terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Hofwyck+

1
De groote webb is af; en 'tHof genoegh beschreuen:1
2
Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 'tleuen,2

2 (1658) Vita quàm sit brevis, simul cogita, Plaut. Most. 3.2 (= Mostell. 726) Vert.: Bedenk tevens hoe kort ons leven is.
Omnia quae ventura sunt, in incerto jacent: protinus viue. Sen. de breu. (Seneca, de brevit. IX, 1 sub finem) Vert.: Al wat komen zal ligt in 't onzekere, begin maar dadelijk te leven.
(1658) Οὐκ ἐπίστασθε τὸ τῆς ἀύριον· ποία ἡ ζωὴ ὑμῶν; Ἀτμἰς γάρ ἐστιν ἡ πρὸς ὀλίγον φαινομίνη, ἔπειτα δὲ ἀφανιζομἑνη. Jac. 4.14.
gij die niet weet wat morgen geschieden zal; want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.

[p. 2]
 
Hoe kort hij is, hoe taeij? de snaer die heldste luijdt2/33
 
Scheidt d'eerste menighmael van leuen en van Luijt,4
5
Verkracht en ouer-reckt, of met der tijd versleten.5
 
'Khebb ouer-reckt geweest; maer bend'er deur gebeten.6
 
Op 'tslijten komt het aen. Twee dingen maken't waer;7
 
Of ick 't ontveinsen wouw, mijn' jaren en mijn haer.8
[p. 3]
 
En als de snaer begint te ves'len en te pluijsen9
10
Soo staet sij meestendeel op 'tschielicke verhuijsen.10
 
Wie weet of 'tschielicke verhuijsen deser ziel
 
Niet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel,12
 
Sou Hofwijck onberijmt sijn' stichter ouerleuen,13
 
En wijcken voor 't Voorhout? en soud ick mij begeuen,14
15
Die anderen mijn' penn baldadigh hebb geleent?15
 
Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent,16

9 Hoc quod senectus vocatur, pauci sunt circuitus annorum. Sen. Cons. ad Marc. (Seneca, Consolatio ad Marcum, XI, 5; Huygens wijkt enigszins af van het oorspronkelijk: Et hoc enz., paucissimorum est circuitus annorum. Vert.: En dat wat oude dag genoemd wordt, is de omloop van zeer weinige jaren. Cum celeritate temporis, utendi velocitate certandum est. Ib. (moet zijn: Sen. de Brev. vitae IX, 2., waar itaque voorafgaat. Vert.: dus moet men met 'stijds snelheid wedijveren door snel van de geboden gelegenheid gebruik te maken.
11 Quis est tam stultus, quamuis sit adolescens, cui exploratum se ad vesperam esse victurum? Cic. Cat. maj. (Cicero, Cato Major 67) Vert.: (Hoewel,) wie is zo dwaas, ook al is hij jong, dat hij door onderzoeking er zeker van is dat hij 'savonds nog zal leven?
Quis scit an adjicient hodiernae crastina summae Tempora Dij Superi? Hor. (Carm. 4, 7, 17) Vert.: Wie weet of de Goden in den hemel tijden van morgen zullen toevoegen aan de som van vandaag?

[p. 4]
 
Met reden schreefm'er op; Hier light een Mann begrauen,17
 
Die meende te volstaen met planten en met grauen,18
 
De slechte boeren-konst, en moght de moeijte niet19
20
Sijn eighen maeckseltjen te cieren met een lied.
 
Mijn steruen weet ick met lang leuen niet te weeren;21
 
Maer, leef ick weinigh meer; het Grafschrift will ick keeren,22
 
En singhen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw,23
 
Eer dese keel verschorr', eer dese Penn verouw.24
25
'Kwill Hofwijck, als het is, 'kwill Hofwijck, als 't sal wesen,
 
Den Vreemdeling doen sien, den Hollander doen lesen.25/26

24 Velut ex torrente rapido, nec semper casuro, citò hauriendum est Sen. de breu. (Seneca, de brevit. vitae 9, 2) Vert.: (en) dat men a.h.w. snel moet gaan putten uit een snelstromende bergbeek, die niet altijd zijn loop zal blijven voortzetten.

