't Is vol van schatten hier...


auteur: Murk Salverda en Anton Korteweg


bron: Anton Korteweg en Murk Salverda (red.), 't Is vol van schatten hier... (2 delen). De Bezige Bij / Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Amsterdam / 's-Gravenhage 1986.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 208]

Theo Thijssen 1879-1943

Door C. de Ruiter



illustratie

Karikatuur van Theo Thijssen.


School en Huis, het ouderblad van de ‘Bond van Nederlandse onderwijzers’, waarin Thijssens belangrijkste werk oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerd is, geeft in zijn naam de polen aan waarom Thijssens gehele oeuvre draait, nl. de school en het gezin. Verschillend in intensiteit van beschrijving en in hoek van belichting verschijnen beide motieven telkens weer in Thijssens verhalen en romans.

De oorspronkelijke publikatievorm heeft zijn sporen nagelaten, vooral wat de structuur van het werk betreft. Zowel Thijssens korte verhalen als zijn romans zijn sterk anekdotisch van aard. Thijssen was een verteller, die fantasieën, invallen en herinneringen als kralen reeg tot een snoer waarvan lengte en kleurschakering hemzelf ook dikwijls verrast moeten hebben. Het vertelkarakter van het werk komt eveneens tot uiting in het gekozen perspectief: Thijssen is nadrukkelijk als auteur aanwezig en geeft de lezer over het hoofd van de verhaalfiguren heen een knipoog van verstandhouding. Die verstandhouding ligt in de liefde voor het kind of - beter gezegd - in de voorliefde voor de wereld van het kind.

Bij Thijssen vormt de school de eigenlijke wereld van het kind; het gezin participeert daarin naar vermogen. Waar de omstandigheden in het gezin tekortschieten, daar komt de school te hulp om het kind te beschermen tegen de grote-mensenmaatschappij. Thijssens ‘schoolland’ is een enclave van geluk, warmte en veiligheid. In dit gebied gelden de wetten die onderwijzer(s) en kinderen in een onderling verbond tegen de buitenwereld afgesproken hebben. De school functioneert bij Thijssen namelijk niet als opleidingsinstituut voor later, maar zij zoekt haar doel binnen zichzelf. Aan het slot van De gelukkige klas (1926) schrijft de onderwijzer dan ook: ‘M'n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat, dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel-maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jùllie nooit zeggen.’

Zijn moderne pedagogische opvattingen bracht Thijssen behalve in

illustratie

Eerste druk (1909). Bandontwerp en illustraties: Jan Sluyters.




illustratie
Theo Thijssen aan de uitgever C.A.J. van Dishoeck, 3 november 1925, n.a.v. de romans Kees de jongen (1923) en Schoolland (1925).


3 Nov. '25 A'dam. // Waarde Heer v[an] D[ishoeck]. / Hierbij de brief van die domme man terug; notabene, / ‘Gotsammeliefhebbe’ heb ik Kees nooit laten zeggen de rest van / de verschrikkelike woorden is zuiver K z'n jongenstaal! Enfin, / Sch[ool] m[et] d[en] Bijbel en dat jongelingenblad bewijzen gelukkig, dat deze domheid niet noodzakelik is voor een gelovig Christen! - // Wat betreft de extra Schoollanden, heel graag 3 in leer, / waarvan 2 geschept dan - kleur enz hoeft niet precies als Kees te / zijn (dat was bruin kalfs met goud) - maar zoekt u dat nu eens uit, / dan is 't voor mij een verrassing! Misschien is zo'n soepel kaft ook / wel mooi. // 1300 al verkocht is enorm, maar bewijst helaas nog niets omtrent / het oordeel - is alleen een bewijs voor uw zoons verkoopkracht en / energie, waarvoor hulde! // in razende haast, / Uwdw / Theo Joh Thijssen. // 7 en 1 geschept

[p. 209]

zijn (autobiografisch getinte) verhalen en romans ook in beschouwende artikelen naar voren. Zowel op het gebied van het onderwijs als op dat van de literatuur heeft hij niet de erkenning gekregen die hem toekomt. Áls literaire handboeken al aandacht aan zijn werk besteden, dan wordt Thijssen overigens ingedeeld bij de sociaal-realistische auteurs. Dat is - terecht - gebaseerd op zijn zorgvuldige waarneming en ingeleefde beschrijving van de (moeilijke) sociale omstandigheden waarin zijn hoofdfiguren zich doorgaans bevinden. Voor wat betreft de keuzes die Thijssen maakt c.q. de alternatieven die hij biedt, kan men hem echter veeleer een romanticus noemen: hij confronteert zijn kinderen niet met de werkelijkheid, maar biedt, als de werkelijkheid zich opdringt, het alternatief van het gedroomde paradijs.

