't Is vol van schatten hier...


auteur: Murk Salverda en Anton Korteweg


bron: Anton Korteweg en Murk Salverda (red.), 't Is vol van schatten hier... (2 delen). De Bezige Bij / Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Amsterdam / 's-Gravenhage 1986.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 276]

A. den Doolaard 1901

Door Hans van de Waarsenburg



illustratie

A. den Doolaard, 1978. Foto: Hans Vermeulen.


Eens vitalist, altijd vitalist’, is een typerende uitspraak van A. den Doolaard, wiens boeken door vele generaties lezers verslonden zijn. Beïnvloed door de filosoof Henri Bergson, formuleerde Den Doolaard zijn persoonlijke vitalisme als volgt: ‘Vitalisme is één worden met het leven en er in onderduiken. Vitalisme is de drift tot leven, en dat overal op aarde, de drang om zich in te leven in vreemde werkelijkheden en bestaanstoestanden.’ Een leven lang zou A. den Doolaard met ongekende energie over de aardbol zwerven en zijn ervaringen beschrijven in een groot aantal romans en reisreportages.

Aanvankelijk debuteerde hij als dichter met de bundel De verliefde betonwerker (1926), gevolgd door De wilde vaart (1928). In hetzelfde jaar waarin De wilde vaart verschijnt, neemt hij ontslag als boekhouder bij de Bataafsche Petroleummaatschappij. Een lange periode van zwerven begon en het zou tot 1954 duren, voor hij zich in Hoenderloo op de Veluwe vestigde.

Den Doolaard raakte tijdens zijn zwerftochten gehecht aan de Balkan-landen, waar hij te voet honderden kilometers aflegde. In Joegoslavië kwam hij voor het eerst in aanraking met een ander en ouder cultuurpatroon dan het Westeuropese. Vooral het meest zuidelijke gedeelte van Joegoslavië - de tegenwoordige deelrepubliek Macedonië - fascineerde hem. Hij situeerde er een van zijn meest gelezen romans: De bruiloft der zeven zigeuners (1939).

Zijn roman De druivenplukkers verscheen in 1931. Deze puur vitalistische roman wordt door hemzelf als zijn officiële romandebuut beschouwd. De herberg met het hoefijzer (1933) was de eerste roman die hij in de Balkan situeerde. De bloedwraak van de herdersjongen Leonard, een pure individualist en vitalist, en de karakterologische ontwikkeling van de Britse geoloog Erwin Raine vormen de twee rode draden binnen deze roman waarvoor hem de Meiprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd toegekend. (Samen met de dichter Jan Engelman). Den Doolaard weigerde deze literaire onderscheiding.

Vaarwel Piccadilly! Na een werkzaamheid van zes maanden op het Londensche hoofdkantoor van de Trepca Mining Company moest Erwin Raine, geoloog en explorateur, plotseling zijn paspoort inleveren, en toen hij twee dagen later bij de Directie geroepen werd wist hij reeds wat hem te wachten stond. ‘U kent wat Italiaansch, nietwaar? En Duitsch, van moederswege? U werkte ook drie jaar in de kopermijnen van Bor, en u spreekt dus goed Servisch? Uitstekend. Ziehier uw opdracht. In de Noordalbaneesche Alpen, het gebied tegen de Yougoslavische grens, moeten loonende koperlagen aanwezig zijn. U gaat er heen en zoekt de zaak uit. Hier zijn uw aanbevelingen: voor de regeering in Rome, want u weet waarschijnlijk dat Albanië een Italiaansch protectoraat is; voor het Albaneesche gouvernement, en voor de Yougoslavische autoriteiten, voor geval u over de grens mocht geraken. Het gebied heeft de roep niet geheel veilig te zijn, en u krijgt vanuit Scutari een gendarmerie-escorte; wapen u niettemin. Over drie weken uiterlijk verwacht ik uw berichten. Indien de exploratie gunstig uitvalt, komen Uw vier assistenten na. Dit is slechts een verkenningsreis. Telegrafeer “ill” of “good health” al naar de uitslag is, en neem met het oog op de concurrenten zwijgzaamheid in acht. Hier is de tegenwaarde van 500 pond, in lires en dollarbiljetten. Ik wensch u goede reis.’
Tegen alle verwachtingen in had Raine geen enkele bedenking laten hooren. Hij had goedmoedig geglimlacht, zooals gewoonlijk, en den directeur zelfs warm de hand gedrukt, alsof hij hem bedankte voor deze verbanning naar de wildernis. Toen hij weg was mompelde de directeur: ‘Een opofferende ziel, en een arbeidsezel...’ Hij wist niet dat Raine drie dagen geleden zijn verloving verbroken had.
Begin van de roman De herberg met het hoefijzer (1933) door A. den Doolaard.
[p. 277]

