Houten kappen in Nederland 1000-1940


auteur: Herman Janse


bron: Herman Janse, Houten kappen in Nederland 1000-1940. Delftse Universitaire Pers, Delft / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

6. Kappen in zuidelijk Limburg

Het gebied tussen Luik, Aken, Maastricht en Roermond toont de invloed van zo veel culturen en constructieprincipes, dat een aparte behandeling gerechtvaardigd is.

De gecompliceerde staatkundige structuur, die dit gebied tot 1815 heeft gekend, zal de oorzaak zijn van de veelvormige constructiewijzen van de Zuidlimburgse kappen. Er zijn er vrijwel geen twee gelijk. In de rest van de Nederlanden waren de uitgangspunten van de kapconstructies veel meer uniform.

Bij de kerkelijke bouwkunst strijden de gordingenkap en de Nederlandse gebintenkap om de hegemonie, in de profane bouwkunde is overal de invloed van de stijlenkap naast die van de sporenkap en de gordingenkap aanwezig. Ook is invloed van de Duitse ‘liggende stoel’ merkbaar.

De grens van de voor Nederland afwijkende constructies ligt in de omgeving van Roermond.

a. Sporenkap met schaar- en kromstijlgebinten

In Zuid-Limburg is vaak aan de voet van een schaar- of kromstijl een schoor aangebracht naar het bint, waarop de stijl rust. Deze schoor, die recht of krom kan zijn, draagt de naam voetschoor.

Soms ontbreken dan de korbelen boven in het gebint.

Gebinttype I.b.kv+kv+n

Het uit 1652 daterende huis ‘Den Temper’ in Sittard (afb. 554) heeft een kap, waarvan de gebinten zijn opgebouwd uit een gebint met zeer steil staande kromme stijlen met voetschoren, daarop een kromstijlgebint met voetschoren zonder korbelen en daarop een nokgebint. Op de gebinten rusten flieringen, in Zuid-Limburg doorgaans met een vorm van het woord wurm aangeduid.

De kap van de tiendschuur, Kloosterplein 6, eveneens in Sittard (afb. 555), waarschijnlijk na de stadsbrand van 1677 gebouwd, heeft op de zolderbalklaag een ingewikkeld gebint, dat voornamelijk rust op een verticale stijl en een muurstijl. Daarop staat een soortgelijke constructie als van ‘Den Tempel’.

Ook de omstreeks 1600 gebouwde schuur van de Grote Hegge te Thorn, aan de overkant van de Maas, heeft een dergelijke kapopbouw.

Gebinttype I.b.k+kv+n

De Hervormde kerk te Sittard kreeg in 1637 een dergelijke kap, echter zonder voetschoren in het onderste eebint33..

[p. 283]



illustratie

554. Type I.b.kv+kv+n. Sittard, Den Tempel, 1652.




illustratie

555. Sittard, Kloosterplein 6, tiendschuur, na 1677.




illustratie

556. Type I.b.kvs+kv+n. Herkenbosch, Daelenbroeck, woongedeelte, XVII.




illustratie

557. Type I.b.av+av+n. Maastricht, Stokstraat 35, 1774.




illustratie

558. Type I.b.avs+avs+a+n. Maastricht, Statenstraat 9, voorm. Wittevrouwenklooster, XVII.


Gebinttype I.b.kvs+kv+n

Het woongedeelte van het kasteel Daelenbroeck te Herkenbosch (afb. 556) heeft een soortgelijke 17de-eeuwse kap, waarvan het onderste gebint in het midden een stijl met schoren naar het kapbint heeft.

Gebinttype I.b.av+av+n

Nog in 1774 werd het huis Stokstraat 35 in Maastricht (afb. 557) voorzien van een kap, waarvan de gebinten opgebouwd zijn uit twee schaargebinten met voetschoren en een nokgebint.

Gebinttype I.b.avs+avs+a+n

Het pand Statenstraat 9 te Maastricht, deel uitmakend van het in 1988 gesloopte voormalige Wittevrouwenklooster, werd in de 17de eeuw voorzien van een kap (afb. 558), waarvan de gebinten werden opgebouwd uit twee schaargebinten met voetschoren en asymmetrisch geplaatste stijlen, vanwege de daaronder staande oudere dragende muren. Op het onderste schaargebint stond een normaal schaargebint en een nokgebint.

