Van Stevin tot Lorentz


auteur: A.J. Kox


bron: A.J. Kox (red.), Van Stevin tot Lorentz. Portretten van achttien Nederlandse natuurwetenschappers. Bert Bakker, Amsterdam 1990 (2e herziene uitgave).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 71]

6 Herman Boerhaave 1668-1738

A.M. Luyendijk-Elshout

 



illustratie

Herman Boerhaave, ‘leermeester van gans Europa’, was tijdens zijn professoraat in Leiden al een drukbesproken persoonlijkheid. Vanaf 1710 komen kleurrijke berichten in dagboeken en brieven van zijn studenten voor, waarbij zij de eenvoud van zijn kleding beschrijven, zijn rijkelijk met literatuurvermeldingen doorvlochten colleges, die de studenten deden verzuchten dat het niet te verwachten was dat al die boeken zouden worden gelezen! Albrecht von Haller, een van Boerhaaves meest vooraanstaande leerlingen, beschrijft zijn leermeester nauwkeurig, zijn soberheid, vriendelijkheid en zijn grote geleerdheid. Een boek, dat 's morgens door Boerhaave op college werd aangeprezen, werd 's middags door de talloze boekhandelaren in Leiden voor de dubbele prijs verkocht.

Ook na zijn dood beschrijven studenten het aura van zijn glorie, dat nog om zijn grafmonument was blijven hangen.

Velen hebben voor dit monument gestaan en hun verzuchtingen op schrift gesteld. Zo schrijft Johan Jacob Grabner in 1970 over Boerhaave: ‘Als er geen intolerantie had geheerst onder de geestelijken, die tijdgenoten van Boerhaave waren, dan zou deze onsterfelijke arts waarschijnlijk een sterfelijke Hollandse dominee zijn geworden...’

Boerhaave werd in 1668 geboren in Voorhout, in de pastorie van de Hervormde Kerk, waar boven de deur het zo gastvrije opschrift staat: Porta patet tibi, sed magis cor (de deur staat voor u open, maar het hart nog meer). In deze omgeving groeide de domineeszoon op als een buitenkind, vertrouwd met weiland, duinen, paarden en planten. Zijn moeder Hagar Daelder, overleed

[p. 72]

reeds in 1673. Vader Boerhaave hertrouwde met de veel jongere Eva Dubois, aan wie de jongen zich sterk hechtte. Hij werd naar Leiden gestuurd naar de Latijnse school, las Plinius en Horatius en de andere klassieken en scheen voorbestemd voor het ambt van zijn vader.

Schraalhans was keukenmeester in het gezin van de dominee, waar vele monden gevoed moesten worden, en dat werd er niet beter op toen vader Boerhaave in 1683 stierf. Het gezin verhuisde na enkele jaren naar Leiden. Mevrouw Boerhaave betrok met haar negen kinderen een huis aan de Bagijnhof rond de Faliede Bagijnekerk. Van deze kerk is thans nog de nauwelijks herkenbare absis over, opgenomen in de voormalige universiteitsbibliotheek. De huizen om de hof zijn vrijwel alle verdwenen. Mevrouw Boerhaave verhuurde kamers aan studenten. Herman studeerde ijverig theologie en wijsbegeerte en knoeide in de kelder wat met retorten en destilleerkolven aan zijn hobby, de scheikunde.

In deze fase van zijn leven werd hij ontdekt door mr. Johan van den Berg, een jonge patriciërszoon, die voorbestemd was voor een bestuurscarrière. In 1690 werd hij tot secretaris van Curatoren benoemd, en als zodanig kreeg hij al te maken met de aankoop van een beroemde boekerij: het legaat van Isaac Vossius, dat een schat van boeken en manuscripten bevatte. Dit legaat zou worden opgenomen in de universiteitsbibliotheek, die in de Faliede Bagijnekerk was gehuisvest. Herman Boerhaave, die inmiddels begonnen was met het geven van wiskundelessen, kreeg de opdracht de collectie te inventariseren en onder te brengen in de bibliotheek. Met de werkzaamheden was ruim anderhalf jaar gemoeid, de bibliotheek was in die tijd voor bezoekers gesloten en Boerhaave bracht vele uren door tussen de boeken. De bibliotheek was niet verwarmd en de secretaris verzorgde een kachel, ‘met geglommene vier’ om het werk te veraangenamen, want de winter van 1691 was zeer koud.

