De doodskunstenaar


auteur: Luuc Kooijmans


bron: Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2004  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

[1]
Anatomische lessen

Toen Frederik Ruysch op 28 maart 1638 in Den Haag werd geboren was de Opstand, de tachtigjarige oorlog tegen Spanje, nog niet voorbij. Maar de gevechten speelden zich ver van Den Haag af, en toen hij tien was werd de oorlog beëindigd en mocht hij meegenieten van de feestelijkheden ter ere van de vrede van Münster, waarbij de Nederlandse republiek als zelfstandige staat was erkend. Voor een Haagse jongen viel er in die jaren het nodige te beleven: Den Haag was het regeringscentrum, de plaats waar de prinsen van Oranje hof hielden, en waar veel buitenlandse militairen en diplomaten rondhingen. Je kon je er vergapen aan allerlei uiterlijk vertoon, het was er druk en er was dagelijks nieuws uit de rest van de wereld.

Nieuws was meestal politiek nieuws, maar er werd ook veel gesproken en geschreven over de verbazingwekkende ontdekkingen die in alle delen van de wereld werden gedaan. Sinds enkele tientallen jaren zeilden Nederlanders naar Oost-Azië en naar Zuid-Amerika. Ze waren daarheen gevaren om er, in navolging van Spanjaarden en Portugezen, handel te drijven, maar en passant ontdekten de reizigers allerlei onbekende gebieden, met onbekende volken, die soms opzienbarende gebruiken en zeden bleken te hebben. Tijdens de jeugd van Frederik Ruysch ontdekte Abel Tasman, die voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie het land ten zuiden van de Indische eilanden in kaart probeerde te brengen, nog een groot eiland, dat, naar zijn chef, Van Diemensland werd genoemd. Nieuws over dergelijke ontdekkingen werd, behalve mondeling, verspreid via brieven, kranten, tijdschriften, pamfletten en boeken. Den Haag was een van de weinige plaatsen in Europa waar op grote schaal boeken werden uitgegeven en verkocht. Onder de publicaties uit die jaren waren een geschiedenis van de verrichtingen van de West-Indische Compagnie, een verzameling Oost-Indische reisverslagen en ook het journaal van de Hoornse schipper Bontekoe. Naast de verslagen van Nederlandse reizigers werden de bevindingen van Engelsen, Fransen, Duitsers, Spanjaarden en Portugezen vertaald en uitgegeven. Dankzij dergelijke boeken kon iedereen te weten komen wat er in de voorheen onbekende delen van de aarde viel te zien.

[p. 2]

Nieuwsgierig bekeek men de exotische voorwerpen die reizigers meenamen. Voor een deel waren dat door mensen vervaardigde voorwerpen uit andere culturen, maar ook planten en dieren. Men kreeg dieren te zien waarover men in reisverhalen had gelezen: papegaaien, kameleons en armadillo's bijvoorbeeld. Sommige mensen kochten aapjes of vogeltjes die door zeelieden waren meegenomen. Plantenliefhebbers konden soms beslag leggen op zaden waarmee exotische planten konden worden gekweekt. Anderen kochten bijzondere schelpen of stenen.

Behalve uit liefhebberij werden dergelijke ‘rariteiten’ verzameld om te inventariseren wat er nu eigenlijk allemaal bestond. Er werd veel gediscussieerd over het waarschijnlijkheidsgehalte van de verhalen die over verre werelddelen werden verteld. Omdat moeilijk viel uit te maken welke berichten geloofwaardig waren en welke konden worden afgedaan als fantasie, was er vraag ontstaan naar bewijsmateriaal. Verzamelingen konden worden gebruikt in het streven om orde te scheppen in de chaos van nieuwigheden.1

1.1 Apothekersleerling

Een van de verzamelaars was de jonge Frederik Ruysch, die bij een apotheker in de leer was gegaan, hoewel het apothekersvak in zijn familie niet de meest voor de hand liggende beroepskeuze was. Zijn naaste familieleden werkten vrijwel allemaal als juristen en ambtenaren. Al in de zestiende eeuw had een aantal van zijn voorouders rechten gestudeerd. Vanaf het moment dat de protestanten daar de macht hadden gegrepen, had de vader van zijn grootvader, Ruysch Claesz, zes jaar lang gefungeerd als pensionaris van Amsterdam. Daarna was hij naar Den Haag vertrokken, omdat hij tot advocaat-fiscaal van de provincie Holland was benoemd. Zijn grootvader Gijsbert Ruysch, aanvankelijk notaris en klerk voor de Staten van Holland, was in 1608 secretaris geworden van de pas opgerichte landelijke Rekenkamer. De Rekenkamer was een van de instellingen die in het leven waren geroepen om de samenwerking te bevorderen tussen de Nederlandse provincies die zich tijdens de oorlog hadden losgemaakt van hun vorst, de Spaanse koning. Die provincies vormden bepaald geen eenheid: ze bestonden uit een verzameling dorpen en steden die ieder een eigen bestuur hadden en eigen regels en wetten, en daardoor betrekkelijk autonoom functioneerden. Om het bestuur van de opstandige provincies te ondersteunen werd in Den Haag een bureaucratie gecreëerd en Gijsbert Ruysch zag daarin carrièremogelijkheden, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn zoons. Hij nam hen daarom al op jonge leeftijd mee naar de secretarie om hen vertrouwd te maken met het werk, zodat ze op den duur ook als ambtenaar in hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien. De twee oudste zoons kregen spoedig een functie als klerk bij de griffie van de staten-generaal, de derde zoon werd als klerk aangenomen bij de Staten van Holland.

[p. 3]

Gijsbert Ruysch werd een welvarend man, rijk genoeg om een fraai pand aan de Kneuterdijk te kopen. In het voorjaar van 1624 wilde hij daar gaan wonen, maar tijdens de voorbereidingen voor de verhuizing werd hij ziek. Waarschijnlijk was hij een van de slachtoffers van de pestepidemie die dat jaar in Den Haag woedde. Toen duidelijk werd dat hij zou gaan sterven, probeerde hij de toekomst van zijn gezin veilig te stellen. Hij vroeg van de Staten-generaal de verzekering dat zijn oudste zoon hem zou mogen opvolgen als secretaris van de rekenkamer. Opvolging door de oudste zoon diende vanuit het familieperspectief als waarborg voor continuïteit van de sociale positie, maar ook vanuit het perspectief van de bureaucratie was het niet ongunstig. Bij gebrek aan gespecialiseerde scholing was praktische scholing onder de hoede van de vader een gebruikelijke manier om voor opleiding en continuïteit te zorgen. Een dergelijk verzoek was daarom niet ongebruikelijk en het verzoek van Gijsbert Ruysch werd ook gehonoreerd. Zodra hij dat had vernomen ontbood hij in zijn oude huis op de Markt een notaris om zijn laatste wil te laten optekenen.2 Anderhalve week later stierf hij.

In Den Haag bleef zijn dood niet onopgemerkt. De schoolmeester David Beck componeerde een sonnet op zijn overlijden en in de brief die Constantijn Huygens de week daarop van zijn moeder kreeg werd het als nieuwtje vermeld: ‘den secretaris Ruys is overleden; sijnen soon heeft het officie, en den jongxsten soon heeft sijn breurs officie’.3 De oudste zoon was dus in plaats van zijn vader secretaris van de Rekenkamer geworden, en de baan als klerk op de griffie van de Staten-generaal die daardoor was vrijgekomen was overgenomen door de derde zoon.

Die derde zoon, de 26-jarige Hendrik Ruysch, was, in tegenstelling tot zijn oudere broers, nog niet getrouwd. Hij werkte nog maar kort als klerk. Maar met zijn nieuwe baan bezat hij voldoende mogelijkheden om een gezin te onderhouden en het volgende jaar trad hij in het huwelijk, met de 21-jarige Anna van Berchem, een meisje dat net als hij zelf afkomstig was uit het ambtenarenmilieu. Hij had als klerk een bescheidener status dan zijn oudste broer, maar verkeerde toch ook in redelijk goede doen. De klerken die bij de Staten-generaal werkten hadden dagelijks contact met de griffier en ze onderhielden nauwe contacten met regenten en ambtenaren. Dankzij die contacten konden ze lucratieve neveninkomsten bemachtigen. Ook Hendrik Ruysch genoot naast het gewone schrijfloon allerlei inkomsten uit nevenactiviteiten.4 Nadat in 1630 zijn moeder was overleden en hij zijn erfdeel had ontvangen, leek de maatschappelijke positie van zijn gezin gewaarborgd, maar alles werd anders toen hij in 1638 plotseling stierf, vlak na de geboorte van zijn zesde kind, dat de naam Frederik had gekregen.5

 

Frederik Ruysch groeide dus op zonder vader, in een gezin dat moest leven van slechts een deel van de oorspronkelijke inkomsten. De Staten-generaal hadden erin toegestemd dat de baan van Hendrik Ruysch overging op zijn oudste zoon. Maar die zoon, die ook Hendrik was genoemd, was nog pas acht. Totdat hij oud

[p. 4]

genoeg zou zijn werd de functie daarom vervuld door een substituut, die uiteraard een aanzienlijk deel van de inkomsten opstreek. Bovendien vervielen alle extra inkomsten die zijn vader had genoten. Zo groeide Frederik Ruysch op in een gezin in crisis, en zonder vanzelfsprekend toekomstperspectief.

Zijn oudste broer zou op den duur in de voetsporen van hun vader treden. Zodra hij oud genoeg was, kon hij diens functie overnemen, maar voor Frederik moest een andere toekomst worden gezocht. Aan goede connecties ontbrak het niet. De broers van zijn vader hadden mooie banen in de Haagse bureaucratie. Het probleem was alleen dat zij voor hun eigen zoons moesten zorgen. Maar er lagen ook mogelijkheden buiten de bureaucratie. De familie Ruysch had ook connecties in andere sectoren, met name in het plaatselijke bestuur, en in de ‘gezondheidszorg’. Een zuster van Frederiks grootvader was getrouwd met een rijke lakenkoper die een zetel in het plaatselijke bestuur had gekregen. Toen hij stierf had zijn oudste zoon zijn zetel overgenomen, maar de tweede zoon was apotheker geworden.

De oudste zuster van Frederiks vader, Aaltje Ruysch, was getrouwd met Jan Vonk, een prominent chirurgijn in Den Haag. Hij was hoofdman van het gilde geweest en had prins Frederik Hendrik als heelmeester gediend. Een andere zuster van zijn vader, Maria Ruysch, was eveneens getrouwd met een chirurgijn, Jacob de Bye. De Bye was ook lid van het gildebestuur geworden en hij fungeerde tevens als regent van het dol- en pesthuis. Hun zoon Michiel de Bye, die van dezelfde leeftijd was als Frederik Ruysch, ging in de leer bij een apotheker.

De keuze voor het apothekersvak was dus nog niet zo vreemd. Apothekers waren gespecialiseerde kruideniers, die een winkel hadden waar geneesmiddelen werden verkocht. Die geneesmiddelen werden door hen samengesteld op voorschrift van doctoren. Apothekers waren dus ondergeschikt aan de doctoren: ze fungeerden als hun kok. Maar het vak was wel beschermd. Net als de chirurgijns waren de apothekers verenigd in een gilde. Alleen leden van het apothekersgilde mochten in Den Haag medicijnen samenstellen en verkopen, en wie tot het gilde wilde worden toegelaten moest een opleiding volgen en examen afleggen. Het vak had daardoor wel een zekere status en bovendien was er in de tijd dat Frederik Ruysch het ging leren het nodige in te beleven. Uit de recent ontdekte delen van de wereld werden allerlei tot dan toe onbekende kruiden en planten naar Europa gehaald. Aan een aantal daarvan werden geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven en sommige werden opgenomen in het geneesmiddelenassortiment. Een apotheker kwam onvermijdelijk in aanraking met exotische gewassen en bijna vanzelf ook met andere producten uit verre werelddelen. Apothekers verzamelden, uit interesse, als handelswaar, of om de aandacht op hun winkel te vestigen, vaak voorwerpen uit verre oorden en stelden die in hun zaak ten toon. Een beschrijving van Den Haag vermeldde dat de muren en het plafond van de bestuurskamer van het apothekersgilde waren behangen met ‘de uitgelezenste fraaiheden en rariteiten’. De apothekers hadden zich daarvoor de nodige offers

[p. 5]

moeten getroosten. Nadat ze een nieuwe ruimte hadden gehuurd, aan de Prinsengracht naast de Waag, hadden alle leden van het gilde extra donaties gedaan tot ‘cieraet’ van de kamer.6

Een van de kanalen voor de aanvoer van exotica was de West-Indische Compagnie. Den Haag werd dagelijks herinnerd aan de activiteiten van de WIC doordat aan de hofvijver een imponerend huis was verrezen dat was gebouwd in opdracht van graaf Johan Maurits van Nassau. Graaf Maurits, zoals hij in de wandeling werd genoemd, een familielid van de Oranjes, had namens de WIC van 1636 tot 1644 een Nederlandse kolonie in Brazilië bestuurd en van het geld dat hij daar verdiende had hij intussen in Den Haag zijn huis laten bouwen. De opdracht was uitgevoerd door de uit Haarlem afkomstige bouwmeester Pieter Post.

Frederik Ruysch had het gebouw als jongetje zien verrijzen. Zijn familie was direct betrokken geweest bij de WIC-activiteiten. De jongste broer van zijn vader, Nicolaas Ruysch, die als klerk op het Binnenhof had gewerkt, had gekozen voor het avontuur en was met Maurits meegegaan naar Brazilië. Frederik had nimmer de kans gekregen om hem te ontmoeten, want hij was niet teruggekeerd. Een aantal andere deelnemers aan het Braziliaanse avontuur zou hij wel leren kennen. Onder hen was Frans Post, een jongere broer van de bouwmeester. Hij was schilder. Hij legde in Brazilië de inwoners en het landschap vast in tekeningen en schilderijen.7

Frederik Ruysch zou ook te maken krijgen met de arts Willem Pies. Pies fungeerde als lijfarts van Maurits, maar hij deed tevens onderzoek naar planten, kruiden en medicijnen, in de eerste plaats voor medische doeleinden. Hij beschreef tropische ziekten en bestudeerde de manier waarop die door de plaatselijke artsen werden behandeld. In het ziekenhuis in Brazilië liet hij een aantal van hun geneeswijzen overnemen. Na zijn terugkeer in Holland verwerkte hij zijn Braziliaanse bevindingen in een boek dat in 1648 verscheen onder de titel Historia naturalis Brasiliae: een boek van vierhonderd pagina's, op folioformaat, met een honderdtal gravures. Het grootste deel van het boek bestond uit een beschrijving van de Braziliaanse natuur door de inmiddels overleden assistent van Pies, Georg Marggraf. Daarin werden volkeren, planten en dieren behandeld. Willem Pies (die liever een Latijnse versie van zijn naam gebruikte, Piso) had zelf het gedeelte over de Braziliaanse geneeskunde geschreven, waarin tropische ziekten werden behandeld. Hij toonde bewondering voor de manier waarop inlandse geneeskundigen met planten en kruiden werkten. Als eerste Europeaan gaf hij een beschrijving van de radix ipecacuanha, de ipecawortel, een braakmiddel dat als remedie tegen dysenterie werd gebruikt.

Willem Piso, die zich had gevestigd in Amsterdam, waar hij vrienden had in literaire kringen, bezorgde Caspar van Baerle (Barlaeus) de opdracht om de geschiedenis van Maurits' regering in Brazilië te beschrijven.8 Die geschiedenis werd in 1647 uitgegeven, in het Latijn, met illustraties naar tekeningen van Frans Post.

[p. 6]

De jonge Frederik Ruysch had in eerste instantie vooral belangstelling voor alles wat er te weten viel over planten. Voor een apothekersleerling was kennis van planten essentieel. De meeste geneesmiddelen waren plantaardig, en hij moest planten dus kunnen herkennen en op de hoogte zijn van hun geneeskrachtige eigenschappen. Hij leerde daarbij gebruik te maken van ‘kruidboeken’, waarin planten en hun geneeskundige toepassing werden beschreven. Daarnaast leerde hij het voorschriftenboek raadplegen, waarin werd aangegeven hoe de geneesmiddelen moesten worden bereid. Naast plantaardige werden dierlijke en in toenemende mate ook chemische geneesmiddelen gemaakt, en Ruysch leerde daarom tevens omgaan met fornuizen, blaasbalgen, koelvaten en destilleerketels. Ook dat vond hij boeiend, maar hij zou later verklaren dat hij van jongs af aan vooral ‘een liefhebber van de kruijden en andere gewassen’ was geweest. Hij begon planten te verzamelen, in de eerste plaats in de directe omgeving. Om ze te kunnen bewaren moest hij ze drogen. Aanvankelijk had men bij het determineren van planten moeten uitgaan van beschrijvingen en afbeeldingen, maar halverwege de zestiende eeuw was men planten ook gaan drogen en zo was het mogelijk geworden een duurzame verzameling aan te leggen, een herbarium. Frederik Ruysch bewaarde zijn herbarium zorgvuldig. In een beschrijving van zijn verzameling uit 1710 kwamen bloemen voor die vijftig jaar eerder door hem waren geplukt.9

Liefhebbers die werden geconfronteerd met onbekende planten probeerden de overeenkomsten en verschillen met bekende planten vast te stellen en onderzochten ze daarom op uiterlijk, geur en smaak. Het was wel zaak om daarmee voorzichtig te zijn. Ruysch had meegemaakt hoe een Haagse chirurgijn aan den lijve had ervaren hoe giftig sommige planten konden zijn. De chirurgijn had samen met een dokter in een tuin een onbekende plant aangetroffen. Nieuwsgierig hadden ze van de wortels gegeten, waarop ze beiden ‘groote pijn in 't lijf kregen’. De dokter was met de schrik vrij gekomen, maar de chirurgijn was er schielijk aan doodgegaan, ‘met swaare trekking der zenuwen’.10

Ruysch beperkte zich niet tot planten. Hij ging ook andere wonderen der natuur verzamelen: schelpen en gesteenten, insecten en spoedig ook menselijke beenderen. Daarmee begaf hij zich op het terrein van de anatomie, een terrein waarop minstens zoveel ontdekkingen werden gedaan als op vreemde continenten.

1.2 Anatomische kennis

Het was nog niet zo lang geleden dat het wereldbeeld voor de gemiddelde Nederlander tamelijk overzichtelijk was geweest. Ver weg had je landen waar heidenen leefden, maar het centrum van de wereld, Europa, werd gedomineerd door het christendom, onder aanvoering van een kerk die leerde dat er een God was die zesduizend jaar terug de aarde had geschapen. Sinds de reformatie vormde het

[p. 7]

christendom geen eenheid meer, maar het beeld van het universum was niet veranderd. De aarde was het centrum van het heelal, dat vanuit de hemel door God werd geregeerd. De essentie van wat er over de wereld te weten viel, stond in de bijbel, waarin Gods woord was geopenbaard.

Geletterden waren op school bovendien in aanraking gekomen met de klassieke Griekse en Romeinse cultuur, die hun naast de bijbel ten voorbeeld werd gesteld. De klassieke beschaving werd verondersteld vrijwel volmaakt te zijn geweest en de werken van Griekse en Romeinse auteurs hadden een onaantastbare autoriteit. Aan hun werk was de meeste gangbare kennis ontleend en het heersende wereldbeeld was, behalve op de bijbel, voornamelijk op hun wetenschap en filosofie gebaseerd. Aristoteles was ‘de filosoof’, aan wiens ideeën (uit de vierde eeuw voor Christus) het beeld van het universum grotendeels was ontleend. Ptolemaios, die in de tweede eeuw na Christus leefde, was de belangrijkste autoriteit op sterrenkundig gebied, voor kennis over planten en dieren werd voornamelijk geput uit een beschrijving uit de eerste eeuw na Christus door Plinius, en het werk van Hippokrates en Galenus beheerste de geneeskunde.

Wetenschap was heel lang het domein geweest van een selecte groep geleerden, die oude manuscripten lazen. Sinds er boeken konden worden gedrukt - dat was zo sinds halverwege de vijftiende eeuw - kon het werk van de klassieke auteurs door veel meer mensen worden gelezen en sinds de reformatie gold hetzelfde voor de bijbel. Op den duur zou dat leiden tot steeds meer kritische vragen, maar in het begin van de zeventiende eeuw hadden ‘de ouden’ nog een zeer grote autoriteit. Wetenschap was nog vooral een kwestie van eruditie, van veel gelezen hebben in antieke teksten. Het was daarom ook niet vreemd als een hoogleraar aan de universiteit zowel wiskunde als Grieks doceerde. Alle kennis was afkomstig uit dezelfde bron.

Dat die kennis meer dan duizend jaar oud was, gold alleen maar als een aanbeveling. Daarom waren de bevindingen van de reizigers des te opzienbarender. In de volgens Aristoteles onbewoonbare tropen was een grote verscheidenheid aan mensen, dieren en planten aangetroffen en nergens hadden reizigers de monsters gezien die volgens Plinius in de uithoeken van de aarde leefden. De kennis van de oude Grieken en Romeinen was dus in elk geval niet volledig geweest. Hoewel men het idee van de volmaaktheid van de wetenschap der ouden ongaarne opgaf, moest men op den duur zelfs concluderen dat er zoveel aan ontbrak, dat het hele wereldbeeld dat daarop was gebaseerd in feite op losse schroeven stond.

Een van de factoren in de val der ouden was de groeiende behoefte aan praktische kennis. Naarmate de handel zich ontwikkelde, werd er meer en verder over zee gereisd, en dankzij de zeevaart groeide de belangstelling voor de sterrenhemel, want via de sterren kon men zich op zee oriënteren. Tot dan toe was men in de sterrenkunde uitgegaan van het systeem van Ptolemaios, dat ongeveer binnen de voorstelling van het heelal door Aristoteles viel. De aarde stond in het middelpunt van het heelal en de zon draaide eromheen. Dat was ook de voorstel-

[p. 8]

ling die werd gegeven in de bijbel. Maar in 1543 werd een geschrift gepubliceerd van de Poolse sterrenkundige Nicolaus Koppernigk (die in het wetenschappelijk verkeer de naam Copernicus voerde), waarin hij beweerde dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het heelal vormde. Hij had dat niet afgeleid uit observaties, maar uit berekeningen. Eigenlijk had hij alleen vastgesteld dat astronomische berekeningen simpeler werden wanneer de zon als middelpunt werd genomen. Daarom was niet meteen duidelijk of zijn berekeningen de werkelijke toestand weerspiegelden, maar ook berekeningen van andere astronomen leidden op den duur tot de conclusie dat Aristoteles' beeld van het heelal niet klopte. Johannes Kepler berekende bijvoorbeeld dat planeten niet in cirkelvormige banen, maar in ellipsen bewogen.

