De Duitse Vijfde Colonne in de Tweede Wereldoorlog


auteur: L. de Jong


bron: L. de Jong, De Duitse Vijfde Colonne in de Tweede Wereldoorlog. Van Loghum Slaterus, Arnhem / J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1953  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 340]

Hoofdstuk XVI
Historisch tussenspel

DE angst voor de Duitse Vijfde Colonne werd tijdens de periode der nationaal-socialistische heerschappij in hoge mate door het feit bevorderd dat zich buiten Duitsland vrijwel overal ter wereld aanzienlijke groepen Duitsers bevonden. In hoeveel landen zijn we ze al tegengekomen! Litauen, Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Zuid-Slavië, Denemarken, Nederland, België, Frankrijk, Zwitserland, de Sowjet-Unie, Palestina, Canada, de Verenigde Staten, Mexico, Brazilië, Argentinië, Chili, Australië, Nieuw Zeeland, Zuidwest-Afrika - in al die gebieden woonden òf grote aantallen Rijksduitse burgers òf nog grotere aantallen personen die van Duitse afkomst waren en veelal nog steeds Duits spraken.

Dat was geen recent verschijnsel.

Sieh rings umher!’, had kort voor het einde van de achttiende eeuw de Duitse dichter Herder uitgeroepen:

 
Sieh rings umher!
 
Wer sind die Fleissigen, die Künstler in
 
Britannien und Russland, Dännemark
 
Und Siebenbürgen, Pensylvanien
 
Und Peru und Granada? - Deutsche sinds,
 
Nur nicht in Deutschland! Vor dem Hunger flohn
 
Sie nach Serátow, in die Tatarei.’1

Er is misschien geen volkerengemeenschap ter wereld die in de loop van een lange, vaak ongelukkige geschiedenis zoveel leden naar den vreemde heeft zien trekken als de Duitse. De Duitse eenheidsstaat heeft zich laat ontwikkeld. Enkele eeuwen langer dan Fransen en Engelsen hebben de Duitsers de benauwende onderdrukking van honderden kleine vorsten moeten doorstaan. Op de vlucht voor politieke en godsdienstige wille-

[p. 341]

keur, voor hongersnood, overbevolking en oorlogsgeweld verlieten zij eeuw na eeuw in drommen het mozaïek van elkaar bevechtende staten en staatjes dat van de Middeleeuwen tot in de negentiende eeuw het Duitse Rijk vormde. De verre landen trokken hen aan omdat het hun in het eigen land slecht ging. In de Middeleeuwen togen zij vooral in Oostelijke en Zuidoostelijke richting. Het proces van geleidelijke terugdringing van de Slavische stammen voortzettend dat omstreeks het jaar 500 begonnen was, vestigden de ‘Duitsers’1 zich in de tegenwoordige Baltische republieken, zij trokken naar Polen, zij daalden de hellingen van de gebergten af die Bohemen omringden, zij togen in de dertiende eeuw dwars door de moerassige Hongaarse laagvlakte naar de Karpathen waar (dat is de vermoedelijke oorsprong van de term) hun zeven voornaamste stadsburchten aan een deel van het heuvelland zijn naam gaven: Zevenburgen. De godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw brachten in de Duitse landen nieuwe ontreddering teweeg: nieuwe groepen emigranten pakten have en goed en verlieten hun geboorteland, lopend, op krakende karren, per schip. Zij trokken naar de middenloop van de Donau waar de Habsburgse Keizers ter bescherming tegen de Turken in het Banaat militaire landbouwkolonies schiepen; zij reisden op uitnodiging van Keizerin Catharina de Tweede van Rusland, zelf van afkomst een Duitse prinses, naar de Wolga, zij verhuisden naar de Engelse kolonies in Noord-Amerika, spoedig de vrije Verenigde Staten, of werden tot Herders verontwaardiging daarheen of naar andere gebieden door hun eeuwig om geld verlegen vorsten als huursoldaten verkocht:

 
Und doch sind sie in ihrer Herren Dienst
 
So hündisch treu! Sie lassen willig sich
 
Zum Mississippi und Ohiostrom,
 
Nach Candia2 und nach dem Mohrenfels 3
 
Verkaufen. Stirbt der Sklave, streicht der Herr
 
Das Sold indes, und seine Witwe darbt.
 
Die Waisen ziehn den Pflug und hungern! - Doch
 
Das schadet nicht: der Herr braucht einen Schatz.’4
[p. 342]



illustratie

Rupert von Schumacher: Volk vor den Grenzen (Berlijn, 1937), p. 43
De verspreiding der Duitsers in de loop der eeuwen


In de negentiende eeuw trokken nieuwe groepen Duitsers weg. Russische keizers haalden hen naar Wolhynië (West-Rusland), naar de Oekraïne, de Krim en Bessarabië. Een deel van de Wolga-Duitsers verhuisde naar Siberië en naar delen van het huidige Roemenië. Wurtembergse Piëtisten bleven op weg naar het Heilige Land in de Kaukasus steken. Een andere Duitse godsdienstige secte, de Tempeliers, stichtte in de jaren zestig de eerste Duitse kolonies in Palestina. Veel groter aantallen Duitsers trokken, zowel om aan de ellende op het Duitse platteland als om aan de scherpe politieke reactie na de mislukte revolutie van 1848 te ontkomen, naar de Nieuwe Wereld: naar Canada, vooral naar de Verenigde Staten, naar Brazilië en Argentinië en naar Chili waar na 1852 een groot gebied in het Zuiden des lands door Duitse immigranten ijverig ontgonnen werd. Weer andere Duitsers trokken naar de Engelse en Nederlandse koloniën; zij zochten werk en brood in Amsterdam, Antwerpen, Parijs en Londen; zij vestigden zich, toen de eeuw haar einde naderde, in de Afrikaanse gebieden waar de Duitse vlag gehesen was: Togoland, Kameroen, Duits Zuidwest- en Duits Oost-Afrika. Bij elkaar waren het millioenen, vermoedelijk wel vijf of zes millioen die alleen al vanaf het begin van de negentiende eeuw tot aan het uitbreken van de eerste wereldoorlog de Duitse landen verlaten hadden.

Nu moeten wij bij al die zich door de eeuwen uitstrekkende kolonisaties twee hoofdtypen onderscheiden: de kolonisatie waarbij de ‘Duitsers’

[p. 343]

zich in gemeenschappen vestigden die over het algemeen op hetzelfde economische en culturele niveau stonden - een milieu waarin zij als ‘Duitsers’ dus geen hoger-staande, geprivilegeerde positie innamen, zodat zij zich in de regel vrij spoedig aan hun nieuwe omgeving assimileerden en in één of twee generaties hun ‘Duits’ karakter verloren - en de kolonisatie waarbij zich precies het tegengestelde voordeed, waarbij de ‘Duitsers’ zich dus in gemeenschappen vestigden die een veel lager economisch en cultureel niveau vertegenwoordigden; dan namen zij juist als ‘Duitsers’ een hoger-staande, geprivilegeerde positie in die zij natuurlijk trachtten te handhaven; dan weigerden zij zich aan hun nieuwe omgeving te assimileren maar trachtten zij de eeuwen door hun ‘Duits’ karakter op tal van wijzen te onderstrepen.

Tussen beide types kolonisatie, het assimilatie-type en het non-assimilatie-type, bestonden natuurlijk tal van overgangen. Van het assimilatie-type vormde de Duitse kolonisatie in de Verenigde Staten en in gebieden als Australië en Nieuw-Zeeland een treffend voorbeeld. ‘De geschiedenis van de Duitsers in Australië is de geschiedenis van hun opgaan in de Engelse omgeving’, schreef in de jaren twintig een hoogleraar van de universiteit in Melbourne1. Men zou van de Duitsers in de Verenigde Staten hetzelfde kunnen zeggen. In de achttiende en negentiende eeuw werden verschillende pogingen ondernomen, er een gesloten Duits gebied, een ‘Duitse’, bij de Unie aangesloten staat te vormen: in Wisconsin arriveerde één groep immigranten zelfs al met een klok voor het Kapitool van ‘hun’ staat en een verrekijker voor ‘hun’ sterrewacht2 - alle pogingen mislukten. Door het nieuwe, Amerikaanse milieu werden de Duitsers opgezogen. De immigranten zelf, van wie velen van Duitsland gewaagden ‘met de haat van bevrijde slaven’3, spraken nog Duits, lazen een Duits dag- of weekblad en waren lid van Duitse verenigingen, maar hun kinderen namen onmiddellijk het Engels over en voor de kleinkinderen was Duitsland een ver land waar grootvader en grootmoeder af-en-toe over praatten. Het tempo der assimilatie werd in de loop der negentiende eeuw steeds sneller. Het viel de Duitse historicus Oncken in het eerste decennium van de twintigste eeuw al op dat de Duitse burgers in Chicago en de Duitse boeren in het Midden-Westen geen Duitse boeken meer lazen.4

In Zuid-Amerika was de assimilatie minder geprononceerd. Het beschavingspeil der Duitsers stond er in de negentiende eeuw aanzienlijk boven dat van het gros der inheemse bevolking. De Duitse landbouw-

[p. 344]

kolonies in het oerwoud van Zuid-Brazilië of op de pampas van Noord-Argentinië hadden dan ook in de regel hun eigen Duitse scholen. Die Duitse voorsprong verdween naarmate het staatsgezag in de jonge republieken sterker werd en het algemeen ontwikkelingspeil steeg. Alleen in Zuid-Chili bleven de afstammelingen van de immigranten uit het midden der negentiende eeuw een aparte groep vormen; zij stonden als ondernemers, groothandelaren en zelfstandige boeren tussen de Spaanse aristocratie en het Indiaanse landbouwproletariaat in. Huwelijken met de Spanjaarden, laat staan met de Indianen, waren zeer zeldzaam.

