De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Roelant Savry]

ROELANT SAVRY Jakobszoon is geboren te Kortryk in Vlaanderen, in 't jaar 1576.

Gelyk de neiginge dermenschen zo wel als hunne wezens onder malkander verschillen; zo is de een ook van een vergenoegder aart als de ander. Vele hebben zich vergenoegt met slegts een gering deel van de Konst te bezitten, en waren met hun lot te vreden. M. Hondekoeter, Schilderde Vogelen; P. Snayers, viervoetige Dieren; Otto Marcelis, Slangen, Hagedissen, &c.; Eemont, Watervogels, Kruiden &c. Deze beelden, geene Landschappen. Maar R. Savry verstond dit alles, zoo dat men niet kan zeggen, in wat deel hy best was.

Zyn Vader Jakob Savry, die mede een goed Schilder was, leidde hem tot het Schilderen van Vissen, Vogelen, en andere dieren, maar deze bepaling scheen hem veel te eng; dus oeffende hy zich daar benevens in Landschappen, inzonderheid Noordsche gezigten, als Klippen en Watervallen. Ondertusschen geviel het tot zyn ge-

[p. 57]origineel

luk, dat de Keizer Rudolph van zyne werken quam te zien, zyn werkzamen aart prees, hem in zyn dienst nam en gelegentheid gaf om met een Heer na Tyrol te reizen, om alle fraaije gezichten van Landschappen en Watervallen na 't leven af te teekenen, en zich den aart en natuur der dingen door gestadige beschouwinge in te drukken, het geen hy ook wonder vlytig in agt nam: teekenende alles wat hem schilderachtig voorkwam in een boek, 't voorste werk met de pen, de verschieten met potloot, en voorts met kleurige sapjes, of met flaauwe waterverf overwassen: waar van hy zich naderhand bediende als hy te Praag de Gallery met Landschappen beschilderde, waar van de meeste door Egid. Sadelaar, en zyn leerling Izak Major, in koper gesneden in print uitkomen.

Na de dood van Rudolf, die voorviel in 't jaar 1612. begaf hy zich naar Holland daar hy veele zoo groote als kleene Konststukken voor de liefhebbers geschildert heeft. Hy was een man van middelbare gestalte, maar diklyvig, 't geen aan zyn kopstuk of borstbeeld, dat op verscheide wyzen in kooper gesneden uitgaat, wel te zien is.

Wy hebben ons bedient van dat gene welk van P. Moereels geschildert, en door Geertruyd Rogman in koper gesneden is, waar van wy een proefdruk vonden by den Konstliefdigen E. Feytama, waar onder Hend. Lamb. Rogman 1640, met zyn eigen hand geschreeven had: Roelof Savry Schilder van Rudolphus en Mathias Roomse Keizeren &c. met eenige Rymregelen die op dezen zin uitkomen:

[p. 58]origineel
 
'T schynt dat Savry Natuur te booven heeft gestreeft;
 
Wanneer by Bosch en Rots, en grazige Valeyen,
 
Waar in 't viervoetig vee gaat lustig spelemeien,
 
Door Konst verbeeldde. Zy hem daarom nydig heeft
 
Den Dood geport zyn zeis, tot zyn bederf, te wetten.
 
De Konstgodes betreurt dit droef en deerlyk lot
 
Van haren Lieveling, schoon oud, te vroeg geknot.
 
Maar Veerman Charon kon zyn ziel naau overzetten;
 
Om 't Elizeesdom, 't geen zyn boot aan allen kant
 
Omringde, en vreugdig aan den nieuling bood de hant.

Ik heb eens een groot stuk van hem gezien, verwonderlyk Konstig geschildert, waar in Orpheus een Tracisch harpspeelder, zoon van Apol en Kalliope, een der negen Zanggodinnen, verbeeld was, daar hy als Nazo in zyn II. Boek der Herschepping, zeit: 't Geboomte, 't grimmig wiltgedierte en steenen door zyn snarenspel verrukt, lieflyk streelt en naar zich lokt. Dit is de Fabel; maar zy wil te kennen geeven, dat hy wilde en woeste menschen heeft weten te temmen en van aart verwisselen, hen afleidende van de ongeregelde wyze van leven, door wetten te geven en Godendienst in te stellen, waar door hy dezelve tot deugd, beleeftheid, vriendschap en Gastvryheid geleid heeft. Justinus zegt: dat Midas, die ryke Koning van Frygie, zoon van den Ossenhoeder Gordius, van Orpheus onderwezen in Frygien, de Godendienst instelden. Horatius heeft deze Fabel insgelyks zoo verklaart. Hoor zyn Vertaler A. Pels op pag. 34.

 
.......want Orpheus, zo in zynen tyd geacht,
 
Die tolk der Goden, heeft het menschelyk geslacht
[p. 59]origineel
 
Door vaarzen afgeschrikt van moord, en beestig leeven;
 
Waarom die brave naam den held is nagebleven,
 
Dat hy de Leeuwen, en de Tygers temmen kon.

En vervolgt:

 
Ja Vorst Amphion, die oud Thebe zelfs begon
 
Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harde steenen
 
Kon leiden door zyn luit, en vleyend dicht, waar heenen
 
Hy wilde.

Dusdanige uitlegging hebben wy ook elders in 't breed aangetoont.

Gelyk door de warmte der Zomerzon de vrugten tot hare volkomene rypheid worden gebragt: zoo word ook het verstand van een Konstschilder door de kundigheid van de bedoeling der Fabelen tot volkomen begryp gebragt, om alle verbeeldingen, van wat aart zy ook zyn mogen, door dit behulp, uit de byvoegselen spraak by te zetten, doende dus de stomme Schilderyen spreken. By 't eerste voorkomende voorwerp zullen wy de proef van ons gezegde opmaken, en aantoonen wat nut zulks te weten, een Konstschilder geest. Immers zoo ons de lust daar toe byblyst, en de draad van ons leven zich zo ver uitstrekt, dat wy ten einde van dit werk, eens tot rust zullen gekoomen wezen, zullen wy den uitleg der Fabelen van Ovidius ter hand neemen, op dien voet als het PALEPHATUS begonnen heeft, in zyn boekje van de Ongelooflyke Historien.

Hy had zich gewent des morgens naarstig te schilderen, en 's namiddags in gezelschappen te gaan, en bleef ongetrouwd; en zoo hem iemand naar

[p. 60]origineel

den waarom vraagden, dien zette hy af met de spreuk van Horatius:

 
....... Melius nil caelibe vita: dat is:

Niet beter als een ongetrouwd leven. Of ook wel met het vaarsje dat uit den Dichter Menander, dus vertaalt is:

 
Wie trouwen wil mag trouwen;
 
Maar wie de rust bemint,
 
Die wagte zich van vrouwen.

Hy leefde wel vernoegt, en woonde t'Utrecht daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1639.

Dit jaar 1577 ruim zoo vrugtbaar als de voorgaande in 't voortbrengen van Konstenaaren, brengt uit Antwerpen, de wieg van zoo menig vermaard Konstenaar,