‘Talrijk zijn de tijdschriften op het terrein der “belletrie”; hoevele er van ademen ook maar eenigszins den Christelijken geest?’ Deze retorische vraag uit het oprichtingsprospectus van OTs1 liet duidelijk uitkomen, dat A.J. Hoogenbirk zijn maandblad mede dienstbaar wilde maken aan de beoefening der ‘belletrie’ in christelijke geest. Het komt ons daarom gewenst voor, allereerst na te gaan, welke literaire denkbeelden in kritiek en essay in OTs werden ontwikkeld en hoe het de literaire meningsvorming der lezers heeft beïnvloed gedurende de jaren dat alleen Hoogenbirk de redactie voerde.
Als globale terreinverkenning op eigen erf verscheen reeds in de tweede aflevering van OTs een beschouwing van de oprichter over Christelijke lectuur2. In deze bijdrage zocht Hoogenbirk, kritisch en teleurgesteld, naar een verklaring voor de geringe literaire produktiviteit in eigen kring. Op het terrein der stichtelijke, meer bepaald theologische, lectuur mocht dan enig oorspronkelijk werk te vermelden zijn, verhalend proza verscheen vrijwel uitsluitend in vertaling. Nog ernstiger achtte hij de situatie ten opzichte van de poëzie: ‘Immers, de poëzie heeft zelfs niet eens op min of meer gelukkige vertalingen te wijzen. Ze slaapt eenvoudig’3. De verklaring zocht Hoogenbirk eensdeels in de tijdsomstandigheden met hun tijd en energie absorberende conflicten op kerkelijk en politiek terrein en hun materiële zorgen in vele gezinnen. Voor een ander deel meende hij de onbevredigende toestand te moeten wijten aan de financiële problemen van schrijvers en uitgevers, aan de weinig kritische instelling van het christelijk publiek en aan het feit, dat het debiet der christelijke lectuur, naar zijn aard reeds beperkt, door partijschap binnen de geestverwante kring nog verder werd gereduceerd. Scheen het toekomstperspectief derhalve weinig gunstig, Hoogenbirk eindigde niettemin met de hoop uit te spreken, dat OTs ertoe zou bijdragen een keer ten goede te bewerken.
In zijn sombere situatietekening ten aanzien van de poëzie had Hoogenbirk een uitzondering gemaakt voor het werk van J.A. Wormser, zijn mederedacteur van het tijdschrift Excelsior1. Als Een nieuw gedicht kondigde hij in een afzonderlijke bijdrage Wormsers historisch rijmwerk De Zeeslag bij Kijkduin aan2. In de betuiging, dat Wormser zich in zijn werk ‘niet méér Da Costiaansch of Ten Kateaansch dan elk waarachtig dichter’ betoonde3, liet Hoogenbirk blijken, welke dichters naar zijn oordeel het hoogtepunt der negentiende-eeuwse literatuur vertegenwoordigden4. Ter motivering van zijn waardering voor Wormsers poëem besloot Hoogenbirk zijn aankondiging met deze uitspraak: ‘Hier is realisme noch sentimentaliteit; het is van forschen koperklank, wat hard en “prose-like” soms misschien, maar ... waarachtige poëzie’5.
Uit deze en andere uitspraken6 valt te concluderen, dat ‘waarachtige poëzie’ zich naar Hoogenbirks overtuiging diende te ontwikkelen in nauwe aansluiting bij de stichtelijke poëzie uit een nabij verleden. In afwijking van Da Costa's bekende trits toetste Hoogenbirk ‘waarachtige poëzie’ echter op gevoel noch verbeelding, doch vergewiste hij zich slechts van degelijke inhoud, ‘normaal’ taalgebruik en metrische regelmaat. Van een esthetische benadering is hierbij geen sprake: ten aanzien van de inhoud beslist het ethisch-religieus gehalte; ten aanzien van de vorm worden enkele zeer aanvechtbare criteria in strakke consequentie gehanteerd7.
In de eerste jaargang van OTs plaatste Hoogenbirk eveneens een beschouwing over Het pessimisme in de letterkunde8, waarin hij front maakte tegen de Beweging van Tachtig. Bijdragen van deze aard komen in het oude OTs regelmatig voor. In hoge mate onvruchtbaar door hun
generaliserend karakter, zijn ze niettemin typerend voor het streven van Hoogenbirk en anderen in het oude OTs, om als christen een houding te vinden tegenover de literaire verschijnselen van de eigen tijd. Alom bespeurde Hoogenbirk de van God afvallige ‘Eeuwgeest’, leidend tot pessimisme en materialisme, tot ‘het plat-alledaagsche, laag-bij-de-grondsche’ realisme, dat - ‘volmaakt heidensch’ - slechts weet te ‘wroeten in het aardsche, tot in het slijk toe’1. Blijkens uitspraken elders vervulde het Hoogenbirk bovendien met zorg, dat het optreden der Tachtigers door tal van jongeren in eigen kring als een noodzakelijke vernieuwing werd gewaardeerd2. Bewondering voor de nieuwe richting beschouwde hij als een jeugdziekte, als een bewijs van nog onvoldoende gevormde smaak3. Fel klonken dan ook in de loop der jaren, meestal in passages van het Maandboek, Hoogenbirks protesten tegen de Beweging van Tachtig. ‘Wat voor nieuwe richting wordt gevent, (is) iets gemaakts, onnatuurlijks, in vorm gebrekkig, ons terugleidend naar het mindere, in wezen beslist verkeerd, wijl het de waarheid loochent’4. Zonder enige nuance werd de gehele Nieuwe-Letterenkraam door dit vonnis getroffen5: het werk heettte anti-christelijk en on-nederlands6; het nieuwe was gemáákt, niet geboren, laat staan ‘uit God geboren’; ‘daarom zal het leven noch gedijen’7.
Tot goed begrip van Hoogenbirks overtuiging is vooral van belang een klein artikel, gepubliceerd in de tweede jaargang, waarin Hoogenbirk beknopt zijn mening formuleerde over Kunst en kunstwaardij8. Na erop gewezen te hebben, dat de kunstbeoefening van zijn dagen was verworden tot ‘louter afgoderij’, poneerde hij: ‘Kunst kan nooit godsdienst zijn, noch hem vervangen’9. Ook verder ontwikkelde Hoogenbirk zijn over-
tuiging in negatieve omschrijvingen. Kunst is niet het hoogste, zo vervolgde hij, ook niet in betrekkelijke zin: ‘De meesterwerken van Raphael en Thorwaldsen, hoe hoog ze staan, zijn niet te waardeeren tegen een eenvoudige, vrome daad van zelfverloochening. Eén zondaar, die zich bekeert, verricht een edeler en heerlijker werk dan duizend kunstenaars ooit verrichten kunnen’1. Het is ontoelaatbaar - aldus Hoogenbirk - de kunst slechts ‘om de kunst’ te beoefenen: ‘Gelijk zij uit God is, is zij ook tot Hem’. Daarom dient het besef door te breken, dat ook in de kunst ‘de zedelijke waardij de hoogste, de dienst Gods het eerste is’. Slechts dan zal de kunst kunnen ‘werken tot waarachtige verbetering, tot werkelijke beschaving, tot voortgezette vernieuwing des gemoeds’2. Het is verkeerd - zo besloot Hoogenbirk - dat vele christenen de huidige wereld verwaarlozen terwille van de toekomende, maar veel ernstiger is de houding van ‘vele mannen der kunst’ die de omgekeerde fout begaan: hun dwaling ‘reikt tot in de eeuwigheid’3.
Deze korte bijdrage toont ons de complete Hoogenbirk, in alle beperktheid en eenzijdigheid van zijn literaire opvattingen, hoezeer men anderszins de consequentie en de verve waarmee hij zijn geloofsovertuiging beleed, kan respecteren. Voor de ontwikkeling van een christelijke literatuur waren zijn opmerkingen onvruchtbaar. Zelden heeft Hoogenbirk zich overigens in later jaren over letteren en kunst uitgesproken in afzonderlijke bijdragen. In een beschouwing over ‘Christelijke Verhalen’ eerde hij T.M. Looman, J. de Liefde en E. Gerdes om hun pionierswerk ten behoeve van de christelijke lectuur, ‘een betrekkelijk jonge plant, ontsproten uit het Réveil’4. En opnieuw gaf Hoogenbirk blijk van zijn bijzondere genegenheid voor een genre ‘verhalen, bepaaldelijk geschreven met het doel om de harten te voeren tot den Heer, te leiden op den goeden weg, besturing te geven, door voorbeelden te trekken’5.
In zijn radicale verwerping der Tachtigers vond Hoogenbirk een strijd-
baar medestander in Dr. A. Brummelkamp Jr.1. Ook voor Brummelkamp markeerde de Beweging van Tachtig een scheidslijn in de literatuur waarover hij geen voet wenste te zetten. In verschillende brede artikelen, alle sterk generaliserend van aard, bewees hij dat hij Kuypers wekroep verstaan en het parool overgenomen had: anti-revolutionair, óók in de kunst!
Reeds in de eerste jaargang hield Brummelkamp een fel requisitoir tegen Het nieuwste hoofdstuk uit de Geschiedenis onzer Fraaie Letteren, tegen het ‘broddelend dichterwerk’ der Nieuwe-Gidsers en hun ‘wandalen-inval in onzen letterhof’2. In dit artikel zocht hij een verklaring voor het feit, dat de glans der negentiende-eeuwse letteren was verduisterd door de moderne decadentie. ‘Wie heeft den frisschen stroom onzer fraaie letteren in deze zandzee van fatalisme en sensualisme doen doodloopen? En het antwoord moet luiden: niemand anders dan de Revolutie. De Revolutie in de denkwereld wel te verstaan’3. Pantheïsme en pessimisme zijn daarvan mede het resultaat, benevens ‘een fin-de-siècle aesthetica, wier kort begrip luidt, dat het kwade goed, het onreine rein, het leelijke schoon en onleesbare brabbeltaal poëzie is’4. In retorische vervoering besloot Brummelkamp met een oproep tot inkeer: ‘Wat we behoeven is een zedelijk keerpunt, een opwakend besef, dat er front gemaakt moet worden tegen de ontbindende krachten, die in onzen dichterhof aan het werk zijn’. ‘Ontvliedt den bedwelmenden harematmospheer!’ ‘Geeft ons weder Nederlandsche fraaie letteren, ook daarin, dat ge u verkleefd betoont aan de oud-vaderlandsche deugden’5.
De uitval over ‘onleesbare brabbeltaal’ werd uitgewerkt tot een compleet artikel over ‘Woordkunst’6, waarin Brummelkamp de juistheid wilde nagaan van de ook door christen-jongeren geuite bewering, dat de Tachtigers ‘het woord’ in ere hebben hersteld. Daartoe poneerde hij de criteria van: duidelijkheid, juistheid en soberheid in het taalgebruik. Aan geen van deze drie eisen voldeed zijns inziens de tachtiger literatuur.
Doch bovendien bespeurde hij in het gebruik van de term ‘woordkunst’ de gevaarlijke suggestie, dat de schone vorm bij een kunstwerk primair zou zijn1. En Brummelkamp eindigde met de ernstige waarschuwing, dat het veel beoefende ‘spel met de taal’ beschouwd diende te worden als ‘zonde tegen de ordeningen, door den Schepper in de wereld der gedachte en der taal gesteld’2.
Min of meer als vervolg op het voorgaande artikel is te beschouwen Versifex of dichter?3, een studie waarin Brummelkamp nogmaals de vraag aan de orde stelde: brengt de Beweging van Tachtig echte poëzie voort? Zijn ontkennend antwoord werd hier echter anders gemotiveerd. Drie argumenten voerde hij voor zijn afwijzing aan: 1e. de tachtiger poëzie maakt de vorm los van de inhoud, verwaarloost de inhoud, ‘verlaagt het Goddelijk taalvermogen tot een hollen klank’; 2e. ze eerbiedigt de wet van maat en harmonie niet, ‘de ingeschapen wet der poëzie’; en 3e. ze schijnt, als een ambacht, door iedereen aangeleerd en beoefend te kunnen worden. Zijn slotadvies luidde, dat de tachtiger versifex zich de dichter Bilderdijk ten voorbeeld moest stellen.
Zijn gedachten over ‘het Goddelijk taalvermogen’ ontvouwde Brummelkamp nog breder in het artikel: De Taal een Scheppingsordinantie4 Na inleidende opmerkingen over de verhouding van taal en denken, het fysiologisch functioneren van de stem, de psychologische macht van het woord, maakte Brummelkamp duidelijk, dat ook van deze bijdrage hoofddoel was: te protesteren tegen het ‘in den grond goddeloos en anti-christelijk’ ‘opzijzetten of forceeren van de ingeschapen taalwetten’ door de Tachtigers en hun volgelingen5. Het was een weinig verrassend slotakkoord na een reeks variaties op één thema6.
