|
| |
| |
| |
Het Lommels als grensdialect. Enkele morfologische en
syntactische eigenaardigheden.
De titel van dit referaat is eigenlijk misleidend, omdat er in Lommel, een uitgestrekte gemeente met geografisch erg verspreide
gehuchten, drie verschillende dialecten worden gesproken.
| |
| |
Het zuidelijke Kerkhoven spreekt een eigen dialect dat
nagenoeg hetzelfde is als dat van Balen, waarvan de
eerste bewoners, einde 18de eeuw, afkomstig waren.
Het gehucht Stevensvennen kwam op het einde van de 19de
eeuw tot ontwikkeling en na 1904 ontstond de nederzetting rond Lommel-Fabriek.
De industrialisering van dit gebied heeft ongetwijfeld een grote meerderheid van
gezinnen uit het naburige Mol(-Rauw) aangetrokken, want
de taal verschilt er erg weinig van.
Het eigenlijke Lommels, dat wordt gesproken in de overige gehuchten, in en rond
de oudste kern van onze duizendjarige gemeente, maakt het onderwerp van deze
studie uit. Het is nog altijd de taal van een ruime meerderheid van Lommelaren,
ondanks de sterke immigratie, waardoor ons dialect -dit dient toegegeven- heel
zwaar op de proef wordt gesteld. Een toestand zoals die in Genk lijkt niet meer zo ver af te zijn.
Als de door de Staat in 1850 begonnen landbouwkolonie in het noordoosten van
Lommel succesvol was verlopen voor de emigrantengezinnen uit (hoofdzakelijk)
West- en Oost-Vlaanderen, dan zou er nu vermoedelijk een vierde dialect in onze
gemeente worden gesproken. Het experiment mislukte echter en het grootste deel
van de kolonisten verliet binnen de tien jaar onze schrale bodem. Het 20-tal
hoevetjes kwam in het bezit van enkele Peltse families en van autochtone
Lommelaren, die ervoor zorgden dat het Lommels in de Kolonie de bovenhand kreeg.
Enige Peltse (‘Luikse’) invloed is echter niet te miskennen in de tongval van de
bewoners van Lommel-Kolonie en -Barrier, maar hij is te gering om hierover uit
te weiden.
Wat nu het echte Lommels betreft, staat het zonder meer vast dat het deel
uitmaakt van het Brabants, meer bepaald het Oostnoordbrabants, een gebied
waartoe het sinds 1648 bijna twee eeuwen heeft behoord. Pas na de Belgische
onafhankelijkheid werd het van dit gebied gescheiden.
Vandaag de dag heeft het Lommels echter nog altijd meer gemeen met b.v. het
dialect van Uden, meer dan 75 km hier vandaan, dan met het Mols, het Balens, het
Overpelts af het Eksels, zoals uit dit referaat moge blijken.
Ik heb geen speciale voorliefde voor magische getallen, maar het toeval heeft
gewild, dat ik u een kijk wil geven op het Lommels dialect in tweemaal 7
hoofdstukjes: 7 uit de morfologie (vormleer) en 7 uit de syntaxis (zinsleer).
| |
| |
| |
| |
1.1. Het lidwoord
Net zoals de meeste Zuidnederlanders heeft de Lommelse dialectspreker een
stevig grammaticaal geslachtelijk bewustzijn, heel anders dan die
Veronica-omroeper die onlangs in een wel erg onbewaakt ogenblik beweerde
dat ‘de’ Vlamingen ‘DEN Hollanders’ (sic!) zouden zeggen!
Dat zoiets morfonologisch volstrekt onmogelijk is, zal blijken uit dit
eerste hoofdstuk.
