terug  begin  verder
[p. 56]

5. Kranten en periodieken

In de periode 1923-57 vond een geweldige uitwaaiering van media-activiteiten plaats. Die pluriformiteit - in latere jaren alleen nog maar toegenomen - heeft zonder twijfel veel bijgedragen aan de culturele ontplooiing van de verschillende bevolkingssegmenten en langs die weg aan de versterking van hun groepsidentiteit waaruit pas in de latere periode sterker zoiets als een nationale identiteit zou groeien. Op den duur begonnen de kranten ook meer ruimte te maken voor de literaire wereld.

De belangrijkste Nederlandstalige kranten in de periode 1923-1957 waren Suriname, De Surinamer, De West, De Banier van Waarheid en Recht, Het Nieuws, De Tijd en Nieuw Suriname .288 De kranten steunden op de bijdragen van bijna altijd onbezoldigde medewerkers en een redacteur-uitgever. Ze verschenen twee maal in de week, werden op een enkel verdwaald bericht na geheel in het Nederlands geschreven, en waren tijdens het interbellum en de oorlogsjaren sterk afhankelijk van het Nederlandse persbureau Aneta (Algemeen Nieuws- en Telegraaf Agentschap), voorzover ze al niet persberichten, feuilletons en politieke verslagen uit Nederlandse dagbladen overnamen. Voor de verspreiding van de Aneta-berichten en het uitdragen van de overheidspolitiek speelde de Gouvernementspersdienst een centrale rol.289 Na de oorlog hadden alle kranten een eigen correspondent in Nederland. Alle dag-, week- en maandbladen citeerden royaal uit Time, Life en Reader's Digest. In de meeste gevallen hebben deze kranten onder leiding gestaan van Statenleden, zodat ze ook direct fungeerden als de stem van een politieke opvatting (die niet zelden inging tegen die van de gouverneur). Bij het ontbreken van politieke partijen hebben de kranten een belangrijke rol vervuld in de politieke meningsvorming.

Suriname, al opgericht in 1872, kende een oplage van circa 400 en ontwikkelde zich in het interbellum onder leiding van A.A. Dragten tot het sociaal-democratisch getinte blad van de verlichte burgerij290; vanaf 1943 werd het blad onder leiding van Johan Wijngaarde de spreekbuis voor het ‘Baas in eigen huis’-principe van de Unie Suriname. Tijdens de oorlogsjaren kwam het twee maal per week met een Extra Editie in oblong op half krantenformaat en uitsluitend nieuws bevattend van de oorlogsfronten.291 De West, opgericht in 1909 en geleid door William Kraan, had een oplage van circa. 1400 en was het liberale dagblad van de conservatieve en gegoede standen, tot aan de oorlogsjaren overwegend van protestantsen huize. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de oplage tot 4000 gegroeid was,292 betoonde De West zich aanzienlijk minder pro-Nederlands dan de andere kranten, vooral in zijn opstelling tegenover het Cultureel Centrum Suriname (waarin ongetwijfeld heeft meegespeeld dat hoofdredacteur David Findlay een politieke opponent was van Lou Lichtveld die veel invloed had bij het CCS). Findlays krant kreeg een serieuze concurrent toen politicus Pengel in 1954 Nieuw Suriname begon uit te geven, dat volgens het blad in vijf maanden een oplage van 5200 bereikte.293 Gezagsgetrouw en conservatief van

[p. 57]

moraal was De Surinamer, opgericht in 1894, dat stem gaf aan het katholieke volksdeel. Het verdween eind 1955, omdat de oplage van 600 de exploitatie niet langer rendabel maakte.294 Het katholieke orgaan werd vanaf 1 januari 1956 Omhoog dat in 1961 een oplage had van 2300. Ook het weekblad De Katholiek (1934-1955) ging in Omhoog op. Alfred J. Morpurgo begon in 1943 met Het Nieuws, een politiek gematigde, neutrale krant, die in 1960 de geest gaf. Opmerkelijkste noviteit was dat Het Nieuws zich abonneerde op berichten van het Amerikaans persbureau Associated Press, en zich niet automatisch op Nederland oriënteerde.295 De enige echte oppositiekrant was De Banier van Waarheid en Recht, opgericht in 1929 en geleid door P.A. May en verschijnend in een oplage van circa 700. Toen in 1934 J.C. Sarucco de hoofdredactie overnam, werd de oplage verhoogd tot 1000; het blad was na De West en Suriname in het interbellum de derde grootste van het land.296 De Tijd tenslotte verscheen van 1952 tot 1957 onder redactie van Fernand de Rooy die in 1949-50 het eerste, toen nog gestencilde Surinaamse ochtendblad Reveille had gemaakt. De Tijd kende een oplage van ongeveer 4000, maar verdubbelde die oplage bij bijzondere gelegenheden.

De kranten werden na de onlusten rond De Kom in 1933 beperkt in wat zij wilden schrijven door de zgn. ‘muilkorfwetgeving’ - waaronder overigens ook toneel-, cabaret- en muziekteksten vielen. Onder de Staat van Beleg tijdens de oorlogsjaren mocht niets gedrukt worden zonder toestemming van de overheid en werden de nieuwsbladen getroffen door repressieve overheidscensuur.297 Tegen William Kraan van De West was al eens in 1913 wegens belediging van de gouverneur vervolging ingesteld (hij verkreeg gratie), maar Julien Christiaan Sarucco, die in de jaren '30 tot een stevige aanvaring met het gouvernement kwam, werd in 1935 tot vier weken gevangenisstraf veroordeeld wegens een artikel in zijn krant De Banier van Waarheid en Recht. Hij had de procureur-generaal verantwoordelijk gesteld voor de slachtoffers van de demonstraties rond A. de Kom in februari 1933. De 69-jarige journalist schreef over zijn tijd in de cel de brochure Een schokkende strafprocedure (1935) die ook weer in beslag werd genomen.298 De Banier achtte zichzelf de spreekbuis van de kleine man en nam veel door lezers toegestuurde stukken op. Het blad is gekarakteriseerd als ‘een wonderlijk mengelmoes. Men vond er stukjes, die een communistische strekking schenen te hebben en die dan ook vaak zonder nauwkeurige bronvermelding aan De Tribune ontleend waren, naast verklaringen van de redactie dat het communisme niets voor Suriname was of kon worden, uitingen van liefde voor het Oranjehuis, lofzangen op den Gouverneur en voorts vele stichtelijke godsdienstige beschouwingen waardoor een groot deel van De Banier niet zelden er uit zag als een evangelisatieblaadje.’299 Deze nogal tendentieuze beschrijving uit de koker van de Nederlandse Tweede

