De titel van dit referaat is eigenlijk misleidend, omdat er in Lommel, een uitgestrekte gemeente met geografisch erg verspreide gehuchten, drie verschillende dialecten worden gesproken.

Het zuidelijke Kerkhoven spreekt een eigen dialect dat nagenoeg hetzelfde is als dat van Balen, waarvan de eerste bewoners, einde 18de eeuw, afkomstig waren.
Het gehucht Stevensvennen kwam op het einde van de 19de eeuw tot ontwikkeling en na 1904 ontstond de nederzetting rond Lommel-Fabriek. De industrialisering van dit gebied heeft ongetwijfeld een grote meerderheid van gezinnen uit het naburige Mol(-Rauw) aangetrokken, want de taal verschilt er erg weinig van.
Het eigenlijke Lommels, dat wordt gesproken in de overige gehuchten, in en rond de oudste kern van onze duizendjarige gemeente, maakt het onderwerp van deze studie uit. Het is nog altijd de taal van een ruime meerderheid van Lommelaren, ondanks de sterke immigratie, waardoor ons dialect -dit dient toegegeven- heel zwaar op de proef wordt gesteld. Een toestand zoals die in Genk lijkt niet meer zo ver af te zijn.
Als de door de Staat in 1850 begonnen landbouwkolonie in het noordoosten van Lommel succesvol was verlopen voor de emigrantengezinnen uit (hoofdzakelijk) West- en Oost-Vlaanderen, dan zou er nu vermoedelijk een vierde dialect in onze gemeente worden gesproken. Het experiment mislukte echter en het grootste deel van de kolonisten verliet binnen de tien jaar onze schrale bodem. Het 20-tal hoevetjes kwam in het bezit van enkele Peltse families en van autochtone Lommelaren, die ervoor zorgden dat het Lommels in de Kolonie de bovenhand kreeg. Enige Peltse (‘Luikse’) invloed is echter niet te miskennen in de tongval van de bewoners van Lommel-Kolonie en -Barrier, maar hij is te gering om hierover uit te weiden.
Wat nu het echte Lommels betreft, staat het zonder meer vast dat het deel uitmaakt van het Brabants, meer bepaald het Oostnoordbrabants, een gebied waartoe het sinds 1648 bijna twee eeuwen heeft behoord. Pas na de Belgische onafhankelijkheid werd het van dit gebied gescheiden.
Vandaag de dag heeft het Lommels echter nog altijd meer gemeen met b.v. het dialect van Uden, meer dan 75 km hier vandaan, dan met het Mols, het Balens, het Overpelts af het Eksels, zoals uit dit referaat moge blijken.
Ik heb geen speciale voorliefde voor magische getallen, maar het toeval heeft gewild, dat ik u een kijk wil geven op het Lommels dialect in tweemaal 7 hoofdstukjes: 7 uit de morfologie (vormleer) en 7 uit de syntaxis (zinsleer).
Net zoals de meeste Zuidnederlanders heeft de Lommelse dialectspreker een stevig grammaticaal geslachtelijk bewustzijn, heel anders dan die Veronica-omroeper die onlangs in een wel erg onbewaakt ogenblik beweerde dat ‘de’ Vlamingen ‘DEN Hollanders’ (sic!) zouden zeggen!
Dat zoiets morfonologisch volstrekt onmogelijk is, zal blijken uit dit eerste hoofdstuk.
