden en Koning-rijken zonder ++Lede-(103)kens gemeynelic uytgesproken / als Engelant is een Eylant, en

[p. 72]

niet Het engelant, alzo ook / Vrankrijc heeft langen tijt vry geweest, en niet Het vrancrijc, maer men vint dik-wils Het Ierusalem.

Merk.

Vele namen der steden konnen de Ledekens qualic lijden / maer worden zeer bequamelic met het woordeken Welk vertrocken1) / tot de bindinge eener reden / Als Ierusalem welk David verwon, Athenen welk het licht der heydenen was, Romen welk over de Weirelt heerschte.

De namen der Maenden worden ooc dicwils zonder Ledekens uytgesproken / als In April, in Mey, Het is nu October.

Ook konnen vele namen der aerd-vruchten de Ledekens naer-laten / als Gras, Koren, Metael, Peper, Wijn, Loot, Zijde, de Ledekens dezer woorden / worden in deze redenen2) naer-gelaten als Gras en Koren majen, In Metael wercken, Peper kopen, Wijn drinken, Loot smelten, Zijde bereyden.

Als voor een mensche-naem3) een Bywoort komt / zo macher wel een Ledeken voor-staen als / De goede Ian, De reyne Susanne, De wijse Salomon.

+Andersins en hebben de eyghene namen van mannen en vrouwen / de Ledekens niet van node / zo dat het eene quade aenneminge is by vele/ als +zy zeggen Saul vervolgde den David, David versloug den (104) Goliath, +tenzy dat-men eenen zekeren persoon uytzonderen wil / als Dat is de David daer wy van spreken, Dat is de Messias, welke verwacht was.

De oorzake waerom diergelijke namen zonder Ledekens ghebruykt worden / schijnt te wezen / om dat de namen der personen / de personen ten vollen uyt-drucken / maer indien men van eenen persoon iet zeyde / en dat men in dien persoon zoude konnen twijfelen / om dan die twijfelinge voor te komen / zo ist dat-men tot onderscheydinge / het Ledeken by den naem persoons5) vougen mach.

De revieren en bergen willen deze Ledekens zeer wel lijden / als De rijn, Het sparen, De alpes.

+Daer wort ook by de Latijnsche spraekonstenaers onderscheyt gemaekt / tusschen een begrepen ende een onbegrepen Ledeken.

Het begrijpende Ledeken6) is De, en het, want als men zegt De mensch, De boom, Het beest, zo wort onder die woorden begrepen / dat wy Dien mensche en Dien boom, ofte Dat beest kennen / ofte reden daer afhebben / +maer als men zegt Een mensch, Een boom, ende Een beest, zo en schuylt onder deze woorden / geen voorgaende oogmerk nochte kennisse / waerom +het woordeken Een, Het onbegrepen Ledeken genaemt wort.

[p. 73]

By de Ledekens en konnen niet wel eenige by-woorden (in het een voud) +ge-(105)stelt worden / als Een wijze1), Een heylighe, Een goede, etc. zodanigen uytsprake schijnt zeer onvolmaekt / doch is onberispelic in het Meer-voud / als De wijze, De heylige, De goede.

+Deze aenmerkinge heeft ooc plaetse in de Volk-namende woorden / want het zijn onvolmaekte wijze te zeggen / Een Duytsche, Een Roomsche, Een Boheemsche, Een Galileesche, Een Geldersche etc. door het bemerken van dezer woorden hardicheyt / zijn in plaetse van deze ingebracht / Een Duyts, Romeyn, Bohemer, Galileër, Geldersman, Engelsman, Fransman, etc.

+Maer als wy van eene vrouwe spreken / zo zeggen wy onverbeterlic / Het is eene Duytse, eene Roomse, eene Boheemse, eene Amsterdamse, etc.

Hier af is eenige verder aenteykeninge by de namen der volkeren / folio 35.

+Van de By-woorden.

Als de By-woorden voor zelf-standige genomen worden / zo eyndigen die somtijts in het veelvoudich getal in EN als De heyligen, De doden, De edelen, doch doorgaens zijn alle By-woorden / bevallicker zonder N op het eynde als De rechtveerdige, De vrome, De geleerde.

Hier van is folio 65. gesproken ende ooc met exempelen voorgestelt / hoe dat men het twijfelachtich onderscheyt der Gevallen zekerlic vermijden +kan / ooc zo blijkt (106) hier klaerlic wat eene duysterheyt onze Sprake in het gemeyn gebruyc onderworpen is / door onzekerheyt der Gevallen / Geslachten / Buygingen ende diergelijke veranderingen.

+By-woorden in het veelvoudich, in het twede derde,
en vierde, geval.

Als de By-woorden voor zelf-standige genomen worden / zo hebben die in het twede en derde geval eene N op het eynde2) als / Der vromen +Bonorum aut Bonarum, Der godzaligen Piorum, Der geleerden Doctorum.

Nochtans en is het naer-laten der N, niet altijt verwerpelic / want men +bequamelic zegt Der geleerste, Doctissimorum, Der heerschende Dominantium, der gebiedende Imperantium, deze spraek-zeden achten wy door ons verdorven gebruyc plaetse te nemen.

Voor welc Tael-gebruyc wy groot gevaer van het verderf onzer Sprake +te vermoeden hebben / door dien het alleen op Kortheyt / Zoet-vloejentheyt / ende Geringheyt3) (zonder aenzien van Wet of Regel) aendringt / het welc

[p. 74]

+wel eene bevallikheyt / doch eyndelic eene gansche Tael-verwoestinge ontwijfelic veroorzaken zoude.

