Cultuur en migratie in Nederland. Veranderingen van het alledaagse 1950-2000


auteur: Isabel Hoving, Hester Dibbits en Marlou Schrover


bron: Isabel Hoving, Hester Dibbits en Marlou Schrover (red.), Cultuur en migratie in Nederland. Veranderingen van het alledaagse 1950-2000. Sdu Uitgevers, Den Haag 2005  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 249]

De strijd om Zwarte Piet
9. Het feest

Het is een kwestie van maar enkele jaren geweest. Op 1 juli 2002 werd in het Oosterpark in Amsterdam in aanwezigheid van koningin Beatrix en minister-president Kok het Nationaal Monument Slavernijverleden onthuld. Met een petitie aan het kabinet was daartoe nog maar in 1998 het initiatief genomen door de Afro-Europese Vrouwenbeweging Sophiedela. Weer even eerder, in 1995, was op het Amsterdamse Surinameplein de afschaffing van de slavernij door Nederland, op 1 juli 1863, voor het eerst publiek in Nederland herdacht. Dit was ongetwijfeld beïnvloed door het besluit in 1993 van de Surinaamse regering om de dag van 1 juli, die in de voorafgaande drie decennia het karakter had gekregen van een meer algemene ‘Dag der Vrijheden’, weer toe te spitsen op de herdenking van de afschaffing van de slavernij en voortaan ‘Keti Koti Dey’ te laten heten (Gobardhan-Rambocus 2004). Zonder dat er in Nederland veel discussie voor nodig was bleek er, althans op beleidsniveau, in zeer korte tijd draagvlak gecreëerd te kunnen worden ‘om het slavernijverleden een zichtbare plek te geven in onze samenleving’, zoals minister Van Boxtel zei op 1 juli 2001 in Rotterdam ter gelegenheid van de ‘Nationale dag der Bezinning, Afschaffing Slavernij’. Daarbij gaat het niet louter om terugblikken. Van Boxtel stelde vast dat in het huidige Nederland, zo lang na de afschaffing, nog steeds ‘bewust of onbewust kleurbarrières aanwezig’ zijn. Tegelijkertijd wees hij erop dat ervaringen van alledaags racisme niet eenduidig hoeven te zijn. ‘Als je lid bent van een minderheidsgroep en je je niet gemakkelijk voelt in je omgeving, dan kan zoiets als elkaar dwars zitten in welke vorm dan ook een totaal andere lading krijgen dan wellicht bedoeld.’1

[p. 250]

Slavernij en Zwarte Piet

Met deze uitspraak had Van Boxtel ook stelling kunnen nemen in een ander, eveneens door zwarten geagendeerd debat: dat over de plaats en betekenis van de figuur van Zwarte Piet in het Nederlandse sinterklaasfeest (Booy 2003; Blakely 1993, 39-49). Maar anders dan die over het slavernijmonument, duurt deze discussie niet alleen al verscheidene decennia, ze is ook nog steeds niet afgesloten met een, vanuit zwart perspectief, tastbaar en positief resultaat. (De termen zwart en wit worden hier alleen in attenderende zin gebruikt: er zijn ook ‘witten’ die de ‘zwarte’ visie op Zwarte Piet delen, en omgekeerd, vergelijk bijvoorbeeld Pilkington 2003, 171-174. En er zijn natuurlijk allerlei variaties in standpunt.) Een belangrijke verklaring voor dit verschil in uitkomst is dat er bij het monument (waarvan ook het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NINSEE) deel uitmaakt) twee duidelijke gesprekspartners waren: de overheid en het Landelijk Platform Slavernijverleden, waarin diverse Surinaamse en Antilliaans-Arubaanse organisaties vertegenwoordigd waren. Beide partijen konden het, weliswaar niet zonder enige strubbelingen, betrekkelijk snel eens worden. De politieke bekwaamheid van de voorzitter van het Platform, de Haagse gemeenteambtenaar Barryl Biekman, speelde daarbij een faciliterende rol.

Wanneer gesproken wordt over een verandering in het sinterklaasfeest liggen de zaken echter anders.2 ‘Zo gaat dat niet met folklore, je verandert haar niet per decreet,’ schreef Anil Ramdas al (Ramdas 1996, 20). Een eenduidig platform voor overleg over het feest ontbreekt, anders dan de publieke ruimte en de media. Het Landelijk Bureau Racismebestrijding had misschien die rol kunnen vervullen, maar gaf op het punt van Zwarte Piet niet thuis.3 Al zijn er enkele organisaties die zich inzetten voor het (behoud van het) sinterklaasfeest, zij pretenderen niet te spreken namens de sinterklaasvierders in Nederland. Maar het succes van de officiële erkenning van het slavernijverleden en de daaraan verbonden spijtbetuiging namens de Nederlandse regering heeft de tegenstanders van Zwarte Piet op dubbele wijze geïnspireerd.

In de eerste plaats verschafte die een aanvullende legitimatie om Zwarte Piet, racisme en slavernij op een lijn te stellen. Van alle drie konden zwarten zich als slachtoffers beschouwen. Zo antwoordde Barryl Biekman bijvoorbeeld op de vraag of er zonder slavernij geen racisme zou bestaan hebben:

Misschien, maar een deel van het racisme van nu stamt in elk geval uit de slavernij. Het Sint Nicolaas-feest bestaat nog steeds! Dat komt uit die periode. Een witte baas en zijn lollige, vieze, domme, krompratende zwarte knechten. Vijf december is een hel voor zwarte kinderen. Ze worden op straat zwarte Piet genoemd. De beelden die met het feest worden gecreëerd zijn racistisch. Het kwaad uit de periode van slavernij is nog steeds niet ten volle bestreden.’4

[p. 251]

Oproepen tot een algehele boycot van het feest achtte zij niet opportuun. Zij wil ‘de Nederlanders alleen bewust maken van de als kwetsend en racistisch ervaren elementen ervan. Eigenlijk is het feest niet meer van deze tijd’ (Haagsche Courant, 22 november 2003).

Daarnaast realiseerden zwarte organisaties zich dat zij de parlementair-politieke strategie ook bij hun strijd tegen Zwarte Piet konden proberen te kopiëren. Op initiatief van de afdeling Nederland van het Global African Congress werd op 25 november 2003 namens een tiental andere organisaties, waaronder het Landelijk Platform Slavernijverleden, aan een aantal Tweede-Kamerleden de petitie ‘Afschaffing Zwarte Piet’ overhandigd. Daarin worden kabinet en beide Kamers opgeroepen, aldus het persbericht,5 om ‘actie te ondernemen ten aanzien van tradities die elementen bevatten die racisme bevorderen’, zoals het Nederlandse sinterklaasfeest met zijn Zwarte Piet, en daarmee ‘schade toebrengen’ aan de zwart-Afrikaanse gemeenschap. Immers, aldus Celestine Robles van een van de deelnemende organisaties, het sinterklaasfeest

werkt een negatieve beeldvorming in de hand bij kinderen ten aanzien van zwarte Nederlanders van Afrikaanse afkomst, te weten de projectie van een superieur wit ‘ras’ uitgedrukt als de goedheiligman Sint Nicolaas tegenover een inferieur zwart ‘ras’ neergezet als de domme zwarte hulppiet, waardoor de superioriteit versus inferioriteit gedachte hoogtij viert. We moeten onze kinderen beschermen tegen dit kwalijke feest. (zie vorige noot)

Mocht aan de petitie geen gehoor worden gegeven, dan overwoog het GAC eveneens petities aan te bieden aan het Europese parlement en de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties. Even leek het erop dat het eerste al niet meer nodig was, toen berichten verschenen dat afschaffing van het ‘impliciet racistische’ sinterklaasfeest al op de agenda van de Europese Unie stond; het ging hier echter om een vakkundige en geloofwaardige grap.6 Deze op besluitvorming gerichte acties, op tot nu toe in ieder geval nog nationaal niveau, vormen het voorlopig hoogtepunt van een beweging tot beïnvloeding van de publieke opinie die al begon eind jaren zestig.