[p. 58]

Kamer verhult dat De Banier van Waarheid en Recht in een tijd dat duizenden pinaarden, consequent probeerde het schrijnendste onrecht aan de kaak te stellen. In kwaliteit deed de krant niet onder voor de andere nieuwsbladen. Opmerkelijk was de herhaalde aandacht die het blad besteedde aan prins Noto Soeroto, de Javaanse schrijver die een samenwerking voorstond van Nederlanders en Indonesiërs op basis van volledige gelijkheid.300 Middels een net van correspondenten probeerde De Banier ook in de nieuwsvoorziening vanuit de districten te verzorgen. Veel was daar veelal niet te beleven. ‘Coroniaan’ schreef op 27 september 1929:

Gisterennamiddag omstreeks 4 uur passeerde hier het aangekondigde vliegtuig vliegende in de richting Paramaribo en vandaag verwachten we het vliegtuig met de groote Lindbergh te zien passeeren.301

Charles Lindbergh was de eerste die een vliegtuiglanding in Suriname maakte.

In 1924 richtte S.H. Azijnman De Periskoop op, dat tot eind 1929 zou verschijnen. De Periskoop was een algemeen weekblad, maar publiceerde ook artikelen van historische en sociaal-culturele strekking; A.P. Penard droeg bijvoorbeeld een hele reeks artikelen over indianen bij. Enige interesse was er voor de letteren: het weekblad maakte plaats vrij voor toneelbesprekingen en voor de Nederlandstalige verzen van iemand die alleen zijn initiaal prijs gaf: F. - mogelijk dezelfde die ook in De Surinamer schreef.302

In 1936 verscheen het tweewekelijkse arbeidersblad Surinaamsche Volkskrant, dat werd opgezet toen de verschijning van De Banier van Waarheid en Recht staakte; redacteuren-uitgevers waren S.E. Venoaks en A.E. van Dorpel.303 Het blad hield het slechts een jaar vol.

Praktisch alle nieuwsbladen maakten melding van de verschijning van boeken en de opvoering van toneelvoorstellingen. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich het fenomeen van vaste recensenten die min of meer systematisch het culturele leven kritisch volgden (zie § 7.6 Toneelkritiek en § 8.4 Literatuurkritiek).

Al deze kranten verschenen in Paramaribo. In Nickerie gaf J.C. Heave vanaf 1936 het maandblad Nickerie-Bode uit. In 1942 kwam daar Nickerie Vooruit bij, een gestencild blad van de gelijknamige vereniging, dat vanaf 1945 werd omgedoopt tot het tweewekelijks nieuwsblaadje De Nickeriaan.304 Als tegenhanger van dit blad begon J. Benschop in 1953 het weekblad New Nickerie Times, dat stelling wilde nemen tegen ‘de groep die haar wil aan de minder gegoeden wil opdringen.’305 Kobalt verscheen voor het eerst in 1955.306 Bij een bevolking die circa 10% van de totale Surinaamse bevolking omvatte, was Nickerie met drie bladen niet slecht bedeeld.

[p. 59]

Afgezien van deze kranten was er een heel scala aan week- en maandbladen die verschillende gezindten vertegenwoordigden. Makzien vo Kristen-soema zieli [Magazijn voor christenzielen] (nieuwe serie 1912-1932), Jong Suriname (1919-) en Suriname Zending (1941-) gaven stem aan de Evangelische Broedergemeente. Voor taal en cultuur van de creolen is het maandblad Foetoe-boi (1946-1956) van onschatbaar belang geweest (zie Close-up Foetoe-boi in § 8.1.1). Onze Stem (1933) vertegenwoordigde de ‘Hindostansche Belangen’, De Hindostani (1934-35) was het maandblad van de hindostaanse immigrantenvereniging Bharat Oeday en in 1937 verscheen onder redactie van I.S. Mungro De Hindostansche Stem. Later werden in het Hindi uitgebracht Radjbhakati [Trouw aan de staat] (1943), Sanatan Dharm [Het eeuwige geloof] (1944) en na de oorlog de tweewekelijkse nieuwsbladen Prakash [Licht] (1945-49) en Jāgṟti [Ontwaking] en het maandblad Vikaash [Evolutie] (1946-48). De Evangelische Broedergemeente richtte zich in 1943 op het hindostaanse bevolkingssegment met Krūs kā lalkār [De uitdaging van het kruis], een gestencild blad in Nagari-schrift; de katholieken brachten van 1955 tot 1957 het Hindustaans weekblad onder redactie van St.J.M. Aalders CssR in stelling en met dezelfde redacteur het maandblad Akar (1957-1959).307

Een chinese immigrant gaf in 1931 met het Chinese Overseas Weekly Surinam uit, dat slechts kort bestond.308 In chinese karakters kwam in 1934 het eerste nummer uit van het weekblad Szun-Lam Zhu K'an [Periodiek van het Zuiden]. Vanuit het Paramaribose kantoor van de Kuo Min Tang, de Nationalistische Partij van China, werd op 15 augustus 1943 het nieuwsblad (later dagblad) Lam Foeng [Zuidenwind] gelanceerd, aanvankelijk gestencild, later gedrukt. Tot zijn verdwijnen in 1978 zou het een belangrijke rol spelen in de nieuwsvoorziening ten behoeve van de chinese gemeenschap. In de loop der tijden zijn in Lam Foeng wel eens literaire bijdragen in de vorm van verzen verschenen, maar die krantenjaargangen zijn niet gearchiveerd.309