+In het derde geval hebben de by-vougelicke woorden eene N opt eynde1) / tsy met ofte zonder zelf-standige gestelt zijnde / als Denn vromen Probis, Denn God-zaligen Pijs, Denn geleerden Doctis, etc.

++Het vierde geval is even als het eerste / (107) als De vrome ofte vromen +Probi, De God-zalige ofte de God-zaligen Pij, De geleerde ofte De geleerden Docti.

+Als de By-woorden des generleien geslachts voor zelf-standige genomen worden / zo worden die met eene E op het eynde uytgesproken / als Het goede Bona, Het geestelicke spiritualia, Het toekomende Ventura, met deze manieren van spreken / volgen wy de Grieken als Romeyn 3. En laet ons het quade niet doen, op dat het goede kome μὴ ποιήσωμεν τὰ κακὰ ἵνα ἔλϑῃ τὰ αγαϑὰ.2)

Merk.

+Vele By-woorden konnen verscheydelic gebruykt worden / want als geseit wort Mattheus 6. Verlos ons van den quaden3), dat is van de4) quaden Viant, maer als men het quaet int gemein benaemt / zo zegt-men Verlos ons van het quaet of quade.

Also isser een groot onderscheit in het Woordeken Goet want als men zegt Hy heeft het goet, hier wort verstaen Hy heeft eenige goederen, (want goet bonum heeft in het veel-voudich goederen bona) ook kanmen uyt die woorden verstaen / Hy heeft het schoon, ofte gemackelic, maer als men zegt Het goede, dit en kan voor geen goederen verstaen worden als / De rijke en bezitten niet altijt het goede, maer wel de goederen dezer werelt.

Merk.

+Tegens de aengewezene order vintmen eenige woorden stridende5) / als Het recht Het gelijc, ook somtijts Het quaet en Het goet, in plaetse dat-men zeggen zoude Het rechte, Het gelijke, Het quade, en Het goede.

+Daer zijn eenige Tael-spreuken in welke de By-woorden / eene S op het eynde buygende aen-nemen / als Goets, quaets, schoons, droochs, geheels, etc.

Deze woorden hebben in deze redenen6) plaetse / als Veel goets, Wat quaets, iet schoons, niet geheels, Drooch-voets7), leeg lijfs, Hy is slincx, Hy is rechts, Meer goets, goet Kints, goet Keulsch, Goet zeeusch, goet Peirts. +Hier by schijnen deze tael-spreuken te behoren / als Een vaendel volcx,

[p. 75]

Een hoop korens, Een dronc waters, Een stuc droogen broots, Eene kole viers.1)

Met de By-woorden / zeggen wy Het Spaensch, het Latijn, het Francois, het Engelsch, het welkmen uytbreydende zoude moeten zeggen De Spaensche ofte Latijnsche sprake.

Ook zeggen wy / Op het Frans, Op het Engels, Nae het Griex, voor Op de Fransche, Engelsche ofte Griexsche manier / ofte sprake. Men zegt ook Op zijn Frans, op zijn Engels, maer deze wijze is plomper / nochtans wel zo gemein als de voorgaende.

+Als de By-woorden by het zelf-standich Werk-woort komen / zo blijvense in het generley geslacht veeltijts zonder veranderen / Als2) hy 2) is vroom, ++dit zoude in het (109) Latijn wezen Probum3) est, also ook Wy waren vroom Probum eramus, wy zegghen ook Zy was vroom, en Zy waren vroom zo dat het By-woort geensins en verandert.

Het en zy datter een Ledeken bykomt / als Dat waren de Wijze uyt Oosten, Zy zijn die ellendige.

Maer als by de vorige woorden een zelf-standich woort komt / in het veel-voudich / zo worden de By-woorden mede / in het veel-voudich uytgesproken / als Wy zijn alle ellendige menschen, en Zy waren vrome lieden, etc.

Volgen eenige aen-teykeningen der
Griecken4) die met onze wijze, in dezen
dele gemeynschap hebben.

Demosthenes πονηρὸν ὁ συκοφαντῆς ἀεί, Een vleijer is altijt hinderlic, Hier is πονηρὸν en Hinderlic beyde woorden des generleyen geslachts / en Dionys. Halicarnas. μέγα τι και ϑαυμαστὸν ἐφαίνετο ε῏ιναι χρῆμα, de sake scheen groot, en verwonderlic, Alzo ook Virgilius / de Griexsche wijze volgende / Triste lupus stabulis, maturis frugibus imbres, het is drouvich, een wolf in de stallen, en op rijpe vruchten slachregen.

[p. 76]

+Samen-vouginge der Zelf-standige
ende der By-vouchlicke woorden.1)

+De By-woorden worden altijt voor de Zelf-standige gestelt / in een geslacht / en in een getal / en in een geval / als Een goet Man, De goede Vrouwen, Den goeden dieren.

Uytneminge.

Maer men vint teghen dezen regel deze Tael-spreuken / Daer is ontrent twintich ofte dertich man, in plaetse van / Daer zijn ontrent twintich ofte dertich mannen, Alzo ook Het is twee Iaer geleden, In plaetse van / Het is twee Iaren geleden.

+Een betreckelicke Voor-naem / en moet altijt met het Zelf-standich woort / in het geval niet over-een-komen / Als De bode welx hulpe gy gebruykt, is wedergekomen.

Als voor een Zelf-standich woort een Bywoort met een Ledeken komt / zo moet het Ledeken / voor alle de woorden staen / als De vrome God-zalige man, De gehele wet, De gansche nacht2a), Als verscheydene by woorden malkander volgen / zo worter zeer bequamelic / tusschen de by-woorden En ofte Ende gestelt / Als Een vroom en God-zalich man, Eene lange en duystere nacht.