Het bleef niet bij berekeningen. Rond 1608 werd een telescoop ontwikkeld. Lenzen en brillen werden al langer gemaakt, maar een Zeeuw fabriceerde een verrekijker door een holle en bolle lens op de juiste afstand achter elkaar te plaatsen. In 1609 hoorde de Italiaanse hoogleraar Galileo Galilei daarvan, en hij bouwde er vervolgens zelf een. Daarmee deed hij in 1610 spectaculaire ontdekkingen: het maanoppervlak bleek (in tegenstelling tot wat Aristoteles had beweerd) onregelmatig te zijn en om Jupiter bleken maantjes te zweven. Beide ontdekkingen suggereerden dat de aarde een ordinaire planeet was. Galilei beweerde dat het heelal er werkelijk zo uitzag als Copernicus had beschreven en hij presenteerde zijn ontdekkingen als een klap in het gezicht van Aristoteles. De aarde vormde niet het centrum van het heelal, maar was slechts een van de planeten.

Galilei verdedigde de opvattingen van Copernicus ook tegenover de kerk. Volgens hem kon men niet met een beroep op citaten uit de bijbel een conclusie weerleggen die tot stand was gekomen door nauwkeurige waarneming en logische bewijsvoering. Het leek Galilei onwaarschijnlijk ‘dat dezelfde God die ons begiftigd heeft met zintuigen, spraak en verstand, ons langs een andere weg de kennis heeft willen geven die we daarmee kunnen verkrijgen’. Maar in 1633 dwong de rooms-katholieke kerk hem zijn subversieve uitspraken terug te nemen en de kerk verbood verbreiding van de leer van Copernicus. Wat onderzoekers op grond van waarnemingen en berekeningen ook mochten beweren, de kerk hield vast aan de centrale positie van de aarde in het heelal en stond niet toe dat de eigen autoriteit werd aangetast.

Maar de behoefte aan praktische kennis beperkte zich niet tot de sterrenhemel, en allengs stapelden de bewijzen van de feilbaarheid der ouden zich op. Een van de terreinen waarop men langzamerhand ontdekte dat wat men tot dan toe als kennis had aangenomen lang niet altijd strookte met de ondervinding, was het menselijke lichaam. In de klassieke oudheid was anatomische kennis beperkt gebleven. Er was het nodige bekend door het bestuderen van gewonden en op het slagveld of elders aangetroffen lijken, maar er was nauwelijks systematisch onderzoek verricht. Omdat er tegen systematisch onderzoek in lijken weerstanden

[p. 9]

bestonden, werd een oplossing gevonden in het ontleden van dieren. Vooral van apen en varkens werd verondersteld dat hun anatomie sterke overeenkomsten vertoonde met die van de mens. Ontleedkundige verhandelingen waren daarom deels gebaseerd op ontledingen van varkens en apen.

Behalve door gebrek aan gelegenheid om menselijke lichamen te ontleden was anatomische kennis begrensd door de beperkingen van de zintuigen. Een belangrijk deel van het inwendige was zo subtiel dat het onzichtbaar was en om een beeld te vormen van de werking van het lichaam moest er veel worden verondersteld. Kennis van wat onzichtbaar was, werd verkregen op grond van analogieën: het onbekende werd verklaard door een vergelijking te maken met iets bekends. Als een onbekend object overeenkomsten vertoonde met een bekend object, veronderstelde men dat het onbekende object ook vergelijkbare eigenschappen zou hebben. Omdat men niet precies kon vaststellen hoe een mens inwendig in elkaar zat en hoe een lichaam functioneerde, werd dat dus bedacht op grond van analogieën. Op die manier had men zich ook een voorstelling van de kosmos gevormd. Het lichaam werd beschouwd als een microkosmos.

De befaamde Griekse arts Galenus, die als lijfarts van keizer Marcus Aurelius naar Rome was gehaald, had in de tweede eeuw vastgelegd wat er van de anatomie bekend was, en hij had die kennis ondergebracht in een systeem. Daarbij had hij zich in belangrijke mate gebaseerd op de filosofie van Aristoteles, die aarde, water, lucht en vuur beschouwde als de vier elementen waaruit de kosmos was samengesteld. Elk van die vier elementen bezat een specifieke combinatie van eigenschappen. De fundamentele eigenschappen waren heet, koud, nat en droog. Water was koud en nat, lucht was heet en nat, aarde koud en droog en vuur heet en droog. Naar analogie van die theorie over de kosmos was een theorie gevormd over het menselijk lichaam, waarbij ervan werd uitgegaan dat ook dat was opgebouwd uit de vier elementen. Het lichaam produceerde vier soorten afscheiding: bloed, slijm (flegma), gele gal (cholera) en zwarte gal (melancholia) - lichaamsvochten (of ‘humeuren’) met eigenschappen die correspondeerden met de eigenschappen van de vier elementen van het universum: bloed was heet en nat (als lucht), slijm was koud en nat (als water), enzovoort. De humeuren waren essentieel voor het functioneren van het lichaam: ze zorgden ervoor dat de diverse organen in het lichaam hun rol konden vervullen, waardoor een mens in leven kon blijven. Iemand was gezond als de sappen in zijn lichaam in harmonie waren. Die harmonie kon op allerlei manieren worden verstoord: door voedsel, door het weer, door de stand van de sterren, en ook door iemands psychische gesteldheid. Als de balans werd verstoord en een van de sappen de overhand kreeg, konden de andere sappen hun werk niet meer goed verrichten.

De balans was bij ieder individu verschillend. Galenus deelde mensen in naar het overheersende ‘humeur’ in hun lijf. Dat bepaalde hun temperament: melancholisch, flegmatiek, cholerisch, of sanguinisch. Hun temperament was van

[p. 10]

invloed op hun lichamelijke en geestelijke gesteldheid. Alles draaide dus om de balans tussen de verschillende humeuren en het opheffen van verstoringen in die balans was de belangrijkste taak van elke dokter.

Het systeem van Galenus en zijn versie van de menselijke anatomie hielden heel lang stand. Toen Frederik Ruysch opgroeide was Galenus nog altijd de belangrijkste autoriteit op het gebied van de anatomie, al was hij inmiddels niet meer onaantastbaar, omdat er onderzoek werd verricht. Eeuwenlang had men in Europa volstaan met de bestaande kennis, die als vaststaand was aangenomen. Maar op den duur was de behoefte aan anatomische kennis toch zodanig gegroeid dat er onderzoek op gang was gekomen, niet alleen in geschriften, maar ook in menselijke lichamen.

In bepaalde situaties was het openen van lijken al tijdens de middeleeuwen niet ongebruikelijk. Het gebeurde bijvoorbeeld voor een begrafenis, wanneer mensen ver van hun woonplaats waren gestorven. Dan werden de ingewanden uit het lijk gesneden en vervolgens werd het gebalsemd. Dat gebeurde ook met lichamen van hooggeplaatste personen die moesten worden geconserveerd omdat voor hun begrafenis een ruime voorbereidingstijd nodig was. In de dertiende eeuw werden in Italiaanse steden lichamen van gestorven zieken geopend om de doodsoorzaak te kunnen vaststellen, in verband met de gezondheid van de omwonenden. Daar stelden artsen in het geval van een misdrijf de doodsoorzaak niet alleen vast op grond van uitwendige verschijnselen, maar tevens door autopsie, bijvoorbeeld wanneer men vergiftiging vermoedde. Het ging er daarbij steeds om de lichamelijke toestand van een individu te bepalen. Maar als men wilde beoordelen of die toestand al of niet afwijkend was, was het nodig te weten wat gewoon was en daarom werden op den duur tevens lichamen ontleed met het oogmerk vast te stellen hoe mensen er van binnen precies uitzagen.

Aan Italiaanse universiteiten werden ontledingen verricht door professoren die hun studenten niet alleen theoretische kennis probeerden bij te brengen, maar de inwendige toestand van een mensenlichaam ook wilden laten zien. Zulke ontledingen vonden plaats op diverse plekken: thuis bij de professor, in de open lucht, en ook wel in kerken of ziekenhuizen. Daar werd dan een tafel neergezet waarop een kadaver werd gelegd, waar de studenten omheen gingen staan om de ontleding te zien. Het ontleden gebeurde alleen 's winters. Als de temperatuur te hoog was ging de ontbinding van het lijk te snel. Maar ook 's winters moesten er kaarsen van geurige was en aromatische planten worden ingezet tegen de stank. De volgorde van de ontleding werd geheel bepaald door de snelheid waarmee lichaamsdelen vergingen. Eerst werden de organen in de buik bekeken, want die vergingen het snelst, en vervolgens werd de inhoud van de borstkas bestudeerd. Daarna kwamen de schedelholte en de seksuele organen aan de beurt, en tenslotte de spieren, zenuwen, gewrichten en beenderen. Tussen de ontledingen door kon de anatomie alleen aanschouwelijk worden gemaakt met behulp van skeletten. Andere delen van het lichaam konden niet worden geconserveerd. Verder moes-

[p. 11]

ten de studenten het doen met uiteenzettingen op grond van de manuscripten van Galenus.

Universiteiten waren geen onderzoeksinstellingen. Ze verzorgden alleen onderwijs, en de ontledingen waren slechts bedoeld om theoretische kennis aanschouwelijk te maken. Ze dienden om in de praktijk te demonstreren wat Galenus had beschreven. Men ging ervan uit dat de aanschouwelijke lessen de studenten zouden helpen de teksten beter te begrijpen. Toch riep wat er te zien viel soms vragen op en er werden daarom ook secties verricht met het doel om antwoorden op zulke vragen te vinden.

Het aantal vragen nam gestaag toe, want wat men zag klopte lang niet altijd met wat men had gelezen bij Galenus. In zulke gevallen, wanneer de praktijk niet overeenstemde met de theorie, moest daarvoor een reden worden bedacht. Wat men zag was wellicht een uitzondering, of misschien was de bouw van de mens in de oudheid wel anders geweest, werd er geopperd. Maar dat klopte dan weer niet met het scheppingsverhaal, want volgens de bijbel was de schepping perfect en onveranderlijk, en ook Galenus had in navolging van Aristoteles beweerd dat de mens de best mogelijke vorm bezat. Een andere mogelijkheid was dat er een overleveringsfout in het spel was. Voordat men boeken kon drukken vond verspreiding van kennis plaats door het overschrijven van manuscripten. Het originele manuscript van Galenus was zo vaak overgeschreven en vertaald dat daarbij onvermijdelijk fouten in de tekst waren geslopen. Maar zelfs nadat de tekst zoveel mogelijk was geschoond bleken er discrepanties te blijven bestaan. Ontleden kreeg op die manier steeds meer het karakter van een zoektocht.

De belangstelling ervoor groeide, niet alleen onder studenten, maar ook bij schilders, die anatomische kennis konden gebruiken om het menselijk lichaam zo overtuigend mogelijk af te beelden. Zo was er in Den Haag in 1634 een anatomische atlas gepubliceerd door de schilder Jacob van der Gracht, die afkomstig was uit Mechelen, maar zich na een verblijf in Italië in Den Haag had gevestigd. Hij had zijn afbeeldingen gebaseerd op die van een oude meester, maar hij liet in het voorwoord weten dat hij, in navolging van Michelangelo, in Italië zelf de anatomie had bestudeerd, en zelfs eigenhandig verscheidene lichamen had ontleed. Hij had dat gedaan om volmaakte kennis van het menselijk lichaam te verkrijgen, wat hij absoluut noodzakelijk achtte om goed te kunnen schilderen. In de ondertitel van zijn atlas vermeldde hij dat die was bedoeld om de gesteldheid van het menselijk lichaam ‘te verstaen ende volkomentlick uut te beelden’. De atlas was ‘bequaem voor schilders, beelthouwers, plaetsnijders als oock chirurgiens’.11

Het was niet alleen nuttig, het werd interessant en opwindend om een blik te werpen op het onbekende inwendige, ook voor anderen dan artsen en kunstenaars. Een blik op het inwendige van de mens was minstens zo opzienbarend als een blik op objecten uit verre landen. Openbare anatomische demonstraties trokken volle zalen, maar de procedure die daarbij werd gevolgd was niet bevorderlijk voor onderzoek. Daarvoor geschiedde de ontleding te weinig subtiel. Er werd ge-

[p. 12]

sneden volgens een vast patroon, waarbij om bepaalde lichaamsdelen te kunnen laten zien, andere delen werden stukgesneden. Voor nader onderzoek was geen tijd; de ontleder moest iets laten zien. Een openbare ontleding had daarom meer het karakter van een evenement, wel leerzaam, maar niet voor ervaren ontleders.

1.3 Helden

Zodra ontleden een vast onderdeel was geworden van het studieprogramma voor artsen en er daarnaast onderzoek werd gedaan, was er vraag ontstaan naar kadavers. Die waren schaars. Als het om gerechtelijke autopsieën ging, of om balsemen, was er lang niet altijd weerstand tegen het openen van een lijk, maar een openbare of wetenschappelijke ontleding was iets anders. Die werd als onterend beschouwd. Men had bezwaar tegen de langdurige tentoonstelling van het lichaam. De enige lijken die in aanmerking kwamen om te worden ontleed waren lijken van ‘vreemden’, dat wil zeggen, mensen die in de omgeving van de plaats waar ze waren gestorven geen familie of bezit hadden; anonieme personen, zonder nabestaanden, van wie de nagedachtenis niet kon worden onteerd als hun lichaam werd ontleed. Ging het om publieke ontledingen, dan koos men ter dood veroordeelde criminelen. Het gebruik van hun lichamen was eenvoudig te rechtvaardigen en kon zelfs ter afschrikking worden benut. Maar voor onderzoek, dat werd uitgevoerd zonder er ruchtbaarheid aan te geven, werden meestal gestorven patiënten van gasthuizen gebruikt. Gasthuizen, ziekenhuizen voor armen, waren bedoeld als liefdadige instellingen, juist voor mensen die te weinig bezaten om artsen of medicijnen te kunnen betalen en die geen familie hadden die hen kon helpen. Daardoor kwamen er in een gasthuis regelmatig doden in aanmerking om te worden ontleed. Maar het waren er zelden genoeg om te voldoen aan de vraag.

Omdat er lang niet altijd lijken beschikbaar waren, werden ze soms van het schavot of uit een graf gestolen. Onder artsen gingen veel sterke verhalen rond. Meestal gingen ze over studenten die graven hadden geopend, een lijk hadden gestolen en dat naar hun leraar hadden gebracht, zodat hij hen het inwendige van het lichaam kon tonen. Zulke lijken werden dan snel van hun huid ontdaan, zodat ze niet meer vielen te identificeren. Om dergelijke scènes te voorkomen werd de ontledingspraktijk overal gereguleerd. Er werden boeten gesteld op het roven van lijken. In diverse Europese steden werd een of twee keer per jaar een publieke ontleding verzorgd, gedurende een dag of vier, op het lijk van een ter dood gebrachte delinquent. Daarnaast werd aan bepaalde artsen toestemming gegeven een aantal lichamen van anonieme ziekenhuispatiënten te ontleden ten behoeve van het onderwijs. Een voorwaarde was steeds dat het slachtoffer na afloop van de ontleding een fatsoenlijke begrafenis kreeg.

Anatomische lessen vonden inmiddels plaats in een permanente snijzaal, met een houten tribune voor de toeschouwers, een ‘theatrum anatomicum’. Aanvan-

[p. 13]

kelijk waren anatomische theaters ingericht voor een voorstelling en werden ze daarna weer afgebroken. Aan het einde van de zestiende eeuw waren in Padua en in Leiden permanente theaters gebouwd. In Holland had het Leidse voorbeeld navolging gekregen in Delft en Amsterdam en in 1628 was ook in Den Haag een theatrum anatomicum ingericht, waar de leden van het plaatselijke chirurgijnsgilde zich konden bekwamen in de anatomie.

Het middelpunt van een anatomisch theater werd gevormd door de snijtafel, waar omheen in concentrische oplopende rijen plaats voor het publiek was ingeruimd. Onder het publiek waren behalve doctoren en chirurgijns en hun leerlingen, ook steeds de nodige notabelen, die op de eerste rijen mochten plaatsnemen. De centrale figuur, de man op wie alle ogen waren gericht, was de anatomicus. Het grote voorbeeld voor de meeste anatomen was Andreas Wijtinck, afkomstig uit Wesel, en daarom bekend als Vesalius. Hij had in 1543 een anatomisch handboek gepubliceerd dat generaties ontleders na hem had geïnspireerd. Het was een imponerend werk: 663 foliopagina's, voorzien van fraaie illustraties, getiteld De humani corporis fabrica. Toen het verscheen had het grote opschudding verwekt, want Vesalius had zich in zijn boek niet gehouden aan de klassieke kennis, die was vastgelegd in de bijbel van de anatomie, het werk van Galenus, dat kort daarvoor in een Latijnse editie was verschenen. Vesalius was uitgegaan van eigen waarnemingen en waar die niet strookten met de uitspraken van Galenus, had hij niet, zoals gebruikelijk was, excuses gezocht om ze met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij had zich onomwonden kritisch uitgelaten over Galenus, die volgens hem allerlei fouten had gemaakt doordat hij zelf geen anatomisch onderzoek in menselijke lichamen had kunnen doen en daarom wat hij had waargenomen in apen en varkens op mensen had geprojecteerd. Vesalius had een storm van kritiek over zich heen gekregen. Zijn vroegere leermeester aan de universiteit te Parijs was zo verontwaardigd dat hij keizer Karel V had verzocht om Vesalius te straffen voor zijn onbeschofte aanval op de autoriteit van de klassieken. Maar het werk van Vesalius, en vooral diens houding, was overeind gebleven, terwijl de autoriteit van Galenus steeds verder was ondermijnd.

Een zware slag voor het gezag van Galenus was de publicatie in 1628 van de ontdekking van de bloedsomloop door de Engelse medicus William Harvey. Eeuwenlang had men gedacht dat bloed in de aderen schommelde en van de ene hartkamer direct naar de andere ging. In de zestiende eeuw had men wel de kleppen in de aderen gezien die ervoor zorgen dat het bloed slechts in een richting kan stromen, maar men had nog niet begrepen wat hun functie was. Ook was ontdekt dat het schot tussen beide helften van het hart geen bloed doorliet, maar dat het bloed via de longen van de rechter- in de linkerhartkamer kwam. Dat kon nog, maar het idee dat het bloed door het hele lichaam zou circuleren tastte het klassieke beeld van de fysiologie fundamenteel aan. Toch kon Harvey niet anders dan concluderen dat het bloed vanuit het hart door de slagaderen werd geperst, om, via de aderen, weer terug te keren in het hart. Daar werd het bloed dan wederom verwarmd en gezuiverd, veronderstelde hij.

[p. 14]

Harvey wist wat hij teweeg zou brengen en hij had daarom gewacht met de publicatie van zijn theorie totdat hij genoeg argumenten had verzameld om de storm te doorstaan. Hij was al jaren eerder tot de conclusie gekomen dat het bloed circuleerde, maar het probleem was dat hij dat niet echt kon bewijzen, omdat hij niet kon zien hoe het bloed van de slagaders in de aders kon komen. Harvey wist dus niet precies hoe het bloed terugstroomde naar het hart, hij wist alleen dat het zo was. Hij had allerlei afbindingsproeven en andere experimenten gedaan, bij wel tachtig soorten dieren, die onontkoombaar tot die conclusie hadden geleid. Hij deed verslag van die proeven en hij voerde daarnaast nog een aantal andere argumenten aan, bijvoorbeeld dat de klepjes in het hart en in de aderen maar in één richting open gingen en dat het tussenschot zo compact van samenstelling was dat het onmogelijk bloed kon doorlaten.

Hoe overtuigend de redenering van Harvey ook was, wie hem gelijk gaf was tijdens de jeugd van Ruysch nog een rebel. Weinig mensen konden accepteren dat het bestaande beeld van de fysiologie zo fundamenteel kon worden aangetast. Tal van medici bleven volharden in de beproefde denkwijzen en er waren er zelfs die bleven ontkennen dat het tussenschot in het hart ondoordringbaar was. Die beweerden dat dat alleen zo was na de dood, of dat het tussenschot onzichtbare poriën bevatte. In 1627 zag een student in Leiden zijn hoogleraren voor de aanvang van een anatomische demonstratie met een naald het schot doorboren om aan de studenten te kunnen laten zien dat het poreus was. Maar op den duur was de acceptatie van de bloedsomloop onontkoombaar en daarmee stond alles op losse schroeven, want als de voorstelling van Galenus op zo'n elementair onderdeel niet klopte, lag de vraag voor de hand wat er dan nog meer niet klopte, en uiteindelijk moest de vraag luiden: hoe zat een mensenlichaam precies in elkaar en hoe werkte het? Dat te ontdekken was minstens zo'n grote uitdaging als het ontdekken van nieuwe werelddelen. Het leverde ook vergelijkbare roem op: zoals bergen, eilanden en rivieren werden vernoemd naar ontdekkingsreizigers, werden lichaamsdelen vernoemd naar ontleders.

Voor een jonge generatie waren Vesalius en Harvey helden, die op hun eigen waarnemingen en oordeelsvermogen hadden vertrouwd en het hadden aangedurfd om diepgewortelde overtuigingen aan te tasten. Verscheidene jonge ontleders brandden van verlangen om in hun voetsporen te treden. Een van hen was Frederik Ruysch. Vooralsnog was hij slechts apothekersleerling, maar de wereld van de anatomie was dichtbij. De anatomische theaters in Den Haag en in het naburige Leiden dienden vanaf het voorjaar, als er geen ontledingen meer plaatsvonden, als een soort natuurhistorisch museum. Er stonden dan skeletten opgesteld en er vielen vele andere ‘rariteiten’ te bezichtigen, waardoor allerlei kennis omtrent de mens en zijn omgeving aanschouwelijk werd gemaakt. Menig bezoeker toonde zich geïmponeerd door de wonderbaarlijke zaken die er in het theater vielen te zien, vooral door de skeletten van ontlede delinquenten.

Terwijl er in Leiden al een theater was ingericht, werd in Den Haag de anatomie aanvankelijk nog bedreven in het huis van de deken van het gilde. Het gilde

[p. 15]

bezat voor de ontledingen alleen een speciale tafel. Die tafel stond lang in huis bij deken Jan Vonk, de man van Frederiks tante Aaltje. Sinds 1628 beschikten de Haagse chirurgijns ook over een klein anatomisch theater, ingericht in een gebouwtje aan de zuidzijde van de Grote Kerk. In dat gebouwtje bevond zich de vergaderkamer van het gildebestuur en op de bovenverdieping de snijzaal. Het theater was in 1628 ingewijd met een spectaculaire demonstratie: de ontleding, uitgevoerd door Christian Rumpf, de lijfarts van prins Maurits, van ‘een wonderschepsel van twee meijsgens aen den anderen vast’. De vader van de tweeling kreeg vijftig gulden voor het ter beschikking stellen van hun lichamen. Om de gebeurtenis voor het nageslacht vast te leggen kreeg de schilder Everhard van der Maes de opdracht de meisjes af te beelden. Het schilderij kwam in de nieuwe anatomiekamer te hangen.