Niet alles wat Thijssen geschreven heeft (van Barend Wels, 1908, tot In de ochtend van het leven, 1941) is van dezelfde kwaliteit. Zijn beste werken zijn gepubliceerd in de periode 1923-1927. Dat de groei naar het onderwijzerschap in de hierboven geschetste zin een proces van vallen en opstaan is, laat Thijssen zien in de bijeenhorende ‘dagboek’-romans School-land (1925) en De gelukkige klas (1926). Wat in Barend Wels gezaaid is, wordt hier geleidelijk aan geoogst: het rijke leven in de klas, met de onderwijzer niet bóven maar náást de kinderen.

Thijssens bekendste boek, Kees de jongen (1923), beweegt zich het duidelijkst op het grensvlak van droom en werkelijkheid. Met een subtiel en geestig inlevingsvermogen beschrijft Thijssen Kees' wandeling van droom naar droom, als diens particuliere strijdwijze tegen een werkelijkheid die telkens weer zijn werelden (zijn fantasie dat hij een ‘bijzondere’ jongen is, het gezin, de school) aantast. Als al die werelden wegvallen, is daar Rosa Overbeek, zijn meisje. Voor Simon Carmiggelt is Kees de jongen ‘een liefde voor het leven’, voor Remco Campert ‘een van de weinige boeken die me niet in de steek hebben gelaten [...] zo geweldig economisch geschreven, zonder literaire flauwekul, zonder pose’.

Het opmerkelijkste boek in Thijssens oeuvre is ongetwijfeld Het grijze kind (1927). In tegenstelling tot wat in de andere boeken gewoon is, wordt hier een gegoed milieu beschreven. Ook anders is, dat gezin en school als benauwend ervaren worden. Het meest opmerkelijke is evenwel, dat de hoofdpersoon, een jongen nog, met deze benauwenis genadeloos afrekent. Hij kan dit, doordat hij, gereïncarneerd als hij is, de levenservaring van een grijsaard bezit. Kees Fens ziet in dit boek surrealistische trekken. Het staat in elk geval in een clair-obscurverhouding tot Thijssens overige werk.

Hij had nu eigenlijk voort moeten maken, stevig doorstappen met de zwembadpas, of af en toe een stuk looppas doen. Want het was al bijna half vijf, en anders was hij om deze tijd al bijna thuis.
Maar er was een onverschillige loomheid over hem, hij liep juist veel langzamer dan anders, om op zijn gemak te denken; erg ongeregelde gedachten, het een liep door het ander heen, niets dacht hij een heel eind af, zoals anders; geen enkel plan wist hij te vormen. Zou ze weten dat hij Kees heette? Op school zei iedereen ‘Bakels’. Zou ze kunnen schaatsenrijden? Kon dan wel eens fijn worden. Moest ze óók wel eens boodschappen? Verre? Waar zou ze het plaatje laten? Wanneer was ze jarig? Eerder dan hij of later? Was ze al twaalf? Wat deed ze thuis altijd? Zo wirwarde het maar door zijn hoofd. Morgen op school, fijn, zag hij haar weer. Maar oppassen, slim zijn, anders waren ze zuur... Nou maar zij wàs niet stom, hoor, had hij allang in de gaten...
 
Langzamerhand begon hij toch steviger door te stappen, want hij was voorbij een klok gekomen die al over half vijf wees. En hij moèst vóór vijf uur thuis zijn, daar ging niets van af. Stel je voor:
‘Waar kom jij zo laat vandaan? Je moet toch om half zes weer op avondschool zijn?’
‘Nog een tijdje staan te kletsen met mijn meisje.’
‘O, ben je er zó een. Goed. Best. Morgenochtend ben ik bij je meester, om dáár eens over te praten. Dat gaat zo maar niet, snotneus!’
Pats, was meteen alles bedorven! Als hij gek was! Hij nam de zwembadpas. En de straten waren al bijna donker; en hij zei zachtjes, precies op de maat van zijn lopen: ‘Ro-sa-Over-beek, Ro-sa-Over-beek.’ Lekker, kon niemand hem wat voor maken, dat hij zo op de maat van haar naam liep. Hij hield het vol tot aan huis.
 
De tafel in de keuken stond al gedekt.
Hij had net een gevoel, of het niet zijn eigen huis was, waar hij binnenkwam...
Slot van het zevenentwintigste hoofdstuk uit Kees de jongen (1923) door Theo Thijssen.

Overig werk

Jongensdagen (1909), Taal en schoolmeester (1911), Sommenboek voor de volksschool (1912, 6 dln.), Cijfers (1913), Cijferboek voor de volksschool (1915, met J. Soederhuyzen, 4 dln.), Taallessen voor de volksschool (1916-1919, 4 dln.), Egeltje (1929), Het taaie ongerief (1932), Een bonte bundel (1935), Meneer-zèlf komt een uurtje en andere verhalen (1970, bloemlezing).