Geheel in de geest van Hoogenbirk leverde J.C. Homoet twee bij-
dragen aan de tweede jaargang van OTs. Zijn eerste beschouwing bevatte, in de generaliserende trant van de oprichter, een scherpe veroordeling van Het Realisme in de Letterkunde1. Al erkende de auteur, dat in het leven veel raadselachtigs en ellendigs te bespeuren valt, een natuurgetrouwe weergave daarvan achtte hij verwerpelijk: ‘wij mogen geen tafereel teekenen, dat niet aan den eisch van het menschelijk schoonheids- en gerechtigheidsgevoel beantwoordt’2. In alle eenzijdigheid klonk hier de roep om een idealistische kunst: ‘De ideale kunst plege de zaken schooner voor te stellen dan zij zijn; beooge bevrediging, waar de werkelijkheid van geen vrede weet, tenzij aan den voet van het Kruis; menge eene zoogenaamde poëtische gerechtigheid in het spel, ook waar in de werkelijkheid vaak zooveel onrecht heerscht’3. Ook in zijn tweede stukje kritiseerde Homoet de Nieuwe-Gidsers vooral als ‘beuzelachtige naäpers der natuur’ en wilde hij aantonen, ‘dat het ideale schoon niet beneden of rondom ons, maar boven ons te vinden is’, ‘waarheen wij moeten pogen op te stijgen’4.
In later jaren toonde Homoet echter een meer genuanceerd oordeel. In zijn beschouwing over de literaire dorheid in orthodox milieu - Is het gebrek aan Christen-dichters in onze dagen toevallig?5 - liggen de accenten geheel anders dan bij Hoogenbirk. Meende Hoogenbirk ook toen nog, dat het gebrek aan christen-literatoren zo ernstig was, omdat conflicten op-alle-levensterreinen te veel aandacht opeisten èn omdat de tachtiger taalrevolutie de weg der normale ontwikkeling had gebarricadeerd6, Homoet zag nog andere oorzaken voor het opvallend tekort. Hij noemde het koopmanschap der christelijke uitgevers, die niet bereid bleken hulp te verlenen of enig risico te dragen. Hij hekelde de geringe literaire kennis en het weinig ontwikkeld schoonheidsgevoel van het christelijk publiek. Hij wees op de smaakbedervende invloed van veel christelijk gerijmel. In afwijking van Hoogenbirk toonde hij waardering voor de tachtiger strijd voor ‘het woord’, ‘die ook ons, willens of onwillens, meer voor de zuivere woordkunst heeft doen gloeien’7. Ten-
slotte stelde hij ‘het voorlaatste dichtergeslacht’, dat te vaak ‘duffe rhetorica voor ware poëzie wou uitgeven’, mede aansprakelijk voor de literaire wansmaak bij een groot deel van het christelijk publiek1.
Deze laatste bijdrage van Homoet was oorspronkelijk een referaat, dat hij gehouden had in de C.L.V.-vergadering van 15 april 19032. Dit feit illustreert, dat in de periode van 1901-1904, toen OTs dienst deed als publikatie-orgaan van het C.L.V., de discussie in OTs over literaire vragen en verschijnselen in belangrijke mate werd bepaald door de problemen, die in het C.L.V. aan de orde werden gesteld. De daar gehouden referaten werden meestal in OTs volledig afgedrukt, waarna - op grond van de vrije-tribunegedachte - reacties van lezers konden worden gepubliceerd.
Reeds in de eerste vergadering van het C.L.V. (4 januari 1901) leidde Homoet, sinds de oprichting 2e secretaris van het verbond, een gedachtenwisseling in over dramatische poëzie en toneel. In zijn Maandboek had Hoogenbirk zich steeds nadrukkelijk tégen het toneel verklaard3. Homoet wilde nu in zijn verhandeling over Dramatische poëzie en Christendom doen uitkomen, ‘hoe ook de dramatische poëzie voor ons Christenen recht van bestaan heeft’4. Het voornaamste geschilpunt: de publieke vertoning der drama's, liet Homoet evenwel buiten beschouwing; in dezen koos hij zich geen positie, al achtte hij nader beraad gewenst5.
In de derde vergadering van het C.L.V. (25 juli 1901) werd aan deze wens voldaan, toen Ds. C.J. Warners te Nieuw-Vennep zijn ideeën ontwikkelde over Het Tooneel in verband met de Christelijke levensbeschouwing6. Allereerst onderschreef Ds. Warners de gangbare bezwaren tegen
het mondaine milieu van de schouwburg. Voorts ontkende hij de axiomatisch gestelde bewering, dat theaterbezoek kunstgenot zou verschaffen en dat derhalve het mijden van de schouwburg een artistiek gemis zou betekenen. De kern van zijn bezwaren school evenwel in zijn opvatting van het ‘essentieel idealistisch’ karakter van de kunst1. Doel van de kunstenaar mocht slechts zijn: ‘de aarde zooveel mogelijk van de kunst te verwijderen’2. Naar Ds. Warners' oordeel kon men goede toneelliteratuur, evenals de roman, lezend genieten. Juist de vertoning der stukken, met een geperfectioneerde techniek, hield het grote gevaar in, dat de toeschouwer op ontoelaatbare wijze ‘aan de aarde vastgehouden’ zou worden en belemmerd in zijn streven ‘omhoog te zweven’3.
Toen uit de reactie van een lezer bleek, dat nadere explicatie gewenst was4, stond Ds. Warners nog een afzonderlijke bijdrage af over Idealistische en realistische kunst5. Het spreken van realistische kunst beschouwde de predikant als een contradictio in terminis, het hanteren van de term idealistische (of christelijke) kunst als een pleonasme. Slechts idealistische kunst - ‘het hebben van een zienersblik op de ideale wereld’6 - wenste hij als kunst te aanvaarden; een kunst, die zich ‘slechts noode bedient van de techniek’7.
Nog weinig gefixeerd bleek de overtuiging van W. van Nes, 1e secretaris van het C.L.V. In de eerste vergadering van het verbond (4 januari 1901) was naast het referaat van J.C. Homoet over dramatische poëzie de vraag aan de orde gesteld: ‘Hoe staan wij als Christenen tegenover de Nieuwere Letterkunde?’ Van Nes rondde zijn verslag van de vergadering af met een beknopte weergave van eigen opvattingen: ‘De Christenen zijn geen bezitters van een bijzondere kunst; Christelijke kunst staat niet tegenover Nieuwere kunst als vijandin, want beide zijn kunst en zusters, alleen staan zij tegenover elkaar als producten van een Christen en van een niet-Christen. De Christen, die geen letterkundige is, kan niet meedingen om den eereprijs in de letteren; de niet-Christen, die wel
letterkundige is, kan evenmin meedingen naar de Medalje voor Christelijke Letterkunde. Men verge van Plato niet, dat hij een Christen is, maar men onthoude hem evenmin den titel van wijsgeer’1
Dit redelijk tussenstandpunt verwisselde hij echter voor een zeer extreme opvatting, toen vanuit de lezerskring werd aangedrongen op nadere precisering2. In dezelfde C.L.V.-vergadering waarin Ds. Warners sprak over het toneel (25 juli 1901), refereerde Van Nes over het begrip ‘christelijke letterkunde’ en over de moeilijkheden van de christenanteur3. Nuttig was Van Nes' onderscheiding tussen ‘christelijk’ als eigenschap en als hoedanigheid van een kunstwerk. Na te hebben aangetoond, dat het Christelijke een eigenschap diende te zijn, concludeerde hij echter - in de geest van zijn mede-referent - dat de term ‘christelijke letterkunde’ een pleonasme inhield: ‘Wij Christenen kunnen ons geen fraaie letteren denken, waarvan Christus niet het middelpunt is’. ‘Wij eischen de onbeperkte suprematie voor het Christelijk element ook in de Letteren en wij erkennen geen producten als letterkundig schoon, waarvan niet Christus en Christus alleen het middelpunt is’4. De christen-auteur - aldus Van Nes - is de enige, die ware kunst kan geven; hij stuit echter op ernstige moeilijkheden in eigen kring: de identificatie van Christendom en kerk, en de onbevoegdheid der meeste geestverwante critici - ‘de opperste kunstrechters zijn minder dan leerlingen in de kunst’ - vormen de voornaamste problemen5.
Voor de praktijk betekende Van Nes' standpunt, dat hij de boeken van Ian Maclaren te onzent importeerde ter verrijking van de christelijke literatuur6. In OTs gebruikte Van Nes tot driemaal toe de titel Christelijke kunst voor een uitvoerige boekbespreking: de eerste recensie betrof een geschrift van Ds. L. Heldring over een reis naar Palestina7, de tweede een boekje van Ds. Lamers met schetsen voor de ziekenkamer8, de derde
- en meest uitvoerige - een tiental publikaties van G.C. Hoogewerff1. Op grond van zijn treurspel over Datheen werd Hoogewerff door Van Nes geprezen als ‘een Christendichter, wel geëvenaard, doch zelfs niet overtroffen, tenzij in schoonheid van vormen, door Da Costa’2! Een dergelijke interpretatie van het begrip ‘christelijke kunst’ kon voor de toekomst moeilijk vruchtbaar heten3.
Van meer belang was Van Nes' aandeel in de discussie, die in OTs en het C.L.V. gevoerd werd over de kinderlectuur. Nauw is in deze periode de band tussen kinderboek en zondagsschool. De pioniers van het christelijke kinderboek: Ds. J. de Liefde, E. Gerdes en A.J. Hoogenbirk schreven vooral ten behoeve van de Nederlandsche Zondagsschool Vereeniging. Naast deze zondagsschoolvereniging, voortgekomen uit het Réveil en gebaseerd op een ruime, algemeen-christelijke grondslag, was reeds in 1871 de Gereformeerde Zondagsschool Vereeniging Jachin opgericht, die vanaf 1885 jaarlijks haar recensies van uitgekomen kinderboeken deed verschijnen4.
In de vijfde algemene vergadering van het C.L.V. (27 december 1901) hield secretaris Van Nes een referaat over de eisen, die men aan kinderlectuur diende te stellen. Nadrukkelijk distantieerde hij zich van het werk van Jachin, dat ‘zijn volmaakte antipathie’ had. Als eigen overtuiging formuleerde hij, dat de kinderlectuur ‘voldoen zal aan den eischs dat zij het Christendom niet ondermijnt. Geen opzettelijke aankweeking van Christelijke meeningen moet eisch zijn en zeer af te keuren zijn de exclusieve dogmatische eischen, die de vertegenwoordigers van zekere kerkelijke groepen doen’5.
De gereformeerde Ds. J.P. Tazelaar te Weesp kreeg gelegenheid, hiertegenover het standpunt van Jachin te verdedigen. In zijn artikel De eischen van kinderlectuur onthulde hij, dat het hoofdbestuur van Jachin jaarlijks een verzoek tot de uitgevers richtte, ‘toch geene werkjes uit te
geven, waarin een algemeene-verzoeningsgeest heerscht, of van het borgtochtelijk lijden van Christus niet wordt gesproken’. Zijn motivering stelde het principiële verschil met Van Nes duidelijk in het licht: ‘Wij vragen voor onze kinderen lectuur, die de Christelijke beginselen duidelijk doet uitkomen’. ‘Wij wenschen, dat de hoofdstukken van ons dierbaar geloof, de onveranderlijke waarheden, waarmede alle ziel te maken heeft, en die ieder mensch behoort te weten, in de lectuur voor de jeugd wordt gehandhaafd’. ‘O.i. mogen in de lectuur voor de jeugd betuigingen aangaande de noodzakelijkheid der wedergeboorte, de onmisbaarheid van geloof en bekeering, de verlossing door het bloed en de heiliging door den Geest van Christus niet ontbreken’1.
De bekende kinderschrijfster mejuffrouw J.L.F. de Liefde nam eveneens deel aan de discussie. In haar artikeltje: We zijn er nog niet met de kinderliteratuur2 bleek zij een tussenstandpunt te huldigen: de zondagsschoolboekjes behoorden haars inziens, krachtens de oorzaak van hun ontstaan, evangelieprediking tot het kind te zijn.
In antwoord op de bijdrage van Ds. Tazelaar deelde Van Nes mede, dat hij het principiële uitgangspunt van Jachin verwerpelijk bleef achten. ‘Ik ontzeg Jachin het recht een boekje af te keuren voor de jeugd, omdat het niet specifiek-gereformeerd is’, zo schreef hij. De mogelijke tegenwerping, dat Jachin zich met haar arbeid uitsluitend richtte op de gereformeerde jeugd, onderving hij met de wedervraag: ‘Zijn er gereformeerde kinderen? Ik geloof het niet - er zijn kinderen van gereformeerde ouders. En nu kan ik mij wel voorstellen, dat die gereformeerde ouders hun kinderen bij voorkeur gereformeerd zien worden. En ik heb daartegen niet het minste bezwaar; mits zij hen inderdaad gereformeerd laten worden en niet juist dat worden beletten door het hen te maken’. ‘Door het leerstellig drijven in de jeugd bereidt men voor de goddeloosheid van den mannelijken leeftijd’3.
Na een periode van felle kritiek op het literaire ‘realisme’ en na het eenzijdig pleiten voor een louter ‘idealistische’ kunst komen in de kring
van het C.L.V.-bestuur ook evenwichtiger opvattingen tot uiting. Zowel de publikatie van Dr. H.M. van Nes, De nieuwe mystiek1 als de rectorale oratie van Prof. Dr. J. Woltjer, Beginsel en norm in de literatuur2 zullen hier als correctief hebben gewerkt. Ds. J.H. Geselschap Wzn. te Vaassen, opvolger van Dr. Gunning als vice-voorzitter van het C.L.V., stelde voor de verbondsvergadering van 3 april 1902 een onderzoek in naar de vraag: ‘Wat is de grondoorzaak van al t' gheimzinnige in de nieuwe schilderkunst, de nieuwe letteren enz.?’3. Het was een sterk theologisch gekleurde bijdrage, die bekendheid met Dr. Van Nes' beschouwingen verried4 en in de lijn van Woltjer de onverbrekelijke samenhang van realisme en idealisme accentueerde5. Als een der eersten in het C.L.V.-bestuur permitteerde Ds. Geselschap zich, in een referaat voor de vergadering van 15 april 1903, zeer kritische opmerkingen jegens bewonderde modellen uit de negentiende eeuw zoals Van Lennep en Ten Kate6. Bovendien wees hij op de verdiensten van de psychologische aanpak in de moderne literatuur en adviseerde hij ook de christen-auteur, ‘dat hij recht late wedervaren aan de psychologische neigingen en behoeften van onzen tijd’7.
