Jij kan mooi op mijn zusje passen
Ik dacht: ‘Hij heeft boodschappen gedaan, hij sjouwt een tas met aardappelen, uien, peen of kool...’
Toen hij dichterbijkwam, zag ik dat het geen tas met aardappelen, uien, peen of kool was die aan zijn hand bungelde, maar een klein meisje. Ze had haar beentjes opgetrokken en draaide als een zak aardappelen, uien, peen, enzovoort aan de haak van een hijskraan.
Luitwieler wenkte me en liet het kind op de straatstenen neer.
‘Staan!’ zei hij.
Hij zei het een paar maal. Het was tegen het kind bedoeld.
‘Goed dat ik jou zie,’ zei hij. ‘Jij kan mooi op mijn zusje passen.’
Het meisje dat nu op de grond zat en met een dun vingertje mos tussen de straatstenen uitpeuterde, was dus het zusje van Luitwieler. Ze droeg een gehaakt mutsje, dat bestond uit twee rondjes die aan pannelappen deden denken met daartussen haaksel van een andere kleur. Het bandje dat om haar kin moest zitten hing los, waardoor ze een beetje op een vliegtuigpiloot leek. En ook weer niet, want op het mutsje waren hier en daar denneboompjes geborduurd en die hadden niets met het besturen van vliegtuigen te maken, vond ik.
Ze had vieze vegen op haar gezicht en rond haar mond, waar ze nu een stukje mos in stopte.
‘Laat dat!’ riep Luitwieler.
Hij gaf haar een tik op haar hand.
Tot mijn verbazing huilde ze niet, terwijl de mep toch flink hard geweest was.
‘Spuug uit,’ zei Luitwieler. ‘Spuug!’
Ze spoog een groenzwart kloddertje uit en het leek