Buiten spelen ging ongeveer zo: ik deed mijn jas aan, knoopte hem dicht, trok de ceintuur zo strak mogelijk aan, en stapte de deur uit. De zon blikkerde in de glaasjes van mijn bril en ik knipperde met mijn ogen. De zon zei: ‘Daar heb je hem ook weer’, want in die tijd kon de zon nog praten. Ik ging het trapje bij de voordeur af en stak de straat over, de handen in mijn zakken, en ik probeerde te fluiten. Dat was moeilijk, want ik miste wat voortanden. Ik was dus nog klein en moest nog nieuwe tanden krijgen die ik nog kapot ging vallen, maar dat wist ik toen nog niet.
Ik wist nog niet zoveel.
Ik kon de hoofdletters nog niet schrijven.
Ik moest de tafels van één tot twintig nog leren opzeggen.
Ik wist nog niet waar de Mississippi lag.
Ik moest nog veel leren. Maar één ding wist ik wel: ik moest uitkijken. Tussen de puinhopen was het gevaarlijk (ook een reden waarom ik een beetje tussen mijn tanden floot): er konden stukken steen vallen of dakpannen, je kon struikelen en met je knieën in glasscherven terecht komen of je vel schaven, maar dat was niet het gevaarlijkste. Het gevaarlijkste waren de andere kinderen tegen wie ook gezegd werd: ga maar buiten spelen. En spelen was: elkaar gillend achterna zitten, met stenen gooien, vechten, aan haren trekken, neuzen omdraaien en op tenen trappen, met stokken slaan - schermen noemden ze dat.
Ik was dan ook steeds op mijn hoede en keek zo goed mogelijk uit mijn doppen en hier en daar kriebelde er iets onder mijn jas van de spanning.