In het Haagse theater werden ook skeletten vertoond en bovendien iets zeer bijzonders: een ‘lichaem met sijn senuen ende spieren omvangen’, gebalsemd door de jonge ontleder Louis de Bils, die ook aan het Leidse theater een aantal zeer bijzondere anatomische ‘rariteiten’ had geschonken, waaronder een man die met huid en haar was opgezet. Er werd gezegd ‘dat dien heer de Bils zulke wonderlijke dingen kan doen dat nooit diergelijken zoo lang de wereld gestaan heeft gedaan en is, noch niemand dan hij doen kan’.12

Frederik Ruysch zal het werk van De Bils met dezelfde verwondering hebben aanschouwd als de overige toeschouwers, maar hij ontwikkelde bovendien de ambitie om het te overtreffen. Ruysch zou spoedig De Bils' grootste rivaal worden. Voordat hij zo ver was, moest hij het een en ander leren. Als jongeman van rond de twintig begon hij zijn onderzoek naar de menselijke anatomie bij de meest toegankelijke onderdelen van het lichaam, de beenderen. Zonder toestemming van de plaatselijke overheid was het nauwelijks mogelijk om aan onderzoeksmateriaal te komen en onervaren apothekersleerlingen konden op dat gebied geen privileges verwachten. Om toch studiemateriaal te krijgen moest Ruysch daarom duistere wegen bewandelen. Hij wist doodgravers te bewegen hem mee te nemen naar het kerkhof. In navolging van Vesalius voegde hij zich 's nachts, gekleed in een oude jas, bij de doodgravers, die voor hem een graf openden. Wanneer het een oud graf betrof, waarin de overblijfselen lagen van mensen die twintig of soms wel veertig jaar eerder waren begraven, nam hij beenderen mee. In verse graven beperkte hij zich tot een nauwkeurige bestudering van de lijken. Hij probeerde een antwoord te vinden op een aantal vragen. Zo werd bijvoorbeeld beweerd dat haren en nagels na de dood doorgroeiden. Ruysch stelde vast dat dat niet het geval was. Hij bekeek het lijk van een vrouw en zag dat ‘de gekrulde haayrlokken nog zo vast aan de pan van 't hooft zaten als in haar leven’. Kennelijk waren ze dus niet doorgegroeid. Bij de nagels lag het iets ingewikkelder. De nagels van de doden leken wel langer dan die van levende personen, maar Ruysch zag dat dat maar schijn was. Het kwam doordat de vingertoppen waren uitgedroogd en ingevallen. Bovendien bedacht hij dat zieken tijdens hun laatste weken vaak hun nagels niet meer zouden hebben geknipt. Zijn conclusie luidde

[p. 16]

dat haren, nagels, en ook de huid, lichaamsdelen waren die een gemeenschappelijk leven hadden met de overige delen, en derhalve ook tegelijk met de rest van het lichaam stierven.

Ruysch had ook opgemerkt dat het vet in een lijk wel aan verandering onderhevig was, maar dat het niet verging zoals andere delen van het lichaam. Terwijl het in levende mensen week en vloeibaar was, werd het in lijken hard. Het werd een soort smeer. Op den duur werd het ook wit. Ruysch constateerde dat de lokatie van het graf verschil maakte. De toestand van de lijken was afhankelijk van de diepte en de vochtigheid van het graf. Hij trof lijken in allerlei staten: sommige leken op zwart slijk, andere waren hard, droog en verschrompeld en sommige waren veranderd in grijs stof.13

Er was nog een gangbaar denkbeeld dat volgens Ruysch niet klopte: het idee dat lijken door wormen werden aangevreten. Volgens hem werden alleen lijken die in de zomer werden begraven aangevreten en dan niet eens door wormen. Het leek hem dat ze werden aangetast door vliegen. Aangetaste lijken trof hij vol jonge vliegjes, die volgens hem voortkwamen uit dode wormen.

Zo poogde hij door zelf op onderzoek uit te gaan een aantal gangbare denkbeelden te verifiëren. Maar behalve met dit veldwerk hield hij zich vooral bezig met het prepareren en bestuderen van de beenderen die hij had buitgemaakt. Als minst aan bederf onderhevige lichaamsdelen konden beenderen vrij goed worden bewaard. Het was zaak om ze goed schoon te maken en grondig te ontdoen van bederfelijke resten en vet. Daartoe werden ze doorgaans geweekt en gekookt, en langdurig gedroogd in de zon. Er werd geprobeerd ze zo wit mogelijk te maken. Ruysch probeerde dat ook. Hij zette skeletten in elkaar en leerde daarbij de beenderen in de juiste stand ten opzichte van elkaar te krijgen. Hij deed dat allemaal met zeer veel ijver en hij meende spoedig dat men hem over beenderen niets nieuws meer kon vertellen.14

1.4 Examen

Intussen liepen zijn leerjaren ten einde en naderde het moment dat hij zich zelfstandig als apotheker kon gaan vestigen. In oktober 1660 deed zich een gelegenheid voor om op een voordelige manier aan een apotheek te komen. Ruysch kon profiteren van de problemen van de apotheker Gerrit Taenman, die in 1658 een huis had gehuurd in de Toornstraat, om daar een winkel te beginnen. Die zaak liep kennelijk niet goed. In september 1660 werd Taenman door het gildebestuur althans gemaand om binnen zes weken zijn intredegeld en de contributie aan het gilde over de afgelopen twee jaar te voldoen, anders zou zijn winkel worden gesloten. Taenman besloot dat moment niet af te wachten. Binnen een maand had hij de inhoud van zijn winkel verkocht aan Frederik Ruysch. De winkel werd geïnventariseerd en op 16 oktober werd bij een notaris een contract getekend waarin werd vastgelegd dat Ruysch de inventaris voor zevenhonderd gulden zou overne-

[p. 17]

men. In eerste instantie zou hij daarvan driehonderd gulden betalen. De resterende vierhonderd gulden moesten vier maanden later zijn voldaan. Zijn broer Hendrik stond daarvoor garant.15

Voordat hij zijn eigen winkel kon openen moest Frederik Ruysch eerst nog wel zijn apothekersdiploma halen. Hij moest daarvoor examen doen bij een commissie die bestond uit het bestuur van het apothekersgilde en een aantal doctoren. Het examen, dat werd afgenomen in tegenwoordigheid van een gecommitteerde van de burgemeesters, bestond uit een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte, waarin een aantal geneesmiddelen moesten worden geprepareerd, zowel enkelvoudige als samengestelde. Ruysch wilde zijn examen in het voorjaar doen, maar toen hij in april 1661 een afspraak probeerde te maken met de bestuurders van het gilde, lieten die weten dat er al drie anderen waren die zich hadden opgegeven en dat hij dus nog even geduld moest hebben. Dat had hij kennelijk niet. Toen op 20 mei het examen van een van de andere kandidaten werd afgenomen, kwam ter sprake dat er apothekers hadden geklaagd dat Ruysch, tegen alle regels in, reeds bezig was met het prepareren van medicamenten en het openen van zijn winkel. De aanwezige leden van het plaatselijke bestuur besloten om Ruysch terstond te laten ontbieden. Ze gelastten hem zijn winkel te sluiten en zich te onthouden van het beoefenen van de farmacie totdat hij zijn examen zou hebben gedaan. De magistraat wenste geen inbreuk op de regels te aanvaarden en de bestuurders waarschuwden dat men in geval van overtreding ‘de winckels door publycke macht sal hebben te doen sluijten ende de boete daertoe staende te doen gelden’.

Ruysch wilde zo snel mogelijk zijn examen afleggen. Op de volgende vergadering van het gildebestuur, op 24 mei, verscheen hij met het verzoek om hem een verklaring te verstrekken dat hij zijn leerjaren had volbracht. Voorts wilde hij gaarne weten welke simplicia hij voor zijn eerste proef zou moeten prepareren. Het bestuur beloofde daarover spoedig te zullen vergaderen en vervolgens werd Ruysch het examenreglement voorgelezen. Vier dagen later werd zijn eerste opdracht vastgesteld en op 8 juni kwam hij een afspraak maken voor het examen, dat werd vastgesteld op 16 en 17 juni. Het zou worden afgenomen in aanwezigheid van de stadsdoctoren en de burgemeesters Willem van der Does en Dirk van der Lisse. Ruysch werd in de theorie van de farmacie geëxamineerd en hij moest tevens zijn vaardigheid tonen in het bereiden van de samengestelde medicijnen, die hem van te voren door de commissie waren opgegeven. Daarbij deed zich een probleem voor. Omdat er aan de samengestelde medicijnen nog het een en ander moest worden veranderd, zou het examen eigenlijk nog een dag moeten worden verlengd, maar de leden van de magistraat vonden het bezwaarlijk om nog een dag aanwezig te moeten zijn en daarom werd besloten om Ruysch maar ‘meester in de conste’ te verklaren.16

Het diploma liet nog even op zich wachten (dat kreeg hij pas in oktober, nadat hij eerst tien gulden had betaald), maar Ruysch kon aan de slag. Hij werd nog wel scherp in de gaten gehouden. Het bestuur had vernomen dat hij het geneesmid-

[p. 18]

del theriaca (een combinatie van 64 ingrediënten) in zijn winkel had en wilde weten hoe hij daaraan kwam. De samenstelling van theriaca, vaak kortweg theriak genoemd, was aan strenge regels gebonden en er werd gewaakt voor geknoei. (Er werd in Den Haag naderhand zelfs een speciale opzichter van de theriak benoemd.) Eind september werd Ruysch ontboden door het gildebestuur, maar hij verscheen niet. Pas de week daarop kwam hij opdagen om uit te leggen dat hij de theriak van een collega had gekocht. Het volgende jaar kwam het gildebestuur zijn winkel visiteren. De heren vonden een paar ongerechtigheden, maar die had Ruysch binnen een week in orde gemaakt en vanaf dat moment kon hij betrekkelijk ongestoord zijn medicijnen verkopen.

1.5 Gezin

De apotheek was voor Frederik Ruysch een middel van bestaan. Het verschafte hem een inkomen, en dat maakte het mogelijk een gezin te onderhouden. Dat perspectief had ongetwijfeld mede zijn ongeduld in de hand gewerkt. Al in november 1661, amper vijf maanden nadat hij zijn apothekersdiploma had gehaald, ging hij in ondertrouw. Zijn oudste broer Hendrik en zijn drie zusters waren hem al voorgegaan. Hendrik Ruysch, inmiddels 31, was, zodra hij er de leeftijd voor had, de functie gaan vervullen die hij als achtjarige bij het overlijden van zijn vader had geërfd: klerk bij de griffie van de Staten-generaal. Vervolgens was hij getrouwd met Weijna Vignois, dochter van een deurwaarder die ook werkzaam was voor een Haags overheidskantoor. Twee jaar later was zijn zuster Pieternel getrouwd met de broer van Weijna, Jan Vignois. De familie Vignois (afkomstig uit Frankrijk, maar in Den Haag bekend als de familie ‘Vinjoos’) behoorde tot het Haagse ambtenarenmilieu waarin de familie Ruysch al zeventig jaar had verkeerd en had ook connecties met het hof van de Oranjes. Een broer van Weijna en Jan, Cornelis Vignois, werkte als klerk voor het hof.

Met zijn baan bij de griffie had Hendrik Ruysch zijn moeder en zijn broers en zusters onderhouden, maar sinds hij was getrouwd was zijn bijdrage aan het inkomen van het gezin beperkt. In zijn huwelijkscontract was bepaald dat hij vanaf dat moment mocht volstaan met een jaarlijkse bijdrage van driehonderd gulden aan zijn moeder, die daarnaast inkomsten uit lijfrenten genoot.17 Daarmee, maar waarschijnlijk vooral dankzij de goede connecties met hoge ambtenaren, kon het gezin kennelijk voor solide doorgaan, want al Hendriks zusters vonden op betrekkelijk jonge leeftijd een man. De familie Ruysch kwam nog wel in opspraak doordat een neef een familieruzie ontketende en een oom betrokken raakte bij een fraudeschandaal, maar dat vormde voor de broers en zusters van Frederik Ruysch geen beletsel om een partner te vinden. Alleen zijn broer Gijsbert, die een baan als klerk had gekregen, bleef ongehuwd.

[p. 19]

Frederik, de jongste van het gezin, was de laatste die trouwde. Hij was inmiddels 23 toen hij in ondertrouw ging. De beoogde bruid was Maria Post, een meisje van achttien, dat uit dezelfde kringen afkomstig was als de familie Vignois, de groep geletterde burgers met hofconnecties. Maria Post was een van de dochters van de vermaarde architect Pieter Post.

De families Ruysch, Post en Vignois behoorden tot een groep burgers die vanwege diverse vaardigheden werden gerecruteerd door het hof of de overheid. Hun activiteiten speelden zich af rond het Binnenhof. Sommigen van hen deden ambtelijk werk, anderen leverden een bijdrage aan het vermaak en de public relations, door te zorgen voor bijvoorbeeld gedichten of schilderijen. Tot het milieu waarin de familie Ruysch zich bewoog behoorden daarom naast ambtenaren, apothekers en artsen ook kunstenaars.

Pieter Post, aanvankelijk schilder te Haarlem, was met zijn gildebroeder Jacob van Campen betrokken geweest bij de bouw van het kasteel bij Honselaarsdijk voor prins Frederik Hendrik en bij de bouw van het huis voor graaf Maurits van Nassau aan de hofvijver. Nadat hij wat tekenwerk voor Frederik Hendrik had verricht, was hij opzichter geworden van de verbouwing van het Oude Hof aan het Noordeinde en hij was ook betrokken bij de herinrichting van het stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof. In 1645 was hij bij Frederik Hendrik in vaste dienst gekomen en daarom was hij naar Den Haag verhuisd. De prins was kort daarna gestorven en vervolgens was hij in dienst getreden van diens zoon Willem II, maar ook die was spoedig overleden en de mogelijke opvolger was nog een baby. Na de dood van Willem II was Post wel in dienst van het hof gebleven, maar bij gebrek aan een stadhouder had hij geen opdrachten meer gekregen. Zijn betrekking aan het hof hield niet veel meer in dan toezicht houden op het onderhoud van de gebouwen. Hij had wel opdrachten gekregen van enkele bestuurscolleges en particulieren, maar waarschijnlijk was hij niet al te vermogend. Al zijn kinderen waren ongehuwd gebleven tot hun moeder in het voorjaar van 1660 was gestorven. Maria was de eerste van de kinderen die trouwde.

Haar huwelijk met Frederik Ruysch had een bescheiden materiële basis. Maria Post kon in elk geval haar moeders erfdeel inbrengen en ook Frederik Ruysch kreeg dankzij een erfenis de beschikking over enig kapitaal.18 Maar voor het overige moest het jonge paar bestaan van de inkomsten uit de apotheek. De verbintenis werd binnen een half jaar bezegeld met een gemeenschappelijk testament, waarin de echtelieden elkaar tot erfgenaam benoemden. Als er kinderen zouden worden geboren, was de langstlevende verplicht voor hen te zorgen en ze te laten opleiden tot ‘een eerlick hantwerck ofte exercitie waermede sij eerlick door de werelt comen te geraecken’. Hoe bescheiden de uitgangspositie van het stel was, wordt geïllustreerd door de bepaling dat de langstlevende aan kinderen die meerderjarig werden of gingen trouwen bij wijze van legitieme portie vijftig gulden moest uitkeren.19

[p. 20]

1.6 Louis de Bils

Frederik Ruysch verdiende de kost met zijn apotheek, maar zijn aandacht ging vooral uit naar de anatomie. Nadat hij zich aanvankelijk had gericht op de beenderen was hij gaan experimenteren met het ontleden van organen; noodgedwongen niet van mensen, maar van dieren. Hij werd daarin spoedig zo handig dat hij demonstraties kon geven.20 Hij besloot vervolgens zijn kennis te gaan onderbouwen door colleges te gaan volgen aan de universiteit van Leiden. Een medische studie zou bovendien zijn maatschappelijke mogelijkheden vergroten. Hij kon zich daarbij spiegelen aan zijn oudere collega Johan van den Hove, die in Leiden een doctorstitel had gehaald en daarna in Den Haag raadslid was geworden. Van den Hove had in Leiden de hoogleraren geïmponeerd met zijn fraai geprepareerde skeletten. Met een academische titel zou ook Frederik Ruysch niet langer als winkelier en als ‘kok’ voor de artsen hoeven te fungeren en bovendien zou hij de gelegenheid kunnen krijgen om menselijke organen te ontleden. Hij zou dan op voet van gelijkheid kunnen omgaan met de belangrijkste anatomiedocent in Den Haag, Cornelis Stalpart van der Wiel. Diens vader was begonnen als klerk bij de grootvader van Frederik Ruysch, op de secretarie van de Rekenkamer, om daarna op de griffie van de Staten-generaal als collega te fungeren van zijn vader, Hendrik Ruysch. Maar terwijl de carrière van de vader van Ruysch was gestuit door diens vroegtijdige dood, was de vader van Cornelis Stalpart uitgegroeid tot een notabele: hij was burgemeester geworden. Cornelis Stalpart zelf was in Leiden medicijnen gaan studeren, en spoedig na zijn promotie was hij in Den Haag tot lector in de anatomie benoemd.

Frederik Ruysch had eerst zijn maatschappelijke positie moeten verzekeren via een opleiding tot apotheker, maar hij was op weg om de schade in te halen. Door zijn anatomische vaardigheden verkreeg hij al spoedig enige naam. Hij demonstreerde zijn kunsten geheel op persoonlijke titel, maar dat was niet ongebruikelijk. Dat gold ook voor de meest besproken ontleder van dat moment, Louis de Bils, die geen enkele medische opleiding had genoten. In 1662 verbleef De Bils enige tijd in Den Haag, waar hij een aantal demonstraties gaf. Toen er in september 1662 zo'n demonstratie werd aangekondigd - het ging om de ontleding van een hond - liet 's lands belangrijkste politicus, raadpensionaris Johan de Witt, niet na om 's lands beroemdste natuuronderzoeker, Christiaan Huygens, te waarschuwen dat hij het evenement niet moest missen.21

De Bils gaf nu en dan demonstraties van het ontleden van hondenlijken en hij had vooral furore gemaakt met demonstraties op levende honden. Die voorstellingen waren spectaculair en trokken veel nieuwsgierigen, omdat De Bils daarbij zijn bloedeloze snijkunst vertoonde. Tijdens de voorstelling werd een levende hond op een sectietafel gebonden, waarbij de strot werd doorgesneden, zodat hij niet kon blaffen. Er vloeide nauwelijks bloed als De Bils het dier vervolgens opensneed en de toeschouwers de organen en vaten in de ingewanden toonde. Een

[p. 21]

geïmponeerde toeschouwer vertelde dat De Bils ‘een groten hond kan open snijden, zijn ingewant omkeeren en laten zien alles wat den hond in zijn lichaam heeft’. Daarbij wist hij de hond ‘door een zonderlijke, wonderlijke en ongelooflijke kunst’ vijf of zes uur in leven te houden. De Bils kon bovendien het bloed ‘doen loopen waar en zoo hij wil’. Hij kon ‘aan de eene zijde alle de aderen vol bloet zetten, dat se gespannen staan als of se opgeblasen waren ende aan de andere zijde dezelve gants plat en ledig laten’. Het was wonderbaarlijk: ‘die het niet gesien heeft en kan het qualijk gelooven, maer evenwel is het waarachtig’, aldus de toeschouwer.22

Bij de demonstraties was alleen te zien dat er weinig bloed vloeide, De Bils legde niet uit waarom. Dat was zijn geheim, en hij bewaarde dat zorgvuldig. Zijn demonstraties riekten daarom naar kwakzalverij en oplichting. Onder ervaren artsen werd het uiterst onwaarschijnlijk geacht dat iemand bloedeloos zou kunnen ontleden, maar hij had hen in verwarring gebracht omdat hij nog een ander kunststuk had vertoond. Hij kon zachte lichaamsdelen op zodanige manier balsemen dat ze hun vorm behielden. Dankzij die speciale balsemkunst, en vooral doordat hij zonder bloedverlies kon ontleden, beweerde De Bils exclusieve anatomische kennis te bezitten. Beide vaardigheden waren bijzonder interessant voor wetenschappelijk geschoolde anatomici. De toepassing ervan zou voor de studie van de anatomie een significante vooruitgang inhouden, want omdat kadavers binnen enkele dagen onbruikbaar werden, moest elk onderzoek haastig geschieden. Over het bloedeloos ontleden was men sceptisch, maar als het inderdaad mogelijk was om organen met behoud van hun vorm te conserveren, zou er veel nauwkeuriger onderzoek kunnen worden gedaan. Anatomici hadden hem ernaar gevraagd, maar over zijn methode van balsemen deed De Bils even geheimzinnig als over het bloedeloos ontleden. Hij liet er niets over los en niemand mocht zijn ‘werkplaats’ betreden.

Balsemen was een zeer oude conserveringsmethode, maar tot dan toe was het steeds gegaan om mummificatie, dat wil zeggen uitdroging van een lijk. In veel landen was het al eeuwenlang gebruikelijk om op die manier de lichamen van hooggeplaatste personen te behoeden voor verrotting. Volgens de overlevering zou het lijk van Alexander de Grote in honing zijn geconserveerd. Vaak werd zout gebruikt. Maar het ging steeds om methoden waarbij het vergaan van het lijk werd voorkomen door er het vocht aan te onttrekken. De Bils volgde kennelijk een ander procédé, waarbij het lichaam in een staat bleef die veel meer gelijkenis vertoonde met de toestand tijdens het leven. In het voorjaar van 1651 had hij zich gemeld bij de anatomicus Jan van Horne, de beheerder van de verzameling van het Leidse theatrum anatomicum, met een proeve van zijn kunnen: een serie dierenskeletten, een viertal menselijke geraamten (waaronder een van een foetus) en ook ‘eene uijtgedrooghde huijt van een mensch, wederom tot de menschelijke gestaltenisse opgeset’. De Bils vertelde dat hij een man van zijn huid had ontdaan, zonder zijn hoofd en zijn armen open te snijden, en vervolgens de huid weer had

[p. 22]

dichtgemaakt. De man had daardoor nog ogen en haren en zelfs een baard. Van Horne vond het resultaat verbluffend. Hij was ook verbaasd over de skeletten, omdat ze de oude skeletten in het theater verre overtroffen in ‘çierlijkheijt’. De oude skeletten waren vervallen. Er waren onderdelen van gebroken en ze waren niet goed onderhouden, maar die van De Bils zagen er zeer fraai uit.

