De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd


auteur: Christiaan Kramm


bron: Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd. Gebroeders Diederichs, Amsterdam 1857-1864  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

G.

[Gaal. (Barent)]

GAAL. (Barent) Lees voor den naam van dien vermaarden paardenschilder en leerling van ph. wouwerman, bij Immerzeel aldus vermeld, barent gael.

[Gaal, (Jacobus Cornelis)]

GAAL, (Jacobus Cornelis) zoon van pieter gaal, werd den 5. September, 1796, te Oost-Zouburg, op Walcheren, geboren. Reeds in zijne eerste kindschheid gaf hij blijken zijner kunstliefde, die toen door zijn vader zeer werd aangewakkerd, totdat hij later, in zijne jongelingsjaren, daarin door hem met goede bedoelingen werd beteugeld, dewijl deze liever zag, dat zijn zoon zich op de wetenschappen toelegde, weshalve hij hem, gelijktijdig dat hij de lessen op de Latijnsche school in zijne woonplaats waarnam, ook tevens voorbereidend onderwijs in de

[p. 521]

Anatomie en verdere vakken der Geneeskunde genieten deed. Later, echter, op dringende begeerte zijns grootvaders, thomas gaal, trad hij in diens maatschaplijke betrekking, waarin hij een 30 tal jaren werkzaam was, beoefenende intusschen, even als zijne voorouders, de schilderkunst, waarin hij zich, na den dood zijns vaders, met ijver en inspanning, - voorgelicht door zijn vriend j.p. bourjé, vroeger zijns vaders leerling, en tevens door een tweeden vriend, j.c. haccou, en anderen, - meer en meer trachtte te bekwamen, gelijk eenige familieportretten, te Middelburg, zoo in olieverf als in miniatuur, kunnen getuigen. Ook is hij, gedurende een zestiental jaren, medebestuurder der Teeken-academie aldaar geweest. Zie Middelburgsche Courant, September, 1849. - In 1849, na het verlies zijner echtgenoot en van zijn oudsten zoon, en terwijl hem van zijne vier kinderen slechts één zoon over bleef, die, aan de Hoogeschool te Leyden, in de letteren sturleerde, vertrok hij met der woon naar 's Hage, alwaar zijne vriendschaplijke betrekking met den kunstgraveur l. schweickhardt, zoon des vroegeren meesters van zijnen vader, aanleiding gaf, dat hij zich, onder diens leiding, in het etsen ging oefenen, iets, hetgeen voornamelijk door hem ondernomen werd, om aan de slechts onder hem en zijne familie berustende Studiën zijns vaders, wiens nagedachtenis hij steeds in eere trachtte te houden, meerdere bekendheid te geven, en zoodoende het gebruik daarvan maken bij anderen tegen te gaan. - Ook bragt hij meer dan eene schilderij zijns vaders in het koper. - Nog steeds beoefent hij de kunst in zijne tegenwoordige woonplaats, Kampen, waar hij zich, nadat hij ook zijn laatst-overgebleven, veel beminden zoon, die zich, als litterator, de algemeene achting verworven had, te Delft, in het jaar 1853, ten grave bragt, gevestigd heeft. - Zijn etswerk berust, voor het grootste gedeelte, onder zijne Haagsche en andere kunstvrienden, terwijl de afdrukken van een plaatje, hetwelk hij, in 1857, naar eene teekening van p.l. hoedt, vervaardigde, als Nietprijs voor het Teekenkundig genootschap te Kampen, aan de leden van gemeld Genootschap is uitgereikt geworden, en van welk Genootschap hij, na het vertrek van zijn vriend p.j. schotel, het voorzitterschap bekleedde. - In 1853 werd hem het Eerelidmaatschap van het Genootschap, onder de kenspreuk: Tandem fit Surculus Arbor, te Delft, opgedragen. - Op mijn verzoek, heeft de Heer gaal mij een exemplaar van zijne etswerken toegezonden en tevens als geschenk voor mijn atlas vereerd, teneinde die naar behooren in mijn Werk aan te duiden, en zulks te meer, omdat ze niet in den handel zijn, en zoo nu bij de geschiedenis der etskunst in ons vaderland eene vaste plaats bekomen. - De eerste 15 stuks zijn in een omslag, daarbij behoorende, als: Nr. 1: Een titel, zijnde een landschap. Tegen een zwaren boom rust een steen, waarop te lezen staat: Studiën naar de Natuur geteekend door p. gaal, en in koper geëtst door j.c. gaal. In het verschiet een gezigt op 's Hage, h. 93, br. 112 str. Ned., zonder de marge, en zoo zijn ook al de volgende maten genomen. - Een liggend schaap, van voren, en een idem daar achter tegen den rug te zien, h. 84, br. 106 str., met de namen in de prent beteekend. - Een staande gezadelde, en met een haam om den hals, getuigde os, bij eene schuur, h. 90, br. 108 str., idem. - Een bok, bijna van voren te zien, h. 125, br. 103 str., idem, in de marge. - Twee paardenkoppen, één bijna, en één vlak van voren te zien, h. 100, br. 130 str., idem, idem. - Een staande, geblindlapte bul, ter zijde, en eene idem koe, nagenoeg van achteren, met twee liggende en één staande schaap, op den tweeden grond, in een landschap voorgesteld, h. 115, br. 160 str., in de prent beteekend. - Twee opwaarts grazende paarden, links eene boeren-stelling, h. 102, br. 127 str., beteekend in de marge. - Een staande bul, nederwaarts ziende, regts gewend, h. 91, br 126 str., in de prent beteekend. - Een her-