Weliswaar vertonen ook deze bijdragen van Ds. Geselschap nog generaliserende trekken, maar vergeleken met de artikelen van Hoogenbirk en Brummelkamp zijn ze veel gematigder en concreter en tonen ze meer begrip voor de eigen tijd. Het verdient tenslotte vermelding, dat in deze periode tot tweemaal toe voor het C.L.V. een verhandeling werd gehouden over doel en wezen van de literaire kritiek; vooral het tweede
referaat getuigde van ernstige bezinning op de taak van de criticus1.
Maar in antwoord op de onverzoenlijke ideeën van Brummelkamp c.s. klonk steeds luider de tegenstem der jongeren. In de figuren van De Moor, Bückmann, Enka, Johanna Breevoort en Van der Valk tekende zich steeds duidelijker de formatie der jongeren af, die deels buiten, deels binnen het C.L.V., van hun afwijkend oordeel getuigden.
Aan het begin van de tweede jaargang van OTs verschijnt J.C. de Moor als een eenzame pionier: zijn bijdrage over de Nieuwe Gidsianen vormt het eerste in OTs geplaatste getuigenis van vernieuwd literair inzicht der jongeren2. Het artikel was eigenlijk een in ruim verband geplaatste bespreking van de bloemlezing Een pic-nic in proza. Ondanks bezwaren tegen de geest van het werk der Tachtigers wilde De Moor vooral de verdiensten van hun optreden aantonen en bewijzen, dat hun doel en streven groots en verheven genoemd diende te worden. Een periode van verval werd door de Tachtigers beëindigd: zowel het verzet der ouderen als de excessen der jongeren achtte De Moor een natuurlijk gevolg van hun optreden. Met vermijding van de excessen diende het goede in hun streven te worden gehonoreerd: ‘De stijl is in overeenstemming gebracht met den hoogen inhoud der gedachten, en de banaliteiten en dwaasheden, die conventioneel geworden waren, omdat men welig 't onkruid liet groeien, ze zijn gebannen en - voorgoed, zoo we hopen’3. Na deze algemene inleiding wees hij op geslaagde bijdragen en op verwerpelijke excessen in de besproken verzameling.
Dat De Moor als student aan de Vrije Universiteit sterke invloed onderging van Kuypers theologie, bewees zijn volgende bijdrage, die geheel gewijd was aan de belangrijke rede van Ds. G.F. Haspels: Onze Literatuur en onze Evangelieprediking (1898)4. Dit referaat was ook door Hoogenbirk al eerder aan de orde gesteld, maar deze had zich uitsluitend vastgebeten in Haspels' verklaring, dat de literatuur van 1840-1880 een voltooid verleden vormde, en was aan de kern van het betoog voorbij-
gegaan1. In deze controverse plaatste De Moor zich geheel achter Haspels: ‘Laten we nu erkennen, dat ons door de generatie van '80 een heerlijker kunst is gegeven dan we gehad hebben; dat én naar vorm én naar inhoud hun werken veel en veel hooger staan dan het voorheen geleverde’2. Hoogenbirk oordeelde het daarom noodzakelijk, het artikel van De Moor te doen voorafgaan door een redactionele verklaring, waarin hij opmerkte: ‘In dit nummer zal men o.a. een opstel vinden over Ds. Haspels' vroeger reeds besproken rede. In dit opstel nu komen beschouwingen voor, die de Redacteur van O.T. beslist verwerpt, bijv. de meening, dat de letterkunde van vóór 1880 dood is, dat de “nieuwe” veel waardij heeft, dat er tweeërlei genade bestaat - een hypothese, die wel weer straks door een andere zal weggedaan worden - enz., enz. Toch heeft dit niet belet, dat bedoeld opstel werd geplaatst, en we hopen steeds deze volle vrijheid te handhaven’3.
Door zijn verwijzing naar de ‘tweeërlei genade’ raakte Hoogenbirk niettemin aan de essentie van De Moors opzet. De Moor trachtte namelijk in zijn studie, de voornaamste stellingen van Haspels te modificeren naar Kuypers leer van gemene gratie en particuliere genade. Haspels' stelling: ‘Literatuur en Evangelieprediking, even eigenheerlijk als ze zijn, beginnen met niets met elkaar te hebben uit te staan’ wordt door De Moor Kuyperiaans geïnterpreteerd: ‘Literatuur en Prediking des Woords hebben ieder een eigen gebied; de Literatuur behoort tot het terrein der algemeene, de Prediking des Woords tot dat der bijzondere genade’. In een volgende these schuift De Moor hier ook Kuypers theologische onderscheiding van Scheppings- en Heilsmiddelaar achter. Haspels' nadere uitwerking: ‘de Literatuur gaat, bij eigen gratie, dezienlijke wereld in, en ... schept dat leven na’; ‘de Evangelieprediking daarentegen gaat uit naar de onzienlijke wereld’, - deze uitwerking wordt in De Moors stellingen tot: ‘De Literatuur is het weergeven in woorden van de ϑειοτης der zienlijke dingen’; ‘de Prediking des Woords is het weergeven in woorden van de goddelijke openbaring over de onzienlijke dingen’. Het is geheel naar Kuypers voorbeeld - in Het Calvinisme en de Kunst (1888) - dat De Moor hier zijn uitgangspunt kiest in de ϑειοτης, de goddelijke volkomenheid, waarvan iets in de schep-
selen uitstraalt. In deze bedeling, zo stelt De Moor, oefenen Literatuur en Prediking des Woords slechts zijdelings invloed op elkaar uit, maar - en hier neemt hij Haspels' tweede stelling ongewijzigd over - ze ‘eindigen met ter laatster instantie in elkaar op te gaan’1, Voor beide theologen geldt dit in eschatologisch perspectief.
Al droeg deze studie wel heel duidelijk de kleur van een bepaald theologisch systeem, het valt toch ernstig te betreuren, dat met deze bijdrage De Moors literair-theoretische medewerking aan OTs eindigde. Hij wijdde zich verder geheel aan het Maandblad voor Letterkunde, waar hij zelf leiding kon geven in plaats van ‘welwillend’ geduld te worden.
Waar De Moor zijn arbeid staakte, daar nam L. Bückmann de draad op: zijn debuut, in de derde jaargang van OTs, volgt met weinig tussenruimte op het slotstuk van De Moor. Bückmann was 21 jaar - enkele jaren ouder dan De Moor - toen Hoogenbirk zijn eerste bijdrage plaatste2. Al Bückmanns bijdragen aan het oude OTs waren boekbesprekingen, waarbij hij echter het besproken werk in een zeer ruim kader plaatste. Ook als redacteur van het vernieuwde OTs zal hij zich onderscheiden door dit soort breed opgezette, uitvoerig analyserende kritieken, die ruimte boden voor beschouwingen van meer algemene aard.
Zijn eerste recensie betrof Vincent Haman (1898) van W.A. Paap, een boek dat hem om meer dan één reden antipathiek was, onder andere ‘om het schelden op de letterkundigen en het vergoden van Multatuli’3. Paaps insinuatie, dat de generatie van '80 niet anders deed dan ‘nàvertellen’ en zich slechts onledig hield met ijdel woord- en klankspel omdat ze niets wezenlijks te zeggen had, weersprak Bückmann met klem4.
Welke waarde klank en beeldspraak vertegenwoordigen voor de poëzie, illustreerde hij in een volgend artikel aan de hand van W.L. Pennings Benjamin's Vertellingen (1894)1. Na gewezen te hebben op de invloed van Beets en vooral van Staring in Pennings werk, en op het gevaar, dat poëzie verwordt tot geredeneer, gebruikte Bückmann het voornaamste deel van zijn bespreking voor een heldere en objectieve weergave van wat volgens Kloos een gedicht is: ‘een brok gevoelsleven, weergegeven in geluid’. Rustig docerend introduceerde hij in de lezerskring van OTs de tachtiger ideeën over de waarde van fantasie en beeldspraak, klankexpressie en versritme. Hij vroeg begrip voor het ageren der Tachtigers tegen de vorige generatie, al moest hij toegeven, dat ze daarin te ver waren gegaan en de gedàchte - bij de ouderen de hoofdzaak - te zeer dreigden te verwaarlozen. In Pennings werk constateerde Bückmann een gelukkige synthese: het vertoonde ‘het goede van '40, dat is, het vasthouden aan de gedachte, als een noodzakelijke substantie, en het goede van '80: het zich-zelf-zijn, het wegwerpen van het oude versletene’2.
Naar aanleiding van Zola's ‘Fécondité’3 uitte Bückmann zijn teleurstelling over het feit, dat Zola, nu hij na vroegere verwerpelijke romans een boek met een zedelijk goede strekking had geschreven, kunst en moraal niet tot een eenheid had weten te verbinden. ‘De wijze, waarop gemoraliseerd wordt, demoraliseert. In zijn werk is niet de afschuw van de zonde, maar het commentaarloos meedeelen van het kwaad’4. Zola faalt - aldus Bückmann - omdat een diepere achtergrond hem ontbreekt; dat maakt ook zijn naturalisme onaanvaardbaar. ‘Zola, de groote naturalist, die het leven had willen geven in alle stadiën, alle gangen en ontwikkeling, kent niet de liefde voor het leven’. ‘En ook het leven zelf kent hij slechts eenzijdig’5.
Na deze confrontaties met de ‘officiële’ literatuur schonk Bückmann in volgende recensies diepgaand aandacht aan enige in eigen kring veelbesproken romans. Nieuw voor OTs was zijn scherpzinnige immanente kritiek, die zich liet het leiden door sympathie voor het religieus gehalte, maar toetste aan een aantal literaire criteria. Elders somde hij als zodanig
op: ‘de conceptie van een boek, de weergave van uiterlijke en innerlijke realiteit, zielkundige ontwikkeling der karakters, 't onderling verband der deelen, nauwkeurigheid van behandeling, individualiteit van zeggingswijs’1. De roman Geloof van Anna de Savornin Lohman, waarin deze dochter van Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman het geloof van haar jeugd nadrukkelijk verwierp, werd door Bückmann dan ook niet veroordeeld omdat de a-religieuze tendens hem antipathiek was - zoals tot dan toe in OTs gebruikelijk was geweest - maar hij toonde overtuigend aan, dat de motivering der gebeurtenissen onvoldoende was, waardoor de logische verhaalgang haperde; dat de structuur en de psychologie der karakters ernstige gebreken vertoonden. Bückmann maakte duidelijk, dat daardoor de tendens, die hij op zichzelf ook als onwaar veroordeelde, noodzakelijkerwijs faalde; terwijl bovendien taal en stijl van het boek talrijke onvolkomenheden openbaarden2.
Een lovende aankondiging schreef Bückmann voor Vreugden van Holland door G.F. Haspels, in welk werk hij ‘de innige samenvloeiing van ideëelen inhoud en reine moraal’ in het bijzonder waardeerde; hij prees het boek als ‘reine kunst’3
Hetzelfde streven naar objectiviteit, dat Bückmann had geleid bij zijn bespreking van het werk van freule Lohman, kwam tot uiting in zijn onderzoek naar de waarde van Johanna Breevoorts roman Vronwenweelde en Vrouwensmart4. In deze studie trachtte hij te benaderen ‘het wezenlijke verschil tusschen Christelijke kunst en kunst, waarin 't Christelijke bestanddeel niet met het kunst-deel tot één geheel versmolten is’5. Zijn mening ten aanzien van Johanna Breevoorts werk luidde, dat haar roman ‘is geworden (ten deele) kunst + theologie, op sommige plaatsen alleen theologie. Bij haar werk is 't Christelijke een hoedanigheid, geen eigenschap, geen essentieel bestanddeel’6; ‘de kunst en 't Christelijke bestanddeel (zijn) niet geworden tot één onverbreekbaar geheel. Maar ze
staan los naast elkaar. En 't Christelijke deel doet dienst als propaganda’. Op deze noodzakelijke versmelting van het levensbeschouwelijk element met het kunstwerk als geheel - zó dat het wel ‘onbewust tendentieus’ maar nooit propagandistisch mocht toeschijnen aan de andersdenkende - wees Bückmann met zekere voorkeur1. Hij lichtte zijn opvatting nog toe met het volgende voorbeeld: wanneer in een boek iemands bekering moet worden beschreven, dan vereist dat een gedetailleerde, zielkundige weergave, een zuivere tekening van de verschillende fasen en invloeden, van zijn omgeving en zijn vroeger leven, ‘want al deze invloeden, benevens de genadewerking des Heeren, tezamen bepalen in hoofdzaak de bekeering’2.
Zoals Bükmann bij de bespreking van Benjamin's Vertellingen in menig opzicht zijn afhankelijkheid toonde van Kloos' kronieken uit de eerste periode van De Nieuwe Gids, zo bleek in deze prozakritieken, dat de naturalistische visie - ‘race, moment, milieu’ - hem niet onberoerd had gelaten.