Vele boeken passeerden Boerhaaves handen: Isaac Newtons Principia mathematica, het werk van Francis Bacon, dat van René Descartes en vele boeken uit de klassieke geneeskunde. In deze periode besloot Boerhaave geneeskunde te gaan studeren. Als er een sectie in het Theatrum Anatomicum was, volgde hij de lessen van professor Antonius Nuck. Hij raakte bevriend met Burchard de Volder, hoogleraar in de proefondervindelijke wijsbegeerte, en zag in diens in 1675 ingerichte Theatrum Physicum luchtpompen, Maagdenburger halve bollen en andere spectaculaire apparaten in werking.

Hij beleefde de geruchtmakende episode van het kortstondig verblijf van Archibald Pitcairn, een Schots medicus, aan de Leidse universiteit. Hij was getuige van de proeven van de in Leiden benoemde Franse hoogleraar Charles Drelingcourt, die op honden experimenteerde en de ontwikkeling volgde van het kippenembryo, zelfs met behulp van een microscoop. Zijn zomervakanties bracht hij door in Amsterdam bij de oude professor Frederik

[p. 73]

Ruysch, die zich bezig hield met het opspuiten van bloedvaten in menselijke preparaten met een mengsel van gekleurde was.

De jonge Boerhaave bevond zich aldus in een uitgelezen gezelschap van geleerden. De wetenschap in Nederland was in de Gouden Eeuw tot grote bloei gekomen en de Nederlandse onderzoekers stonden in hoog aanzien. De Leidse universiteit herbergde vele buitenlandse studenten, uit Centraal Europa, Scandinavië, Engeland en Frankrijk. Na het laatste bezoek van Czaar Peter de Grote aan Nederland in 1715 zouden ook Russische studenten naar Leiden komen. Ook uit verre gewesten, zoals Jamaica en Amerika kwamen vanaf het begin van de achttiende eeuw studenten, vaak voor een juridische of medische opleiding.

Mr. Johan van den Berg begreep al spoedig dat zijn ijverige ‘werkstudent’ voor de Leidse universiteit behouden moest blijven. Handig zette hij curatoren de voet dwars als het ging om het aantrekken van buitenlandse hoogleraren, en tactvol maakte hij de grootedelachtbare heren, met de baron van Wassenaar van Obdam als president, attent op de jonge Boerhaave, waar het maar even kon. In 1701 was het zover; Boerhaave kreeg een lectoraat, hij mocht de inleiding in de geneeskunde gaan doceren. Dit betekende in feite dat hij de klassieken (in het bijzonder Hippocrates) bij de studenten mocht introduceren. Hij begon zijn ambt met een belangwekkende rede, waaruit terstond bleek dat hij feilloos besefte hoe de moderne klinische geneeskunde moest worden beoefend, namelijk volgens de richtlijnen van Hippocrates en de Engelse arts Sydenham, een uitstekend clinicus, met grote kennis van epidemieën, die de mensheid nog eeuwen zouden teisteren.

De volgende verdienste van Herman Boerhaave was dat hij zich niets aantrok van de beperkingen van zijn leeropdracht maar dat hij zich er terstond toe zette de grondbeginselen van de geneeskunde aan de studenten te onderwijzen. De hoogmogende Curatoren begrepen nu wel dat deze parel voor Leiden behouden moest blijven. In 1703 gaven zij hem de gelegenheid opnieuw zijn credo over de geneeskunde te uiten, ditmaal zonder de beperkingen van het lectoraat.

Het succes was opmerkelijk. Boerhaave openbaarde zich met een geheel nieuwe methode in de geneeskunde, de iatromechanica, beginselen van de mechanica als uitgangspunt van een nieuwe theorie over gezondheid en ziekte. Curatoren haastten zich om Boerhaave de eerste leerstoel te beloven die vrij zou komen. Dat geschiedde in 1709, na het overlijden van Petrus Hotton, de botanicus. Wederom richtte Boerhaave zich tot de academische gemeenschap, in deze rede lanceerde hij zijn beroemde beginsel: simplex veri sigillum, eenvoud is het kenmerk van het ware. Zijn eerste opdracht was nu de verzorging van de botanische tuin en het onderwijs in de kruidkunde, in het bijzonder de kennis van geneeskrachtige kruiden, de materia medica.