[p. 522]

kaauwend koetje, links, ter zijde, op een heuvelachtigen grond, h. 63, br. 90 str. idem, idem. - Een, op een kleed, slapende mopshond, met eene halsband om, h. 73, br. 97 str., idem idem. - Eene koe, staande regts gewend voor een hek, in een landschap, h. 107, br. 148 str., idem in de marge. - Een zittend varken, van de regterzijde, bij een rieten heining te zien, h. 88, br. 106 str., idem in de prent. - Een liggend varken, tegen den buik te zien, bij eene schutting en een boom, h. 92, br. 121 str., beteekend op het schut. - Een stierenkop, drievierde van voren genomen, regts, de lucht afgewerkt, h. 95, br. 80 str., idem in de marge; - en Nr. 15. Twee plaatjes, op één blad gedrukt, zijnde eene kalfs- en eene koekop, regts gewend, h. 54, br. 48, en h. 48, br. 57 str., beide in de prenten beteekend. - Verder een studieblad, met vier bullekoppen, drie ter zijde, regts, en een links, naar voren gewend, h. 139, br. 130 str., beteekend in de marge. - Eene koe, staande in eene rivier te drinken, ter zijde regts, te zien, in een landschap, h. 109, br. 145 str.; idem in de prent. - Een ezelskop van voren, h. 75, br. 73 str.; idem idem. - De kop van een doghond, drievierde regts te zien, h. 154, br. 190 str., in de marge beteekend p. gaal pinx., en op latere drukken er bijgevoegd, 1796, j.c. gaal, ft. aq. forti, 1852. - Een bergachtig, boschrijk Landschap, in den trant van willem romyn, met twee liggende koeijen en drie schapen, waarbij eene staande geit, van achter te zien. Op den tweeden grond, eene boerin, die een os drijft naar eene brug, waarbij een kruis staat; naar de schilderij van p. gaal pinx., 1802, h. 204, br. 211 str., beteekend in de marge. - Drie schapenkoppen, twee regts en één links gewend, h. 124, br. 157 str., idem, idem, pinx. 1811. idem. - Een hangende doode haas, snip en patrijs, bij jagttuig enz. Op de plint eener getoogde nis, half met een kleed bedekt voorgesteld, h. 230, br. 169 str., idem pinx 1805, idem. - Een boeren-jongen, op een grasheuvel, in een boomrijk landschap gezeten, houdende met zijne gevouwen handen zijn linkerknie omhoog, h. 185, br. 146 str., idem, idem, pinx. 1796, idem. - Twee herkaauwende koeijen, links achter elkander gelegen, de voorste met den kop van voren te zien, h. 96, br. 140 str., idem. - Drie ossen voor elkander op een heuvel staande, twee links en één regts gewend, h. 140, br. 91 str., idem. - Een ramskop, regts ter zijde, tegen een donkeren grond bewerkt, h. 131, br. 156 str., p. gaal pinx. 1815, idem. - Een Landschap, in de manier van ruysdael. Op den voorgrond een heuvel, met drie boomen, waarbij twee mannen met een hond; daar nevens eene boeren-woning, in het verschiet water enz., h. 153, br. 188 str., beteekend in de marge j.c. gaal, fec. aq. fort. 1855. - Een koekop, met touwen om de horens, regts gewend, h. 115, br. 107, met beide namen beteekend in de marge. - Een landschap met een hoogen heuvel, waaruit eene waterbron, door goten, naar een waterbak geleid wordt enz., h. 108, br. 139 str. idem, idem. - Een landschap met hoog geboomte, links woningen, en aan den weg, die op den voorgrond uitloopt, eene schoeijing en eene kleine schuur enz. Eerste staat, niet beteekend, h. 86, br. 116 str. - Eene liggende koe, opziende, bijna van voren; in het verschiet een gezigt op eene stad, h. 100, br. 131 str., idem, idem. - Een landschap met opgaand hout, waarin een hek met een leeuw, als tenant van een wapenschild, versierd is, tot ingang strekkende van eene buitenplaats, bij zonlicht, h. 91, br. 120 str., niet beteekend. - Een landschap, waarin op een heuvel twee liggende koeijen, waar achter twee schapen bij eene melkkan te zien zijn; daarbij eene staande koe, die door eene er naast zich bevindende meid schijnt gemolken te zijn. Bij de helling van den heuvel een liggend en staand schaap. Op den tweeden grond eene schuur, tusschen geboomte, door eene heining en hek afgesloten. Het verschiet bergachtig enz., h. 284, br. 370 str., p. gaal pinx. j.c.

[p. 523]