Voor de kritische beschouwingen der jongeren is tevens kenmerkend, dat Bückmann inzake de problematiek van ethisch-esthetisch in deze recensie met nadruk stelt, dat bij de beoordeling van een literair werk de esthetische keur vooropgaat en afzonderlijk gelijkwaardig is aan de ethische. ‘'t Begrip “mooi” berust op waardeering, eene aandoening van 't gevoel; of iets “goed” is, beslist 't verstand. Daarom geef ik in overweging, om, als we spreken over literatuur, te vragen of een boek “kunst” is, ja dan neen, en verder of 't boek goede, d.i. reine kunst is. Dan pas zijn de verhoudingen zuiver’3.
Aan het eind van zijn uitvoerige recensie vatte Bückmann verschillende bezwaren tegen Johanna Breevoorts roman nogmaals samen: haar werk bood slechts de rèsultaten, niet de zielkundige processen; alleen de dàden, niet de motieven, niet àlle invloeden, niet de noodzakelijkheid van het gebeuren. Hij achtte dit een ernstig tekort, daar dientengevolge ook de tendens niet overtuigde. Naar zijn mening dreigde een tendens toch reeds de literaire waarde van een boek te verminderen; het werk van Johanna Breevoort werd echter door ‘de veelheid van strekkingen’
wel in het bijzonder geschaad1. Desondanks sprak hij de hoop uit, dat Johanna Breevoort nog eens een boek van zuivere Christelijke kunst zou leveren2.
Dit breed en belangwekkend exposé vormde Bückmanns laatste bijdrage aan het oude OTs. In alle bescheidenheid had hij zich er een kundig pleitbezorger voor de idealen der jongeren getoond.
Bückmann en De Moor waren geen van beiden toegetreden tot het C.L.V. Toch manifesteerde de literaire vernieuwingsdrang der jongeren zich ook binnen dit verbond. Het meest militant weerde zich van de aanvang af Enka. Zij ontving enige steun van haar vriendin en medelid Johanna Breevoort, die in OTs enerzijds Poelhekkes Modernen ten voorbeeld stelde aan de ‘belijders van het leerstuk der “gemeene gratie”’ vanwege zijn evenwichtig oordeel over de literaire generaties van '80 en '903, doch anderzijds de tachtiger verheerlijking van ‘het woord’ kwalificeerde als ‘oude afgoderij in nieuwen vorm’4. In fiere strijdlust werd Johanna Breevoort echter - althans in de kring van het C.L.V. - door Enka verre overtroffen.
Reeds in de tweede algemene vergadering van het C.L.V. (11 april 1901) hield Enka een omvangrijk betoog over De Roman5, waarin zij zich met haar sympathie voor de moderne roman6 diametraal tegenover Hoogenbirks overtuiging stelde7, Kordaat keerde zij zich ook tegen de literaire denkbeelden die W. van Nes in de volgende C.L.V.-vergadering (25 juli 1901) naar voren bracht8. Per ingezonden artikel in OTs informeerde zij naar zijn oordeel over Sara Burgerhart, de Camera Obscura, het werk van Bredero en Hooft, dat immers aan de norm: ‘Christus
alleen het middelpunt’, niet beantwoordde? En zij stelde hier als haar eigen mening tegenover: ‘Wij zijn gedwongen, door de practijk gedwongen, aan vorm en inhoud van letterkundig werk verschillenden maatstaf aan te leggen’. Is de vorm schoon, dan is het kúnst, al moeten wij als Christen de ideeën ook verwerpen1.
Het meeste opzien baarde zij echter door enkele felle stukken tegen specimina van ‘christelijke letterkunde’ zoals die door de ouderen werd gewaardeerd en aangeprezen. Scherp keerde zij zich in een recensie tegen de Gedichten van haar collega, de Vlaardingse onderwijzer C. Kijne, - poëzie die verschenen was met een aanbevelend voorwoord van Hoogenbirk2. Enka achtte dit bundeltje ‘geen goed werk’, in ieder opzicht conventioneel, door Kijne ten onrechte als poëzie in het licht gegeven, door de christelijke pers ten onrechte als christelijke poëzie geprezen. ‘Het worstelen der jongeren van na '80 schijnt dezen dichter gansch niet te hebben geraakt’3.
Ten gevolge van deze recensie kwamen de denkbeelden van de verschillende groeperingen binnen OTs en het C.L.V. duidelijk tegenover elkaar te staan. Kijne verdedigde zich op rijm4 en kreeg in proza steun van de Rotterdamse boekverkoper R.A. Swanborn, die bij Enka op hoge toon informeerde, waaraan zij het recht ontleende zich zo laatdunkend over Kijnes poëzie uit te laten, en haar adviseerde in den vervolge slechts werk te recenseren dat haar wèl aansprak5. Daarentegen ontving zij hartelijke instemming van Johanna Breevoort, die haar vooral prees om de moed ‘waarmee ze het wagen dorst eerlijk hare overtuiging uit te spreken, ofschoon ze't weet hierdoor een gansche schare van achtenswaardige mannen en vrouwen tegen zich in 't harnas te jagen. Waarlijk,
dat is meer “heldenmoed” dan van den Christelijken onderwijzer, die voor zijn Christelijken kring Christelijke versjes maakte’1. In zijn verdere bijdragen aan OTs toonde Kijne zich echter weinig van deze kritiek onder de indruk2.
Eenzelfde streven naar verheffing der christelijke letterkunde openbaarde zich in Enka's forse aanval op de zogenaamde ‘christelijke bibliotheken’: serieboeken, geleverd tegen zeer lage prijs, ter voorziening in de behoefte aan goedkope leesstof. De uitgever Callenbach was hiermee begonnen, maar ook Daamens reeks Voor Hoofd en Hart mocht zich in grote belangstelling verheugen. Enka achtte deze boekenreeksen evenwel om drie redenen een gevaar voor de bloei van een christelijke letterkunde: ‘Ze werken de verspreiding in de hand van minderwaardig literair werk; ze bederven den literairen smaak in Christelijke kringen; ze houden de waardeering en verspreiding van goed buiten-bibliotheeks-werk tegen’3. Deze mening werd in OTs heftig weersproken, onder pseudoniem, door twee vertegenwoordigers der genoemde uitgeverijen. Hendrik van Westervoort, die optrad ter verdediging van de firma Daamen4, schreef een zeer onorigineel verweer door de drie stellingen van Enka in hun tegendeel te veranderen en van de ‘christelijke bibliotheken’ te beweren: ‘(Ze) bevorderen de verspreiding in de eerste plaats van het beste literaire werk, vervolgens van werk van mindere waarde, maar niet van waardelooze lectuur. Ze veredelen den literairen smaak in onzen kring. Ze zijn derhalve van groote beteekenis voor de waardeering en verspreiding ook van goed buitenbibliotheek's-werk’5. In een volgende bijdrage ging Hendrik van Westervoort tot de aanval over, door Enka voor te houden, dat het gevaar voor een christelijke literatuur niet school in de ‘bibliotheken’, doch in haar bewondering voor de Tachtigers, haar ‘coquetteeren met dien anti-Christelijken kring’6.
De verdediger van Callenbach, Leendert Bijmolen, reageerde geheel anders op Enka's bezwaren en bepleitte het goed recht van de ‘biblio-
theken’ in de retorische vragen: ‘Maar is dan literatuur alles? Is dan kunst het hoogste?’1. De toon van Bijmolens stuk verraadt wel, dat Callenbach zich veel minder direct bestreden gevoelde dan Daamen.
Conform haar gewoonte zette Enka zich tot een ferme dupliek. In twee bijdragen stelde zij de standpunten nog eens duidelijk tegenover elkaar: haar bestrijders hadden geoordeeld uit 't oogpunt van nut en zegen, en hun conclusie luidde: de bibliotheken doen goed; zij zelf had geoordeeld uit 't oogpunt van kunst en geconcludeerd: ze doen kwaad. Maar scherp keerde zij zich tegen het bibliotheek-principe: ‘'t aannemen van de levering van een bepaald aantal boeken in een bepaalden tijd tegen zoo laag mogelijken prijs, alsof't schoenen of kousen waren. Zulk een stelsel moet fatale gevolgen hebben voor de Christelijke kunst’2. Ten overvloede verklaarde zij nog, de Nijkerkse bibliotheek in ieder geval te prefereren boven de Rotterdamse: een opmerking, die de uitgever van OTs moeilijk aangenaam kon zijn3.
Hoezeer de invloed der jongeren groeiende was, bleek vooral in de zevende en achtste jaargang van OTs. C.J. Graafland opponeerde tegen Brummelkamps artikel Versifex of dichter?4 en leverde zelf een bijdrage over Jacques Perk en Hélène Swarth, om ‘met geestdrift (te) wijzen op vele heerlijke voortbrengselen der Nieuwe Literatuur’5. Fel en uitvoerig polemiseerde G.J. Uit den Bogaard met Brummelkamp naar aanleiding van diens artikel De Taal een Scheppingsordinantie, waarbij verscheidene beweringen van Brummelkamp ontzenuwd werden6. Onder pseudoniem leverden Eureka en El Dian pleidooien - met kritische reserves omkleed - voor waardering van de taalvernieuwing der Tachtigers7. Het dient opnieuw als een verdienste van Hoogenbirk erkend te
worden, dat hij zijn maandblad, ondanks de zeer geprononceerde denkbeelden die bij hem en andere ouderen leefden, voor deze jongeren openstelde.
Na De Moor ondernam Dr. J. van der Valk de meest serieuze poging, te komen tot theoretische verheldering der literaire denkbeelden, toen hij, kort na zijn toetreding als lid, voor het C.L.V. (5 augustus 1903) een referaat hield over De verhouding tusschen het ware, goede en schoone, vooral met het oog op de litteraire kunst1. Van der Valk, naar leeftijd tussen oudere en jongere generatie instaande, door nuchter-kritische instelling weinig toegankelijk voor revolutionaire taalexperimenten, maar wel geneigd tot verzet tegen allerlei geijkte opvattingen in eigen kring, toonde zich in deze verhandeling een gematigd medestander der jongeren.
Voor die tijd modern was zijn uitgangspunt: de éénheid van het psychisch functioneren, gegrond op het Bijbelwoord: ‘Uit het hart zijn de uitgangen des levens’. Onder verwijzing naar tal van Bijbelteksten betoogde hij dan ook allereerst, dat denken, voelen en willen één samenhangend proces vormen, voortkomend uit het hart. In het vervolg van zijn lezing hanteerde hij het begrip ‘hart’ echter ook in een meer beperkte betekenis, waarbij hij toch weer verviel tot een tamelijk vér-gaande scheiding van verstand en hart. Zo luidde zijn voornaamste conclusie: het ware wordt alleen door het verstand gezocht, het goede door verstand en hart tezamen, en het schone door het hart alleen2. ‘Schoon’ is - voor Van der Valk - ‘wat door zijn (uiterlijke) verschijning bekoort’; nog nader: het hárt bekoort door middel van oog en oor. Als de schoonheid ons treft, als de macht van het schone ons overweldigt, staan onze gedachten, onze verstandelijke overwegingen, stil. Door de zondeval heeft zich in de oorspronkelijke drie-eenheid van het goede, ware en schone een scheiding voltrokken, zodat ‘de schoone vrucht gif voor ons bergen kan’. Vandaar het actueel dilemma: ‘Als het goede en het schoone niet vereenigd zijn in de litteratuur, waar zal dan onze keuze vallen tusschen hetgeen goed maar onschoon en hetgeen schoon maar slecht is?’3. ‘Een moeilijke, zoo niet onmogelijke keuze’, erkent Van der Valk. Doch op dat boeiend moment ontwijkt hij een beslissing door aan te bevelen, in de literatuur van andere tijden en andere volken
te zoeken naar kunstwerken waarin het goede en het schone wèl samengaan, en niet alleen ‘onze eigen zangerige en klankrijke klassieken, maar vooral de klassieken der oudheid’ te herlezen. Zo ontvluchtte hij de actuele problematiek in zijn literaire eruditie: hij verwierp het dilemma door te wijzen naar de kunstschatten van het verleden. In de slotalinea van zijn betoog poneerde hij echter, dat - mocht iemand anders een keuze als onvermijdelijk ervaren - het ethisch gebod diende te prevaleren boven het esthetisch genot. Dit slot maakte het betoog, dat door onverholen sympathie voor het optreden der Tachtigers1 ook de jongeren aanknopingspunten bood, tevens aanvaardbaar voor het C.L.V.-gehoor.
Al wonnen de jongeren bij hun optreden in OTs en het C.L.V. aan vrijmoedigheid en kracht van overtuiging, Hoogenbirk en de zijnen behielden niettemin de overhand, totdat OTs, dankzij de door Daamen voltrokken reorganisatie, de jongeren toeviel en de relatie met het C.L.V. - en later met Hoogenbirk zelf - verbroken werd.
Bij het optreden der nieuwe redactie was onderling geregeld, dat Bückmann - ‘als de speciale theoreticus’ - het standpunt der jongeren principieel zon ontwikkelen2. Reeds in de eerste aflevering van het vernieuwde OTs maakte hij een begin met de artikelenreeks Onze Christelijke Schrijvers: een studie in vier vervolgen, die naar Bückmanns beproefde methode een confrontatie beoogde met het werk van G. Schrijver en J. Postmus, dat door hem in zeer ruim verband werd bezien.