Dat laatste type kolonisatie nu - de non-assimilatie - is over het algemeen gesproken de eeuwen door typerend geweest voor de positie der Duitsers in Oost-Europa. Overal waar zij zich op eigen initiatief als veroveraars - men denke aan de Duitse Orde in de Middeleeuwen - of op uitnodiging van inheemse vorsten in dat brede, door Slavische volkeren bewoonde gebied vestigden dat zich van de Finse Golf in een grote boog uitstrekte tot de Adriatische Zee, kwamen zij in de regel als dragers van een hogere beschaving. Hun wapenen waren beter. Zij beheersten de mijnbouw. Zij hadden ijzeren landbouwwerktuigen. Zij wisten hoe en waar men een dorp moest aanleggen, hoe men steden bouwde. Zij namen als vanzelf een bevoorrechte plaats in - òf als geprivilegeerde, doch andere bevolkingsgroepen niet onderdrukkende groep (Polen, Wolgagebied, Zuid-Rusland, Zevenburgen, Banaat), òf als hardvochtige heersers (Estland, Letland, Slowenië). In beide gevallen voelden zij zich verre verheven boven de inheemse bevolking. Zij distantieerden zich van al die ‘hun tijd verlummelende’, ‘achterlijke’ Esten, Letten, Polen, Tartaren, Kozakken, Oekraïners, Slowaken, Roemenen, Slowenen. Niet inziende hoezeer hun streven, de eigen privileges te handhaven, er toe bijdroeg dat die Slavische volkeren zich niet hoger konden ontwikkelen, gingen zij er prat op dat eerst zij in het Germaans-Slavisch grensgebied de moderne beschaving gebracht hadden. In veel gevallen was dat ook zo. Gebieden als de Hongaarse laagvlakte, het Banaat en de beboste heuvels van Zevenburgen en de Boekowina (Buchenland - het land der beuken) werden door Duitsers in cultuur gebracht. En met welke offers! Een oude spreuk der hardwerkende Duitse kolonisten zei:

 
Der Erste hat den Tod,
 
Der Zweite hat die Not,
 
Der Dritte erst das Brot.’

Dat was nauwelijks overdreven. Men heeft becijferd dat in de Duitse kolonie Sathmar in Noord-Hongarije die kort na 1710 gesticht werd, vier van de vijf kolonisten in de moeilijke beginperiode omkwamen.

De sociale tegenstelling tussen Duitsers en Slaven had naar beide kanten belangrijke psychologische gevolgen.

[p. 345]

De Duitsers waren en bleven doordrongen van hun superioriteit. Zij trachtten die op tal van wijzen te accentueren. Het is een merkwaardig feit dat de Hervorming in de zestiende eeuw aanzienlijk sneller bij de Duitsers in Estland, Letland en Zevenburgen doordrong dan in Duitsland zelf: door Lutheraans te worden onderscheidden de Duitsers zich in die landen opnieuw van de sociaal- en cultureel-achterlijke, goeddeels katholieke, ‘oorspronkelijke’ bevolking. Er groeide bij hen een gevoel van hovaardij dat van generatie op generatie overgedragen werd: zij waren knapper, kundiger, bekwamer, zij waren ‘de geboren heersers’.

Omgekeerd ontstond bij de eerst omlaag gedrukte, daarna omlaag-gehouden Slavische volksmassa's een diepe wrok tegen de vreemde ‘indringers’ en overheersers die als gezeten boeren en burgers, als grootgrondbezitters en hoge ambtenaren een bevoorrechte plaats in de maatschappij innamen.

Natuurlijk waren de verhoudingen nergens precies dezelfde. Soms deelden de Duitsers hun geprivilegeerde positie korte of lange tijd met andere groepen: met Zweden en Russen in Estland en Letland, met de Poolse adel in Polen, met de Italianen in Slowenië. Het resultaat was voor de Slavische volksmassa's hetzelfde. Hun lot werd vanaf het eerste begin hunner onderdrukking, al hun verzet ten spijt, steeds miserabeler. In Letland moesten de Lettische boeren in het eind van de dertiende eeuw drie tot vier dagen per week herendiensten verrichten op de landerijen van de Duitse grootgrondbezitters - twee eeuwen later waren het vijf tot zes dagen geworden; nogmaals een eeuw later waren zij tot lijfeigenen gedegradeerd wien het verboden was naar elders te trekken. Nog in het laatste kwart van de achttiende eeuw werden Letten en Esten in steden als Riga, waar de gezeten Duitse burgerij een behagelijk leven leidde, als slaven in het openbaar verkocht. ‘Ze zijn goedkoper dan nikkers in de Amerikaanse koloniën’, schreef een Duits predikant in 1777; ‘landarbeiders en hun kinderen worden gekocht en verkocht voor paarden, honden, pijpen enz.’1

De Slowenen en Kroaten waren door de uit Oostenrijk Zuidwaarts dringende Duitsers tegen het einde van de dertiende eeuw tot lijfeigenen gedegradeerd. Verschillende keren kwamen zij in opstand; telkens leden zij een bloedige nederlaag. Aan Keizer Maximiliaan de Tweede werd in 1573 door de aartsbisschop van Kroatië meegedeeld dat het vee in het land het beter had dan de onderworpen bevolking.2

Gecompliceerder was de ontwikkeling in Bohemen. Hier waren in de Middeleeuwen afwisselend Tsjechen en Duitsers de baas. Fel waren de Tsjechen gebeten op de machtige Duitse stedelingen die, zoals een pam-

[p. 346]

flettist schreef, ‘eerst voor kort in het land waren gedrongen, heimelijk als een vos, maar zich gereed maakten om als een leeuw te heersen, wanneer ze niet tot honden werden getemd.’1 De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) begon met een verpletterende nederlaag van de ten opstand gevlogen Protestantse Tsjechen:

‘Twee eeuwen lang hield Bohemen als staat op te bestaan... Drie-kwart van de bodem verwisselde van eigenaar. De nieuwe adel was bijna geheel buitenlands. [Keizer] Ferdinand was vastbesloten, uitsluitend Katholieken in het land te dulden. Hij werd kundig bijgestaan door zijn Duitse helpers wier godsdienstig fanatisme gepaard ging met hun erfelijke haat tegen de Slaven. De ongelukkige lijfeigenen konden het land niet eens verlaten, maar werden door hun nieuwe meesters met martelingen tot uiterlijke aanpassing gedwongen.’2
Onderwijs in het Tsjechisch werd verboden; het werd een taal, ‘alleen gesproken door boeren en arbeiders’3 - mede daarom door de superieure Duitsers zo hogelijk geminacht dat nog in 1848 in het Frankforter Parlement, toen de positie van Bohemen ter sprake kwam, door de Oostenrijkse voorzitter opgemerkt werd dat met mensen die er op stonden, Tsjechisch te spreken, niets te beginnen was; zo ‘extravagante denkbeelden’ zouden echter stellig geleidelijk verdwijnen.4

In Rusland had zich in de negentiende eeuw een sterke Duitse middenstand gevormd. De Duitse landbouwkolonies aan de Wolga en in het zuiden waren tot grote bloei gekomen - toonbeelden van ordelijkheid en welvaart op een nog goeddeels achterlijk platteland. Een gebied, gelijk aan drie-vierde van het landbouwareaal in het gehele Duitse Rijk, was vóór 1914 in handen van de Duits-Baltische baronnen en overige Duitse landeigenaren in het Keizerlijk Rusland. Er leefden bij de Zwarte Zee Duitse boerenfamilies die duizend vierkante kilometer vruchtbare grond bezaten. Van geslacht op geslacht spraken zij Duits. Nimmer huwelijkten zij hun zoons en dochters aan niet-Duitsers uit. Zij waren Lutheraans of Doopsgezind. Tot omstreeks 1880 hoefden zij geen militaire dienst te verrichten. Temidden van de arme, pas uit de lijfeigenschap opduikende Russische boerenmassa's vormden zij een kleine, hogelijk bevoorrechte minderheid.

In Polen was de Duits-Slavische tegenstelling bijzonder scherp.

Hier voegde zich in de loop van de negentiende eeuw naast de oude onderdrukking van Poolse boer door Duitse grootgrondbezitter de

[p. 347]

moderne van Poolse arbeider door Duitse ondernemer. In het industriegebied Opper-Silezië viel dat proces het duidelijkst waar te nemen. De Polen werden er als slaven beschouwd. Aan hun ontwikkeling werd niets gedaan. In 1854 achtte de Pruisische minister van binnenlandse zaken officiële publicaties in het Pools overbodig, ‘aangezien de Poolse boer toch niets leest’.1 Nog in het eind van de 19de eeuw was er in Opper-Silezië voor één-en-een-kwart millioen Polen geen enkele Poolse school. Tegenhanger was, dat van de tien rijkste Duitse millionnairs in het tweede Keizerrijk zeven grootgrondbezitters en industriëlen uit Opper-Silezië waren. Deze zeven bezaten er tezamen één vierde van alle landbouwgrond. Doch ook in andere, hoofdzakelijk door Polen bewoonde gebieden waren de Duitsers sinds eeuwen gehaat. Door hun eigen magnaten meedogenloos onderdrukt, hadden de Poolse lijfeigenen vanuit hun armelijke hutten het uitzicht op de welvarende dorpen van Duitse kolonisten; in de zeventiende en achttiende eeuw ontstonden twaalfhonderd van die dorpen in het gebied rond Posen, meer dan tweeduizend in Centraal-Polen: elk dorp een centrum van jaloezie en strijd in het dagelijks leven. Hoe keek de Duitse kolonist op de Polen, de ‘Slaven’, neer! ‘Jegens de brede massa van het vreemde volk was zijn instelling een durchaus herrenmässige.’2Niemcy Pany, a bydlo Polany’ (‘De Duitsers zijn meesters, maar de Polen vee’) was een bitter spreekwoord dat door heel Polen verbreid was.3

In de negentiende eeuw kwam in deze, voor de ganse Duits-Slavische zône karakteristieke strijdsituatie een nieuw element naar voren: de Slaven gingen met succes weerstand bieden. De maatschappelijke ontwikkeling bevorderde hun verzet. Wat had een fabrikant, wat had een generaal aan arbeiders of soldaten die lezen noch schrijven konden? In verschillende gevallen (de Romanows in Estland en Letland, sommige Habsburgers in Bohemen, Napoleon in Slowenië en Kroatië) werd door het staatsgezag tegen het verzet van delen van de heersende Duitse groep in, onderwijs in de geminachte, slechts van mond tot mond doorgegeven Slavische talen toegestaan. Er waren Duitsers, Herder was een hunner, die het een ereplicht achtten, het in de loop der eeuwen aan de Slaven begane onrecht goed te maken: hun stem was eenzaam als die van een Multatuli in Nederland. Overal moest de z.g. Slavische renaissance verbitterde weerstand der Duitsers overwinnen die vreesden hun overheersende positie voor altijd te zullen verliezen. Maar de renaissance, eenmaal op gang gekomen, was niet te stuiten. Van het platteland stroomden de uit lijfeigenschap bevrijde landarbeidersmassa's naar de steden. Ze richt-

[p. 348]

ten eigen kranten, eigen scholen, eigen bibliotheken op. Er vormde zich een bourgeoisie. Zij werden ‘volk’. De Slowenen die in 1870 voor het ganse onderwijs nog geen half dozijn leerboeken in hun eigen taal hadden en nog geen enkele atlas, bezaten in 1900 al twee goede gymnasia. Steden die de eeuwen door Duits geweest waren, veranderden in één, twee generaties volstrekt van karakter en werden Slavisch. Praag telde in 1815 50.000 Duitsers en 15.000 Tsjechen; in 1880 30.000 Duitsers en 126.000 Tsjechen. Waar in voorafgaande eeuwen veel Slaven in de Duitse steden ver-Germaniseerd waren (proces, dat in steden als Wenen en Berlijn voortging), daar liep nu in de Slavische landen en in Hongarije, waar een onstuimig Hongaars nationalisme tot ontwikkeling was gekomen, een deel van de Duitse stadsbevolking naar het Slavische kamp over. Op het platteland handhaafden de Duitse boeren echter in de regel hun Duits karakter en waar de Duitsers een duidelijk-afgescheiden groep vormden of in grote gesloten gebieden leefden, was eveneens hun neiging meestal sterk, hun nationaal karakter, in hun ogen teken van ‘natuurlijke’ superioriteit, niet op te geven.