Voor de javanen werd bij gelegenheid van Id-ul-Fitr in 1934 Soerat Advertensi Dan Kabarhari-Raja [Advertentieblad en bericht van de grote dag] gedrukt. In het Javaans verscheen het maandblad Al-Moeslim, uitgegeven door A. Nataprawira te Moengo.310 De Surinaamsche Islamietische Vereeniging gaf van 1943 tot 1948 het Nederlandstalige tweemaandelijkse blad Al-Haq [De waarheid] uit onder redactie van M.A. Karamat Ali en S.M. Jamaluddin.311 Daarnaast verschenen er verschillende godsdienstige blaadjes in het Urdu.312 In de oorlogsjaren gaf de Gouvernementspersdienst voor de javanen twee gestencilde blaadjes uit met het belangrijkste nieuws uit Indië, een in het Javaans en een in het Maleis.313

In de benauwenis van het in Europa opkomende antisemitisme, nam Michael Levi het

[p. 60]

initiatief om te komen tot een maandblad voor de leden van de beide israëlitische gemeenten. Zo verscheen vlak voor de oorlog het Nederlandstalige maandblad Teroenga [Hebreeuws voor: Bazuingeschal] dat het tot 1969 zou volhouden. Het eerste nummer, gedrukt bij Eben Haëzer/P.A. May, kwam uit in marchesjwan 5700/november 1939, geredigeerd door David Arrias, Jacob David Oppenheim en Philip Abraham Samson.314 Het was vooral Samson die met talloze bijdragen de stut en toeverlaat van het blad werd. Behalve zijn stukken over geschiedenis, religie en folklore, kende elk nummer een preekachtige, oudtestamentisch geïnspireerd openingsstuk en de vaste rubrieken ‘Uit de Gemeenten’, ‘Uit de Hebreeuwse literatuur’, ‘Uit het land der vaderen’ (nieuws uit Palestina), ‘J.N.F. hoekje’ (nieuws van het Joods Nationaal Fonds uit Nederland), de kinderrubriek en verder op onregelmatige basis joodse moppen en anekdotes, rabbinistische verhalen, Midrasch-verhalen (waarin Bijbelverzen worden verklaard om de inhoud van de godsdienstige overlevering door te geven) en de rubriek ‘Boekbespreking’ (waarin overigens nooit literair werk werd besproken315). Het blad werd bij bezoeken van leden van het Nederlandse koningshuis aan Suriname op oranje papier gedrukt, in een traditie die teruggaat op de orangistische gezindheid van de achttiende-eeuwse joden.316 Verspreid over de jaargangen werd een aantal gedichten opgenomen van Nederlandse joodse dichters en van Surinamers als R.D. Simons, D. Planktonius (ps. van Abraham Philip Samson) en J.D. Oppenheim; de laatste twee droegen ook proza bij.317 In twee opzichten valt het lokaal vervaardigde literaire werk op: het geeft in het merendeel van de gevallen nauwelijks verwijzingen naar de Surinaamse leefwereld, en het is voor mensen die voeling probeerden te onderhouden met de joodse wereldcultuur, van een schrikbarend stumperig gehalte. Een strofe uit een ‘Poerim rijmpje’ vormt een uitzondering op het eerste, maar helaas niet op het tweede kenmerk:

 
De pret in huis, die dag, is dol.
 
We maken samen reuze lol.
 
Dragen, om ons t'amuseren,
 
Vader, Moe- en Opa's kleren.
[p. 61]
 
Dansen rond als kotto miessie,
 
Als Bizerta en politie,
 
Als Emè, Charlie Pok-O-Pauw,
 
Leeuw Pleeuw, Mies Koosje en Mao-mao
 
Als Stalin, Nehru, Tsjang-Kai-Sjek,
 
Niets is ons op die dag te gek.318

Een mogelijke verklaring voor het afdrukken van deze rijmelarij, geeft Phili Samson als hij zegt dat het blad ‘in hoofdzaak gelezen [werd] door personen, die weinig joodse scholing hadden.’319 Voor hen moeten de informatieve artikelen van Teroenga een oase in de woestijn geweest zijn. Voor de kennis van de joodse cultuur in het twintigste-eeuwse Suriname is het blad nog altijd van groot belang.

E.Th. Waaldijk onderscheidde in de Surinaamse pers ‘een progressief-nationalistische (antikoloniale) en een religieus-reactionaire (gematigde) politieke stroming’ van na de oorlog.320 Maar ongeacht hun kleur ontvingen alle Surinaamse Nederlandstalige dagbladen vanaf 1949 van de Sticusa duizenden artikelen die zij zonder betaling mochten afdrukken. Die artikelen brachten het Surinaamse publiek op de hoogte van ontwikkelingen in Nederland, vooral op het gebied van kunst en cultuur, inclusief ook berichten over wat landgenoten aan de andere zijde van de oceaan presteerden. Tegelijkertijd werd langs de Nederlandse omweg ook met regelmaat nieuws uit Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied de Surinaamse pers binnengesluisd.321

Belangrijke bijdragen aan het geestelijk klimaat van na de oorlog leverden voorts een aantal populair-wetenschappelijke bladen met leesbare artikelen over voornamelijk de geschiedenis en voortbrengselen van het eigen land: uit katholieke hoek kwamen Spectrum (1944-1950) en Opbouw (1945-1973) (zie Close-up), het Surinaamsch Studenten Corps gaf De Stethoscoop (1944-1954) uit, neutraal was het tweemaandelijks tijdschrift voor wetenschap en cultuur Vox Guyanae (1954-1959) met daarin opgenomen het later te bespreken literaire tijdschrift Tongoni.

