
Tjalie Robinson legt de officierseed af. Als legervoorlichter van het KNIL werd hij tot kapitein bevorderd, 1945-1946.
‘
Ik ben halfbloed’. Dit is een verwijzing naar een uitgangspositie en tegelijk een persoonlijk credo van Robinson / Mahieu. Als Indo, zoals hij zich bij voorkeur noemde, was hij ook cultureel een ‘kind’ van zowel Indonesië als Nederland. Deze positie wordt vaak vereenzelvigd met ‘marginaliteit’; een soort beklemde hachelijke existentie tussen twee culturen of beschavingen, waaraan men deelneemt maar waartoe men niet echt behoort. Omstreeks 1960 was dit ook nog de positie van Robinson / Mahieu. Later bleek hij zich echter gedistantieerd te hebben van die toestand van ‘een ezel tussen twee hooibergen, die niet weet wat hij kiezen moet om op te vreten’. Een herwaardering bracht hem ertoe in 1972 te verklaren, dat ‘de Indo’ sedert zijn ontstaan ‘zestien generaties oud’ was en ‘al verdomd ver afgeweken van de “rechte stam” (Nederland of Indonesië). Wie dan nog gelooft in re-assimilatie is niet goed snik.’
Als formulering was dit misschien nieuw. Onveranderd was echter gebleven zijn creatieve opvatting van Indo-identiteit. Een existentieel speuren naar zijn authentieke Zelf, waarvan de filosoof zou zeggen dat het diep in ons altijd al is geweest en tegelijk nog steeds in staat van wording is. Wat hierbij aansloot was zijn weinig begrepen ‘jagersfilosofie’, vooral uitgedrukt in Tjies (1956) en Tjoek (1960). Voor Robinson / Mahieu was het leven zelf - en daarmee het zoeken naar een identiteiteen ononderbroken jacht met telkens andere wapens. De mens-als-jager kon die wapens beheersen en bedreven zijn in het spoorzoeken,

Illustratie door Tjalie Robinson bij een ongepubliceerd feuilleton van hem.
Tjalie Robinson, hoofdredacteur van het Indische tijdschrift Tong Tong, aan Anne Wadman.