Verzet tegen Zwarte Piet in de jaren 1960 en 1970

De beweging werd geïnitieerd door witte mensen. Verwonderlijk is dat niet. Er waren wel Surinamers en Antillianen in Nederland, maar hun aantal was tot de jaren 1980 nog betrekkelijk gering. Met de figuur van Zwarte Piet kwamen zij evenwel al vroeg in aanraking. Opmerkelijk is dat een aantal Surinaamse schepelingen bereid was om als Zwarte Piet mee te lopen bij de eerste intocht van Sinterklaas in Amsterdam in 1934 (Gajentaan 1972, 105). Ook buiten die context werden in de jaren

[p. 252]



illustratie

Afb. 9.1 Voor de intocht van Sinterklaas in Amsterdam in 1934 bleek een aantal Surinaamse schepelingen bereid een Zwarte-Pietenpak aan te trekken. Hoe ze daartoe zijn overgehaald en wat hun bewoog zich daarvoor te lenen, zal wel altijd onbekend blijven. Aan hun beduusde gezichten valt af te lezen dat ze zich de consequentie daarvan waarschijnlijk onvoldoende hadden gerealiseerd.


1930 zwarten en de figuur van Zwarte Piet direct met elkaar geassocieerd. De Surinamer Frans Vroom herinnerde zich:
Liep je bijvoorbeeld door een volksbuurt, dan kreeg je al snel een hele sliert kinderen achter je aan, die allemaal schreeuwden: Zwarte Piet, Zwarte Piet. Soms gooiden ze met stenen, maar ondanks alles geloof ik toch niet dat dat kwaad bedoeld was. Ik hoefde alleen maar te blijven staan en hihi te zeggen of ze renden hard weg.’ Ook toen hij op het Leidseplein wandelde was er een kind dat zei: ‘Kijk, daar heb je Zwarte Piet.’ ‘Nee hoor,’ zei een andere jongen, ‘Zwarte Piet bestaat niet. Laat je niets wijsmaken, laat die meneer met rust. Hij doet je toch niets?’ Dat voorval heeft zo'n geweldige indruk op me gemaakt, dat ik het nooit zal vergeten.

Al nam Vroom het naroepen niet al te zwaar op, hij bekende toch ook dat hij ‘er flauw van’ werd (Kagie 1989, 26). De Surinamer Humphrey Mijnals, die in de jaren 1950 speelde voor de Utrechtse voetbalclub Elinkwijk, had in het algemeen geen last van discriminatie. ‘Alleen rond Sinterklaas was het moeilijk. Dan dachten kinderen dat je Zwarte Piet was.’7 Begin jaren zestig waren er in Amsterdam weinig Surinamers. ‘Nou, tegen Sinterklaas was het verschrikkelijk. Zwarte Piet noemden ze je dan als kind’ (Essed 1988, 57). Blakely stelt echter:

[p. 253]

Some Surinamer men (...) before the recent influx recall how they would good-naturedly smile and play the role when during the period of the Sinterklaas celebration Dutch children would take them to be Zwarte Piet. (Blakely 1993, 48).

Schaarse gegevens als deze laten zien wat er gebeurt als de figuur van Zwarte Piet het kader bepaalt van de relatie tussen zwarten en witten: een ongemakkelijkheid, die aan beide kanten nu eens minder, dan meer nadrukkelijk benoemd en erkend werd.

In de loop van de jaren zestig kregen de houdingen van zwarten en witten duidelijker contouren, zeker onder witten. Een vroeg voorbeeld van het besef dat in de figuur van Zwarte Piet racistische denkbeelden doorgegeven worden is een interview met M.C. Grünbauer over haar, duidelijk op het ‘witte fietsenplan’ van Provo geïnspireerde ‘Witte Pietenplan’ in Panorama in 1968 (De Vries 1966, 26-28). Het was volgens haar ‘niet langer verantwoord ons aloude Sint-Nicolaasfeest in de huidige vorm te blijven vieren. Graag zou ik de Zwarte Pieten veranderd zien in Witte Pieten.’ Terwijl de slavernij al meer dan een eeuw is afgeschaft

blijven wij maar doorsukkelen met de oude traditie de neger als slaaf voor te stellen. (...) De machtige Blanke Meester zit op zijn schimmel of op zijn troon. Piet moet lopen of zware zakken sjouwen en hij mag naast de troon op een krukje zitten aan de voeten van zijn baas.

Sinterklaas komt uit Spanje, toch spreekt hij vloeiend Nederlands. ‘Maar hij wordt vergezeld door Pieten die hier ook al eeuwen komen en nog nooit behoorlijk Nederlands hebben leren spreken. Dus moeten ze wel heel dom zijn!’ Uit een sinterklaasboekje lichtte zij de zin: ‘“Die [Pieten] hadden wel griezelige zwarte gezichten, maar ze lachten toch vriendelijk.” Hieruit volgt dat iedere neger een griezelig zwart gezicht heeft.’ Met Witte Pieten

benadelen we niemand. Wel doen we heel velen er een enorm plezier mee, want in wezen stellen wij met Zwarte Piet een neger voor aan onze kinderen en wel op een manier, die hun hun hele leven bijblijft. Wij laten hen pret beleven ten koste van een ander ras.

Zij noemde dit een ‘onrecht’ (Panorama, 7 december 1968). Over haar plan schreef ze brieven naar organisatoren van sinterklaasfeesten en jarenlang ook naar de hoofd-Piet bij de door de televisie uitgezonden aankomst van Sinterklaas (Winschoter Courant, 18 november 1982).8 Ze vertelde dat ze reacties kreeg als ‘Je hebt wel gelijk; ik heb er nooit over nagedacht. En dáár gaat het om! Wij moeten eens wakker worden geschud!’ (Panorama, 7 december 1968). Maar anderen deden haar voorstel af als ‘dat zachteiïge, sentimentele, overtrokken idealisme van zwart/wit gedoe’ (Algemeen Handelsblad, 4 december 1968).

[p. 254]



illustratie

Afb. 9.2 Al in de jaren zestig werden er alternatieven voorgesteld voor de figuur van Zwarte Piet. Het ‘witte fietsenplan’ van de Amsterdamse provo's inspireerde mevrouw M.C. Grünbauer tot haar ‘Witte Pietenplan’. Daarmee bracht ze mensen weliswaar aan het denken, maar veel effect sorteerde haar initiatief niet.