[p. 5]
 
Soo swack is menschen-werck, het duert min als papier.27
 
De tijd slijt struijck en steen: eens salmen seggen, Hier,28
 
Hier was't daer Hofwijck stond, nu Puijn en Queeck en Aerde.29
30
En dan sal Hofwijck noch stean bloeijen in sijn' waerde:30
 
Ja waerde, sooder oijt ijet waerdighs van mijn' hand31

27 Tabida consumit ferrum lapidemque vetustas; Scripta ferunt annos. Ouid. de Pont. El. 8. (Ovid. Epist. ex Ponto IV, 8, 49 evv.) Vert. Wheeler (ed. Trist. e. Epist. ex Ponto, Loeb, London 1959, pp. 451-452): Wasting time consumes both steel and stone; (nothing has a strength greater than that of time.) But writing endures the years.
Caetera fragilia et caduca, non minus quam ipsi homines, occidunt desinuntque. Plin. 11. ep. 10. (Plinius Minor, Epist. II, 10, 4) Vert. Mej. Betty Radice, ed. Plinius' brieven, Loeb 1972, p. 105-106: (Bear in mind that you are bound by man's mortality, but that this one memorial of yourself can set you free; ) everything else is fragile and fleeting like man himself, who dies and is no more.
Quidquid est hoc temporis futilis et caduci, studijs proferamus; et quatenus nobis denegatur diu viuere, relinquamus aliquid quo nos vixisse testemur. ld. 3 ep. 7. (Plinius Minor, Epist. III, 7, 14) Vert. Radice l. c., p. 187: (All the more reason then why) we should prolong all our passing moments, (uncertain though they are, not perhaps by action, since here the opportunity no longer rests with us, but) at any rate by literary work. Since we are denied a long life, let us leave something to bear witness that at least we have lived.
31 Si qua fides arti, quam longo fecimus usu. Ouid. (Ovid., Ars Amatoria III, 791 -792, aan slot van het werk) Vert. H. Bornecque, ed. Budé, Parijs 1967, p. 88: si quelque chose mérite confiance, suivez les conseils de ce traité, fruit d'une longue expérience; (nos vers ne tromperont pas votre confiance.)

[p. 6]
 
De Jaren heeft verduert en ouderdom vermant.32
 
 
 
In Holland, wat een land! Noord-holland, wat een landje!33
 
In Delfland, wat een' Kleij; in Voorburgh, wat een Sandje!
35
Aen 'tCoets-pad, wat een wegh! aen 'twater, wat een Vlied!3535
 
Aen all dat lieffelick of vrolick rieckt off siet,36
 
Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers,37
 
Een beetje voor het vee, een treedje voorde jaghers,38

33 (1658) Praedium, si poteris, in meridiem spectet, loco salubri: et oppidum validum propè siet, et amnis quà naves ambulent, aut via bona celebrisque. Cat. de Re Rust. (Cato, de Agricultura, 1, 3) Vert. W.D. Hooper and H. Boyd Ash, Loeb-ed. 1960, p. 5: If possible, it [nl. Praediuin = landgoed] should (lie at the foot of a mountain and) face south; the situation should be healthful, (there should be a good supply of labourers, it should be well watered,) and near it should be a flourishing town, (or the sea) or a navigable stream, or a good and much travelled road (Begrijpelijkerwijze laat Huygens de bergvoet en de zee weg).

[p. 7]
 
Daer lagh dat schickelick gevoeght hadd heel aen een,39
40
Maer van het groote Spoor verscheiden lagh in tween:40
 
Het Spoor en vrouw Natuer verstonden hier den and'ren,4141
 
Ten Zuijden lagh de Weij: op 'tNoorderlick verand'ren
 
Van Weij in drooghe Kroft, daer deelde 'tspoor het scheel,42/4343
 
Gelijck de Riem een' mann in op en onder-deel,44
45
In Broeck en Wambas scheidt. daer hoefde geen bedencken45
 
Op ijeder deels gebruijck: de kleij scheen mij te wencken,45/4646
 
En raedde stommeling, sij was ten Boomgaerd nutt,47
 
Mits met een wilde muer gemantelt en geschutt:48
[p. 8]
 
De Kroft en eischte niet als vruchteloose Boomen,
50
Die sij pas machtigh waer in wel geElste zoomen.50
 
Elck heeft sijn' keur voldaen, hier 't Wilde daer het Tamm,51
 
En ijeder heeft volbrocht het geen hij ondernam.52
 
Lett, ouders, en lett scherp op 't keuren van uw' gronden.53
 
Veel' hebben sich vergeefs 'tverkrachten onderwonden54
55
Van kinderen verstand met onverstand getucht;54/55

  Transliteratie:
55 mogelijk getucht:

[p. 9]
 