Alvorens tot een detailkritiek op hun laatst-verschenen romans over te gaan, schreef hij een algemene, principiële inleiding, waarin hij het bestaansrecht der christelijke literatuur aantoonde3. Deze inleidende beschouwing, onderschreven door de vier nieuwe redacteuren, behoort tot het beste dat Bückmann aan OTs heeft afgestaan. Helder betoogde hij allereerst dat én het temperament én de levensbeschouwing van de auteur van invloed zijn op de keuze en op de verwerking van zijn stof. Op de niet-christelijke letterkunde heeft de ‘Darwin-Haeckel'sche evolutie-hypothese’ overwegende invloed, al zijn vele auteurs zich hiervan niet bewust. Tal van moderne opvattingen over literatuur zijn uitvloeisel van
het evolutiedogma: de eis van zo groot mogelijke objectiviteit; het streven naar zo nauwkeurig en volledig mogelijk uitbeelden; het gelijkwaardig toelaatbaar achten van élk onderwerp; de bewering, dat goed en kwaad ficties zijn en dat de auteur geen ethiek heeft te doceren of partij mag kiezen, in welk opzicht dan ook.
Op grond van dit betoog concludeert Bückmann, dat het volstrekt ongegrond is, het bestaansrecht van een christelijke literatuur te verwerpen, ómdat de auteur van bepaalde vooropgestelde beginselen zou uitgaan. De objectiviteit, de neutraliteit der anderen is een fictie: én de christen-literator én de niet-gelovige schrijver gaan van bepaalde, zij het diametraal tegenovergestelde, principes uit. Zo zijn bijvoorbeeld voor de christen-kunstenaar niet opvoeding en milieu de beslissende factoren ter verklaring van het zedelijk-verkeerde in zijn personen: de hoofdoorzaak van het kwaad schuilt in de mens zelf; het bijkomstige heeft slechts de uitvoering van de verkeerde daad verhaast. Toch acht Bückmann hier een waarschuwing op haar plaats: ‘aan de overzijde’ gaat men weliswaar uit van Darwinistische dogmata, maar men schrijft romàns, geen evolutionistische propagandageschriften. ‘Zoo moet dan het Christelijke werk zijn: een weergeven van wat gezien wordt, maar in dat alles moet doorlichten de ondergrond van geloofssentiment’; ‘bij het weergeven van het kwaad moet in den kunstenaar schreien de droefheid om het kwaad, in hem moet trillen de innige wensch naar volkomen geluk voor allen, een geluk hoog uit boven dat der wereld, zóó hoog “als de hemelen boven de aarde zijn” ...’1. Op deze wijze zullen ethiek en esthetiek tot een gave eenheid versmolten zijn.
Dit hooggestelde ideaal deed hem onmiddellijk het ernstig ‘manco’ in eigen kring beseffen. Hij zag op artistiek terrein nog weinig beweging binnen het orthodox protestantisme: muziekbeoefening gereduceerd tot ‘tobben met onze orgeltjes’, het toneel geheel vaarwel gezegd. Nu echter - zo besloot Bückmann -, nu de kerkelijke en politieke verhoudingen enigszins zijn geconsolideerd, doet zich de mogelijkheid voor
van een christelijk-literair reveil: de bemoedigende voortekenen zijn er!
In dit artikel ligt het literair-kritisch grondpatroon van het nieuwe OTs, dat door Van der Valk en Van As op hun wijze zal worden verwerkt, voor ons. Het is de niet geringe verdienste van Bückmann geweest, met dit redactioneel ‘getuigenis’ in het eerste nummer van het vernieuwde OTs naar voren te zijn gekomen: een principiële en bruikbare fundering van eigen streven, een dringend appèl op de cultuurmijdende geloofsgenoten, een met vertrouwen uitgesproken verwachting, het begin te zullen zien van een nieuwe ontwikkeling.
Een eerste bemoedigend voorteken zag Bückmann, blijkens het vervolg van zijn studie1, in de roman Het eenzame pad van zijn mederedacteur G. Schrijver. Maar de lof voor dit boek bracht hij niet onder woorden dan nadat hij een aantal ernstige bezwaren, vooral inzake de compositie en de psychologie, had ontwikkeld. Als criticus stelde hij primair de vraag: Heeft de auteur vanaf christelijk standpunt eerlijk bekeken, doordacht, doorvoeld de te beschrijven mensen, daden, toestanden? Heeft hij zich nauwkeurig, eenvoudig en op individuele wijze geuit? Zag hij dieper dan iemand anders en is het waargenomene zuiver geschift en gerubriceerd? Zijn antwoord moest helaas luiden: ‘Men vindt het streven naar al dit goeds, maar in het volbrengen blijken vele haperingen’; het boek vertoont ‘een gaping én in het artistieke én in het psychologische én in 't intellectueele’2. Toch wees Bückmann tevens op de verdiensten van het boek: soberheid van voorstelling, vlotte verhaaltrant, zuiverheid van stijl, een goede dialoog, een eerlijk pogen ‘om zonder tendentieuse handigheidjes het heerlijk-levensrijke en superieure van het Christendom als noodzakelijk-logisch-waar uit het werk zelf te doen voortvloeien3’.
Deze kritiek, evenwichtig en indringend, toonde geen spoor van vriendenverheerlijking; de criticus liet duidelijk uitkomen, dat hij de roman van zijn collega een belangrijk boek achtte ondanks tal van ernstige bezwaren.
Door dit openhartig kritiseren, zonder aanzien des persoons, stond Bückmann moreel ook sterk, toen hij in het derde en vierde vervolg een
vernietigend oordeel uitsprak over een historische roman van J. Postmus, Majesteytsschenders1. Belangrijk is, dat Bückmann zich, voordat hij Postmus' roman uitvoerig bespreekt, eerst in een brede beschouwing keert tegen de historische roman als zodanig. In het voetspoor van Taine en Maeterlinck betoogt hij, dat de weergave van vroeger tijden onvermijdelijk slechts een zwak schijnbeeld van die tijd kan geven, waaraan juist het werkelijk kenmerkende noodzakelijkerwijze ontbreekt2. Met een beroep op een van de kunsteisen der Tachtigers herhaalt hij: ‘Voor historische romankunst geldt als voor àlle kunst de schijnbaar zoo eenvoudige eisch: uitbeelding van het leven van een tijd en een volk, zooals dit in een kunstenaar van dien tijd en dat volk tot bewustzijn komt’. Daartoe zijn wij - aldus Bückmann - door verschillen in ras, tijd, karakter, kleding, taal, zeden en gewoonten, niet meer in staat3.
Al betreurt Bückmann derhalve, dat Postmus zich gewend heeft tot een zijns inziens verouderd en herhaaldelijk als foutief gesignaleerd kunstgenre, dit ontslaat hem niet van de plicht, te onderzoeken of Postmus een in zijn soort al dan niet goed boek heeft geschreven4. Zijn conclusie luidde: ‘De handelende personen worden zóó met historisch materiaal overladen, dat hun mensch-zijn er geheel schuil onder gaat. Het verhaal zelve is zònder eenige bezieling, zònder eenig duidelijk psychologisch gebeuren’. De auteur mist alle fantasie en weet uitsluitend te pronken met zijn kennis en belezenheid; zijn stijl is pover; het boek veroorzaakt slechts ‘dorre, grauwe verveling’5; als hybridisch mengsel van geleerdheid, verhaal en auteurswijsheden staat het buiten de kunst6.
Nog had Bückmann zijn kritiek niet voltooid. Naast de artistieke ge-
breken vertoonde het boek naar zijn mening storende ethische fouten: de zwart-wit-tekening van louter nobele Calvinisten tegenover uitsluitend abjecte andersdenkenden had een historische voorstelling doen ontstaan die hij in hoge mate onbillijk en onwaarachtig noemde. Naar Bückmanns oordeel had Postmus derhalve esthetisch én ethisch minderwaardig werk geleverd met zijn ‘verstandelijk in-elkaar-gezet propaganda-boek’1. Om te doen uitkomen, dat hij met zijn kritiek Postmus niet persoonlijk wilde kwetsen, reikte Bückmann hem ‘over de ruïne heen’ de hand, met de betuiging dat hij hem als oprecht gelovige eerde2.
Dit gebaar van toenadering heeft op Postmus kennelijk minder indruk gemaakt dan de felle toon van Bückmanns kritiek. In zijn literaire Standaard-rubriek maakte Postmus zijn criticus het verwijt, dat deze zich slechts richtte op afbreken en uiteenrafelen en te weinig trachtte te waarderen. Welke kloof de literaire opvattingen van de Standaard- en de OTs-redacteur scheidde, bleek wel uit deze passage van Postmus' zelfverdediging: ‘Zelfs al zou een werk niet aan één “litterairen” eisch voldoen, indien het velen, die toch ook niet àllen ongeletterden zullen zijn, voor hoofd en hart iets, - naar getuigd werd - als een weldaad was, dan blijkt o.i. daaruit, dat het toch iets anders verdient en iets meer ook dan verguizing tot puin, een tentoongesteld worden als “ruïne”’3. Hier stonden onverzoenlijk tegenover elkaar het louter ethisch-religieus toetsen, waarbij een werk lof kon verwerven zelfs wanneer het aan niet één literaire eis voldeed, én de overtuiging der OTs-redactie, die onverbiddelijk een volwaardig literair-esthetisch niveau eiste.
Na deze programmatische artikelenreeks in de eerste vernieuwde jaargang heeft Bückmann enige tijd gezwegen. Aan de maandelijkse Terugblik droeg hij enkele malen een beschouwing bij over literaire actualiteiten, maar tot een afgerond essay kwam hij pas weer, toen hij na de prozaïst Postmus een rijmende geestverwant kritiseerde. Zijn kritiek gold J.J. Deetman - prijswinnaar van het C.L.V. - die naar Bückmanns overtuiging Een rijmer, géén dichter was en wiens werk hij diskwalificeerde met een gewijzigd spreekwoord: Bekend maakt onbemind. Voor Deetmans imitatie van Beets, Ter Haar en Ten Kate introduceerde hij
de term ‘homoepathische poëzie’: ‘verdunning van verdunde poëzie’1.
Deze poëzie-kritiek noopte Bückmann uiteraard iets van zijn criteria te doen blijken. Reeds vroeger had hij erop gewezen, dat gemakkelijker valt aan te tonen - onder andere door het constateren van tekortkomingen in waarneming en uitbeelding - waarom iets géén poëzie is, dan positief aan te geven wanneer de criticus wèl met echte poëzie te maken heeft. Bij die gelegenheid kwam hij niet verder dan Verwey's eis van ‘kwaliteitsinstinct’ op zijn wijze te verwoorden: ‘Mijn gevoel alleen - en gevoel kan ik ook weer niet definiëeren - maakt me duidelijk of iets goed is. Hoe gevoeliger men van nature is, hoe nauwkeuriger men de waardegraad bepalen kan; en komt bij die gevoeligheid ook 't oefenen in 't onderkennen, des te sneller is 't mogelijk, en des te eer heeft men 't volle genot van wat aangeboden wordt’2.
Het verwondert dan ook niet, dat Bückmanns voornaamste grief tegen Deetman luidde, dat deze ‘poëtaster’ geen gevóél toonde, doch slechts ‘dor intellectualisme’ openbaarde; geen bezieling, geen echte aandoening3. Daarom temeer betreurde hij het, dat Deetmans werk in de christelijke pers waardering vond: een droevig bewijs ‘welke wondere begrippen over poëzie onder ons nù nog verkondigd worden’. ‘Hoe lang nog, collegae critici, hoe lang nog?’4.
Opnieuw verliep er geruime tijd voordat Bückmann zich in een afzonderlijke bijdrage over belangrijke letterkundige vragen uitsprak. Maar in de dertiende (en ten dele in de veertiende) jaargang verscheen zijn uitvoerige studie Een nieuwe kunstleer?: een kritisch onderzoek naar waarde en betekenis van De grondslagen eener nieuwe poëzie van C.S. Adama van Scheltema5.
De eerste vraag die zich hierbij aan hem voordeed, was die naar de verhouding van kunstenaar en gemeenschap. Lijnrecht tegenover elkaar staan het extreem individualisme van sommige Tachtigers en Scheltema's socialistisch pleidooi voor gemeenschapskunst. Bückmann verwerpt beide uitersten: de kunstenaar is inderdaad ‘van het vorstelijk geslacht’,
doch dit legt tevens grote verplichtingen op; de kunstenaar heeft ontvangen om te kunnen geven: hij is bevoorrecht, maar had daar geen recht op. Op deze wijze tracht Bückmann de verhoudingen zuiver te stellen: geen eenzijdige verheerlijking of minachting van het individu, maar ook niet van de gemeenschap. ‘Beiden bestaan, in betrekking tot elkáár. Het gaat niet aan, alleen die kunst te eischen, welke door àllen begrepen kan worden; het gaat niet aan kunst te geven, die alleen door den schepper zelf begrepen kan worden’1.