Deze verwoede worsteling van Duitsers tegen Slaven en Hongaren, Slaven tegen Hongaren en Duitsers, Hongaren tegen Duitsers en Slaven ondermijnde in de negentiende eeuw de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Het staatsgezag dat zich met geen dier groepen kon identificeren, poogde alle tegen elkaar uit te spelen. Van decennium tot decennium voelden de Duitsers zich sterker door de Habsburgers in de steek gelaten. Een actieve minderheid toog aan het werk. Voor het behoud van de Duitse scholen werd in 1880 in Wenen de Deutscher Schulverein opgericht; andere verenigingen zoals de Südmark stelden zich ten doel, credieten te verschaffen aan Duitse boeren die in de omstreden gebieden in financiële moeilijkheden geraakt waren zodat het gevaar dreigde dat zij hun landerijen aan Tsjechen of Slowenen moesten verkopen. Deze steunbeweging droeg aanvankelijk een algemeen karakter: bij de oprichting van de Schulverein speelden bijvoorbeeld de socialisten Viktor Adler en Pernerstorfer een belangrijke rol; de beweging raakte echter meer-en-meer in ultra-nationalistisch vaarwater verzeild.

Dat was bij uitstek het geval in het Sudetengebied, het randgebied van Bohemen, Duits sinds de vroege Middeleeuwen - maar waar de Tsjechische arbeiders zich in de tweede helft der negentiende eeuw bij tienduizenden vestigden. Duitse en Duits-Joodse ondernemers trokken hen aan: zij waren goedkoper dan Duitse arbeidskrachten. Het inheemse Duitse handwerk werd met de ondergang bedreigd. Deze en dergelijke factoren waren het die er toe leidden dat kort na 1880 onder de Duitse handwerkers en middenstanders in Bohemen een politiek-getinte vakbeweging ontstond die anti-kapitalistisch, anti-Slavisch en antisemietisch was. Overeenkomstige tendenties tekenden zich elders in Oostenrijk-Hongarije onder de Duitsers af. Een van hun voormannen, Georg von

[p. 349]

Schoenerer, voerde er de Heil!-roep in. Het hakenkruis werd in 1889 door de Weense turners midden in hun vaandel geplaatst. Er waren in het Sudetengebied hotels en restaurants waar het ‘verboden toegang’ was voor ‘Tsjechen, Joden en honden.’ De Duitse studenten - zo vaak in de negentiende eeuw haantje-de-voorste bij grote omwentelingen - voerden omstreeks die tijd in hun corpora te Praag de Ariër-paragraaf in. Vijftien jaar later volgden bijna alle Duitse turnbonden in Oostenrijk en Bohemen hun voorbeeld, en in datzelfde jaar 1904 overwoog een, door zekere Hans Knirsch geleide, politieke beweging der in het nauw geraakte Duitse handwerkers en middenstanders, zich ‘nationaal-socialistisch’ te noemen. In Mei 1918, nog vóór het einde van de eerste wereldoorlog, deed zij die stap: in Wenen werd de Deutsche Nationalsozialistische Arbeiterpartei opgericht die juist in het Sudetengebied haar sterkste aanhang had.

Adolf Hitler stond toen nog aan het front.

 

٭

 

Aan de Beierse grens geboren als zoon van een Duits-Oostenrijks ambtenaar, was Hitler in een omgeving opgegroeid waarin de strijd voor het behoud van het Deutschtum veel jongeren uit kleinburgerlijk milieu in zijn ban geslagen had. Ofschoon hij Oostenrijker was, haatte hij Habsburg en vereerde hij Pruisen. Al op de lagere school bleek dat. ‘Daar zamelde men in voor Südmark en Schulverein, legde zijn gezindheid aan de dag met korenbloemen1 en zwart-rood-goude kleuren2, groette met ‘Heil’ en zong, alle waarschuwingen en straffen ten spijt, in plaats van het Kaiserlied liever ‘Deutschland über alles’.’3

Al voor zijn vertrek naar Wenen was Hitler ‘fanatiek Deutsch-nationaler’ geworden4. Von Schoenerer bewonderde hij om zijn fel anti-Slavische en anti-Joodse actie, later in de hoofdstad van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie burgemeester Lueger om het volleerd meesterschap van zijn massa-demagogie. Waar hij kwam - in Oostenrijk, in Hongarije - zag hij met smart dat de Duitsers hun bevoorrechte positie verloren. De Slaven moesten opnieuw, maar nu radicaal onderdrukt worden! Dat werd een voornaam element in zijn politieke denken - zijn leven lang grondtoon van vele van zijn uitlatingen. ‘De Corridor was en is Duits’, riep hij op de dag waarop de tweede wereldoorlog uitbrak, in de Rijksdag uit; ‘Al deze gebieden danken hun beschaving uitsluitend aan het Duitse volk, zonder hetwelk in deze Oostelijke gebieden de diepste barbarij zou heersen.’ In Rusland wilde hij Duitse boeren in steden concentreren die door een ring van prachtige dorpen omgeven zouden zijn.

[p. 350]

‘Wat dan komt’, zei hij in November '41 in vertrouwde kring, ‘is de andere wereld waarin wij de Russen zullen laten leven zoals zij dat wensen. Alleen: wij zullen de baas zijn. Doet zich een opstand voor, dan hoeven we op de betrokken steden alleen maar een paar bommen te smijten en de zaak is voor elkaar. Eenmaal per jaar wordt dan zo'n troep Kirgiezen door de Reichshauptstadt geleid om hun fantasie vol te stoppen met kracht en grootte van onze stenen gedenktekenen.’1 Een jaar later: ‘Wat die belachelijke honderd millioen Slaven betreft - we zullen de besten onder hen in een vorm gieten die ons past en we zullen de overigen in hun eigen varkenskotten isoleren; en iedereen die over vertroeteling en beschaving van de inboorling spreekt, verdwijnt linea recta naar een concentratiekamp!’2

Alle hoogmoed en geloof in eigen superioriteit die de Duitsers als groep in de Slavische gebieden eeuwenlang gekarakteriseerd hadden, al hun sinds het midden der negentiende eeuw gegroeide begeerte, die Slaven - onbeschaamde en onbeschaafde parvenus! - weer tot het peil van feitelijke lijfeigenen omlaag te drukken - zij werden als het ware gebundeld en toegespitst in het program dat Hitler verkondigde. Op het ressentiment waarmee hij zich in zijn jeugd volgezogen had, bouwde hij zijn politiek toen hij in zijn drie-en-veertigste levensjaar, met de sterkste politieke beweging in den lande achter zich, de absolute macht in Duitsland verwierf.

Hij was product van een historische ontwikkeling van eeuwen.

 

٭

 

De strijd die de Duitsers in gebieden als Estland en Letland, Bohemen en Slowenië voerden, had in Duitsland zelf in de negentiende eeuw nauwelijks aandacht getrokken. Met veel van die Duitse - wij kunnen beter zeggen: Volksduitse - groepen was alle contact verloren gegaan. De eerste Duitse bistoricus die zich voor de geschiedenis der Volksduitsers in Zevenburgen interesseerde, A.L. Schloezer, hoogleraar in Göttingen, ‘ontdekte’ hen eerst, toen hij in 1791 bij toeval twee boekjes las waarin van het bestaan dier Zevenburger ‘Saksers’ verteld werd die zich toen al bijna zes eeuwen lang in een vreemde omgeving hadden weten te handhaven. Eerst in de jaren veertig van de negentiende eeuw, toen de emigratie uit Duitsland schrikbarende vormen aannam, gingen meer geleerden zich voor het lot der ‘Duitsers’ buiten Duitsland interesseren. Zij kwamen in 1846 in Frankfurt in congres bijeen. Voorgesteld werd, een ‘Vereniging tot behoud der Duitse nationaliteit’ op te richten. Een commissie ging de

[p. 351]

stemming peilen: er werd niet voor gevoeld, vooral niet in de Verenigde Staten. Een tijdschrift werd opgericht, Germania, Archiv zur Kenntnis des deutschen Elements in allen Ländern der Erde - het was na drie jaar ter ziele. ‘Duitsland’ bestond toen nog slechts als geografisch begrip. Er was geen Duitse eenheidsstaat die zich het lot der Volksduitsers kon aantrekken.

Dat veranderde na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.

Consolidatie en vergroting van de macht van het Duitse Rijk was het beginsel van de politiek van Bismarck en zijn opvolgers. Zij wensten een sterk en homogeen Duitsland. Vandaar dat zij er toe overgingen, het eigen karakter aan te tasten van de nationale minderheden die in Duitsland woonden: Denen in Sleeswijk, Litauers in Oost-Pruisen, Polen in West-Pruisen, Posen en Silezië, Elzassers en Lotharingers in het aan Frankrijk ontnomen ‘Rijksland’ Elzas-Lotharingen. De op die minderheden uitgeoefende druk werd van omstreeks 1880 af steeds sterker.