Veel' hebben wreedelick in eewigh' ongenucht56
 
Gekluijstert en geboeijt wel draghbare vernuften57
 
Maer die ondraghbaerlick haer's leuens tijd versuften58
 
In on-werck; dat is werck haer' driften onbevoeght,59

56 Ψυχῆ βίαιον οὐδὲν ἔμμενον μίθημα. Plat 7. de Rep. (Plato, de Re Publica, 3 lib. 7, 536E). Vert.: een voor de ziel gewelddadige en niet beklijvende lering. Illud in primis testandum est, nihil praecepta atque artes valere, nisi adjuvante naturâ: quapropter ei cui defecerit ingenium, non magis haec scripta sunt, quam de agrorum cultura sterilibus terris. Quint. prooem. 1. 5. Inst. (Quint. Institutio Oratoria, Proöem. Lib. I, 26) (Na illud in de tekst tamen; niet defecerit doch deerit; niet cultura doch cultu.) Vert.: Eines möchte ich indessen gleich zu Beginn nachdrücklich hervorheben: alle Vorschriften und Leitfäden haben keinen Wert, wenn die Natur nicht mithilft. Deshalb bedeutet die folgende Schrift für jemanden, dem die Begabung fehlt, nicht mehr als eine Schrift über den Ackerbau für unfruchtbare Ländereien (Helmut Rahn, ed. Quint. + vert., Darmstadt 1972, T. I, pp. 12 en 13).
Malè respondent coacta ingenia: reluctante naturâ irritus conatus est. Sen. de Tranq. (Seneca, de Tranquillitate Animi, VII, 7, 2) (male enim; i.p.v. conatus: labor) Vert.: For inborn tendencies answer ill to compulsion and where Nature opposes labour is vain (Basore, ed. Loeb).
Διὰ τὸ μήτε προαιρέσεις ἅπαντας ὁμοίας ἔχειν, μήτε φύσεις. Dion. Ital. l. 2. (niet gevonden; Dion. Ital. l. 2. zal wel wezen: Dionysius van Halicanassus, Romanae Antiquitates) Vert.: vanwege het feit dat alle mensen noch soortgelijke gedragspatronen hebben, noch soortgelijke geaardheden.
Οὕτως ἰσχυρόν τι καὶ ἀκίνητον ἡ φύσις ἡ ἁνθρωπίνη. Epict.
(Epict. Diatrib. 2, 10, 18 pg. 1988-9 Schenkl (ed. Teubner)), Men corrigere i.p.v. ἀκίνητον: ἀνίκητον (onbewegelijk-onweerstaanbaar) Vert.: zo onoverwinnelijk krachtig is de menselijke natuur.
(1672) In hoc potissimum sita est hominum felicitas ut quisque ad hoc applicetur, ad quod naturâ compositus est. Erasm. lib. 24. Epist. 5. (ed. Clericus, brief nr. 442; ed. Allen, brief nr. 447)
Vert.: Daarin bij uitstek is het menselijk geluk gelegen dat een iegelijk zich kan toeleggen op datgene waarvoor hij van nature geknipt is.

[p. 10]
60
Haer' krachten ongelijck. veel' hebben sich verploeght,60
 
Verweuen of verschaeft, en geen bedijdt van allen,60/6161
 
Die Staet of Letter-volck, of Krijghsluij konden vallen,6262
 
En zijn 't geluckelick, en zijn 't ter eer en baet
 
Van eigen en gemeen, van huijsgesinn en staet.64
65
Het scheel alsoo gedeelt door mij en door sich seluen,65
 
Quamt op de spaden aen: mijn eerste sorgh was, deluen.
 
Noch was 't de tweede maer: d'eerst' hadd wat meerders in:67

60 Potest ingenium fortissimum ac beatissimum sub qualibet cute latere. Potest ex casa vir magnus exire: potest et ex deformi humilique corpusculo formosus ac magnus animus. Sen. ep. 66. (Sen. Epist. 66 §1 en §3)
Vert. Préchac-Noblot: §1 (Mais peut-être voulait elle nous montrer précisément) que l'esprit le plus ferme, le plus richement doué se cache à l'occasion sous n'importe quelle peau. §3 De la chaumière il peut sortir un grand homme. Il peut de la créature disgraciée et chétive se dégager une âme grande (ed. brieven Senec. Budé 1958, p. 115).

[p. 11]
 
Tot werck hoort ouerslagh, tot wel doen goed versinn.68
 
Mij docht papieren-blad was licht genoegh te krijgen69
70
En daer bleefs ruijm genoegh voor Peper en voor vijgen70
 