Merc.

Wy hebben volgens de oude schriften / over al EN in plaetse van Ende gebruykt / om der kortheyt wille / maer als naer EN het woordeken De, +Den ofte Die volgt / zo (111) vougt het beter te zeggen Ende, om dat3) het niet en zoude schijnen / dat het woordeken EN tot het volgende woort behoorde.4)

+Twee By-woorden worden dicwils achter een Zelf-standich woort gevonden5) / als Het is een man goet aerdich6) en geleert.

In dese manieren van spreken / volgen de by-woorden achter de Zelf-standige / tegens den voor verhaelden regel / als Beleit door Spilbergen +veltoverste, Door Antonis de Hubert rechts-geleerde, Door Philips de twede, De nacht voorleden, een zac vol, eene hant vol, Een dag lang, mijn leven lang, etc.

+Twee Zelf-standige.8)

Als twee Zelf-standige woorden by malkander gestelt worden / zo wort

[p. 77]

+het een wort1) in het twede geval gebogen / als Pieters bouc, Davids Psalmen, Salomons wijsheyt.

+Ook blijft dat woort altijt ongebogen / het welc de zake is / daer-men af spreekt / als2) in de voorgaende woorden wort van eenen bouc, psalmen en wijsheyt gesproken / ende de gebogene woorden Pieters, Davids en Salomons, dienen tot verklaringe der ongebogene.

Tegen deze order geschieter een onlijdelic misbruyc / door dien vele geleerde de Latijnsche maniere volghende / zeggen Psalmen Davids3), De +wijsheyt Salomons, (112) het bouc Iobs, Het zaet Abrahams, het huys Iacobs, etc. hoe verre deze maniere van spreken / van de nature onzer tale wijkt / kan-men afnemen uyt deze volgende redenen / want wy zouden ooc moeten zeggen als Psalmen Aldegondes, De wijsheyt Hemans, Het bouk Hesters, Het zaet Pieters, Het huys Ians, welc tegen alle gebruyk is strijdende.

Wt deze quade gewoonte / zijn deze Tael-spreuken voor goet aengenomen / als Kinderen Israels, Kinderen Gods, man Gods, Heylige Gods, Dienaer Gods, Zone Gods Koning Israels, etc.

In plaetse van de buyginge des tweden gevals gebruyken wy ooc wel eene +omschrijvinge / ofte uyt breydinge / als De psalmen van David, De wijsheyt van Salomon, Het bouk van Iob.

+Merk ook het onderscheyt welk de plaetse4) dezer gebogene woorden geeft / als De voorzichticheyt der Vrouwe, ende Der Vrouwe voorzichticheyt, ook De dwazen der Weerelt, ende Der Weerelt dwazen, hier zijn de eerste manieren / de verstandelixte.

Merk.

In plaetse dat-men de by-woorden zoude buygen / zo bevint-men door +invoeringe der quade gewoonte dat somtijts eenige woorden ongebogen blijven / als Zijn wijfs zuster5), voor Zijnes wijfs zuster, alzo ook Dijn volc +Israels ere, voor Dijnes volx (113) Israels eere, ende De stat haerlems privelegie, In zijn Vaders plaetse, Heur Ooms dochter, zijn Moeders zone, Des voorleden Koning heyndric Groot-vaders Moeder, Dat diers aert, De vernaemde +duyven-voor des6) vromicheyt, De Propheet Davids psalmen, Hy heeft zijn eygen zelfs werk7) gedaen, Van mijn kints wegen, Van wegen die mannen, maer niettegen-staende / dat deze wijze niet verwerpelic en is / zo en isse nochtans niet altijt best-gevolcht:

Als in eene reden twee buygingen naer malkander volgen / zo is het

[p. 78]

cierlic / datmen in plaetse van de eene buyginge / het woordeken Van stelt / Als De macht van den Vorst der vrede, is cierelicker dan of-men zeyde / De macht des Vorsts der vrede, Alzo ook Rom. 8. De wet van den geest des levens is bevallicker / dan of men zeyde / De wet des geests des levens.2)

+Aenteykeninge der woorden, die by het
tweede geval behoren.

Deze woorden3) / als Veel, weynich, luttel, niets nihil, wat, meer, min, +vol en een, worden veeltijts by de gebogene woorden des tweden gevals gestelt / als Veel goets, weynich zoets, meer verstants, minder tijts, vol drucx, Harer vele multi illorum, onzer een unus nostrorum, Een der borgeren, unus civium.

Het gebruyc dezer woorden schijnen onze Voor-vaders / van de Grieken +te hebben (114) waerom wy hier eenige aenteykeningen stellen / tot grondiger op-merkinge.

+Dionys. Halicarn. μεστὴ ϑορύβου, Vol geruchts.
Sophocles φίλων ἔρημος, Der vrienden berooft.
Isocrates ἄπειρος λόγων, Onervaren der redenen.
Pindarus γειτόνων πολλοὶ, Vele der gebueren.
Demosth. μόνη των πόλεων, De eenige der steden.
Aristoteles χείριστον πάντων, De allersnootste.
Menander πολλῶν τε μεστόν ἐστι τὸ ζῆν φροντίδων, Het leven is vol aller sorgen.

Deze Latijnsche spreuken zijn by ons ook gebruykelic / als Omnium hominum sapientissimus, de wijste aller menschen / en de geleerste der Poeten Doctissimus Poetarum menschen eenes groten verstants, Homines magni ingenij, wy zeggen ook zeer bequamelic menschen van groten verstande. Volgen noch eenige Spreuken met het Tweede geval.