Vooral kleuterscholen bleken enthousiast over Grünbauers ideeën, ‘weliswaar uit de overweging dat we de kleintjes niet bang moeten maken, maar dat leidt tot hetzelfde doel’. In de loop van de jaren zestig stond het griezelige karakter van zowel Sinterklaas als Zwarte Piet inderdaad onder druk. In 1964 gooide tv-Sinterklaas Adri van Oirschot de zak voor de stoute kinderen ostentatief in zee, schafte de roe af en verbood zijn Pieten krom te praten (Trouw, 22 november 1986). Complementair aan deze ontwikkeling, ook zichtbaar in sinterklaasverhalen, was dat Piet grappiger werd en een clownesk karakter kreeg (Berends 2000, 2001; Ghesquiere 1989, 137-138, 141-142). Tegen zijn Pieten zei Sinterklaas Van Oirschot: ‘gewoon vrolijk doen en niet overdreven (cursivering JH) dom’ (Gooi- en Eemlander, 18 november 1989). Deze, door de televisie-uitzendingen gestuurde, opvattingen lijken breed ingang gevonden te hebben. Hoofdpiet Pedro in Winschoten bijvoorbeeld stelde in 1973 tevreden vast dat ‘de kinderen niet zo bang meer zijn als vroeger. Wat dat betreft is er heel veel veranderd. De schooljeugd van nu wordt beter, zonder angsten, op de komst van Sinterklaas en mij voorbereid’ (Winschoter Courant, 5 december 1973). Daartoe droeg ook bij dat Pieten steeds vaker niet zwart, maar bruin geschminkt werden. Dat oogde, volgens een verhuurder van Sint- en Pietkleding, ‘veel natuurlijker en

[p. 255]

ook wat vriendelijker’; niettemin was dat in de jaren zestig ‘een hele ingrijpende verandering’ (De Nieuwe Bijlmer, 1 december 1983). Onveranderd bleef dat Piets huidskleur donker was.

Tegelijkertijd steeg de gevoeligheid rond die zwarte of donkere huiskleur wel en raakte die voorzichtig gepolitiseerd. Tijdens een politiek café in Leeuwarden trad in 1971 een ‘Swartclaes’ op vergezeld van een wit geschminkte Surinamer als knecht.

In die Sinterklaas en Zwarte Piet ziet die maatschappij van jullie een geheiligde bevestiging en rechtvaardiging van de exploitatie van de gekleurde mensen, de arme zuiderlingen, door de witten, de rijke noorderlingen

stelde Swartclaes, met als implicatie dat dat rolpatroon omgedraaid diende te worden (Leeuwarder Courant, 8 december 1971). Een soortgelijke, nu op de apartheidspolitiek toegepaste vertaling van de verhouding tussen wit en zwart verbeeldde een cartoon in Trouw in 1976 waarin het bordje ‘slegs voor zwartman’ aan de schoorsteen bevestigd was (De Bas 2003, 129). Dergelijke initiatieven, met een ludieke ondertoon, zijn er ongetwijfeld meer geweest. Dat die ook door konden werken op de verhouding tussen Sinterklaas en Piet zelf illustreert dit gedichtje van C.J. de Koning uit 1974, door Jan de Bas (2003, 130) gevonden in het orthodox-protestantse Nederlands Dagblad (al valt niet uit te sluiten dat dit ironisch bedoeld was).

 
Maar... helaas het moet gezegd:
 
Hij heeft ‘zwarte’ Piet geknecht!
 
En gelukkig: op dit feit
 
krijgt men nu in onze tijd
 
plotseling de juiste kijk.
 
Het is uit met de praktijk
 
van de oude blanke Klaas:
 
zwarte Piet wordt eigen Baas!

Verzet tegen Zwarte Piet vanaf de jaren 1980

Tot meer dan dit soort incidentele geluiden kwam het (witte) protest tegen Zwarte Piet evenwel nauwelijks - al herinnerde Nicolaas Matsier zich, ‘begin jaren tachtig, hopeloze crèchevergaderingen waarbij besloten werd tot een veelkleurig Pietenleger: roze, blauw, groen, alles was goed zolang het geen zwart was. Uiteraard was dat - zouden we nu zeggen - een witte crèche, met veel doodernstige linkse mensen’ (Matsier 1995, 20). ‘Actie’ tegen het feest werd niet gevoerd. Dat veranderde in de loop van de jaren 1980. Surinaamse jongeren die naar Nederland kwamen, werden zich juist door hun frustrerende ervaringen met een dominant witte samenleving voor het eerst bewust van hun zwarte identiteit (zie bijvoorbeeld Buiks 1984, 169-

[p. 256]

172; Koot en Uniken Venema 1985; vgl. Gilroy 1987). Velen voelden zich gekwetst. Conflicten werden in raciale en etnische termen gedefinieerd. Toen in 1980 in Amsterdam bijvoorbeeld onenigheid rees over het beheer van gelden voor welzijnswerk door een Surinaamse instelling, stelde deze dat ambtenaren ‘daarbij de Surinamers tussen de regels door krenken, bevoogden en voor minderwaardig uitmaken’ (De Nieuwe Bijlmer, 27 november 1980). Strijden tegen de beeldvorming waarmee zij geconfronteerd werden, begon een van de manieren te worden waarin Surinamers die ervaringen omzetten (Frijhoff 2003, 13). Eind jaren zeventig ondernamen bijvoorbeeld Surinaamse muziekgroepen ‘culturele kruistochten’ om ‘het negatieve beeld dat er van de kleurling bestaat [te] doorbreken. (...) Wij willen iets moois van onszelf laten zien’ (Mutsaers 1998, 180-181).

In Nederland botste met dit zelfbeeld ook de figuur van Zwarte Piet. Of men kwam, zoals in het geval van Anil Ramdas (1996, 19), althans in aanraking met een al gevormd klimaat waarin deze ‘discutabel’ bleek. ‘Hier begreep ik dat er een ideologische dimensie was, Sinterklaas en zijn zwarte knecht.’ In Suriname had men, zoals ook Clark Accord schreef,

net zo hartstochtelijk het feest [gevierd] van de goedheiligman en zijn zwarte, domme en krom pratende knecht als hier. Liedjes met teksten als ‘Ook al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed’ zongen we als zwarte kindertjes uit volle borst mee, zonder dat de betekenis van de woorden tot ons doordrong. (Het Parool, 30 november 2002; vgl. Roemer 1998, 164, Leisius 1998, 197-198)

In 1975 nog verscheen in De West een, weliswaar waarschijnlijk uit een Nederlandse bron overgenomen, artikel waarin gesteld werd: ‘Het zwart zijn van Piet heeft niets te maken met ras’ (De West, 5 december 1975). Aan de herinterpretatie van Zwarte Piet door Surinamers in Nederland droeg ongetwijfeld ook bij dat het sinterklaasfeest na de staatsgreep van Bouterse in 1980 was verboden als ongewenst symbool van het kolonialisme. Daarvoor in de plaats werd, nog wel op 5 december, de viering van de zogenaamde ‘Kinderdag’ ingevoerd, overigens met weinig succes (De Bas 1993, 37-38; Trouw, 5 december 1991).

Op de Antillen was de situatie globaal gesproken niet veel anders. Wel is het opmerkelijk dat eind jaren zestig, en mogelijk mede geïnspireerd door het pleidooi van mevrouw Grünbauer, uit Nederland teruggekeerde studenten op Curaçao Witte Pieten en een zwarte Sint lieten optreden; het bleef echter bij een kortstondig experiment.9

Een vroeg, zo niet het eerste teken van protest tegen Zwarte Piet in Nederland van Surinaamse kant zelf was in 1981 de actie ‘Sinterklaas vieren zonder Zwarte Piet’ van de Solidariteits Beweging Suriname in Utrecht. Deze riep organisatoren van een sinterklaasfeest op om Piet uit het scenario weg te laten en het zo ‘te bevrijden van discriminerende elementen!’ Immers:

[p. 257]



illustratie

Afb. 9.3 Na de onafhankelijkheid strekte in Suriname de afkeer van het koloniale verleden zich ook uit tot het sinterklaasfeest. In plaats daarvan zou men voortaan een ‘kinderdag’ vieren, zij het nog wel op 5 december. Omdat Sinterklaas natuurlijk taboe was, werd bij de advertentie maar een Santaclaus geplaatst. Deze ‘kinderdag’ sloeg niet erg aan. In de jaren 1990 was Sinterklaas weer terug in Suriname.