Het onbepaald lidwoord heeft 4 vormen:
vóór mannelijke substantieven (of adjectieven) beginnend met:
| b: nen boer, nen breden auto |
| d: nen dwalm (sufferd) |
| h: nen hamer |
| t: nen ta(a)nd |
| vocaal: nen ezel, nen ouwen ezel |
vóór de overige mannelijke substantieven:
ne kerel, ne jongen, ne stoel, ne zeveraar.
| 1) | vóór alle vrouwelijke substantieven: 'n tafel, 'n gazet, 'n pen |
|||||
| 2) | vóór onzijdige subst. (of adject.) beginnend met:
|
voor de overige onzijdige subst.:
ə jonk (kind), ə mesken, ə potlood
Het bepaald lidwoord heeft 3 vormen:
den boer, den auto.
| 1) | cf. NE: de vent, de wijzer. |
| 2) | vóór alle vrouwel. subst.: de doos. |
| 3) | vóór alle meervoudige subst.: de tafels. |
vóór alle onzijdige subst.: 't fabriek.
Uit bovenstaande regels en voorbeelden blijkt dat het gebruik van NEN/NE, DEN/DE en 'N/ə niet louter afhangt van het woordgeslacht en getal maar ook fonologisch wordt bepaald.
Het gaat dus niet op (voor het Lommels) te beweren dat ə alleen vóór onzijdige substantieven gebruikt kan worden.
In elk geval zullen de vormen van het bep. en onbep. lidw. er nog lang voor zorgen dat de Lommelaar constructies als ‘De koe, hij wordt gemolken’ onmogelijk door zijn keelgat krijgt.
En toch, ondanks dit stevige ‘geslachtelijke bewustzijn’, zijn er in het Lommels vijf naamwoorden die ogenschijnlijk een dubbel genus hebben, zoals uit onderstaande voorbeelden blijkt.
| DE | 'T |
|---|---|
| - Van de jaar is da nog nie gebeurd | - 't Jaar is alweeral om. |
| - De kakschool op den Heuvel... | - Ik gaan na 't school. |
| - De leste slag was va(n) mij. | - Wien is er aan 't slag? |
| - De stad, da's veel te wijd. | - Ze dient in 't stad. |
| - Deze zak is kapot. | - Hij zit jelijk in 't zak. |
Jaar is het enige onzijdige woord in de lijst. De uitdrukking van de jaar is ongetwijfeld ontstaan naar analogie van van de week, van de maand, van de zomer, van de winter, van de vroegtijd enz. In elk geval komt de alleen voor na het voorzetsel van.
De overige vier mannelijke de-woorden zijn slechts ogenschijnlijke 't-woorden geworden door assimilatie (sandhi) van d naar t, een verschijnsel dat wijlen Prof. J.L. Pauwels op veel ruimere schaal in het dialect van Aarschot heeft vastgesteld.
boeke(n), potte(n), zjatte(n)...
Opm.: de n wordt alleen gehoord voor een vocaal en voor b, d, h en t
dore(n)s, tafels, zeveraars...
| - | onz.: bla(d)er, kle(d)er, (uitstoting van d), ei(e)r, kalver, kinder, kotter (gaten), stukker, wijver. |
| - | m.: stekker |
| - | m.: blok - blök; poot - peujet; boom - beujem; gang - gäng; slag - slèèg; knop - kneujep; voet - vuujt; zok - zök. |
| - | onz.: schot - scheut/scheuj. |
| - | onz.: brood - breuj; potlood - potleuj; schot - scheuj; slot - sleuj; |
| - | m.: draad - drui; kameraad - kamerui; hoed - huuj; smed - smeej; |
| - | vr.: stad - steej. |
| - | onz.: paard - päjer; woord - wouer; la(a)nd - laan; |