[p. 284]



illustratie

b
a
559. Type I.b.as
+as+n. Urmond, R.-K. kerk, 1793. a: koor; b: schip.


Gebinttype I.b.as+as+n

De Rooms-Katholieke kerk te Urmond kreeg in 1793 op het koor een kap, waarvan de gebinten bestaan uit een laag schaargebint met een middenstijl, waarop een normaal schaargebint, eveneens met een stijl, en een nokgebint (afb. 559a).

De kap van het schip van deze kerk kreeg een afwijkende constructie, waarbij de flieringen niet op de binten van de schaargebinten rusten, maar lager op klossen worden opgevangen (afb. 559b). De flieringen lopen van het koor op dezelfde hoogte door over het schip. Vrijwel onontwarbaar zijn de bijbehorende telmerken.

 

Uit het voorgaande blijkt, dat het ‘Nederlandse kaptype’ in zuidelijk Limburg redelijk vertegenwoordigd is.



illustratie

560. Type II.b.q. Cottessen 5, schuur, XVIII.




illustratie

561. Cottessen 5.




illustratie

562. Mechelen (L.), hoeve De Pley, XVIII.


b. Gordingenkap

De zuivere gordingenkap, met driehoekige kapspanten, waarop de gordingen rusten, is in hoofdzaak vertegenwoordigd in eenvoudige en relatief late landelijke gebouwen. Ook in de Eifel (D 41; D 42) en in Engeland (GB 21; GB 24) is dat in deze periode het geval.

Gebinttype II.b.q

De schuur van Cottessen 5, gelegen vlak bij de Belgische grens in de gemeente Vaals, heeft een dergelijke 18de-eeuwse kap (afb. 560, 561). Hetzelfde geldt voor de hoeve ‘De Pley’ te Mechelen (afb. 562).

[p. 285]



illustratie

563. Type II.b.k+n. Herkenbosch, Daelenbroeck, z.w.- vleugel, XVII.




illustratie

564. Type II.b.c+n. Schinnen. R.-K. kerk, schip, 1779.


Gebinttype II.b.k+n

De smalle zuidwestelijke vleugel van het kasteel Daelenbroeck te Herkenbosch bij Roermond heeft een kap met kromstijlgebinten, die gordingen dragen, en een nokgebint daarop (afb. 563). In de kromstijlgebinten is de invloed zichtbaar van de Nederlandse constructies.

Gebinttype II.b.c+n

Een schaargebint met voetschoren, waarop aan de zijkant gordingen rusten, en een nokgebint heeft de kap van het schip van de kerk te Schinnen, gebouwd in 1779 (afb. 564).



illustratie

566. Kerkrade, abdijkerk Rolduc, schip naar oosten.




illustratie

565. Type II.0.a+q. Kerkrade, abdijkerk Rolduc, reconstructie, 1586.


Gebinttype II.0.a+q

De kap van de abdijkerk van Rolduc bij Kerkrade heeft een dakhelling van 46o en werd in 1586 (d) herbouwd na een brand (NL 19a). Daarbij werd een zuivere gordingenkap gemaakt, waarvan de gordingen zijn ingelaten in gebinten, die bestaan uit een schaargebint zonder trekbalken, waarop een spruit is geplaatst (afb. 565). Men herkent hierin toch ook een invloed van de Nederlandse gebintopbouw. De schaarstijlen rusten op blokkelen, die op muurplaten liggen. Aan de schaarstijlen zijn standzonen bevestigd, waarin de blokkelen gepend zijn en die een eindweegs langs de muur naar beneden doorlopen. Alle houtverbindingen van de gebinten zijn gepend. De spruit heeft twee voetschoren en een hanebalk.

Eerst werd de kap van het dwarsschip gemaakt als een doorlopende kap. De kap van het schip werd er tegenaan gebouwd.

Langs de beide transeptgevels zijn geen gebinten gemaakt. Er is wel een gebint bij de westbouw opgericht. Omdat deze muur er al was, zijn de toognagels niet van één kant ingeslagen, zoals bij de volgende gebinten van het schip. Er is bij iedere verbinding één nagel van west naar oost ingeslagen, toen het gebint werd samengesteld op de werkvloer, liggend met de top naar het oosten. Na het oprichten werden per verbinding twee nagels van oost naar west ingeslagen. Alle andere gebinten hebben alleen nagels, die van west naar oost zijn ingebracht.