Aurora, ‘het eerste Surinaamse maandblad voor de vrouw’, verscheen voor het eerst op 13 november 1949. Het was een uitgave van de Stichting voor Liefdadigheidsdoeleinden en werd geredigeerd door CCS-bibliothecaresse Maggy Nassy. Het nam geregeld artikelen over uit Nederlandse periodieken, maar publiceerde ook artikelen, prozastukjes en versjes in het Sranan die het leven van de Surinaamse vrouw in beeld brachten. We komen er de namen in tegen van schrijfsters die boeken over Suriname schreven als Dora van der Meiden-Coolsma en Leen de Vries-Hamburger, maar ook het initiaal D. waaronder Hugo Pos enkele specimina van light verse in het blad publiceerde. Aurora heeft bestaan tot 1956.

[p. 62]

In Nederland verscheen het ‘maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen’ Eldorado (1949-1950) met onder meer Rudie van Lier en Wim Salm in de redactie en met een keur aan medewerkers in Nederland, Suriname en de Antillen, onder wie Cola Debrot, Tip Marugg, Philip Abraham Samson en Albert Helman. In de twintig nummers die uitkwamen betoonde het blad zich een breed Caraïbisch georiënteerd tijdschrift. In elk nummer werd ruimte vrij gemaakt voor een literaire bijdrage en een boekbespreking. Dat betekende nog niet dat iedereen blij was met het blad. Op 1 mei 1949 verscheen Inferno, maandblad ter behartiging der ware belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen. De abonnementsprijs bedroeg: een fractie vaderlandsliefde. Het commentaar op Eldorado was niet mis:

Alleen krankzinnigen en moedwillige misleiders zijn in staat vandaag Suriname en de Nederlandse Antillen te beschouwen als een soort van Eldorado. Ieder ter zake deskundige weet maar al te goed, dat deze landen eerder beschouwd moeten worden als een soort van hel [...] van achterlijkheid en verwaarlozing [...].
Nee, meneer Albert Helman, die uw goede Surinaamse naam verwisseld hebt voor letterkundig pseudoniem van vreemde herkomst... gij, doctorandus Rudie van Lier met 'n paar onnozele geschriftjes op uw naam... [enz.]322

De auteur maakte zich niet bekend en moet mogelijk gezocht worden in kringen van Ons Suriname; Inferno bevatte ook een stukje in het Sranantongo.

Het ‘Surinaams-Antilliaans blad’ de Westindiër , om de drie weken uitkomend onder redactie van E.Th. Waaldijk, draaide opmerkelijk goed en werd gesubsidieerd door de Sticusa.323 Gezichtsbepalend waren sociaal-politieke artikelen van Eddy Bruma, Eugène Gessel, Jules Sedney en Eugène Waaldijk324 en een aantal artikelen over taalkunde en onderwijs van Jan Voorhoeve en Hein Eersel. Het blad vroeg aandacht voor de voordrachtskunst van Otto Sterman, de film Cry, the beloved country, de dans van Katherine Dunham, de zwarte literatuur van Richard Wright en de kunst van Nola Hatterman.325 Gezien de cultuurpolitieke opvattingen van de groep mag het opmerkelijk heten dat het blad als literair forum minder belangrijk is geweest dan bladen als Foetoe-boi en later Tongoni, Soela en Mamjo. Er verscheen weliswaar een aantal boek- en toneelbesprekingen in het blad en enkele artikelen van Henk Dennert, Cola Debrot en Garmt Stuiveling over Antilliaanse literatuur, maar nooit een opstel over de Surinaamse letteren, al met al slechts een handvol Surinaamse gedichten, en in het geheel geen verhalend proza.

Het veruit belangrijkste Nederlandstalige tijdschrift is De West-Indische Gids geweest, dat is verschenen van 1919 tot 1960, en toen, samen met Christoffel en Vox Guyanae opging in de Nieuwe West-Indische Gids . Het werd gepubliceerd bij de Nederlandse uitgever Martinus Nijhoff, maar vond royale verspreiding in Suriname. Tot de eerste redactie behoorde H.D. Benjamins, die ook een van de twee redacteuren van de Encyclopædie van Nederlandsch West-Indië was geweest.326 De andere redacteur van deze encyclopedie,

[p. 63]

Joh.F. Snelleman, trad later tot de redactie van de West-Indische Gids toe. Het tijdschrift bood ruimte aan vele scribenten van Surinaamse, Antilliaanse en Nederlandse herkomst, toegewijde amateurs evengoed als hooggespecialiseerden. Een prominent medewerker was bijvoorbeeld de etnoloog Herman F.C. ten Kate (1858-1931), Nederlands eerste Amerikanist, die onder meer een uitvoerig opstel over ‘De Indiaan in de letterkunde’ (van Noord-Amerika) bijdroeg.327 Met zijn 39 jaargangen vormt De West-Indische Gids een Fundgrube voor de geschiedenis, archeologie, folklore, antropologie, taalkunde en letterkunde van Suriname en de Nederlandse Antillen. De West-Indische Gids heeft bovendien een belangrijke functie vervuld in het bespreken van literair werk, toen dat in de Surinaamse dagbladpers nog maar mondjesmaat gebeurde (het tijdschrift wordt verder besproken in § 8.4). In haar vroegste jaargangen nam De West-Indische Gids een aantal literaire schetsen op van oud-gouverneur Gerard Johan Staal, en van Harald Schütz, inspecteur van het EBG-onderwijs.328 Maar non-fictie is, op een enkel gedicht na, nooit uitgegroeid tot een serieuze geleding van het blad. Literaire tijdschriften heeft het tijdvak 1923-1957 niet gekend, maar er zijn twee tijdschriften geweest die tot op zekere hoogte de functie van letterkundig tijdschrift overnamen: Spectrum en Opbouw.