Het meest verbazende was nog dat ze waren geprepareerd door een man zonder enige medische opleiding of studie. Louis de Bils was afkomstig uit een familie die handelsactiviteiten ontplooide in Amsterdam en Rouen, en hij was opgeleid voor de handel. Hij kende zelfs geen Latijn. Reeds op jeugdige leeftijd had hij een passie voor ontleden ontwikkeld, noodgedwongen vooral beoefend op honden. Net als Ruysch had hij ook menselijke beenderen verzameld en in Rouen was hij betrapt toen hij een lijk aan een galg van enkele onderdelen probeerde te beroven. Er werd gezegd dat het zijn vader wel zes- of zevenduizend gulden had gekost om zijn straf af te kopen.

De Bils schonk zijn werk aan het anatomisch theater en Van Horne uitte zijn erkentelijkheid namens de Leidse universiteit in een schriftelijke verklaring, waarin hij lovende woorden sprak over de anatomische vaardigheden van de schenker. De geraamten werden op een prominente plaats in het theater opgesteld. Er moest natuurlijk worden vermeld wie de gever van het fraaie werk was en daartoe liet De Bils een groot bord maken, versierd met zijn familiewapen en zijn kwartieren, waaruit zijn edele afstamming kon worden afgeleid. (Sinds hij van een oom de rechtsmacht over een Vlaams gehucht had geërfd, noemde hij zich jonkheer De Bils de Coppensdamme.) Het bord werd opgehangen naast de trap bij de ingang van het theater.23

Vier jaar later liet De Bils nog een aantal staaltjes zien: een lichaam dat was ontdaan van de huid, zodat spieren en zenuwen zichtbaar waren, dat werd ten toon gesteld in het Haagse theater, en een lichaam dat was geprepareerd inclusief de ingewanden. Hij toonde Van Horne ook een aantal geprepareerde organen. Van Horne vertelde hem dat zulke preparaten op de universiteit zeer goed van pas zouden komen. Daarmee zou hij zowel 's winters als 's zomers les kunnen geven. Hij spoorde De Bils aan om meer van dergelijke preparaten te maken.

De Bils had zich enige tijd in Amsterdam opgehouden en daar had hij kennis gemaakt met twee medici, Frans DeleBoë en Paulus Barbette, die zeer geïnteresseerd bleken in zijn vaardigheden. Maar tijdens hun gesprekken was spoedig gebleken dat hij geheel onervaren was in de anatomische nomenclatuur. Hij kende niet alleen de namen van de lichaamsdelen niet, hij wist ook niet welke functies daaraan door de geleerden werden toegeschreven. Daarom had Barbette hem een handboekje verstrekt dat hij zelf had samengesteld. Al lezende had De Bils pas de waarde van zijn anatomische kennis begrepen. Vanaf dat moment had hij geprobeerd de belangstelling van wetenschappelijke zijde voor zijn werk uit te buiten.

Hij had behoefte aan een tweetal zaken. In de eerste plaats moest hij aan menselijke lijken zien te komen. In principe werden die uitsluitend aan chirurgijns-

[p. 23]

gilden toegewezen, maar in Sluis, waar hij was gaan wonen, kreeg hij, na enig aandringen, van overheidswege enkele lijken van ter dood gebrachte delinquenten toegewezen. Dat was belangrijk materiaal, maar De Bils was er toch niet helemaal tevreden mee. Hij had commentaar op de manier waarop de doodstraf werd uitgevoerd. Hij achtte het ongewenst dat ter dood veroordeelden werden opgehangen of onthoofd, want daarbij werden allerlei vaten beschadigd. Hij had liever dat men bij het uitvoeren van de doodstraf de methode van verstikking zou toepassen. Dat was volgens hem goed te doen door sulfur in brand te steken en het hoofd van de veroordeelden in de rook te houden. Als ze vijf of zes uren tevoren hun galgemaal hadden gekregen en meteen na de voltrekking van het vonnis konden worden ontleed, kon men de spijsvertering nog bestuderen.

Verder had De Bils behoefte aan geld, want zijn wijze van balsemen was kostbaar. Hij beweerde dat de kosten per lijk wel tegen de tweeduizend gulden bedroegen, een enorm bedrag in een tijd dat de meerderheid van de bevolking moest leven van enkele honderden guldens per jaar. Hij moest er leningen voor afsluiten, onder anderen bij zijn vader. Hij leende zoveel van zijn vader dat zijn broers in Rouen na diens dood weigerden om hem zijn erfdeel uit te betalen. Volgens hen had hij zijn deel ruimschoots gehad. De Bils vocht dat wel aan, maar hij ging ook op zoek naar een baan. Hij had de hoop uitgesproken dat zijn gift aan de Leidse universiteit hem, via Van Horne, de steun van de Leidse regenten zou opleveren bij het verkrijgen van een bestuursfunctie, maar die hoop was ijdel gebleken. In 1656 slaagde hij er wel in een bescheiden overheidsbetrekking te krijgen in Zeeland - hij werd baljuw van Aardenburg - maar die baan leverde onvoldoende op om zijn uitgaven te kunnen bekostigen. Daarom probeerde hij de belangstelling die er bestond voor zijn werk en zijn werkwijze te gelde te maken. Hoewel een betaalde betrekking als anatoom het mooiste zou zijn, was de kans daarop gering, want hij was nu eenmaal niet geleerd. Maar intussen waren die geleerden met al hun theoretische bagage niet in staat tot de dingen die hij kon. Hij begon zich tegen hen af te zetten en hen uit te dagen. In 1655 publiceerde hij in Amsterdam een Vertooch van verscheijde eijghene anatomische stucken, waarin hij zichzelf presenteerde als ‘een persoon die geen studie, dat is geen kennisse der Latijnsche letteren oijt heeft ghehad’, maar die de anatomie in de praktijk had geleerd, omdat hij ‘door een sonderlinge onbegrijpelicke drift van sijn dertien jaeren af daertoe is aengheport geweest’. Hij vertelde dat hij van zijn zwager had gehoord dat Van Horne, inmiddels professor in de anatomie, de preparaten die hij aan de Leidse universiteit had geschonken had omhelsd en gekust, zo verguld was hij ermee geweest. De Bils had tot zijn tevredenheid geconstateerd dat de in zijn huid geprepareerde man voor grote verbazing onder alle geleerden had gezorgd. Hij citeerde de verklaring die Van Horne hem bij het accepteren van zijn gift had verstrekt. Van Horne had uiteraard vooral lovende woorden gewijd aan dat preparaat, dat hij omschreef als ‘een uijtgedroogt doot menschen lichaem dat men seggen sou maer vers doot te wesen’.

[p. 24]

Met zijn vertoog had De Bils de aandacht op zijn vaardigheden gevestigd, maar meer dan een reclameboodschap was het niet. Als hij serieus genomen wilde worden, zo werd hem door bevriende medici duidelijk gemaakt, moest hij ook iets te beweren hebben. Daarom mengde hij zich in 1658, met hun hulp, in een wetenschappelijke discussie die op dat moment zeer actueel was en waarbij ook Frederik Ruysch spoedig betrokken zou raken.

1.7 Ontdekkingen

Het ging, na de ontdekking van de bloedsomloop, om een tweede bedreiging voor de klassieke fysiologie, zoals die ooit was uiteengezet door Galenus. Volgens Galenus werden de vier lichaamssappen, de ‘humeuren’ die de essentie van zijn systeem vormden, gemaakt in de lever. Hij meende dat het voedsel dat mensen aten in de maag werd ‘gekookt’ en gevormd tot een brei, genaamd chylus. De chylus ging naar de darmen en werd van daaruit door kleine adertjes naar de lever gezogen. De onzuivere bestanddelen van de chylus werden weggezuiverd door darmen, milt en nieren, maar de zuivere bestanddelen werden in de lever veranderd in bloed. Via het bloed verspreidden de sappen zich door het lichaam.

De manier waarop Galenus zich de beweging van het bloed door het lichaam had voorgesteld was door Harvey onjuist bevonden, maar de theorie van de humeuren was daardoor nog niet wezenlijk aangetast. Als de theorie van Galenus onhoudbaar zou blijken zou dat zeer ingrijpend zijn, want die vormde het fundament waarop de hele geneeskunde was gebaseerd. Toch begon dat fundament barsten te vertonen. Er waren in het lichaam allerlei ontdekkingen gedaan die erop wezen dat de klassieke voorstelling van de wijze waarop voedsel en vloeistoffen in het lichaam werden verwerkt niet klopte. Die ontdekkingen moesten worden geïnterpreteerd en men was naarstig op zoek naar een nieuwe voorstelling van de fysiologie, die wel strookte met de nieuwe bevindingen.

De eerste vragen waren gerezen in 1622, toen Gasparo Aselli, hoogleraar anatomie in Pavia, in de ingewanden van een kort tevoren gevoede hond witte ‘draden’ had gezien. Toen hij een van die draden doorsneed kwam er een witte vloeistof uit. Het bleek te gaan om zeer subtiele transparante vaatjes, die onzichtbaar gebleven zouden zijn als de hond niet kort tevoren had gegeten. Het was dus bij toeval gebeurd, maar Aselli bleek een vaatstelsel te hebben ontdekt dat niet tot het bloedvatenstelsel behoorde. Hij noemde die vaten ‘melkvaten’ en hij bedacht ook welke functie ze konden hebben. Hij dacht dat door de melkvaten de nuttige bestanddelen van het voedsel van de darmen naar de lever werden gevoerd om daar, zoals Galenus leerde, te worden omgezet in bloed. Galenus had van het bestaan van de melkvaten klaarblijkelijk niet geweten en daarom gemeend dat het nuttige deel van het in de maag verteerde voedsel door de bloedvaten naar de lever werd gevoerd. Hoewel dat dus kennelijk niet klopte, werd zijn voorstelling door Aselli in essentie niet aangetast.

[p. 25]

Maar in 1647 ontdekte een aankomend anatomicus in Frankrijk, Jean Pecquet, in een levende hond waarvan hij het hart wilde zien kloppen, de ductus thoracicus, de borstbuis. Toen Pecquet het hart uit de hond had verwijderd viel zijn oog op een vat waarin een melkachtige vloeistof stroomde. Hij dacht eerst dat het om etter ging, maar merkte toen dat het chylus was. Bij nader onderzoek ontdekte Pecquet dat de chylus niet naar de lever werd gevoerd, zoals Aselli had gemeend, maar naar een soort verzamelvat, de borstbuis. Alle vaten die chylus vervoerden mondden daarin uit, constateerde hij. Pecquet vond de borstbuis ook bij andere dieren en publiceerde zijn bevindingen in 1651.

In Leiden was Jan van Horne tegelijkertijd ook bezig met onderzoek naar de beweging van de chylus door het lichaam. Hij volgde de weg van de chylus in honden die werden opengesneden nadat ze hadden gegeten. Daarna zette hij het onderzoek voort in menselijke lijken. In 1652 publiceerde hij een beschrijving van de menselijke borstbuis. Hij had bij een lijkopening in de buurt van de nier chylus ontdekt. Hij was nagegaan waar dat vocht heen stroomde en was zo bij de borstbuis terechtgekomen. Hij toonde aan dat alle chylus via de melkvaten naar de borstbuis stroomde. Van Horne beweerde daarbij dat de chylus vanuit de borstbuis niet naar de lever werd getransporteerd, maar naar het hart, want het vocht uit de borstbuis kwam terecht in de bovenste holle ader, die het naar de rechterboezem van het hart voerde. De melkvaten liepen dus niet naar de lever en de theorie van Galenus over de bloedvorming kwam daarmee op de tocht te staan.

De volgende slag die de theorie van Galenus werd toegebracht, werd uitgedeeld door de Deense arts Thomas Bertelsen, die in het wetenschappelijk verkeer, dat in het Latijn plaatsvond, de naam Bartholinus voerde en daarom vaak Bartholin werd genoemd. Hij was professor in de anatomie in Kopenhagen. Hij had een hond opengemaakt, zeven uur nadat het dier had gegeten, en hij had op de lever vaten gezien waarin zich een waterige vloeistof bevond, geen chylus. Door vaten af te binden kon hij de loop van de vloeistof nagaan. Hij onderzocht meer honden (die hij eerst liet stikken) om uit te zoeken in welke vaten vloeistof uit de lever liep. Hij ontdekte dat vaten, waarvan men had gemeend dat ze chylus naar de lever voerden, in feite heldere vloeistof uit de lever wegvoerden. Hij stelde voor om die ‘watervaten’ te noemen. De watervaten behoorden volgens hem, met de ‘melkvaten’ die waren gevonden door Aselli, tot een systeem, waardoor vocht (lymfe) door het lichaam werd gevoerd. Naast het bloedvatenstelsel bleek het lichaam dus een tweede vatenstelsel te bevatten, het lymfestelsel. Lang niet iedereen wilde de conclusie aanvaarden, maar voor Bartholin was die onontkoombaar: de bewering van Galenus, dat in de lever chylus werd omgezet in bloed, was onjuist. De lever had in de fysiologie dus ten onrechte een centrale plaats. Om critici te pesten die wanhopig vasthielden aan de oude voorstelling, bedacht hij een frivool grafschrift voor de lever.

De melkvaten namen kennelijk voedsel op in de darmen en de watervaten vervoerden vloeistof uit de organen, maar hoe voedsel en vloeistoffen nu precies in het lichaam werden verwerkt was nog volstrekt niet duidelijk. Om daarvan een

[p. 26]

beeld te kunnen krijgen probeerde men eerst vast te stellen hoe het lymfevaatstelsel precies in elkaar zat en volgens welke routes vloeistoffen door het lichaam stroomden. Het onderzoek was moeilijk, want het ging om zeer fijne en bovendien doorzichtige vaatjes. Bij een ontleding liep het vocht uit de vaten en daardoor werden ze onvindbaar. In lijken viel dus weinig te zien en daarom werd er eindeloos geëxperimenteerd met levende honden. Artsen die zich niet konden voorstellen dat wat eeuwenlang als kennis had gegolden zomaar kon worden ontkracht, en de ontmanteling van de klassieke fysiologie met lede ogen aanzagen, grepen dat aan als argument om de nieuwe bevindingen te diskwalificeren. Zij voerden aan dat bevindingen bij dieren niet hoefden te gelden voor mensen en dat wat men zag bij de stervende dieren waarop vivisectie werd gepleegd, niet de natuurlijke toestand hoefde te zijn.

Voor het nieuwe vaatstelsel bestond geen theorie als voor de bloedsomloop. Galenus had niet eens van het bestaan geweten en er was dus geen klassieke theorie waarvan men kon uitgaan. De lymfe werd niet voortgestuwd door een pomp, zoals het bloed, en daardoor was niet duidelijk hoe het vocht stroomde. Het was nog veel minder duidelijk hoe men zich de functie van het lymfesysteem moest voorstellen. Men probeerde verband te leggen met de bloedsomloop en zocht naar een verklaring die de werking van de beide vaatnetwerken zou integreren. Veel medici beschouwden de loop van de vochten door de verschillende vaten als de essentie van het functioneren van het lichaam. Onderzoekers bleven daarom naarstig op zoek naar nieuwe ontdekkingen op dat gebied. Er werd geëxperimenteerd en tegelijkertijd werd driftig gespeculeerd over de betekenis van de recente bevindingen, waarbij allerlei premature conclusies werden getrokken, in de hoop roem te verwerven die vergelijkbaar zou zijn met die van Harvey.

1.8 ‘Blaaskaecken’

Hoewel de Harvey van het lymfestelsel nog niet was opgestaan, werden de nieuwe bevindingen al wel toegevoegd aan de herdruk van het anatomiehandboek van Bartholin die in 1658 verscheen. In datzelfde jaar reageerde De Bils op Bartholins opvattingen. Hij publiceerde een geschrift, getiteld Waarachtig gebruik der tot noch toe gemeende gijlbuis, beneffens de verrijzenis der lever, voorheen zoo lichtvaardig in 't graf gestooten. Daarin probeerde hij aan te tonen dat alle geleerden, zowel de vroegere als de huidige, er niet het fijne van hadden begrepen, omdat ze de kunst van het bloedeloos ontleden niet verstonden. Hij presenteerde daarom een geheel eigen versie van de fysiologie. Hij had daarin de borstbuis en de melk- en watervaten wel opgenomen, maar hij hield tegelijkertijd vast aan de voorstellingen van Galenus en dus aan het bloedvormend vermogen van de lever. Daarmee verzekerde hij zich van steun onder reactionaire medici, maar het betekende wel dat hij, in weerwil van

[p. 27]

alles wat Bartholin had ontdekt, moest volhouden dat de lymfevaten vocht, dat diende tot voeding, naar de organen toevoerden, in plaats van ervandaan.

Hoewel hij zelf iets anders had beweerd, vond Van Horne de bijdrage van De Bils aan de discussie kennelijk interessant genoeg om diens betoog in het Latijn te helpen vertalen, zodat ook de geleerden in het buitenland er kennis van konden nemen. Voor de Nederlandse geleerden was een vertaling trouwens ook nuttig, want De Bils hanteerde in zijn betoog nog altijd een geheel eigen nomenclatuur, aangepast aan zijn voorstelling van het systeem.

Behalve met zijn publicatie timmerde De Bils ook op andere wijze aan de weg. Na een mislukte poging in Middelburg had hij in Rotterdam van het stadsbestuur een gebouw tot zijn beschikking gekregen om er een anatomisch theater in onder te brengen, dat zou worden gefinancierd door het op commerciële wijze uit te baten. De Bils wilde zijn anatomische activiteiten laten betalen door aandeelhouders, die als tegenprestatie aanwezig mochten zijn bij de balseming en ontleding van een lijk. Hij hield hun voor dat ze met hun betaling tevens een belangrijke bijdrage aan de anatomische wetenschap zouden leveren, want hij was van plan vijftig lijken op verschillende manieren te ontleden en die te gebruiken voor de samenstelling van een anatomische atlas. Om financiers te lokken stelde hij vast een viertal gebalsemde lijken ten toon. In die lijken waren spieren, bloedvaten en zenuwen zichtbaar gemaakt. De ingewanden en hersens waren eruit gehaald. Die waren door De Bils apart geprepareerd en werden naast de lijken tentoongesteld. Tegen betaling van een rijksdaalder entreegeld kon men de tentoonstelling komen bezichtigen. De vier lijken waren ook te koop. Ze moesten tienduizend gulden opbrengen.24

Een bezoeker beschreef de lijken. ‘Altemaal leggen se open, ende men besiet alle de partijen en deelen van des menschen ingewant van binnen in de lichamen, ende in elk ziet men wat anders.’ Er was er een bij waarvan ‘de darmen geheel met vuiligheid en al noch in 't lichaam vast zijn’. Er was er ook een ‘die op een wonderlijke wijse is geopend ende het vel afgedaan, dat onder zijn hoofd opgerold leid’. Bij de derde waren alle bloedvaten gevuld en vervolgens losgemaakt, ‘zoo dat se los en gesepareert hangen, van het hoofd achter tot over de kuiten en tot de teenen toe, ook aan de handen, gelijk of het snaren van een clavesimbel waren’. Het was bijna ongelooflijk hoeveel aderen en zenuwen daar waren te zien. ‘Noch is er een die heel konstig en aardig het vel is afgenomen, maar aen de handen handschoenen en aan de voeten zokken gelaten.’ Er waren ook losse organen te zien, bijvoorbeeld gebalsemde hersens, die in een stuk van de hersenpan lagen. ‘Zoo dat alles zoo vreemd en wonderlijck is dat ik het niet uitspreken kan. En wie ik er af heb hooren spreken, zeggen mede als ik’, aldus de bezoeker. Het was in de eerste plaats opmerkelijk dat de lichamen met ingewanden en al waren gebalsemd. Balsemen was natuurlijk wel bekend, met name bij vorstelijke personen, maar als een koning stierf, werden terstond al zijn ingewanden verwijderd. Het was ook

[p. 28]

bijzonder dat de gebalsemde lichamen zomaar mochten worden aangeraakt. Dat was anders dan in het theater in Leiden: ‘die lichamen mag men niet aanraken, maar alleen door een glas zien’.25

Om reclame te maken voor zijn onderneming had De Bils brochures verspreid, tot in Londen toe, waarin het certificaat dat hij ooit van Van Horne had gekregen als aanbeveling werd gebruikt. Via een tussenpersoon had hij de hoogleraar gepolst om als partner deel te nemen aan zijn project. Van Horne had de anatomische atlas mogen vervaardigen, maar hij had ervoor bedankt. Op zijn beurt was De Bils niet ingegaan op een voorstel van Van Horne, die hem samen met een aantal Amsterdamse artsen een bedrag had beloofd voor het openbaren van zijn balsemmethode.

Van Horne was zeer geïnteresseerd in het balsemen. Hij was De Bils vooral van dienst geweest omdat hij had gehoopt dat die het geheim van zijn methode met hem zou delen. Maar daartoe was De Bils niet bereid gebleken, en langzamerhand was Van Horne tot het besef gekomen dat de rollen waren omgekeerd en dat De Bils hem had gebruikt. De Bils had biljetten met zijn certificaat laten aanplakken als betrof het de aankondiging van een optreden van een rondreizende operateur en zijn grootse plannen hadden het nodige denigrerende commentaar geoogst. Van Horne wenste niet langer met het project te worden geassocieerd en begon zich van De Bils te distantiëren.

Op zijn beurt bleek De Bils zich te hebben vergist in de aantrekkingskracht van zijn werk. Het publiek vergaapte zich wel aan de gebalsemde lichamen, maar er meldden zich nauwelijks aandeelhouders. Toen het hem eind 1659 duidelijk werd dat zijn onderneming dreigde te mislukken publiceerde hij een geschrift, getiteld Aan alle ware liefhebbers der anatomie. Daarin nodigde hij elke belangstellende uit om hem te komen bezoeken. ‘Ik zal hem daar doen zien en zoo klaar als de middag bewijzen (zoo hij anders niet blind en is) dat alle de tot noch toe gemaakte beschrijvingen van onze natuurelijke werkingen, zoo oude als nieuwe, niet alleenlijk zonder grond en oordeel, maar ook ronduit vals en verdicht zijn... ik zal hem doen tasten en voelen dat tot noch toe geen levend mens de lopen van de watervaten noch haar oorsprong recht bekend is geweest’. Van Horne, Bartholin, DeleBoë, en hoe die geleerden allemaal ook mochten heten, allemaal hadden ze het mis. De hele medische praktijk was ‘gants onredelijk... en ten hoogsten bedenkelijk’, aldus De Bils, die liet weten dat studenten bij hem in een half uur meer leerden dan bij Van Horne in een paar jaar.

