terug  begin  verderprepost
[p. 97]

Ed. Douwes Dekker / Multatuli 1820-1887

Door Eep Francken



illustratie
Een sjiek uitgedoste Multatuli in 1862. Dit portret wordt ten onrechte het Sjaalmanportret genoemd.

Ik ben geen schrijver.’

Multatuli zei wel vaker twee maal hetzelfde, maar weinig beweringen heeft hij zo vaak herhaald als dit zinnetje. Toch heeft Eduard Douwes Dekker al in zijn jeugd gespeeld met de gedachte schrijver te worden. Hij werd in 1820 geboren in de Amsterdamse Korsjespoortsteeg, waar men tegenwoordig te midden van bordelen het Multatuli-museum kan aantreffen. Zijn opleiding aan de Latijnse School werd vroegtijdig afgebroken en in 1838 voer hij naar Nederlands-Indië op het schip waarvan zijn vader kapitein was. Snel kreeg hij een zelfstandige bestuursfunctie in Natal, een afgelegen plaats op Sumatra. Hier werd hij na enige tijd geschorst vanwege zijn falend financieel beheer. Men dacht dat hij de kas gelicht had, maar waarschijnlijk was hij alleen slordig. De schorsing bracht hem in grote moeilijkheden; hij zat volstrekt zonder geld. In deze tijd schreef hij een toneelstuk, De eerlooze, natuurlijk een transpositie van zijn eigen problemen. Het plaatst een wel zeer idealistische enkeling, die alles opoffert voor wat hij juist acht, tegenover de corrupte maatschappij, waar een reputatie veel belangrijker is dan een daad. Het stuk, pas veel later onder een andere titel- De bruid daarboven (1864) - gepubliceerd en opgevoerd, staat overduidelijk in de traditie van de burgerlijke Romantiek. Tegelijkertijd bevat het veel van wat bij de latere Multatuli, die immers in die burgerlijke Romantiek is opgegroeid, op een veel origineler manier is terug te vinden.

Dekker werd na enige tijd herplaatst en werkte in verschillende functies op Java en Celebes. Toen hij in 1852 assistent-resident van Ambon geworden was werd hij na korte tijd ziek. Met zijn vrouw, de arme barones Everdine van Wijnbergen, ging hij naar Nederland, waar hij vergeefs probeerde een uitgever te interesseren voor een eigenaardige compilatie van werk van verschillende aard. In deze tijd kwam hij opnieuw in financiële moeilijkheden doordat hij te veel uitgaf en velen liet meedelen in een vermogen dat hij niet bezat. Om zijn financiën nog in Nederland op orde te krijgen moest hij zijn verlof op allerlei manieren rekken, maar zijn pogingen waren bij zijn terugreis (1855) zonder succes gebleven.

Hij werd nu assistent-resident van Lebak. Hier speelde zich de geschiedenis af die hij zelf door zijn Max Havelaar, of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1860, 2 dln.) beroemd heeft gemaakt. Dekker ontdekte dat de hoogste inlandse ambtsdrager, de regent, de bevolking uitbuitte of althans onvoldoende optrad tegen machtsmisbruik door zijn ondergeschikten. Zijn directe chef, de resident van Bantam, voelde niets voor harde ingrepen tegen de hoogbejaarde regent, van oude Indische adel en in hoog aanzien bij de bevolking. Dekker vond de resident een halfslachtige aarzelaar en passeerde hem in een beroep op de allerhoogste Nederlandse gezagsdrager: de gouverneur-generaal, A.J. Duymaer van Twist. Maar die keurde deze doorbreking van de ambtelijke hiërarchie af, waarop Dekker ontslag nam. Een laatste poging om Van Twist tot een andere opinie te brengen mislukte toen de gouverneur-generaal weigerde de gewezen assistent-resident te ontvangen.

In 1859 schreef Dekker in een hotelletje in Brussel in korte tijd zijn roman Max Havelaar. Men vindt er zijn kijk op de gebeurtenissen in Lebak in de hoofdstukken over deze assistent-resident. Tegenover de held Havelaar, een geïdealiseerde versie van Dekker zelf, plaatst hij echter de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, symbool van Nederlandse kleinzieligheid en huichelarij. Het boek maakt duidelijk dat Nederland de Indische bevolking slecht behandelt. Bovendien is het

illustratie
Reclamefolder voor een Utrechtse voorstelling van Vorstenschool door Multatuli in 1875.
Het stuk verscheen voor het eerst in 1872 als ‘Idee 930’.