Het onbepaald lidwoord heeft 4 vormen:
| |
1.1.1. NEN:
vóór mannelijke substantieven (of adjectieven) beginnend met:
| b: nen boer, nen breden auto |
| d: nen dwalm (sufferd) |
| h: nen hamer |
| t: nen ta(a)nd |
| vocaal: nen ezel, nen ouwen ezel |
| |
1.1.2. NE:
vóór de overige mannelijke substantieven:
ne kerel, ne jongen, ne stoel, ne zeveraar.
| |
1.1.3. 'N:
| 1) | vóór alle vrouwelijke substantieven: 'n tafel, 'n gazet,
'n pen |
| 2) | vóór onzijdige subst. (of adject.) beginnend met:
| b: 'n biemejouwsken (koolmees) |
| d: 'n ding |
| h: 'n höpken (hoopje) |
| t: 'n träpken (trapje) |
| vocaal: 'n adres |
|
| |
1.1.4. ə:
voor de overige onzijdige subst.:
ə jonk (kind), ə mesken, ə potlood
Het bepaald lidwoord heeft 3 vormen:
| |
1.1.5. DEN: cf. NEN:
den boer, den auto.
| |
| |
| |
1.1.6. DE:
| 1) | cf. NE: de vent, de wijzer. |
| 2) | vóór alle vrouwel. subst.: de doos. |
| 3) | vóór alle meervoudige subst.: de tafels. |
| |
1.1.7. 'T:
vóór alle onzijdige subst.: 't fabriek.
Uit bovenstaande regels en voorbeelden blijkt dat het gebruik van NEN/NE, DEN/DE en 'N/ə niet
louter afhangt van het woordgeslacht en getal maar ook fonologisch
wordt bepaald.
Het gaat dus niet op (voor het Lommels) te beweren dat ə alleen vóór
onzijdige substantieven gebruikt kan worden.
In elk geval zullen de vormen van het bep. en onbep. lidw. er nog
lang voor zorgen dat de Lommelaar constructies als ‘De koe, hij
wordt gemolken’ onmogelijk door zijn keelgat krijgt.
En toch, ondanks dit stevige ‘geslachtelijke bewustzijn’, zijn er in
het Lommels vijf naamwoorden die ogenschijnlijk een dubbel genus
hebben, zoals uit onderstaande voorbeelden blijkt.
| DE |
'T |
| - Van de jaar is da nog nie gebeurd |
- 't Jaar is alweeral om. |
| - De kakschool op den Heuvel... |
- Ik gaan na 't school. |
| - De leste slag was va(n) mij. |
- Wien is er aan 't slag? |
| - De stad, da's veel te wijd. |
- Ze dient in 't stad. |
| - Deze zak is kapot. |
- Hij zit jelijk in 't zak. |
Jaar is het enige onzijdige woord in de lijst. De uitdrukking van de jaar is ongetwijfeld ontstaan naar analogie
van van de week, van de maand, van de zomer, van de
winter, van de vroegtijd enz. In elk geval komt de alleen voor na het voorzetsel van.
De overige vier mannelijke de-woorden zijn slechts
ogenschijnlijke 't-woorden geworden door
assimilatie (sandhi) van d naar t, een verschijnsel dat wijlen Prof. J.L.
Pauwels op veel ruimere schaal in het dialect van
Aarschot heeft vastgesteld.
| |
| |
| |
1.2. Meervoudsvorming
| |
1.2.1. - E(N):
boeke(n), potte(n), zjatte(n)...
Opm.: de n wordt alleen gehoord voor een vocaal en voor b, d, h en t
| |
1.2.2. - S:
dore(n)s, tafels, zeveraars...