In Elzas-Lotharingen werd getracht, de Franse culturele invloed te breken - met averechts resultaat: vooral de bourgeoisie verlangde er vurig naar het herstel van het Franse gezag, de boeren namen haar politiek ideaal over. ‘Er zijn’, klaagde een Duitser in 1907, ‘rijke boerendorpen waar vóór 1870 geen mens er aan gedacht zou hebben met zijn kinderen Frans te spreken, en waar dat thans als natuurlijk teken van welvaart en ontwikkeling beschouwd wordt.’1

In Oost-Pruisen werd verboden, de Litause minderheid onderwijs te geven in haar eigen taal.

In Sleeswijk mochten de Deense kinderen per week slechts vier uur godsdienstonderwijs in het Deens krijgen; alle andere lessen moesten in het Duits gegeven worden. In 1908 werd het gebruik van het Deens in openbare vergaderingen, gehouden in districten waar minder dan 60% Denen woonden, verboden. Systematisch probeerden de Duitsers Deense landerijen op te kopen. Weer bereikten zij het tegengestelde resultaat: meer-en-meer verlangden de Denen in Sleeswijk naar de dag waarop zij van de kleingeestige Pruisische tyrannie verlost zouden zijn.

Nog zwaarder dan de Denen hadden het de Polen te verduren in de landbouwprovincies West-Pruisen en Posen en in het industriegebied van Opper-Silezië. Naast de sociale tegenstelling die wij al schetsten, werd de religieuze - Lutheraanse Duitsers tegen Katholieke Polen - door Bismarcks strijd tegen de Katholieke kerk verscherpt. Bismark was het tevens die een aanvang maakte met het koloniseren van Duitsers in een strook die Brandenburg met Oost-Pruisen moest verbinden. Die politiek werd tot aan de eerste wereldoorlog voortgezet; 1,3 milliard Rm. werd besteed om 145.000 Duitsers anzusiedeln. Het was een schijnsucces: men had om

[p. 352]

land te krijgen meer van Duitse grootgrondbezitters dan van Polen gekocht en er waren uit het betrokken gebied tweemaal meer Duitsers naar andere delen van Duitsland waar zij meer konden verdienen, weggetrokken dan zich er nieuw gevestigd hadden. De Polen voelden echter door de gedwongen kolonisatie hun nationaal bestaan bedreigd; op ‘hun’ land verrezen de rijen rood-bakstenen kolonistenhuizen, ‘zorgvuldig naast elkaar en stram staand als een compagnie soldaten op parade’.1 Het Pools verzet nam toe - scherper werd de Duitse onderdrukking. Ook hier werd in districten waar minder dan 60% Polen woonden, in vergaderingen het gebruik van een andere taal dan het Duits verboden. In 1906 stak een orkaan van opwinding op toen het Pruisische bestuur in een deel van het gebied zelfs het godsdienstonderwijs in het Pools verbood.

Hoezeer echter Bismarck en zijn opvolgers aan de niet-Duitse minderheden in Duitsland met geweld hun nationaal karakter trachtten te ontnemen, zij sprongen niet voor de Volksduitsers buiten Duitsland in de bres. Moest Duitsland Rusland provoceren door protest aan te tekenen tegen de geforceerde Russificatie van de Oostzee-provincies waar de Duits-Balten het slachtoffer van dreigden te worden, of de alliantie met Oostenrijk-Hongarije in gevaar brengen door te eisen dat er een einde kwam aan de gedwongen Magyarisering van de Volksduitsers in Zevenburgen en het Banaat? Neen immers. ‘Wanneer de Duitsers in Hongarije of Zevenburgen reden tot beklag hebben, dan kunnen wij dat betreuren, maar’, aldus Bismarck in 1874, ‘wij zullen daardoor onze politieke betrekkingen met de regering van het land niet laten beïnvloeden en ons evenmin laten afbrengen van onze volstrekte onthouding van enige inmenging in zijn binnenlandse aangelegenheden.’ Toen de Hongaarse regering negen jaar later aanstoot nam aan een Berlijnse vergadering waar geprotesteerd was tegen de afschaffing van het Volksduitse middelbare onderwijs in Hongarije, trachtte Bismarck haar opnieuw gerust te stellen: ‘In een vereniging kan één professor’, merkte hij op, ‘meer praten dan tien ministers kunnen verantwoorden.’2 Voor Duitse emigranten had hij geen belangstelling: ‘Een Duitser die zich van zijn vaderland ontdoet als van een oude jas, is voor mij geen Duitser meer’, zei hij.3

Op dat laatste punt nam de Duitse regering kort voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog een ander standpunt in. De Duitse wet op het staatsburgerschap van 1913 maakte het mogelijk dat Duitse emigranten, hoewel zij burgers van andere staten werden, hun Duits burgerrecht behielden: hoe meer burgers, des te meer dienstplichtigen, dacht Berlijn.

[p. 353]

Het was een bevreemdend novum. Overigens waren Bismarcks opvolgers het met de IJzeren Kanselier eens, dat Duitsland voor de Volksduitsers die burgers waren van andere staten, niets kon doen. ‘Voor onze volksgenoten die volkenrechtelijk van ons gescheiden zijn, kunnen wij niet interveniëren’, zei Von Bülow in 1903.1 De werkzaamheid van de uit de Oostenrijkse Deutsche Schulverein voortgekomen Allgemeine Deutsche Schulverein, in 1881 opgericht, die zich in 1908 Verein für das Deutschtum im Ausland ging noemen, werd door de Duitse regeringen geduld, maar niet actief bevorderd: het duurde twintig jaar voor de statuten Koninklijke goedkeuring verwierven. De parolen van deze vereniging, laat staan die van het rabiaat Duits-chauvinistische en anti-Slavische Alldeutsche Verband vonden vóór 1914 in Duitsland slechts beperkte weerklank. In het ganse rijk had de Verein für das Deutschtum im Ausland in 1914 slechts 50.000 leden (de Deutsche Schulverein in het zoveel kleinere Oostenrijk had er 200.000). Het bestaan der Volksduitsers en hun worsteling tegen de Slaven was aan de massa van het Duitse volk onbekend. Het gebeurde vaak dat Volksduitsers uit Rusland en Polen als zij in Duitsland kwamen, met verbazing ontvangen werden: ook Duitsers? Daar had niemand ooit van gehoord:

 
Wie kommst du us Russland oder Polen?
 
Was wollt 'n dart mol hole?’
 
Mit Staune bar mer gsat2:
 
Der redt me mir jo grad!’3

٭

 

Voor Duitsland, de Volksduitse groepen buiten Duitsland en de onderlinge verhouding tussen Duitsland en die groepen had de eerste wereldoorlog belangrijke gevolgen.

In Duitsland voerden nationalistisch-chauvinistische parolen de boventoon. Het gevoel van verbondenheid met de Volksduitsers werd sterker. De historicus Lamprecht bepleitte in 1914 oprichting van een Reichsamt für äussere Kulturpolitik dat o.m. in de culturele bescherming van het Deutschtum, waar ook ter wereld, zijn taak moest vinden, de classicus Schmied-Kowarzik riep in 1916 tot de vorming op van een culturele Weltbund des Deutschtums. Een jaar later werd in Stuttgart het Deutsche Ausland-Institut geopend dat speciaal over de Duitse groepen die buiten Duitslands grenzen woonden, materiaal wilde verzamelen. In 1918 ont-

[p. 354]

ving de Verein für das Deutschtum im Ausland voor het eerst een belangrijke gift van de Keizer; veldmaarschalk von Hindenburg aanvaardde het erevoorzitterschap.

Van belang was voorts, dat voor het eerst honderdduizenden Duitsers, de officieren en soldaten namelijk van de Duitse legers, persoonlijk met Volksduitsers in contact kwamen. Zij ‘ontdekten’ steden als Riga en Dorpat waarvan het centrum hun volkomen ‘Duits’ aandeed, zij trokken op weg naar Servië door de Volksduitse kolonies in de Hongaarse laagvlakte en het Banaat, zij troffen tot hun verbazing in de Oekraïne ‘Duitse’ dorpen aan. Vaak ontvingen zij er hulp. In Letland en Estland steunde in 1915-1918 het Duitse militaire bewind grotendeels op de Duitse grootgrondbezitters en de Duitse stedelijke bourgeoisie die na een moeilijke periode van vervolging door het Russisch bewind bij herhaling Berlijn smeekten, beide landen bij Duitsland in te lijven; naar de opinie van Letten en Esten werd niet gevraagd. De Volksduitsers in Zuid-Rusland die ook al van 1914 af aan zware Russische druk bloot hadden gestaan - zij mochten in het publiek geen Duits meer spreken en hun uitgestrekte landerijen werden in 1915 onteigend - richtten eveneens tijdens de periode van Duitse bezetting (eind 1917 - eind 1918) een verzoek tot de Duitse regering, de Oekraïne en de Krim tot een aan Duitsland ondergeschikt gebied te maken waar zij (die in slechts enkele van de vele districten maximaal tien procent van de bevolking vormden) ‘als voorposten en pioniers van Duitsland’ zouden fungeren.1

Het jaar 1918 bracht de ineenstorting van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.

Aan zeer vele Rijksduitsers, Duitse staatsburgers, die in 1914 in den vreemde gewoond en gewerkt hadden en die in tal van oorlogvoerende landen bij tienduizenden geïnterneerd waren, ontviel daarmee de basis van hun bestaan. Hetzelfde gold voor de Duitsers die zich in de Duitse koloniën gevestigd hadden. De meeste leden van deze beide groepen, bij elkaar vele honderdduizenden - alleen al uit Elzas-Lotharingen ruim 150.000 -, werden gedwongen naar het verslagen Duitsland te repatriëren; men schatte de totale waarde van het in den vreemde onteigende Duitse bezit op tien milliard Rm. De verdrevenen vormden in de republiek van Weimar een haard van ontevredenheid.

In Noord- en Zuid-Amerika en in gebieden als Zuid-Afrika en Australië hadden de immigranten van Duitse afkomst tijdens de oorlog moeilijke jaren achter de rug gehad. Wie de taal van Wilhelm de Tweede sprak, was verdacht. Hang the Kaiser! Duitse scholen werden bij honderden gesloten. In de Verenigde Staten waar onhandige spionnage en sabotage, uitgevoerd door Duitse diplomaten en geheime agenten, alsmede pogin-

[p. 355]

gen, Mexico tot een inval in Texas en Californië te verleiden, veel kwaad bloed gezet hadden, werd de in 1901 opgerichte Deutsch-Amerikanische Nationalbund ontbonden. Er waren Duitse immigranten die voor de op hen uitgeoefende druk niet weken: dat zou verraad van hun vaderland betekend hebben waarmee zij zich, nu het in een dodelijke worsteling gewikkeld was, dubbel verbonden voelden. Bij de meeste immigranten leidde de eerste wereldoorlog echter tot versnelde assimilatie.