Of icks een' riem verkladd en aen mijn' droomen hing,71
 
Ksagh menigh misverstand, en redenloosigh ding72
 
Des werelds aengesicht mismaken en onteeren,73

68 Μελέτη τὸ πᾶν.
(Ausonius, Ludus Septem Sapientium 214 evv.) Vert.: Oefening is alles.
72 Hoc ipsum maximum artificium est, in arte sua posse alienis exemplis uti. Nam rerum omnium imperiti, qui uniuscuiusque rei de rebus ante gestis exempla petere non possunt, hi per imprudentiam facillime deducuntur in fraudem. At hi qui sciunt quid alijs accident, facile ex rerum euentibus suis rationibus possunt prouidere. Cic. Rhet. nou. 1.4.
(Cic. Rhet. nov. liber 4. d.i. Auctor ad Herennium) In feite zijn twee citaten uit bovengenoemd werk gecombineerd: a) ad Herenn. IV, 2, 3 ed. Marx, p. 29018-19; vert. H. Caplan (ed. Loeb, 1954, pp. 234-235): This, then, is the height of technical skill - in one's own treatise to succeed also in using borrowed examples. b) IV, 9, 13 ed. Marx, p. 3016-10; vert. Caplan: For inexperienced peoples, unable to find in history a precedent for every circumstance, are through imprudence easily led into error; whilst those who know what has befallen others can easily from the fortunes of these others draw profit for their own policies.
  Transliteratie:
68 mogelijk weldoen
71 mogelijk hing.

[p. 12]
 
Gelijck een' schoone vrouw lijdt van' verbrodde kleeren;
75
'Ksagh 'tschoonste geld in 'tslijck geworpen bij geuall,75
 
'Kvond allom niewen druck van kostelicker mall.
 
Dan ick hebb dood gerijmt, of, mogelick, doen leuen.76/77
 
En all dit ongevall wist ick sijn' naem te geuen:78
 
'Thiet Na-docht, soo mij docht; en 'twas gespaert papier,79
80
'Twas noch ijet oolickers, 'twas een onkundigh fier,80

79 Desperatissimum perfugium est, se imprudentem fecisse. Cic. in Verr. 2.
(Cic. Act. in C. Verrem Sec. II, 101 (41)) Het begin bij Cicero iets anders: postremo illo desperatissimo perfugio uti posset, enz. Vert.Manfred Fuhrmann van Cicero's Oraties (Zürich-Stuttgart, Artemis-Verlag,Bd III, p. 238): Schlieszlich könnte er auf den ganz verzweifelten Ausweg fallen, er habe es aus Unwissenheit getan, (er habe gegalaubt, es sei gestattet).
80 Φιλόνεικοι, καὶ μέγιστον εῖναι νομίζοντες κακὸν, τὸ μετατίθεσθαι προς τὰ βελτίω. Gal. de opt. doc. gen.
In het bedoelde werk van Galenus Περὶ τῆς ἀρίστης διδασκαλίας, uitgegeven door J. Marquardt (Galeni Scr. Min. I, 80-92, Teubner) was de zinsnede niet te vinden. Van dit werk verscheen een Engelse editie (London 1640) Van Theodorus Goulston, die Huygens misschien gekend heeft. Vert.: Koppig aan een verkeerd standpunt vasthoudend, en van mening dat het de allergrootste ramp is zich tot het betere te laten bekeren.
  Transliteratie:
79 mogelijk papier.

[p. 13]
 
Een' stout' onwetenheid, die niet en kost als wagen,81
 
Om dat sij lieuer wouw niet twijffelen dan vragen.82
 
Ick twijffelden en vraeghde, en leij mijn' rouwe stoff83/9083
 
Voor ooghen die ick wist met vollen danck en lof84
85
Stoff als de mijne was, te hebben helpen keuren,
 
En oorbaerlick versnijên, niet snipperen noch scheuren.86
[p. 14]
 
Maer all mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 'tvat;87
 
De land-heer hadd wat wils, en d'onderwijser wat.88
 
De Konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken89
90
Ter liefde van mijn' lust. En soo van dusend trecken90
 
Bleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aen90/91
 
Bleef ijet lichamelijx in 't swart en 't witte staen,
 
Een ding dat Armen hadd en Schouderen en Beenen,93
 
Een redelick gestel van 'thoofd af tot de Teenen,94
95
Soo veel mij duncken moght. en nu stond Boom aern Boom95
 
Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick inden toom96
[p. 15]
 
Van voor-raed en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken,96/9797
 
Ick hiel mijn' plicht voldaen met gissen en met micken.98
 
Soo verr gaet menschen-macht in allerleij belang,99
100
Beraden, ouerslaen sijn'volle stade lang,100
 