| |
1.2.3. - ER:
| - | onz.: bla(d)er, kle(d)er, (uitstoting van d), ei(e)r,
kalver, kinder, kotter (gaten), stukker, wijver. |
| - | m.: stekker |
| |
1.2.4. - klinkerwijziging:
| - | m.: blok - blök; poot - peujet; boom - beujem; gang - gäng;
slag - slèèg; knop - kneujep; voet - vuujt; zok - zök. |
| - | onz.: schot - scheut/scheuj. |
| |
1.2.5. - klinkerwijziging + afkapping van d/t + j-glide:
| - | onz.: brood - breuj; potlood - potleuj; schot - scheuj; slot
- sleuj; |
| - | m.: draad - drui; kameraad - kamerui; hoed - huuj; smed -
smeej; |
| - | vr.: stad - steej. |
| |
1.2.6. - afkapping van d:
| - | onz.: paard - päjer; woord - wouer; la(a)nd - laan; |
| - | vr.: maand - mon; |
| - | m.: ba(a)nd - baan; ta(a)nd - taan; |
| - | geen verschil enk./meerv.: vr. ha(a)n(d) - haan; ma(a)n(d) -
maan |
| |
1.2.7. - rekking van stamklinker:
dag - daag, schip - scheep
| |
1.2.8. - afkapping van k:
jonk - jong
| |
1.2.9. - geen verschil enk./ meerv.:
been, steen, koei, schaap, hand [haan], mand [maan] (cf. supra)
| |
| |
| |
1.2.10. - Velarisering van de n:
schoen - schoeng
| |
1.3. Verbuiging van eigennamen
| |
1.3.1. Nominatief: geen uitgang
| Werkt JEF nog altijd bij de Philips? |
| Da's zeker onze LOWIE geweest. |
| Heure naam is en blijft JULIA. |
| |
1.3.2. Genitief: + (e)s
| Is da(t) JEFFES wei of TRIENES? |
| SUSKES böske weurdt verkocht. |
| HEINTJES Drieksken is al lang dood. |
| BETTES café trekt nog altijd goed. |
of:
| Lowie ZIJNE velo is kapot. |
| Bet HEUR café heeft nog veel te doen. |
| |
1.3.3. Datief en accusatief: + en (n-uitspr. cf. 1.1.)
| Heb-de gij onzen JEFFEN al gezien? |
| De winkel van GONNEN is beterekoop. |
| Lowie van THEUSE(N) was er nie. |
| Zjang van Zwarte MIEEN, leeft die nog? |
| Ik gaan na(ar) JULIANEN henen. |
| Hij zat bij Jan van BARONNEN en bij Bert van WORSTEN. |
Uit het laatste voorbeeld blijkt dat in ‘clusters’ van eigennamen de
uitgang slechts eenmaal wordt toegevoegd en wel bij de allerlaatste.
Enkele voorbeelden ter illustratie:
| Bij JOEPEN hebben ze lekker vlees. |
| Bij Joep van TRIENEN hebben ze... |
| Bij Joep van Trien van KUPPEN hebben ze... |
| Bij Joep van Trien van Peer van DIRKEN... |
Twee randbemerkingen: alle gelijkenissen met nog bestaande personen
zijn uiteraard opzettelijk en de genealogie van uw dienstwillige
dienaar luidt: Jos van Harrie van den Burger van Rood Nölleken.
| |
| |
| |
1.4. Vorming van het diminutief
Samen met onderstaande suffixen krijgt het Lommelse verkleinwoord in de
regel altijd: ofwel umlaut; ofwel verkorting van de stamklinker; ofwel
monoftongering van de tweeklank in de stam.
| |
1.4.1. - KEN: achter grondwoorden eindigend op:
| - | f: duif - döfken, hof - höfken |
| - | l: appel - äppelken, paal - polken |
| - | m: boom - bjömken, duim - dömken |
| - | p: hoop - höpken, lamp - lämken |
| - | r: voorafgegaan door ə, tweeklank of lange klinker
kamer - kämerken, meester - mjesterken, peer - pärken, Peer -
Pjerken |
| - | s: bos - busken, buis - bösken, doos - djösken, vaa(r)s -
vjäsken |
| - | (r)st: ko(r)st - köösken, wo(r)st - wöösken |
| - | rd/rt voorafgegaan door velare klinker:
| baard - barken |
uitstoting t/d |
| kaart - karken |
" " |
|
| |
1.4.2. - 'EN: achter woorden eindigend op:
| - klinker of tweeklank: |
auto' n, ei' n |
| - n: voorafgegaan door een ongedekte klinker of tweeklank |
|
| been - bjej'en |
n, t, nt, rd, rt worden gesyncopeerd en
vervangen door j-glide |
| haan - hoj'en |
" " |
| kruin - kröj'en |
" " |
| - t: pot - pöj'en |
" " |
| poot - pjöj'en |
" " |
| fluit- flöj'en |
" " |
| pint- pij'en |
" " |
| - rt/rd: voorafgegaan door palatale klinker: |
|
| paard - pjäj'en |
" " |
| staart - stjät'en |
" " |
| |
| |
| |
1.4.3. - 'JEN:
achter grondwoorden op lt en l voorafgegaan door een tweeklank of
lange klinker.
| bult - bul'jen |
t gesyncopeerd, l gemouilleerd |
| schild - schil'jen |
" " |
| *bijl - bel'jen |
" " |
| *scheel - schäl'jen |
" " |
[* ook + -ken (cf.