gaal ft. aq. forti, 52. Tweede staat, vóór de retouchering. Hiervan bestaan nog drie onderscheiden verbeterde drukken. - Eene heuvelachtige wei, met eene waterplas op den voorgrond. In het midden twee liggende kalveren en één staande, van achter te zien, en omziende, h. 155, br. 196 str., beteekend in de marge p.l. hoedt del. 1855, j.c. gaal, ft. aq. forti, 1856. - Een studieblad met een bok, een ezel, en drie schapenkoppen, h. 88, br. 193 str., beteekend in de prent j.c. gaal, naar berghem, en Nr. 1. Uit al de genoemde etswerken, die, in een zoo kort tijdsbestek, voor uitspanning, zijn vervaardigd, blijkt het streven van den Heer gaal, om de werken van zijnen vader langs dien weg meerdere bekendheid te geven: doch het is hier méér dan pogen, het zijn bijdragen, die den roem der Nederlandsche etskunst van onzen tijd helpen verhoogen. Ik zal niet te veel gezegd hebben, door te beweren, dat men den kop van den Doghond, den Ramskop, het Landschap in den stijl van romeyn, van ruisdael, en het groote idem, naar zijnen vader, maar vooral dat naar hoedt, zoo lieflijk van toon, onder de fraaije etskunst mag rangschikken. Ik voeg den wensch hierbij, dat hij bij dienzelfden ijver voor de liefhebbers der papieren kunst moge blijven volharden. - De Heer gaal heeft reeds bij het verschijnen van Immerzeel's Werk dank behaald voor zijne geschiedkundige mededeeling, aan dien schrijver gedaan, die hem als jacobus cornelis, zoon van pieter gaal, in dat Artikel, Directeur der Vlissingsche - lees Middelburgsche - Academie noemt, doch weder verkeerdelijk als jacob cornelis gaal, op het Artikel daniel de bliek, heeft beschreven.

[Gaal. (Pieter)]

GAAL. (Pieter) Bij Immerzeel vindt men 's mans levensberigt, doch ik ben door zijnen zoon, jacobus cornelis gaal, in de gelegenheid gesteld, eenige historische aanteekeningen hier bij te voegen, namelijk, dat onze pieter, die zich te 's Gravenhage vestigde, om zich, onder de leiding van h.w. schweickhardt, in de schilderkunst te bekwamen, aldaar, onder diens opzigt, zes zaalstukken, met gestoffeerde landschappen, vervaardigde. Door het vertrek zijns meesters naar Engeland, kon hij slechts weinige maanden diens onderrigt genieten, en keerde toen naar Middelburg terug, waar hij zich door het vervaardigen van eenige zaalstukken, landschappen en schilderijen, in zulk een jeugdigen leeftijd, tot verbazing van velen, gunstig onderscheidde. In 1789 bragt hij nog eenige maanden in Londen, ten huize van zijn meester en vriend, door. In 1791 gaf eene toevallige omstandigheid aanleiding, dat hij naar Parijs vertrok, waar hij tevens de lessen aan de Academie vlijtig waarnam. Vandaar bezocht hij een gedeelte van Italië, Zwitserland en Duitschland, en hield zich op de terugreis eenigen tijd te Dusseldorp bezig met het kopiëren der werken van van dyck, both en berchem. Vervolgens zette hij zich, na zijn huwelijk, te Middelburg neder, en bewoonde des zomers een buitenverblijf van het dorp Oost-Zouburg, in de nabijheid van genoemde stad, waar hij in die heerlijke Zeeuwsche landouwen ruime stof voor zijne studiën vond. Aldus voorbereid, heeft hij vele uitvoerige landschappen, met figuren en vee gestoffeerd, uit liefhebberij vervaardigd, en nu en dan ook portretten van goede vrienden en anderen, in den smaak van de destijds in zwang zijnde fraaije portretten van tischbein, die de algemeene goedkeuring wegdroegen, blijkens, onder meerderen, dat van den Franschen Divisie-Generaal Monet, ten voeten uit, staande in zijne veldtent, met eenige staf-officieren, waaraan, toen het, in 1808, op de Amsterdamsche Tentoonstelling verscheen, de algemeene goedkeuring van bevoegde kunstregters ten deele viel, even als ook aan een paar stukken met levensgroot rund en schapen, en een met dood wild. - Voor het Provinciaal Geregtshof van Zeeland, vervaardigde hij, in 1804, twee groote stukken, het een voorstellende: Mozes, daar hij met de tafelen der Wet van den berg

[p. 524]

komt, en het andere het Beeld der Geregtigheid. Voor deze twee werken werd den kunstenaar, boven den bedongen prijs, een fraaije en met toepaslijk opschrift versierde zilveren beker vereerd. - Zelden was hij over zijn werk voldaan, en onafgebroken met ijver in zijne geliefkoosde kunst arbeidende: zoo had hij nog een stuk met dood wild begonnen, daags vóór zijnen dood, die hem alzoo plotseling, in den krachtvollen leeftijd van 49 jaren, den 13. Januarij, - en niet den 14., zoo als Immerzeel zegt - 1819, heeft weggenomen.

[Gaal (Thomas)]

GAAL (Thomas) is reeds bij Immerzeel vermeld, doch ik moet daar bijvoegen, dat hij de zoon was van George Gall of Gaal, een hoofdofficier in Engelsche dienst, die, tengevolge van zijn bekomen pensioen, te Delft kwam wonen, waar hij zich met het geven van privaat onderwijs in verschillende doode talen bezig hield, aangezien hij in zijne jeugd aan de Universiteit te Edinburg zich voor den geestelijken stand had bekwaamd. thomas gaal werd, te Delft, bij een behangselschilder in de leer besteld, doch zette zich vervolgens te Middelburg als zoodanig neder, en vervaardigde intusschen vele portretten en behangsels met vogels, landschappen en arabesken, volgens den smaak van dien tijd. jacobus perkois, simon de koster (naderhand als kunstschilder naar Londen vertrokken), en j.h. koekkoek, waren hierin zijne leerlingen, en andries vermeulen en anderen, als zoodanig, bij hem werkzaam. - Het Teekencollegie, dat, in 1778, te Middelburg werd opgerigt, telde hem onder zijne stichters, en hij nam daarbij eenige jaren gratis de betrekking van lesgevend meester waar. Intusschen werden hier ook, zoo bij de zomer- als winter-bijeenkomsten, onderscheiden standen naar het naakt en gekleed model in crayon en olieverf vervaardigd, die meerendeels bij zijn kleinzoon, jacobus cornelis gaal, aan wien ik deze mededeeling verschuldigd ben, worden bewaard.