Nog groter effect had hetgeen aan Duitslands grenzen geschiedde.

De Duitse regering had tijdens de oorlog de druk op de vreemde minderheden versterkt. In de Elzas mocht in de laatste phase van de strijd op straat geen Frans meer gesproken worden. In Sleeswijk werden onwillige Denen bij honderden gearresteerd. De Polen werden zo onbarmhartig aangepakt dat zelfs de door het Poolse volk zo lang verbeide heroprichting van het Koninkrijk Polen (1916) een slag in de lucht bleef: het Duitse gouvernement had verwacht dat zich terstond een millioen dankbare Poolse recruten voor dienst in het Duitse leger zou melden; 1500 kwamen opdagen van wie men nog 750 moest afkeuren. In Oostenrijk-Hongarije waren de spanningen tussen het staatsgezag en de Slavische volksgroepen van jaar tot jaar gestegen. Waarom zouden Tsjechen en Slowenen voor een régime vechten dat hun nationale zelfstandigheid in de weg stond? Zij saboteerden, spionneerden en deserteerden. De reactie bleef niet uit: wie in Praag op straat Tsjechisch sprak, liep grote kans door de Oostenrijkse politie afgeranseld te worden.

Toen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije de wapens neerlegden, zagen al die niet-Duitse groepen die zoveel tientallen jaren of zoveel eeuwen lang te lijden hadden gehad van Duitse onderdrukking, hun kans schoon. In Elzas-Lotharingen werden de Franse bevrijders jubelend begroet. Denemarken lijfde Noord-Sleeswijk in. Esten, Letten en Litauers richtten eigen nationale staten op. De Poolse volksmassa's kwamen aan de Oostzeekust, in West-Pruisen, Posen, en Opper-Silezië in opstand. De Tsjechen constitueerden hun eigen republiek, de Slowenen grepen de macht in hun deel van de Duits-Slavische grenszône en sloten zich bij het nieuwe Koninkrijk Zuid-Slavië aan.

Er verliepen maanden, soms zelfs enkele jaren voor de nieuwe grenzen tot rust gekomen waren. Toen het zover was, had Duitsland zware verliezen geleden. Aan de Franse grens was Elzas-Lotharingen verloren gegaan. België, in 1914 slachtoffer geworden van een brutale inval, had om militair-geografische redenen de twee hoofdzakelijk door Duitsers bewoonde, Pruisische grensdistricten Eupen en Malmédy ingelijfd; de bevolking kreeg er niet de gelegenheid, in een vrije volksstemming de annexatie goed of af te keuren. Tegen de uitdrukkelijke wil der bewoners werd voorts het Saargebied tijdelijk van Duitsland gescheiden: daar zou na vijftien jaar een volksstemming plaats vinden. Sleeswijk, waar in het Zuidelijke gedeelte een Deense-, in het Noordelijke een Duitse minder-

[p. 356]



illustratie

Hans Krebs: Kampf in Böhmen (Berlijn, 1938), p. 108
Gevolgen van de vrede van Versailles


heid woonde, werd na een plebisciet in tweeën geknipt: Duitsland behield de Zuidelijke, maar verloor de Noordelijke helft. In het verlies van West-Pruisen en Posen moest het berusten. Danzig werd Vrijstaat. De Zuidelijke helft van Oost-Pruisen bleef na een volksstemming voor Duitsland behouden. Litauen eigende zich het hoofdzakelijk door Duitsers bewoonde Memelgebied toe: het meende de haven van Memel niet te kunnen missen. Opper-Silezië werd na twee, drie burgeroorlogen en een bewogen volksstemming eveneens in tweeën gedeeld: voor Duitsland de agrarische Westelijke -, voor Polen de industriële Oostelijke helft met rijke mijnen en machtige fabrieken - ‘ons werk’, zeiden de Duitse ondernemers; ‘neen, het onze’, was het antwoord der Poolse arbeiders.

In het desintegrerend Oostenrijk-Hongarije hadden de Sudetenduitsers die in de oorlog ontzaglijke offers gebracht hadden - van elke vijf gemobiliseerden waren er twee gesneuveld -, in November-December '18 een eigen republiek opgericht die zich bij Oostenrijk wilde aansluiten: alles liever dan onder de Tsjech te leven! De Tsjechen maakten er korte metten mee. Hun jonge legers bezetten alle grensdistricten, bij straatgevechten werden enkele tientallen Sudetenduitsers dodelijk getroffen. Oostenrijk, kleine, armzalige rompstaat van de eertijds machtige Dubbelmonarchie,

[p. 357]

wanhoopte aan de duurzaamheid van een zelfstandig bestaan. De Voorlopige Nationale Vergadering besloot zich bij Duitsland aan te sluiten: de overwinnaars verboden het categorisch. Nog in 1921 spraken zich in Tirol en Salzburg respectievelijk 99 en 93% van alle kiezers voor de Anschluss uit; het had geen effect. In Zuid-Oostenrijk, in de provincies Karinthië en Stiermarken, werd hard gevochten met Slowenen die Noordwaarts trachtten op te dringen. Zuid-Tirol, Duits sinds de vroege Middeleeuwen, werd door Italië geannexeerd dat zijn grens tot de Brennerpas wilde opschuiven.

Schokkende en pijnlijke ervaringen voor het Duitse volk! Wat zijn victorie voor andere volkeren betekend zou hebben, wat het, overwinnaar gebleven, Fransman en Belg, Pool en Litauer, Tsjech en Serviër, Sloween en Italiaan aangedaan zou hebben, vroeg het zich niet af. Het zag slechts de eigen bittere nederlaag, afloop van vier jaar strijd tegen een oppermachtige coalitie. Dat Elzas-Lotharingen, Eupen-Malmédy en Noord-Sleeswijk permanent en het Saargebied tijdelijk verloren waren gegaan, was erg genoeg - maar Danzig niet langer Duits! Memel Litaus! West-Pruisen, Posen, Oost-Opperr-Silezië Pools! Het Sudetengebied Tsjechisch! Zuid-Karinthië Sloweens! Zuid-Tirol Italiaans! Duitse boeren, Duitse burgers overgeleverd aan het gezag van volkeren die, meende men, eeuwen lang juist goed genoeg waren geweest, als land- en fabrieksarbeiders, als bedienden en employés te fungeren!

Men voelde het als een ondragelijke vernedering.

 

٭

 

De wijze waarop de Volksduitsers buiten Duitslands grenzen en in het bijzonder de Duitse bevolking van de gebieden waar het Duitse of Oostenrijks-Hongaarse gezag gegolden had, op de nieuwe toestand reageerdens werden zowel door hun historische ontwikkeling bepaald als door de behandeling die zij van de zijde der nieuwe gezagsdragers ondervonden. Eigenlijk waren beide factoren één. Dat was bij uitstek zichtbaar in de Slavische landen waar volkeren als Esten, Letten, Tsjechen en Slowenen, wier nationale ontwikkeling eeuwenlang door de Duitser tegengegaan was, onmogelijk konden dulden dat diezelfde Duitser zijn bevoorrechte positie handhaafde. Maar wat zij als historisch-gerechtvaardigde nivellering beschouwden, werd door hem als smadelijke en onverdiende degradatie gevoeld. Soms was trouwens van nivellering geen sprake, maar gingen de Slavische volkeren verder: zij wilden de Duitser kwijt. Te lang al had hij in ‘hun’ land gewoond! Dat parool klonk vooral in Polen.

Het kan niet in ons voornemen liggen, gedetailleerd weer te geven hoe zich na het einde van de eerste wereldoorlog de situatie in de verschillende landen en gebieden ontwikkelde waar groepen Duitsers woonden. Wij moeten kort samenvatten en willen daarbij het accent laten vallen op de algemene gezindheid der betrokken groepen.

[p. 358]

Vier hoofdzakelijk of uitsluitend ‘Duitse’ grensgebieden waren er die Duitsland bij de Vrede van Versailles had moeten afstaan: het Saargebied, Eupen-Malmédy, Danzig, Memel. Van deze zouden het Saargebied (met ca. 800.000 Duitsers)1, Danzig (350.000 Duitsers) en Memel (60.000 Duitsers) zich bij vrije stemming al in de jaren twintig met overweldigende meerderheid bij Duitsland aangesloten hebben. Vooral in Memel was de verbittering tegen de Litauers groot die de oude havenstad aan de Oostzee in 1923 bij verrassing bezet hadden - tevoren hadden Franse troepen er de orde gehandhaafd - en die de Duitse volksgroep op tal van wijzen dwars zaten. In de door België geannexeerde grensdistricten Eupen en Malmédy was de ‘Volksduitse’ groep (50.000 personen) die aanvankelijk de meerderheid der bevolking vormde, door geforceerde Belgische ‘immigratie’ minderheid geworden.

Hoe werd de stemming in de Elzas?

De Elzasser bevolking was in grote meerderheid Duits van oorsprong en sprak ook Duits; zij voelde Frans. Met grote vreugde had zij in 1918 de ‘Pruisen’ zien verdwijnen. Haar vreugde bleef niet onvermengd. Het Franse bestuur, door ultra-Fransgezinde Elzassers aangemoedigd, bevorderde uit alle macht het onderwijs in het Frans. Daartegen rezen protesten. Vanaf omstreeks 1925 ontwikkelde zich een vrij sterke beweging die culturele autonomie eiste.