1.4.1.)]
| |
1.4.4. - E'EN:
achter grondwoorden op l, n, r voorafgegaan door een gedekte klinker.
| bol - bölle'en, stal - stäle'en |
| ballon - ballunne'en, man - männe'en |
| ster - sterre'en, snor - snorre'en |
en achter subst. op
nd/nt
| hond - hunne'en |
d/t gesyncopeerd |
| kant - käne'en |
" " |
| |
1.4.5. - SKEN:
achter woorden eindigend op:
| - k |
haak - häksken |
|
| |
buik - böksken |
|
| - g |
dag - dägsken |
|
| |
oog - ugsken |
|
| - ng |
gang - gängsken |
|
| - cht |
gra(a)cht - gräächsken |
t/(e)n gesyncopeerd |
| - st |
beest - bjesken |
" " |
| |
kast - käsken |
" " |
| - en |
deken - de'esken |
" " |
| |
jongen - jungsken |
" " |
| |
1.4.6. Samenvattend overzicht diminutief
| |
1.4.6.1.
Verloop van de umlaut
| - a/a: > ä/ä |
pad - päjen, ba(a)nd - bääne'en; |
| - o/o: > ö |
kop, köpken, boom - bjömken; |
| - o̗ > ø |
kot - koj'en; |
| - oe[u] > y |
koek - kyksken. |
Opm.: geen umlaut als stamklinker door r wordt gevolgd. Ook niet
bij oe voor l B.v. boer - boerken; stoel - stoelken
| |
| |
| |
1.4.6.2.
Tweeklanken worden gemonoftongeerd, het eerste element wordt
verkort en krijgt vaak een ander timbre
| - äie > ä |
:vaars > vjäsken |
| - ę:i > e |
:wijf > wefken |
| - ə:i > ə |
:buik > bəksken |
| - ǫuə > ọ |
:paal > polken/pol'jen |
| - ouə > ə/ø |
:doos > djəsken; koor(d) > kørken |
| |
1.4.6.3.
Lange klinkers worden verkort (b.v. deur > durken, haak >
häksken), behalve als het woord eindigt op cht, g, nd/nt: laag >
lä:gsken ba(a)nd > bä:ne'en.
| |
1.4.6.4.
Uitstoting van de eindconsonant(en) gebeurt bij woorden eindigend
op d, en, t, n, nt en nd. De uitgestoten medeklinker wordt in de
regel vervangen door een j-glide: kin(d)e'en, konij(n)'en,
värk(en)sken, pi(nt)j'en, bul(t)'jen, pjäj'en (paardje).
Opm: In hand, mand en koord heeft deze uitstoting zelfs geleid
tot verlies van de d in het grondwoord.
Met deze laatste drie voorbeelden zijn we toe aan een reeks van
morfologische veranderingen die sommige Lommelse woorden hebben
ondergaan ten gevolge van afleidingen zoals het diminutief.
| |
1.5. Morfologische veranderingen in substantieven t.g.v.
diminutieven e.a. afleidingen.