Die uitval kon niet onweersproken blijven. De Bils had bovendien gesuggereerd dat zijn onderneming was mislukt doordat Van Horne hem had belasterd en ook dat wilde Van Horne gaarne rechtzetten. Als antwoord publiceerde hij een Waerschouwinge aen alle lieffhebbers der anatomie teegens de gepretendeerde weetenschap derselver van joncheer Louys de Bils. Hij had gelezen dat De Bils meende dat eeuwenlang geen mens iets van de anatomie had begrepen en dat hij zichzelf een onfeilbare fysiologische kennis toeschreef. Kon het toch zo zijn, schreef Van Horne, dat in ‘onse

[p. 29]

eeuwe, die wij nu beleeven, ende in dewelcke de kennisse der anatomie tot soo hoogen top is ghereesen als men weet dat sij oijt gheweest is... het laetste seegel van het boeck der natuure mochte geopent worden’. Zou het niet mooi zijn als ‘den Heemel 't selve tot de kompste van joncheer Louijs de Bils bewaert hadde’ en de medici daardoor het geluk hadden de werkingen van het lichaam te kunnen beschouwen ‘niet meer als door een wolcke ende als in een donckeren spiegel, maer gelijck in een helder glas ende klaeren sonnenschijn’. Dan zou De Bils geen marmeren standbeeld verdienen, zoals in Londen was opgericht voor Harvey, nee, Van Horne was er zeker van dat alle medici er gezamenlijk voor zouden zorgen dat er voor hem een zilveren beeld zou worden neergezet. Maar (Van Horne had enkele jaren in Italië doorgebracht): ‘dal ditto al fatto, vi è gran tatto’, oftewel: zeggen en doen zijn twee. De Bils kon niet blijven volstaan met de indruk te wekken dat hij grote dingen kon verrichten. Hij toonde het volk trucs en beloofde steeds veel verbazender zaken, zodat hij iedereen voortdurend ‘met den beck oopen’ hield, maar, aldus Van Horne, ‘'t is niet genoech te blaaskaecken, ende breet op te snijden’.26

Van Horne uitte zijn bewondering voor de ijver van De Bils en hij was ook vol lof over diens balsemkunst, waarvan hij, bekende hij, zeer gaarne het geheim zou kennen. Iedereen die zijn geprepareerde lichamen had gezien had moeten bekennen ‘geen raet te weeten, om sulx naer te volgen, veel min te verbeeteren’. Daarom was het spijtig dat De Bils zijn vaardigheid niet in dienst wilde stellen van een wetenschappelijk onderlegd persoon, ‘om grooter ende curieuser dingen te doen’. ‘Curieuze’ lieden, dat wil zeggen mensen die de natuur onderzochten, deden serieus werk. Doordat De Bils dergelijke mensen afhield bleef zijn werk een veredelde kermisattractie. De Bils had de biljetten met reclame voor zijn onderneming, met de verklaring van Van Horne, ‘op bortpampier laeten placken ende in de voorhuijsen van de voornaemste herbergen laeten ophangen’, alsof het een aankondiging van een loterij betrof, of een operatie van een kwakzalver. De demonstratie die hij voor Haagse doctoren had gegeven was dat niveau ook niet ontstegen: de doctoren troffen een dode hond, die voor hun komst al was geprepareerd. Daarin had De Bils enige kleine vaatjes laten zien. Dat dat melkvaten zouden zijn geweest ‘moet hij andere wijs maecken, ende niet ons’, vond Van Horne. ‘'k Moet bekennen dat ick mij niet sonder lacchen konde houden’, vervolgde hij, toen hij met De Bils had gesproken over het bloedeloos ontleden. Toen hij vroeg of hij daarvan een proeve mocht zien, had De Bils hem op zijn vier gebalsemde lichamen gewezen. Van Horne begreep best dat het bloeden door afbinding van de voornaamste vaten kon worden verminderd, ‘maer dat sulx geheel ende al kan voorgekomen worden... is al te oopenbaerlijck getoont dat men de luijden wat soeckt op de mouwe te spellen’. Als De Bils die kunst werkelijk zou verstaan, zou hij die onmiddellijk aan alle chirurgijns moeten leren. Maar dat was het probleem met De Bils: hij weigerde consequent een niet door hem geregisseerde confrontatie aan te gaan. Toen Van Horne het Rotterdamse theater

[p. 30]

bezocht, werd het hem onmogelijk gemaakt om de preparaten nauwkeurig te bekijken. Toen afgevaardigden van de Leidse universiteit het aanbod deden om zijn onderneming te steunen, weigerde De Bils daarop in te gaan, omdat hij die steun pas zou ontvangen als hij hen zijn kunst zou tonen. De belofte van geheimhouding had daarbij niet mogen baten. Van Horne waarschuwde zijn lezers dat De Bils middelen gebruikte die onbetamelijk waren, zeker voor iemand die voortdurend ‘op sijn affkompste ende adel pocht en snorckt’.

Het was duidelijk dat De Bils zich vertilde en dat zijn vaardigheden door anderen met meer vrucht zouden kunnen worden gebruikt, maar hij zocht naar erkenning als ontleder en hij was ervan overtuigd dat hij die alleen kon krijgen als hij zijn geheim bleef koesteren. Als hij zich zou uitleveren aan Van Horne zou die met de eer gaan strijken, dat was hem wel duidelijk. Intussen probeerde hij met oneigenlijke middelen een positie voor zichzelf te veroveren, zodat hij in staat zou zijn om te laten zien wat hij vermocht bij het balsemen van lichamen. Dus bleef hij zijn bloedeloze snijkunst demonstreren en beet hij zich vast in een onhoudbaar standpunt in de discussie over de lymfestromen. Het probleem voor zijn tegenstanders was alleen dat zijn ongelijk vrijwel niet viel te bewijzen.

Het was evident dat Van Horne dat bewijs gaarne geleverd zou zien. Nadat hij ruzie met hem had gekregen stelde Van Horne alles in het werk om aan te tonen dat de opvattingen van De Bils onjuist waren. De Bils verweerde zich, en beide partijen rekruteerden medestanders en kregen bijval van geestverwanten. Zo ontstond een debat dat brede belangstelling trok en dat gedeeltelijk als openbare rel werd uitgevochten, compleet met pamfletten en schimpdichten, maar dat tevens de kern raakte van de wetenschappelijke problematiek, waardoor er zich ook verscheidene prominente medici in mengden.

Frans DeleBoë, de Amsterdamse arts die inmiddels Van Hornes naaste collega in Leiden was geworden, publiceerde in 1660 een korte zakelijke verhandeling over de lymfevaten. Hij prees De Bils als een ijverig en geestdriftig ontleder, maar noemde hem onbedachtzaam in zijn uitlatingen. Met diens visie op de loop van de lymfe was hij het niet eens. Hij had daarover zo zijn eigen ideeën. Hij was ervan overtuigd dat de spijsvertering moest worden gezien als een scheikundig proces en hij probeerde de nieuwe anatomische vondsten in dat concept te integreren.

DeleBoë had enige moeite met Bartholins grafschrift voor de lever. Als Bartholin de lever niet langer als bloedvormend orgaan wilde beschouwen, dan zou hij graag zien dat de Deense hoogleraar liet weten welke functie hij er dan aan toedichtte. Bartholin zette zijn standpunt uiteen in een artikel dat, naar oud gebruik, was gegoten in de vorm van een brief; in dit geval aan DeleBoë. Hij dacht dat de lever gal produceerde en mogelijk een filtrerende, bloedzuiverende functie had. Van Horne wendde zich eveneens tot Bartholin, met het verzoek hem te helpen om het ongelijk van De Bils onomstotelijk aan te tonen, maar Bartholin was niet van plan zich nog langer met de kwestie te bemoeien. Zijn brief aan DeleBoë leek hem afdoende.

[p. 31]

Met de centrale figuur in het debat, De Bils, ging het intussen niet zo goed. Hij hoestte ernstig en was astmatisch, volgens hemzelf ten gevolge van het inademen van giftige stoffen bij het ontleden. Zijn commerciële plannen dreigden op een fiasco uit te lopen en sinds zijn aanvaring met Van Horne was zijn verhouding met de academische wereld nogal gespannen. Hij gedroeg zich uiterst wantrouwend tegen lieden die hadden gestudeerd. Leken mocht hij wel gaarne imponeren met zijn kunsten, vooral wanneer ze enige status bezaten. Medici die hem bezochten gaven zich daarom uit voor leken, en liefst voor hooggeplaatsten. De Leidse student Heinrich Meibom en de vriend met wie hij De Bils bezocht deden bijvoorbeeld of ze hovelingen waren. Daardoor wisten ze De Bils zover te krijgen dat hij hun enkele organen liet zien in een levende hond, die hij met weinig bloedverlies opereerde.

Zijn methode van opereren en zijn balsemtechniek bleven de geleerden intrigeren. Er gingen allerlei geruchten over, maar niemand wist er uiteindelijk het fijne van en De Bils liet er niets over los. Hij suggereerde wel dat hij zijn geheim wilde verkopen, maar beperkte zich vooralsnog tot zijn demonstraties. In de zomer van 1661 kwam Henry Oldenburg, die het volgende jaar secretaris zou worden van de Royal Society, hem in Rotterdam bezoeken. Hij berichtte op 3 augustus aan Christiaan Huygens: ‘Monsieur de Bils me traite icy avec grande humanité, et semble d'entendre tres bien l'anatomie, et estre resolu de maintenir et de faire bon son party’. De Bils had hem verteld dat hij het geheim van de spijsvertering helemaal had doorgrond, net als het geheim van de zaadvorming. Er bestond discussie over de vraag of zaad al of niet uit bloed werd gevormd, maar De Bils beweerde die vraag precies te kunnen beantwoorden en dat gold voor nog diverse andere kwesties.27 Maar met zijn onderneming werd het niets en De Bils vertrok naar Frankrijk in een poging om alsnog zijn erfdeel te bemachtigen. In september 1662 gaf hij enkele demonstraties in Den Haag. Tot de belangstellenden behoorde ongetwijfeld Frederik Ruysch, die spoedig rechtstreeks bij de discussie rond De Bils betrokken raakte.

1.9 Vivisectie

In die discussie speelden honden een weinig benijdenswaardige rol. In de buurt van onderzoekers die erbij waren betrokken, waren ze hun leven niet zeker, dat was duidelijk. Niet alleen De Bils, maar ook zijn tegenstanders sneden met enige regelmaat levende honden open. Een van die tegenstanders was een Deense student. Hoewel Bartholin had laten weten dat hij zich niet meer persoonlijk in het debat wenste te mengen, was hij wel bereid gebleken een afgezant naar Leiden te sturen. Hij had vroeger zelf in Leiden gestudeerd en hij zond daarheen nu een veelbelovende student, genaamd Niels Stensen. Stensen herhaalde in 1661 de experimenten met honden waarop De Bils zijn theorie baseerde.

[p. 32]



illustratie

Afbeelding, door R. van Persijn, van een door De Bils opengesneden hond.


[p. 33]

Vivisectie was geen ongebruikelijk onderdeel van vroegmoderne experimenten. Het openen van levende proefdieren was de consequentie van de behoefte om de werking van de inwendige organen te begrijpen, gekoppeld aan standpunten die de menselijke overheersing over het dier rechtvaardigden. Dat men zijn toevlucht nam tot proeven met levende dieren was ook niet nieuw. Teksten van vijf eeuwen voor Christus maakten al gewag van vivisectie. Galenus had vivisectie bedreven bij zijn experimenten om de ademhaling en de bewegingen van het hart te doorgronden. Bij onderzoek naar de werking van de hersens adviseerde hij bij het openleggen van de schedel liever varkens en geiten te gebruiken dan apen, vanwege de onaangename gezichtsuitdrukking van apen tijdens de ontleding. Met het rechtvaardigen van een dergelijke vorm van onderzoek kende hij weinig problemen: volgens de stoïcijnse opvattingen van Galenus beschikten alleen mensen over rede, dieren waren nauwelijks meer dan objecten.

Al in de oudheid hadden er discussies plaatsgevonden over vivisectie op mensen. Dat was wetenschappelijk gezien uiteraard de ideale oplossing voor onderzoekers. Er konden ter dood veroordeelden voor worden ingezet, was wel geopperd, maar zulke voorstellen waren als te wreed verworpen. De Engelse natuurkundige Robert Boyle erkende in 1663 dat vivisectie op mensen te barbaars en in elk geval onwettig zou zijn, maar omdat de bewegingen van bloed en chylus in een lijk niet vielen te constateren, was een onderzoeker wel gedwongen zijn toevlucht te nemen tot experimenten met levende honden, varkens en andere dieren.28 Vesalius had demonstraties met levende dieren gegeven aan het slot van zijn anatomische cursussen. Ook hij was van mening dat het, om lichaamsfuncties beter te kunnen begrijpen, soms nodig was om levende organismen te bestuderen. Zijn opvolgers waren het doorgaans met hem eens.

De ontdekking van de melkvaten door Gasparo Aselli betekende een stimulans voor het onderzoek door middel van vivisectie. Zonder vivisectie was onderzoek naar het lymfesysteem vrijwel onmogelijk. Ook de opkomst van het idee dat de lichamen van mensen en dieren konden worden vergeleken met een machine die aan bepaalde mechanische wetten gehoorzaamde, stimuleerde onderzoek in levende organismen. In Leiden werd daarom veel met levende dieren gewerkt. Bij de experimenten werden de dieren meestal aan vier poten op een plank vastgebonden en opengesneden. Doorgaans werden honden gebruikt, later ook kikkers en konijnen. Men had de dieren aanvankelijk vooral gebruikt om de bloedsomloop te tonen. Naderhand werden ze ingezet bij het onderzoek naar de ademhaling, de spijsvertering en de voortplanting. Om een theorie van DeleBoë over de functie van het pancreas, de alvleesklier, te testen, tapte Reinier de Graaf, een van zijn studenten, bij een levende hond het pancreassap af. Diverse andere studenten sneden eveneens honden open om theorieën van DeleBoë te bewijzen. Jan Swammerdam deed als student in Leiden ademhalingsexperimenten op honden. Hij maakte bijvoorbeeld zwangere honden open om na te gaan hoe de jongen ademhaalden. Bij zijn experimenten viel het hem op dat spieren samentrokken

[p. 34]

wanneer hij zenuwen doorsneed. Omdat dat niet strookte met de gangbare theorie begon hij dat nader te onderzoeken. Hij had ontdekt dat als men zenuwen aanraakte ‘men terstont in de spieren, waar naa toe sij loopen, een merkelijke beweeging siet veroorsaakt’, die niet veel verschilde van de natuurlijke contractie. Als men bijvoorbeeld de zenuwen van het middenrif in een opengesneden hond zachtjes prikkelde met de punt van een fijne naald, of met vuur of ‘scherpe wateren’, dan zag men het middenrif onmiddellijk zijn natuurlijke functie volvoeren. ‘Dit is een seer aardig en ook vermakelijk experiment’, vond hij.29

De Bils gaf in zijn testament een uitvoerige uiteenzetting over de wijzen waarop honden tijdens proefnemingen zo lang mogelijk in leven konden worden gehouden. Robert Hooke liet op 10 oktober 1667 in Londen een ademhalingsexperiment zien aan leden van de Royal Society, waarin hij bij een hond de borst opende. Hij sneed de ribben en het middenrif weg en hij verwijderde ook het hartzakje. Hij verbond de luchtpijp aan een blaasbalg en blies zo lucht in de longen. Op die manier hield hij de hond een uur in leven. Doordat de luchtpijp was doorgesneden kon de hond geen geluid maken. Hooke bewees vervolgens dat de beweging van de longen niet nodig was voor de bloedcirculatie, door gaatjes in de longen te prikken. Hij voerde lucht toe, die via de gaatjes ontsnapte. De longen bewogen niet, maar de hond bleef leven. Hooke sneed een stukje uit de long om te laten zien dat het bloed circuleerde. Hij concludeerde dat niet de beweging van de longen noodzakelijk was om in leven te blijven, maar een voortdurende toevoer van lucht.30 Door dergelijke experimenten trachtte Hooke de ware aard van de ademhaling te achterhalen, maar er rees enige twijfel of het doel in dit geval de middelen heiligde. John Evelyn, die erbij aanwezig was, schreef in zijn dagboek: ‘this was an experiment of more cruelty than pleased me’. Hooke zelf was er ook niet gelukkig mee. Hij had de vertoning van het experiment voor de Royal Society eerst uitgesteld en hij had er eigenlijk van willen afzien. Hij schreef aan Robert Boyle: ‘I shall hardly be induced to make any further trials of this kind, because of the torture of the creature; but certainly the enquiry would be very noble, if we could any way find a way so as to stupify the creature, as that it might not be sensible, which I fear there is hardly any opiate will perform’. Het zou nog meer dan anderhalve eeuw duren tot, met ether, een afdoende verdovend middel was gevonden, en voorlopig was vivisectie dus onvermijdelijk verbonden met pijn.

Boyle deed bij onderzoek naar de ademhaling experimenten met een recentelijk ontwikkeld apparaat, de luchtpomp, waarmee een vacuüm kon worden gecreëerd. Insecten bleken in een ruimte die vacuüm werd gepompt onmiddellijk op hun rug te vallen. Hetzelfde experiment werd uitgevoerd met jonge katjes. Als er snel weer lucht werd toegevoerd herstelden de dieren, maar anders bleken ze dood te gaan. Boyle stelde nauwkeurig de limiet vast. Wel vond hij het te zuur om katjes die het luchtpompexperiment hadden overleefd voor de volgende ronde opnieuw in te zetten. Hij nam daarom steeds een ander exemplaar. Er bestonden dus wel huiveringen bij de onderzoekers, maar ten behoeve van de wetenschap

[p. 35]

werden die dikwijls overwonnen. Het gebruik van proefdieren werd gelegitimeerd met dezelfde argumenten als waarmee jagen, vlees eten en het gebruik van dieren als arbeidskrachten werden gerechtvaardigd. Algemeen aanvaard was de opvatting dat dieren waren geschapen om in menselijke behoeften te voorzien. Men kon zich daarbij beroepen op de bijbel, Genesis 9: 2-3, waarin God Noach meedeelt dat hij alle dieren onder diens gezag heeft gesteld. Over proefdieren werd hetzelfde gezegd als over de misdadigers die na hun terechtstelling werden ontleed: op deze manier waren ze tenminste nog nuttig. Voor de minderwaardigheid van dieren was al in de klassieke oudheid het argument aangevoerd dat dieren geen redelijk verstand bezaten. De filosoof René Descartes had een eigen variant van dat argument gepresenteerd. Omdat hij meende dat het denken buiten de materie stond, had hij de conclusie getrokken dat dieren niet konden lijden. Dieren konden niet redelijk denken en functioneerden dus geheel mechanisch, zoals alle materie. Dieren konden ademen, verteren, waarnemen en bewegen, omdat ze goed in elkaar waren gezet, maar hun reacties werden niet, zoals bij mensen, aangestuurd door het verstand.

Zijn argumenten hadden niet iedereen volledig overtuigd, getuige een brief die Niels Stensen aan Thomas Bartholin schreef over een experiment met een hond. Hij schreef dat hij de hond drie uur in leven had moeten houden om zijn onderzoek te kunnen voltooien. Hij betreurde dat het experiment zou moeten worden herhaald om zekerheid te verkrijgen, want hij moest bekennen dat hij de proefdieren niet zonder afschuw zo langdurig kon kwellen. De aanhangers van Descartes mochten overtuigd zijn van hun filosofie, Stensen was daar niet zo zeker van. Hij had in dit geval graag gewild dat ze hem ook hadden overtuigd dat het geen verschil maakte of men de zenuwen van een levend dier aanraakte, doorsneed of schroeide, of dat men hetzelfde deed met de draden van een bewegende automaat. Hij zei dat hij dan de ingewanden en de vaten van het levende dier nog langer, nog vaker en met meer genoegen zou doorzoeken, want hij zag wel in dat wat men op een andere manier niet kon achterhalen, op deze wijze moest worden uitgevonden.31

Bartholin zelf wurgde de honden die hij voor zijn proeven gebruikte eerst. Hij had bij opgehangen misdadigers gezien dat er kort na hun dood ook onderzoek naar de lymfevaten kon worden gedaan, dus dat moest bij honden ook mogelijk zijn. Dat ze dood waren had als praktisch voordeel dat ze niet bewogen. Frederik Ruysch wurgde zijn honden ook voordat hij ze onderzocht. Er bestond dus wel aarzeling, en zelfs verzet tegen het toepassen van vivisectie. Onnodige wreedheid tegenover dieren werd in oudheid en middeleeuwen al afgekeurd, vaak echter niet vanuit mededogen met de dieren, maar vanwege de vermeende kwalijke invloed op het menselijke karakter. Het verzet kon ook zeer pragmatisch zijn. Conservatieve medici bijvoorbeeld, die het systeem van hun helden Aristoteles en Galenus ongaarne door een stel willekeurige nieuwlichters zagen worden ontmanteld, veroordeelden vivisectie voornamelijk omdat het een middel was

[p. 36]

waarmee de oude theorieën werden ontkracht. De cruciale vraag was natuurlijk wanneer wreedheid als onnodig werd beschouwd. Natuurvorsers voelden zich regelmatig onprettig bij het pijnigen van dieren, maar dat weerhield hen lang niet altijd. Om interne onrust te sussen konden ze erop wijzen dat hun proeven uiteindelijk ten goede zouden komen aan de verbetering van het lot van de mensheid.

1.10 Descartes

Frederik Ruysch wurgde honden in het kader van onderzoekingen die hij had geëntameerd op aandrang van Jan van Horne, wiens anatomiecolleges hij in Leiden volgde. Hij moest zich daarvoor wel enige opofferingen getroosten. De meeste studenten woonden op kamers in Leiden, maar Ruysch moest voor de colleges uit Den Haag komen. Omdat Van Hornes college al om acht uur begon, moest hij opstaan terwijl het nog nacht was, om 's ochtends op tijd in Leiden te kunnen zijn.

De meeste colleges werden gegeven in het academiegebouw aan het Rapenburg, maar de anatomische lessen werden gehouden aan de overkant van de gracht. Daar stond de Faliede Bagijnekerk, waarin op de eerste verdieping de bibliotheek was gehuisvest en daaronder het anatomisch theater. 's Winters ontleedde daar Van Horne, die de anatomie verder uit de doeken deed aan de hand van Vesalius.

Naar het model van de befaamde universiteit van Padua was er voor de medici, behalve een anatomisch theater en een bibliotheek, ook een tuin ingericht. Die tuin, gelegen naast het academiegebouw, diende voor het botanisch onderwijs, dat van belang was voor de kennis van medicijnen. Het was een onderdeel van de studie dat Ruysch na aan het hart lag. Plantkunde werd gedoceerd door Adolf Vorstius, die 's ochtends theoretische lessen gaf op grond van het klassieke handboek van Dioskorides, waarin behalve het uiterlijk van de planten ook hun werking werd beschreven. 's Middags konden de planten in levende staat worden beschouwd in de hortus. Daarnaast was het gebruikelijk om in het voorjaar en in de herfst enkele excursies in het veld te houden, om de planten in hun natuurlijke omgeving op te sporen. Die uitstapjes vormden het hoogtepunt van de cursus en werden altijd op feestelijke wijze afgesloten in een herberg. Tijdens zulke excursies was Ruysch fanatieker dan alle andere studenten. Hij vertelde later dat hij vaak slootwater uit zijn hoed had gedronken, ‘om den dorst te lesschen, afgemat van 't wandelen door dorre zanderige plaatzen; terwijl de andere studenten in de kruijtkunde, zijne makkers, in de naast bij gelegene herberg liever den zoeten wijn wilden proeven’.32

Ruysch hoopte in Leiden het nodige op te steken over anatomie en plantkunde, maar hij raakte menigmaal verzeild in theoretische discussies over hoe kennis

[p. 37]

kon worden verkregen. Veel colleges bestonden uit het behandelen van klassieke teksten en de waarde daarvan stond ter discussie. Centraal in de debatten stond sinds jaren de filosofie van René Descartes.