Dan had Duitsland na de verloren oorlog aan twee landen gebieden moeten afstaan waar in 1918 een Duitse minderheid woonde: Noord-Sleeswijk aan Denemarken, West-Pruisen (de Poolse Corridor), Posen en Oost- Opper-Silezië aan Polen. De Denen behandelden de Volksduitse minderheid (30.000 personen) behoorlijk; ze bestond uit Duitsers die op zichzelf liever onder Duits bestuur leefden, en een zekere mate van ontevredenheid was er dus wel, maar ze droeg geen heftig karakter. Anders in Polen! Daar had de Volksduitse minderheid zich in 1918-1919 met hand en tand tegen de vestiging van het Pools gezag verzet. Alleen al in Posen waren duizend Duitse vrijwilligers gesneuveld, in Opper-Silezië zeshonderd. De Polen hadden de strijd gewonnen en onmiddellijk was de aanval op het Deutschtum ingezet. In ruim tien jaar tijd was van de oorspronkelijke Duitse stadsbevolking meer dan drie-vijfde, van de landelijke bevolking twee-vijfde naar Duitsland vertrokken. Vier-vijfde van het Duitse grootgrondbezit was onteigend. Dat zich van de Volksduitsers die alle druk ten spijt in Polen bleven wonen (¾ à 1 millioen), een stemming van recalcitrantie en verbittering meester maakte, sprak vanzelf.

Nòg een groep Duitsers had als gevolg van de Vrede van Versailles het verband met het Duitse Rijk verloren: de Kolonialdeutschen in Zuidwest-Afrika (12.000 personen). Ook zij waren ontevreden omdat zij hun bevoor-

[p. 359]

rechte positie als kolonisten met blanke immigranten uit het mandaatsland Zuid-Afrika moesten delen bij wie zij in veel opzichten ten achter gesteld werden. Zuid-Afrika oogstte, meenden zij, wat Duitsland gezaaid had: waaide de Duitse vlag maar weer boven Windhoek en Lüderitzbucht!

In al deze gevallen had reeds tijdens de republiek van Weimar de Duitse volksgroep - minderheidsgroep behalve in het Saargebied, Danzig en Memel - maar één hartewens: herstel van het Duitse gezag.

Hoe was de stemming in de Duitse gebieden die deel geweest waren van de oude Oostenrijks-Hongaarse monarchie, te weten: Oostenrijkzelf, het Sudetengebied en Zuid-Tirol?

Aan Oostenrijk was de Anschluss bij Duitsland strikt verboden. Voor de wenselijkheid daarvan bleven zich alle grote partijen in hun programma's uitspreken. In de loop van de jaren twintig raakte de Anschluss-gedachte echter op de achtergrond: de stijgende spanningen tussen het socialistische Wenen en het clericale platteland eisten steeds meer aandacht op.

De Sudetenduitse bevolking kon het ‘verraad’ der Tsjechen in de eerste wereldoorlog en het falen van haar poging tot verwerving der zelfstandigheid niet verkroppen. Ook hier werd een aanzienlijk deel van het Duitse grootgrondbezit, zij het tegen behoorlijke vergoeding, geliquideerd. Het ergerde de Sudetenduitsers dat de Tsjechen hun pogingen voortzetten, met eigen volksgroepen in het voor de jonge republiek uit economisch en militair oogpunt belangrijke grensgebied door te dringen. In tal van steden en dorpen werd de dagelijkse verbitterde strijd tussen Sudetenduitsers en Tsjechen voortgezet. In het Praagse parlement hadden de Sudetenduitsers hun eigen partijen; van hun afgevaardigden verstond meer dan de helft geen woord Tsjechisch. Deze grote groep van ruim drie millioen Duits-sprekende en Duits-gezinde mensen had het gevoel dat zij zich wel moest schikken in haar lot; willig ging het niet.

De Duitse bevolking van Zuid-Tirol tenslotte - in de Noordelijke dalen geconcentreerd: de Zuidelijke helft was Italiaans - werd sinds de vestiging van het fascistische bewind met dwang en geweld ver-Italianiseerd. Zelfs de aanduiding ‘Zuid-Tirol’ werd verboden: Alto Adige moest het heten. De Duitsers (280.000 personen) vormden er, aldus Mussolini, ‘geen minderheid maar een ethnisch reliek - overblijfsel van barbaarse invallen tijdens vroegere veldtochten.’1 Hun behandeling was navenant.

Wij gaan verder.

Zoals wij zagen, hadden zich in de Middeleeuwen en in de achttiende en negentiende eeuw temidden van tal van Slavische volkeren en in Hongarije grote groepen ‘Duitsers’ gevestigd (‘non-assimilanten’), die òf een uitgesproken overheersende òf een bevoorrechte positie innamen.

[p. 360]

Het eerste was het geval in het latere Estland en Letland, het tweede in Rusland, Hongarije, Roemenië en Zuid-Slavië.

Overal kregen deze Duitsers het na de eerste wereldoorlog, van hun standpunt uit bekeken, zwaar te verduren.

In Estland (18.000 Duitsers) en Letland (65.000 Duitsers) werden hun sociale en politieke privileges afgeschaft. In Letland hadden ruim 1000 Duitse grootgrondbezitters bijna de helft van de bodem bezeten; de jonge republiek ging tot grootscheepse onteigening over, het land werd onder Lettische landarbeiders verdeeld. Duitse ‘baronnen’ die duizend of tienduizend ha hun eigendom genoemd hadden, mochten blij zijn indien zij als eigenaar van 50 hectare in hun koetshuis konden blijven wonen. Ook de Duitse bourgeoisie in de steden verloor haar voorrechten. Veel Duitsers vertrokken, de overblijvenden pasten zich geresigneerd maar moedeloos aan de nieuwe verhoudingen aan. Bahr die in 1913 in zijn vaderstad Mitau aan de Oostzee nog 12.000 Duitsers aangetroffen had, vond er, toen hij in 1930 terugkwam, nog maar 2600, 1130 ouder dan 50 jaar; er waren meer grijsaards boven de 70 dan jongens beneden de 10.1

In Hongarije leden de Volksduitsers (550.000 personen) onder de culturele druk die op hen uitgeoefend werd. Minderheidsrechten werden hun niet gegund. Zij hadden enkele eigen lagere scholen; middelbare scholen ontbraken.Aparte politieke vertegen woordiging werd hun niet toegestaan.

Ook in Roemenië moesten de Volksduitsers (750.000 personen) offers brengen. Een deel van hun grootgrondbezit - in Zevenburgen gedeeltelijk eigendom van de oude Duitse gemeenschappen - werd onteigend, onderwijs in het Duits tegengegaan.

In Zuid-Slavië was de druk op de Volksduitsers (600.000 personen) nog sterker. Er waren nog lagere scholen waar in het Duits onderwijs werd gegeven; Duitse middelbare of kweekscholen waren er niet. De Volksduitsers gaven de strijd niet op. Zij vochten ‘om iedere klas, om iedere leerkracht, om ieder kind, om ieder leerboek en om ieder uur les in het Duits.’2 Hevig was de worsteling vooral in Slowenië waar de door de Duitsers zo lang onderdrukte Slowenen - verontwaardigd dat aan de overzijde van de grens aan de Sloweense minderheid in Oostenrijk geen spoor van zelfstandigheid gegund werd - op alle Duitse instellingen storm liepen. De stedelijke Duitse bourgeoisie werd met de ondergang bedreigd. In Marburg waren in 1910 van 26.000 inwoners 23.000 Duitsers; in 1930 waren er nog maar 10.000 over. Zij bezaten nog een eigen dagblad maar dat mocht de Duitse naam van de stad niet langer in de kop voeren: ‘Maribor’ moest het zijn, zoals de Slowenen het noemden.

Hoe was het in de Sowjet-Unie?

Door en na de Russische revolutie waren de meeste Duitse middenstanders uit de Russische steden verdwenen. Velen vluchtten naar Duits-

[p. 361]

land. In de Oekraïne, aan de Oostzee en in het Wolgagebied raakte de gezeten Duitse boerenstand in het nauw. Hij moest over het algemeen van het bolsjewisme niets weten. Van 1880 af waren al zoveel plechtig toegezegde privileges verloren gegaan, hetgeen toen al tot grootscheepse emigratie der Russlanddeutschen geleid had - nu dreigde ook nog de opheffing van de particuliere eigendom. In de burgeroorlog vochten veel Duitsers tegen het Rode Leger. Vergeefs! De communisten bleven overwinnaar. Na de burgeroorlog teisterde hongersnood de Volksduitse gebieden, na de hongersnood kwam de collectivisatie van de landbouw, na de collectivisatie weer een hongersnood. Van 1,1 millioen Volksduitsers aan Wolga, Don, Dnjepr en Zwarte-Zee-kust waren in 1926 nog 760.000 over. In de Wolga-Duitse republiek waren toen naar verhouding onder de Russen bijna zeven maal meer communisten dan onder de Volksduitsers. Dat was nog vóór de strijd tegen de ‘koelakken’ begon, waarbij talloze Volksduitsers naar Siberië verbannen werden, volgens een Engels reiziger die in 1936 het gebied bezocht, één vijfde van de gehele groep.1 Diep was de verbittering der overgeblevenen wier voorouders, zo zagen zij het, een kale steppe tot de korenschuur van het Keizerlijk Rusland omgetoverd hadden. Zeer velen hadden na 1917 getracht, de Sowjet-Unie te verlaten. Omstreeks 20.000 Doopsgezinden togen in de eerste helft van de jaren twintig via Duitsland naar Canada, 5.000 volgden in 1929, van wie weer een gedeelte naar Mexico, een ander gedeelte naar Paraguay verder trok.

Tot zover ons beknopt overzicht. Vatten wij het samen.

Nog vóór Hitler aan de macht gekomen was, begeerde Oostenrijk de Anschluss. De Duitsers in het Saargebied, Eupen-Malmédy, Danzig en Memel wilden ‘heim ins Reich’. De Duitsers in Zuidwest-Afrika zagen het mandaatsgebied graag weer als Duitse kolonie. De Duitsers in Noord-Sleeswijk, de Poolse Corridor, Posen en Oost-Opper-Silezië, in het Sudetengebied en Zuid-Tirol, in Estland, Letland, Hongarije, Roemenië, Zuid-Slavië en de Sowjet-Unie voelden zich, hier sterker, daar zwakker, als minderheid verdrukt; in een enkel geval (Noord-Sleeswijk) hadden zij weinig klachten, in de meeste andere legio. Tevreden waren zij nergens. Allen bejammerden zij een verleden waarin zij het juist als Duitsers beter of zelfs uitstekend gehad hadden. Sommigen van deze non-assimilanten schikten zich in hun lot, doch ongaarne; anderen protesteerden en konden de hoop niet opgeven dat de rollen spoedig verwisseld zouden worden.