| - | vr.: maand - mon; |
| - | m.: ba(a)nd - baan; ta(a)nd - taan; |
| - | geen verschil enk./meerv.: vr. ha(a)n(d) - haan; ma(a)n(d) - maan |
dag - daag, schip - scheep
jonk - jong
been, steen, koei, schaap, hand [haan], mand [maan] (cf. supra)
schoen - schoeng
| Werkt JEF nog altijd bij de Philips? |
| Da's zeker onze LOWIE geweest. |
| Heure naam is en blijft JULIA. |
| Is da(t) JEFFES wei of TRIENES? |
| SUSKES böske weurdt verkocht. |
| HEINTJES Drieksken is al lang dood. |
| BETTES café trekt nog altijd goed. |
of:
| Lowie ZIJNE velo is kapot. |
| Bet HEUR café heeft nog veel te doen. |
| Heb-de gij onzen JEFFEN al gezien? |
| De winkel van GONNEN is beterekoop. |
| Lowie van THEUSE(N) was er nie. |
| Zjang van Zwarte MIEEN, leeft die nog? |
| Ik gaan na(ar) JULIANEN henen. |
| Hij zat bij Jan van BARONNEN en bij Bert van WORSTEN. |
Uit het laatste voorbeeld blijkt dat in ‘clusters’ van eigennamen de uitgang slechts eenmaal wordt toegevoegd en wel bij de allerlaatste. Enkele voorbeelden ter illustratie:
| Bij JOEPEN hebben ze lekker vlees. |
| Bij Joep van TRIENEN hebben ze... |
| Bij Joep van Trien van KUPPEN hebben ze... |
| Bij Joep van Trien van Peer van DIRKEN... |
Twee randbemerkingen: alle gelijkenissen met nog bestaande personen zijn uiteraard opzettelijk en de genealogie van uw dienstwillige dienaar luidt: Jos van Harrie van den Burger van Rood Nölleken.
Samen met onderstaande suffixen krijgt het Lommelse verkleinwoord in de regel altijd: ofwel umlaut; ofwel verkorting van de stamklinker; ofwel monoftongering van de tweeklank in de stam.
| - | f: duif - döfken, hof - höfken | ||||
| - | l: appel - äppelken, paal - polken | ||||
| - | m: boom - bjömken, duim - dömken | ||||
| - | p: hoop - höpken, lamp - lämken | ||||
| - | r: voorafgegaan door ə, tweeklank of lange klinker kamer - kämerken, meester - mjesterken, peer - pärken, Peer - Pjerken |
||||
| - | s: bos - busken, buis - bösken, doos - djösken, vaa(r)s - vjäsken | ||||
| - | (r)st: ko(r)st - köösken, wo(r)st - wöösken | ||||
| - | rd/rt voorafgegaan door velare klinker:
|
| - klinker of tweeklank: | auto' n, ei' n |
| - n: voorafgegaan door een ongedekte klinker of tweeklank | |
| been - bjej'en | n, t, nt, rd, rt worden gesyncopeerd en vervangen door j-glide |
| haan - hoj'en | " " |
| kruin - kröj'en | " " |
| - t: pot - pöj'en | " " |
| poot - pjöj'en | " " |
| fluit- flöj'en | " " |
| pint- pij'en | " " |
| - rt/rd: voorafgegaan door palatale klinker: | |
| paard - pjäj'en | " " |
| staart - stjät'en | " " |
achter grondwoorden op lt en l voorafgegaan door een tweeklank of lange klinker.
| bult - bul'jen | t gesyncopeerd, l gemouilleerd |
| schild - schil'jen | " " |
| *bijl - bel'jen | " " |
| *scheel - schäl'jen | " " |
[* ook + -ken (cf. 1.4.1.)]
achter grondwoorden op l, n, r voorafgegaan door een gedekte klinker.