Meer eischt men hem vergeefsch. maer 'tlang heeft oock sijn' maten:101
 
Die lang doen kan en magh moet oock eens konnen laten:102

99 Ne incognita pro cognitis habeamus, hisque temerè assentiamur; quod vitium effugere qui volet (omnes autem velle debent) adhibebit ad considerandas res et tempus et diligentiam. Cic. 1. off. (De Officiis, I, VI, 18)
Vooraf ging: In hoc genere et naturali et honesto duo vitia vitanda sunt; unum, en dan volgt ons citaat.
Vert. Maurice Testard (ed. Budé 1965, p. 113): (En ce genre d'activité, à la fois naturelle et moralement belle, deux défauts sont à éviter: l'un), de prendre l'inconnu pour le connu et d'y donner à la légère son assentiment. Celui qui voudra échapper à ce défaut - et tous doivent le vouloir - apportera à l'examen des questions, du temps et de l'attention.
(1658) Agere volentem semper meditari decet. Auson. (Ludus Sept. Sap. vs 223, vgl. de noot op citaat bij vs 68) Vert.: Als men handelend optreden wil, dient men (eerst) een ‘plan de campagne’ op te maken.
  Transliteratie:
99 mogelijk menschen macht

[p. 16]
 
Is 'touerdencken goed, het ouer dencken niet.103
 
Hij siet sijn seluen uijt die all te lang door siet,104
105
Ons oogh verdrinckt in 'twerck daer 't moed in is geswommen,105
 
En ons vernuft beswijmt gelijck die, hoogh geklommen,106
 
Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen,107
 
Om hals en been geheel te brengen naer bene'en.106/108108
 
Soo raecktmen bijster 'sweeghs in 'tsoecken van veel wegen,109

103 (1658) Appelles dixit, omnia sibi cum Protogene paria esse, aut illi meliora. Sed uno se praestare, quod manum de tabula nesciret tollere: memorabili praecepto: nocere saepe nimiam diligentiam. Plin. 35.10. (moet zijn Plin. N.H. 35 §80; de tekst aldaar luidt aldus: dixit enim (sc. Apelles, de beroemde schilder) omnia sibi cum illo (sc. Protogene, eveneens schilder) paria esse. Sed uno se praestare, quod manum de tabula sciret tollere, memorabili praecepto nocere saepe nimiam diligentiam.
Vert.: For he said that in all respects his achievements and those of Protegenes were on a level, or those of Protegenes were superior, but that in one respect he stood higher, that he knew when to take his hand away from a picture - a noteworthy warning of the frequently evil effects of excessive diligence (H. Rackham, ed. Pl. N.H., Tome 9 (1968), pp. 320-321). (Wil men nescire handhaven, dan dient men met Erasmus in diens Adagium: ‘Manum de Tabula’ (ed. Clericus Tome II kolom 120) na ‘manum’ het subject ille voor de duidelijkheid te suppleren).

[p. 17]
110
En daer en komt geen end van stadigh ouerwegen:110
 
Die altijd willen doen en hebben noijt gedaen;111
 
'T schael tongesken moet eens in 't huijsken blijuen staen.112
 
Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn' luren,113
 
Sijn' swachtels en sijn' wiegh, soud' hier wat langer duren114
115
Dan 't ijemand lusten moght; en van die eerste jeught
 
En smaken meestendeel maer ouderen de vreughd:116

110 Μὴ γὰρ οἰὡμεθα τἑλος ἡμῶν εῖναι τῶν νῦν, τὴν πάντων ἡμῶν ἀπορίαν. Plat. in Phileb. (20a).
Vertalingen: 1. Budé-tekst: Car n'imaginons pas que cette discussion doive être close pour nous quand nous serons tout à bout. 2. Hackforth: We ought not to imagine that the object of our present endeavours is to set ourselves all into difficulties 3. Taylor: (alleen laatste stuk) the common counfounding of us all (Men delge de komma na τῶν νῦν).
  Transliteratie:
112 mogelijk schaeltongesken

[p. 18]
 
Vreughd, die de Niewigheid en Hoop alleen doen leuen,117
 
Die self den ouderen ten einde wercks begeuen,118
 
Waerop volght ongeuoel van wellust, doove plaegh,119
120
Daervan ick (ick beken't) mijn kindsch gedeelte draegh. puerile120
 
Nu, 'tkind is jong geweest, en 'tis gebracht aen 'tgroeijen,
 
Aen 'tbloeijen metter tijd: 'Khebb niemand te bemoeijen122
 
Met wat het tien jaer lang te queecken heeft gekost:123

119 Humanas oblimat copia mentes. Claud. 3. Rapt. Pros. (Claud. De Raptu Proserp. III, 29).
Vert.: (woorden van Zeus): (but because luxury is a foe to a godly life, and) plenty dulls the mind of men. M. Platnauer, ed. Claud. Loeb, deel II, pp. 346-347.
(1658) ὑφορῶμαι τὸν κόρον, ὡς τὸ ἡδὺ λύοντα, καὶ πᾶσιν ἐναντιούμενον τοῖς καλοῖς. Nazianz. ep. 179.
(Gregorius van Nazianza, brief 179, dat is bij Gallay (ed. Budé 1967 T. II, p. 37) brief 146, §3). Vert. Gallay: (Ensuite,) je redoute la satiété en tant qu'elle fait cesser l'agrément et s'oppose à tout ce qui est bien. (Voor ὑφορῶμαι staat een door Huygens weggelaten ἔπειτα).