[p. 98]

Nederlandse bestuursstelsel gebaseerd op de twijfelachtige machtspositie van de Indische hoofden, zodat Nederland profiteert van hun wandaden: Droogstoppel, ‘roofstaat aan de zee.’ Wie zijn geweten volgt en probeert om in het belang van de bevolking de regels toe te passen wordt er uitgegooid: Havelaar.

Met de verschijning van de roman in 1860 was Dekker feitelijk schrijver geworden; zelfs was hij voor zijn levensonderhoud van het schrijven afhankelijk. In dat laatste kon hij niet berusten. Hij had het schrijverschap eerder gezien als een roeping, de schrijver als een wijsgeer die zijn gedachten aan de mensen schonk. Schrijven voor geld vergeleek hij met prostitutie. Bovendien beklemtoont hij met de ontkenning van zijn schrijverschap dat de literatuur voor hem van secundair belang is, alleen een middel. Zijn doel is altijd om iets in de samenleving te verande-

Mijne moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. 't Moet dus geweest zijn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. ‘Dat was zoo zuinig, meende de ziel, om 't schoeisel.’ Daaruit zou men nu weêr besluiten, dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.
Hoe dit zij, 't is lang geleden. Men zeide nog niet: ‘ik heb bepaald pijn in 't hoofd;’ Amsterdam had nog geen trottoirs; de inkomende regten bestonden nog; men gebruikte in zekere beschaafde landen nog galgen, en stierf niet zoo dagelijks aan anevrismen... Ja, 't is lang geleden.
'k Heb nooit begrepen, waarom de hartenstraat, hartenstraat genoemd wordt. Of moet men hartéstraat schrijven, of hèrtenstraat? Nooit heb ik in die buurt meer hartelijkheid opgemerkt dan elders, en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon 'r iemand woonde die kippen verkocht en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker beteekent.
Ik ben daar in lang niet geweest, en herinner me alleen dat het 'n straat is, die twee hoofdgrachten aan elkaêr verbindt, hoofdgrachten die ik zal laten dempen zoodra ik de magt heb Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een mijner vele plannen is.
Die ingenomenheid met de toekomst van onze hoofdstad maakt me niet blind voor hare gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats hare volslagene ongeschiktheid tot tooneel van romantiese voorvallen. Men ontmoet daar geen gemaskerde domino's op de straten; de burgerlijke stand wordt geregeld bijgehouden; er is geen Ghetto, geen Templebar, geen Chinese kamp, geen Cour des miracles. Wie 'r 'n moord doet, wordt opgehangen, en de meisjes heeten Mietje of Jansje. Alles proza.
Er is moed noodig om 'n verhaal te doen aanvangen in eene plaats die op ‘dam’ uitgaat, en waar men dus moeielijk Emérence's of Héloïses kan laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wijl die frajigheden allang geprofaneerd zijn.
Hoe maken 't toch de franse schrijvers om hun Margots en hunne Marions aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri's en Ernesten, die evenzeer doen denken aan M'sieu Henri en M'sieu Erneste uit den nouveautéwinkel, als onze burgwallen aan vuil water? Göthe was 'n moedig man... Grietje, Klaartje... En ik: in de hartenstraat!
Maar ik schrijf geen roman, dat 's waar. En al schreef 'k 'n roman, dan nog zie 'k niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis. Ja, 't is eene geschiedenis! En wel van iemand die in z'n jeugd verliefd werd op 'n houtzaagmolen, en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.
Want verliefdheid is 'n kwaal, al is 't maar op 'n molen.
Men ziet dat mijn verhaal heel eenvoudig wezen zal; te eenvoudig eigenlijk om alleen te staan. En daarom zal ik 'r wat tussenvlechten hier en daar, als 't me wat al te mager voorkomt, zooals de Chinezen doen met hun staarten, wanneer die wat dun zijn, omdat ze geen Eau de Lob hebben, en geen olie van Makasser, waar ik trouwens nooit 'n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.
Fragment van ‘Idee 362’ (1862) van Multatuli betreffende ‘Woutertje Pieterse’.

[p. 99]



illustratie
Multatuli uit Mainz aan de heer Straatman.