| bol - bölle'en, stal - stäle'en |
| ballon - ballunne'en, man - männe'en |
| ster - sterre'en, snor - snorre'en |
en achter subst. op nd/nt
| hond - hunne'en | d/t gesyncopeerd |
| kant - käne'en | " " |
achter woorden eindigend op:
| - k | haak - häksken | |
| buik - böksken | ||
| - g | dag - dägsken | |
| oog - ugsken | ||
| - ng | gang - gängsken | |
| - cht | gra(a)cht - gräächsken | t/(e)n gesyncopeerd |
| - st | beest - bjesken | " " |
| kast - käsken | " " | |
| - en | deken - de'esken | " " |
| jongen - jungsken | " " |
Verloop van de umlaut
| - a/a: > ä/ä | pad - päjen, ba(a)nd - bääne'en; |
| - o/o: > ö | kop, köpken, boom - bjömken; |
| - o̗ > ø | kot - koj'en; |
| - oe[u] > y | koek - kyksken. |
Opm.: geen umlaut als stamklinker door r wordt gevolgd. Ook niet bij oe voor l B.v. boer - boerken; stoel - stoelken
Tweeklanken worden gemonoftongeerd, het eerste element wordt verkort en krijgt vaak een ander timbre
| - äie > ä | :vaars > vjäsken |
| - ę:i > e | :wijf > wefken |
| - ə:i > ə | :buik > bəksken |
| - ǫuə > ọ | :paal > polken/pol'jen |
| - ouə > ə/ø | :doos > djəsken; koor(d) > kørken |
Lange klinkers worden verkort (b.v. deur > durken, haak > häksken), behalve als het woord eindigt op cht, g, nd/nt: laag > lä:gsken ba(a)nd > bä:ne'en.
Uitstoting van de eindconsonant(en) gebeurt bij woorden eindigend op d, en, t, n, nt en nd. De uitgestoten medeklinker wordt in de regel vervangen door een j-glide: kin(d)e'en, konij(n)'en, värk(en)sken, pi(nt)j'en, bul(t)'jen, pjäj'en (paardje).
Opm: In hand, mand en koord heeft deze uitstoting zelfs geleid tot verlies van de d in het grondwoord.
Met deze laatste drie voorbeelden zijn we toe aan een reeks van morfologische veranderingen die sommige Lommelse woorden hebben ondergaan ten gevolge van afleidingen zoals het diminutief.
| diminutieven... | en | grondwoorden |
| bjömken | boom | - |
| djösken | doos | - |
| zjömken | zoom | - |
| Rückbildung | ||
| bjesken | beest | bjest (doublet!) |
| fjesken | feest | fjest |
| mjesterken | meester | mjester |
| pjäj'en | paard | pjäi |
| vjäsken | - (hiel) | vjäs |
| vjäsken | vaars | - |
| Doubletten | |
|---|---|
| evolutie: | veertig / vjertig |
| veejərtig > | veertien / vjertien |
| vejertig > | (vaardig) / vjärrig |
| vəjertig > | zeerder / zjerder |
| vjertig | (lelijk) / jellijk |
| eerste / jeste | |
| eerder / jedder | |
| (hij) deugt / djögt |
Opm.: De vormen tussen haakjes komen in het Lommels niet meer voor: hier hebben de later ontstane doubletten het grondwoord verdrongen. Hetzelfde moet in de loop der geschiedenis gebeurd zijn met een hele reeks van Lommelse woorden eindigend op rs en rn voorafgegaan door een palatale klinker:
| Grondwoord (verdwenen) | Nieuwe vorm | |
|---|---|---|
| ke(e)rs | > | ki-jəs* |
| vaars (rund) | > | väjəs* |
| kaars | > | kjäs |
| vaars (hiel) | > | vjäs |
| deern | > | djän |
| kern | > | kjän |
| gaarn(e) | > | gjän |
| lantaarn | > | lantjän |
| nieuw | > | joew (vgl. Eng. new!) |
*Als we de vormen ke(e)rs [kijəs] en vaars [väjəs] (jonge koe) met vaars [vjäs] (hiel) vergelijken, springt in het oog dat hier een differentiatie werd gehandhaafd.
