Ze wurmde zich los en strekte haar armen uit, deed haar handjes open en dicht en rende zo achter de kikker aan. Gelukkig kon ik haar nog net vastgrijpen, anders was ze ongetwijfeld de kikker achterna gegaan, hals over kop de sloot in.
‘Pas op,’ zei ik. ‘Dat is diep, hoor!’
Ze keek naar de sloot. Die was diep genoeg om kopje onder te gaan. Dat zou nog erger zijn dan een natte onderbroek. Het water in de sloot stond hoog en was dicht bevolkt met kikkers, stekeltjes, schaatsenrijders, bootsmannetjes, schietmotten en allerlei andere leden van de familie der vraatzuchtigen. Ze hielden zich op in een groene schemer van algen, plantestengels en golvende slierten, tussen afgedankte emmers en oud roest: een verdronken stad. Die beesten lagen steeds naar elkaar te loeren, altijd klaar om kaken, haken, tengels uit te slaan. Je kon zien dat ze elkaars bloed wel konden drinken.
Watervlooien dansten op en neer alsof een van hen een meesterlijk doelpunt had gescoord, maar het was niet echt duidelijk waarom ze zo enthousiast bleven. Bloedrode, wormachtige dingetjes fietsten als gekken door het water. Er zwom nog iets zwarts voorbij. Maar het meisje wilde per se een kikker en dus ving ik er een voor haar, een groenbruin exemplaar met een lichte buik. Toen ik het diertje in haar handen stopte, had ik meteen spijt over wat ik gedaan had.
‘Niet te hard knijpen,’ zei ik.
De ogen van de kikker puilden uit, maar dat deden ze misschien altijd al. Hij grijnsde naar mij en maakte een paar knorrende geluidjes, alsof hij boertjes liet.
Zij bekeek het beestje goed en aaide met een vingertje over zijn platte kop. Daarna stopte ze de kikker in de zak van haar schort.
‘KIJK!’ riep ze.