Close-up: Spectrum en Opbouw

Spectrum: tijdschrift voor intellectuele jongeren verscheen zes jaargangen lang, van februari 1944 tot en met januari 1950 en stond onder redactie van twee fraters van Tilburg: Cornelius Janssen en Raoul van der Horst.329 Het werd uitgegeven door de St. Rafaël Boekhandel en gedrukt bij H. van den Boomen. Het was een breed informerend tijdschrift, dat aldus het redactioneel in het eerste nummer, eerder dan van deskundige medewerkers, vooral bijdragen inwachtte van studerende en zoekende jongeren. Niettemin zorgden ‘gevestigde auteurs’ als W. Ahlbrinck, F. Abbenhuis, A. de Groot, Jacq. Smeulders, C. Donicie, E. Verrijt, J. Weidmann, J. van de Walle en C. de Klerk voor een flink deel van het kopijaanbod. Het blad ademde een ruimdenkend katholicisme: een vers van Theun de Vries kon erin, er was aandacht voor actiefilms en jazzmuziek, van het marxisme kon worden gezegd dat het ‘altijd zijn waarde zal blijven behouden’ en een foto van een licht frivole Pepsi Cola-drinkende blondine was de katholieke jongeren graag vergund. Behalve bijdragen in het Nederlands, drukte het blad ook artikelen in het Frans, Engels en Spaans af.

Bellettrie maakte een belangrijk onderdeel van de inhoud uit. De fraters droegen letterkundige opstellen en korte boekbesprekingen bij. Het tijdschrift drukte paasliederen en kerstpoëzie af, teksten van katholieke klassiekers als Joost van den Vondel en Guido Gezelle en van auteurs die in de katholieke wereld van het interbellum grote populariteit genoten als G.K. Chesterton, kardinaal Newman, Jan Engelman en de Nederlandse schrijver van cowboyverhalen Kees Meekel. In de vijfde jaargang organiseerde het blad een prijsvraag voor vertalingen van Engelse en Franse dichters.330 Het allereerste nummer kondigde aan dat in de rubriek ‘Letterkunde’ zouden

worden opgenomen alle opstellen, essay's, verhandelingen over dichters en proza-
[p. 64]
schrijvers, benevens verzen en proza van eigen bodem, die aanspraak kunnen maken op de term ‘litteratuur’. In deze rubriek wordt met volledige naam ondertekend.
De afdeling ‘Eigen Werk’ neemt verzen en opstellen op, die ter beoordeling zijn ingezonden en zoveel goeds inhouden aan schoonheid, compositie, rytme, gevoel, dat ze met enig recht geschikt zijn voor opbouwende en stimulerende critiek. Dit zal dus dikwijls beginnelingen-werk zijn, ofschoon met een zekere belofte voor de toekomst. Daarom kan dit werk ook onder een schuilnaam worden geschreven.

De fraters waren zich dus klaar bewust van de vorming in letterkundige zin die het maandblad te bieden had. Wat dit betekende, maakte het redactioneel in het tweede nummer direct duidelijk: er waren artikelen binnengekomen, schreef de redactie, maar om een tijdschrift op peil te houden zullen schrijvers en lezers ‘geduld moeten houden’:

Eén der inzenders van een gedichtje zei ons naderhand: ‘Ik ben blij dat U het niet geplaatst hebt; ik heb uw bemerkingen goed bestudeerd en weet nu wat u bedoelde met die “kern van litteratuur” die tenminste aanwezig moet zijn in een letterkundig product, wil het voor plaatsing in aanmerking komen.’

In hetzelfde nummer werd voor het eerst de rubriek ‘Eigen Werk’ opgenomen, met een gedicht van Cor de Ridder, drie vierregelige strofen rond het thema van de eenzaamheid. De fraters plaatsten er een commentaar bij waarin op de zwakke en sterke kanten van het vers werd gewezen. Merkwaardig genoeg zou de rubriek ‘Letterkunde’ nooit tot leven komen.

In latere nummers verscheen behalve van De Ridder ook poëzie van Réman Irus (ps. van Fred. Oudschans Dentz), Henk van den Bongerd, Relap, Eduard van Reijn, Leo van Es, H.Ch. Quivult en Frans Oprecht. In juni 1945 verschenen voor het eerst drie verzen van ‘Hein’, i.e. Hein Eersel, waaronder ‘Decemberavond’, waarbij de fraters aantekenden dat het gedicht weergaf het ‘drukkende, benauwde gevoel dat over ons komt op een regenavond in de Tropen’. Later hertaalde Eersel het in het Sranan.331 Het jaar daarop nam het tijdschrift een groot gedicht van hem op, ‘Aan de jongeren, strijdbare katholieken’:

 
Wij zijn getekend, ‘Rooms’, wij zijn niet vrij,
 
Wij weten en aanvaarden dit ook vrij.
 
[...] Jong'ren, volg Uw Vaan!332

Maar een vast medewerker werd Eersel niet. Als hij in augustus 1946 het vers ‘Onmacht?...’ publiceert, reageert de redactie: ‘Inhoud en vorm van “Onmacht?...” dekken wel op frappante wijze hetgeen de schrijver met zijn titel bedoelt.’333

Het verwondert niet dat de verzen in Spectrum naar vorm en inhoud varianten zijn op het Nederlandstalige werk dat de leerlingen in de fraterscholen tijdens de lessen Nederlands kregen voorgeschoteld. Er is maar één dichter geweest die met kop en schouders boven de anderen uitstak en die ook later frequent van zich heeft laten horen: Marcel de Bruin (pseudoniem van René de Rooy) die in december 1944 zijn debuut maakte (zie Profiel).

In augustus 1944 gaf de rubriek ‘Eigen Werk’ voor het eerst een korte prozaschets: ‘Deugd-naakte nacht’ van Cor de Ridder. Eenzaamheid is opnieuw zijn thema, maar de situering is interessant: een jongeling wil zich van het leven beroven bij de Marinetrap, een plaats die in latere jaren bij vele schrijvers zal terugkeren. Toen in oktober 1944 de eerste bijdrage van Fred. R. Lansdorf verscheen, de prozaschets ‘De Saramaccaners bidden om regen’, gaf die blijkbaar geen aanleiding tot enig redactioneel commentaar. Onder de naam Kees Neer zou Lansdorf later twee verhalen in feuilletonvorm in het

[p. 65]

tijdschrift plaatsen, waaronder de roman Viottoe. Dit proza is veruit het belangrijkste geweest dat Spectrum heeft afgedrukt (zie Profiel Kees Neer).334 Andere prozabijdragen waren van de hand van C. U-A-Sai en met grote frequentie van H. Heyde, kleinzoon van zendeling-drukker H.B. Heyde. Heinrich Heyde (1921-1993) schreef verhalende stukjes over het Surinaamse natuurleven; vergelijkbare stukjes zou hij later bundelen in boekjes als Matoe (1947), Brokstukken uit de Surinaamse dierenwereld (1978) en Surinaams dieren A.B.C. (1978).