3de pers. enk. en 2de pers. enk. en mv.: - ofwel verkorting stamvocaal; - ofwel umlaut (alleen 3de pers. enk.); - ofwel monoftongering
| Infinitief / | |||
|---|---|---|---|
| wij(lie)/ zij(lie) | ik | gij/gijlie | hij/zij/'t |
| hawen (houden) | haaw | hawt | hält |
| dragen | draag | draagt | dreugt |
| slapen | slaap | slapt | slöpt |
| helpen | help | helpt | hölpt |
| eten | eet [ä:t] | et | it |
| kommen | kom | komt | kömt |
| kopen | koop | kopt | kupt |
| roepen | roep | roept | rupt |
| blijven | blijf | bleft | ble(ft)* |
| krijgen | krijg | kregt | kre(gt)* |
| schuiven | schuif | schöft | schöft |
| doen | doen | doe(t)* | doe(t)* |
| gaan [gouən/gon] | gaan [gon] | go(t) | gi(t)* |
| slaan (id.) | slaan | slo(t) | slu(t)* |
| staan (id.) | staan | sto(t)* | sti(t)* |
| zien | zien | zie(t)* | zie(t)* |
| zijn | zijn | ze(t)* | is |
Opm. In de met * gemerkte vormen wordt de t alleen voor een volgende klinker uitgesproken.
| Infinitief/ | ||
|---|---|---|
| wij(lie)/zij(lie) | ik | gij/gijlie + hij/zij/'t |
| praten | praat [prouət] | prot [prot] |
| menen | meen | ment |
| deugen | deug [doiəX] | djögt [djəXt] |
| spaaien (spitten) | spaai [spouəj] | spoit [spoit] |
| breien | brei | breit |
| lijmen | lijm | lemt |
| plooien | plooi [plouəj] | ploit [ploit] |
| pluimen | pluim | plömt [pləmt] |
| gemeen | gemender | gemenst |
| heet | hetter | hetst |
| klein | klender | klenst |
| bruin | brönder | brönst |
| rijk | re'er | rekst |
| droog | drögger | drögst (cf. drögte) |
| hoog | högger | högst (cf. högte) |
| groot | grötter | grötst (cf. grötte) |
| leeg (laag) | legger | legst (cf. legt) |
| kaal | kolder |
| schoon | schonder |
| zeer | zjerder |
| breed | brejjer | bredst |
| k(w)aad [kouət] | kojjer | kotst/kojst |
| rood | rojjer | rotst/rojst |
| oud [a:t] | awer | adst |
Het adjectief biedt me de gelegenheid om de sprong te maken naar enkele syntactische eigenaardigheden van het Lommels.
Dit achtervoegsel wordt, in uitroepende - meestal verwijtende - zinnen, gekoppeld aan bijvoegl.naamwoorden van meestal werkwoordelijke oorsprong.
| - | m.: Verdomme-sen ezel dat ge daar loopt! |
| - | vr.: Dat wijf is 'n jelijke, verrekke(n)-se koei! |
| - | o.: Nondedju-s varken dat ge zijt! |
| - | Als bijw.: 't Is verduvel-s heet hier. |
De volgende constructies zijn duidelijk verkortingen van de bovengenoemde.
| - | m.: Voor wat (waarom) doe-de dat toch, sen dwalm! |
| - | vr.: Se gierige pin, geeft mij toch ook wat! |
| - | o.: S-jelijk jonk, kijkt waar dat ge loopt! |
Uit zinnen zoals deze zijn dan weer langere constructies met gij en gijlie ontstaan. En zelfs met ik en wijlie.
| - | m.: Gij-sen ouwe zot, laat dat meiske gerust! Gij-se vervelende poetszak! |
| - | vr.: Gij-se zotte trien! |
| - | o.: Gij-s lomp kalf! |
| - | mv.: Gijlie-se zeveraars! |
| - | m.: En ik-sen onnozelaar, wat deed ik? Ik deed niks! |
| - | mv.: Wijlie-se zotten, dat we daar lopen! |
De vorm ‘d(j)oe’ die alleen in soortgelijke constructies voorkomt, is een Lommels taalfossiel dat duidelijk op het Mnl. en Duitse du teruggaat:
D(j)oe-se kilo, wat doet ge daar toch weer!