+Zy zijn vol zoeten Wijns. Des schrijvens zat.
Delachtich der misdaet. Des zelven rechts deelachtich.
Des gerichts schuldich Matth. 5 Reus judicij.
Menschen des bozen aerts. Ic ben dies verzekert.
Ic gedenke der vreuchde Psalm 39.  
Weest mijns genadich Miserere mei.
Weest mijner genadich Miserere meae.4)
Gedenk mijns Memento mei.

[p. 79]

Gedenket uwer Voorgangeren Hebreen 13 μνημονεύετε των ἡγουμένων

Gedenk uwes Vaders Homerus μνῆσαι ὑμῶν πατρὸς σεῖο,1)

Ic hebbe my uwer ontfermt, etc.

++Der beschuldinge ontslagen, Lucanus ἀπολυϑεὶς τοῦ ἐγκλήματος.

Des zelven lots deelachtich.

Isocrates, της ψυχῆς ὀυδὲν φροντίζοντες, der zielen niets bezorgende.

Merk.

Deze redenen hebben eenige vergelijkinge met het Tweede geval / als Hy dede het willens en weten2), onverziens, onverhoets etc. deze manier is een byzonder opgenomen gebruyc onzer sprake:

+Genouch3) volcht de gebogene woorden als Moets genouch, Goets genouch, +Der beloften genouch, ofte Beloften genouch. Gelijk en waerdich begeeren tot haer twede4) / ofte het derde geval / als Wie is mijns gelijk? Wie is zijns gelijk? Wie is onzer gelijk Wy zijn haer lieder gelijk, deze woorden zijn met +twede5) geval tsamen gevoucht / welke wy met het derde geval / mede gebruyken / zeggende Wie is my gelijk? Wie is him gelijk? Wie is ons gelijk? Wy zijn hunlieden gelijk, en zy zijn den Romeynen gelijk, alzo ook.

+Hy en is mijns niet waerdich, Hy en is onzer niet waerdich, Hy en was eener zodanige plaetse niet waerdich.

Het woordeken Wille, vougt zeer wel achter de eerste buyginge / als Om des woorts wille, Om der beloften wille.

+Deze Tael-spreuken hebben wy / met aenwijzingen bescheydelic vertoont / +om te (116) doen blijken / wat al verscheydenheden / wy byzonderlic de Griexsche tale volgende / zouden konnen uyt-beelden / deze bevorderinge zoude mede zeer dienstich / tot de verrijkinge onzer tale wezen.

De oorzake waerom onze Tale / de Griexsche in dezen dele / eenichsins +naervolcht is om dat de by-sonderste Buyginge onzer woorden / geschiet / in +het Twede geval / in welken gevalle de Grieken / wel aldermeest schijnen uyt te weyden6): waerom wy ook oordelen / dat onze eerste Voor-vaders7) den aert onzer tale aenmerkende / ende der Grieken gebuyren wezende / met zeer goeden oordele / deze Tael-spreuken plaetse gegeven hebben / t'welck van de na-komelingen zeer weynich gade geslegen8) is.

[p. 80]

+Volgen noch verscheyde aen-teykeningen,
met dezelve1) Buygingen.

Droochs voets2), dat is / Met droge voeten
+Droochs monts,   Nuchters monts
Bloots lijfs,   Bloots voets,
By tijts   In tijts

Des daegs, Des tweden daegs Des nachts Des zevenden jaers,

Des winters daegs, Des zomers

Eenmael des jaers Heb. 9. Α῾παξ τοῦ ἐνιαυτοῦ.

Eens des nachts.

+Deze maniere van spreken / welke den (117) Grieken eygen is / wort iet verandert / in deze navolghende / doch ziet op een zelf eynde3) / als

Eens ter maent, voor Eens der maent Eens ter ure, Eens ter weke, of eens des weecx ofte Eens s'weecx, Eens s'daegs, Hy gink zijnes weegs4) Jeremi. 28. Hy gink zijner strate, etc.

+Aenteykeninge der Tael-spreuken,
met het derde geval.

De By-woorden / ende de Werk-woorden / welke eene gelegentheyt, nutticheyt, naerheyt, vrienschap, eygendom, gelijc, ofte jets / des gelijcx beteykenen ofte het tegendeel5) / die vintmen veeltijts by het derde geval / als Dat is my gelegen, Hoc mihi commodum est.

Actor. 5.6) Gode meer gehoorzamen, dan den menschen, Obedire deo magis quam Hominibus.

Het is den Volke nut.7) Het is hun swaer om doen. Hy is zijnen Vaderen gelijc. Wy zijn derr wet gestorven Rom. 6.8) De Locht is allen menschen gemeyn.

+Van het gebruyc der Voornamen.9)

Daer zijn in de Voor-namen eenige Tael-spreuken gebruykelic / die +van het gemeyn gebruyc der tale zeer afgezondert (118) zijn / en geheel op-merkensweirdich.

[p. 81]

+Met het woordeken Wat, vraechtmen zonder onderscheyt des geslachts / ofte des des1) Getals / als Wat zoukt gy? Quid quaeris? Wat doet gy? Quid agis? Hier onder kan verstaen worden / Ic zoeke dat goet, of Dien man of Die vrouwe, of Die dingen, Dit gebruyc komt met de Latijnen over een / maer in het naer-volgende / wijken wy geheel van haer gebruyc / als

Dit of Dat is mijne dienstmaecht, C'est ma servante.

Dit of Dat zijn mijne knechten, C'e2) sont mes serviteurs.

Deze maniere komt met de Fransche gansch over een / en zoude in het Latijn / zeer hatelic3) aldus gezeyt worden /

Hoc est ancilla mea Hoc sunt famuli mei.