Tussen de muurplaten en de nok zijn vier gordingen in de schaarstijlen en de spruit ingelaten en een nokgording. Daarna zijn tussen de gebinten onderling schoren aangebracht. Die zijn halfhouts over de gordingen gekeept. Per vak werden over gordingen en schoren zes kepers van nok tot dakvoet gelegd. Op de kruisingen met gordingen en schoren werd na de montage een gat geboord, waarin een houten nagel werd geslagen. De nagels hebben verschillende richtingen, omdat zij ter plaatse zijn geboord. De koppen van de houten nagels in de gebinten zijn vierkant van doorsnede.

Op den duur bleek de zijdelingse druk van de gebinten toch te groot. Daarom zijn later trekbalken en middenstijlen aangebracht (afb. 566).

[p. 286]



illustratie

567. Type II.b.a+q. Maastricht, St.-Servaaskerk, Bergportaal, reconstructie, 1596.




illustratie

568. Type II.b.a+q. Sittard, Agnetenberg, kapel, 1722.




illustratie

b




illustratie

a
569. Type II.b.kv
+q. Vaals, hoeve Mamelis. a: n.o.-vleugel, XVIIa; b. n.w.-vleugel, 1623.




illustratie

570. Type II.b.kv+q. Limbricht, St.-Salviuskerk, schip, 1651.


Gebinttype II.b.a+q

Een kap van een vergelijkbare constructie met trekbalken, met een dakhelling van slechts 40o, laat zich reconstrueren uit de nog aanwezige onderdelen van de kap op het Bergportaal van de Sint Servaaskerk te Maastricht (afb. 567), gedateerd 1596 (d; NL 19a).

Uit later tijd (1722) dateert de kap van de kloosterkapel van Agnetenberg in Sittard, waarvan de dakhelling 52o is (afb. 568).

Vastgesteld kan dus worden, dat dit kaptype in Zuid-Limburg enkele honderden jaren toegepast is.

Gebinttype II.b.kv+q

De noordoostelijke en de noordwestelijke vleugel van de hoeve Mamelis bij Vaals, beide daterend uit het eerste kwart van de 17de eeuw, hebben een kap, waarvan de gebinten bestaan uit een kromstijlgebint met voetschoren en gordingen, waarop een spruit met gordingen en een nokgording (afb. 569a, b).

Tot hetzelfde type behorende beide kappen van het schip van de Sint Salviuskerk te Limbricht, gebouwd in 1651 (afb. 570). Merkwaardig en constructief twijfelachtig is het feit, dat de scheidingsmuur tussen de beide beuken van de kerkruimte niet midden onder de scheiding tussen de beide kappen staat.

Gebinttype II.b.k+q

Een soortgelijke kap hebben de vleugels van de voorhof van de Landscommanderij Alden Biesen onder Spouwen/Rijkhoven in Belgisch Limburg, vermoedelijk voltooid omstreeks 157034.. Er zijn geen voetschoren.

[p. 287]



illustratie

571. Type II.0.k+q. Urmond, Herv. kerk, 1685.




illustratie

572. Type II.0.a+a+q. Maastricht, Statenstraat 11A, 1619.




illustratie

573. Type II.b.k+a+q. Sittard, Paardestraat 19. XVII.




illustratie

574. Type II.b.yv+y+n. Urmond, Schippershuis, XVII.


Gebinttype II.0.k+q

Een dergelijke kap zonder trekbalken kreeg de Hervormde kerk te Urmond in 1685 (afb. 571).

Gebinttype II.0.a+a+q

Een zeer wankele voet heeft de in 1988 gedeeltelijk gesloopte kap van het uit 1619 daterende pand Statenstraat 11A/13 in Maastricht (afb. 572). Doordat de stijlen niet doorlopen tot op de balklaag en als vervangende steunen twee kreupele stijlen zijn gemaakt, kon de voet verzakken.

Gebinttype II.b.k+a+q

Het houten huis Paardestraat 19 in Sittard heeft een kap, waarin twee dubbele krommers het in het vorige geval ontstane probleem afdoende uit de weg gaan (afb. 573).

Gebinttype II.b.k+k+q

Het in 1596 gebouwde kasteeltje Grasbroek te Born heeft een soortgelijke kap, waarin geen dubbele krommers in het onderste gebint, maar wel krommers in het tweede kapgebint (NL X 59).