In 1714 besloten de curatoren om Boerhaave de verantwoordelijkheid op

[p. 74]

te dragen voor het klinisch onderwijs. Dit is vermoedelijk de belangrijkste beslissing geweest, niet alleen voor de medische faculteit, maar voor de hele moderne geneeskunde. In het Caecilia Gasthuis in Leiden waren reeds sinds 1636 twaalf zogenaamde onderwijsbedden gereserveerd, maar in de loop van de tijden was de kwaliteit van het onderwijs aan sterke schommelingen onderhevig geweest. Franciscus de le Boë Sylvius, grondlegger van de zogeheten chemiatrische school, had in de periode 1658-1672 het klinisch onderwijs tot grote bloei gebracht. Daarna was het aanzienlijk achteruit gegaan. Op Boerhaave rustte nu de taak het onderwijs weer op gang te krijgen. Bovendien kreeg hij in 1718 nog de leerstoel voor de scheikunde toegewezen na de dood van Jacobus le Mort. De veertigjarige hoogleraar zou toen, met recht, hebben kunnen zeggen: ‘La Faculté de Médécine de Leyde, c'est moi’. Alleen de anatomie werd nog niet door hem gedoceerd. Maar daar zou hij binnen twee jaar een van zijn leerlingen aan zetten: zoon van zijn buurman en collega proximus Bernhard Albinus (die in 1721 overleed): Bernhard Siegfried Albinus.

Tot 1728 deed Boerhaave letterlijk alles: onderwijs in de botanie, praktijk, klinisch onderwijs en colleges in de scheikunde. 's Morgens om zes uur liep hij al op klompen in de hortus, 's avonds om elf uur gaf hij zijn laatste brieven mee aan de trekschuit. Hij trok zich vaak terug in Oud-Poelgeest, dat hij in 1724 had gekocht om wat rust te krijgen en om zich te wijden aan een van zijn liefhebberijen, het kweken van bomen. Ondanks zijn fysieke kracht en ijzeren discipline werd hem de last toch te zwaar: in 1729 legde hij twee leeropdrachten, in de botanie en de scheikunde, neer. Hij beperkte zich tot het onderwijs in de geneeskunde, de uitgave van een aantal boekwerken en vele wetenschappelijke contacten met leerlingen en vrienden. Hij stierf in 1738, waarschijnlijk aan een hartlijden, ten gevolge van hoge bloeddruk en afsluiting van de kransslagaderen (Lindenboom, 1968).

Een kleurrijk leven, rijk voorzien van academische lauweren en de glorie van internationale roem! Nog heden wordt Boerhaave erkend als de grondlegger van het geneeskundig onderwijs, als voorloper van de moderne geneeskunde. Zijn roem is echter niet te danken aan grote ontdekkingen of het in gang zetten van een wetenschappelijke revolutie. Zelfs zijn iatromechanica was in feite niet nieuw, en hij was niet de enige die deze leer naar voren bracht.

Boerhaave wordt gerekend tot de systeembouwers, die in belangrijke mate het gezicht van de achttiende-eeuwse geneeskunde hebben bepaald. Een van de bekendste was Georg Ernst Stahl (1659-1734), een Duits geleerde, die de mechanische beginselen in de geneeskunde verwierp, en die gezondheid en ziekte liet afhangen van de menselijke ziel, die via het vermogen van beweging de materie van het menselijk lichaam zou kunnen beïnvloeden.

Boerhaave daarentegen rekende de ziel tot het domein van de theologie.

[p. 75]

Hij beperkte zich tot het lichaam om zowel gezondheid als ziekte met behulp van mechanische begrippen zoals stagnatie, obstructie, stijfheid, elasticiteit en dergelijke te verklaren. Ook in zijn scheikundig werk wees Boerhaave de metafysische verklaringen en verbindingen zoals die in de alchimie gebruikelijk waren, ten enenmale af. Hij probeerde met zijn doctrines een basis van zekerheid te vinden, die op eenvoudige beginselen berustte waar de arts en onderzoeker mee zouden kunnen werken.