De huidige rolverdeling in het Sinterklaasfeest is beschamend, omdat zij het superioriteitsgevoel van blanke Nederlanders symboliseert, waarbij voor de zwarte mensen de positie wordt benadrukt die zij al eeuwenlang in onze samenleving hebben ingenomen: de knecht, die ondergeschikt is aan de blanke meester en de slechte baantjes moet opknappen. Zo is eeuwenlang het Sinterklaasfeest gevierd met Sint Nicolaas als het symbool van het goede, het blanke en Zwarte Piet als het symbool van het kwade, het slechte. Die racistische verhouding is heden ten dage nog net zo actueel.

Voor Nederlanders is Sinterklaas vanzelfsprekend een witte man.

Terwijl Zwarte Piet de man blijft met de grote dikke lippen, met overdreven grote oorbellen en zo zwart mogelijk geschminkt. Kortom: een domme, clowneske figuur, die zich geen houding weet te geven in onze ‘beschaafde’ blanke samenleving. Daarbij wordt zelfs een namaak-Surinaams accent niet geschuwd. Geen wonder dat veel Surinamers rond Sinterklaastijd voor Zwarte Piet worden uitgescholden. De witte kinderen wordt het blanke meerderwaardigheidsgevoel er als met de paplepel ingegoten. Dat kan nooit de bedoeling zijn van het Sinterklaasfeest. (Weekkrant Suriname, 21 november 1981)

De SBS verspreidde affiches met de tekst: ‘Stop geen zwarte knecht in uw Sinterklaaspakket. De slavernij is al honderd jaar geleden stopgezet’ (Leeuwarder Courant, 11 november 1981). Want volgens Oscar Postuma van de SBS waren van dat slavernijverleden ‘tal van voorbeelden blijven hangen en het Sinterklaasfeest is daar één van’. Sinterklaas zit op een paard, maar Piet moet lopen. ‘Zo wordt de relatie onder-

[p. 258]



illustratie

Afb. 9.4 ‘Racisme is overal - stop waar je het tegenkomt’ was een kenmerkende leus van lokale actiegroepen tegen racisme in de jaren tachtig. Men kon daar al in de eigen omgeving mee beginnen, bij de figuur van Zwarte Piet. Door zijn plaats naast een Witte Klaas kon het immers geen feest zijn. Affiche verspreid door een groep in Berg en Dal, circa 1987.


drukker-onderdrukte toch voortgezet.’ Daarom zou men ditmaal een zwarte Sint-Pieter het paard laten berijden, terwijl naast hem een Witte Klaas moest lopen die de zak zeulde (Graafschapsbode, 28 november 1981). In een artikel in NRC Handelsblad benadrukte in 1985 de Amerikaanse sociologe Toni Stuart dat ook de speels- en kinderlijkheid van Piet een stereotype was dat ‘door de blanke slavenhouders in het leven is geroepen om het gebruik van zwarten als slaven te rechtvaardigen’ (NRC Handelsblad, 5 december 1985; vgl. Rooijakkers 1997, 251).

 

In de jaren daarna gingen de protesten tegen Zwarte Piet onverminderd door. In de brochure ‘Sinterklaas is een racist’ pleitte de Beweging Surinaams Links er in 1986 voor om alleen een feest met de kinderen te vieren, zonder de figuren van Sinterklaas en Zwarte Piet (Hassankhan 1988, 49; Trouw, 22 november 1986). Omstreeks 1987 voerde de groep ‘Racisme is overal - stop waar je het tegenkomt’ uit Berg en Dal, mogelijk omdat daar het Afrikamuseum is gevestigd, actie onder de slogan ‘Witte Klaas en Zwarte Piet? Dat is geen feest’, omdat een witte de baas speelt over zwarten.10 In 1988 verscheen van Rahina Hassankhan, actief in de Surinaamse vrou-

[p. 259]

wenbeweging en bestuurslid van de Landelijke Vereniging Surinamers in Nederland, het boekje Al is hij zo wart als roet... Daarin betoogde zij dat het sinterklaasfeest in de loop der eeuwen voortdurend veranderd is, dat Sinterklaas pas sinds de tijd van de slavernij een negerslaaf als knecht heeft en dat er, juist gezien het aanpassingsvermogen van het feest aan de tijdsomstandigheden, voor Nederlanders geen reden is om het feest niet opnieuw te veranderen nu ‘racistische vooroordelen over de zwarte mens’ daardoor worden overgedragen (Hassankhan 1988, 50). Tijdens de aanbiedingsplechtigheid van het boekje in Den Haag vertelde Sinterklaas dat de Pieten geweigerd hadden om mee te komen, omdat ze geen zin meer hadden ‘om de domme, dwaze knecht uit te hangen’. Gevraagd waarom hij, toch een buitenlander, zo goed Nederlands sprak en de Pieten alleen een brabbeltaaltje, antwoordde hij ‘dat ook de Zwarte Pieten heel goed Nederlands kunnen spreken’. Zij ‘moesten in opdracht van Sint Nicolaas zo spreken, zodat de verhouding meester-knecht beter tot zijn recht komt en de kinderen weten wie de baas is’ (Weekkrant Suriname, 19 en 26 november 1988). In hetzelfde jaar 1988 probeerde het Haags Anti Racisme en Discriminatie Team een antidiscriminatiecode in te voeren op openbare scholen, waarin op het sinterklaasfeest voor Zwarte Piet geen plaats meer zou zijn. Zonder dat daaraan ruchtbaarheid werd gegeven was dat in het buurthuis Delftselaan in de Schilderswijk al jarenlange praktijk (NRC Handelsblad, 5 december 1988).

Waren de eventuele effecten van deze acties slechts zichtbaar op kleinschalig niveau of in besloten kring, dat werd anders toen tijdens de intocht van Sinterklaas in Amsterdam in 1993 voor het eerst de norm werd doorbroken dat Piet alleen maar zwart kan zijn. Er liepen daar nu ook Pieten rond met gezichten geschminkt in andere kleuren, weliswaar niet in wit en bovendien naast ‘gewone’ zwarte Pieten. Volgens de Volkskrant vond tweederde van de ondervraagde Amsterdammers van Surinaamse en Antilliaanse komaf dat een ‘goed idee’, bij de witte toeschouwers lag dat op ongeveer de helft (de Volkskrant, 4 december 1993). Deze gekleurde Pieten betekenden een voorzichtige, zij het nog wat dubbelzinnige, publieke erkenning van het gegeven dat de figuur van Zwarte Piet niet meer onomstreden was. De uitstraling van dit initiatief lijkt echter beperkt te zijn geweest (vgl. Bal 2004, 117), al waren er in Zaandam eveneens in 1993 witte Pieten en zelfs een zwarte Sinterklaas te zien (Leistra 1995, 182). In een ingezonden brief werd er op gewezen, net als eerder bij de bruine Pieten, dat de Amsterdamse groene, blauwe en paarse Pieten toch donker bleven: ‘wit blijft dan wijs en zachtaardig én de baas (!), en donker blijft dom’ (de Volkskrant, 27 november 1993).