[p. 19]
 
De wijsen eten met, de gecken doen den kost.124
125
Komt, wijsen, eet met mij, ick sal u niet beswaren125
 
Als met wel-gaere spijs en wel-betaelde waeren.126
 
Ick will u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht,127
 
Gelijck als duijuels-brood, te voorschijn waer gebracht.
 
Jae meer, ick will het u, en mij oock, doen betreden129
130
Als waer ons gisteren een' gansche eew geleden130
 
'Kwill met kinds kinderen goed deelen voor mijn' dood,
 
Als waer ick Grootevaer en twee drij mael soo groot.132
 
Het wereldsche besitt en is toch niet als droomen,133
 
En of't gekomen is, of mogelick te komen,
135
'Ten is maer binnen ons het ghen' het schijnt of is,
[p. 20]
 
'Tzij bij voor-sieninghen of bij geheugheniss.134/136
 
Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wij zijn hondert jaren137
 
Geboren naerden dagh dat wij geboren waren)138
 
Dus sien wij Hofwijck staen: Ten Noorden van 'tgroot spoor139
140
Nae Voorburgh, 'tschoone dorp (of seght'er, Steetje, voor)140
 
Light een aensienlijck Bosch in mindere gesneden:141
 
Vraeght naer de lengde niet bij Roeden of bij Treden;142
 
Die aenden ingangh staet en siet den uijtgang niet,
 
En 'teind is verr genoegh daer men geen eind en siet.144

136 Exigua pars est vitae quam nos viuimus. Sen. de Breu. (Sen. de Brev. Vit. II, 2). Vert.: Gering is dat gedeelte van het leven, dat we (werkelijk) leven.
Praeteritum tempus pro modo suo longum, futurum autem infinitum est. praesens tempus breue, et semper in partem utramque mutabile, cum et à praeterito relinquatur, et transeat in futurum. Eumen. Rhet. Paneg. Const. (d.w.z. Panegyr. Lat. 5 (8), 12, 6).
Vert. E. Galletier, ed. Budé der Paneg. Lat (Budé, 1952), p. 100: tandisque le passé est relativement long et l'avenir infini, le présent est éphémère, toujours mobile dans les deux sens, puisqu'il tombe dans le passé en même temps qu'il se tourne vers l'avenir.

[p. 21]
145
Een' tamme wilderniss van woeste schick'lickheden;145
 
Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de Reden146
 
En gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw.146/147147
 
Te tamm waer all te stijf, te wild waer all te rouw,
 
Daer is wat tuschen tween, dat tweederhands begeeren149
150
Voldoen kan, tamm en wild, en dit door dat vermeeren;150
 
Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt,
 
Gelijck lang slapen weckt en lang gewaeck vervaeckt.152

148 Μηδὲν ὑπὲρ τὸ μέτρον. Anth. 1. 4.
Rank weet met het citaat voorshands geen weg, behalve dan dat deze verbinding genoteerd staat bij Paroem. (Corpus Paroemiogr. Graec. T. II, p. 80 (79)). Het is, ofschoon metrisch juist, geen beginvers van een Anthologiaepigram.
Vert.: Niets ga uit boven de (juiste) maat.
Πάντων μεσ᾽ ἄριστα. Theogn.
(Theognis 335) Vert.: Het midden is het best van alles.
Μηδὲν ἄγαν τῶν ἑπτὰ σοφῶν ὁ σοφώτατος εῖπεν. Anth. 1. 2.
(Anth. Palat. 7, 683, vs 1) Vert. Beckby: Alles mit Masze! gebot von den Sieben der weiseste Weise.

[p. 22]
 
Den tammen lust voldoen vier wonderlicke dreven153
 
Van Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer streuen154
155
Om dickte bijder aerd, om hooghten inde lucht,155
 
Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht.156
 
'Khebb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemand waghen157
 
Mijn Trouw-verlaet t'ontdoen, mijn' dreuen om te saghen. Fideicommissum158
 
Daer's Pott-geld, soo men't hiet, siet dit voor post-geld aen.
160
Ick segg' het eew voor eew, kinds-kinderen, laet staen,160
 
En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet wasschen:161
[p. 23]
 
Ondanckbaer' erffeniss en is niet af te wasschen:162
 
Ten minsten moet hij doen het gheen de Steruer hiet,163
 
Die 'tleuen door hem kreegh en van sijn sweet geniet.
165
Twee dinghen scheid ick uijt, het derde moet ick dulden:165
 
Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst onschulden:166
 
Den allerlesten nood is buijten alle wett:167
 
Gods Coningh heeft sijn maegh met Autaer-brood ontsett,168
 
Maer welvaert doll gespilt is verr van mijn medooghen:169
170
Hij is noijt bijstand waerd die noijt heeft willen dooghen.170
 
Daer aen volght ouderdom van Eijcken die vergaen:171
[p. 24]
 
Men spaertse te vergeefs die niet en konnen staen.172
 
Maer, daer den ouden stamm ontstaet, staet haest een jonge:173
 
Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge,174
175
Gedencken, daer een man in 'tvechten werdt gevelt,175
 
Dat daet'lick inde rij een versch man werdt herstelt.176
 
Oock staet de wereld soo; die schael moet euen drijuen;177
 
Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijuen;178
 
Of 'twaer een le'eghe wer'ld, daer in wij Borgers zijn,179

177 (in de marge van A) Observa orbem rerum in se remeantium. videbis in hoc mundo nihil extingui. Sen. ep. 36 (§11).
Vert. Préchac-Noblot (ed. Budé t.pl.): Considère le retour circulaire des choses sur elles-mêmes, tu constateras que dans notre univers rien ne s'éteint, (mais que les phénomènes ont alternativement leur déclin et leur retour).
  Transliteratie:
174 bedonge, komma onzeker, misschien terecht gekomen in de toevoeging in de marge

[p. 25]
180
Of lang waers', overkropt, geborsten vande pijn.180
 
'Tlest(dat ick lijden moet) is 'tallgemeene lijden181
 
Van 'svaderlands bederf. Staen die bebloedde tijden182
 
In 'teewighe beschick van Gods voorsienigheid;182/183183
 
Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseit184
185
Bij, diens sien, seggen is, en seggen, doen, en heden185
 
En morghen 'tselfde punt, dat Holland weer bestreden,185/186
 
Weer ouerstreden zij, weer werdde soo het was,187
 
Doe 't in sijn' kolen smoockt' en smoorden in sijn' ass;188
 
Moet dat rad noch eens om; broeijt Spagnen noch een toelegh189
[p. 26]
190
Van thiende-penning-dwang, en leght het maer de roe wegh,190
 
Tot dat het onvoorsiens sijn' geesseling hervatt'191
 
En drijf ons tot den keur van mutsaerd en van rad,192
 
Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen,193
 
Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen
195
(God zij genadigher, en weer den droeuen dagh)195
 
Dan is mijn will geen will, en, als heel Holland lagh,196
 
En waer 'tniet redelick dat Hofwijck ouer end stond,
 
Van nu af schrabb ick uijt wat in mijn Testament stond;198
 
Als 't vaderland vergaet zijn mijn' voorsorgen uijt,199
200
'Tis reden dat de vracht versincke met de schuijt.200
 
Soo zijn 't vier dreuen dan, en altoos weer vier dreuen,
 
Die 'tBosch verr en naerbij sijn prachtighst aensien geuen.202
 
Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 'tVoorhout,203
 
Van verre 'thooge groen van 'tMast en Liesen Hout.204
[p. 27]
205
Breda vergeue mij en oock den Haegh dit roemen,205
 
Hier derv ick 't Eickenloof bij 't Linden-blad wel noemen:206
 
Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck;207207
 
Tot mijnent 'tselue groen, en euen 'tselue werck.208
 
Hier buijgh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer' kind'ren:209
210
'Theeft FREDERICK belieft sijn Houtgewasch te mind'ren,210
 
Om 'tmijne te versien: 'tzijn Jofferen van 'tland,211
 
Mijns Vaders Vaderland, die ick hebb voortgeplant:212
 
'Ksegg Jofferen, noch eens: ‘kmochts’ ed'le wijfjes noemen;213
 
Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemen212/213

  Transliteratie:
210 Frederick onderstreept; in de marge Capitalen

[p. 28]
215
Op Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hofwijs:
 
Daer warren s'onder een als ouer groeijend rijs;216
 
Hier staen sij zedighlick en proncken daer sij stonden217
 
Does' eerst verhijlickten aen 't sand-schap mijner gronden.218
 
Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hier219
220
Als Maeghden, sonder meid of kinderen getier.220
 
'Klaet ijeder ouerslaen welck zijn de liefste gasten,221
 
Gevolgde of ongevolgd': ick derf't niet ondertasten;222
 
Men krijghter sulck' en suclk' en houdt sich wel te vreen,223

  Transliteratie:
216 mogelijk ouergroeijend

[p. 29]
 
Maer, heeft uw gast geen' sleep van aenhangh, soeckt'er geen.224
225
Dit volckjen hebb ick t'huijs gehaelt, als kale wichten,225
 
