opeens zwarte vlekjes over je schrift. Ineens: zo moet het heelal met het uitspansel en de kim en alle Grote en Kleine Beren uit het niets ontstaan zijn.
Of je klopt iemand enthousiast en vriendschappelijk op de schouder, maar die draagt een kopje of glas met iets en een mooi jasje.
Je hebt een nieuwe broek en de bal vliegt in de tuin van de buren en dus stap je over het hekje met van die scherpe punten.
Je bakt koekjes. In het boek staat dat ze lichtgeel en krokant moeten worden, maar de oven gaat roken en op het bakblik liggen opeens zwarte plakjes die op asfalt lijken.
Soms wil je ja zeggen en zeg je toch nee. Weg wereldreis.
De vis die je flink wat eten geeft gaat toch dood.
Je bent lid van een voetbalvereniging en je staat opgesteld. Het is nog nul-nul. Je komt voor het doel, de voorzet is exact berekend en heel goed gedaan, de doelman ligt links op de grond en je schiet hard met je voet in de grond.
Als ik alles moet opnoemen wat fout kan gaan, dan wordt dit een immens dik boek.
Alles kan immers fout gaan.
Zo liep ook het kidnappen van Jantje Koppejan mis. En ik moest mee. Ik zei nog: ‘Nee toch!’, maar dat hielp niet. Luitwieler had een plan en daar paste ik in.
Hij stond voor ons en zwaaide met een briefje.
‘Wat hebben we hier?’ vroeg hij.
‘Een brief?’ zei Kootje Stroo.
‘Juist,’ zei Luitwieler. ‘En wat staat erop?’
Hij keek weer naar Kootje, die al spijt had van de woorden die hij gesproken had.
Luitwieler wapperde met het papier. ‘Nou?’