Met ingang van jaargang 4 ging de rubriek ‘Eigen werk’ heten: ‘De Stem van de Jongeren’. De redactie beloofde zich voortaan van commentaar te onthouden. Het blad werd van toen af ook op luxer papier gedrukt en bevatte advertenties. In de laatste drie jaargangen heeft het tijdschrift met regelmaat proza van Surinaamse auteurs afgedrukt. Celsius Tjong A Kiet schreef enkele reisverslagen, met ingang van februari 1948 begon een feuilleton ‘geschreven door een der Surinaamse jongeren’, Chas Ackermans: ‘Het geheim van de tijgervogel’. Het beschrijft de geheimzinnige krachten van een indianenkapitein die een bloeiend indianendorp in zijn voortbestaan bedreigen. Verder schreef R. Elsenhout - zoon van Johanna - het historische verhaal ‘De handtekening van mijn zwarte vriend’, Loulou van Buren droeg drie verhalen bij en L.E. Rens één.335

Spectrum had een behoorlijk bestand van circa 350 abonnees. Het was dan ook niet uit gebrek aan lezers dat het in 1950 stopte. In een van de laatste nummers deelde de redactie mee dat het blad te weinig aantrekkingskracht had voor schrijvende jongeren, die zich blijkbaar beter in school-, partij- en clubblad thuisvoelden.336

 

Het katholieke maandblad Opbouw, verscheen voor het eerst in maart 1945 en was evenals Spectrum een uitgave van boekhandel Rafaël, zij het gedrukt bij Leo Victor. Het periodiek zou het 29 jaargangen volhouden, tot 1973. Hoofdredacteur was frater Engelbert (M.E. Verrijt).337 Het blad werd duidelijk voor een breder publiek gemaakt dan Spectrum en werd in latere jaargangen goed getypeerd als ‘katholiek Surinaams maandblad voor jeugd en gezin’. Artikelen waren uitsluitend in het Nederlands gesteld en van beperkte lengte. Het tijdschrift bevatte bijdragen met praktische informatie inzake opvoeding, geloofspraktijk, religies, natuur en techniek, een maandkalender, rebussen, nieuwtjes en ook een vrouwenrubriek (‘Ons dameshoekje’). Voorts drukte het een lange artikelenreeks over de Surinaamse geschiedenis af, verschillende expeditieverslagen en stukken over kerkdienaren in Suriname als Jacobus Grooff en Mgr. Wulfingh. In de jaargang 1971 verscheen de Woordenlijst Surinaams-Nederlands van Rediman (ps. van frater Amando de Rooy) die nog hetzelfde jaar in boekvorm uitkwam.

Bellettrie kreeg een duidelijke plaats in het blad: Nederlandse feuilletons, maar ook teksten van Gezelle, Vondel, Chesterton en van de coryfeeën uit de nadagen van het Rijke Roomsche leven: Gabriël Smit en Michel van der Plas. Omdat er ook gedichten

[p. 66]

binnenkwamen van ‘volbloed Surinaamse abonnés’ die zich hulden in pseudoniemen als Theo en Elemh, werd met ingang van april 1946 de rubriek ‘Kunstbeoefening’ in het leven geroepen. Vanaf 1960 drukte het blad met grote regelmaat Surinaamse liedjes van pater A. de Groot af (die werden gebundeld in separate bijlagen: de Surinaamse kwikstaartjes, 1963-1968), en in de latere jaargangen ook van E. Wong Loi Sing (later schrijvend onder de naam Frits Wols).

Prozabijdragen uit eigen land waren er van onder meer Willem Campagne, Hans Helmer, A. de Groot, Heinrich Heyde en Celsius Tjong A Kiet338; van de auteurs uit de laatste jaargangen maakte alleen Harry Jong Loy naam.339 Met ingang van de jaargang 21, 1965, verschenen er ook niet-gesigneerde prozastukjes in het Sranan, vermoedelijk volksvertellingen. Opbouw heeft echter heeft nooit die activerende of kritisch begeleidende rol gespeeld zoals Spectrum dat heeft gedaan. Zijn grootste betekenis heeft het maandblad ontleend aan de verspreiding van Surinaams romans door ze in feuilletonvorm af te drukken: van F.H. Rikken Tokosì of Het Indiaansch meisje, Codjo, de brandstichter en Ma Kankantrie , van Willem Ahlbrinck Táwaroe, de Indiaanse verspieder, Het opperhoofd van Grandcarbet en De moeilijke verloving , en van Kees Neer Viottoe (zie de betreffende Auteursprofielen).340