Om zijn stelsel goed te funderen begon hij de wetenschappelijke verworvenheden van de zeventiende eeuw op hun verdiensten te testen, en keerde hij zich in vlammende bewoordingen tegen speculatieve gedachtengangen over processen in het menselijk lichaam. Vooral het uitspinnen van een mengsel van hypothesen ontleend aan René Descartes en de grondbeginselen van Sylvius' chemische theorieën werd door Boerhaave verworpen. Voor hem waren er drie grootmeesters in de wetenschap: William Harvey met zijn systematisch onderzoek van de bloedsomloop, Robert Boyle en diens methode van onderzoek in de scheikunde en bovenal Isaac Newton, wiens mathematische beginselen voor Boerhaave de aangewezen weg waren voor het verkrijgen van zekerheid in de wetenschap. Ook Christiaan Huygens beschouwde hij als ‘een licht van de zeventiende eeuw’.

Naast deze strenge ‘zuiverende’ wetenschappelijke methoden voor de grondbeginselen der geneeskunst, achtte Boerhaave het onmisbaar om de praktijk van de behandeling van de zieke met de grootste zorgvuldigheid en eenvoud te verrichten. Zijn behandeling van patiënten was expectatief, hij was een tegenstander van drastische behandelingsmethoden en hij had een groot vertrouwen in het vermogen van de ‘natuur’ om de genezing te volbrengen. Evenals Hippocrates bezag hij de gehele mens in zijn ziek-zijn en zijn therapie bevatte zowel leefregels als zorgvuldig uitgekozen geneesmiddelen, die hij gericht op het individu liet samenstellen. Door zijn grote kennis, ook van uitheemse kruiden, was zijn therapeutisch arsenaal zeer gevarieerd.

Deze combinatie van eenvoudige, goed gefundeerde beginselen voor de geneeskunde, en weloverwogen ‘hippocratische’ benadering van de patiënt heeft de geneeskunde een basis gegeven, waarop deze zich tot in onze tijd heeft kunnen ontplooien. Boerhaaves aanwijzingen voor het geneeskundig onderwijs zijn nog heden te herkennen: de studenten moesten goed onderlegd zijn in de grondbeginselen van de wis- en natuurkunde, vervolgens moesten zij worden bekend gemaakt met de scheikunde, plantkunde en de anatomie. Daarna volgde het onderwijs in de fysiologie en de ziekteleer en werden de studenten aan het ziekbed begeleid. Tot slot onderwees de ‘zwijgende dood’, de pathologie. Hoewel explosief uitgebreid, is in wezen de opleiding nog steeds dezelfde.

Door het uitbannen van de metafysica uit de geneeskunde en het strak

[p. 76]

volhouden aan mechanische beginselen, werden reeds tijdens Boerhaaves leven kanttekeningen naast zijn leer gezet: was hier niet sprake van een te ver doorgevoerd materialisme, dat weinig rekening hield met de raadselen van het leven?

Boerhaave voelde heel goed aan dat bespiegelingen over de vraag: wat is leven? of: wat is de relatie van de menselijke ziel met het lichamelijk substraat? een delicaat gebied raakten, dat door kerkelijke autoriteiten argwanend in de gaten werd gehouden. Een van de problemen waar tegenover de geleerden zich geplaatst zagen was het onderscheid tussen de door God gegeven menselijke ziel en het functioneren van het centraal zenuwstelsel met zijn reacties op prikkels uit de buitenwereld. Dit gebied was het oefenterrein van de experimentele fysiologie, druk beoefend in de zeventiende eeuw, waarbij veel proefdieren werden opgeofferd.

Het begrip ‘prikkelbaarheid’, waarbij de onderzoeker naging of delen van het lichaam, bijvoorbeeld de hartspier, direct reageerden op mechanische en chemische prikkeling, was Boerhaave welbekend, hij was zelf getuige geweest van de dierproeven, die Charles Drelingcourt op honden verrichtte. Pas in zijn laatste colleges over het centraal zenuwstelsel heeft Boerhaave het vitaliteitsbeginsel in het menselijk lichaam behandeld, waarvoor hij het oude hippocratische begrip, de ‘aanzetmaker’, het impetum faciens aanhaalde.

De door God gegeven menselijke ziel heeft Boerhaave nimmer in zijn verhandelingen betrokken, hij scheidde de theologie scherp van de biologie en zocht zijn geneeskundige behandeling meer in mens en milieu dan in mens en geest, waar zijn tegenstander Stahl een voorstander van was. Stahl mag dan ook beschouwd worden als een grondlegger van de psychosomatische geneeskunde, hoewel zijn stelsel duister is en hij in zijn tijd weinig werd gewaardeerd.