[Gabriel. (Paulus Joseph)]

GABRIEL. (Paulus Joseph) Deze verdienstlijke beeldhouwer is naar waarde door Immerzeel vermeld. Ik voeg alleen daaraan toe, dat bij zijne begrafenis, te Amsterdam, die zeer plegtig was, de kunst- en letterlievende Jeronimo de Vries eene treffende rede heeft uitgesproken. - Die warme vriend der ware kunst is ons ontvallen den 2. Junij, 1853. - Zie verder den Almanak voor het Schoone en Goede, 1847. - Zijn portret vindt men bij Van Eynden en Van der Willigen, alsmede nog een in 8o. door j.p. lange sc.

[Gabron (Willem)]

GABRON (Willem) is reeds bij Immerzeel vermeld; ik voeg daarbij, dat Bryan-Stanley zijne geboorte in 1625, en zijn dood in 1679 stelt.

[Gaddin, (Peter)]

GADDIN, (Peter) van Brugge, bloeide in de tweede helft der XVIII. eeuw Hij heeft langen tijd in Italië gestudeerd, en uitgeloofde prijzen bij de Academiën van Bologna en Parma behaald. - Behalve als een grondige kenner der oudheid, heeft hij zich ook als een bekwaam historieschilder onderscheiden.

[Gael. (A.)]

GAEL. (A.) Onder dezen, nog niet vermelden, naam zijn twee schilderijen voorhanden, voorstellende De ontmoeting van vader Jacob en Joseph, en Jesus, de kinderen zegenende, bij Jonkheer Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma, te Leeuwarden, waar zij, reeds van het begin der XVIII. eeuw af, bij diens voorgeslacht, aanwezig waren. Daar die stukken door kenners voor goede kunst worden verklaard, zoo ontstaat bij mij de vraag, of het ook werk van alexander van gaelen kon zijn, die welligt a en v aaneengehecht, en - hetgeen bij verkorting, niet zelden plaats heeft, - gael geteekend heeft.

[Gaelen (Alexander van)]

GAELEN (Alexander van) is bij Immerzeel vermeld. Ik moet daarbij voegen, dat Nagler zijn sterftijd op 1728 boekt.

[Gaelman (Arnould)]

GAELMAN (Arnould) was een der vroegst-vermelde kunstschilders, die, in het begin der XIV. eeuw, te Leuven, bloeide. Nopens hem vindt men aangeteekend,

[p. 525]

dat hij in de kerk van het groot Beggijn-hof aldaar, die in den jare 1305 werd gebouwd, - zooals uit een opschrift, dat vroeger den voorgevel dier kerk versierde, blijkt: Anno. Dni: M.CCC.V. haec. Ecclesia. incepit - een glasschilderwerk heeft vervaardigd, waarvan de beschrijving luidt als volgt: ‘De schilderij is 3½ voet hoog, en 1½ voet breed. Zij vertoont het regtstaende beeld der H. Maegd, die den jongen Zaligmaker op den arm houdt. Op haar hoofd prijkt eene koninklijke kroon, en zij draegt een groen kleed, op 't welk zich een roode mantel in breede plooijen ontrolt. Het godlijk kind, dat een wit kleedje draegt, houdt een vogeltje op den vinger. Het geheele beeld is omboord van een nimbe, in ovaelschen vorm, samengesteld uit vierkanten in rood glas, afgewisseld met geele en zwarte bloemen, welke vrij aenvallig geteekend zijn. Het komt voor op een grond in hemelsch-blaauw met sieraden doorwerkt. De bijzonderste lineamenten der schildering bestaen uit looden boorden, welke al de stukken samenhouden. Wat de teekening betreft, deze getuigt dat het gewrocht tot de kindschheid der schilderkunst in de Nederlanden behoort. De kleuren, ofschoon zeer krachtig, zijn niet zeer wel ineengesmolten, en de schaduwen slechts bij middel van eenige harseelsels van donkerbruin weêrgegeven. Ondanks deze gebreken, is deze schildering, onder alle opzigten veel verdienstelijker dan degene, welke de kerk van Sichem, een stadje in de nabijheid van Diest gelegen, versiert, en welke nogthands veel later vervaerdigd is geweest. Trouwens, dit gewrocht, 'twelk vroeger voor de oudste glasschildering des lands gehouden werd, bevond zich in een gebouw van 1387.’ Deze mededeeling is men verschuldigd aan den ijverigen geschiedvorscher Edward van Even, te Leuven en te vinden in het Tijdschrift: De Dietsche Warande, enz. bestuurd door J.A. Alberdingh Thijm, Nr. 2, 1856, bl. 149. - Verder leest men daar, dat ‘arnould gaelman in eene schepenakt van 1311 als figuurschilder, of Pictor Ymaginum, is vermeld. De kunstenaer bewoonde destijds een huis, gestaen in de Hoelstraet, thans de Thiensche straet, bij St. Michels- binnen-poorte, en tegen de oude vesting der stad. Hij verkocht dit huis, in het evengemelde jaer, aen Katharina van den Steenwegen en Elisabeth van Bornheem, beggijnen - waarvan de oorspronklijke acte, thans op 's lands archiven te Brussel aenwezig is, - Zie Messager des Sciences historiques de Belgigue, 1855, bl. 116. - en vestigde zich in eene woon, gestaen in de Burgtstraet. Hij moet te Leuven overleden zijn vóór het jaar 1324. - Trouwens, in de Acte van verkoop eener rente van 9 ponden, bepand op zijn huis, komt het woord quondam voor. Deze kunstenaar kan vrijwel onze schildering uitgevoerd hebben. - Onderscheidene brokken gekleurd glas, van dezelfde samenstelling, door ons ontdekt in een venster van de sacresty, welke zich aen de regterzijde der koor bevindt, en welke in de ogiven gemetst waren geweest, tijdens de bouwing der Beggijnenkerk zelve, bewijzen, dat ons gewrocht tot het jaer 1305 moet behooren. De schildering is nu met de meeste zorg verlood geworden, en gesteld in de tweede venster van de zijbeuk aen den regterkant der kerk, eene venster, welke eene reeks van geschilderde medailles bevat, welke zeer keurig uitgevoerd zijn, en tot de Leuvensche glasschilderschool van 't begin der XVI. eeuw behooren.’ - Na alles wel te hebben overwogen, zie ik hierin niets zekers, dan de bron voor het bestaan van een figuurschilder van dien naam, die te Leuven van 1311-1324 leefde, aangewezen, zonder meer, en welken tijd men met dien van den bouw van genoemde kerk in verband wil brengen, door een gedeelte van gemeld glasschilderwerk, hetgeen tot heden onzigtbaar was. Niets bewijst, intusschen, dat dit schilderwerk niet van veel later tijd kan zijn; integendeel, is het mij tot nog toe niet voorgekomen, dat destijds, bij den bouw van eenig geestelijk gesticht, de geschilderde glazen