 

٭

 

Laat ons thans zien hoe na de eerste wereldoorlog de verhoudingen kwamen te liggen in die gebieden waar de Duitsers zich als immigranten in de regel wèl aan hun nieuwe omgeving assimileerden.

[p. 362]

In de Verenigde Staten liep het aantal Duitsers die nog Duits spraken, snel terug. In verreweg de meeste Duitse verenigingen werd Engels de voertaal. Waren er in 1890 nog 1000 Duitse dagbladen en periodieken geweest, in 1926 telde men slechts 275. Knirsch die wij reeds als organisator van de eerste nationaal-socialistische beweging in het Sudetengebied tegenkwamen, reisde in de jaren twintig naar Amerika om de uit Tsjechoslowakije geëmigreerde Duitsers er toe te brengen, steun te verlenen aan de strijd van hun achtergebleven landgenoten tegen de Tsjechoslowaakse republiek; zijn actie wekte geen weerklank en hij keerde teleurgesteld naar Europa terug. Tien jaar later ging een andere Duitser in Philadelphia - stad waar Duitse immigranten en groepen in de negentiende eeuw een grote rol gespeeld hadden - op zoek naar het Deutschtum:

‘Men vindt tenslotte een Duits orgaan dat zich nauwelijks kan handhaven, men vindt een nagenoeg vergeten bibliotheek, en als men geluk heeft en ver genoeg weggaat van de belangrijkste straten en pleinen, naar de wijken van de kleine luyden, dan kan men nog wel eens op een Zondag uit een bakstenen kerk de magere klank horen opstijgen van een Duitse psalm, waarin de stevige en heldere stemmen van de jeugd ontbreken. En als men lang genoeg navraag doet, dan kan men nog wel te weten komen, waar af en toe de uit een bepaald Duits gebied afkomstige mannen bijeenkomen, en waar het lokaal ligt van een Duitse mannenzangvereniging.’1
Al na de eerste wereldoorlog voorspelden sommige Duitsers mistroostig dat in Amerika over een eeuw alleen nog maar de grafstenen Duits zouden spreken. De Duitsers die er zich vóór 1914 gevestigd hadden, waren inderdaad grotendeels ver-Amerikaniseerd. Het ver-Amerikaniserings-proces moest echter nog beginnen bij de ‘nieuwe’ Duitse immigranten: diegenen die in de republiek van Weimar geen bestaan hadden kunnen vinden. Zij telden een half millioen en velen hunner hadden het in de Verenigde Staten niet gemakkelijk.

In Zuid-Amerika verliep de assimilatie langzamer. Toen zich de economische wereldcrisis ging aftekenen, zaten tienduizenden Duitse immigranten ook hier spoedig in ernstige moelijkheden. Zij hadden verwacht, als zelfstandig kolonist in het oerwoud te kunnen slagen; teleurgesteld en berooid zakten zij af naar steden als Buenos Aires en Rio de Janeiro.

Onder hen was het dat zich de eerste buitenlandse Ortsgruppen vormden van de NSDAP.

 

٭

 

Voor de lotgevallen van de Duitsers buiten Duitslands grenzen had, zoals wij zagen, het Duitse volk vóór de eerste wereldoorlog slechts geringe belangstelling gekoesterd. Dat werd na 1918 anders!

[p. 363]

In verschillende grensstreken werd heftig gevochten, in Opper-Silezië met de Polen, in Zuid-Oostenrijk met de Slowenen. Duizenden Duitse vrijwilligers, meest jeugdige nationalisten, reisden er heen en traden tot de losse militaire formaties toe, de z.g. Freikorpse, die zich ook bij tientallen in Duitsland zelf vormden voor de strijd tegen de communisten en linkse socialisten. Talrijke latere nationaal-socialisten kregen er hun eerste scholing in bruut en gewelddadig optreden. Met de volksstemmingen die in de jaren 1920-1922 in bepaalde omstreden gebieden gehouden werden (Noord-Sleeswijk, de Zuidelijke helft van Oost-Pruisen, Opper-Silezië, een Hongaars grensdistrict en een gedeelte van Karinthië), leefde men intens mee: dan stoomden telkens honderden stampvolle treinen door het land om de stemgerechtigden - in de regel mochten diegenen die vóór een bepaalde datum in het omstreden gebied geboren waren, of zij er nog woonden of niet, aan het plebisciet deelnemen - naar de grensdistricten te brengen waar de beslissing vallen moest. De omvangrijke actie om die gebieden voor Duitsland te behouden, werd door een apart lichaam geleid, de in Mei 1919 opgerichte Deutsche Schutzbund, die een enorme werkzaamheid ontplooide. Millioenen Duitsers voelden zich innig met de Grenzdeutschen verbonden. Men bejammerde hun lot; men betreurde hun verlies. Sterker nog: de strijd aan de grenzen wekte een levendige belangstelling voor de Duitsers die nog verder van huis woonden. Aan de Grenzdeutschen ontdekte men de Auslandsdeutschen. Het gevoel, door de wereldgeschiedenis te kort gedaan, bij ‘de verdeling van de aarde’ te laat aan bod gekomen te zijn, droeg er toe bij dat men al die in den vreemde wonende Duitse groepen zien ging als resten van een glorieus, maar niet voor altijd afgesloten verleden.

De uit de grensdistricten verdrevenen stimuleerden dat gevoel; zij knoopten langs geheime wegen weer contact aan met gelijkgezinden in de gebieden die verloren waren gegaan, gaven hun financiële en andere steun, rieden hun aan, op verlening van autonomie aan te dringen die weer grondslag kon zijn voor verdere eisen. IJverig werden de wetenschappelijke gegevens verzameld die de ‘historische rechten’ der Duitsers ‘bewijzen’ moesten. Aan een dozijn Universiteiten kwam het tot oprichting van speciale instituten die zich op de geschiedenis van bepaalde Duitse groepen in den vreemde specialiseerden. Het Deutsche Ausland-Institut in Stuttgart sloeg met een staf van zestig personen de vleugels wijd uit en had in 1932 al tegen de vijftig publicaties doen verschijnen. Ook de Verein für das Deutschtum im Ausland ging een ongekende bloei tegemoet. Zij had in 1929 3.000 plaatselijke afdelingen en meer dan 5.000 scholierengroepen, per jaar gaf zij toen 2,5 millioen Rm. uit. Het aantal boeken en brochures dat aan de lotgevallen der Auslandsdeutschen gewijd werd, liep in de duizenden. Er ontstond een vrij algemeen aanvaarde, alleen in communistische en sommige socialistische kringen verworpen overtuiging dat er ‘eigenlijk’ 100 millioen Duitsers op aarde woonden: 65 millioen in

[p. 364]

Duitsland, 35 millioen er buiten. Geleerden kronkelden zich in duizend bochten om te betogen dat Duits-sprekende Zwitsers, Elzassers en Luxemburgers, als men de zaak goed bekeek, Duitsers waren; statistieken werden nageplozen om te becijferen hoeveel kinderen en kindskinderen van Duitse immigranten er in de Verenigde Staten woonden - allemaal ‘Duitsers’. Ein Hundertmillionevolk! Welk een glorie straalde daarvan af! Welk een streling wekte dat trotse begrip!

Maar hoe smadelijk, hoe onbillijk werden millioenen leden van dat Hundertmillionevolk in den vreemde bejegend! In gebieden die zij, en zij alléén, tot bloei hadden gebracht, werden zij vervolgd en opgejaagd - mest (‘Kulturdünger’), die ondergeploegd werd door ondankbare Slaven en Hongaren. Men beaamde de protesten der verdrukte Duitse minderheden, men steunde de pressie op de Volkenbond die door hun federatief verbond, het in 1923 in het leven geroepen Verband der deutschen Volksgruppen in Europa, uitgeoefend werd, men wijdde veel aandacht aan het Congres van Europese Nationale Minderheden dat in 1925 voor het eerst bijeenkwam en waar vertegenwoordigers van tal van andere groepen voor hun klachten aandacht vroegen.

Er stak in al die belangstelling bij sommigen eerlijke bewogenheid met het lot der minderheden, oprechte verontwaardiging over de traagheid waarmee de Volkenbond die voor een fatsoenlijke behandeling dier minderheden garant stond, hun klachten en protesten in onderzoek nam - een onderzoek dat vrijwel steeds door de onwillige houding van de betrokken regering op niets uitliep. Hoe kunnen Duitsers ooit chauvinisten zijn, vroeg Oncken zich in 1926 af: ‘tegenover de caricaturen van een bekrompen nationalisme is het onze roeping, de onsterfelijke zaak der gerechtigheid, der culturele autonomie en van het recht der minderheden... te vertegenwoordigen en daarmee een morele zendingsgedachte onder de volkeren te brengen.’1

Er waren Duitsers die er anders over dachten. ‘Onsterfelijke zaak der gerechtigheid?’ Quatsch! In de geschiedenis gold slechts het recht van de sterkste. Systematisch moest men ter vergroting van het schuldgevoel der overwinnaars de publieke opinie in het buitenland op de slechte behandeling der minderheden wijzen. Van dat vaste punt kon men gebruik maken om het ganse systeem der naoorlogse vredesverdragen uit zijn voegen te lichten. In het verlies van de Elzas, Eupen-Malmédy, Danzig, Memel, de Corridor, Posen en Oost-Opper-Silezië mocht en zou men niet berusten, evenmin in dat der koloniën. Nu was Duitsland nog zwak - eens zou het weer sterk zijn.

Onder de bewogen oppervlakte van het staatkundig en cultureel leven

[p. 365]

in de Weimar-republiek, onder het schuim dat daar rondvloog en de snelle kolken die er zich vormden, werd van jaar tot jaar de onderstroming sterker die de geesten van millioenen stuwde in de richting van revanche.

 

٭

 

Het was de NSDAP waarin deze revanche-gedachte het sterkst leefde. Dat werd vaak ontkend, maar wie de SA zag marcheren, wist al beter. Geenszins toevallig was het, dat van meet af aan in deze partij figuren een vooraanstaande rol speelden die een groot deel van hun vorming als leden van Duitse groepen ontvangen hadden die in de verdrukking waren geraakt. Hitler, wij zagen dat reeds, was een typische Duitse nationalist en antisemiet uit Oostenrijk. Rudolf Hess, zijn plaatsvervanger, was in Egypte opgegroeid als zoon van een Duits koopman die in de eerste wereldoorlog al zijn bezittingen verloor. Hermann Goering had zijn halve jeugd in Oostenrijk doorgebracht; zijn vader was gouverneur geweest van Duits Zuidwest-Afrika. Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkische Beobachter, stamde uit het Estlandse Reval. Richard Walter Darré die het nationaal-socialistische landbouwprogram ontwikkelde en in 1933 minister van voedselvoorziening en landbouw werd, was in Argentinië geboren; de wieg van zijn naaste medewerker, Staatssekretär Herbert Backe, had in de Kaukasus gestaan.