| 'k (H)eb't altijd gezeid. (Meest gereduceerde, onbeklemtoonde vorm) |
| Ik gaan ook mee, wacht efkens. |
| Zien-ek-ik nog wel goed? |
| Ik begin-ek-ik daar nie meer mee. |
| Ik, ik gaan-ek-ik daar nie henen. (Meest beklemtoond) |
| Ge zoudt 'm metoeren 'ne frank geven. |
| Gij komt toch ook, hé? |
| Ga-de mee na(ar) de cinema? |
| Geef-de-gij mij soms ook wat? |
| (Gij), gij zij(t) gij 'ne schone, gij! |
| Hij doe(t) hij wel zijn best (hij). |
| We gaan wijlie toch waar da(t) wijlie/we willen, zeker! |
| Zie humkes daar eens staan te blêten! |
| Humkes zal ook 'ns iet zeggen, zalle! |
Opm.: Met deze laatste vorm lijkt het Lommels niet meer zo ver verwijderd van Noordhollandse constructies als ‘Hun hebben het gezegd’!
Ons Marie, ik ken 'm wel: hij zou zijne kop wel vergeten als -ie er nie aan stond!
| Heb-de't gezien? | - Ja'k/Nee'k! |
| Gi(t)-ie mee? | - Jou-ie/Nee-j! |
| Doe(t) ze't? | - Jou-es/Nee-es! |
| Regent het? | - Jöt/Nee-et! |
Opm.: In het moderne Lommels zijn de neutrale vormen ‘jöt (=ja-het) en (in mindere mate) ook ‘neeët’ (=nee-het) op weg om de andere vormen te verdringen.
Anderzijds worden ook de vormen ‘wa(t) zou'k’ [wasa:k], ‘wa(t) zou-ie’ [wasa:i] enz. meer en meer gehoord i.p.v. de vormen nee + pers. vnw. en de vormen ‘zou ik nie(t)’ [za:kni] enz. i.p.v. ‘ja'k’ enz.
| - | In staartvragen:
|
|
||||
| - | Als vervangend werkwoord in uitroepende of vragende zinnen:
|
| D'r was niemand nie te zien. |
| Da(t) heb ik nog nooit nie meegemaakt. |
| Zoiet(s) heeft-ie ook vanzeleven nie gezeid ook nie. |
| Da's geen mode nie meer nie. |
| Ik doen 't nie al ga-de op ullie kop staan nog nie. |
| Dat zal misschien ook nooit nie meer gebeuren ook nie. |
| Tegen zo'ne zever kan-ek-ik nie tegen, sè! |
| Op zo'n ouwe stoel kruipt hij nie op nie. |
| Uit deez' miserie geraakt-e-gij nie uit. |
| Aan zoiet(s) wat hebt ge daar toch aan? |
| Aan dat jong is geen zeggen aan. |
| Ze zit bij 'ne getrouwden bij. |
| Ze vraagt of dat ge meegaat. |
| Ik snap nie hoe dat dat mogelijk is. |
| Toen dat ik dat zie, toen was hij kwaad. |
| 't Is gebeurd terwijlten dat ik weg was. |
| Volgens dat ze zeggen ligt-ie op sterven. |
| Laat iet weten voor dat ge komt. |
| Wat da(t)-k-ik meegemaakt heb! |
| Die vent die dat daar staat, die is zat. |
| 't Zijn de die die dat van niks iet weten, die dat de grootsten teut hebben. |
| Da's veel te 'nen ouwen hoed. |
| Ik heb veel te 'ne groten honger voor nog lang te praten. |
| Vgl. That's much too old a hat. |
Dames en Heëren, dit was misschien ‘veul te'n lang vurdraacht, mèr ik bedank ullie omdä ge allegar me(t) volle verstaand en me(t) 'n bekant leëge maag, zo goe(d) gelusterd he(b)t!’
Lommel, 24 nov. 1990.
Jos Jansen