Het vlot


auteur: Wim Hofman


bron: Wim Hofman, Het vlot. Van Holkema en Warendorf, Houten 1989 (tweede druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Pia

Pia hing steeds over ons hekje en mijn moeder zag niet graag dat ze over ons hekje hing.

‘Daar gaat dat hekje alleen maar kapot van,’ zei mijn moeder, maar ze bedoelde iets anders.

Het hekje ging natuurlijk niet zomaar één-twee-drie kapot: mijn vader had het eigenhandig gemaakt van taai hout. Eerst had hij latten waar hij punten aan zaagde en ik vroeg nog: ‘Ga je een zwaard maken?’ Maar het werd een hek met moeren en bouten en zware scharnieren. Hij zette een lat vast op de schuurmuur en bevestigde een grendel op het hek. Met zijn slagboor maakte hij in de muur van het schuurtje een mooi rond gat, waar de grendel precies in paste. De bedoeling was dat we het hekje zoveel mogelijk dichtdeden zodat niet iedereen zomaar ons tuintje in en uit kon lopen, maar om de een of andere reden deed bijna niemand het dicht. Het was een oerdegelijk hek en ging niet kapot. Tot grote spijt van de buurt, want als we het hekje open hadden laten staan dan klepperde het ook. De wind blies het open en dan, op een halfverwacht ogenblik sloeg het met een ferme en bloedstollende slag dicht.

Vooral 's avonds was dat een bezoeking. 's Avonds kreeg je meestal meer wind van zee. Je wilde dan net gaan slapen en: Tak! Het hek. Het was alsof je een klap tegen je kop kreeg. Dan hoorde je een tijdje niets en je begon te denken: misschien slaat het vanavond maar één

[p. 118]

keer dicht, maar je wist tevens dat je jezelf voor de gek hield. Je lag dan een tijdje met je ogen open, dan deed je ze weer dicht om met een gerust hart weer te gaan slapen. Maar dat had je gedacht! Tak! Daar sloeg dat hek weer toe, en je bleef luisteren, al wilde je dat niet en al propte je de deken tegen je oor.

 

Op een nacht, toen het eens goed woei en het hekje me wakker hield, keek ik uit het raam naar de maan en de wolken die door de lucht raceten, en naar het hekje toen dat weer dichtsloeg. Ineens zag ik een man tussen de schuurtjes en heggen doorsluipen. Ik kreeg kippevel, de haartjes op mijn armen gingen rechtop staan en mijn adem maakte de ruit wazig.

De man kwam naar ons huis toe en ik vond het allemachtig spannend. Ik hield mijn adem in. De man had een regenjas aan, eronder droeg hij een pyjama. Hij ging regelrecht naar ons hekje toe om dat met een harde klap dicht te trekken en om de grendel vast te zetten, iets dat wij vergeten waren. Ik zag ook nog hoe de man een vuist opstak, eerst dacht ik naar mij, maar meteen daarop besefte ik dat het een dreiging was naar ons huis in het algemeen. Ik weet niet of hij mij zag. Zijn gezicht en zijn manier van doen kende ik wel: het was de vader van Pia, die een paar huizen verder woonde. De man was altijd boos en opvliegend en dat hij met zijn vuist dreigde was dus niets bijzonders. Ik, en ik denk iedereen in de buurt, was blij dat het hekje dicht was en niet meer klepperde.

Maar door het harde dichttrekken van het hekje ging het niet kapot en ook van Pia ging het hekje niet kapot.

 

Pia was dan wel ongeveer even oud als ik, zo'n jaar of elf, twaalf, maar ze woog bij lange na nog geen vierenveertig kilo zoals ik toen, in 1953. Ze was nog steeds mager, had

[p. 119]

nog steeds dunne polsjes en smalle voeten, waarmee ze precies tussen de grijze latten van ons hekje kon, en aldus, met haar voeten op de onderste dwarslat, stond ze over ons hekje geleund. Ze duwde dan met een beweging van haar onderlijf het hekje open en dan viel het met Pia en al weer dicht. Dat herhaalde zich een aantal keer.

Pia hing dus nogal eens over ons hekje.

Mijn moeder zei: ‘Het is steeds hetzelfde als jij in de tuin zit: wie hangt er dan over het hekje?’

‘Geen flauw idee,’ zei ik dan.

Ik had geen zin erover te praten. Maar het was wel zo. Als ik bijvoorbeeld met de kolenkit naar buiten kwam om eierkolen uit het kolenhok te scheppen dan hing bij het eerste gerammel van de kolen in de kit Pia over het hekje.

Als ik bijvoorbeeld houtjes ging hakken - hetgeen ik een leuk werkje vond, omdat ik hield van de geur van het hout en de xylofoonachtige geluidjes die de houtjes konden maken - wie stond er dan bij het hakken van het tweede blok al bij het hekje? Pia.

Wie hing er over het hekje als ik wilde gaan vissen en een bezemsteel voorzag van een stukje vliegertouw? Juist, Pia.

Ze hield me blijkbaar nauwkeurig in de gaten en was steeds benieuwd naar wat ik aan het doen was. Ze droeg altijd kleren waar haar zus Poppy uitgegroeid was. Poppy was wat ouder en groter en ze had een heel ander postuur dan Pia. De kleren hingen dan ook altijd losjes rond dunne Pia. Eén kous was op zijn minst afgezakt. Als ze die op wilde trekken zakte de andere prompt naar beneden om daar als een slordige krans om haar te wijde schoen te gaan hangen. Ze droeg dat jaar een groenachtige overjas met kale stukken en een paar loshangende benen knopen. De jas was voorzien van met paardehaar

[p. 120]

gevulde schouderstukken waardoor ze een beetje de houding had van: ‘Dat weet ik ook niet’, omdat het leek of ze voortdurend haar schouders optrok. In haar doffe, tamelijk korte, blonde haar hing een strik als een slablad in een hittegolf en meestal keek ze boos en treurig en verongelijkt, maar als ze mij zag gingen haar mondhoeken omhoog met een grijns en haar blauwe ogen gingen twinkelen en zeiden: ‘We zullen je weer eens goed plagen vandaag.’