+Ooc gebruyken wy het woordeken wat in het twede Geval / als

Wat wijfs zoon? Cujus foeminae filius?

Desgelijx zegt men welc wijfs zoon? Wat mans kinderen, waren dat, in plaetse van / welken mans kinderen, etc. wat man hebt gy 't gegeven, voor +welken man Met wat man? voor met welken man? Met wat vrouwe? voor met welke vrouwe?

Alzo zeggen wy mede /

  { Man of mans }   { Welke man of mans
wat { Vrouwe of vrouwen } voor { Welke vrouwe of vrouwen
  { Beest of Beesten }   { welc beest of welke beesten

++Van betreckelicke Voornamen.5)

Achter Die-gene volcht altijt een Betreckelicke voornaem / als Die-gene is geluckich, welke Gods woort bewaert.

Hier trecken Die-gene en welke op malkanderen: Achter Die-gene volcht wel het woordeken Die als Die-gene die dat doet zal leven.

Achter Die volcht ooc wel die als Die dat doet, die zal daer in leven, De steen die6) de Boulieden verworpen hebben, die is een hooft des houcx geworden, maer in plaetse van Die, het woordeken welke te gebruyken / is zeer bevallic / als De steen welke de Boulieden verworpen hebben, die is tot. etc.

Ooc zegtmen zeer cierlic wie dat doet, die zal leven.

Dat en die trecken mede op malkander / als Dat zijn goede lieden, die het quade verdragen.

+Van de Ervelicke voornamen.

Als de Ervelicke voornamen / by Zelf-standige woorden gevoucht zijn / zo en konnen daer geen Ledekens voorgestelt worden / als

[p. 82]

Mijn meester Onze vader Zijn oom Heur voogt
Dijn knecht Uw neve Heur broeder Haer dienaer.

++By de Ervelicke voornamen / mogen de Ledekens wel ghevoucht worden / doch zonder Zelf-standige / of By-vouchlicke woorden / als Den mijnen, Den dijnen, Den zijnen, Den haren, etc.

  } Den mijnen meester }   { den mijnen goeden
niet } Den dijnen knecht } ooc { den dijnen quaden
  } Den zijnen oom } niet { den zijnen slechten
  } Den haren broeder }   { den haren rechten

Merk.

+Het schijnt ontwijfelic / dat deze Ervelicke woorden in het Mannelic geslacht / by het Ledekens1) staende / in N eyndigen / zo dat wy bequamelic het Mannelic en Vrouwelic geslacht dezer woorden / aldus behooren te onderscheyden.

Dit is de mijnen Hic meus est, Dit is de mijne Haec mea est.

Dit is den onzen, Hic noster est, Dit is de onze, Haec nostra est.

Den uwen vester, De uwe vestra Den zijnen Suus De zijne Sua.

De geslachten moeten desgelijx onderscheyden werden / als de Ervelicke voornamen zonder Ledekens uytgesproken worden / als blijkt

Uwen vester Uwe vestra Uw vestrum
Onzen noster Onze nostra Ons' nostrum
Zijnen Suus Zijne Sua Zijn Suum

+Het gebruyc dezer woorden heeft men in de volgende spreuken.

+Zoude dat den uwen geweest hebben? Mijnen3) heeft dat gedaen, want uwen en zoude het nimmermeer doen. etc.

Het schijnt ooc datter eenige By-woorden aldus4) behoren uytgesproken te worden / om eene byzondere af-scheydinge uyt te beelden5) / als den grooten Iste magnus, den machtigen Potens ille, den heyligen Sanctus ille, eenen rechtveerdigen Iustus quidam.

+In de betreckelicke6) voornamen / hebben wy ooc deze Spreuken / als

De mijne De heure dat is / Het is mijn volc, of mijne
De zijne de uwe   knechten, Dienaren of kinderen, etc.
De onze de hare    

[p. 83]

In de Voornamen hebben wy ooc deze Tael-spreuken1) / als Tot mijnent, Tot onzent, By uwent, Om zijnent wille, Om harent wille, mijnent halven, etc. Dit gebruyc is eene byzondere aengenomene wijze.

+Van de Samen-vouginge der werc-woorden.2)

By de Werc-woorden worden dic-mael eenige vervullende of aenhangende +woordekens gebruykt / als de man is daer, of de man isser, hier en beduyden de woordekens daer, en Ser niets dan den klanc der uytsprake3) / alzo ooc +in deze volgende spreuken Gaet-er iemant? Gaet hy der? Gaet hy-er? al-(122)zo gebruyken wy Daer en Het in het begin der redenen / als Daer was een Man, Het was eene zake, Al waren het Caesars, etc.

+Van de Werc-woorden met het tweede geval.4)

By het Werk-woort Zijn, hebben wy eenige manieren van spreken met het twede Geval die een eygendom beteykenen / als De aerde is des Heeren Domini est terra, Psalm 24. Alzo ook / Dit is mijnes Vaders Patris mei est, Virgilius Boni pastoris est, tondere pecus Het is eenes goeden Herders, de kudde te scheren.

Genadich zijn, begeert by zich het twede Geval / als weest onzer genadich, zie hier af boven / in de Tael-spreuken / met het twede geval. Folio 114.

+De Werk-woorden met het derde geval.5)

Alle Werk-woorden die eene gevinge ofte ontneminge beteykenen / die begeren tot haer het derde geval / als Ic geve hun die gifte, Hy heeft zijnen vyanden, den roof ontnomen, Ic vertone mijne zake den hove, Het was onzen Vaderen belooft, maer den kinderen qualic gehouden, Hy geeft dat zijnerr vriendinne, Het rijk komt dy toe, Tibi est regnum. Hun is de eere, Illorum +est honor. Denn vromen zijn alle goederen eygen, Pro-(123)bis omnia bona propria.