Gebinttype II.b.kv+zv+n

In de 17de-eeuwse kerk te Herkenbosch, oostelijk van Roermond, heeft de kap gebinten, bestaande uit een kromstijlgebint met voetschoren en gordingen, waarop een tussenbalkgebint met voetschoren en gordingen. Een eenvoudige nokstijl draagt de nokgording.

Gebinttype II.b.yv+y+n

Het 17de-eeuwse Schippershuis te Urmond heeft een dak, dat gedragen wordt door gebinten, opgebouwd uit een kromstijlgebint met tussenbalk, voetschoren en opgelegde gordingen, een zelfde gebint zonder voetschoren en een nokgebint (afb. 574).

[p. 288]



illustratie

575. Type II.b.av+av+n. Maastricht (Limmel), Bethlehem, oostvleugel, XVIIIA.




illustratie

577. Type II.b.as+as+qs. Sittard, St.-Michaëlskerk, 1668.




illustratie

578. Type II.b.as+as+qs. Maastricht, voorm. Bonnefantenklooster, 1715.




illustratie

576. Maastricht (Limmel), Bethlehem, oostvleugel.


Gebinttype II.b.av+av+n

Weer een andere variatie is de kap van de kapel van het voormalige Karthuizerklooster, later Groot Seminarie, te Roermond, gebouwd omstreeks 1600. Vrijwel gelijk is de oostelijke vleugel van het kasteel Bethlehem te Limmel (Maastricht), daterend uit de eerste helft van de 18de eeuw (afb. 575, 576).

Gebinttype II.b.as+as+qs

De barokke Sint Michaëlskerk te Sittard (deze stad hoorde niet tot de Republiek), daterend uit 1668, heeft een gordingenkap, bestaande uit twee schaargebinten met een middenstijl en een spruit met een nokstijl (afb. 577). Iets gecompliceerder, maar ongeveer van dezelfde opbouw, is de kap van het voormalige Bonnefantenklooster te Maastricht uit 1715 (afb. 578).

Gebinttype II.0.a1+as1+n

De voormalige Augustijnenkerk in Maastricht, gebouwd in 1661, heeft een gordingenkap zonder trekbalken, maar er zijn wel trekstangen. In het onderste schaargebint is een houten tongewelf opgenomen (afb. 579). Daarboven is de opbouw ongeveer als bij de hiervoor behandelde kappen. In het midden is een fliering op de onderste schaargebinten en tussen de middenstijlen van de tweede schaargebinten.

 

Hiermede is een eind gekomen aan het overzicht van de vele mogelijkheden, die de Limburgse timmerman had om, gebruikmakend van de principes van zowel de gordingenkap als de Nederlandse schaargebintenkap, over de grenzen van de talrijke territoria heen een kap naar regionale trant te maken.

[p. 289]



illustratie

579. Type II.0.a1+as1+n. Maastricht, Augustijnenkerk, 1661.




illustratie

580. Type III.b.g+g+n. Limmel, Bethlehem, oostvleugel, XVIIA.




illustratie

581. Type I-III.b.kv+g+n. Vaals, hoeve Mamelis, hooischuur, XVII.




illustratie

582. Limbricht, kasteel, tiendschuur, 1630.


c. Stijlenkap

De stijlenkap is typisch voor de profane bouw in zuidelijk Zuid-Limburg.

Gebinttype III.b.g+g+n

Het gebruikelijke type wordt vertegenwoordigd door de kap op het oostelijke deel van de zuidvleugel van het kasteel Bethlehem te Limmel bij Maastricht, die dateert uit de 17de eeuw (afb. 580).

Gebinttype I-III.b.kv+g+n

Talrijke mengvormen met andere kaptypen komen voor, zoals onder meer in een 17de-eeuwse schuur van de hoeve Mamelis bij Vaals, waar op andere vleugels gordingenkappen gemaakt werden. Het dak wordt gedragen door drie stijlen en twee wormen op een gebint met kromme stijlen en voetschoren (afb. 581).

 

Merkwaardig zijn ook de gebinten in de grote tiendschuur van het kasteel Limbricht, gebouwd in 1630, waar aan één kant de wormen op de stijlen rusten en aan de andere kant van het dak op de gebintbalken (afb. 582).