Door de nieuwe ontdekkingen en bevindingen werd het bestaande wereldbeeld, dat steunde op de bijbel en de filosofie van Aristoteles, langzamerhand steeds verder aangetast. Men kon nog lang vasthouden aan het vertrouwde beeld door nieuwe vindingen flexibel in te passen, maar het was onontkoombaar dat er nieuwe grondslagen voor kennis moesten komen. Simpelweg de ‘ouden’ erop naslaan kon op den duur niet meer. Een alternatief voor de filosofie van Aristoteles werd geboden door de Fransman René Descartes, die zich in 1629 in Nederland had gevestigd. Hij had zijn filosofie niet meteen gepubliceerd. Na de lotgevallen van Galilei in 1633 leek het hem verstandig om voorzichtigheid te betrachten. Om te beginnen had hij in 1637 het Discours de la méthode gepubliceerd, samen met drie opstellen over optica, meteoren en meetkunde, waarin hij probeerde de algemene regels van zijn methode toe te passen. In deze geschriften verwierp hij in de eerste plaats het terugkeren naar de klassieke oudheid om kennis op te doen. Zelf deed hij geen moeite zijn denkbeelden in overeenstemming te brengen met die van klassieke filosofen. De ouden waren feilbaar, dat was inmiddels wel voldoende duidelijk geworden. Het was tijd om helemaal opnieuw te beginnen. De zintuigen konden daarbij niet als uitgangspunt dienen, want ook die hadden beperkte mogelijkheden. Het uitgangspunt voor een nieuwe filosofie moest daarom het denken zijn, het zuivere, logische, ‘mathematische’ denken. Descartes probeerde allerlei natuurverschijnselen op een wiskundige manier te beschrijven.

Bij Aristoteles hadden alle verschijnselen in de natuur een eigen doel en oorzaak. Descartes had gezocht naar een principe waarmee alle natuurverschijnselen konden worden verklaard. In 1644 had hij zijn Principia philosophiae gepubliceerd, waarin hij een alomvattend verklaringsmodel probeerde te geven. Hij verwierp de uitgangspunten van Aristoteles, waaronder de leer van de vier elementen (water, vuur, lucht en aarde). Volgens Descartes bestonden er geen verschillende soorten materie. Zijn uitgangspunt was dat het universum bestond uit onzichtbaar kleine deeltjes in beweging. Alle natuurverschijnselen waren resultaat van de beweging en botsing van die deeltjes. De bewegingen van de deeltjes geschiedden volgens vaste wetten en die wetten konden door mensen via logisch denkwerk worden afgeleid. Het hele universum kon worden beschreven met mechanische wetten en dat gold ook voor het menselijk lichaam. Het verklarende model van Descartes was veel simpeler en efficiënter dan het beschrijvende model van Aristoteles, waarin ter verklaring van natuurverschijnselen allerlei mysterieuze krachten werden verondersteld. Doelgerichtheid kwam als begrip bij Descartes niet voor. Alles in de natuur werkte volgens oorzaak en gevolg. Dat een steen valt omdat hij streeft naar zijn natuurlijke plaats, zoals Aristoteles had gezegd, vond Descartes geen verklaring. Men kon eigenschappen van natuurlijke objecten volgens hem ook niet verklaren uit hun nut voor de mens, of de groei van

[p. 38]

levende wezens verklaren uit hun eindresultaat. Individuele kwaliteiten van voorwerpen hadden bij hem geen verklarende betekenis meer. Alles bestond uit dezelfde materie, waarvoor vaste wetten golden.

Descartes had snel succes. Christiaan Huygens gaf daar een verklaring voor. Wat volgens hem onmiddellijk aansprak was dat men begreep wat Descartes zei. Dit in tegenstelling tot de volkomen onbegrijpelijke taal van andere filosofen, die spraken over kwaliteiten, substantiële vormen, intentionele soorten en zo meer. Radicaler dan iemand voor hem had Descartes al dat ‘onzinnige gebeuzel’ verworpen. Maar wat volgens Huygens vooral voor zijn filosofie pleitte, was dat hij niet was blijven steken in afkeer van het oude. Hij had alles durven vervangen en voor alle natuurverschijnselen had hij begrijpelijke oorzaken aangegeven.33

De filosofie van Descartes werd door veel intellectuelen ervaren als een bevrijding. De Amsterdamse regent en diplomaat Coenraad van Beuningen vond dat dankzij Descartes ‘'t goed gebruik van het menschelijk verstand’ was hersteld, ‘door 't vernietigen van de Aristotelische tyrannie’.34 In tegenstelling tot dat van Aristoteles noopte het wereldbeeld van Descartes tot onderzoek. Descartes bood de hoop dat het mechanisme van de natuur zou kunnen worden begrepen. De wereld van Aristoteles was een verzameling losse voorwerpen, elk met hun eigen kwaliteiten. Elk verschijnsel had zijn eigen oorzaak. Er bestond geen structureel verband, alleen een hiërarchische ordening, waarbij de lagere dingen werden verondersteld de hogere te dienen. Wetenschap kwam neer op ordenen. Descartes zette mensen aan om filosofische en wetenschappelijke kwesties anders te benaderen: van afzonderlijke verschijnselen moest worden onderzocht welk algemeen principe eraan ten grondslag lag.

Veel ontdekkingen vielen op hun plaats in de filosofie van Descartes: bijvoorbeeld de bevindingen van Copernicus, maar ook de bloedsomloop. Zelf gaf Descartes ook enkele uitgewerkte voorbeelden van mechanistische principes. De aristotelische fysica verbleekte bij de nieuwe fysica. De beweging van voorwerpen kon in aristotelische termen alleen vaag worden beschreven met woorden; bijvoorbeeld: een kogel viel snel. Meten en rekenen hadden in de oude fysica geen plaats. Christiaan Huygens daarentegen berekende formules die bewegingen precies beschreven. Kwalitatieve omschrijvingen werden alom vervangen door kwantitatieve.

De mechanische visie en de deductieve manier van denken van Descartes waren zo succesvol bij het verklaren van natuurverschijnselen dat ze de sleutel tot alles leken. ‘Mathematisch’ redeneren was een toverwoord. Niet zelden ontaardde dat in de praktijk in speculatie en bovendien werd vrij spoedig duidelijk dat het deductieve redeneren ook zijn beperkingen had. Om te beginnen bleek Descartes' eigen werk feilen te vertonen. Christiaan Huygens ontdekte in 1653 dat de botsingsregels die ten grondslag lagen aan Descartes' fysica niet klopten. Descartes had ze afgeleid, maar ze bleken niet te stroken met de praktijk. Des-

[p. 39]

cartes had empirisme gerelativeerd omdat de zintuigen feilbaar waren, maar dat gold kennelijk ook voor het verstand. Duidelijk werd dat de mogelijkheden van het ‘mathematisch redeneren’ waren overschat. Langzamerhand begon men in de wetenschap, met behoud van de mechanistische visie en het logische redeneren, meer te neigen naar empirisme. Het was gebleken dat het belangrijk was om theorie voortdurend te verbinden met waarnemingen. Waarnemingen in de natuur en experimenten moesten leiden tot verklarende hypothesen of worden gebruikt om theorieën te toetsen. Het pure deductieve redeneren verloor aan aantrekkingskracht.

In de tijd dat Frederik Ruysch studeerde liepen er nog verschillende stromingen door elkaar, zowel onder docenten als studenten. Er waren aanhangers van Descartes, er waren al lieden die zich kritisch uitlieten over de deductieve methode en er waren ook nog veel mensen die vasthielden aan de filosofie van Aristoteles. Frederik Ruysch was een man van de praktijk. Hij was niet erg geïnteresseerd in theoretische discussies. Als oude man herinnerde hij zich nog gniffelend hoe een student aan de theoloog Johannes Hoornbeek vroeg wie hij in de filosofie volgde, Aristoteles of Descartes, en dat Hoornbeek antwoordde ‘de Heilige Schrift!’35 Dat men zich afvroeg hoe meer zekerheid kon worden verkregen, via de zintuigen of het verstand, vond Ruysch tijdverspilling. Zoals veel medici was hij Descartes dankbaar voor de introductie van de mechanische verklaring. Descartes had een model geleverd voor het functioneren van het menselijk lichaam dat hielp bij de verklaring van de werking en de structuur van de verschillende lichaamsdelen. Maar van lieden die ‘mathematisch redeneren’ hoog in hun vaandel voerden had hij geen al te hoge dunk. Hij geloofde alleen wat hij zag.

1.11 Onderzoek

Naderhand zou Ruysch verklaren dat hij tot het ontleden was overgegaan omdat hem in de anatomieboeken veel zaken duister voorkwamen. Sinds hij had besloten zelf het mes ter hand te nemen was hij gegrepen door het onderzoek. Op dat terrein kwam hij in Leiden ruimschoots aan zijn trekken, want al werd er vaak gesproken over theorie, er werd ook veel praktisch onderzoek verricht. De universiteit was in de eerste plaats een onderwijsinstelling, maar, geënspireerd door Descartes en Harvey, werd er in Leiden al jarenlang geëxperimenteerd. Bij het anatomisch onderzoek was de aandacht vooral gericht op de structuur van de organen, om te kunnen verklaren wat hun functie was en hoe ze werkten. Toen Ruysch naar Leiden kwam werd het onderzoek vooral verricht onder leiding van Jan van Horne en van Frans DeleBoë, die in de wetenschap de naam Sylvius voerde. Hij was professor sinds 1658. Zijn vader was een protestantse koopman uit Cambrai, die naar Duitsland was uitgeweken. De jonge DeleBoë had aan diverse

[p. 40]

Europese universiteiten gestudeerd en was al gepromoveerd toen hij in 1638 naar Leiden kwam. Door middel van demonstraties wist hij daar diverse hooggeleerden te overtuigen van de juistheid van Harvey's theorie over de bloedcirculatie. Hij deed toen ook al onderzoek naar de melkvaten. Omdat zijn wetenschappelijke inspanningen niet tot een universitaire aanstelling leidden, was hij in 1641 naar Amsterdam vertrokken, waar hij een zeer succesvolle artsenpraktijk had weten op te bouwen. Hij maakte daarin veel gebruik van chemische geneesmiddelen, die hij vaak zelf bereidde. Hij probeerde nieuwe anatomische ontdekkingen te combineren met scheikundige bevindingen en trachtte het functioneren van het menselijk lichaam te verklaren uit chemische processen die zich in het lichaam afspeelden. In 1658 was hij, voor het buitengewoon hoge jaarsalaris van achttienhonderd gulden, als professor naar Leiden gehaald.

DeleBoë verwerkte de nodige scheikunde in zijn medicijnencolleges, maar het vak werd in Leiden nog niet als zodanig gedoceerd, want het was omgeven met mystiek en daarom niet onomstreden. Terwijl men probeerde de werkzame stoffen in geneesmiddelen te isoleren werden er soms veelbelovende toepassingen ontdekt en in de chemie leken grote mogelijkheden te schuilen, alleen wist niemand precies welke. Het was fascinerend om te proberen te begrijpen wat er gebeurde tijdens chemische reacties, maar met de klassieke elementen water, vuur, aarde en lucht kwam men niet ver. Er werden wel nieuwe elementen geïntroduceerd, maar generalisaties werden er niet minder speculatief van. DeleBoë liet zich daardoor niet weerhouden en introduceerde allerlei scheikundige verklaringen in de geneeskunde. De redeneertrant bleef daarbij onveranderd: waar bij Galenus ziekte ontstond door een overmaat aan een van de lichaamssappen, ontstond bij DeleBoë koorts door een overmaat aan zuur. Terwijl in de geneeskunde van Galenus een teveel aan hete lichaamssappen werd bestreden met verkoelende middelen, moesten volgens DeleBoë ziekten met een zuur karakter worden bestreden met een alkalisch geneesmiddel.

Ruysch was ook geïnteresseerd in scheikunde, maar hij liet zich niet verleiden door dergelijke speculatieve theorieën. Hij was voorzichtig. Terwijl hij zich ertoe bepaalde zijn praktische kennis van de scheikunde te benutten als hulpmiddel bij zijn hoofdvak, de anatomie, koesterde DeleBoë de illusie dat hij het geheim van de fysiologie op het spoor was. DeleBoë droeg zijn ideeën met verve uit. Hij was een coryfee: hij was welbespraakt en overtuigend, men vond hem aantrekkelijk en zijn colleges waren populair. Hij liet zijn leerlingen disputaties houden over eigen observaties. Naast zijn gewone colleges gaf hij in het Caecilia-gasthuis klinisch onderwijs, dat hij boeiend wist te maken door zijn studenten op socratische wijze te ondervragen over de verschijnselen bij de patiënten. Op de lijken van gestorven patiënten verzorgde hij bovendien anatomische demonstraties, waarvoor zoveel belangstelling bestond dat er in de post mortem-zaal, naast de ingang van het ziekenhuis, extra rijen nodig waren om alle toeschouwers van plaatsen te voorzien.

[p. 41]



illustratie

Frans DeleBoë, alias Franciscus Sylvius (1614-1672), geboren in Hanau, waar zijn vader, de koopman Isaac DeleBoë, was neergestreken nadat hij uit Kamerijk was geëmigreerd vanwege de vervolging van protestanten. Hij ‘zocht naar d'eigenschap van 't leven in de doot’, aldus Gerard Brandt, ‘in kruiden, steen en vier, en duistre kracht der sappen’. Hij bereidde zelf salia volatilia (vluchtige zouten), volgens geheim recept. Bij de bestrijding van ziekten maakte hij tevens ruimhartig gebruik van opium en er werd gezegd dat hij daar zelf het slachtoffer van was geworden. Gravure door C. van Dalen junior, 1659 (Iconografisch Bureau).


[p. 42]

Jan van Horne, die de gewone anatomiecolleges gaf, was iets jonger dan DeleBoë, en werd ook enigszins overschaduwd door diens persoonlijkheid. Van Horne was vooral een geleerde. Eigenlijk had hij rechten moeten studeren, maar tijdens zijn studie was hij in de ban geraakt van de anatomie. Hij had Antwerpse wortels, en zijn vader was bewindhebber van de VOC geweest. Daardoor was hij zo bemiddeld dat hij aan diverse buitenlandse universiteiten had kunnen studeren. Ook na zijn promotie in Padua was hij nog jaren in het buitenland gebleven. Toen hij, bijna dertig jaar oud, was teruggekeerd in Holland, had hij in Leiden toestemming gekregen om anatomische demonstraties te verzorgen. Toen hij vervolgens in Amsterdam dreigde te worden benoemd, bood de Leidse universiteit hem een professoraat aan. In 1653 was hij aangesteld tot hoogleraar in de anatomie. Hij genoot slechts een bescheiden salaris, achthonderd gulden per jaar, maar om het geld hoefde Van Horne het niet te doen.36

Hij was wel geleerd, maar niet zo handig, en daarom was hij zo gecharmeerd van de vaardigheden van De Bils. Nadat hij vergeefs had getracht De Bils voor zijn kar te spannen, schakelde hij een aantal talentvolle studenten in bij zijn onderzoek. Hij was vooral geïnteresseerd in de structuur en de functies van de verschillende vaten en organen, en hij wilde zeer gaarne aantonen dat zijn opvattingen de juiste waren en niet die van Louis de Bils.

Zijn onderzoeksterrein kwam in belangrijke mate overeen met dat van DeleBoë, maar hun perspectief was verschillend. Terwijl Van Horne streefde naar een correcte beschrijving van de anatomie en de fysiologie, wilde DeleBoë een theorie bewijzen. DeleBoë stimuleerde zijn studenten vooral om onderzoek te doen naar fysiologische processen, in het bijzonder naar de spijsvertering, omdat hij wilde laten zien dat dat een puur chemisch proces was. Hij dacht dat de vochten die werden afgescheiden door de alvleesklier en de gal door hun vermeend zure karakter zorgden voor gisting in het voedsel, waardoor uit de voedselbrei de chylus werd afgescheiden, en hij liet studenten daarom gal en pancreassap onderzoeken.

Van Horne en DeleBoë hadden een groepje zeer begaafde studenten om zich heen verzameld. De eerste die van zich deed spreken was de jongeman die Bartholin uit Kopenhagen had gezonden, Niels Stensen. Stensen, de talentvolle zoon van een Lutherse goudsmid, was eigenlijk vooral geïnteresseerd in filosofie en wiskunde, maar om zijn brood te kunnen verdienen was hij medicijnen gaan studeren. Hij was door Bartholin in de eerste plaats naar Holland gestuurd om zich te bekwamen in de anatomie. In de zomer van 1660 kwam hij naar Leiden, waar hij bij Van Horne ging studeren. Daarvoor had hij eerst enige maanden doorgebracht in Amsterdam, bij de arts Gerard Blaes, die ook een Deense achtergrond had, maar aan zijn verblijf daar was spoedig een einde gekomen toen Blaes zich een anatomische ontdekking had proberen toe te eigenen, die hij had gedaan.

Stensen had in Amsterdam bij een slager een schapenkop gekocht, waarin hij de hersens wilde bestuderen. Bij het onderzoek vond hij een gangetje dat in de

[p. 43]

literatuur niet bekend was. Hij sloeg er het boek over watervaten en klieren op na, dat de Engelse anatomicus Wharton enkele jaren eerder had gepubliceerd, maar daarin werd niets van dien aard genoemd. Stensen riep Blaes erbij, die meende dat het gangetje wel zou zijn ontstaan bij het prepareren. Het kon ook een speling der natuur zijn. Maar nader onderzoek wees uit dat hetzelfde gangetje ook was te vinden in een hondenkop. Stensen had het afvoerkanaaltje van de oorspeekselklier ontdekt. Blaes, die reeds colleges gaf en gaarne professor aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre wilde worden, probeerde de ontdekking te claimen, maar dat liet Stensen niet toe, en dat leidde tot publieke onenigheid. Blaes probeerde Stensen op botte wijze weg te zetten als een studentje en maakte hem uit voor vals, ondankbaar, onbeleefd, schaamteloos en arrogant, maar Stensen hield zijn ontdekking staande. Hij toonde de ongeloofwaardigheid van Blaes aan door een nauwkeurige analyse van diens beschrijving. Volgens Stensen wist Blaes na een jaar nog niet waar het kanaaltje begon en eindigde.

In Leiden vervolgde hij zijn onderzoek naar de oorspeekselklier, die van belang was in verband met het onderzoek naar de beweging van de verschillende vloeistoffen in het lichaam, waarmee Van Horne bezig was. Volgens de theorie van De Bils zou de lymfe naar de klieren tot worden gevoerd en daar worden afgescheiden. Maar Stensen kwam tot de conclusie dat de lymfe juist van de speekselklier werd afgevoerd. Van Horne was hem erkentelijk voor het gescoorde punt en noemde de afvoerbuis van de oorspeekselklier in het openbaar ‘ductus Stenonianus’, waarmee hij aangaf dat hij Stensen (wiens naam in het Latijn werd verbasterd tot Steno) als ontdekker erkende. DeleBoë ging op zoek naar de oorspeekselklier bij de mens en liet die tijdens een anatomische les zien. Stensen zelf ging op zoek naar andere klieren, in mond, neus en oren, en beschreef zijn bevindingen.

Van Horne trachtte ook gebruik te maken van de vaardigheid van een andere student: de jonge Ruysch. Hij spoorde hem aan de lymfevaten te onderzoeken. Hij hoopte dat Ruysch het bestaan van kleppen in die vaten zou kunnen aantonen. Er werd, naar analogie van de bloedsomloop, al sinds jaren over gespeculeerd dat zich in de lymfevaten kleppen zouden bevinden die ervoor zorgden dat het vocht maar in één richting kon stromen. Volgens de theorie van De Bils konden die niet bestaan, maar Bartholin was er, toen hij in 1653 de lymfevaten ontdekte, van overtuigd dat ze er moesten zijn. Een van de argumenten die hij had aangevoerd voor zijn bewering dat de vaten rondom de lever vocht afvoerden in plaats van toevoerden, was dat het onmogelijk was gebleken om die vaten vanuit het hart op te vullen. Bartholin veronderstelde dat er kleppen in de vaten moesten zitten die daarvoor zorgden. Hij kon het niet bewijzen, want de kleppen waren niet te zien. Als het bestaan van de kleppen kon worden aangetoond zou de theorie van De Bils definitief ontkracht kunnen worden, maar niemand was er nog in geslaagd om ze zichtbaar te maken.

Niels Stensen, die de proeven van De Bils op honden had herhaald en via afbindingen had aangetoond dat de lymfe niet, zoals De Bils beweerde, naar de organen

[p. 44]

toe stroomde, achtte het eveneens aannemelijk dat er zich kleppen in de lymfevaten bevonden. Maar ook hij kon ze niet zien en het was aan Ruysch om een preparatiemethode uit te vinden die dat wel mogelijk zou maken.

1.12 Conserveren

Bij hun pogingen om fysiologische vraagstukken op te lossen stuitten de ontleders halverwege de zeventiende eeuw op een aantal technische problemen die voortkwamen uit het fundamentele probleem dat een lijk snel verging. De paar dagen dat men een lijk kon gebruiken konden wel voldoende zijn om studenten de delen aan te wijzen die ze uit handboeken hadden geleerd, maar niet om de gecompliceerde onderzoeksvragen van Ruysch en de zijnen te beantwoorden. Om verder onderzoek te kunnen verrichten en om anderen hun bevindingen te kunnen tonen, moesten zij hun ontledingen steeds herhalen. Dat was niet efficiënt en ook onaangenaam, omdat er moest worden gewerkt temidden van bloed en de stank van verrotting. Bovendien bestond er een voortdurend gebrek aan materiaal. Maar het voornaamste probleem was dat de ontleder moest opschieten om de ontbinding voor te blijven. Die haast kon leiden tot fouten en misverstanden, zowel bij de ontleding als bij de weergave van de bevindingen. Tijdens de ontleding moest er snel een tekening worden gemaakt. Wanneer de anatomicus zijn bevindingen wilde publiceren kon die tekening vervolgens worden uitgewerkt, gegraveerd en gepubliceerd. Zo brachten anatomici elkaar op de hoogte van hun ontdekkingen. Maar door de snelheid waarmee ze moesten worden gemaakt waren afbeeldingen lang niet altijd duidelijk. Bovendien kon ermee gemanipuleerd zijn en konden ze op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Als ontlede lichaamsdelen konden worden bewaard, konden afbeeldingen nauwkeuriger worden en zouden ze bovendien kunnen worden gecontroleerd.

