Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 4


auteur: G. Kalff


bron: G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 4. J.B. Wolters, Groningen 1909  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 562]

Buysero. Pluimer en Sweerts. Verhoek. Bake. Alewijn. Broekhuizen.

Over den beschermer van Antonides, aan wiens ‘gunst en heuscheit’ hij zich ‘hoog verplicht achtte, Dirk (deftiger: Diederik) Buysero kunnen wij zeer kort zijn. Hij was in 1644 in Den Haag geboren uit aanzienlijke ouders: zijn vader Laurens Buysero was ridder, Raad en Rekenmeester benevens Griffier en Secretaris van den Prins van Oranje; zijne moeder was eene De Vlamingh van Outshoorn. De zoon had in zijn jonge jaren Parijs bezocht, was in 1667 Secretaris van Vlissingen geworden en behoorde in 1670 tot Nil Volentibus. Evenals Antonides had hij zich echter van hen afgescheiden. Van zijn letterkundig werk heeft alleen hetgeen hij voor het tooneel schreef eenige beteekenis; o.a. is zijn naam verbonden aan de bekende pastorale Cloris en Roosje, die wij later bespreken.

Intiemer was Antonides' verhouding tot Joan Pluimer, ‘van wiens vrientschap hy veel werk maekte en wiens poëtischen geest hy met eenen agting toedroeg.’ Aan Pluimer droeg hij zijn Marsyas op en noemde hem in die opdracht zelfs een ‘Adelaer.’ Als woordspeling was die naam zoo kwaad niet; doch overigens had Pluimer niets met dien koninklijken vogel gemeen. Zijn gedichten, in 1692 te Amsterdam volledig uitgegeven, behelzen slechts gelijkvloersche herderspoëzie, middelmatige bruiloftsdichten en opgeschroefde lofdichten op ‘Koning William’ die hem daarvoor eens met een ‘Goude Gedenkpenning’ beloonde. Pluimer zoekt zijn kracht vooral in de herhaling; zoo b.v. in een gedicht op den zeeslag bij Bevesier:

 
Gy keerd dan, Bataviers? Gy keerd dan uit een Slag,
 
Zo hevig, zo verwoed als noit de Waereld zag?
 
Gy keerd dan, Bataviers? gy keerd dan met lauwrieren?
[p. 563]

Van diezelfde kracht is de aanhef van zijn lofdicht op Antonides' werken: Het opmerkelijkst is misschien, dat Antonides zulk een verzenmaker zoo hoog stelde. Trouwens, ook Broekhuizen roemde Pluimer's ‘verheven gaven’; doch wie werd toen al niet opgehemeld! Onder de rijmers van dien tijd, door Antonides geprezen, is ook de boekhandelaar Hieronymus Sweerts. Wie den statigen kwartijn van 900 bladzijden druks die Sweerts' gedichten bevat, openslaat en het portret van den dichter ziet, zou hem om zijn welbesneden gelaat, zijn statige allongepruik en zijn kanten kraag misschien voor een Fransch edelman houden. Maar o wee! wanneer hij dien schijnbaar fijnen mond opent; dan gaat het hem als het ondeugende meisje uit het sprookje: kikkers en padden springen er uit. Zijn verzen zijn kluchtig, leelijk of vies, al naarmate zij in het komische, stichtelijke of amoureuze genre zijn. De koddige opschriften, door hem onder den naam Jeroen Jeroense uitgegeven, staan in hun soort hooger dan zijn verzen.

Niet genoemd wordt door Antonides' levensbeschrijver: Pieter Verhoek (1633-1702) tot wien de ‘Goezenaer’ toch blijkbaar in vriendschappelijke betrekking heeft gestaan. Verhoek, geboren te Bodegraven, was opgeleid voor schilder en daarna over Haarlem naar Amsterdam getrokken. Daar was hij opgenomen in ‘het Bent van Jan Zoet’; een paar gedichten aan Jakob Steendam bij diens vertrek naar Indië zijn niet de eenige waaruit zijn lidmaatschap van het ‘Digt-School’ in de Zoete Rust blijkt. Later komt hij in voornamer gezelschap: hij wordt lid van ‘Nil Volentibus’. Misschien had hij deze eer te danken aan het gunstig oordeel door Vondel over hem geveld. Antonides had den ouden dichter Verhoek's Triomferende Zee-Vlagh der Batavieren te lezen gegeven, een vrij verdienstelijke navolging van Vondels eigen poëzie; ook nu weer toonde Vondel zich met het werk ingenomen en zeide:

[p. 564]

‘aen den klaeuw kent men den Leeuw; van dien man is iets groots te verwachten’. Dat woord had invloed; Verhoek's levensbeschrijver laat ten minste op deze mededeeling volgen: ‘zoodat hy zedert voor een fraei dichter gehouden wiert, waertoe ook merkelyk toebragt de broederlyke vriendschap met Antonides.’

Of Verhoek zijn vriend gevolgd is, toen deze de mannen van ‘Nil’ den rug toekeerde, is ons niet bekend. Wel zou men dat kunnen vermoeden van een der stichters van het Kunstgenootschap: ‘Dr. Moesman Dop’; in zijn lofdicht vóór De IJ-stroom geplaatst, schijnt hij aan de zijde van den jongen dichter te staan.

Had Antonides Pluimer bij een adelaar vergeleken, van Laurens Bake heet het:

 
Gy, opgevlogen als een Zwaen,
 
Zet u op Libans toppen neder.

in een gedicht waarin de Bibelstof (1685) van den Heer van Wulvenhorst wordt verheerlijkt. Zijnerzijds verhief Bake de verdiensten van zijn ‘waerdste vriend’, zijn ‘halsvriend’ Antonides in een Lykklagt waarin hij o.a. zegt:

 
O Zangberg! laat geheele beeken
 
Van traanen langs uw toppen leeken.

Het opmerkelijkst in Bake's Mengel-Poëzy die eerst in 1737 te Amsterdam werd uitgegeven, is misschien een aanval op Balthasar Bekkers Betoverde Wereld (p. 110 vlgg.); gij, zegt Bake tot Bekker:

 
Zoogt dat heilloos gift, geschooten van den satan,
 
Uit Orchard en Daillon en Hobbes Leviathan,
 
Het draagt van Kristus geest geenzints het rechte merk.
[p. 565]

Die afkeer van Bekker's rationalisme zal Bake wel op een afstand gehouden hebben van Meijer en Bouwmeester en hij die zoo hoog liep met Antonides, zal waarschijnlijk geen lid van ‘Nil’ zijn gebleven, nadat zijn ‘halsvriend’ het Genootschap verlaten had.

Niet iedereen dacht zóó gunstig over Bake's dichtwerk als Antonides. ‘Ons Loutje zat en zogt een dag na yder woort’ zegt een zijner vijanden; een ander scheldt op ‘het kreupel, links, faamroovend duyveltje Mr. L.B.v.W.’; een derde neemt de partij van Bekker tegen den ‘kleinen Satyr’..

Bake, die geen Antinoüs schijnt te zijn geweest, spot op zijn beurt met Bekker wiens ‘trony slechts bestaat uit neus en ooren’ - geen slechte karakteristiek - en schiet uit als een nijdig keffertje tegen tal van vijanden, wier namen slechts met enkele letters worden aangeduid. Een bewonderaar vond Bake echter in Mr. Abraham Alewyn, een patricisch Amsterdammer, die zich op zijn landhuis te 's-Graveland aan muziek, studie en poëzie wijdde en in 1694 een bundel Zede- en Harpgezangen uitgaf. Bake evenaren, dat erkende hij, was hem onmogelijk; immers

 
In hem leefd Vondel, 't hoofd van Neêrlands Poëzy

doch hij doet wat hij kan. Een verdienste van Alewyn mag het heeten, dat hij inzag en uitsprak:

 
Byna geen Dichter word gevonden, die kan dryven
 
Op eigen wieken.

In 1707 vertrok hij naar Indië en overleed te Batavia in 1721. Van zijn tooneelwerk zullen wij later iets hooren.