Mainz, 26 April 1870 // Zeer geachte Heer Straatman, / Het spreekt vanzelf, dat ik U by renom- / mée ken. Dank - of wyt - hieraan / myn familiairen toon, en neem me / wat slordigheid in vorm niet al te / kwalyk. Ik meen 't goed. // Gister was ik onwel. Ik hoest vreesselyk / alle nachten, en ook m'n oogen doen me pyn. / Maar noch 't een noch 't ander is gevaar- / lyk (zeggen ze) t Eenige is dat ik door / die dingen belet word vlug te arbeiden. // Ik had namelyk gister na de bezen- / ding van Zondag, gaarne voor vyf weken / kopy in eens gezonden om myne vrouw / die 't in den Haag heel moeielyk heeft, / ƒ100 te bezorgen. // Hierby eene tweede bezending kopy. / Mag ik vriendelyk verzoeken de ver- / moedelyke waarde - naar den door U / in den brief van 22 opgegeven maatstaf - aan haar te doen geworden. Ze wordt / bedreigd met executie voor belasting, / slagtersrekeningen &c // Nog eens moet ik me aanbevelen / voor verhooging - niet van loon, o neen! - / maar van 't te leveren quantum, al / ware 't dan ook, dat het honorarium / verhoudingsgewys iets minder werd. / byv. tweemaal zooveel kopy tegen ƒ35,./ of driemaal zooveel tegen ƒ50. sweeks. / Indien myne eerste kopy nog niet / ter perse is, stel ik voor den algemee- / nen titel te veranderen in reisindrukken /
[p.2] van Multatuli, en dan als onder- / titel: 1. Millioenen-Studien. / Dan komen later II, III, &c, met andere ondertitels, en ‘Reisindruk- / ken’ kan de titel blyven van / den eventueel uittegeven bundel. / Kryg ik één Ex. der courant hier? En / één aan myne vrouw? Als 't niet / onbescheiden is. // En mag ik ongefrankeerd zenden? // Nu iets anders waarby ik de maçon- / nerie van 't liberalisme inroep. of / ge ook op andere wyze maçon zyt, is / me onverschillig. ‘Un grand rien’ is 't / genoemd. Ik zeg: petit rien. // Voor maanden schreef ik 3/5 van / een drama: Vorstenschool. Ik / geloof dat het goed is. Het stelt /(in hoofdzaak, want de intrigue en / toneelhandeling acht ik minder van / belang) den stryd voor, tusschen twee der / vele manieren, waarop sommige hoog- / geplaatste personen hunne roeping / begrypen. // Daar ik nu, om myne vrouw te / hulp te komen, munt moet slaan, /
[p.3] is myn verzoek aan U, of ge den boek- / handelaar Schadd - immers hy / is uitgever van het Noorden? - wildet / voorstellen dat Drama van my / te koopen, en de helft / van den prys, terstond na ontvangst / der III Bedryven die af zyn, aan myne / vrouw te zenden. // De tweede helft zou ik dan ontvan- / gen by 't leveren van Acte IV & V., dat / ik my verbind vóór Ulto Mei E.K. / te doen. // Om U in staat te stellen tot oordeelen of ge, wat / de litt. waarde van 't stuk aangaat, / in gemoede de zaak aan S. moogt / recommanderen, verzoek ik heden myne /vrouw een en ander uit myn H.S. te / copieren, en U aantebieden. Waar- / schijnlijk zendt ze u 't eerste bedrvf. / (De toneelactie komt later. Ze is woelig genoeg. Huët vraagde er naar, toen hy de le Acte gelezen / had, en gy zult dit ook doen. / Nu, er komt beweging genoeg.) [...]
ren: weinig irriteerde hem zo als complimenten over zijn mooie stijl. Overeenkomstig reageerde hij op het grote succes van het boek, dat tot in onze tijd voortduurt.

Daarna schreef hij onder andere Minnebrieven (1861) dat Max Havelaar volgens sommigen - onder wie Dekker zelf - overtreft. Naar de vorm lijkt het een briefroman die aansluit bij het eerste boek maar waarin het thema van Multatuli's schrijverschap centraal staat.

In 1862 verscheen de eerste bundel Ideën. In deze reeks, die zou uitlopen op een verzameling van 1282 afzonderlijk genummerde stukken van onderling zeer verschillende lengte, vond Multatuli zijn geliefde vorm. Het is die van de ‘Times van mijn ziel’, een kroniek van wat hem bezighoudt. Zo streeft hij naar zijn ideaal van de directe weergave van gedachten, zonder beperking door de eisen van conventie of literaire techniek. In dit grillige kader komt hij af en toe tot grote produktiviteit. Groter werk neemt hij er bij voorkeur in op: het drama Vorstenschool (1872; dit is idee 930) of de romanachtige geschiedenis over Woutertje Pieterse, die over verschillende bundels verspreid wordt en onvoltooid blijft. Multatuli beschouwde de Ideën als zijn hoofdwerk.

Maar op zichzelf doet het er niet zo veel toe of men een werk als Millioenenstudiën (1873) leest, opstellen als Een en ander naar aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland (1867) of Duizend-en-eenige hoofd-

[p. 100]



illustratie
Aan Tine, ‘trouwe gade’, ‘heldhaftige liefdevolle moeder’, ‘edele vrouw’ is Max Havelaar (1860) door Multatuli opgedragen. Foto uit 1862.

stukken over Specialiteiten (1871) of zelfs zijn particuliere brieven. Overal treft meteen zijn geweldige beheersing van de taal; overal bepleit hij steeds weer dezelfde zienswijzen.