[p. 526]

daarin werden begrepen, maar wel vensters met gewoon glas, dewijl het toen een gebruik was, zulk schilderwerk als geschenk aan de reeds bestaande kerken te geven, hetgeen dan ook trouwens, van tijd tot tijd, over en weêr, van vorsten, kerkelijke personen, korporatiën, gilden enz., of door legaten, tot versiering van derelijke gebouwen, werd gedaan, of hiertoe fonds aangewezen. Zie daarover het werk: De Goudsche Glazen van de groote of St. Janskerk ter Goude, benevens de geschiedenis der St. Janskerk, der glazen, der Cartonteekeningen enz., door c. kramm enz.; Gouda, 1853, in 8o. en daarin De St. Janskerk en het Levensberigt der Gebroeders crabeth. De heer Van Even gevoelde zelf eene onzekerheid, bij zijne meening, aangaande dit schilderwerk, om het bepaald aan gaelman te hebben durven toeschrijven, en zegt daarom: ‘welligt neemt de ontdekking van eene eventijdige oorkonde, vroeg of laet, hier omtrent allen twijfel weg.’ Ja, als dit het geval zal zijn, namelijk, dat eene rekening of donatie van dat glas, uit oorspronklijke stukken zal doen blijken, dat 't in het vermeende jaar geschilderd is, dan zal alle twijfel wel vervallen, die nu stellig nog moet blijven bestaan; doch alsdan zullen er zeker bij verdere nasporingen, ook wel meerdere bewijzen te voorschijn komen, dat onze gaelman niet de éénige schilder van Ymagiën was, die in het steeds zoo kunstrijk bloeijende België, destijds, bestaan heeft, en zal gaelman niet de éénige behoeven te zijn, die dit glas zou hebben vervaardigd. - Zie nog verder over den oorsprong en voortgang der glasschilderkunst, het beroemde en zeer zeldzame Werk: L'art de la peinture sur verre et de la vitrerie, par feu M. Le Vieil; Paris, 1774, in fo. waarvan ik een exemplaar bezit.

[Galay. (J.)]

GALAY. (J.) Aan dezen bekwamen kunstenaar kreeg ik kennis door eene schilderij, met den gemelden naam beteekend, en voorstellende: Eene Boeren-herberg, waarvoor eenige figuren, fraai en breed geschilderd, in de manier van richard brakenburg; doch het laat zich aanzien, dat hij in wat later tijd bloeide. - Daar ik hem nergens vermeld vond, en zijn werk, in den geest der Hollandsche school is, zoo heb ik hem hier voorwaardelijk eene plaats gegeven.

[Gallait. (Louis)]

GALLAIT. (Louis) Het levensberigt van dezen beroemden meester der Jonge Belgische school is door Immerzeel tot 1842 geboekt. Ik kan het navolgende nog tot aanvulling hier meêdeelen: dat de Medalje, te zijner eere geslagen, uit erkentenis en hulde der stad Gent, voor zijne schilderij: de Troonsafstand van Karel V., in 1555, op de eene zijde hetzelfde tafereel voert, met het omschrift: Abdication de Charles Quint, en op de keerzijde zijn portret, met het omschrift: louis gallait, de Tournai. Témoignage d'admiration. - In de Louvre, te Parijs, is van hem Het innemen van Antiochië door Bohemund, hetgeen zeer geroemd wordt. - Ook bezit de koning van Beijeren een kabinetstuk van hem, voorstellende: Een Monnik, die dorstige armen te drinken geeft. - Een van zijne laatste werken, dat voor het hoogste in kunstwaarde wordt gehouden, en, in 1848, op de Tentoonstelling was te Brussel, doch vandaar naar Berlijn in de verzameling van den Consul Wagner werd overgebragt, is de voorstelling van Egmond's voorbereiding ter dood, en bestaat uit slechts twee figuren, den Graaf en den Bisschop van Iperen; welligt hebben de nieuwere kunstscholen een in alle deelen zoo meesterlijk, in teekening, kleur, licht en bruin zoo doorwrocht stuk nimmer voortgebragt. Hierin heeft hij, meer nog dan in al zijne overige werken, getoond, een denkend kunstenaar te zijn, en daarbij in de techniek eene hoogte bereikt, die hem boven de meeste kunstschilders van zijnen tijd verheft. De voorstelling is in een der vertrekken van het Stadhuis te Brussel genomen. De nacht is voorbij, de morgen begint te dagen; een verflaauwd lamplicht bestraalt