Behalve de vergankelijkheid kende een dood lichaam nog een fundamenteel probleem en dat was dat de toestand daarvan anders was dan die van een levend lichaam. Met dat probleem kampte vooral iemand als Ruysch, die subtiele vaatjes probeerde te onderzoeken. Na de dood liepen vaten leeg en vaak werden ze daardoor onzichtbaar. Het viel ook niet te voorkomen dat er bij een ontleding vaatjes werden doorgesneden. Om het probleem te omzeilen nam men in sommige gevallen zijn toevlucht tot vivisectie op dieren. Daarvoor bestond materiaal te over, maar niet iedere ontleder kon het leed dat bij de proefdieren werd aangericht even goed verdragen. Bovendien was er een limiet aan de tijdspanne waarin een proefdier in leven kon worden gehouden en moest er bij vivisectie dus ook zeer behendig en snel worden gewerkt. Daar kwam nog bij dat dieren niet in alle opzichten vergelijkbaar waren met mensen. Er bestond dus dringend behoefte aan een methode om ontbinding tegen te gaan, om lichaamsdelen te kunnen bewaren, en bovendien aan een manier om onzichtbare onderdelen, met name

[p. 45]



illustratie

Jan van Horne (1621-1670) studeerde in Leiden en Utrecht, promoveerde in 1642 in Padua en verbleef in het buitenland tot 1650 (vooral in Basel en Montpellier). Hij stierf tijdens een pestepidemie in Leiden (Iconografisch Bureau).


[p. 46]

vaatjes, zichtbaar te maken. Daarom werd op allerlei manieren geëxperimenteerd om methoden te vinden die dat zouden bewerkstelligen. In dat kader had de balsemmethode van De Bils de interesse van de medici gewekt.

Jan van Horne deed zelf ook erg zijn best om een manier te vinden om lichaamsdelen te prepareren. Hij genoot een zekere reputatie als ontleder, maar in het conserveren was hij nog niet erg ver gekomen. Ruysch deed er naderhand een beetje schamper over. Volgens hem was Van Horne nooit verder gekomen dan het prepareren van een menselijke arm, waarvan hij de spieren had losgemaakt. Om die te bewaren had hij zout gebruikt. Volgens Ruysch was het preparaat ‘bij droog weer droog, en bij nat weer droop het van de pekel’.37

De Bils had een betere methode gevonden en ook Ruysch was druk in de weer om een betere techniek te ontwikkelen. Beiden hielden geheim dat ze daarbij gebruik maakten van vloeistoffen op basis van alcohol, gemengd met kruiden. Ruysch zocht nog naar de ideale samenstelling van de vloeistof en de beste toepassing. Daarbij kon hij zijn voordeel doen met de laboratoriumervaring die hij als apotheker had opgedaan. Het ging erom een vloeistof te vinden waarin organen konden worden geconserveerd zonder dat hun vorm werd aangetast. Hoewel hij zijn methode nog niet helemaal bevredigend vond, was hij wel op het goede spoor, meende Ruysch. Bij een lijkje van een foetus dat hij veertig jaar eerder had gebalsemd merkte hij in 1704 op ‘dat deze manier van balzemen voor veertig jaaren uijtgevonden is, want voor die tijd was mij niemand bekend die deze methode gebruijkte’.

Ruysch was veel handiger dan Van Horne en hij wist zeker dat Van Horne vreselijk jaloers op hem was. Van Horne sprak het natuurlijk niet uit, maar Ruysch was ervan overtuigd dat Van Horne hem haatte, elke keer als hij weer met een preparaat bij hem kwam.38

In de klassieke oudheid was al geprobeerd lijken te bewaren in een conserverende vloeistof, ter vervanging van de weefselvloeistof, maar echt succesvol was die methode nooit geworden, totdat men het probeerde met alcohol. Het gebruik van alcohol bij het balsemen was al in 1582 beschreven door de beroemde Franse heelmeester Ambroise Paré, van wiens verzameld werk halverwege de zeventiende eeuw een Nederlandse editie verscheen. Daarin viel te lezen dat men een lichaam, nadat men het had ontdaan van ingewanden, hersens en bloed, moest leggen in een houten vat vol wijnazijn, waarin zout en allerlei kruiden waren gestrooid. Vervolgens moest men daarin nog een liter of tien brandewijn gieten en in dat mengsel moest men het lichaam twintig dagen laten weken. Daarna diende het op een koele en droge plaats te worden bewaard, in een loden kist. Waarom conservering op die manier mogelijk was, kon Paré alleen verklaren in aristotelische termen. De dagelijkse ervaring leerde dat in azijn kruiden en vruchten konden worden bewaard, aldus Paré, en volgens hem kwam dat omdat azijn koud en droog was, en kou en droogte hielpen tegen verrotting. Paré beweerde dat hij een

[p. 47]

lichaam 25 jaar had weten te bewaren. Het is zeer waarschijnlijk dat De Bils en Ruysch hadden geëxperimenteerd met de methode van Paré, die nog had verteld dat de nagels van het lichaam dat hij had geconserveerd waren blijven groeien. Hij had ze verscheidene malen moeten knippen, beweerde hij.39

Het geheim van De Bils was dat hij lijken maandenlang liet marineren in een alcoholisch bad waaraan kruiden waren toegevoegd. Dat was de reden dat hij zoveel geld nodig had. Hij liet een lijk, waarvan hij het schedeldak had afgezaagd en de buik- en borstholte had geopend, enkele maanden in een tinnen kist liggen, in een mengsel van brandewijn en wijnazijn, waaraan run, aluin, peper en zout waren toegevoegd. Een lijk vereiste 250 liter wijnazijn, vijfhonderd liter brandewijn, een zak fijn zout, vijftig pond peper, vijftig pond aluin en zestig pond run. Het geheel moest snel worden omgeroerd, ‘opdat de kracht niet te veel en vervlighe’, meende De Bils. Nadat het lijk drie maanden in de zoute substantie had gelegen, moest het nog een tijd weken in dezelfde substantie, maar dan zonder zout, ‘om het soudt wederom uut te haelen, om het lichaem tot opdroginghe te bringhen’. De Bils voegde dan ook nog twintig pond aloë en twintig pond mirre toe, kruiden waaraan een conserverende werking werd toegeschreven. Van tijd tot tijd moest de substantie worden omgeroerd en vervangen, zodat hij over twee kisten moest beschikken. Het kadaver werd uiteindelijk gedroogd, met een balsemmengsel bestreken en bewaard in een luchtdicht afgesloten kist. Als het lijk moest worden ontleed, hield hij het vochtig.

Terwijl De Bils en Ruysch hun methode angstvallig geheim hielden, werd in Engeland het gebruik van alcohol ter conservering openlijk gesuggereerd. Toen in 1660 bleek dat de arts Edward Warner erin was geslaagd twee foetussen in een vloeistof te conserveren, vertelde hij niet hoe die vloeistof was samengesteld. Maar Robert Boyle, die in 1659 kennis had genomen van de plannen van De Bils, noemde in 1663 in Of The Usefulnesse of Naturall Philosophy wijngeest (alcohol verkregen uit de distillatie van wijn) als een stof die geschikt zou kunnen zijn voor conservering. Boyle was zelf geen anatomicus, maar hij meende dat hij als natuurkundige een aantal nuttige bijdragen zou kunnen leveren aan de studie van de anatomie. Hij kwam onder meer met de suggestie ‘that diligent tryal were made what use might be made of spirit of wine for the preservation of a humane body’. Spirit of wine, wijngeest, was een heldere vloeistof, die het te bewaren lichaamsdeel niet aantastte, zoals zout water. Boyle zei dat hij er zachte lichaamsdelen soms maanden in had bewaard, zonder dat de consistentie of de vorm verloren was gegaan. De organen waren ook niet verrot of opgedroogd. Conservering in wijngeest was besproken in een vergadering van de Royal Society en Boyle hoopte ‘that in time some such way of preserving the bodies of men, and other animals, will be found out, as may very much facilitate, and advance too, anatomicall knowledg’.40

Voor de toepassing bestonden wel enkele obstakels. Ten eerste verdampte alcohol snel. Conservatie diende dus zo te geschieden dat de alcohol niet kon ver-

[p. 48]

dampen. Ten tweede was alcohol kostbaar, zeker als hij werd gebruikt op de manier van Paré of De Bils. Bovendien moest nog worden uitgezocht in welke samenstelling de gedistilleerde vloeistof het best kon worden gebruikt.

Een van de eersten die met succes gebruik maakte van alcohol was een medestudent van Frederik Ruysch, de Amsterdammer Jan Swammerdam, die in de eerste plaats naar methoden zocht om insecten te conserveren. Swammerdam, ongeveer even oud als Frederik Ruysch, was een zoon van een apotheker die in Amsterdam op de Oude Schans woonde en daar een vermaarde verzameling had aangelegd, met honderden schelpen en andere naturalia, en tevens allerlei andere zeldzame en verbazende zaken, zoals ‘een Turksch geschreven almanak’, ‘de handt van een Meremin’, een enorme eenhoorn (wel zes voet en drie duim lang) en niet te vergeten ‘een gemaakte muijs met kopere raderen en ijsere veeren, soodat hij van selfs loopen kan’. Zijn vader had hem predikant willen laten worden, maar de jonge Jan Swammerdam prefereerde het bestuderen van de natuur. Zijn interesse was gewekt toen hij als jongen zijn vaders collectie moest schoonhouden, waarna hij al spoedig zelf was gaan verzamelen. Hij had zich toegelegd op het verzamelen van insecten. Hij trok daarvoor door het land, rangschikte zijn vondsten en sloeg er de belangrijkste auteurs op na. Op den duur mocht hij medicijnen gaan studeren, de studie die het meest verwant was aan het natuuronderzoek. Net als Ruysch en Stensen studeerde hij bij DeleBoë en Van Horne. Hoewel insecten zijn eerste liefde bleven, raakte hij volop betrokken bij de anatomische onderzoekingen in Leiden. Niels Stensen noemde hem in een brief van maart 1663 aan Thomas Bartholin een zeer intelligente jongeman die zich intensief met anatomische studie bezighield. Om een aantal van zijn theorieën te bewijzen had DeleBoë hem gestimuleerd om onderzoek te doen naar de werking van de spieren en de ademhaling, en Swammerdam experimenteerde daarbij op kikkers en honden. Van tijd tot tijd liet hij die experimenten aan DeleBoë zien. Daarnaast hield hij zich bezig met het zoeken naar middelen om efficiënter en nauwkeuriger te kunnen ontleden. Hij bewaarde insecten in wijngeest en experimenteerde met terpentijnolie, op zoek naar de meest geschikte conserveringsmethode.

Voor Frederik Ruysch was conservering nog niet voldoende. Het gebruik van alcohol maakte het wel mogelijk lichaamsdelen te bewaren, maar Ruysch, die er nog niet in was geslaagd de kleppen in de lymfevaten aan te tonen, had tevens behoefte aan een methode die zichtbaar kon maken wat in een lijk onzichtbaar was geworden.

Er werd vanouds ontleed met verscheidene soorten mesjes, scharen en haakjes, en met brandijzers om het bloeden te stelpen. Ruysch probeerde iets anders. Hij trachtte preparaten houdbaar te maken door het bloed uit de vaten te spoelen en ze daarna te vullen met lucht. Dat was tevens een manier om vaatjes zichtbaar te maken: door er lucht in te blazen zwollen ze op en dan kon je ze duidelijk zien. De methode was wel bewerkelijk. Het was niet alleen niet zo simpel om een pijpje in een vat te steken: om een vaatsysteem te tonen of te conserveren moesten bovendien honderden vaten zorgvuldig worden afgebonden.

[p. 49]

1.13 Arts in Den Haag

Terwijl de experimenten gaande waren, in de zomer van 1664, achtte Frederik Ruysch, inmiddels zesentwintig, het tijd om de doctorstitel te gaan halen. Het was niet veel meer dan een formaliteit. Hij promoveerde niet op zijn anatomische onderzoekingen, maar op een conventioneel onderwerp, de borstvliesontsteking. Ruysch werd door de professoren over het onderwerp ondervraagd en moest vervolgens zijn these in het openbaar verdedigen, onder leiding van een van de professoren, de promotor, in dit geval Van Horne. De opponenten waren doorgaans vrienden van de promovendus, die zelden verrast werd door hun vragen. Ruysch toonde voldoende te weten over de borstvliesontsteking en verkreeg aldus de titel. Hij droeg zijn dissertatie op aan zijn schoonvader Pieter Post, zijn broer Hendrik Ruysch en de Haarlemse arts Jacob van Santen, een studiegenoot, met wie hij dat jaar nog het lijk van een meisje had geopend, waarin ze tot hun verbazing aan beide zijden in plaats van twaalf, dertien ribben hadden gevonden.41

Na zijn promotie bleef Ruysch zijn apotheek houden. In augustus 1665 meldde hij nog een nieuwe knecht aan bij het gilde.42 Maar zijn status was dus verhoogd tot doctor medicinae. In die hoedanigheid werd hij geconfronteerd met de pest, die juist in de zomer na zijn promotie de kop opstak, maar het is de vraag in hoeverre hij zich daar daadwerkelijk mee bezighield. Toen de gevreesde ziekte zich in het najaar van 1663 had voorgedaan in het gezin van een herbergierster op de Dennenweg had niemand de herberg durven betreden om haar te helpen. De notaris die haar testament kwam optekenen had vanwege het gevaar van besmetting ‘daer ietwes voor ingedroncken’, maar hij was desalniettemin niet naar binnen gegaan. Ook de doctoren hadden verstek laten gaan. Een ziekentrooster was de enige die zich in de herberg had gewaagd om de pestkolen uit te snijden en geneesmiddelen toe te dienen.43

Het was de bedoeling dat dergelijke gevallen werden behandeld door speciaal voor die taak aangestelde artsen, maar die waren door de grote risico's waaraan ze werden blootgesteld zo duur, dat de stad de benoeming van een pestdokter en een pestchirurgijn steeds had uitgesteld. Ook dit keer werd besloten ermee te wachten, omdat het pestseizoen, de zomer, al voorbij was.44 Pas de volgende zomer werd een pestdokter benoemd, die gedurende epidemieën achthonderd gulden per jaar zou krijgen en voor de rest van zijn leven jaarlijks vierhonderd gulden.45 Het volgende jaar bleek de pest nog steeds niet te zijn uitgewoed en er werd veel gedebatteerd over de bestrijdingswijze. Het waren verwarrende tijden. In het voorjaar had Engeland de Nederlandse republiek de oorlog verklaard, en in sommige kringen werden oorlog en pest gezien als straffen van hogerhand, des te meer toen er ook nog een komeet verscheen. Anderen hadden een nuchtere kijk op de zaak en stelden voor om barakken voor de zieken op te stellen. Volgens de Amsterdamse regent Coenraad van Beuningen, die regelmatig naar Den Haag werd afgevaardigd, zou dat de beste manier zijn om de zieken te scheiden van de gezonden, wat hem een ‘souverain remedie’ scheen te zijn.46 Een geheel eigen

[p. 50]

mening debiteerde de medicus Johann Friedrich Sweitzer, bekend als Helvetius, in een werkje getiteld Den ontwapenden pestdoodt in den theriakelpot. Ook hij meende dat de pest een straf van God kon zijn, maar de ziekte kon volgens hem tevens een natuurlijke oorzaak hebben. Besmetting kon bijvoorbeeld worden veroorzaakt door de zwavelachtige damp die opsteeg uit ‘omgeroerde vuile stinkende slooten, daer veel vuijligheijt van verrotte honden, katten en diergelijcken grooten stanck maeckende dingen meer in geworpen worden’. Helvetius, een dwerg, afkomstig uit Anhalt, was een alchemist die in Den Haag veel opgang maakte met speciale pilletjes, poedertjes en zalfjes, en daarmee bijvoorbeeld Jacob Cats wist te genezen. Zelfs de pest meende hij aan te kunnen, onder meer met magneten. En hij kon nog meer. Hij had veel succes met een boekje getiteld Vitellus aureus, dat werd vertaald als Gouden kalf, waarin aangetoond wordt hoe door middel van den philosophischen steen het lood in goud is veranderd. Helvetius beweerde dat uit koper en lood goud en zilver konden worden gemaakt en het gerucht ging dat hij werkelijk lood in goud had veranderd. De mogelijkheden van de chemie waren nog volstrekt onafgebakend en het was niet eenvoudig het geloofwaardige te scheiden van oplichterij en fantasie. Op verzoek van een derde informeerde bijvoorbeeld Spinoza naar de toedracht van het verhaal. Lodewijk Huygens schreef het aan zijn broer Christiaan, die in Parijs verbleef. Die geloofde er niets van, ‘parce que je cognois ce petit docteur et scay qu'il n'est pas autheur fort authentique’.47

Ruysch, als apotheker ook geïnteresseerd in chemie, onderhield goede relaties met Helvetius, maar de ‘zweetdokter’ bleef omstreden. Er werd verteld dat een van zijn patiënten na inname van een van zijn poedertjes naar de hemel was vertrokken. Toen hij dat hoorde, zou hij hebben gezegd: ‘das sackermentsche pulver hat schoon sechs menschen hinwech gerissen. Hole mich der Teuffel wen ichs wider gebrauche’.48 Hij werd regelmatig uitgescholden en uitgelachen. Zijn postuur bood natuurlijk eindeloze mogelijkheden voor grappen. In zijn winterkleren, van top tot teen gehuld in bont, werd hij beschreven als ‘een opgemaakte baviaan, niet groter als een Britse haan’. ‘De jongens riepen hem laatst na, waar wil die fulpe mantel met die kerel heen?’, vertelde een milde criticus. Maar er verschenen ook pamfletten waarin hij werd uitgemaakt voor kwakzalver, zwetser en ‘gesworen vijand van alle reden en verstand’.49

Waar de medici in Den Haag zich in deze jaren verder mee bezig hielden, blijkt uit de observaties die Cornelis Stalpart van der Wiel naderhand publiceerde. Voor een deel waren dat anatomische observaties. In juni 1665 bijvoorbeeld pleegde Stalpart sectie op het lichaam van een overleden kleuter en bevond ‘dat de lever en milt sig geheel vast aan 't middelschot en maag gehegt hadden’. De long aan de rechterzijde was aan het ‘ribbevlies’ vastgegroeid en die long was ‘vol kleijne geswellen, die alle met witten etter vervult waren’. Om zulke gevallen te begrijpen sloeg hij er de gepubliceerde observaties van gezaghebbende artsen op na en sprak hij erover met collega's. Daarnaast behandelde hij bijzondere ziektegevallen, waarbij hij niet naliet zijn publiek te tracteren op sterke verhalen. In het

[p. 51]

najaar van 1665 hield hij hen bijvoorbeeld op de hoogte van de lotgevallen van een oude man in het ziekenhuis te Scheveningen, bij wie hij koudvuur aan penis en anus had geconstateerd. De penis was al gedeeltelijk verstorven. Na overleg met de chirurgijn die hem vergezelde besloot hij tot gedeeltelijke amputatie, maar ze konden niet voorkomen dat het lid uiteindelijk helemaal wegrotte. Niet zonder bewondering verhaalde Stalpart hoe handig de man zich vervolgens wist te behelpen met een ossenhoorn die aan de onderzijde een opening had.50

Frederik Ruysch zette het onderzoek voort waarmee hij tijdens zijn studie bezig was geweest. Hij richtte zich vooral op de structuur van lever en milt. De manier waarop die structuur bij Van Horne werd onderzocht vond hij inmiddels nogal onbevredigend. Men meende dat de vaten in organen eindigden in het parenchyma, het ‘vlees’, de substantie waaruit de organen waren opgebouwd. Om de vaten te onderzoeken werden de levers ‘ontvleesd’, dat wil zeggen dat al het weefsel rondom de vaten werd weggekrabd, met de nagels van de vingers, of met een stomp mesje of iets dergelijks.51 De uiteinden van de aldus blootgelegde vaten werden vervolgens op een plankje vastgespeld. Nadat ze waren gedroogd konden ze worden getekend.

Ruysch was gaan experimenteren met andere methoden. Wanneer hij een lever of milt wilde onderzoeken probeerde hij die eerst voorzichtig uit te persen in water, waardoor, vertelde hij, ‘mij seer dikwils de vingeren door 't koude water verdooft wierden’. Maar daardoor liet hij zich niet weerhouden: hij spoelde het bloed uit de vaten, blies ze vol lucht en liet ze in de zon en de wind drogen. Hij had dat voor het eerst gedaan met de milt van een kalf. Op die manier was hij erin geslaagd het vlies dat de milt omgaf ongeschonden te houden. Na het drogen had hij met een scherp mesje het vlies weggehaald en zo had hij de vezels in de milt in hun natuurlijke staat kunnen zien. Ruysch prepareerde op die manier een aantal kalvermilten en liet die zien aan Van Horne, die zo enthousiast was dat hij ze onmiddellijk aan zijn studenten wilde tonen. Hij verzekerde Ruysch dat nog niemand erin was geslaagd dergelijke preparaten te maken. Vervolgens toonde hij de preparaten tijdens een openbare demonstratie, waarbij ze veel bewondering oogstten.52

Ook DeleBoë bewonderde de anatomische experimenten van Ruysch. Toen hij de vezels in een van de geprepareerde kalfsmilten had gezien, was hij er zo van overtuigd dat ze zich ook in de milt van een mens zouden bevinden dat hij erover publiceerde zonder dat na te gaan.53

Het was moeizaam werk. Maar Ruysch zat daar niet mee. Hij was een gepassioneerde ontleder. Hij vertelde dat hij meer dan honderd levers had ‘ontvleesd’. Hij kreeg naar zijn zin veel te weinig gelegenheid om menselijke lijken te openen en daarom behielp hij zich maar met dieren. ‘In mijn jeugdt heb ik gestadig mijn tijdt besteedt in 't oeffenen van de ontleding der beesten; ik ontleedde toen dikmaals paarden, veeltijdts ook lichamen van ossen, alleenlijk om wat te onderzoeken’, vertelde hij later. Hij kon zich zeer verheugen als hij iets bijzonders had

[p. 52]



illustratie

Reinier de Graaf (1641-1673) was een studiegenoot van Frederik Ruysch, die hem een ‘zeer scherpzinnige ontleder’ noemde en ‘mijne ongeveijnsde vrient’. In 1665 vertrok hij voor een studiereis naar Frankrijk. Hij promoveerde in Angers in 1665. Daarna vestigde hij zich als arts in Delft. Hij ontwierp een klisteerspuit, een grotere variant van het spuitje dat hij had ontworpen om vaten op te vullen, en werd beroemd door zijn beschrijving van de geslachtsorganen. In 1672 leidde de publicatie van De mulierum organis tot een controverse met Swammerdam, die vond dat De Graaf pronkte met zijn veren. Kort daarop stierf hij. Gravure door Gerard Edelinck, 1666 (Iconografisch Bureau).