Een jaar later verscheen Oriënt-Express, waarmee hij zijn eerste ‘bestseller’ schreef. Zoals in veel van zijn romans treden ook in dit exotische boek weer eenzelvige, zelfstandige personen op die in conflict raken met de maatschappij of een laag daarvan. Binnen een tijdsperiode van dertig jaar schildert hij het leven van drie generaties mensen tegen de achtergrond van de opkomst en ondergang van de Macedonische vrijheidsbeweging. Naast historische gegevens maakte Den Doolaard gebruik van eigen belevenissen en waarnemingen, die hij tijdens zijn zwerftochten opdeed.

Den Doolaards liefde voor de bergen ontstond al op jeugdige leeftijd. ‘De bergen zijn nu eenmaal het landschap van mijn ziel’, luidt een uitspraak van hem. De eerste bestijgers van de Mont Blanc, de kristallen-zoeker Jacques Balmat en de dorpsdokter Paccard, waren de hoofdpersonages in zijn roman De grote verwildering (1936). De bezeten pogingen van beide hoofdpersonen om de Mont Blanc te bedwingen mislukten. Het boek is in zekere zin een commentaar op het vitalisme. Berg en mens hebben niets met elkaar gemeen. Nooit zal de mens er in slagen de oernatuur te temmen.

Het reizen in de jaren dertig heeft voor een groot gedeelte het maatschappelijk bewustzijn van Den Doolaard bepaald. Aan den lijve ondervond hij de opkomst van het fascisme en nationaal-socialisme. Hij schreef er felle reportages over met schokkende feiten, zoals Het hakenkruis over Europa (1938).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Den Doolaard in Londen, waar hij voor Radio-Oranje werkte.

Na de oorlog verscheen in 1947 Hef verjaagde water, waarin de drooglegging van Walcheren werd beschreven.

Gevraagd naar zijn beste roman antwoordde hij in een interview: Kleine mensen in de grote wereld (1953). Kleine mensen in de grote wereld is een sociale tijdsroman, die gesitueerd is in het stakende Frankrijk, het hongerende Duitsland en in de USA van McCarthy. Kleine mensen

illustratie

A. den Doolaard (r.) in Albanië, 1955. Foto: archief Cas Oorthuys.




illustratie
Roman (1934). Omslag: B. Mohr.


[p. 278]



illustratie

Fragment uit wat de roman Kleine mensen in de grote wereld (1953) van A. den Doolaard zou worden.


raken onverbiddellijk in de greep van de grote machten. Tijd van handeling: 1948.

Tien jaar later werkt Den Doolaard aan een nieuwe levensbeschouwelijke roman: De goden gaan naar huis (1966). Een visionaire roman én een aanklacht tegen de roekeloze hoogmoed van een wetenschap zonder geweten. De laatste regel van dit boek luidt: ‘We hebben tussen wonderen geleefd, maar we hebben het niet begrepen.’

Overig werk

Ballade du jeune marin (1928), Vier balladen (1928), De laatste ronde (1929), Van camera, ski en propeller (1930), De wilden van Europa (1932), De witte stilte (1932), Quatre mois chez les comitadjis (1932), Hooge hoeden en pantserplaten (1934), Oostenrijk 1935 (1935), Van vrijheid en dood (1935), Wapen tegen wapen (1936, met L.J. van Looi), Wampie (1938), Door het land der lemen torens (1939), Oranjehotel (1944), De partisanen en andere gedichten (1944), Vooravond Kerstmis 1944 (1944), Dit is Walcheren (1945, met Jef Last en Ed. Hoornik), Europa tegen de Moffen (1946), Walcheren komt boven water (1946), De vier ruiters (1948), Het land van Tito (1954), De toekomst in uw handen (1955), Joegoslavië; kaleidoscopisch reisland (1956), Het land achter Gods rug (1956), Dit is Joegoslavië (1957), Dit is Griekenland, het vasteland (1958), Dit is Venetië (1958), Het leven van een landloper (1958), Dit is Griekenland, de eilanden (1959), Grieken zijn geen goden (1960), Prinsen, priesters en paria's (1962), Vakantieland Joegoslavië (1963), Ontsporingen (1967), Ogen op de rug (1971), Pers en persvrijheid (1974), Samen is twee keer alleen (1976), Londen en de zaak Van 't Sant (1980), Ik ben tegen (1983).