Waarschijnlijk om deze reden en zeker ook gezien de nog steeds voortdurende dominantie van een zwarte Piet op het feest in Nederland in het algemeen werd in 1996 in Amsterdam het Actiecomité Zwarte Piet = Zwart Verdriet opgericht. Het hield in de Bijlmermeer een ‘Anti zwarte Piet demonstratie’, organiseerde in een buurtcentrum een ‘Anti-racistisch Sinterklaasfeest’ en verspreidde pamfletten waarin het zijn bedoelingen uitlegde.11 Merkbaar gebaseerd op het boekje van Rahina

[p. 260]

Hassankhan werd er daarin opnieuw op gewezen dat bij de uitbeelding van de knecht van Sinterklaas de tijd sinds de slavernij stil was blijven staan.



illustratie

Afb. 9.5 Surinaamse jongeren dragen in de jaren tachtig en negentig hun weerzin tegen Zwarte Piet publiekelijk uit, zoals deze sympathisant van het actiecomité ‘Zwarte Piet = Zwart Verdriet’ in de Bijlmermeer in Amsterdam in 1998.


[p. 261]
Anno 1996 praat Piet nog steeds gebroken, dom Nederlands, vaak met een Surinaams accent terwijl Sint zeer deftig spreekt. Hij heeft alle duidelijke karakteristieken van een Zwarte man en vrouw en is een karikatuur daarvan; de ‘neger’ met de grote oorbellen, ‘dikke’ lippen en kroeshaar; een domme onderdanige clown, die allerlei fratsen uithaalt en de intelligente witte man bedient. De slaaf van de witte Sint die verheven is boven zijn knecht. Deze beelden zijn niet typisch voor het Sinterklaasfeest, deze stereotypen en vooroordelen bestaan. Racisme als systeem van betekenissen en macht brengt het lichaam van de ander vaak naar voren als object van belachelijkheid. (...) De meerderheid van de Nederlandse samenleving denkt nog steeds dat zij geen plezier kan maken en hebben met Sinterklaas zonder dat er een racistische karikatuur van de zwarte man en vrouw in de buurt rondhuppelt. Het zou geen echte Sinterklaas zijn, zoals de meester zonder slaaf geen echte meester is. De Blanke/Zwarte verhouding wordt op een vanzelfsprekende wijze gepresenteerd als een meester/knecht verhouding. Dit wordt niet als racistisch onderkend. (...) Wij streven ernaar dat het fenomeen Zwarte Piet binnen het Sinterklaasfeest wordt geschrapt.

Onderaan het pamflet werd men gevraagd deze verklaring met een handtekening te ondersteunen. Op deze manier kon het comité een door twaalfhonderd inwoners van de Bijlmer getekende petitie tot afschaffing van Zwarte Piet aanbieden aan de wethouder van Onderwijs van het Stadsdeel Zuid-Oost (Gravenberch 1998b, 88). Een eerste gevolg van deze actie was dat de lokale ondernemersvereniging op verzoek van het comité in 1997 bereid was om bij de intocht van Sinterklaas in de Bijlmermeer alleen ‘Bonte Pieten’ mee te laten lopen, net als enkele jaren eerder in het centrum van de stad. Van de negatieve reacties hierop van de kant van het publiek was de vereniging evenwel zo geschrokken dat men besloot daar voortaan weer vanaf te zien (Van Dijk 1998, 125). Nadat voorzitter A. Haakmat van de onderwijscommissie Bijlmermeer in 1997 al had laten weten op zijn scholen liever ‘geen Zwarte Piet die onderdanig is aan sinterklaas’ te zien en daarvoor in de plaats ‘dan nog maar liever’ gekleurde Pieten had (de Volkskrant, 27 november 1997), werd in 1998 aan de vijftien openbare lagere scholen in de Bijlmer een ‘Sint Nicolaas-code’ aangereikt. Opdat ‘zwarte kinderen en hun ouders zich niet gekwetst hoeven te voelen’, was de eerste regel daarin dat Sinterklaas en Piet gelijkwaardig zijn. De reacties hierop van de scholen waren nogal gemengd. Op basisschool De Blauwe Lijn bijvoorbeeld bleek men al dertien jaar gekleurde Pieten te hebben ‘die gelijkwaardig zijn aan Sinterklaas’. Dat nam volgens de directeur ‘niet weg dat Piet een knecht blijft, want met hiërarchie is op zichzelf niets mis. Die heb je in het echte leven ook overal.’ Basisschool Crescendo had al vijf jaar eerder de figuren van zowel Sinterklaas als Zwarte Piet laten vallen; bovendien zong men geen liedjes ‘die de kinderen hier een minderwaardigheidscomplex kunnen bezorgen’. Op Onze Wereld had men geëxperimenteerd met rode en blauwe Pieten, maar was men daarvan teruggekomen. ‘De kinderen schrokken zich een bult. Het zag er zo eng uit, vonden ze.’ Piet behield

[p. 262]

daarom zijn ‘traditionele kleur’ zwart. Maar de rolverdeling tussen Sinterklaas en Piet werd wel aangepast. ‘Dus niet alleen een wijze Sinterklaas met een stel domme knechtjes. Bij ons doet de Sint ook domme dingen’ (Het Parool, 2 december 1998), daarmee zowel tegemoetkomend aan de bezwaren van het comité als de al langer bestaande mainstream houding tegenover deze rollen volgend.

Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de Bijlmer in het algemeen zei Lulu Helder: ‘Het kan dus’, dat wil zeggen een sinterklaasfeest vieren waarbij Zwarte Piet in de gebruikelijke zin niet meer welkom is.12 Bij nader toezien moet men vaststellen dat zelfs in de Bijlmer deze verandering nog maar gradueel is. Dit ondanks het feit dat onder redactie van Helder en haar medestudent Scotty Gravenberch in hetzelfde jaar 1998, vreemd genoeg bij een Belgische uitgever (EPO in Berchem), de indrukwekkende bundel Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht was verschenen. Behalve van beide redacteuren bevat het een aantal historiserende en psychologiserende essays van onderzoekers als Jan Nederveen Pieterse, Waldo Heilbron, Teun A. van Dijk en Guno Jones, literaire bijdragen en interviews. Het is, ondanks de overwegend objectiverende toonzetting, duidelijk een strijdschrift, een aanklacht. Alle auteurs zijn het erover eens dat het sinterklaasfeest ‘het symbool (is) van een samenleving die onder het mom van een kinderfeest van jongs af aan leert dat de baas wit en de knecht zwart’ is en daarom ‘in deze vorm beledigend en niet langer verdedigbaar’ is (Van Dijk 1998, 124; Nederveen Pieterse 1998, 43). Kern van het boek is de, uitvoerig beargumenteerde, stelling dat dit eenvoudig zo is, en dat witte Nederlanders door een combinatie van onwetendheid en ongevoeligheid deze waarheid weigeren te aanvaarden. Was dat wel het geval geweest, dan zouden zij de figuur van Zwarte Piet onverwijld uit de rituele inkleding van het sinterklaasfeest geschrapt hebben. Illustratief voor de benadering van het boek is de afwijzing van de stelling dat de rolverdeling tussen Sinterklaas en Piet niet meer die van baas en knecht is: dat is ‘een voorbeeld van ideologische zelfmisleiding: men spreekt van een “gelijkwaardige” relatie, maar belaadt de figuren met stereotypen die al eeuwenoud zijn’ (Helder 1998, 48).