| |
1.5.1. Distributieverruiming van medeklinkercombinaties in de
anlaut van
| diminutieven... |
en |
grondwoorden
|
| bjömken |
boom |
- |
| djösken |
doos |
- |
| zjömken |
zoom |
- |
| |
|
Rückbildung
|
| bjesken |
beest |
bjest (doublet!) |
| fjesken |
feest |
fjest |
| mjesterken |
meester |
mjester |
| pjäj'en |
paard |
pjäi |
| vjäsken |
- (hiel) |
vjäs |
| vjäsken |
vaars |
- |
| |
| |
| |
1.5.2. Analoge gevallen o.i.v. afleiding, flexie enz.
| |
Doubletten |
| evolutie: |
veertig / vjertig |
| veejərtig > |
veertien / vjertien |
| vejertig > |
(vaardig) / vjärrig |
| vəjertig > |
zeerder / zjerder |
| vjertig |
(lelijk) / jellijk |
| |
eerste / jeste |
| |
eerder / jedder |
| |
(hij) deugt / djögt |
Opm.: De vormen tussen haakjes komen in het Lommels niet meer voor:
hier hebben de later ontstane doubletten het grondwoord verdrongen.
Hetzelfde moet in de loop der geschiedenis gebeurd zijn met een hele
reeks van Lommelse woorden eindigend op rs en rn voorafgegaan door
een palatale klinker:
| Grondwoord (verdwenen) |
|
Nieuwe vorm |
| ke(e)rs |
> |
ki-jəs* |
| vaars (rund) |
> |
väjəs* |
| kaars |
> |
kjäs |
| vaars (hiel) |
> |
vjäs |
| deern |
> |
djän |
| kern |
> |
kjän |
| gaarn(e) |
> |
gjän |
| lantaarn |
> |
lantjän |
| nieuw |
> |
joew (vgl. Eng. new!) |
*Als we de vormen ke(e)rs [kijəs] en vaars [väjəs] (jonge koe) met
vaars [vjäs] (hiel) vergelijken, springt in het oog dat hier een
differentiatie werd gehandhaafd.
| |
1.6. De onvoltooid tegenwoordige tijd
| |
1.6.1. Sterke en onregelmatige werkwoorden
3de pers. enk. en 2de pers. enk. en mv.: - ofwel verkorting
stamvocaal; - ofwel umlaut (alleen 3de pers. enk.); - ofwel
monoftongering
| Infinitief / |
|
|
|
| wij(lie)/ zij(lie) |
ik |
gij/gijlie |
hij/zij/'t |
| hawen (houden) |
haaw |
hawt |
hält |
| |
| |
| dragen |
draag |
draagt |
dreugt |
| slapen |
slaap |
slapt |
slöpt |
| helpen |
help |
helpt |
hölpt |
| eten |
eet [ä:t] |
et |
it |
| kommen |
kom |
komt |
kömt |
| kopen |
koop |
kopt |
kupt |
| roepen |
roep |
roept |
rupt |
| blijven |
blijf |
bleft |
ble(ft)* |
| krijgen |
krijg |
kregt |
kre(gt)* |
| schuiven |
schuif |
schöft |
schöft |
| doen |
doen |
doe(t)* |
doe(t)* |
| gaan [gouən/gon] |
gaan [gon] |
go(t) |
gi(t)* |
| slaan (id.) |
slaan |
slo(t) |
slu(t)* |
| staan (id.) |
staan |
sto(t)* |
sti(t)* |
| zien |
zien |
zie(t)* |
zie(t)* |
| zijn |
zijn |
ze(t)* |
is |
Opm. In de met * gemerkte vormen wordt de t alleen voor een volgende
klinker uitgesproken.
| |
1.6.2. Zwakke werkwoorden.
| Infinitief/ |
|
|
| wij(lie)/zij(lie) |
ik |
gij/gijlie + hij/zij/'t |
| praten |
praat [prouət] |
prot [prot] |
| menen |
meen |
ment |
| deugen |
deug [doiəX] |
djögt [djəXt] |
| spaaien (spitten) |
spaai [spouəj] |
spoit [spoit] |
| breien |
brei |
breit |
| lijmen |
lijm |
lemt |
| plooien |
plooi [plouəj] |
ploit [ploit] |
| pluimen |
pluim |
plömt [pləmt] |
| |
1.7. De vorming van comparatief en superlatief
| |
1.7.1. Lange palatale klinkers en tweeklanken worden verkort resp.
gemonoftongeerd.