Nadat Bückmann zo Scheltema's roep om gemeenschapskunst heeft weersproken, valt hij hem erop aan, dat in de Grondslagen een eigen visie op de literaire ontwikkeling vanuit sociaal-democratisch beginsel ontbreekt. Bückmann acht het een ernstig tekort, dat Scheltema in gebreke blijft historisch-materialistisch te verklaren, dat de Beweging van Tachtig ontstond en in verval raakte. En evenzeer, dat hij nalaat te verduidelijken, hoe er na dit verval - buiten de sociaal-democratie om - een herleving is gekomen. Daarom wil Bückmann eerst zelf een ‘psychologisch-aannemelijke verklaring’ geven en als ‘logische eenheid’ aantonen: ‘de bloei der tachtigers, 't individualisme in hun werk, 't verval door het naturalisme, én de allengs ingetreden herleving na het verval’2.
De visie van Bückmann is, zo kort mogelijk samengevat: ‘de moderne school is de meest consequente doorvoering der romantische, én tegelijk een zielkundig begrijpelijke, noodwendige reactie er tegen’3. Enerzijds ziet Bückmann dus continuïteit: De Nieuwe Gids toont in onze literatuur bepaalde facetten van de Europese romantiek. Hij constateert echter een breuk in het ageren der Tachtigers tegen bepaalde aspecten van de Nederlandse romantiek: de historische roman en de predikanten-poëzie. In de laatste - ‘wijsgeerig-romantisch’ noemt Bückmann haar - is de harmonie van kunst en moraal verstoord, is ‘het rapport tusschen aandoening en uiting’ verloren gegaan, is de ‘uitingswijze’ ondergeschikt gemaakt aan ‘het schoone denkbeeld’. Maar in de poëzie van Gezelle, zo betoogt Bückmann met een geliefd voorbeeld, is er een zuiver verband ‘tusschen de realiteit, de aandoening en de schoone gedachte merkbaar’4.
De Tachtigers importeerden naar Bückmanns opvatting àndere, tot
dan toe minder bekende, romantische begrippen. Terwijl Adama van Scheltema het verval der Tachtigers vooral aan hun naturalisme wijt, zoekt Bückmann de voornaamste oorzaak in hun hyper-individualisme, een uitwas van de romantiek. Zijns inziens breekt echter bij de Nieuwe Gidsers geleidelijk een nieuw inzicht door: het besef, dat zij uit hun extreem individualisme terug moeten naar het leven.
Zo keert Bückmann aan het eind van zijn studie tot het aanvangsprobleem terug: de verhouding van kunstenaar en gemeenschap. Positiever en vollediger dan in de aanhef spreekt hij zich aan het eind van zijn studie uit, met name door de verantwoordelijkheid van de kunstenaar ten opzichte van maatschappij, moraal en religie nadrukkelijk in zijn overwegingen te betrekken. De kunstenaar behoort zich rekenschap te geven van de invloed die zijn werk kan oefenen: ‘Al zou een werk kunst zijn, dan zou een Christen 't niet moeten publiceeren, zoo het zijn volk van God aftrok’. Echte kunst vertone een ‘harmonische vereeniging’ van het goede, het ware en het schone. Daardoor wordt de kunst niet vernederd tot dienares van de moraal, maar ‘op eigen gebied optredend, schoonheid gevend, heeft ze óók moreele waarde’. ‘Ons beginsel “l'art pour Dieu” is een beperking’ van het beginsel l'art pour l'art, terwijl het ‘tòch het: “de kunst voor de gemeenschap” in zich sluit’1.
Na deze studie over Adama van Scheltema heeft Bückmann geen essay van algemene, principiële aard meer in OTs gepubliceerd. Reeds eerder wezen we op zijn snel afnemende medewerking na de eerste jaargangen2. Hij plaatste nog een van veel voorstudie getuigende bijdrage over J.J.L. ten Kate3, maar verder zijn z'n literaire denkbeelden slechts incidenteel en fragmentarisch, in Terugblik of boekbespreking, te vinden.
Zijn aandeel in de Terugblik leverde Bückmann uiteraard anoniem, doch als Terugblikfragment kreeg het de waarde van een redactionele
uitspraak1. Van veel belang in de Terugblik is vooral Bückmanns oordeel over literaire gebeurtenissen buiten de vertrouwde kring. Zijn kritische instelling daartegenover is frappant. Wanneer deining ontstaat door het verschijnen van de roman Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, stelt hij de vraag, waarom dit boek eigenlijk onzedelijker gevonden wordt dan zoveel andere boeken. Hij oordeelt Diamantstad en Kamertjeszonde van Heyermans, Levensgang van Querido, Levenslol van L.H.A. Drabbe, Hooge Troeven en De Stille Kracht van Couperus slechts gradueel verschillend van Pijpelijntjes: het zijn boeken die als onzedelijk gebrandmerkt moeten worden, al zijn ze met kunst geschreven2. Een jaar later constateert hij spottend, dat zelfs Van Deyssel is gaan beseffen, dat de publikatie van een boek als Pijpelijntjes ook ‘als daad in de samenleving’ beoordeeld moet worden en minder gewenst is, wanneer het ‘levenswijzen bevordert, die men meent dat niet bevorderd moeten worden’3.
In deze geest heeft menig Terugblikfragment de strekking, de rechten van de ethiek naast die van de esthetiek te honoreren. Bückmann erkent daarbij, dat de nieuwe redactie in eerste instantie wellicht te eenzijdig het esthetische heeft beklemtoond. Met een verwijzing naar Van der Valks referaat voor het C.L.V.4 betoogt hij dan, tot herstel van het evenwicht: ‘Drie begrippen zijn er: het schoone, het ware en het goede, en èlk der drie begrippen is alleen dan zuiver, zoo ze tevens de beide andere in zich bevat. Iets is alleen dàn goed, als 't tegelijk schoon en waar is; het volmaakte schoon is dat, dat tevens goed en waar is. Ethiek en aesthetiek zijn nooit los van elkaar en de in waarheid door ons te accepteeren kunst is slechts die, waar de ethiek en de aesthetiek harmonisch tot hoogere eenheid verbonden zijn’5.
Scherp polemiseerde Bückmann in de Terugblik tegen de visie van Bierens de Haan op de Beweging van Tachtig6. Voor Bierens de Haan was dè nieuwe factor die de Tachtigers in onze geestelijke beschaving gebracht hebben, ‘de Hartstocht der Taal’, die onvermijdelijk gepaard zou
gaan met verwerping van moraal en religie. Bückmann betwist ten stelligste, dat dit een conditio sine qua non zou zijn en attendeert op het bestaan van OTs ten bewijze dat ‘hartstocht der taal’ wèl verenigbaar is met godsdienst en moraal. Ja, sterker, de christen-literatoren kunnen zich begunstigd voelen boven de Tachtigers, ‘omdat in onze levens- en geloofsovertuiging als eene vanzelfschheid reeds de kiem aanwezig is onze “literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder inhoud te geven”’1. Al moet Bückmann toegeven, dat ‘over het geheel’ geloof en moraal bij de Tachtigers ontbreken, hij aanvaardt dit allerminst als een wèt: dat bewijzen, op geheel verschillende manier, het proza van Van Eeden en de poëzie van Gezelle.
Duidelijk toont Bückmann ook te beseffen, hoe onder invloed van de Tachtigers de literatuur ‘verpsychologiseerd’ dreigt te worden; hoe meer en meer ‘de krànke geest’, het pathologisch geval, de aandacht trekt; dat veler geschrijf opgaat in ‘een bijna magazijnmeester-achtig inventariseeren, of een Dr. Pluizer-achtig analyseeren’; zo ontstaat een literatuur van psychologisch-uitgeplozen poppen2. Positief stelt hij daartegenover, dat de literatuur ‘de groote tragedies van het menschelijk leven’ moet geven3; dat ze het lèven zal schilderen ‘in zekere vermooiing, in zekere verheftiging der hartstochten, maar dan toch het lèven’ zoals ieder mens dat voelt en kent4.
Na 1909 is Bückmanns medewerking aan de Terugblik eveneens vrijwel geheel tot stilstand gekomen. Dit valt bijzonder te betreuren, daar hij vóór en na de heroriëntatie van 1904 met zijn principiële en doordachte kritieken zeer veel voor OTs heeft betekend en in die kenteringsperiode de voornaamste vernieuwer der literaire kritiek in het tijdschrift is geweest.
Beperkt was het aandeel van Van der Valk in de literair-theoretische bezinning na 1904. Als Terugblik publiceerde hij, met redactionele goedkeuring, een beschouwing over Ethisch en Aesthetisch, ter verdediging van het uitgangspunt van zijn bloemlezing Onze Letterkunde5. Johan de
Meester, literair redacteur van de N.R.C., had in een recensie dit principe bestreden, daarbij suggererend dat de andere redacteuren van OTs de grenzen van hun literaire waardering ruimer stelden dan Van der Valk. De Terugblik ontkent dit ten stelligste: aanvankelijk heeft OTs alle nadruk gelegd op het hanteren van een strenge esthetische maatstaf, thans echter dient de ethische eis evenzeer gehandhaafd. Dit is een kwestie - aldus Terugblikschrijver Van der Valk - die dieper gaat dan het praktische probleem van de bestrijding van onzedelijke lectuur; het verschil met de N.R.C. is meer theoretisch van aard. ‘Het geldt de vraag of de criticus moet trachten door te dringen ook in den geest der schrijvers, of hij de richting van den auteur qualificeeren moet om diens werk juist te kunnen beoordeelen’. Met het oog op zijn eigen bloemlezing preciseert Van der Valk dat, door te stellen dat men bij een dergelijke arbeid de taak op zich neemt ‘zoowel om het kunstwerk als om den schrijver te leeren kennen, op te sporen in diens persoon en werk of en in hoeverre zij overeenstemmen met den tijdgeest. Des schrijvers beheerschen van den tijdgeest of zijn volgen, en dit volgen op verscheiden wijze, bepaalt de kracht en de neiging ook van het ethische in den mensch; het zij een eer of een aanklacht, noodwendig in elk geval voor het begrijpen van maker en maaksel’1. Om de auteurs billijk te beoordelen zal de criticus zich derhalve vertrouwd moeten maken met de geest, die een bepaalde periode bezielt. Bij de Tachtigers is dat, volgens Van der Valk, de geest van het ‘aesthetisch pantheïsme’. Zijn conclusie komt geheel overeen met Bückmanns Terugblik-ideeën: tegen ‘rechts’ heeft men eerst met alle kracht de techniek der nieuweren verdedigd, ‘maar nu een der nieuweren opkomt om meer van ons te eischen dan kan en mag, sta hier ons onomwonden protest tegen links’2.
Behalve in deze Terugblik, waarin hij eigen werk verdedigde tegen N.R.C.-kritiek, heeft Van der Valk zich in het maandoverzicht zelden over literaire aangelegenheden uitgesproken. Hij steunde het protest van de Terugblik tegen het telkens terugkerend vragen om een calvinistische kunst; ook hij wees dit af als een ontoelaatbare verenging en als een inner-
lijke tegenstrijdigheid1. De redactie besefte terdege, dat zij zich daardoor blootstelde aan het verwijt, dat ze hèt Calvinisme bestreed. De redactie meende echter dit nadeel, terwille van de zaak die zij diende, te moeten aanvaarden2.
In verscheidene van zijn boekbesprekingen varieert Van der Valk de grondgedachten uit zijn Terugblik over de problematiek van ethisch en esthetisch. Helder formuleert hij, hoe hij de dubbele taak van de christencriticus ziet: ‘tegen den verderfelijken invloed der lectuur, tegen boeken die godsdienst en zedelijkheid ondermijnen, liederlijkheid, lichtzinnigheid bevorderen, den geest verpesten of verslappen, daartegen moet hij met alle kracht en allen ernst waarschuwen’. Maar anderzijds moet hij ook onverbiddelijk ‘aanwijzen wat geen kunst, wat wankunst is, wat òf door opzettelijk òf door zelfbedrog verkocht wordt voor iets dat het niet is’. De criticus die dit nalaat, ‘verstompt het aesthetisch gevoel bij de lezers, het zelfrespekt bij den schrijver en bevordert de oneerlijkheid bij den uitgever. Is dàt wèl Christelijk?’3.
Nuchter en weinig gecompliceerd is zijn positiebepaling tegenover de Tachtigers, wanneer hij stelt: zoals men de klassieken kan bewonderen zonder heiden te worden en zoals men Middeleeuwse kunst kan prijzen zonder tot het Rooms-Katholicisme over te gaan, zo kan men de Tachtigers bewonderen zonder pantheïst te worden. ‘De techniek van een kunstrichting en het geloof harer kunstenaars zijn te onderscheiden en te scheiden’. De auteurs vóór 1880 legden eenzijdig nadruk op de ‘gedachte’, de Tachtigers op de ‘klank’: zo heeft elke stroming haar eenzijdigheid4.
Naast de omvangrijke artikelen van Bückmann en de belangrijke Terugblik van Van der Valk dient ook het aandeel van Van As in de principiële bezinning der OTs-redactie genoemd te worden. Het volledigst sprak hij zich uit in zijn bekende artikel naar aanleiding van Johan de Meesters Geertje: Over kunst en Christen-kunstenaars. Poging tot plaats-bepaling van ‘Christelijke kunst’5. In de trant van Bückmann gaf
Van As hier een boekbespreking, waarbij het besproken werk in een zeer ruim kader werd geplaatst.