Zelfs dit meest uitvoerige pleidooi voor de afschaffing van Zwarte Piet vond in de samenleving nauwelijks weerklank. Het is niet verwonderlijk dat ook de volgende jaren weer nieuwe actiecomités van zich lieten horen, zoals in 2000 de Organisatie Pressie Omhoog, die zelfs dreigde ‘het sinterklaasfeest dusdanig [te] verstoren dat de voortgang daarvan niet mogelijk zal zijn’ en het comité ‘Piet op de zwarte lijst’, dat het liet bij een prentbriefkaartenactie en een website.13

Bij alle protestacties door zwarten vallen, tot slot, twee aspecten op. Het protest richt zich nooit op het gegeven dat het in de figuur van Zwarte Piet witten zijn die zwarten personifiëren. Waarnemers uit de Verenigde Staten valt het op dat zoiets thans in hun land, dat immers een lange racistische traditie kent van ‘blacking up’, ondenkbaar zou zijn.14 Daarnaast hebben zwarten, voorzover bekend, maar incidenteel het heft in eigen handen genomen door iets als een contrafeest te organiseren, zoals Kwanzaa in Amerika als eigen zwarte invulling van het kerstfeest (Pleck

[p. 263]



illustratie

Afb. 9.6 Wat elders niet of moeilijk gaat, kan in eigen kring wèl: aanpassing van het sinterklaasfeest aan eigen opvattingen. Vanuit Paramaribo bezoekt een zwarte Sinterklaas de kinderen van de stichting Sur in Almere in 1995.


2001).15 Omdat ‘die meester-knecht-verhouding tussen Sinterklaas en zijn Pieten (...) bij veel Surinamers helemaal niet zo goed’ lag, organiseerde het Jongeren Overleg Bijlmermeer in 1985 bijvoorbeeld een feest rond de uit Suriname afkomstige figuur ‘Goedoe Papa’. ‘Dit is ook een kindervriend, maar meer een gewone vriendelijke Surinaamse oude man, geen goedheiligman’ (De Nieuwe Bijlmer, 28 november 1985). Enigszins een variant hierop was het bezoek vanuit Paramaribo van een zwarte Sinterklaas op een door de stichting Sur gehouden kinderfeest in Almere in 1995. Deze legde de kinderen uit dat er naast een witte ook een zwarte Sint is (De Telegraaf, 4 december 1995). Op een foto hiervan is geen Zwarte Piet te zien.

Het onbegrip van witte Nederlanders voor het protest tegen Zwarte Piet

In februari 2003 ging de Surinaamse actrice Gerda Havertong naar een televisiestudio om deel te nemen aan opnames voor een quiz. Tevoren werd het publiek opgewarmd met muziek. Op het moment dat Havertong binnenkwam, werd ‘Zie ginds komt de stoomboot’ gespeeld. Toen Havertong zich hierover verontwaardigd toonde - ‘Hoe moet ik dat lied los zien van mij?’, bleek het publiek daar geen begrip voor te hebben. De programmamakers noemden het ‘een ongelukkige samenloop van omstandigheden’ (Algemeen Dagblad, 11 februari 2003). Het was een variant op het naroepen als Zwarte Piet dat zwarten al decennia achtervolgt. Dat wordt door hen

[p. 264]

onverminderd als kwetsend ervaren. Barryl Biekman zei daarbij telkens een ‘pijnscheut’ te voelen (Haagsche Courant, 22 februari 2003). ‘Je moet me er niet mee vergelijken, dat vind ik niet leuk’, zei ook het twaalfjarige meisje Warsha, toen haar gevraagd werd of zij even uit de stoet gestapt was tijdens de intocht van Sinterklaas (Hassankhan 1988, 51). Celestine Raalte (1998) schreef over dit naroepen en de effecten daarvan op haar dochter en kleindochter een indringende bijdrage in de bundel van Helder en Gravenberch. Het voormalige Tweede-Kamerlid Tara Singh Varma stelde vast: ‘Witte mensen beseffen gewoon niet wat het voor ons betekent’ (De Bas 2003, 131).

De bereidheid om zich alleen al in deze gevoelens in te leven blijkt onder autochtone Nederlanders vrijwel afwezig. Publieke uitlatingen als van de, ten aanzien van het sinterklaasfeest zeer veranderingsgezinde, publicist Jan de Bas - het is ‘een ontkenning van iemands persoonlijke geschiedenis wanneer zo'n gevoel wordt tegengesproken’ (De Bas 1999, 22) - zijn zeldzaam. Men beschouwt dat gevoel eenvoudig als onterecht en misplaatst. Ook de termen waarin zwarten, en sommige witten, die gevoelens verwoorden en verantwoorden, en dat al zo lang, worden niet aanvaard. ‘Maar liefst 96 procent van de Nederlanders ziet het Sinterklaasfeest als een oude traditie die niets met discriminatie en onderdrukking te maken heeft,’ vond het NIPO in 1998 (De Telegraaf, 3 december 1998). Al in 1986 vond 95 procent ‘dat Zwarte Piet in zijn huidige verschijningsvorm mag blijven’ (Trouw, 22 november 1986). Een primaire, eveneens op gevoelens gebaseerde, ontkenning overheerst daarbij (Gravenberch 1998a, 15; Van Dijk 1998). ‘Je moet het Sinterklaasfeest niet in de sfeer trekken van een politiek gemodder over huidskleuren. Je moet elkaar niet op dat soort dingen beoordelen. Dat kan helemaal niet!’ zei tv-hoofdpiet Piet Römer al in 1982. ‘Als ze denken dat Piet discriminerend is, moet..., ach, als je dat niet snapt, valt er weinig uit te leggen,’ zei tv-Sinterklaas Bram van der Vlugt hem na in 1998 (BN/De Stem, 5 december 1998).

Wordt hier een discussie als op zich al onbestaanbaar ontweken, elders wordt het debat wel degelijk gevoerd, met name via ingezonden brieven of opiniërende stukken in kranten en de laatste jaren ook op discussiefora op internetsites. De kritiek op Zwarte Piet blijkt bij velen een zeer emotionele snaar te raken. In verschillende bijdragen aan het boek van Helder en Gravenberch, in het bijzonder die van Teun van Dijk, zijn deze argumentaties - vanuit zwart perspectief: ontkenningsstrategieën - uitvoerig beschreven (zie ook Berends 2000; Van der Zeijden 2000, 207-209). Ruwweg bestaan die, en hier aangevuld met enkele nieuwe voorbeelden daarvan, uit drie, elkaar dikwijls overlappende, categorieën.

In de eerste categorie ontkent men dat in de figuur van Zwarte Piet verwezen wordt naar een ‘reëel bestaande’ zwarte. Er wordt immers ‘een “toneelstuk” opgevoerd,’ Piet is ‘de exotische figuur die het hele Sinterklaasgebeuren een extra aparte dimensie geeft’, schreven bijvoorbeeld enkele correspondenten van het Meertens Instituut in 1994.16 Een eloquent vertegenwoordiger van deze visie is Herman Pleij. Sint en Piet spelen niet meer dan een rol.