Het is deze scherpe afbakening van het terrein van de theologie en metafysica tegenover dat van de biologie en de anorganische wetenschappen, die Boerhaaves leer zo geliefd hebben gemaakt, niet alleen bij de artsen en onderzoekers, maar ook bij de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten. Immers het betrekken van de ziel in lichamelijke processen hield grote risico's in voor de absolutistische regimes die in de achttiende eeuw aan de macht waren. Als de ziel niet door God gegeven zou zijn, maar een lichamelijke exponent was dan zou deze beïnvloedbaar zijn door materiële processen. Daarmede zou de onsterfelijkheid van de ziel twijfelachtig worden, ja zelfs het gehele bestaan van God zou op het spel komen te staan. Dit betekende een verstoring in de orde van het gezag, met alle risico's van dien.

Een teken aan de wand was het in 1748 in Leiden verschenen werk van Julien Offraye de la Mettrie, die Boerhaaves mechanistische theorieën doortrok naar het terrein van de metafysica door in zijn l'Homme machine te beweren dat ook dáár uitsluitend de materie van belang was. Een dergelijke op-

[p. 77]

vatting ‘opende de wegen des verderfs’ en de dames Elisabeth Wolff en Agatha Deken hebben in hun romans dit thema benut als discussiepunt over de waarde van de deugd. Daarbij voerden zij de roddelende domine Heftig als een exponent van benepen orthodoxie ten tonele, als tegenstander van alle vernieuwing in de wetenschap.

Nederland hield dus de leer van Boerhaave hoog, ook al neigde Boerhaaves leerling Hieronymus Gaub sterk tot de psychosomatische geneeskunde. Gaub wist echter, evenals Boerhaave, de onsterfelijke ziel te eerbiedigen. Hij legde zich er op toe het vitaliteitsbeginsel te verbinden met de resultaten van onderzoek van verschillende experimentele scholen, waarbij hij streefde naar een ‘harmoniemodel’ zonder zich te wagen aan uitspraken omtrent aard en samenstelling van de menselijke geest.

Veel rechtzinniger ging het toe in het katholieke Oostenrijk, waar Maria Theresia in 1745 Boerhaaves leerling Gerard van Swieten aanstelde tot reorganisator van het medisch onderwijs in Wenen. Maria Theresia was, zoals ieder regerend vorst, in eerste instantie gebaat bij rust en orde in haar land. Niet zozeer de gezondheid van de individuele burger, maar de algehele gezondheidszorg stond haar voor ogen, toen zij Van Swieten als protomedicus aanstelde. Van Swieten heeft onverbiddelijk de leer van Boerhaave moeten doorvoeren. De keizerin stond er op dat uitsluitend deze vorm van geneeskunde in het land zou worden toegelaten.

Zelfs de irritabiliteitsleer van Albrecht von Haller, die in 1757 een nieuwe weg van onderzoek voor de geneeskunde opende, werd maar ternauwernood geaccepteerd. De leer van de prikkelbaarheid verlegde de aandacht van de ‘vochten’ naar de vaste delen (de weefsels) als bron van het leven. Omstreeks 1800 werden verschillende vernieuwers van de geneeskunde nog het land uitgezet. In het Oostenrijkse vorstenhuis werd elke poging de wetenschap te vernieuwen langs een andere weg dan de mechanisch-materialistische, gezien als een aanval op de troon. Onder de artsen, die Wenen moesten verlaten, bevonden zich Johan Peter Frank, de grondlegger van de sociale geneeskunde, Franz Anton Mesmer, met zijn fantastische ideeën over dierlijk magnetisme en Franz Joseph Gall, grondlegger van de lokalisatieleer in de hersenen.

Ook Schotland had in 1727 een medische faculteit gekregen in Edinburgh, opgericht door een groep medici, die in Leiden waren opgeleid. De medische faculteit werd gefinancierd door de stad, er moesten wel tastbare resultaten te voorschijn komen, wilden de karige verdiensten van de Schotten de zaak draaiende kunnen houden. Vooral het academisch ziekenhuis, the Royal Infirmary, werd geheel volgens de ideeën van Boerhaave ingericht en met kapitaal van een visfabriek gefinancierd. Edinburgh was bijvoorbeeld voor Amerikaanse studenten aanzienlijk goedkoper dan Leiden, bovendien was het onderwijs uitstekend en ook hier kwam de wetenschap tot grote bloei.