Hoezeer in Duitsland zelf het nationaal-socialisme ook een uitvloeisel, beter: samen-vloeisel was van geestelijke stromingen van welke sommige al in het begin van de negentiende eeuw zichtbaar geworden waren, - als synthese van anti-kapitalistisch, antisemietisch, door ressentiment bepaald, ‘herrenmässig’ denken had het zich het eerst in de oude Oostenrijks-Hongaarse monarchie getoond, in Wenen, vooral echter in het Sudetengebied.1 Het was er de fanatieke strijd-ideologie van een minderheid die zich achteruit gezet voelde - ideologie, die millioenen burgers van Duitsland eerst in haar ban ging slaan toen de gevoelssituatie waarin zij zich bevonden, te vergelijken was met die van de Oostenrijkse en Sudetenduitse handwerkers en middenstanders omstreeks de eeuwwisseling. Dat vergde tijd. In het begin van de jaren twintig was het nationaal-socialisme zowel in Oostenrijk als in het Sudetengebied sterker dan in Duitsland. De Oostenrijkse en Sudetenduitse nationaal-socialistische leiders voelden zich aanvankelijk Hitlers gelijken. Nog voor Hitler lid werd van de kleine nationaal-socialistische partij die in München ontstaan was, trachtte hij toe te treden tot de Ortsgruppe Linz van de Deutsche Nationalsozialistische

[p. 366]

Arbeiterpartei in Oostenrijk.1 Niet Hitler, maar dr Walther Riehl, leider van deze Oostenrijkse DNSAP, was voorzitter van het internationaal contactbureau van Duitse, Sudetenduitse en Oostenrijkse nationaal-socialisten dat in 1919 in Wenen opgericht en in 1920 naar Salzburg verplaatst werd, en toen Hitlers NSDAP na de mislukte Putsch van November 1923 uiteengeslagen was, waren het de leiders der Sudetenduitse DNSAP die de eerste fondsen verstrekten voor de heropbouw. Hun partij schrompelde ook nimmer tot de kleine secte ineen die van de Duitse NSDAP na de November-Putsch restte. De Sudetenduitse nationaal-socialisten voor wie figuren als Goebbels en Frick herhaaldelijk als spreker optraden, hadden in de Tsjechoslowaakse republiek nimmer minder dan ca. 10% van alle kiezers achter zich en de coalitie die zij in 1929 met de Deutsch-Nationale Partei vormden, verwierf in dat jaar een derde van alle stemmen en was daarmee veruit de sterkste politieke groepering der Sudetenduitse minderheid geworden.

Doch ook bij andere Duitse groepen in den vreemde had, nog voor Hitler aan de macht gekomen was, het nationaal-socialisme wortel geschoten.

In het Saargebied vormden de NSDAP-ers een kleine, maar actieve groep. In Eupen-Malmédy was hetzelfde het geval. In de Vrijstaat Danzig had de NSDAP in de herfst van 1932 een zesde van alle stemmen verworven. In Memel was in 1928 een nationaal-socialistische beweging ontstaan die echter op instructie van de leiding der NSDAP nog slechts in het geheim werkzaam was. In de Elzas stonden jeugdige leiders van de autonomistische beweging al van 1925 af met de Duitse NSDAP in contact. In Zuidwest-Afrika hadden zich enkele Ortsgruppen van de NSDAP geformeerd.

In Oostenrijk waar de Deutsche Nationalsozialistische Arbeiterpartei omstreeks 1925 uiteengevallen was in verschillende, elkaar bestrijdende splinter-groeperingen, had de NSDAP (Hitlerbewegung) die uit München haar directieven ontving, van 1930 af een hoge vlucht genomen; zij had eind 1932 vermoedelijk omstreeks een vijfde van de bevolking achter zich. In Zuid-Tirol werd door de NSDAP geen actie gevoerd: Hitler stond van meet af aan op het standpunt dat men terwille van een bondgenootschap met het fascistische Italië dat gebied moest prijsgeven.

In de Slavische grensstaten en in Hongarije was van doordringen van het nationaal-socialisme bij de Duitse minderheden nog weinig gebleken. Estland en Roemenië vormden de enige uitzondering. In Estland was in 1932 binnen de Deutsch-Baltische Partei een nationaal-socialistische groepering ontstaan en uit het Roemeense Zevenburgen had een gediscrediteerd leider van de oude Duitse groep, dr Karl Wolff, al in 1920 een volgeling, Rittmeister Fritz Fabritius die al vóór de eerste wereldoorlog een antisemie-

[p. 367]

tische jeugdgroep geleid had, naar Duitsland gestuurd om er, zei hij, ‘mensen te zoeken die nog in de Duitse toekomst geloven.’1 Als enthousiast volgeling van Hitler was Fabritius naar Zevenburgen teruggekeerd. Mein Kampf werd dr Wolffs ‘dagelijkse lectuur’2. Reeds in 1923 gingen van elk nummer van de Völkische Beobachter twaalf stuks naar Zevenburgen ‘waarvan elk exemplaar door zeer veel handen ging.’3 Wolff en Fabritius riepen de door de Roemenen in het nauw gebrachte Volksduitsers op, een eenheidsfront te vormen met eigen arbeidsdienst. In Zevenburgen demonstreerden in November 1932 500 geüniformeerde leden van een semi-militaire Arbeitsmannschaft; het eenheidsfront van Fabritius (dr Wolff was in 1929 gestorven) had ook in het Roemeense deel van het Banaat invloed gekregen op de Volksduitsers.

In de Verenigde Staten bevonden zich onder het half millioen Rijksduitsers dat na Duitslands nederlaag daarheen geëmigreerd was, jongeren die in Duitsland geen normale plaats in de maatschappij hadden kunnen of willen vinden. Verschillende hunner waren lid geweest van de extremistische Freikorpse. Voor hun pogingen, sympathie te wekken voor bewegingen als de NSDAP, had de grote groep van vooroorlogse Duitse immigranten geen belangstelling. De rechts-extremistische naoorlogse immigranten richtten dus eigen organisaties op, zo in Chicago in 1924 de ‘Teutonia’, die in kleine kring nationaal-socialistische propaganda voerde. De leider van het groepje, Fritz Gissibl, volgeling van Julius Streicher, werd in 1926 lid van de NSDAP. De actie vond enige weerklank in andere steden. Toen Hitler bij de verkiezingen in de herfst van 1930 opeens de op een na sterkste partij van Duitsland bleek te leiden, breidde zij zich uit. In September 1932 benoemde Hitler zekere Heinz Spanknoebel tot leider van de Nazi-beweging in Amerika. Deze was toen nog klein; Rijksduitsers en personen die al het Amerikaanse staatsburgerschap verworven hadden, waren er lid van. Zij droeg het karakter van een fanatieke secte.

Ook in Zuid-Amerika, waar een groot deel - in Brazilië zelfs drie-vierdevan de naoorlogse Duitse immigranten sociaal mislukt was, hadden zich omstreeks 1930 groepjes Duitse nationaal-socialisten gevormd. Twaalf Rijksduitsers richtten in 1928 in Paraguay een Ortsgruppe van de NSDAP op. In 1931 verenigden verschillende Ortsgruppen er zich tot een Landesgruppe - eerste van haar soort waar ook ter wereld. In April 1931 ontstond de Ortsgruppe Buenos Aires met zestig leden.

Dergelijke Ortsgruppen kwamen ook in andere landen tot stand: in Zwitserland, in Spanje, in België, vermoedelijk ook elders. Het waren meest kleine groepjes. De grote massa van de in den vreemde wonende

[p. 368]

Rijksduitsers had voor Hitler geen belangstelling. Er waren in de NSDAP echter figuren die beseften dat hun partijgenoten in het buitenland belangrijke diensten konden bewijzen. Besloten werd, hen organisatorisch sterker te binden. In de herfst van 1930 had een Rijksduitser, Willy Grothe, die twintig jaar lang in Afrika gewoond had en daar in de eerste wereldoorlog door de Engelsen geïnterneerd was geweest, een paar maanden nadat hij lid geworden was van de NSDAP, in Hamburg een bureau opgericht dat zich ten doel stelde met al die buitenlandse Rijksduitse Nazi's in geregeld contact te blijven. Het bureau werd per 1 Mei 1931 door de partijleiding erkend en kreeg de titel ‘Auslandsabteilung der Reichsleitung der NSDAP’. Hieruit zou zich de Auslands-Organisation der NSDAP ontwikkelen.

‘Wij geven geen enkele Duitser in Sudetenduitsland, in Elzas-Lotharingen, in Polen, in de Volkenbondskolonie Oostenrijk of in de opvolgerstaten van het oude Oostenrijk op’, stond in Gottfried Feders bekende brochure Das Programm der NSDAP und seine weltanschaulichen Grundgedanken te lezen, waarvan in 1930 al de elfde druk verscheen. ‘Onze beweging kent geen staatsgrenzen’, heette het in 1931 in een ander, door de NSDAP uitgegeven geschrift:

‘In zeven staten vormt ons Volkstum de meerderheid (Nederland, België, Luxemburg, Zwitserland, Liechtenstein, Duits-Oostenrijk, Danzig), in acht andere woont het aan onze grenzen (Frankrijk, Denemarken, Litauen, Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Zuid-Slavië, Italië). In Hitlers hand zullen noch deze, noch de Duitsers in de oude koloniën overzee, en in de overige kolonisatiegebieden vergeten worden maar als wapen dienen ter ontmaskering van Volkenbond en vijandelijke leugens und heimkehren im Freiheitsringen zum Groszdeutschen Reich der Idee und Wirklichkeit!’1
Dergelijke onvoorzichtig-openhartige uitlatingen waren Hitler niet sympathiek. Men moest geen slapende honden wakker maken. Fanfares hadden geen zin zolang de NSDAP er niet in geslaagd was, Duitslands militaire kracht te herstellen.

Daartoe moest eerst de macht veroverd zijn.

Op 30 Januari 1933 was het zover.