[p. 527]

het hoofd en de gestalte des Bisschops, langs wiens gelaat tranen vloeijen; zijne linkerhand rust op een opengeslagen boek, de regter is vermanende naar Egmond gerigt, die, half gewend, bij een venster staat, en er een blik uit werpt, op de marktplaats, die niet zigtbaar is; maar in zijne edele, diepbewogen gelaatstrekken staat te lezen, dat daar voor hem het bloedig moordschavot werd opgerigt. De aanbrekende dag verlicht het hoofd en de figuur van den Graaf. Zoo kampen lamp- en daglicht, in dit tafereel, even als dood en leven met elkander in Egmond's ziel worstelen; en dit alles is met volkomen waarheid gedacht, geteekend en geschilderd: een meesterstuk, dat des te meer den aanschouwer boeit, naarmate men het langer en naauwlettender gadeslaat. - Eene afbeelding dezer schilderij is door josef schubert, te Brussel, in lithographie vervaardigd; en in 1848 heeft J. Buddeus, kunsthandelaar, te Dusseldorp, een prospectus doen uitgaan, om eene kostbare gravure, door achille martinet, te doen vervaardigen naar bedoelde schilderij. - Als portretschilder staat hij geheel op den voorgrond. Zijne eigen afbeelding, door hem-zelven gemaakt, is zoodanig krachti en tevens ineensmeltend geschilderd, dat de persoon, als het ware, uit de lijst schijnt te komen. - Indrukwekkend was het Portret van den Staatsminister de Theux, dat op de Brusselsche Tentoonstelling, in 1845, aller aandacht bezig hield. - Al die verdienste, door zoovele vereeringsblijken van vele Vorsten en andere Corporatiën omstrijd gevierd, trof ook den Koning der Nederlanden, Willem III., die hem, in 1848, tot Kommandeur der Orde van de Eikenkroon heeft verheven. Ook is de verkiezing op hem gevallen, en door Z.M. den 22. April 1850 bekrachtigd, als geassocieerde der vierde klasse van het - thans ontbonden - Koninklijk-Nederlandsch Instituut, waarvan hij reeds Correspondent was; - en in Februarij, 1851, vonden wij het berigt, dat aan hem, gelijk aan nog andere Belgische kunstenaars, door den Koning van Beijeren, de Orde van burgerlijke verdienste van den H. Michaël was verleend. - Nog heeft deze kunstenaar, niet verzadigd door het treurig lot der Graven van Hoorn en Egmond geschiedkundig voor te stellen, als ten teeken hoe dit feit bij het algemeen werd opgenomen, daarvoor een ander uitmuntend tafereel vervaardigd, dat, onder den naam van De laatste eerbewijzingen aan de Graven van Egmond en Hoorn, algemeen bekend is. De lof, die heinde en ver aan dit kunstgewrocht is toegezwaaid, door de Tentoonstelling, te Brussel, in 1851, zal eene herhaling daarvan hier overbodig maken; genoeg is het, te vermelden, dat het, voor zijn vaderland, in zijne geboortestad, is behouden, aangezien het aldaar tot een gedenkstuk, zoowel wegens de geschiedenis der voorstelling, als voor den vervaardiger zal blijven pronken, dewijl de stad Doornik het voor ƒ15,000. heeft aangekocht. - Tengevolge van een en ander, heeft er iets plaats gehad, dat hoogst zeldzaam gebeurt, namelijk: na de gehouden Tentoonstelling, zijn er van wege het Rijk een aantal Medaljes en eenige Ridderkruizen aan kunstenaars plegtig uitgereikt, in het bijzijn van Koning Leopold en zijne kinderen; daarover nu heeft men het volgende in de Nieuwspapieren gelezen: ‘De schilder gallait, benoemd tot Officier van de Leopolds-orde, weigert deze onderscheiding te aanvaarden. Bij de plegtigheid der uitdeeling tegenwoordig zijnde, is hij, toen zijn naam werd afgeroepen, niet opgekomen, om het kruis aan tenemen, na reeds, op vrij hoogen toon, aan den minister Rogier, de redenen zijner weigering te hebben te kennen gegeven. Hij acht zich, namelijk, gekrenkt door het aanbod, 'twelk hem van wege de Regering voor den aankoop zijner schilderij - Egmond en Hoorn - is gedaan, en door de benoeming van den heer Navez tot Directeur der Academie. Hij zal zich denkelijk te Parijs gaan vestigen.’ - Hoe zeer dat weêrgâloos meesterstuk van onzen tijd de aandacht der ware kunst-