[p. 53]

gevonden. Op een dag, toen hij de borstklier van een os had onderzocht, verbeeldde hij zich daarin een bijzondere buis te hebben ontdekt, waardoor het vocht uit de klier werd afgevoerd. Hij herinnerde zich die dag later nog heel goed. Hij had vaten opgeblazen en toen was er een dunne doorschijnende tak tevoorschijn gekomen, waarvan hij dacht dat het een uitwerpende buis moest zijn. Nog niemand had een dergelijke buis opgemerkt. Hij was ervan overtuigd dat hij een originele bijdrage aan de anatomie had geleverd. ‘Ik beelde mij in gelukkiger dan den koning van Persien te zijn! Aanstonts heb ik dit aan den schilder overgegeven, om daar een afbeelding van te maken (nadien ik toen ter tijdt zelfs niet bequaam genoeg schilderen konde), die de zaak zeer wel in een figuur uijtgedrukt heeft’, aldus Ruysch. Toch was hij niet zeker van zijn zaak. ‘Naderhant, als ik deze zaak wat naauwkeuriger overwogen hadde, hebbe ik zulks aan de geleerde waerelt niet willen mededelen’.54

Een ontdekking die hij wel claimde was de longpijpslagader, de arteria bronchialis, die slagaderlijk bloed van de grote slagader naar de longen voerde. Hij had die gevonden in een kalf. Hij sneed in koeien en kalveren, paarden, schapen en honden, en ook wel eens in een muis. Dat was niet altijd bij gebrek aan beter. Bij het onderzoek naar de milt bijvoorbeeld, was het makkelijker om een koeienmilt te gebruiken. Een mensenmilt was lastiger te prepareren. Soms keek hij in dierenlijken om een duidelijker beeld van een lichaamsdeel te krijgen. ‘Op dat mij de allerkleenste deeltjes wat grooter voor mijn oogen zouden komen, soo hebbe ik geen paarden, noch koeijen gespaard’, verklaarde hij.55

Van tijd tot tijd werkte hij samen met anderen, bijvoorbeeld met Jacob van Santen en met Reinier de Graaf, die hij als een boezemvriend beschouwde. Reinier de Graaf was enige tijd na Ruysch als student in Leiden gearriveerd. Hij was van rooms-katholieken huize en hij had eerst in Leuven en Utrecht gestudeerd. In het voorjaar van 1663 was hij - met zijn oudere broer, die rechten studeerde - naar Leiden gekomen om zijn studie te voltooien. Door DeleBoë was hij gestimuleerd tot een experiment op een hond, om diens theorie over gisting te staven, en als uitvloeisel daarvan maakte hij een studie van het pancreas, de alvleesklier. Hij had spoedig aansluiting gevonden bij Stensen, Swammerdam en Ruysch, en met hen verdiepte hij zich in de problematiek van het prepareren. Reinier de Graaf had grote bewondering voor de vaardigheid van Ruysch. Hij vroeg Ruysch wel eens om iets voor hem te prepareren. ‘Daartoe zijt gij dog onder een gelukkig gesternte geboren’, had hij gezegd.56

Meestal werkte Frederik Ruysch alleen, met name in zijn zoektocht naar een methode om subtiele vaatjes zichtbaar te maken. Het conserveren had hij inmiddels onder de knie, en sinds 1663 verzamelde hij zijn beste preparaten. Hij bewaarde bijvoorbeeld het gebalsemde hart van een schaap, en een menselijke arm. Hij balsemde ook een foetus waarvan hij de spieren had losgemaakt. Zoals meer ontleders had Ruysch een speciale belangstelling voor een van de grote onopgeloste vraagstukken uit zijn tijd, het mysterie van de voortplanting en de embryo-

[p. 54]

nale groei. Hij slaagde erin om op dat terrein onderzoeksmateriaal te conserveren. Daaronder was een zeer klein embryo, dat hij had gekregen van zijn collega Helvetius, ‘een mensche schepzeltje, zoo groot als een rogge-koorn, met deszelfs aangevoegde moerkoekjes en navelstreng’.57

Hoewel hij de ideale balsemtechniek nog niet had gevonden, was hij hard op weg om De Bils op dat gebied te overtreffen. Maar hij wilde zijn rivaal eerst verbijsteren door hem de kleppen in de lymfevaten te laten zien.

1.14 Confrontatie

De Bils had intussen het een en ander meegemaakt. In 1662 had hij met zijn geprepareerde lijken niemand minder dan de plaatsvervanger van de Spaanse koning in de (onder Spaans gezag gebleven) Zuidelijke Nederlanden weten te imponeren. Op diens initiatief waren er onderhandelingen geopend over de aankoop van door De Bils gebalsemde lijken voor de universiteit van Leuven. Namens de universiteit waren de lijken geïnspecteerd door de hoogleraar Gerard van Gutschoven en op grond van diens waarderende oordeel hadden de Staten van Brabant voor de universiteit van Leuven vijf lijken gekocht, voor 22.000 gulden. Brabant had bij de transactie tevens het geheim van de preparatiemethode verworven. De Bils (een orthodoxe protestant) zou in Leuven een aanstelling krijgen, met een riant salaris van tweeduizend gulden per jaar, maar zover was het nimmer gekomen, omdat hij bij de rooms-katholieke universiteit inmiddels persona non grata was geworden.

De Bils was in de zomer van 1663 gevraagd om in Den Bosch het lijk te onderzoeken van een non, die reeds in 1658 was gestorven. Het ging om de edelvrouwe Maria Margaretha van Valckenisse, mater van een klooster in Oirschot. Tijdens haar leven had zij al opzien gebaard met stigmata en visioenen, maar daarbij was het niet gebleven. Na haar dood bleek haar lijk niet te vergaan. Het was niet alleen onvergankelijk gebleken, maar zelfs welriekend. Een chirurgijn had bekend gemaakt dat hij zieken kon genezen door hen aan te raken met de instrumenten waarmee hij de non op haar sterfbed had behandeld. Op een ogenblik was het lijk olie gaan afscheiden, die geneeskrachtig zou zijn en daarom werd opgevangen in flesjes. Het aanvankelijk begraven lichaam was weer opgegraven en werd bewaard in haar klooster, dat een bedevaartsoord was geworden.

De Brabantse bevolking was overwegend rooms-katholiek, maar sinds het noordelijk deel van Brabant op de Spanjaarden was veroverd was het bestuur daar protestants, en de cultus in Oirschot was de protestanten een doorn in het oog, want zij verwierpen het geloof in heiligen, relikwieën en wonderen. Dat een deel van de bevolking de rooms-katholieke kerk trouw wilde blijven werd wel geaccepteerd, maar dergelijke hocus-pocus werd opgevat als een provocatie. Na vijf jaar greep het protestantse bestuur in. De Staten-generaal lieten het klooster

[p. 55]

omsingelen en beslag leggen op het onder een bed verborgen lijk. Het werd naar het stadhuis van Den Bosch overgebracht. De Bils kreeg de opdracht het te onderzoeken, in aanwezigheid van dertien artsen: dokters en chirurgijns, zowel roomskatholiek als protestant. Kort na haar dood had een drietal Leuvense professoren het lijk van de non al eens onderzocht. Zij waren tot de conclusie gekomen dat er bovennatuurlijke krachten in het spel moesten zijn, maar de overheid wilde gaarne de mening van een onafhankelijke expert horen.

Bij de autopsie in het stadhuis van Den Bosch moest De Bils vaststellen dat de conservatie van het lichaam van de Oirschotse non niet aan bovennatuurlijke oorzaken viel te wijten, zoals de Leuvense professoren - zijn beoogde collega's - hadden beweerd. Hij constateerde in de eerste plaats dat het lijk aan het rotten was. Het stonk en er kropen vliegjes uit. De huid vertoonde overal zwarte plekken. Alle ingewanden bleken uit het lichaam te zijn gehaald en er was een donker poeder in gestrooid. De Bils concludeerde ‘dat het lichaem door practijcke van menschen tot nu toe ten deele van de volcome verrotting bewaert is’. De geneeskrachtige olie die uit het lijk stroomde was ‘anders niet als merg van de beenderen’, vermengd met vet en vochtigheid. De overheid wist voldoende en liet het lijk in de Sint Janskathedraal in Den Bosch begraven.

De Bils had voor de keuze gestaan om zijn naam als expert te grabbel te gooien en in Holland te worden uitgelachen, of zijn carrière in Leuven in de waagschaal te stellen. Kennelijk had hij geen diplomatieke oplossing kunnen of willen bedenken, en de gevolgen waren ernaar. In Leuven wilde men hem niet meer hebben. Weliswaar had hij een contract, maar hij werd zodanig geïntimideerd dat hij zich niet meer in Leuven durfde te vertonen. Zijn gebalsemde lijken werden daar met opzet verwaarloosd en begonnen spoedig te vergaan. Teleurgesteld vestigde De Bils zich in Den Haag.

Daar wachtte hem een nieuwe slag. Hij trof er zijn rivaal Frederik Ruysch, die naarstig op zoek bleek te zijn naar een manier om de kleppen, of ‘klapvliezen’, in de lymfevaten aan te tonen, waarmee bewezen zou zijn dat zijn theorie omtrent de werking van het lymfevaatstelsel niet klopte. Toen ze samen discussieerden over zijn theorie gaf De Bils Ruysch te kennen dat hij vergeefse arbeid verrichtte. Overtuigd van zijn eigen superioriteit verklaarde hij dat degene die zulke klapvliezen zou kunnen tonen de enige was die de natuur werkelijk kende. Als hij ze getoond zou krijgen, zou hij al zijn beweringen herroepen. Hij was er zeker van dat Ruysch de kleppen nooit zou kunnen laten zien. Als Ruysch daarin zou slagen zou hij hem als zijn meerdere in de ontleedkunst erkennen.

Het was duidelijk wat er op het spel stond, en de provocatie prikkelde Ruysch voldoende om door te zetten tot hij zijn doel had bereikt. Aanvankelijk leek het onbegonnen werk. Het was al moeilijk om de lymfevaten te zien, laat staan de kleppen. Omdat de vaatjes onzichtbaar waren, tenzij ze waren gevuld met het vocht uit verteerd voedsel, was Ruysch voortdurend in de weer met het wurgen van honden. Hij ontdekte dat hij, als hij de vaatjes wilde zien, een proefdier een

[p. 56]

uur of drie nadat het had gegeten moest wurgen en dan de buik openen. Maar door de donkere kleur van de chylus was het onmogelijk de kleppen te onderscheiden. Om ze te kunnen tonen zou het nodig zijn de vaten op te blazen, concludeerde hij. Maar dat was niet mogelijk, want ze waren zo fijn dat er geen blaaspijpje in viel aan te brengen.

Na vele vergeefse pogingen lukte hem dat uiteindelijk toch, doordat hij de beschikking kreeg over zeer subtiele pijpjes, die de jonge Leidse instrumentmaker Samuel van Musschenbroek voor hem had gemaakt. Het waren ‘pijpjes van een ongelooflijke fijnheit’, vond Ruysch, die Van Musschenbroek een ‘weergaloze konstenaar’ noemde.58

Om de lymfevaten te prepareren volgde Ruysch een zelfde procédé als eerder bij het prepareren van lever en milt. Eerst bond hij in de buurt van de klieren van het mesenterium een melkvaatje vol chylus af, zodat dat niet zou leeglopen en uit het zicht verdwijnen. Daarna bracht hij er aan de kant van het darmvlies een blaaspijpje in. Vervolgens maakte hij de band waarmee hij het vaatje had afgebonden los en drukte hij met een vinger de chylus weg. Daarna bond hij het vaatje opnieuw af en blies hij het op. Nadat hij het aan beide zijden had weten af te binden zonder de lucht te laten ontsnappen, sneed hij het lymfevat nauwkeurig uit en hing hij het te drogen in de zon. Toen beleefde hij het triomfantelijke moment: hij zag de kleppen, in grote aantallen, als een soort halve maantjes aan de zijden van de vaten gehecht. Op zijn oude dag werd hij nog vrolijk bij de herinnering aan dat moment.

Als bewijsmateriaal prepareerde hij enkele lymfevaten, met wel tweeduizend kleppen, en bewaarde die, voor de confrontatie met De Bils.

Eerst liet hij ze zien aan DeleBoë en Van Horne, die hem aanspoorden ze onmiddellijk aan De Bils te tonen. Maar Ruysch wachtte op een goede gelegenheid. Kennelijk had De Bils een gerucht gehoord, want hij kwam enkele dagen later bij Ruysch in de winkel en zei: ‘eenige swetzen wel dat zij klapvliesen in de watervaten hebben gezien, echter is het in niemants vermogen deselve te vertoonen’. Ruysch reageerde daar niet op, want hij kende De Bils en wilde hem de kleppen alleen tonen in aanwezigheid van getuigen. Niet lang daarna kwam De Bils weer, en ditmaal waren er anderen bij: drie artsen, onder wie Helvetius. Er werd gediscussieerd. De Bils verklaarde dat de klassieke theorie dat zaad uit bloed voortkwam niet klopte, want het bloed werd wel door de zaadslagaders naar de ballen gevoerd, maar vervolgens door nabij gelegen aderen weer richting hart getransporteerd. De Bils beweerde dat het zaad voortkwam uit het vocht dat door de lymfevaten naar de ballen werd vervoerd. Op dat moment zag Ruysch zijn kans. Hij zei dat die weg ondoorgankelijk was. ‘Wat staat er tegen?’, vroeg De Bils. ‘De klapvliezen’, antwoordde Ruysch. De Bils informeerde weer of Ruysch die soms had gezien. Dat was het moment waarop Ruysch had gewacht. Hij zei dat hij ze niet alleen had gezien, maar dat hij ze ook kon tonen. ‘Laat ze dan zien’, zei De Bils. Ruysch weigerde in eerste instantie, om te proberen De Bils nog wat uit zijn

[p. 57]

tent te lokken. Hij zei dat De Bils hem dan moest laten zien dat ‘de stof der pis’ van de lende onmiddellijk naar de bijnieren werd gevoerd. De Bils had vaak beweerd dat hij dat kon laten zien, maar hij was daar nu niet toe in staat, zei hij, omdat hij nog was gebonden aan zijn contract met de universiteit van Leuven, waarin was bepaald dat hij alleen in Leuven zijn kunsten mocht vertonen. Tenslotte was het moment dan toch daar: Ruysch liet De Bils en de anderen een geprepareerd vat met de kleppen zien. De Bils zei niets. De anderen bevestigden dat ze de kleppen zagen, maar De Bils probeerde wat tijd te winnen. Hij vroeg of Ruysch het vat wilde opensnijden, omdat hij de kleppen nog niet goed kon zien. Dat deed Ruysch. Hoewel er geen ontkomen aan was, weigerde De Bils te erkennen dat hij de kleppen zag. Na jaren van agressieve ontkenning was hem dat te veel. Maar ontkennen was in het bijzijn van de anderen ook moeilijk. Het enige dat hij nog kon ontkennen was de implicatie van het bestaan van de kleppen. Met het aantonen van de kleppen was het eigenlijke probleem nog niet opgelost, dus wat stelde deze demonstratie nu helemaal voor? Als Ruysch hem nu de precieze loop van de lymfe door het lichaam kon uitleggen, barstte hij plotseling uit, dan zou hij pas echt achting hebben voor diens vernuft. Ruysch antwoordde dat het daar nu niet om ging. Hij had alleen aangetoond dat er in lymfevaten kleppen zaten, terwijl De Bils dat altijd had ontkend. De Bils kon niet verkroppen dat zijn superioriteit als ontleder werd aangetast en begon zijn stem te verheffen: dacht Ruysch soms dat hij niet wist wat er in de lymfevaten zat? Hij, De Bils, ‘voor wien ook niet het kleijnste deelken in het geheele lichaam, veel minder de klapvliesen in de watervaten, verborgen zijn: ja, schoon ik toesta dat ik gezegt heb dat er in de watervaten geen klapvliesen zijn, daaruijt is geenzins te besluijten dat dezelve mij zijn onbekent geweest: ik heb meer dingen gezegt alhoewel ik van een ander gevoelen ben’. Ruysch antwoordde dat het voor iemand die zich als edelman afficheerde en bovendien als lector in de anatomie, geen pas gaf om zulke uitvluchten te verzinnen. Als ze zo overtuigend werden bewezen moest een oprechte onderzoeker ‘openhertig de dingen die van anderen gevonden zijn voor goet keuren’. Ruysch liet in aanwezigheid van alle Haagse doctoren nog eens zien dat het door de vorm van de kleppen onmogelijk was dat de lymfe stroomde in de richting die De Bils had aangegeven, maar De Bils weigerde de conclusie te aanvaarden dat zijn visie op de loop van de lymfe was ontzenuwd. Hij vertelde overal dat Ruysch geen antwoord had gehad op zijn verweer. Ruysch vond het belachelijk. Hij noemde De Bils een ‘wargaren’ en verwees iedereen naar de getuigen, die allemaal zijn gelijk zouden bevestigen.

Om definitief zijn gelijk te bewijzen publiceerde Ruysch zijn bevindingen in een boekje getiteld Dilucidatio valvularum in vasis lymphaticis et lacteis.59 Hij droeg het op aan DeleBoë, Van Horne en een derde Leidse hoogleraar, Floris Schuyl, die nadat hij Descartes in het Latijn had vertaald, in oktober 1664 professor in de medicijnen was geworden. In zijn boekje deed Ruysch uitvoerig verslag van zijn wedervaren met De Bils. Daarop volgde een uiteenzetting over zijn werkwijze en

[p. 58]



illustratie

Afbeelding, door Frederik Ruysch, van de afgebonden en met lucht gevulde lymfevaten waarin de kleppen zichtbaar zijn. Met de letter A gemerkt is een ‘in de lengte gesneden’ watervat, B toont een vat van opzij, C van de voorkant. De kleppen zijn aangegeven met een a. (Uit: Ontdekking der klapvliesen in de water- en melkvaten.)




illustratie
Afbeelding, door Frederik Ruysch, van de kleppen in de lymfevaten van een paardenlever, uit zijn verzameld werk. In de oorspronkelijke versie was de afbeelding gesigneerd, maar nadat Govert Bidloo hem daarom had bespot, liet hij de handtekening weg (zie hoofdstuk 5). Naar aanleiding van Bidloos kritiek op de proporties merkte Ruysch bij de afbeelding op ‘dat ik de watervaten ten opzicht van de afgebeelde lever wat grooter heb gemaakt... opdat de klapvliesen daardoor beter gezien zouden kunnen werden. Ten tweede, dat ik alhier alleenlijk eenige klieren heb afgebeelt, wijl ik voor ditmaal niet zoo zeer voor heb de klieren als het maaksel der klapvliesen in de watervaten af te tekenen’. De klieren zijn gemerkt met een D, de watervaten met E en G, en de kleppen met een g.


[p. 59]

over de vorm en functie van de kleppen. Hij illustreerde zijn bevindingen met tekeningen die hij zelf had gemaakt. Hij pretendeerde niet dat hij de kleppen had ontdekt, maar wel de manier waarop men ze zichtbaar kon maken.

Toen Jan Swammerdam het boekje in handen kreeg was hij verbaasd. Op het moment dat het verscheen was hij juist teruggekeerd van een verblijf in Frankrijk. In het voorjaar van 1664 was hij vertrokken. Hij had eerst enige tijd in Saumur gewoond, waar een protestantse universiteit was gevestigd. Daarna had hij een jaar doorgebracht in Parijs, waar Niels Stensen (die al eerder naar Frankrijk was vertrokken) hem in contact had gebracht met Melchisedec Thévenot, een diplomaat die thuis een kring van geleerden ontving, waaruit spoedig de Académie Royale des Sciences zou voortkomen. Samen met Stensen had Swammerdam in het landhuis van Thévenot mogen wonen, waar ze de gelegenheid hadden gekregen de groei van een hoen uit een ei te bestuderen.

Zonder contact te hebben gehad met Ruysch had Swammerdam zich in Frankrijk ook bezig gehouden met de lymfevaten en ook hij was erin geslaagd om de kleppen te laten zien. Hij had ze in het openbaar gedemonstreerd tijdens een bijeenkomst in Saumur in juni van het vorige jaar. Een week daarna had hij er een afbeelding van gestuurd aan Niels Stensen, die op dat moment bij zijn stervende moeder in Kopenhagen verbleef. Swammerdam had de brief voor Stensen naar zijn vader in Amsterdam gezonden, om door te sturen naar Denemarken, maar zijn vader had de brief met de afbeelding bewaard tot Stensen terug zou zijn in Holland. Omdat zijn vader de tekeningen aan verscheidene medici zou hebben laten zien, verdacht Swammerdam Ruysch na de publicatie aanvankelijk van plagiaat. Maar Ruysch wist kennelijk niet dat Swammerdam de kleppen had getekend en de tekeningen waren voor Ruysch eigenlijk ook niet het voornaamste. Het ging hem er in de eerste plaats om dat hij erin was geslaagd de lymfevaten zo te prepareren dat hij ze kon tonen. Zijn interesse lag vooral bij het vraagstuk van de preparatietechniek. Pas wanneer dat was opgelost konden vragen over de structuur van het lichaam worden beantwoord, en pas als die antwoorden met voldoende precisie konden worden gegeven, kon met enige grond worden gespeculeerd over de functie en betekenis van de verschillende lichaamsdelen, vond Ruysch.

Swammerdam nam Ruysch overigens niets kwalijk. Hij stond op goede voet met Ruysch en hij sprak zijn bewondering uit over de helderheid van de tekeningen. Hij stuurde het boekje op naar Thévenot in Parijs en zei in de begeleidende brief dat hij tevreden was dat de waarheid omtrent de kleppen in de lymfevaten nu onomstotelijk was bewezen.60

Het boekje van Ruysch bevatte, naast de uiteenzettingen omtrent de klapvliezen, nog 26 losse ontleedkundige observaties. Het waren veelal bijproducten van zijn onderzoek naar lymfevaten, lever en milt, maar ze bevatten ook zijn ontdekking van de arteriae bronchiales, de slagaderen die de longen voeden.

[p. 60]

Ruysch bewaarde de vaatjes die hij met zoveel moeite had geprepareerd. In 1690 bevonden ze zich nog in zijn collectie. Op een van de planken van zijn vele kasten stond, zo meldde hij in een beschrijving van zijn collectie, ‘het geraamte van een mensche vrugtje van vier maanden, in zijn linkerhand houdende een bondel van watervaten, over 25 jaaren van mij uijt het lighaam genomen, opgeblazen, en zoodanig bewaart, dat de klapvliezen nog zeer klaar voorkomen. Wat hebben fraaije dingen een moeijte in!’.61