Al eerder had Van As zich in OTs met het werk van De Meester beziggehouden. Over het leed van den hartstocht had hem doordrongen van de trieste somberheid in De Meesters oeuvre. De Bijbel, zo had Van As er in zijn recensie aan toegevoegd, leert ons óók, dat deze wereld ‘in het booze ligt’, maar zij wijst ons tevens de weg tot loutering en heiliging. De Meesters werk daarentegen komt niet verder dan de berusting. ‘En daarom blijft deze litteratuur ons vreemd in zooverre, dat we haar uitingen, ja bewonderen vaak wèl, maar niet liefhebben kunnen’1.
Van As' studie over Geertje draagt echter veel meer het kenmerk der onverdeelde bewondering. Ze valt uiteen in een uitvoerige, algemene inleiding over christelijke kunst en een beknopte bespreking van de roman. De algemene inleiding is onmiskenbaar beïnvloed door Bückmanns artikel over het bestaansrecht der christelijke letterkunde; de eigenlijke beoordeling van de roman vertoont sterke overeenkomst met Bückmanns lovende bespreking in de Oprechte Haarlemsche Courant. In de rubriek Leestafel van dit dagblad, waarin hij veel uitgaven van Van Dishoeck besprak, had Bückmann Geertje geprezen als het mooiste boek van 1905: ‘Door teekening van milieu en invloeden, door hooge objectiviteit, door prachtig-teere analyse van toestanden, gebeurtenissen, stemmingen en gevoelens, door zuiverheid van dialoog, waarbij de individualiteit der personen bewaard bleef, door zeer persoonlijk stijl-fijn en beslist eigen vertel-wijze, werd “Geertje” een boek van sterke en toch subtiele kunst, zooals geen enkel boek van 't voorbije jaar ons gaf’2.
Al is Van As' beschouwing het resultaat van persoonlijke verwerking, in de kern biedt ze toch slechts een herhaling van Bückmanns ideeën3. Bückmann stemde met Van As' artikel dan ook van harte in4; het was bovendien voor de publikatie nog door Van As omgewerkt overeenkom-
stig Bückmanns op- en aanmerkingen1. Het was voor Bückmann waarschijnlijk vooral van belang, dat Van As conform zijn inzichten schreef, omdat Johan de Meester, prompt reagerend op de recensie in de Oprechte Haarlemsche Courant, Bückmann had meegedeeld, dat deze Geertje precies zo beoordeeld had als de auteur het bedoeld had en beschouwd wilde hebben2.
Van As tracht in zijn artikel het kenmerkend verschil aan te geven tussen christelijke en niet-christelijke kunst. De term ‘niet-christelijk’ wil Van As terdege onderscheiden van de aanduiding ‘on-christelijk’ of ‘anti-christelijk’: er is een zekere ‘neutrale zône’.
Allereerst stelt Van As de vraag aan de orde, wat het lezend publiek eigenlijk van een christelijke roman verwacht: een goede tendens, propaganda voor het Calvinisme, ‘de aesthetische glorificatie van het stelsel’? Deze verlangens zijn volgens Van As geheel misplaatst. Vóór 1880 was er dogmatiek op rijm en bevinding in dichtmaat, doch de poëzie was zoek. Thans behoort er, uit de gave eenheid van christen-zijn en kunstenaar-zijn, een nieuwe christelijke kunst te groeien. Men kan echter niet apriori de grenzen bepalen waarbinnen zij zich bewegen moet: zij heeft haar eigen ‘terrein’, zij bouwt - naar Kuypers woord - ‘haar eigen tempel’. De christen-kunstenaar blijft christen-kunstenaar, ook al geeft hij geen bekeringsgeschiedenissen, al biedt hij niets dan ‘het gewone menschenleven’, ja ‘zelfs al schijnt de Zon in zijn werk heelemaal niet’3.
Na zo enkele ongemotiveerde verlangens te hebben afgewezen, stelt Van As positief - evenals Bückmann - dat elke schrijver een levensbeschouwing huldigt, waarvan zijn werk ‘steeds onbewust belijdenis zal doen’. ‘Zoo lijkt mij ook het ideaal van het product der Christelijke kunst dàt boek, waarin de levensbeschouwing van den Christen-kunstenaar, zonder dat de lezer het bemerkt, als waarheid, als schoonheid ook,
en dan als hoogste schoonheid, omdat zij in den Volmaakte wortelt, gevoeld wordt en gezien’. Van As geeft aan, dat dit standpunt belangrijke consequenties heeft. ‘Die Christelijke levensbeschouwing, - of liever, de heiligmaking, die de kroon der verlossing is, brengt vanzelf mede, dat de Christelijke kunst, zonder dit opzettelijk te prediken, de zonde als zonde zal uitbeelden, en ook, al teekent zij somtijds die zonde in een schoon gewaad, toch om de schoonheid van het kleed, het innerlijk bederf niet verbloemen zal’1. Wàat de christen-kunstenaar wil uitbeelden, moet men echter aan zijn geweten overlaten. Geen slaafse onderworpenheid aan bepaalde ‘principes’: de christen-kunstenaar moet de zelfstandigheid van zijn kunst bewaren, al is hij in absolute zin uiteraard niet vrij.
Geheel analoog aan Bückmanns verdediging van het bestaansrecht der christelijke kunst - in de eerste aflevering van de vernieuwde jaargangenreeks - wijst Van As op de allesdoordringende, zij het vaak onbewuste, invloed van 's kunstenaars geloofsovertuiging2. Geheel in Bückmanns lijn is ook de zichzelf-corrigerende uitspraak, dat de levensbeschouwing zich uit in de keuze van het onderwerp, of liever: in het onderwerp, dat zich onweerstaanbaar aan de auteur opdringt3.
Om de overgang naar zijn bespreking van Geertje te maken, dat door sommigen een onzedelijk boek was genoemd, werpt Van As tenslotte de vraag op, of het zedeloos- en zinnenprikkelend-zijn van een literair werk wellicht het kenmerkend verschil uitmaakt tussen niet-christelijke en christelijke kunst? Hij ontkent dit met beslistheid en verbindt hieraan de uitdagende vraag: wanneer moet een boek eigenlijk zedeloos genoemd worden? Toch niet zonder meer, wanneer het uitgaat van een andere dan de christelijke levensbeschouwing, of wanneer er zedeloze feiten en toestanden in beschreven worden? Neen! zo formuleert Van As het zelf: ‘een zedeloos boek is, naar mijne meening, een boek waarvan de ziel,
bepaald en bewust, met den wellust van het alzoo-te-willen, en met den hartstocht van het alzoo-te-doen, in de overtreding van Gods geboden het hoogste menschengeluk decreteert’1. In die zin acht Van As Geertje geen zedeloze roman; sterker: het is naar zijn overtuiging een boek, dat een blijvende plaats zal behouden in onze literatuur2.
Het artikel had nog een kleine nasleep, doordat de auteur ter ore kwam, dat een klein meisje in een christelijke leesbibliotheek naar Geertje gevraagd had met het argument: ‘Geertje is toch een Christelijk boek, dat heeft in Ons Tijdschrift gestaan’! Van As betreurt het, dat sommige mensen blijkbaar zo slecht kunnen lezen; en hij onderstreept dat de bibliotheek groot gelijk had, Geertje niet te kopen en uit te lenen, omdat het ‘geen boek voor velen’ is3.
De reacties op Van As' artikel waren zeer uiteenlopend. Gerard van Eckeren, volledig bekend met de situatie in het orthodoxe kamp, sprak er zijn grote vreugde over uit. ‘Immers, het doet zien, dat de jongeren hun consequenties meer en meer aandurven; dat men het hinken op twee gedachten werkelijk moede raakt en begint te zoeken naar meer theoretische klaarheid’4.
In de medewerkerskring uitte Johanna Breevoort bedenkingen: Bückmann en Van As beiden moesten het verwijt incasseren, dat in hun beschouwingen de christen-criticus en de christen-literator te weinig aan het woord kwamen5.
Scherp en onvriendelijk reageerde J. Postmus in De Standaard6. ‘Hedendaagsche karakterloosheid “geniet” alles’, luidde de inzet van zijn kritiek. ‘Van een onder tucht zich stellen óók bij zijn lectuur - bij velen zelfs niet het geringste besef. We hebben leeren lachen om “die domme Roomschen” met hun Index. Maar die het laatst lacht, lacht het best! En daarom worden we dan soms ook zulke “fideele lui”, die nu letterlijk met iedereen kunnen omgaan. We leeren 't in en uit de boeken.
Jè menschen hebben nu vriendinnen als zekere Geertje. Waar de “kennismaking” begonnen is? In een “Christelijk tijdschrift”, mijnheer!’1. Van der Valk gaf Van As de raad, aan Postmus' kritieken verder geen aandacht te schenken en bij voorkomende gelegenheden slechts zakelijk tegen hem in te gaan2.
Afzonderlijke vermelding verdient Van As' oordeel over de kinderlectuur, een onderwerp waarover ook in het oude OTs een uitgebreide discussie was gevoerd3. Van de nieuwe redacteuren oefenden met name Lens en Van As belangrijke invloed uit op de ontwikkeling van het goede kinderboek4, terwijl van de vrouwelijke medewerkers Johanna Breevoort, J.L.F. de Liefde en J.M. Westerbrink-Wirtz zich op dit terrein bewogen5.
Verschil van inzicht met de oprichter van OTs kwam ook hier tot uiting. Want wel erkende Van As de verdiensten van A.J. Hoogenbirk als kinderschrijver, maar naar zijn smaak waren de meeste boekjes van Hoogenbirk toch te zoetelijk, te lerend of te onwaarschijnlijk6. Een kinderboek behoorde kùnst te zijn, zo stelde Van As. ‘Kinderlectuur moet innerlijk en uiterlijk supérieur werk zijn’; de vraag, of het voor de zondagsschool geschikt zou zijn, mocht geen criterium wezen7.
Bij de regelmatige bespreking van de Kerstuitgaven van Bredée en Callenbach vond Van As gelegenheid zijn denkbeelden nader te ont-
vouwen: géén realistische schildering van gruwelijkheden, géén onnatuurlijk deftige spreektaal, géén opgeplakte lesjes. ‘Goed geschreven, goed bedoeld, in den kindertoon, geen opzettelijk gepreek!’1. Uit eigen ervaring wist hij, hoe moeilijk het was, een jongensboek te schrijven dat aan deze eisen voldeed. ‘De schrijver voor kinderen wil kinderlijk zijn en wordt zoo licht kinderachtig; hij wil in zijn verhalen het Evangelie, de kracht van Gods Woord doen uitkomen, en hij laat merken dat er ook preêkers zijn zònder toga en bef; hij wil zoo graag spelend-leeren, en het wordt meesteren; hij wil boeien en mooi schrijven, en wordt onnatuurlijk’2. Maar aan het ideaal diende toch te worden vastgehouden. Naar zijn oordeel beantwoordde binnen de kring van OTs het werk van mej. De Liefde hieraan nog het meest. Op haar beurt schreef mej. De Liefde zeer waarderend over de jongensboeken van G. Schrijver3.
Ook de verdere literaire denkbeelden van Van As liggen verspreid in zijn boekbesprekingen. Systeem vertonen ze echter weinig. Wel blijkt steeds duidelijker zijn afkeer van het naturalisme, dat naar zijn mening mee eraan schuldig staat, dat het volk van de literatuur is vervreemd. Daartegenover pleitte hij sterk voor het goed recht van de fantasie, die zowel voor lezer als voor kunstenaar eis is. Schone fantasie is schoner dan gefotografeerde werkelijkheid, merkt Van As ergens op4. En in een poging, de eisen van waarneming en fantasie in een zuivere synthese te vatten, schrijft hij: ‘Het gewone, het dagelijksche, bèst ... maar verinnigd door een dieper inzicht dan dat van den gewonen, den doorsneêlezer, het gewone verheven op een hooger plan, en voor òns: het gewone in den glans der goddelijke Heerlijkheid van het Hoogste Leven, dat is het Leven in God. Voor òns, die ons christenen noemen, en die schrijven. Fantasie, “Gotteskind”!’5. Of nog nadrukkelijker, ten besluite van een zeer uitvoerige boekbespreking: ‘Het hoogst menschelijke, dat is: de terugkeer van den verloren zoon tot den liefhebbenden Vader: - déze
verdichting des Nieuwen Testaments, eenvoudig, sober en klaar, ons de menschen gevend, zooals ze zijn, en God zooals Hij is, - de mensch in de kleinheid zijner verdorvenheid, God in de grootheid zijner liefde, zij is ons oertype van de allerbeste en allerhoogste literatuur, omdat zij levende menschen stelt tegenover den levenden God!’1.