| gemeen |
gemender |
gemenst |
| heet |
hetter |
hetst |
| klein |
klender |
klenst |
| |
| |
| bruin |
brönder |
brönst |
| rijk |
re'er |
rekst |
| |
1.7.2. Lange velare klinkers en tweeklanken krijgen umlaut en
worden verkort.
| droog |
drögger |
drögst (cf. drögte) |
| hoog |
högger |
högst (cf. högte) |
| groot |
grötter |
grötst (cf. grötte) |
| leeg (laag) |
legger |
legst (cf. legt) |
| |
1.7.3. Epenthesis van d na l, n, r in comparatief
| kaal |
kolder |
| schoon |
schonder |
| zeer |
zjerder |
| |
1.7.4. Een j-of w-glide i.p.v. d in comparatieven van adjectieven
eindigend op d voorafgegaan door een lange klinker of tweeklank.
| breed |
brejjer |
bredst |
| k(w)aad [kouət] |
kojjer |
kotst/kojst |
| rood |
rojjer |
rotst/rojst |
| oud [a:t] |
awer |
adst |
Het adjectief biedt me de gelegenheid om de sprong te maken naar
enkele syntactische eigenaardigheden van het Lommels.
| |
| |
| |
| |
2.1. Het adjectivische -S(E)/-SEN - suffix
Dit achtervoegsel wordt, in uitroepende - meestal verwijtende - zinnen,
gekoppeld aan bijvoegl.naamwoorden van meestal werkwoordelijke
oorsprong.
| - | m.: Verdomme-sen ezel dat ge daar loopt! |
| - | vr.: Dat wijf is 'n jelijke, verrekke(n)-se koei! |
| - | o.: Nondedju-s varken dat ge zijt! |
| - | Als bijw.: 't Is verduvel-s heet hier. |
De volgende constructies zijn duidelijk verkortingen van de
bovengenoemde.
| - | m.: Voor wat (waarom) doe-de dat toch, sen dwalm! |
| - | vr.: Se gierige pin, geeft mij toch ook wat! |
| - | o.: S-jelijk jonk, kijkt waar dat ge loopt! |
Uit zinnen zoals deze zijn dan weer langere constructies met gij en
gijlie ontstaan. En zelfs met ik en wijlie.
| - | m.: Gij-sen ouwe zot, laat dat meiske gerust! Gij-se
vervelende poetszak! |
| - | vr.: Gij-se zotte trien! |
| - | o.: Gij-s lomp kalf! |
| - | mv.: Gijlie-se zeveraars! |
| - | m.: En ik-sen onnozelaar, wat deed ik? Ik deed niks! |
| - | mv.: Wijlie-se zotten, dat we daar lopen! |
De vorm ‘d(j)oe’ die alleen in soortgelijke constructies voorkomt, is een
Lommels taalfossiel dat duidelijk op het Mnl. en Duitse du teruggaat:
D(j)oe-se kilo, wat doet ge daar toch weer!
| |
2.2. Het persoonlijk voornaamwoord
| |
2.2.1. IK - zinnen
| 'k (H)eb't altijd gezeid. (Meest gereduceerde, onbeklemtoonde
vorm) |
| Ik gaan ook mee, wacht efkens. |
| Zien-ek-ik nog wel goed? |
| Ik begin-ek-ik daar nie meer mee. |
| Ik, ik gaan-ek-ik daar nie henen. (Meest beklemtoond) |
| |
| |
| |
2.2.2. GIJ - zinnen
| Ge zoudt 'm metoeren 'ne frank geven. |
| Gij komt toch ook, hé? |
| Ga-de mee na(ar) de cinema? |
| Geef-de-gij mij soms ook wat? |
| (Gij), gij zij(t) gij 'ne schone, gij! |
| |
2.2.3. HIJ, ZIJ, WIJ(LIE) EN ZIJ(LIE) - zinnen
| Hij doe(t) hij wel zijn best (hij). |
| We gaan wijlie toch waar da(t) wijlie/we willen, zeker! |
| |
2.2.4. HUMKES, verkleinwoord van hem als voorwerps- en als
Onderwerpsvorm!