288Vindplaatsen bij Van Kempen & Enser 2001. Over de naoorlogse kranten: Lionarons 1954b.
289Hierover Gobardhan-Rambocus 2001: 314-317.
290Alle oplagecijfers zijn ontleend aan Scholtens 1986: 46. Een algemene karakteristiek van de pers rond en na WO II geeft Van de Walle 1975: 29-35.
291Deze bevinden zich in het Niod.
292NS 14-4-1955, gecit. bij Breeveld 2000: 149. Over Kraan: DW 4714/2-1-1948.
293Breeveld 2000: 149.
294Van Binnendijk 1991: 23. Vernooij 1998: 125.
295Van de Walle 1975: 29.
296Breunissen 2001: 23.
297Scholtens 1985: 55-56.
298Zie hierover het interview met zijn jongste dochter, Dina Sarucco: Tilon 1992, Sarucco 1992 en Censuur in Suriname (1992: 56-57).
299Geciteerd naar een officieel verslag van de Tweede Kamer in BWR 592/27-3-1935, waarin uitvoerig over de zaak-Sarucco wordt bericht. (Ramsoedh 1990: 85 neemt deze bijna letterlijk over; abusievelijk vermeldt hij J.L. Sarucco.) Idem in De Volksstem van 22-1-1935. Zie ook BWR 593/30-3-1935 e.v. Knipsels over de persbreidel van De Banier van Waarheid en Recht uit 1933 zijn samengebracht in het Archief Samson, map 6b, nrs. 130 en 131.
300Zie bijv. het feuilleton over hem door Ben van Eysselsteyn in BWR 586/6-3-1935 t/m BWR 588/13-3-1935; en verder BWR 186/10-4-1931 en BWR 605/11-5-1935. In De Banier werd geregeld met zijn boeken geadverteerd (BWR 254/4-12-1931 e.v.).
301BWR 26/27-9-1929. Wijdenbosch 1996: 32-33 beschrijft Lindberghs bezoek.
302Enkele exemplaren van De Periskoop aanwezig in Archief Samson, port. 11, nr. 16 en bij het Niod.
303DW 2992/14-9-1936. Hartog 1944: 343. Navolgende gegevens ontleend aan Hartog.
304In 1958 vermeldt het blad: jaargang 17. Hartog 1944: 346 vermeldt dat Nickerie Vooruit in 1944 verscheen. D. Planktonius jr. [= verm. A.Ph. Samson] schreef in De Nickeriaan van 29 juni 1957 een acrostichon, ‘Nickerie Vooruit’, waarvan de beginletters de naam Nickerie vormden.
305Aldus een bericht in OV 25/4-7-1953.
306DN 15-10-1955.
307In Nederland verscheen in 1946 Vikaash-Evolutie, orgaan van de Liga van Hindostani's.
308Gegevens over de Chinese pers ontleend aan Man A Hing 1988 (die o.a. als bron hanteert: het overzicht van de Chinese pers door Wong Tung Loi (mandarijn: Huang Dong Lai) in Guangyitang yibai zhounian jinian tekan (1880-1980) 1980: 103-106, en aan informatie door William Man A Hing verstrekt.
309De namen van de genoemde periodieken in het mandarijn: Szun-Lam Zhu K'an: Hsün Nan Chou K'an; Lam Foeng: Nan Feng.
310Vermeld in Al-Haq, 1 (1943-44), nr. 9/10, maart-april 1944, p. 8.
311In het Niod zijn aanwezig: jrg 1, nrs. 4/5, oct.-nov. [1943], nrs. 7/8, jan.-feb. 1944 en 9/10, maart-april 1944.
312Titels bij De Klerk 1953: 196, Hartog 1944 en Ramdin 1989: 58.
313Gobardhan-Rambocus 2001: 315.
314Secretaris/uitgever was C. Emanuels. Over de geschiedenis van het blad: Samson 1964, Robles 1964 en Bueno de Mesquita 1964. De bijna complete jaargangen van Teroenga bevinden zich in de Bibliotheca Rosenthaliana (UBA).
315In Tr 19 (1957-58), nr. 8, juli 1958 verscheen wel een opstel ‘Het Achterhuis’ over het beroemde dagboek van Anne Frank.
316Vgl. Meijer 1946: 16-18. Programma's van joodse koningshuisvieringen bevinden zich in het Archief Samson (Kruijer-Poesiat 1998a: 13) en verspreid in het Archief Bruijning (Kruijer-Poesiat 2001). Beschouwende bijdragen waren er, behalve van de genoemde Samson, van onder meer A. Feinland (over muziek), R.E. Azijnman, A.Ph. Samson en R.D. Simons.
317Poëzie: van Planktonius/Samson (geb. 1-3-1872 in Paramaribo, overl. ald. 23-4-1959): ‘Chanoeka’ in Tr 1 (1939-40), nr. 2, december 1939; ‘Ons Hechal’ in Tr 20 (1958-59), nr. 10, oktober 1959; ‘Neer Tamid’ in Tr 21 (1959-60), nr. 2, december 1959. Van Simons: ‘Nieuwjaar’, in Tr 1 (1939-40), nr. 12, october 1940; ‘Aan de nieuwe leraar’ in Tr 12 (1951-52), nr. 8, juli 1951. Van Oppenheim (geb. 12-2-1899 in Deventer, overl. 21-10-1958 in Wageningen, NL): ‘10 mei 1943’, in Tr 4 (1942-43), nr. 7, mei 1943. Van Jacob Israël de Haan verscheen ‘Het nieuwe Jaar’ in Tr 15 (1953-54), nr. 9, september; ‘Pesach’ in Tr 28 (1966-1967), nr. 3, april/mei 1967. Het gedicht ‘Esther’ van Estella Hertsfeld verscheen in Tr 17 (1955-56), nr. 3, februari 1956. ‘Het arme lam’, een berijmde vertaling van een Seideravond-verhaal door Henriëtte Boas verscheen in Tr 17 (1955-56), nr. 4, maart 1956 (toelichting in Tr 24 (1962-63), nr. 5, april 1963). Proza: Oppenheim: ‘Het gebroken glas’, de 1ste aflevering van een niet-gecontinueerd feuilleton in Tr 6 (1944-45), nr. 5, maart 1945. Een In memoriam en lijst van diens bijdragen geeft Anoniem 1958. Evenmin gecontinueerd werd het feuilleton ‘De verdwenen loofhut’ van A.Ph. Samson in Tr 6 (1944-45), nr. 10, october 1945. Diens ‘Herinneringen van een grijsaard’ over het vroegere Suriname startten in Tr 7 (1945-46), nr. 6, [mei] 1946 en gingen wel in het volgende nummer tijd door. Een In memoriam van Samson met lijst van zijn bijdragen geeft Anoniem 1959.
318Tr 16 (1954-55), nr. 4, maart 1955. Een ander ‘Poerim-Lied’ bij gelegenheid van de Poerim van de Surinaamsche Zionisten Bond bevindt zich in het Archief Samson (Kruijer-Poesiat 1998a: nr. 243). Blijkbaar eveneens bij Poerim geschreven is een episch gedicht van 12 strofen, ‘De verdwenen Megilla’, met drie regels in het Sranan, in Tr 16 (1954-55), nr. 4, maart 1955.
319Samson 1964: 2.
320Waaldijk 1953a: 141-142.
321Gordijn 1970: 100-101. Lands of the inner sea (1948) van W. Adolphe Roberts was een van de vroegste beschouwingen waarin ook Nederlands West-Indië in het Caraïbisch gebied werd beschreven. Besproken door Lichtveld 1949c.
322Gecit. naar ‘“Inferno”: geheimzinnig pamflet over Suriname verschenen’, in DS 6550/25-5-1949. De naam ‘Rudie’ gespeld als ‘Rudi’. Bij de verschijning van het blad verscheen ‘Bij de verschijning van Eldorado’, in Beurs- en Nieuwsberichten, 19-1-1949, ook in La Prensa, 20-1-1949. Besprekingen van latere nummers in Beurs- en Nieuwsberichten, 22-2-1949 en 23-5-1949.
323Gordijn 1970: 62. Het blad is aanwezig bij het KIT en in fotokopie bij de Caraf.
324Het blad en specifiek deze bijdragen worden beschreven door Meel 1997: 25-28.
325Zie Waaldijk 1952, Dennert 1952a, Dijkstra 1953, Boswijk 1952a, Waaldijk 1953c.
326De andere redacteuren van het eerste uur waren prof.dr. J. Boeke, mr. D. Fock en C.A.J. Struycken de Roysancour.
327Ten Kate 1921. Verg. ook Ten Kate 1919. Over H.F.C. Ten Kate: Benjamins 1930-31.
328Staal 1923/24 en 1928/29, Schütz 1926/27.