[p. 265]
Hoe karikaturaler ze eruitzien, hoe sterker die rollen uit de verf komen. Daarom kan de baard van Sint niet groot, wit en vlokkig genoeg zijn, terwijl Piet gitzwart moet glimmen, met vuurrode lippen, blinkend witte tanden en woest rollende ogen. Kortom, meer Andries Knevel dan Patrick Kluivert, wat op het eerste gezicht meteen duidelijk moet zijn. Zo kunnen Sint en Piet hun heilzame werk doen. (Pleij 1999, 30)

Daaruit volgt dat men ‘sprookjesfiguren op hun eigen waarde [moet] bekijken en niet als representant van een of andere groep’. Een variant hierop is dat men stelt: ‘Zwarte Piet is zwart, maar geen neger.’17 In dit verband geven zeer velen te kennen dat uitsluitend zijn werkzaamheden in de schoorsteen Piet zwart gemaakt hebben en dat hij dus een representant is van in vroeger tijden rondtrekkende (Italiaanse) schoorsteenvegers. In dezelfde lijn stellen anderen dat Pieten een soort vrije ‘Moren’ zijn; deze hebben, historisch gezien, ‘niets met slavernij of racisme te maken’ (Haagsche Courant, 25 november 2003). De bal kan dan vervolgens teruggekaatst worden: eerst de ‘discussie die in Nederland gevoerd wordt heeft ze [Zwarte Pieten] voor mij tot negers gemaakt’ (de Volkskrant, 5 december 1997).

In de tweede categorie is Zwarte Piet onomwonden een zwarte, maar komt zijn aanwezigheid geenszins voort uit een bedoeling om zwarten te discrimineren. Discriminatie en Zwarte Piet staan geheel los van elkaar. ‘Ik kan mij voorstellen dat gekleurde mensen zich beledigd kunnen voelen, maar de zwarte pieten zijn niet als belediging bedoeld’; ‘het gaat hier om een feest zonder bijgedachten van racistische aard, die worden alleen door mensen als u [i.c. Barryl Biekman] zo ervaren en verwoord.’ Al is Piet dan zwart, hij is zeker geen slaaf. ‘De vertaling die andere mensen er aan geven dat het met slavernij te maken zou hebben is echt uit de lucht gegrepen’.18 En als die link wel wordt geaccepteerd, dan is die nu in ieder geval niet actueel. ‘Ik kan begrijpen dat Zwarte Piet door onze zwarte medemens wordt ervaren als een beeld uit de slavernij. Dit brengt de geschiedenis met zich mee.’ Echter,

hoe de zwarte mens toen door veel witte mensen gezien en behandeld werd is allang niet meer de manier waarop nu vele zwarte en witte mensen met elkaar omgaan. (...) Zo'n sinterklaasfeest kan de gedachte aan de slavernij niet meer terugbrengen.
(Haagsche Courant, 27 november 2003)

Als illustratie van deze stelling wordt aangevoerd dat de thans gegroeide rolverdeling tussen Sinterklaas en Piet een herinnering daaraan evenmin rechtvaardigt. ‘Zwarte Piet is al jaren geëmancipeerd en tussen moderne Sinterklazen en zwarte Pieten bestaat niet zozeer een hiërarchische verhouding als wel een op gelijkwaardigheid berustend taakverdeling’ (Bernard Hulsman in NRC Handelsblad, 23 november 1994). Ooit was Piet, volgens tv-Sinterklaas Bram van der Vlugt, ‘een dommerd. Tegenwoordig is hij meer de slimmerik, terwijl Sinterklaas tussen een groot kind en een beetje dommig groot mens in wankelt’ (Trouw, 15 en 16 november 1997).19 Piet is ‘intelligent en efficiënt. Hij is de snelle manager van de Sint gewor-

[p. 266]



illustratie

Afb. 9.7 Veel Nederlanders vinden de kritiek op Zwarte Piet overdreven en belachelijk. Deze cartoon van Zaza uit 1998 verwoordt die gevoelens èn drijft daarmee de spot.


den. Het knechtje van weleer is nu de spil waar alles om draait,’ stelde ook Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur (Leidsch Dagblad, 30 november 2002).

Toch mag de vraag gesteld worden in hoeverre deze visie op hun rollen door de talloze Sinten en Pieten in den lande gedeeld wordt. Terwijl mevrouw Grünbauer zich er in 1968 over opwond dat Zwarte Piet op lagere scholen, tot hilariteit van de kinderen, sommen op het bord verkeerd uitrekende, kan iets dergelijks nog steeds voorkomen. Op De Biedonk in Hilvarenbeek bijvoorbeeld probeerde Piet in 2000 van rechts naar links te lezen: ‘Heel dom, weten de kinderen daar nu’ (Brabants Dagblad, 5 december 2000). In Haarlem waren in 2001 Sinten en Pieten te huur met de aanprijzing dat deze de namen van de te bezoeken kinderen uit hun hoofd kenden. ‘Maar verder is Zwarte Piet niet erg snugger. Dit leidt tot hilarische situaties in de huiskamer’ (Haarlems Dagblad, 1 december 2001; vgl. Ghesquiere 1989, 143-144). Het kan hier gaan om Pieten aan wie de eerder genoemde ontwikkelingen ongemerkt voorbij zijn gegaan, maar het kan ook zijn dat men zich daaraan bewust heeft willen onttrekken.

[p. 267]

Want minstens zo vaak als men horen kan dat de figuur van Zwarte Piet niet bedoelt te discrimineren, wordt zijn aanwezigheid op het feest gerechtvaardigd - als een derde categorie argumenten - met een beroep op ‘de traditie’. Die wordt dan als onaantastbaar voorgesteld. ‘Cultuur ligt vast in de geschiedenis en die kun je niet veranderen’ (News.nl, 22 november 2000). Alleen al de voorstellen om Piet een andere kleur te geven zijn vanuit deze visie fel bestreden. ‘Traditie is traditie omdat het traditie is en niet omdat het lijkt op traditie,’ schreef bijvoorbeeld Freek de Jonge (Het Parool, 3 december 1999). Uitspraken als ‘Geen gekleurde Pieten. Historisch gezien klopt er dan niets meer van het Sinterklaasfeest’, ‘ze heten toch niets voor niets zwarte piet!!!!’, ‘als Piet rood zou zijn vind ik het geen Piet meer’20 komen voort uit dezelfde houding.

Het gaat in deze visie niet alleen om het behoud van Zwarte Piet, maar ook om de verdediging daarvan, voortkomend uit een gevoel van bedreiging door ‘anderen’.21 In deze emotioneel geladen context wordt Zwarte Piet niet alleen gezien als een traditie, maar ook opgewaardeerd als een constitutief deel van de ‘Nederlandse traditie’. In plaats van toe te geven aan van ‘buitenaf’ komende veranderingsprocessen, wil men zich ten aanzien van zoiets wezenlijks juist sterk en compromisloos tonen. Zwarte Piet ‘hoort bij het Hollandse Sinterklaasfeest; aan die goede Hollandse gewoonte mogen we gerust blijven vasthouden. Het is goed ons niet door anderen te laten beïnvloeden!’22 Hierbij speelt ook een zekere verongelijktheid mee ten opzichte van een als opgelegd ervaren tolerantie behorend bij het idee van de multiculturele samenleving. Zwarten en andere minderheden worden vervolgens over één kam geschoren. ‘Wij moeten toch ook hun tradities waarderen? Ik vind dat ze van onze traditie af moeten blijven’; ‘we leveren stukje bij beetje onze eigen cultuur in. (...) Is het dan te veel gevraagd als we één keer in het jaar een Oudhollands feest vieren?’23