Die hier van lust heeft meer te zien / dien wijzen wy / tot de Tael-spreuken met het derde geval Folio. 117.

+De Werk-woorden met het Vierde geval.6)

Vele werc-woorden7) / des Mannelicken gheslachts / in het Eenvoudich +komende / veranderen de By-woorden in het Vierde geval / als Ic beminne mijnen Vader, Ic volge mijnen geluckigen Meester, Hy haet zijnen naesten.

[p. 84]

Merk.

+Hier zijn deze By-woorden / als mijnen en zijnen, in het vierde geval gestelt / maer tot meerder verklaringe / en uytbeeldinge der nootzakelikheyt +onzes derden en vierden gevals / zoo volgen eenige voor-beelden / daer in vele twijfelingen door het waer-nemen der gevallen vermijt worden / als

Ic beminne mijn Vader, dat is / O mijn Vader Ic beminne, maer Ic beminne mijnen Vader, dat is Mijn vader wort van my bemint.

+Geluckich is het volc, welck de Heere aen-neemt, ende Geluckich is het volck welck den Heere aen-neemt.

Merk.

+In de eerste reden neemt de Heere het (124) volc aen, en in de laetste / wort de Heere aen-genomen, alzoo ook.

Die de Heere bemint Quos diligit Dominus,
ende die den Heere bemint Qui diligit Dominum.

+Als wy zeggen Die gene tegensprekende, dat is / Iste obloquens, ofte hy1) / obloquentes, maer Dien genen tegen-sprekende dat is / Isti homini obloquens, aut obloquentes, en Dienn genen tegen-sprekende, dat is / Illis obloquens.

Ende de Koning, dien die zake mishaechde, hatede Ioab, als-men hier Dien en Die, niet en onderscheyt / zo blijft de gehele reden verwert.

Gy die verslagen hebt Tu qui percussisti
Dien ghy verslagen hebt Quem tu percussisti
Die gy verslagen hebt Quos tu percussisti.

Hier is een on-twijfelic driederley onderscheyt der redenen / door zulken kleyne veranderinge.

+Het is de kracht Godes ter zalicheyt, allen die geloven, dat is Voor Alle ghelovige, Romeyn. 1.2)

Maer als-men zegt Het is de kragt Gods, alle die geloven, dat is Alle gelovigen zijn de kracht Gods.

Merk.

Vele Buygingen / en gevallen die in onze tale dienstelic3) waer-genomen +worden / en houden altijts de zelve4) veranderingen niet alsser By-woorden ++by-komen / Want (125) wy zeggen zeer bequamelic Gode zy lof, maer als wy zouden zeggen Den goeden Gode zy lof ofte onzen Gode zy lof, Dat ware geheel onlijdelic5) / Alzo zeggen wy Godt heeft ons ten goede geschapen, maer by het woordeken Goede, en mach geensins eenich By-woort komen / als Ten eewigen goede, of Ten besten goede, etc.

[p. 85]

Alzo moeter ook acht genomen worden / op de Betreckelicke woorden op dat de meynige1) klaer en on-verwert blijve / als2) Moses gaf het Hemelsch Manna den volke om aen deze woorden / eene vertreckinge3) te binden / en is niet mogelic4) / want indienmen stelde Den volke, welk God verkoren hadde ofte Den volke welken God verkoren hadde, geen van beyde redenen / en sluyt op het voorgaende maer het ware onberispelic / dat-men zeyde / Hy gaf den volke, welk volk God verkoren hadde, maer beter zoude-men zeggen Hy gaf Manna aen het volk welk God verkooren hadde.

Alzo moeten wy (om des gevolgs wille)5) zeggen / Ic hebbe 't van een ofte twee gehoort etc. en niet Ic hebbe 't van eenen ofte twee gehoort, alzoo ook Hy heefter een ofte twee geslegen, en niet Hy heefter eenen ofte twee geslegen.

+Als naer de eygene namen eenige By-woorden komen zo en worden die in het derde en vierde geval niet verandert / Als Beleyt door Spilbergen Velt-overste, Overwonnen van de7) Alexander de Grote, Door Philips de tweede.8)

+Merk.

Als de woorden Velt-overste, Grote, en Twede, voor de eygene namen quamen / daer-ze achter komen / zo zoude-men stellen / Velt-oversten, groten, en tweden.9)

+Van onpersonelicke Werc-woorden.

De onpersonelicke Werc-woorden worden by de Voor-namen in het +Derde geval gestelt / als Het geschiet my, Het gebeurt allen menschen, wien en zoude zulx niet ontmoeten?

De Werc-woorden worden ooc onpersonelic door het byvougen der +woorden in het derde geval / als in plaetse van Ic dorst, zegt men My dorst, Ic verlange, en My verlangt, Zy beswaren en hun beswaert, etc.

+Van de plaetsinge der woorden.

De By-woorden moeten gemeynelic voor de Zelf-standige komen / als Mijn vader, Eene goede zake, De eenvoudige oprechticheyt.

Zo dat deze manieren van spreken / als O God mijn, Uwe wegen goet,

[p. 86]

De Sterren klaer, etc. nu geheel buyten het gebruyc verworpen zijn / ooc zelfs in den rijm:

++De gemeyne plaetse des Tweden ge-(127)vals / is het eynde der +redenen1) in het Meervoud / als De neirsticheyt der getrouwe dienaren, Het gebet der god-zaligen.