[p. 78]

Desalniettemin hielden de stadsbestuurders een oogje in het zeil, of niet buiten de zo profijtelijk gebleken leer van Boerhaave werd gedoceerd. Degene, die Boerhaaves stelsel in Edingburgh zou verwerpen, werd echter door studenten en geleerden beschouwd als ‘shining oracle’. William Cullen publiceerde tussen 1746 en 1748 zijn First Lines on the Practice of Physics, waarin hij op elegante wijze zowel het werk van Stahl als dat van Boerhaave begroef. Zijn nieuwe leer, waarbij niet de dynamiek van het bloed in het vaatstelsel, maar het zenuwstelsel met zijn prikkels en geleiding centraal stond, zou de bodem vormen van zowel vernieuwing als van vele alternatieve geneeskundige methoden, die aan het begin van de negentiende eeuw zouden ontstaan.

Vanuit Edinburgh stak de school van Boerhaave over naar Amerika, waar in Philadelphia in 1765 een medische faculteit werd opgericht die eveneens naar het boerhaaviaans model werd gevormd. In de overige landen van Europa ging de verspreiding meer langs individuen dan langs instituten, met uitzondering van Rusland, waar reeds in 1707, door Nicolaas Bidloo, die in de Leidse school was opgeleid, een ziekenhuis was gesticht in Moskou, waarbij ook medisch onderwijs in het geding was. Toch mag Nicolaas Bidloo niet tot Boerhaaves leerlingen gerekend worden. Zijn opvolgers, de gebroeders Kaau, neven van Boerhaave, hebben in Rusland de methode van hun oom in het onderwijs van de geneeskunde voortgezet. Tot Boerhaaves roemruchte en schoolmakende leerlingen behoorden behalve de reeds genoemde Albrecht von Haller, die in Göttingen de school voortzette, en Gerard van Swieten ook de Zweedse student Carl Linnaeus, grondlegger van de plantensystematiek.

In zijn botanisch werk openbaarde Boerhaave zich, evenals in de geneeskunde, van het begin af aan als een natuuronderzoeker van de eerste rang, met volledige kennis van taxonomie en anatomie van de planten. Evenmin als in de geneeskunde zette hij een revolutie in gang, maar hij bezag het materiaal kritisch en uit het oogpunt van een didact. Ook hier gold voor hem: eenvoud is het kenmerk van het ware.

Hij gaf reeds een jaar na zijn benoeming tot hoogleraar in de plantkunde een catalogus uit van de planten die zich in de hortus bevonden. In 1720 verscheen er een tweede Index plantarum, veel uitvoeriger en voorzien van een korte historische inleiding over de ontwikkeling van de hortus. Boerhaave bekende in deze inleiding, dat hij nog niet in staat was om een volledige algemene plantensystematiek samen te stellen en hij voegde er nog een bekentenis aan toe, namelijk dat hij daar nog niet in zou slagen, zelfs niet als hij een hoge leeftijd zou bereiken! Deze woorden heeft Linnaeus zich ter harte genomen.

Ook het Botanicon Parisiense van Sebastien Vaillant heeft Linnaeus beïnvloed. Vaillant had nauwkeurig de seksualiteit van de planten bestudeerd. In

[p. 79]

Parijs was men gechoqueerd door Vaillants mededelingen over de geslachtsorganen van planten, maar Boerhaave zag terstond het belang van Vaillants onderzoek in. Samen met zijn vriend William Sherard bereidde hij een uitgave van Vaillants nagelaten werk voor. Dit verscheen in 1727 in Amsterdam en Leiden. Boerhaave had er kosten noch moeite voor gespaard, hij had 300 tekeningen van Claude Aubriet gekocht, die hij op drieëndertig platen had laten graveren, ter illustratie van het werk.

Deze wijze van publiceren, namelijk het uitgeven van teksten in een kostbaar boekwerk, was een van Boerhaaves genoegens. In 1725 gaf hij samen met zijn leerling B.S. Albinus de beroemde atlas van Andreas Vesalius uit, verlicht met anatomische platen van Steven van Calcar, die Boerhaave door een Amsterdams kunstenaar, Jan Wandelaar, opnieuw liet graveren. Ook de Bijbel der Natuure van Jan Swammerdam werd door hem in een fraaie uitgave gepubliceerd in 1737. Eveneens zagen de teksten van enkele geliefde klassieke auteurs het licht, onder andere die van de Hellenistische arts Aretaeus van Cappadocië.