Liever dan uitweiden over zijn onbeduidende stichtelijke poëzie, willen wij ons ten slotte richten tot den minst onbeteekenende van het zevental: Joan van Broekhuizen (1649-

[p. 566]

1707). In bewondering van Antonides doet hij voor geen der overigen onder:

 
O eelste proefstuk dat Natuur
 
Heeft sedert duizend jaar doen leven

zegt hij in zijn lijkdicht op den gestorvene. Evenals deze was hij een vriend van Pluimer; Pluimer gaf dan ook in 1677 eenige gedichten van Broekhuizen tegelijk met zijn eigene bij Hieronymus Sweerts uit. Doch al behoorde Broekhuizen tot dezen kring, hij onderscheidt zich van de overigen, doordat hij meer geleerde dan kunstenaar was. Zijn vader, Utrechtenaar die zich te Amsterdam had gevestigd, wilde zijn zoon apotheker laten worden; Joan echter verkoos den krijgsdienst boven het ‘koken en smoken en wassen en plassen’, nam dienst bij de infanterie, nam deel aan de oorlogen die de Republiek toentertijd voerde en bracht het tot hopman. Soldaat met hart en ziel was hij echter niet; liefst van al bleef hem de studie der Latijnsche klassieken. Ondanks de ongunst zijner omstandigheden ontwikkelde hij zich tot een geleerde van beteekenis; voortdurend zien wij hem dan ook in briefwisseling met andere philologen als Graevius, Heinsius, Perizonius. Zijn bewondering van de Latijnsche dichters, vooral van Propertius en Tibullus openbaarde zich o.a. in verdienstelijke navolgingen van hun werk; zijn bewondering van Antonides dien hij misschien op de Latijnsche school had leeren kennen en zijn vriendschap voor Joan Pluimer zullen er hem toe gebracht hebben, zijne krachten ook als Hollandsch dichter te beproeven. Zoo heeft hij dan, vooral in de jaren tusschen 1667-1687 een paar dozijn herderszangen, minnedichten en kleine stukjes van gemengden inhoud geschreven; meerendeels welluidende poëzie, meer sierlijk dan schoon, doorgaans bevallig, zelden krachtig, doch met weinig eigens en slag op slag den navolger van Hooft

[p. 567]

verradend. Men kan in hem waardeeren dat hij het Hooft en Propertius zóó kan nadoen, doch nadoen blijft het.

Sommige dezer gedichten zijn gedagteekend uit Trier, waarheen de oorlog hem geroepen had; in den geest vertoefde hij echter telkens in het vaderland, zooals wij o.a. zien in den Brief aen mijn vrienden t'Amsterdam dien hij - alweer op voorgang van Hooft - in 1677 dichtte ‘in pago Botbergh.’ Hetzelfde verlangen naar ‘kunstrijk zelschap’ en ‘uitgeleze vrinden’ geeft zich twee jaar later lucht in een Latijnschen brief aan Graevius; hij ziet de toekomst donker in: ‘mihi senescendum erit, quantum video, inter ignobilem turbam, nec quicquam proderit habere ingenuum et erectum animum, quoniam deest facultas exercendi vires meas’; doch hij berust: ‘ferendum erit quicquid mutari non potest.’

Nog ongeveer twintig jaar zou hij dat leven moeten leiden; toen scheen een betere tijd te zullen komen: in 1697 werd hij gepensionneerd en vestigde zich te Amstelveen, waar hij ‘eenen hof verzien van bequame woning’ had gehuurd.

Doch het ging den afgedankten hopman naar Vondels woord: ‘Wanneer men droomt van rust, is d'onrust eerst geboren.’ Voor de onrust van buiten kwam onrust van binnen. Hij begon te sukkelen, misschien door de uitwasemingen van den moerassigen grond waarop zijn huis gebouwd was, werd zwaarmoedig, zonderde zich van zijn vrienden af, peinsde veel over ‘den toekomenden staet des eeuwigen levens.’ In die gemoedsgesteldheid klaagde hij over ‘de onvoorzichtigheit zyner jeugt, latende zich veeltyts hooren, dat een jong mensch een onvoorzichtigh dier’ is. Ten slotte werd hij bedlegerig, sukkelde nog een drietal jaren voort, trouw verpleegd door eenige vrienden, o.a. zijn levensbeschrijver David van Hoogstraten en stierf in 17073).