Daar kwam bij, al wordt dit verband door voorstanders van Zwarte Piet zelden gelegd, dat eind jaren 1980, begin jaren 1990 het sinterklaasfeest als geheel onder zware druk stond als gevolg van de almaar toenemende neiging om elkaar niet met sinterklaas, maar met Kerstmis cadeautjes te geven. De bereidheid om het feest te verdedigen, zichtbaar in emotionele ingezonden brieven, hoofdartikelen van kranten en de oprichting van allerlei actiecomités, werd daardoor aanzienlijk versterkt (vgl. Helsloot 1996, 2001, 2002; Rooijakkers 1997). In zo'n klimaat, overigens eind jaren 1990 al weer op z'n retour, lag het voor de hand dat pleidooien voor afschaffing van Zwarte Piet of herijking van zijn rol weinig gehoor vonden. Die houding is mogelijk vooral de laatste jaren zelfs weer versterkt naar aanleiding van krantenberichten over de molestatie van Sinterklaas door moslimjongeren in Amsterdam en door niet nader aangeduide allochtonen van de ‘dom’ genoemde Zwarte Piet in Haarlem-Schalkwijk: ‘De Pieten kregen hun eigen pepernoten keihard teruggesmeten en er werd aan hun pruiken getrokken’ (Noord-Hollands Dagblad, 15 november 2002).24

[p. 268]



illustratie

Afb. 9.8 Uit deze reeks foto's zou je kunnen afleiden dat er maar weinig Nederlanders overblijven die van harte instemmen met de figuren van Piet en Sint. In het nummer van 23 november 2001 van het jeugdblad Taptoe richtte de hervormingszin zich op de Sint.


Besluit: een voortdurende impasse

Er kan na het voorafgaande geen twijfel over bestaan dat de figuur van Zwarte Piet zwarten in Nederland al verscheidene decennia ‘dwars zit’, om aan te haken bij de eerder genoemde woorden van voormalig minister Van Boxtel. En evenmin dat er een discrepantie bestaat tussen die ervaring en de ‘bedoeling’ van degenen die Zwarte Piet een onderdeel willen laten blijven van het sinterklaasfeest. In de optiek van zwarten die zich daarover uitlaten - er zijn ook zwarten die geen moeite hebben met Piet - continueert Zwarte Piet, ieder jaar opnieuw, de vernedering door witten die begonnen is in de tijd van de slavernij. Dat blijkt uit de tussen hem en Sinterklaas bestaande meester-knechtverhouding en het karakteristieke rolpatroon van Piet dat daardoor gedefinieerd is. Zij voelen zich daardoor, kan men zeggen, ‘op symbolisch vlak buitengesloten’ in de Nederlandse samenleving en vernederd omdat zij ‘niet in alle opzichten als “volledige” mensen worden gezien’ (Koenis 2002, 74, 76). De publieke erkenning van het aandeel van Nederlanders in het slavernijverleden, zoals die tot uiting gebracht is in de oprichting van het monument, gaat hen daarom niet ver genoeg. Het komt tevens aan, zoals Barryl Biekman stelde, op ‘de bereidheid om daar consequenties aan te verbinden’.25

In het geval van Zwarte Piet blijkt dit nog altijd vrijwel onmogelijk omdat aan Piet door witten en zwarten verschillende betekenissen worden gehecht. Misschien sloot Van Boxtel aan bij de kritiek die Baukje Prins geeft op de benadering van alle-

[p. 269]

[De dbnl is niet gemachtigd een illustratie uit het origineel hier weer te geven.]

 

[p. 270]

daags racisme door Philomena Essed. Prins stelt: ‘Er is geen ruimte voor de gedachte dat specifieke gebeurtenissen zich op verschillende manieren laten interpreteren, dat intermenselijke communicatie meerlagig, paradoxaal of dubbelzinnig kan zijn’ (Prins 2004, 52-53).26 Maar die ruimte is er vanuit zwart perspectief inderdaad niet. In deze visie wordt geabstraheerd van aan de oppervlakte liggende bedoelingen en verklaringen en wordt gewezen op de onderliggende structuur of op ‘het conceptueel kader van de Sint-Nicolaasgedachte’ (Barryl Biekman in Haagsche Courant, 22 november 2003). Die structurele of essentialistische interpretatie krijgt voorrang op de uitleg die witten aan het feest geven. Prins heeft gelijk dat dit, vanuit een extern of zuiver theoretisch perspectief, onbevredigend is. Het gaat hier echter om een, in termen van Gayatri Spivak, strategisch essentialisme, ingezet in een specifieke situatie, om ‘a strategic use of positivist essentialism in a scrupulously visible political interest’; dit neemt ook voor Spivak niet weg dat dit essentialisme nooit verward mag worden met een ‘universele waarheid’ (Moore-Gilbert 1997, 88). De verwachting dat niet alleen zwarte maar ook witte Nederlanders doordrongen zouden worden van het besef dat beide groeperingen samen erfgenamen zijn van een gedeelde koloniale en racistische cultuur, is tot nu toe onvoldoende bewaarheid. Er is vanuit dit perspectief een nog steeds voortdurende ongelijkheid tussen zwarten en witten in de mate van herdefinitie van hun identiteit. 27 De macht van het getal, de ongelijkheid in de machtsverhouding om betekenissen te definiëren en daarop gebaseerde culturele elementen vorm te geven, is daarvoor primair verantwoordelijk.

Al pleit Baukje Prins voor het relativeren van betekenissen toegekend aan contacten tussen zwart en wit, ze erkende tegelijkertijd dat de ‘werkelijkheid’ van alledaags racisme ‘niet minder “hard” [is], zeker niet voor degenen die ermee worden geconfronteerd’. Ze zet haar hoop op de overwinning van een ‘praktische wijsheid’, iets als fatsoen, beleefdheid of tact (Prins 2004, 62, 112-113). In die geest liet ook Anil Ramdas zich uit. Hij was bereid te geloven dat witte Nederlanders ‘het zo niet bedoelen’ en verwachtte daarom ook dat het nog wel enkele generaties zou duren voordat Zwarte Piet verdwenen zou zijn uit het feest. Hij putte zijn hoop uit toegenomen contacten tussen zwarte en witte kinderen op lagere scholen en het moment dat ‘de blanke vriendjes van de zwarte kinderen het ook niet meer leuk vinden’ (Ramdas 1998, 190). Mieke Bal, in haar buitengewoon subtiele recente analyse van de figuur van Zwarte Piet, denkt ook dat deze niet in een klap afgeschaft kan worden. Zij is er zelfs voor dat die nog enige tijd deel uitmaakt van het feest. ‘What I suggest is that this painful, unacceptable tradition is needed just a bit longer to allow a continued questioning of the psychological ideology that underlies its critical alternative’ (Bal 2004, 119, vgl. 121-122; zie voor een zelfde argument Westerman 2004, 189, 191-192, 213). Ook zij stelt haar hoop op de dag waarop eens de Nederlandse cultuur ‘wakes up sick of the pain. Only then - perhaps - can this tradition be relinquished, wholeheartedly; not suppressed by moralism, but rejected for the pain it causes to all its members’ (Bal 2004, 146).

[p. 271]

Waar pogingen tot beïnvloeding zo overduidelijk de afgelopen decennia gefaald hebben, is dit voor het moment misschien een tactisch verstandige opstelling. Toch kan men zich afvragen of deze afwachtende, lijdzame houding, wederom gezien de geschiedenis, wel werkelijk tot resultaat kan leiden. Ik zelf zou mijn kaarten zetten op een ‘grass-roots’- en olievlekbenadering. Laten enkelingen, die zich eigen hebben gemaakt dat een verandering niet per definitie een verlies betekent, in hun eigen, directe omgeving een onnadrukkelijk voorbeeld geven en blijmoedig afscheid nemen van Zwarte Piet - om juist daardoor bij te dragen aan de geleidelijke groei naar een werkelijk voor iedereen leuk sinterklaasfeest.

 

John Helsloot