[p. 528]

liefhebbers heeft gaande gehouden, wordt in een der Belgische Bladen van den 11. Maart, 1854, ten volle bevestigd, waar men leest: ‘De Koning van Beijeren heeft aan de stad Doornik voor de schilderij van gallait: De laatste eer, aan de Graven van Egmond en Hoorn bewezen, eene som van 40,000 francs doen bieden. Men wil weten, dat 's Vorsten begeerte, om dit schoone gewrocht te bezitten zoo groot is, dat hij er zelfs 50,000 francs voor zou willen geven.’ - In 1857, is door den kunsthandelaar Julius Buddeus, te Dusseldorp, aangekondigd, dat hij eene gravure ook naar die schilderij doet vervaardigen door den heer achille martinet, h. 13¼, br. 18½ dm. Rhijnl., die 18 Thlr., vóór de letter 36 Thlr., en vóór alle letter, op Chineesch papier, 90 Thlr., bij inschrijving, kosten moet. - Welke onderscheiding aan Tentoonstellingen ten deel kan vallen, is aan die te Rotterdam, van Mei 1856, bewezen, waar, behalve eene menigte Nederlandsche kunst, ook die was van een c.f. lessing, van Dusseldorp: Luther voor Wittenberg, 10 December, 1520; - van horace vernet: Het Opperhoofd van den magtigen stam der Bedouinen, in beraad over een Fransch parlementair verdrag, enz.; van ary scheffer, zijn meesterstuk: Jezus in Gethsemane; en van louis gallait een ander dan 's mans zoo beroemde vroegere tafereelen. Ik laat hier het beoordeelend Verslag daarvan, zoo als dat in het Handelsblad van 21 Mei, 1856, is opgenomen, volgen: ‘Door l. gallait, te Brussel, te noemen, doet men onwillekeurig denken aan zijne Abdicatie van Karel V., en zijne tentoonstelling van de Lijken der Graven van Egmond en Hoorne. Nr. 104 van den Catalogus geeft ons echter eene geheel daarvan afwijkende voorstelling, en verplaatst ons binnen de muren of liever op de puinhoopen van Antiochië, na de bestorming en inneming dezer stad door de Kruisvaarders. Het gevecht wordt nog door de Turken, als zich wanhopend verdedigende, voortgezet, en heeft reeds het karakter van een ijslijk bloedbad aangenomen. Dit akelig tooneel van menschlijke woede en verwoesting, is, om het verschriklijke nog te verhoogen, door de vlammen van de ten deele verwoeste tempels en gebouwen verlicht. Hoezeer dergelijke vreeslijke tooneelen het gevoel te hevig schokken, om ze, op den duur (al is het uit zuivere kunstliefde), met genoegen te kunnen aanschouwen, zoo mag men er echter de hooge kunstwaarde, als ze behandeld zijn door een meester als gallait, niet in miskennen, daar de compositie, zoowel als de geniale teekening, dit stuk onder de beste werken van dien Meester doet rangschikken.’ - In hetzelfde jaar heeft hij, op last van H.M. de Koningin der Nederlanden, eene schilderij vervaardigd, voorstellende Joanna de krankzinnige op het lijk van haren echtgenoot, waarover de hoogste lof aan den grooten kunstenaar werd toegezwaaid. - Hij is steeds aan een groot tafereel, de Pest te Doornik, werkzaam, en, niettegenstaande dezen grooten arbeid, onderneemt hij ook nog andere geschiedkundige tafereelen, zoo als ik bijv. in een berigt lees: ‘legt hij thans (December 1856), de laatste hand aan eene voorstelling van Vargas, den eed afleggende in handen van den hertog van Alva. Laatstgenoemde is in eene zittende houding, en met de linkerhand op het gevest van zijn zwaard steunende, voorgesteld; zijn blik schijnt van onder de lage wenkbraauwen diep in de ziel van Vargas door te dringen, die ter regterzijde, met de hand op het opengeslagen Evangelie, den eed zweert. Achter den hertog, teekent zijn Secretaris, een monnik den eed van Vargas op. Een andere monnik, wien het fanatismus op het gelaat te lezen staat, heft met de linkerhand een crucifix omhoog, terwijl hij met de regter op de plaats in het Evangelie wijst, bij welke Vargas zweert. Nog een derde monnik slaat, met de handen over het welgedane ligchaam zaamgevouwen, het werk der duisternis gade, dat hier plaats grijpt. De schilderij is voortreflijk van compositie, de gelaatsuitdrukking van Vargas een meesterstuk; het bewolkte

[p. 529]