Men kan zeggen dat hij, met het Indische vraagstuk begonnen, zijn aandacht daarna tot een veel breder terrein heeft uitgebreid. Bij alles wat hij aanroert pleit hij in de eerste plaats voor onbevooroordeeld nadenken, los van traditie en leergezag: de zogenaamde vrije studie. Hierbij baseerde hij zich op een soort natuurfilosofie, die leert dat de zeden de mensen door de eeuwen heen vooral bedorven hebben. De mens moet doen wat natuurlijk is en begrijpen dat hij in bepaald opzicht is kromgegroeid. ‘De roeping van de mens is: mens te zijn.’ Symptoom van kromgroeien is bij voorbeeld de parlementaire democratie, een stelsel dat de onbekwaamheid van de politieke leiders enigszins aan het oog onttrekt. De kwaliteit van de bestuurders vindt Multatuli altijd beslissend; in Nederland acht hij deze zeer onvoldoende. Daarom signaleert hij ‘verrotting in de staat’ die met verandering van stelsel in feite niet te overwinnen is, al prefereert hij de absolute monarchie die natuurlijker zou zijn. Tegelijkertijd verkondigt hij op grond van dezelfde uitgangspunten moderne opvattingen over opvoeding, bepleit hij gelijkwaardige behandeling van de vrouw en emancipatie van de Nederlandse arbeiders, ‘de witte slaaf’. Als voornaamste oorzaak van zedenbederf door de eeuwen heen brandmerkte hij de godsdienst. Zijn felle atheïstische polemiek richtte zich minder tegen eenvoudige gelovigen dan tegen theologen die het christendom wilden behouden bij aanvaarding van de moderne natuurwetenschap.

Vanaf 1870 woonde Multatuli met zijn tweede vrouw Mimi Hamminck Schepel in Duitsland. Na 1874 gingen verbittering over miskenning en over het uitblijven van verbetering bij hem overheersen. In 1877 voltooide hij de zevende bundel Ideën, waarna nog slechts herdrukken van ouder werk volgden. Bij zijn overlijden in 1887 bleek hij, voor zover bekend als eerste Nederlander, lijkverbranding te hebben verkozen boven een begrafenis.

Zijn betekenis in de geschiedenis is vooral die van de ‘bevrijder’, die de aandacht vestigt op de betrekkelijke waarde van dogma's en fatsoensregels. Tot in onze tijd stimuleert zijn werk tot kritisch nadenken, al kan men een deel van zijn beschouwingen afdoen als oppervlakkig en ondoordacht en al zijn zijn onderwerpen niet allemaal actueel meer. Ook kan men inzien dat zijn denkbeelden voor een deel eerder door anderen geformuleerd zijn, maar dan zonder zijn vermogen om de stof te laden, te ‘poëtiseren’. Slechts vanuit een karikaturale opvatting van literatuur als pure mooischrijverij valt te ontkennen dat zijn blijvende betekenis is te vinden in zijn schrijverschap. Voor wie de functies van communicatie en inspiratie voor een schrijver van primair belang vindt is Multatuli juist een schrijver bij uitstek; dit zij gezegd in weerwil van zijn eigen opvatting.

Overig werk

Indrukken van den dag (1860), Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb (1861), Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië, en de tegenwoordige koloniale agitatie (1862), Japansche gesprekken (1865), De zegen Gods door Waterloo (1865), Herdrukken (1865), Bloemlezing (1865), De Maatschappij tot Nut van den Javaan (1869), Verspreide stukken (1872), Multatuli (1876, bloemlezing), Verzamelde werken (1888-1889, 10 dln.), Serie goedkoope werken (1889-1890, 3 dln.), De geschiedenis van Woutertje Pieterse (1890, 2 dln.), Brieven (1890-1896, 10 dln.), Aleid; twee fragmenten uit een onafgewerkt blijspel (1891), Keur uit de brieven van Multatuli (1944), Volledige werken (1950-1960, dl. 1-10; 1977-1984, dl. 11-16), Ik groet u allen zeer! (1968), Ik wil gelezen worden (1969,bloemlezing), Schrijven in tussenzinnen (1970), Ideeën (1971, bloemlezing), Barbertje moet hangen (1971, bloemlezing), De roeping van de mens (1974, bloemlezing), Bloemlezing uit de werken van Multatuli (1981).

prepostterug  begin  verder