| Zie humkes daar eens staan te blêten! |
| Humkes zal ook 'ns iet zeggen, zalle! |
Opm.: Met deze laatste vorm lijkt het Lommels niet meer zo ver
verwijderd van Noordhollandse constructies als ‘Hun hebben het
gezegd’!
| |
2.2.5. HIJ, HUM/'M en ZIJN als vrouwelijke voornaamwoorden
Ons Marie, ik ken 'm wel: hij zou zijne kop wel vergeten als -ie er
nie aan stond!
| |
2.2.6. Het enclitische persoonlijk voornaamwoord achter JA en NEE
| Heb-de't gezien? |
- Ja'k/Nee'k! |
| Gi(t)-ie mee? |
- Jou-ie/Nee-j! |
| Doe(t) ze't? |
- Jou-es/Nee-es! |
| Regent het? |
- Jöt/Nee-et! |
Opm.: In het moderne Lommels zijn de neutrale vormen ‘jöt (=ja-het)
en (in mindere mate) ook ‘neeët’ (=nee-het) op weg om de andere
vormen te verdringen.
Anderzijds worden ook de vormen ‘wa(t) zou'k’ [wasa:k], ‘wa(t)
zou-ie’ [wasa:i] enz. meer en meer gehoord i.p.v. de vormen nee +
pers. vnw. en de vormen ‘zou ik nie(t)’ [za:kni] enz. i.p.v. ‘ja'k’
enz.
| |
2.3. Doen als hulpwerkwoord
| - | In staartvragen:
| Gij blijft toch hier, doe-de nie? |
| Hij komt nie, doe(t)-ie? |
|
| |
| |
|
| Gijlie gaat toch mee, doe-de nie? |
|
| - | Als vervangend werkwoord in uitroepende of vragende zinnen:
| 't Regent dat 't giet. - Oh, doe(t)-'t! |
| Ze is zo ziek als 'nen hond. - Oh, doe(t)-se? |
| Hij was zo colèrig als 'ne riek. - Oh, dee-j! |
|
| |
2.4. De dubbele ontkenning
| D'r was niemand nie te zien. |
| Da(t) heb ik nog nooit nie meegemaakt. |
| Zoiet(s) heeft-ie ook vanzeleven nie gezeid ook nie. |
| Da's geen mode nie meer nie. |
| Ik doen 't nie al ga-de op ullie kop staan nog nie. |
| Dat zal misschien ook nooit nie meer gebeuren ook nie. |
| |
2.5. Het dubbele gebruik van voorzetsels
| Tegen zo'ne zever kan-ek-ik nie tegen, sè! |
| Op zo'n ouwe stoel kruipt hij nie op nie. |
| Uit deez' miserie geraakt-e-gij nie uit. |
| Aan zoiet(s) wat hebt ge daar toch aan? |
| Aan dat jong is geen zeggen aan. |
| Ze zit bij 'ne getrouwden bij. |
| |
2.6. Het bovenmatige voegwoord DAT
| Ze vraagt of dat ge meegaat. |
| Ik snap nie hoe dat dat mogelijk is. |
| Toen dat ik dat zie, toen was hij kwaad. |
| 't Is gebeurd terwijlten dat ik weg was. |
| Volgens dat ze zeggen ligt-ie op sterven. |
| Laat iet weten voor dat ge komt. |
| Wat da(t)-k-ik meegemaakt heb! |
| Die vent die dat daar staat, die is zat. |
| 't Zijn de die die dat van niks iet weten, die dat de grootsten
teut hebben. |
| |
2.7. Veel te + nen/ne/'n
| Da's veel te 'nen ouwen hoed. |
| Ik heb veel te 'ne groten honger voor nog lang te praten. |
| Vgl. That's much too old a hat. |
| |
| |
Dames en Heëren, dit was misschien ‘veul te'n lang vurdraacht, mèr ik
bedank ullie omdä ge allegar me(t) volle verstaand en me(t) 'n bekant
leëge maag, zo goe(d) gelusterd he(b)t!’
Lommel, 24 nov. 1990.
Jos Jansen
|
|