329De complete jaargangen zijn aanwezig in het archief van het Generalaat van de Fraters van Tilburg (NL).
330Spectrum, 5 (1948/49), nr. 2, maart 1948 (gedichten van Alfred Tennyson en H.W. Longfellow) en nr. 5, juni 1948 (gedichten van Sully Prudhomme, Arthur Rimbaud en Paul Verlaine). Uitslag in nr. 7, augustus 1948, pp. 200-204.
331Spectrum, 2 (1945/46), nr. 5, juni 1945, p. 83-84. Vindplaatsen van de Sranan-versie vermeld in de Close-up Foetoe-boi.
332Spectrum, 3 (1946/47), nr. 3, april 1946, p. 49.
333Spectrum, 3 (1946/47), nr. 7, augustus 1946, p. 127.
334Journalistieke bijdragen in de rubriek ‘Eigen Werk’ verschenen van de hand van F.L. de Rooy, C.R. Biswamitre, Osanto, O. Sanches, Jules van Bochove, W. Chin A Loi, J. Gever, Corn. D. Ooft, D.A. Samson, Ph. Samson, L. Maynard en C. Getrouw.
335C[elsius] T[jong] A K[iet], ‘Opo see’, in Spectrum, 4 (1947/48), nr. 9, october 1947, pp. 264-266; en: ‘In de val gelopen’, in Spectrum, 4 (1947/48), nr. 10, december 1947, pp. 292-294. Ackermans: eerste afl. in Spectrum, 5 (1948/49), nr. 1, februari 1948; tot en met 5 (1948/49), nr. 4, mei 1948 (het feuilleton werd voortijdig afgebroken). Elsenhout: Spectrum, 5 (1948/49), nr. 8, september 1948, pp. 231-235 tot en met nr. 10, december 1948. Van Buren: Spectrum, 5 (1948/49), nr. 10, december 1948, pp. 295-298 ‘Het huis met het licht en de zon’; in 6 (1949/50), nr. 2, maart 1949, pp. 46-48 ‘Het pakje uit Curaçao dat tot gevolg had...’; en in 6 (1949/50), nr. 8, september 1949, pp. 233-235: ‘Cornelly’. Rens: Spectrum, 5 (1948/49), nr. 11, januari 1949, pp. 334-338: ‘Is dat wel zo, mijnheer Lewis?’ tot en met 6 (1949/50), nr. 1, februari 1949 (voortijdig afgebroken). Rens droeg eerder bij met artikelen over het Engels.
336Spectrum, 6 (1949/50), nr. 10, december 1949, p. 1.
337De redactie bestond uit A.H. Baal, Sr. Clotilda Franssen, Sr. Consolata Roovers, Fr. Fulgentius [M.F. Abbenhuis], H. Guda, fr. Jesuald van Kessel. Latere redacteuren waren de fraters Engelbertus Verrijt, Ulrich Raaymakers, Edgard van Heusden en Amando de Rooij. De bijna volledige jaargangen bevinden zich in het Generalaat van de Fraters van Tilburg (nl).
338C[elsius] T[jong] A K[iet], ‘Van hogere sferen’, Opbouw, 4 (1947), nr. 1, Kerst, pp. 22-25.
339Zie Profiel van Jong Loy in het deel over de orale literatuur van de creolen. Voorts G. Nijbroek, Remeo Mendonça, Frank Bergwijn, H.J. Doelwijt en van Fred van Bommel (ps. van frater Edgard van Heusden): ‘Een vreemd Kerstverhaal uit het jaar O.H. 1810’ in Opbouw, 19 (1963), nr. 1, januari, pp. 10-26. Van een voor het eerst op 16 juli 1953 bijeengekomen vereniging van katholieke intellectuelen (met in het presidium: dr. André Blom, Mr. J. van Gorcum en W. Jozef [Joseph?] en E.T.M. Eykemans CssR als moderator) werd in het blad noch elders veel vernomen (Schalken 1985: 132-133).
340Eveneens in afleveringen verscheen een uitvoerig reisverslag van een reis naar Rome door M. Getrouw. Eerste afl. in Opbouw, 17 (1961), nr. 2, februari; laatste in 18 (1962), nr. 10, december.
terug  begin  verder