Wanneer de jonge Gerretson tot de redactie toetreedt, heeft de politicus Carel de poëet Geerten al goeddeels verdrongen. Hij verzorgt een aantal interessante kritieken over de poëzie van tijdgenoten, dichters van De Beweging, maar de meeste activiteit ontplooit hij op niet-literair gebied2. Op letterkundig terrein deed zich, bij mijn weten, slechts een belangwekkend principieel verschil van inzicht voor, toen Gerretson in december 1911 zijn mederedacteuren een artikel aanbood van zijn Brusselse vriend D. Hoek (Frank Gericke)3. Gerretson achtte dit artikel, over Alfred de Musset, zeer belangrijk, doch zijn vier mederedacteuren hadden overwegend bezwaar tegen het slotgedeelte. De meest omstreden alinea's daarvan luidden: ‘Daar is een burgermansmoraal. Men scheldt ze. Ten onrechte. Daar is geen beter dan zij. De vruchtbaarste moraal is een bekrompene. En dat de burgerman een andere dan de zijne scheldt, wie zou dat hèm niet vergeven?’. ‘Het is helaas maar al te waar, zoo spreekt de Confession d'un Enfant du Siècle, dat godslastering veel kracht doet verliezen, waardoor het overkropte hart verlichting krijgt. Als een godloochenaar zijn horloge ter hand nam en God een kwartier den tijd gaf om hem te verpletteren, dan bezorgde hij zich daar ongetwijfeld een kwartier mee van grimmigheid en gruwelijk genot. Het zou het paroxysme van de wanhoop zijn, een namelooze schreeuw tot alle hemelsche machten; de schreeuw van een armzalig en ellendig schepsel, zich krommend onder een verpletterenden voet; het zou een geweldige kreet zijn van smart. En wie weet? in de oogen van Hem, die alles ziet, was het misschien een gebed’. ‘Nu de dood hem meer dan vijftig jaar reeds met haar schaduw overdekt, hem die God, in daad meer dan in woord, zooveel gelasterd heeft, thans mogen wij het fluisteren: Misschien was in Zijn oogen dit leven een gebed!’.
Van de redacteuren verklaarde Van der Valk zich kortweg, met één woord: tègen. Van As volstond met de voorzichtige vraag, of het artikel wel geschikt was voor OTs. Lens en Bückmann motiveerden hun oordeel echter uitvoerig. De eerste schreef: ‘Ik voel sterk tegen het slot van dit artikel. Wellicht kan dat omgewerkt. Al geloof ik méé, dat meer dan één godslasterlijke uiting meer een god-zoeken aantoont dan het tegengestelde, ik geloof ook, dat we voor Musset dat niet moeten stellen. Is het zoo - gelukkig voor hem. Maar die conclusie kunnen en mogen we niet trekken. Niet alleen voorzichtigheidshalve, maar ook waarheidshalve. Hoogstens zou hier geen conclusie passen’.
Sterker drukte Bückmann zich uit: ‘Het slot van het artikel deed me huiveren. Wie klopt, dien zal opengedaan worden. Een leven, dat een gebed is, gaat niet verloren in zonde. Een slot als van Gericke's artikel stelt God verantwoordelijk voor De Musset's zonde. Misschien ben ik een burgerman, omdat ik bij een dergelijke moraal niet bij kan. Maar is het burgermansmoraal het leven van De Musset vreeselijk te vinden? Indien ja, dan is elk van Gods geboden slechts een burgermansgebod. Ik voel veel voor het artikel. Maar zoo iets als 't slot kunnen we niet laten passeeren’.
Toen het stuk, voorzien van deze opmerkingen, bij Gerretson terugkeerde, merkte hij tegen zijn mederedacteuren op: ‘Ik erken en gevoel de bezwaren van de Heeren ten volle. De Heer Gericke heeft ze blijkbaar ook gevoeld. Doch mag ik opmerkzaam maken, dat deze paradoxaliteit in het slot ... Augustinisch is? Men moet wel onderscheiden tusschen waarheden gezien vanuit het standpunt van de handelende persoonlijkheid en die gezien vanuit dat van het beschouwende intellect. Het laatste standpunt wordt noodzakelijkerwijze ingenomen door den criticus. Indien dus zekere levenshoudingen vanuit Musset's standpunt (en het onze, als medemenschen van De Musset) onheilig, tegen Gods gebod en ‘slecht’ is, kan dit vanuit het ‘kritisch’ d.i. goddelijk standpunt uit gezien juist andersom blijken. In God omnia bona sunt, zegt Augustinus (wien toch zeker het niet-ernst maken met de zonde niet verweten worden kan!!). Dat het stuk van onzen medewerker dus principieel onkristelijk is kan ik B., noch L., noch v. As toestemmen. Echter ben ik het eens, dat het stuk terwille van het waarschijnlijk misverstand der lezers zoo niet geplaatst kan worden’1 In dit belangwekkend stuk stelde Gerretson
tegenover de principiële bezwaren van zijn mederedacteuren derhalve slechts het praktische bezwaar van een mogelijk misverstand der lezers1.
Naast deze beschouwingen, met name van Bückmann, Van As en Van der Valk, die elkaar ondersteunen en aanvullen en bij alle persoonlijke nuancering een redactioneel standpunt vertegenwoordigen, bevat de vernieuwde jaargangenreeks van OTs ook enkele bijdragen van medewerkers, die zonder redactionele verantwoordelijkheid hun visie op deze principiële vragen gaven.
Naast de befaamde vervolgreeks van Bückmann verscheen in de negende jaargang (1904) een bijdrage van Ds. B. Tichelmann over Christendom en kunst2. De auteur bewandelde traditionele paden in de constatering, dat religie en kunst niet los van elkaar staan en dat het Evangelie ook de kunst ‘een wezenlijk ander karakter’ geven wil. ‘Op het gebied der kunst noemt de Christen daarom het zedelijk-schoone alleen werkelijk schoon’3. Ook het waarschuwen tegen eenzijdige nadruk op het zedelijk gehalte van een kunstwerk ten koste van de schone vorm, én tegen de identificatie van Christendom en zichtbare kerk betekende een herhalen van bekende gedachten4. Het grootste deel van het artikel bestond uit een historisch overzicht: vanaf de eerste christen-gemeente werd de verhouding van religie en kunst nagegaan; uitvoerig releveerde Tichelmann de ideeën van kerkvaders en reformatoren. Al verschafte dit artikel interessante historische documentatie, voor de praktijk van het verjongde OTs had het slechts geringe waarde.
Bepaald verrassend was in de volgende jaargang het korte, theoretischeartikel van Gossaerts vader, B.J. Gerretson, over Tweeërlei norm. Compact geschreven en vol originele wendingen was het artikel van deze Réveilman5. Flitsend ontwikkelde hij zijn betoog: ‘Van een tegen-
stelling: Christelijke en onchristelijke of heidensche literatuur, zooals velen zich die denken, kan eigenlijk geen sprake zijn’. ‘Onder de groote, de grootste kunstenaars aller tijden vinden we christenen: Augustinus, Pascal, Hamann, Gezelle. Hun kunstenaar-zijn heeft echter met hun christen-zijn weinig of niets te maken. Ze zouden als kunstenaar even groot, grooter allicht, als christen niet minder, misschien zelfs meer zijn geweest zonder dat toevallig samentreffen’. En Gerretson herhaalde: ‘De tegenstelling Christelijke en on-christelijke kunst is even oud als onjuist’. Zijn nadere toelichting luidde: ‘Er is tweeërlei levensbeschouwing. Dat is de religieuze en de aesthetische. De laatste leeft uit de zinnelijke aanschouwing der dingen’. ‘Die zinnelijke aanschouwing nu is a-moreel, d.w.z. die beschouwing zelf wekt als zoodanig volstrekt geen begrip van goed of kwaad. Zij is niets meer dan een levensfunctie’. ‘Deze curve des levens heet, met één woord aangeduid: de Helleensche’. ‘De religieuze curve daarentegen staat als loodrecht op de Helleensche’. De religieuze waarnemer is in ‘zijn aanschouwen als in heel zijn natuur, naar Christus' woord: niet van deze wereld. Als zoodanig is hij zelfs een bestrijder, een verwerper, een tastbare tegenstelling van des kunstenaars natuur’. Toch is er een combinatie mogelijk. ‘Slechts dan, als deze beide naturen in denzelfden mensch in gelijke mate, krachtig - meest in heftigen strijd - tot bewustzijn komen, openbaart zich de Christenkunstenaar’. ‘Het Christen-zijn is dus ook niet alleen geen noodzakelijke voorwaarde voor het kunstenaar-zijn, maar veelal zelfs een belemmering tot zijn volle ontplooiing’, zo concludeerde hij. Daarom achtte Gerretson een christelijke letterkunde en een Christelijk Letterkundig Verbond hachelijke ondernemingen. Niettemin eindigde hij met enig optimisme: ‘struikelend en vallend zijn we op 't goede pad’. ‘We leeren al beter, Kunst als Kunst en Christendom als Christendom debiteeren en we laten die beide niet langer elkaars tekorten dekken’.
Dialectisch van opzet en paradoxaal van formulering was deze bijdrage: in de aanvankelijk radicale scheiding van het religieuze en het esthetische - met een sterk accent op het niet-van-deze-wereld-zijn -, in het bewonderend benadrukken daarna van de spanning-der-tegendelen1. Ongetwijfeld was het een bijdrage met een stimulerende, eigen visie.
In de daarop volgende jaargang verscheen - later dan de bedoeling was - het artikel van Dr. A. Kuyper, ‘Alles is het uwe, doch gij zijt van Christus’, dat dienen moest ter nadere verklaring van de omstreden voetnoot bij zijn Bilderdijkrede1. In feite behoorde het artikel echter tot het generaliserende genre in de trant van Brummelkamp c.s. en verschafte het geen enkele literair-theoretische verheldering.
‘Alle kunst’, zo betoogt Kuyper, ‘doorloopt een historisch proces. Achtereenvolgens treden in de historie, en bij verschillende volken, kunstscholen op, die zich karakteristiek van elkaar onderscheiden’. Daarop laat hij dan de voor zijn artikel fundamentele onderscheiding volgen tussen het wezen van de kunst en de opvatting van de kunst. ‘Het wezen blijft alle eeuwen door en bij alle volken identiek, de opvatting van de kunst verwordt, vervormt zich en wisselt. Ook de 80gers ten onzent hebben dientengevolge het wezen der poëzie niet anders kunnen nemen, dan het altoos was en blijven zal, en niemand betwist hun de verdienste, dat zij dit wezen der kunst, waarvoor men half blind was geworden, theoretisch weer in helder licht hebben gesteld. Vandaar dat zij dit wezen der poëzie ook in mannen als Shakespeare en Milton, Hooft en Vondel, wel moesten eeren’2. In deze passage beantwoordt Kuyper niet slechts de vragen, door Bückmann gesteld in Op de Hoogte3, doch bovendien plaatst hij de verdienste der Tachtigers tegenover het tekort der voorafgaande dichters. Hierop volgt evenwel een ernstige vermaning aan de OTs-redacteuren, omdat lang vóór de Tachtigers Bilderdijk reeds het wezen der poëzie zuiver in het licht had gesteld: de redactie had zich derhalve niet op de Tachtigers behoeven te oriënteren, ‘daar wij in Bilderdijk's geschriften reeds lang vóór hen bezaten wat zij verzuimden in Bilderdijk te vinden’4.
Dan gaat Kuyper in zijn redenering nog een stap verder, door te stellen dat de kunstopvatting, ‘die de geboorte geeft aan een eigen kunstschool, die straks op haar beurt weer ondergaat, om voor een nieuwe plaats te maken, product is van den tijdgeest’. De moderne tijdgeest, die zich afwendt van het Christendom, is die van het pantheïsme. Vanuit deze these komt Kuyper tot zijn scherpste kritiek op de Tachtigers: ‘Een
kunstschool nu, uit zulk een tijdgeest, met zulk een kunstopvatting voortgekomen, moest wel eindigen met in het wezen der poëzie zelf een innerlijke vervalsching aan te brengen’. ‘En zoo er uit de jongere letterkundige beweging onder ons welhaast weer echte kunst zal opbloeien, dan wachten we de zangers in, die het wezen der poëzie diepvoelend, de vervalsching der 80gers er in afwijzen, en aldus uit den levenden wortel der kunst ons een poëzie geven van het verjongd Christelijk bewustzijn, gelijk dit tintelt in onzen tijd’1. Niet slechts de toon van goedwillende verwachting hindert in deze pericoop, ernstiger is, dat het betoog op het beslissende moment ontspoort. Immers, het onveranderlijk wezen der kunst, door Kuyper geponeerd als gelijkblijvend voor àlle tijden en àlle volken, heet nu plotseling - en bij herhaling - door de Tachtigers vervalst. De tijdgeest moet toen dus zo verdorven zijn geweest, dat de kunstopvattingen zelfs het wezen van de kunst aantastten, iets wat zich in alle voorgaande eeuwen van kunstbeoefening nog nimmer had voorgedaan.
Deze tegenstrijdigheid maakte Kuypers betoog onbevredigend. Bovendien werd het streven van OTs naar een christelijk-literair reveil bepaald niet te hoog gewaardeerd in deze slotzinnen: ‘Dit nu (i.e. een vernieuwd christelijk-literair leven) zal er wel komen, maar het is er nog niet. Laat er ons onzen God om bidden, dat Hij er de komst van verhaaste. Maar juist daartoe is vóór alle dingen noodig, dat het tafellaken tusschen onze jongere school en de 80gers eens en voor goed worde doorgesneden. Men moet uit zijn gebondenheid loskomen en weer vrij adem kunnen halen uit eigen Goddelijke inspiratie. In het wezen der poëzie ligt de onderlinge verwantschap van de dichtscholen aller eeuwen, maar in de bijzondere kunstopvatting die bij de 80gers heerscht, uit zich dit wezen der poëzie in een schema, een vorm, een wijze van te werk gaan, een manier van zich te uiten, een soort stemming, een categorie van aandoeningen en gewaarwordingen, die niet toevallig, maar in het pantheïstisch beginsel zelf gegeven zijn. Wie daarin onzerzijds zich verplaatst en hangen blijft, is weg. Hij toch kan de kracht niet ontwikkelen, die de pantheïsten ontwikkelen, omdat hij hun geest mist. En ook, hij kan uit eigen geest niet zingen, omdat de panthe&i