En vander jeughd gefockt en voor mij leeren swichten.226
 
Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uijt het wald,227
 
En in mijn' wildbaen ruijm en lieffelick gestalt.228
 
Soo ben ick altoos thuijs, en altijd bijde dieren229
230
Die t'harent mensch noch Beest, maer mij tot mijnent vieren.230
 
Neemt dat ick uijt Brasil Tapouijers hebb' ontleent,231
 
En blinde Heidenen met Christen melck gespeent:232
 
'Tis swart volck, maer dat swart is vell-diep, en van binnen233
 
Maeck ick se mijns gelijck; dienstbaer in blancke sinnen:233/234
[p. 30]
235
Soo passens' op 'tgerack van die se voedt en houdt.235
 
Soo doen mijn' Bruijntjens oock, mijn' Wijfjens uijt het woud:236
 
Besiet hoe vriendelick sij mij staen en beluijmen,237
 
Als seiden sij, landsheer, geniet ons' groene pluijmen;238
 
Is't heet, wij keeren u 'tbeswaren vanden dagh; Math. 20.12239
240
Is't koud, wij decken u voor all dat nijpen magh,240
 
En onse dienstbaerheid hangt aen geen' Jaergetijden:241

239 (in de marge van A) Τὸ βάρος τῆς ἡμέρας. Math. 20.12.
Vert.: (die) den last des daags (en de hitte gedragen hebben).

[p. 31]
 
Daer dient'er bij de maend; wij konnen doen en lijden242
 
Het rond jaer uijt end in met eenerleij gelaet243
 
Wat Eicken, 'tstercke blad, nauw 'somers uijt en staet.244
245
Jae, dese trouw munt uijt en spant haer' fierste krachten245
 
In 'tfelste vande locht, in 'tlangste vande nachten:246
 
Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen,247
 
Maer inden tegenspoed als kop're muren staen.248
 
Twee troppen tell ick hier die sulcken tale spreken,249
[p. 32]
250
En kruijsweeghs ouer een mijn Bosch in vieren breken.250
 
Soo most de deeling zijn; dat weet de minste Cock,251
 
En all dat oijt ontsagh eens Houemeesters stock.252
 
Twee schot'len eener sopp op eene rij te schicken?+253
 
Daer soud' een' swanger vrouw, jae bergen af verschricken;254
255
Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neer.255
 
Soo fier is 't keelgat self, soo maeckt het oock den heer.256
 
Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten,257
 
En houden haer gebruijck soo kostelick als eten.258

  Transliteratie:
256 boven maeckt open variant speelt

[p. 33]
 
'Khebb dan op 'tCruijs gepast, gelijck 't de dis-konst noemt.259
260
En vraeght ghij of icks mij met reden hebb beroemt?260
 
Let opden ouerhoeck; ghij vindt hem naerden regel261
 
In euenredigheid soo vierkant als een tegel:261/262
 
Dat doet een eicken block, verstaet een perck van groen,263
 
Daer Eickjens Nutt, Vermaeck en Heerlickheid voldoen;264
265
Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seuen jaren265
 
Sijn' meester leert hoe soet genieten is en sparen,266
 
(Elck in de middelmaet en ten besetten tijd)267
 
Hoe goed een kleedsel is dat dient en niet en slijt,268
 
Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken.269
[p. 34]
270
Soo doen mijn Eickentjens; Ick laet den Honds-dagh blaken270
 
Op 'tsteilste vanden noen; Ick laet het noorder guer271
 
Sijn scherpste buijen toe, mijn groene dack en muer272
 
Belett mij wederzijds het sweeten en het beuen:273
 
En inde leckernij van dit staegh-steruend leuen
275
Hebb ick altoos getelt het dobbele geniet
 
Van ijet verheughelix op 'tkantjen van 'tverdriet;
 
Op 'tkantjen sonder schroom; soo dat vast and're smaken274/277
 
Het gene mij genaeckt en niet en kan geraken.277/278

274 Τί τοὑτου χἁρμα μεῖξον ἄν λάβοις ποτὲ Τοῦ γῆς ἐπιψαύσανϑ᾽ ὑπὸ στἑγῇ πυκνῇ πυκνᾶς ἀκοῦσαι ψεκάδος ἑυδουσῃ φρενί. Soph. ap. Stob.
(d.w.z. Soph. Frgm. 636. Pearson (Tome II, p. 262-264), bij Stobaeus Florileg. 59, 12 (IV, p. 402-413 Hense).
Vert.: Wat voor grotere vreugde zou men kunnen smaken dan als men de grond veilig onder de voeten heeft en door een stenig dak beschermd is, met dommelende geest de vallende regen te beluisteren.

[p. 35]
 
'Tzij goed' of quade sinn, ick voel mijn'