+Maer in het Een-voud komen de gebogene woorden voor het eynde der redenen / ooc is dier redenen eynde / veeltijts een Zelf-standich woort / als Onzes vaders erve, Des Koninx davids Psalmen, Onzes heer en Christus lijden.

+Van de plaetsinge der Werk-woorden.

De Werk-woorden nemen by nae doorgaens / natuyrlic2) eene zekere plaetsinge / welke order by velen weynich gade geslagen3) wort / daerom wy eenige Voor-beelden / en Vertoningen dier zake aengaende / voor oogen stellen.

+De verkondigende manier.4)

+De Voor-namen / als Ic, gy, hy, wy, gyly, zy, worden voor de werkwoorden (in de verkondigende manier) gestelt / als Ic doe, gy doet, wy doen, wy zullen doen.

Behalven.

In be-vragingen / daer volgen de Voor-namen / als Wilt gy? Doe ic? doet gy? alzo ooc de Francoysen Voulez vous? Fais je? Faites vous?

+Alsser ook voor de Werk-woorden / ee-(128)nige Helpwoorden komen /zo komen de Werk-woorden voor de Voor-namen / als Doe deden wy dat Gister waren wy vrolic.

In de dobbele Voor-namen / als Ic die, gy die, gyly die, zy die, ic zelf, gy zelf, etc. moeten altijt de woordekens Ic, gy zy, en wy etc. eerst gestelt +worden / als Ic die dat doe. Gy die in den hemel zijt. Wy die verslegen hebben.

Andersins verandert den zin der woorden als

Die ic dat doe, Est merus barbarismus,5)
Die wy verslegen hebben Quos caecidimus.

Zo dat deze verstellinge der Voorwoorden / eenen gansch anderen zin maekt.

[p. 87]

+In den tegen-woordigen en onvolkomen tijt.1)

Is de plaetse der Werk-woorden / aldus

Ic hebbe { werk } I'ay ouvrage
Gy hebt { wijsheyt } Tu as sapience
wy hebben { alle dingen } Nous avons toutes choses.

+In den Voor-leden ende den komenden tijt.2)

Ic hebbe { werk } gehat
Ic hadde { wijsheyt } gehat
wy zullen { alle dingen } hebben.

+De Francoysen veranderen de plaetsen aldus I'ay eu ouvrage I'avoy eu sapience Nous aurons toutes choses.

Vele woorden / als Die, Welke, Als, Gelijc, Och, Op dat, etc. veranderen de plaetse der Werc-woorden.

Als ic dat doe Ic welke dat doe
Ic die dat doe Op dat ic dat doe.

+De onbepaelde Werk-woorden zijn gemeynelic het eynde eener reden3) / als.

+Laet droeve nijt u niet invendich pijnen,
+De Heer zalt al, voor my vol-trecken.

+In de Francoysche sprake / en mogen de Onbepaelde werc-woorden / alzo op het eynde der redenen4) nimmermeer komen.

+De woorden zal, zullen, zoude en zouden komen in de verkondigende manier / voor de onbepaelde Werk-woorden / als

Ic zal arbeyden Wy zouden wel veel bedrijven
Wy zullen op die zake hopen.

Maer in deze volghende redenen komen die woordekens / naer de onbepaelde Werk-woorden5) als

Wanneer Ic arbeyden zal Als wy wel veel bedrijven zouden
Als wy op die zake hopen zullen.

Maer alsser in eene reden twee onbepaelde Werk-woorden zijn / zo en mogen die genaemde woordekens nimmermeer voor6) de Werkwoorden komen / als

++Op dat ic dat zoude gaen doen Als gy dat zult gaen doen
Als zy-lieden zouden lopen jagen.
[p. 88]

Merk.

Op1) de plaetsingen der redenen / dient ook acht genomen / op eenige aen-hechtingen / die eene plaetse vertrecken2) / als Exodus 20. Ic doe +barmherticheyt aen vele duyzenden, der gener die my beminnen, dit is volgens goede tael-order wel gezeyt / daer-men nochtans het eerste deel der reden / zonder op het gevolg3) te merken / zoude moeten zeggen: Ic doe aen vele duyzenden barmherticheyt.

Tot na-sporinge der volkomenheyt / stellen wy hier het Vader-onze / nae het oordeel der geachtste onzer eewe verbetert aldus

Onze Vader die in de Hemelen zijt
Dijn name werde geheylicht
Dijn rijk kome
Dijn wille geschiede op der aerden, als inden Hemel,
+Geef ons huyden, ons dagelix broot.
Ende vergeef ons onze sonden, gelijk wy die onzen schuldenaren vergeven
Ende en leyde ons in geen verzoukinge, maer verlos' ons van den bozen.
Want dy komt toe het rijc, de macht, ende de heerlikheyt, tot de eewicheden, Amen.

Hier is noch bygevoucht de twaelf
Articulen des Geloofs.

+Ic gelove in God den Vader, den almachtigen schepper, des Hemels, ende der aerden.
En in Iesus Christus zijnen eenich-geboren zone onzen Heere,
Die van den H. Geest ontfangen, ende uyt de maecht Maria geboren is,
Die onder Pontius Pilatus geleden heeft, gekruyst, gestorven, ter hellen gedaelt,
Ten derden dage uyt de doden op-gestaen, ende ten Hemel gevaren is,
Zittende ter rechterkant Gods, zijnes almachtigen Vaders, van daer hy komen zal, om de levendigen, ende de doden, te oordelen,
Ic gelove in den H. Geest.
Ic gelove eene H. al-gemeyne Christelicke kerke,
[p. 89]
Eene gemeynschap der Heyligen,
Eene vergevinge der zonden,
Eene op-standinge des vleeschs,
Ende een eeuwich leven, Amen.