De drie bekendste werken van Boerhaave zijn echter de Aphorismi in cognoscendis et curandis morbis in usum doctrinum domesticae, in het Nederlands vertaald door K. Love in 1741 als Kortbondige spreuken wegens de ziekten, de reeds genoemde Institutiones physiologicae en de Elementa chemiae, een leerboek der scheikunde dat eveneens grote bekendheid heeft gekregen. Al deze werken zijn in vele talen gepubliceerd, gedocumenteerd door zijn leerlingen en over de hele wereld verspreid, tot in Japan en Turkije toe!

Boerhaave heeft met zijn medische praktijk en waarschijnlijk met zijn consulten, die vaak schriftelijk werden gegeven, een aanzienlijk vermogen verworven. In 1710 was hij gehuwd met Maria Drolenvaux, een niet onbemiddelde dochter van een lakenkoopman. Zijn strenge, sobere levenshouding stond geen leven in pracht en praal toe: hij leefde eenvoudig met zijn vrouw en dochter, en zocht onspanning in muziek en paardrijden. Veel geld besteedde hij aan de reeds genoemde, welhaast bibliofiele uitgaven van boeken. Het is niet bekend of hij charitatief was ingesteld, wel had hij een armenpraktijk, waarin hij de patiënten met even veel zorg behandelde als de rijken.

Boerhaave heeft tijdens zijn leven veel roem en eer ondervonden. Toen hij stierf dacht hij wel even spoedig vergeten te worden als zijn illustere voorganger Franciscus le Boë Sylvius. De geschiedenis heeft anders geleerd, Sylvius is nog steeds geëerd in de historie, in Leiden is een groot laboratoriumcomplex naar hem genoemd. Boerhaaves roem kwam vooral tot bloei in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen hij opnieuw ontdekt werd door zowel medici als door medici-historici.

Tot ver in de negentiende eeuw werd de geneeskunde beschouwd als een ervaringswetenschap, waarbij men gebruik moest maken van alle gegevens,

[p. 80]

die in tweeduizend jaren verzameld waren. De arts bekeek de oude boeken niet uit filosofische belangstelling of als antieke curiosa, maar als bronnen. Zelfs met Hippocrates trad men in een dialoog, zijn opinie werd gezet tegenover die van de meeste geavanceerde medici. Zo zijn ongetwijfeld de Kortbondige spreuken nog lange tijd in de praktijk gebruikt, zowel die van Hippocrates als die van Herman Boerhaave. Niet alleen gebruikt, maar ook gewaardeerd, vaak door grote vernieuwers in de geneeskunde, die tot hun verrassing problemen en theorieën herkenden in het werk, die ook zij in hun gedachtengang hadden betrokken, zij het met een grotere technische kennis tot hun beschikking.

Deze ‘schok van herkenning’ is voor veel vooraanstaande medici tot op heden aanleiding geweest om eerbiedig op te zien naar de achttiende-eeuwse leermeester. Veelal werd Boerhaave geroemd in feestelijke redevoeringen, door mannen als R. Virchow, grondlegger van de cellulaire pathologie en sir William Osler, die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de vorming van de Amerikaanse medici en John Fulton, een bekend Amerikaans fysioloog.

Een andere groep die zich met Boerhaave heeft beziggehouden, is die der medici-historici, die zijn leven en werk hebben beschreven en geplaatst in de cultuurhistorie. Hier mogen Henry Sigerist, Paul Diepgen, Lester King en J.D. Comrie genoemd worden, als ‘gezanten’ van Amerika, Duitsland en Schotland. Het belangrijkste, cumulatieve historische werk is echter verricht door een Nederlander, prof. dr. G.A. Lindeboom van de Vrije Universiteit van Amsterdam, internationaal bekend om zijn indrukwekkende biografie van Herman Boerhaave. Aan zijn werk is ook het merendeel van de gegevens van dit hoofdstuk ontleend. Dat wil niet zeggen, dat het laatste woord nu over Boerhaave is gezegd! Iedere tijd heeft nieuwe vragen, waarmee de historici in de geschiedenis duiken. Op historische gegevens en personen zal altijd ‘nieuw licht’ blijven schijnen, al lijken de bronnen tot op de bodem geëxploreerd te zijn. Want de geschiedenis heeft een toekomst. Ook voor Herman Boerhaave en zijn vele, vele leerlingen en bewonderaars.