[p. 290]



illustratie

583. Maastricht, Grote Looierstraat 17, voorm. Armenweeshuis, ca. 1700.




illustratie

584. Hoensbroek, kasteel, z.o. vleugel, ca. 1645.




illustratie

585. Hoensbroek, kasteel, n.w. vleugel, XVIIIb.


In Maastricht werd, in tegenstelling tot datgene, dat elders in Nederland gebruikelijk is, de kap vaak haaks op de richting van de balken van het huis gebouwd. De kap van het uit omstreeks 1700 daterende voormalige Armenhuis, Grote Looierstraat 17, is daarom zeer gekunsteld op de balklaag geplaatst (afb. 583). Een soortgelijke situatie zien wij in het uit 1774 daterende huis Stokstraat 35 (afb. 557). Als gevolg van de kapconstructie met stijlen, zoals die onder meer bij het Dinghuis gesignaleerd werd, ligt de nok van de daken in Maastricht veelal in de richting van de korte maat van de rechthoekige plattegrond evenwijdig aan de rooilijn. De balklagen werden natuurlijk ook in deze richting gelegd. Vandaar deze merkwaardige en onlogische bouwwijze.

[p. 291]



illustratie

586. Houthem, St.-Gerlachuskerk, 1725.


d. ‘Liggende stoel’

De Duitse invloed in Zuid-Limburg wordt duidelijk geïllustreerd door de aanwezigheid van de liggende stoel (zie deel II, hoofdstuk 6).

De zuidoostelijke vleugel van het kasteel Hoensbroek, gebouwd omstreeks 1645, bezit een brede kap (afb. 584), die gedragen wordt door gebinten, die opgebouwd zijn uit twee kromstijlgebinten van het type met tussenbalk (spanregel) en dekbalk. In de kop van de stijlen is een worm ingelaten, halverwege de stijlen ligt een gording. De nok wordt gedragen door een spruit met twee gordingen.

De kap van de 18de-eeuwse rechter vleugel van hetzelfde complex (afb. 585) heeft een nog minder Nederlandse opbouw. Aan weerszijden wordt het dak gedragen door een schuingeplaatste houten ‘wand’ met twee gordingen. Die ‘wanden’ worden gedragen door gebinten, die opgebouwd zijn uit een kromstijlgebint en een schaargebint met voetschoren en een middenstijl. Onder de nok is een kruising tussen een spruit en een nokgebint.

Aan de kap van de Sint Gerlachuskerk te Houthem bij Valkenburg (NL X 14), gebouwd omstreeks 1725, springen drie elementen duidelijk naar voren (afb. 586). In het onderste deel wordt de dakhuid ondersteund door twee schuingeplaatste doorgaande wanden, waarop een doorgaande balk in de lengterichting ligt, die dus ook schuingeplaatst is. Ook vallen de gelijkenis met gordingen van de beide daaronder liggende ‘wandregels’ op. Tussen de beide schuinstaande wanden zijn omvangrijke en weinig harmonieus geconstrueerde dwarsverbindingen aangebracht, ongeveer op dezelfde wijze als in de laatstgenoemde vleugel van het kasteel Hoensbroek. Op de aldus gevormde spanten is een tweetal stijlen met dwarsbint geplaatst. Daarop staat een nokstijl, zoals dat ook bij zuivere stijlenkappen het geval is. Het op die manier gevormde tweeslachtige geheel is vooral in het onderste gedeelte nogal slap. Daaraan werkt mee het ontbreken van trekbalken tussen de muren. Aan de onderzijde van de kapspanten is een gewelfd stucplafond opgehangen aan hulpconstructies, die direct bij de bouw zijn aangebracht. Het grote gewicht van het plafond veroorzaakte een doorbuiging in het onderste en minst stijve deel van de kap. Dit had tot gevolg, dat het stucwerk neerviel. Het aanbrengen van trekstangen in 1808 heeft in deze situatie weinig verbetering gebracht.

Hoewel Houthem in de bouwtijd van de voormalige kloosterkapel een Oostenrijkse enclave was in Staats gebied en de ontwerper uit de Oostenrijkse of Belgische sfeer afkomstig geweest zal zijn, zullen de timmerlieden vermoedelijk Zuidlimburgers geweest zijn.

 

De kerken te Wittem en Eys, beide omstreeks 1732 gebouwd naar ontwerp van de Münsterse architect J.C. Schlaun, hebben een kap met een ‘liggende stoel’.