+Van de onbepaelde Werk-woorden.1)

Het Werk-woort der onbepaelde manier / wort dikwils / voor een Zelfstandich woort genomen / deze manier hebben wy met de Grieken gemeyn / ziet boven fo.19 Volgen noch eenige Tael-spreuken /

Aristoteles τὸ πλουτε̃ιν ἔστιν ἐν τῳ χρῆσϑαι μᾶλλον ἠ εν τῳ κεκτῆσϑαι, Rijc zijn is meer, in het bebruyken3), dan in het bezitten.

Menander ὀξὺς ἔις τὸ πάνϑ᾿ ὁρᾷν4), Scherp om alles te doorzien.

+Polybius ἔκρινε διακινδινέυειυ5), Hy oordeelt het te waghen.

Matheus 20. ἐξῆλϑε μισϑώσασϑαι ἐργατὰς, Hy ginc arbeyders hueren.

Demosthenes καιρὸς τοῦ λέγειν, Sprekens tijt.

Plutarchus τὸ λίαν φιλεῖν, τοῦ μὴ φιλεῖν αἴτιον, Het zeer beminnen, is hatens oorzake.

+Van de Helpwoorden.

Het gebruyc der Helpwoorden / is ten dele / in de beschrijvinge der +Helpwoorden aengewezen / Volgt nu het gene te voren over-geslegen was.

Tot6) beteykent eene beweginge / tot eene plaetse / als Tot delft, Tot amsterdam, dat is te zeggen Nae delft toe, Nae amsterdam toe, Zommige namen der steden / begeren Ter, in plaetse van Tot, als Ter goude, Ter veer.

Als men ergens iet zegt te geschieden / zo gebruyken wy het woordeken Te, als Het geschiede te leyden, Het is t'amsterdam gedrukt, men vint veeltijts Tot leyden, Tot amsterdam, welk nochtans iet van het recht gebruyc afwijkt.

Met het woordeken Tot, beduyden wy iet ergens te geschieden met deze Tael-spreuken / als Tot vaders, Tot pieters, Tot onzent, Tot zijnent, etc.

In7) stelt-men wel / voor de namen der steden en on-ver-midelic8) / voor de namen der landen als / In leyden, In delft, In engelant, In hollant, In Christen-rijk.

+Met het woordeken In, hebben wy deze Tael-spreuken / als In tween snijden, alzo ook In drien, vieren, vijven, etc. In dezen, dat is / In deze dingen9), en In dien, dat is In die dingen, In velen, dat is In vele dingen.

[p. 90]

Deze woorden Op, uyt, van, om en Met, schijnen de Griexsche Tael-order +te volgen en worden by het tweede Geval gestelt / als

Mattheus 6. Op der aerden, ἐπὶ τῆς γῆς Van eener meyninge zijn, Met der haest, of Metter haest

Alzo zeggen wy ooc / Uyt der stat, Van der stat
Met der tijt, Mettertijt Tot der doot Totter doot
Uyt der Natuyre Uyter natuyre  

By de woordekens / By, met, te, ten, ter, uyt, en van gebruyken wy ooc de volgende Tael-spreuken /

+By allen, by drien, vieren, vijven, etc. Met namen.
By velen,   Te voet2)
By dezen By lichten dage Te peirt
by tijts By levenden lijve Te scheep, doch nae oude gewoonte, ware het beter
by onzent By den wege.  
by mijnent Met eenen  
by zijnent Met tween, drien, etc. Te voete
by tween Met allen Te peirde

++Te schepe, te lande3) Ten besten komende Ter poorten ingaen
Te rade Ten Koning, doch wel zo bevallic Tot Koning  
Te gronde, te rugge   Ter doot
Te nacht   Ter zelver tijt
Te recht of Ten rechten dat is rechtveirdelic Ten dele, Ter goeder ure
  Tot Propheet,4) Ter leringe
Te rechte dat is / Ad jus, Ten quade, Ter laetster tijt
  Ten goede, Uyt Amsterdam
Te veel, te weynich Ten wille zijn Uyt Spanjen.
Te kort, te lang, etc. Ten Hemel-waert Van niews
Te huys, t'huys Ten leven Van outs
Ten eenen, tween, drien Ter maeltijt Van velen
Ten eersten, ten tweeden Ter bruyloft Van allen
Ten uytersten Ter plaetse Van onzent
Ten langen lesten Ter stont Van tween drien, etc.
Ten minsten Ter tijt Van langer hant.
Ten meesten Ter contrarie In velen
Ten oosten, ten westen Ter aerden In allen
Ten hoogsten, Ter hellen In tijts.

[p. 91]

Daer zijn eenige woorden die verscheydelic uytgesproken worden / in +de buyginge / als

+Met, de, den, der tijt  
Tot, de, den, der, doot, etc.

Opmerkinge eeniger Tellende woorden.

De optellende woorden zijn Een, twee, drie, vier, vijf, zes, tien, etc. deze woorden worden verandert in deze volgende Tael-spreuken / By eenen Hora prima by tween hora secunda by drien hora tertia.

Met ons tween, met zijn drien, met haer vieren      
Met zijn twee-
der
,
der-
der
,
vier-
der
,
vijf-
ster
,
zes-
ter
,
achs-
ter
1),
tien-
ster
,
etc.    
Hy quam met de elve, niet met de elf      
Ic kome met tiene, niet met tien,          
Ic hebbe het van een, van twee, van drie, van elve ge-
hoort
.
Dat is een van tween, van drien, etc.        
In tween, drien, vieren, etc.