voorhoofd verraadt, ondanks al de laagheid van zijne ziel, het oproer in zijn binnenste, terwijl hij zweert, de bevelen des hertogs onvoorwaardelijk te zullen gehoorzamen, zelfs al gebood deze hem, zijne moeder met eigen hand te dooden. gallait heeft een terugstootend karakter aan dien kop weten te geven, dat volkomen juist de energie der boosheid teruggeeft. De lange roode tabbert, waarin hij gekleed is, voltooit het karakteristieke van de figuur eens mans, die, in elke provincie der Nederlanden, de sporen van vergoten bloed heeft achtergelaten.’ - Te midden van zooveel tijdelijken roem en eer, werd het genot er van zwaar vergald door den ontijdigen en onvoorzienen dood zijner echtgenoot, die, zoo zij meende, aan eene ongeneeslijke kwaal lijdende was, en aan hare ingebeelde smart een einde maakte, door zich, te Ostende zijnde, te verdrinken. ‘De heer gallait - meldt het berigt uit Brussel, van den 14. Mei, 1857 - is troosteloos. De geheele stad neemt aan zijn rouw deel.’ Spoedig daarna verscheen eene andere mare, waardoor het scheen, dat de ramp niet tot dat uiterste gekomen was, blijkens het volgende berigt: Brussel. ‘Een brief van den geneesheer Ambroise Fardieu, te Parijs, meldt, dat Mevr. Gallait, van wie men had gemeld, dat zij door zelfmoord een einde aan haar leven had gemaakt, bij hem, een vriend van haren echtgenoot, is aangekomen; dat zij door eene zenuwziekte van haar verstand is beroofd, en door hera in een gesticht ter verpleging geplaatst werd. Hij hoopte haar nog te genezen. De heer gallait is op ontvangst van deze tijding naar Parijs vertrokken.’ Handelsblad, 19 Mei, 1857. - Het zal wel de algemeene wensch zijn, dat eene spoedige herstelling der dierbare kranke den zoo gevierden kunstenaar weldra de rust zijns levens wedergeve! - In 1857 was hij bezig, eene kleine schilderij af te werken, voorstellende Frans I bij het sterfbed van Leonard da Vinci, welk stuk reeds in Januarij, 1858, voor eenige dagen, in Arti et Amicitiae is tentoongesteld. Deze schilderij is voor een der voornaamste kabinetten van Amsterdam aangekocht. - Te gelijker tijd schildert hij ook aan den val van Doornik, volgens een berigt in de Gentsche Eendragt, Nr. 27, 1857. - Zijn portret, kniestuk, is fraai op steen gebragt door c. baugniet, in gr. fo. 1836. Een idem, borstbeeld, is eene staalgravure, in 4o.

[Galle, (Cornelis)]

GALLE, (Cornelis) de Oude, staat reeds bij Immerzeel vermeld. Door hem is het groote prachtwerk gegraveerd, dat, zeker, onder de voornaamste zijner werken behoort, welke hij, om het hoog belang der zaak, met ijver heeft volbragt, namelijk: Pompa funebris optimi potentissimique Principis Alberti Pii, Archiducis Austriae etc. Scriptore E. Puteano, Bruxellia, 1623. Gr. fo). oblong. Dit fraaije, zeldzame Werk, waarvan ik het gemelde exemplaar bezit, is van de eerste uitgave; - eene tweede is van 1729, insgelijks te Brussel verschenen, doch met een anderen titel; ook zijn de platen veel minder goed van druk. Het is geheel ontworpen en geteekend door jaques francquart, - Zie aldaar - en bij Nagler, Le Blanc en andere auteurs niet bekend. - Eene der schoonste kunstgravuren van hem is: Judith, het hoofd van Holofernes afslaande, naar rubens met Latijnsche opdragt en titel, bekend onder den naam van de Groote Judith, in gr. fo. - Bij Nagler en Le Blanc vindt men een aantal van dergelijke historiële onderwerpen vermeld, waarvan ik, om der geschiedenis wille, eenige hier meêdeel, als: de platen voor het Werk, Romanae et Graecae Antiquitatis Monumenta e priscis numismatibus eruta per h. golzium, Antverpiae, 1645. Of Le Blanc dien titel goed heeft afgeschreven, kan ik niet beslissen, want daaronder is mij geen Werk van h. goltzius bekend; wel: Sicilia et Magna Graecia, sive Historia urbium et populorum Graeciae ex antiquis numismatibus etc. Antv., aput Plantin., 1644, in fo. in mijn bezit, en waarvan de Titel - hoewel niet beteekend - van c. galle kan zijn. Bovendien is dit een latere druk, want de eerste, door hubert.

[p. 530]

goltzius-zelven bezorgd, is, in 1576, op zijne eigen drukkerij, te Brugge, gedrukt, en is ook het eenige en hetzelfde Werk van dien aard, hetwelk Van Mander Sicilia et Magna Graecia, als door hem in gemeld jaar uitgegeven, noemt. Nagler maakt ook op c. galle van dat Werk geen e melding. - Verder zijn van hem de volgende portretten, als: Isabella van Aremberg, in een wagen gezeten, naar ch. wautier in fo. oblong. - Joannes Falckenbourgus, J.C. Belga, naar n. van horst, in fo. - Ortelius, naar h. goltzius; med. rond. - Joannes Wiggers, Diestensis, S. Theol. Doctor et Prof. Regius Lovanii, naar h. de smet, in fo. - artus wolfart, historieschilder, naar ant. van dyck, in fo. - Nog worden door Nagler vermeld: Philippus Rubens, broeder van p.p. in 4o. - Jan van Havre, naar rubens. - Karel I. kon. van Engeland, naar v. van horst (?), in gr. 4o. - Henriette, zijne gemalin, in bloemen gevat, naar denzelfden, idem. - Fernandus III. D.G. Imperator, naar ant. van dyck in fo., - en Leopold, aartshertog van Oostenrijk, naar a. van de velde, in fo. Dit is eene schrijffout, want, zoo als het daar staat, zou het een anachronismus wezen, dewijl geen Aartshertog van Oostenrijk van dien naam bekend is, die door a. van de velden, geboren 1639, overleden 1672, kan zijn geschilderd, en evenmin door onzen galle, die in 1570 is geboren, kan zijn gegraveerd. De geheele zaak zal hierop moeten neêrkomen en wel het aanneemlijkst zijn, dat men leze a. van der vinne, en alsdan zou één der twee bisschoppen van Straatsburg, die Leopold, aartshertogen uit het huis van Habsburg, heetten, door het genoemde portret kunnen worden voorgesteld, en Leopold, die koning van Hongarye werd in 1655, en keizer in 1658, kan het dus ook niet als aartshertog wezen.

[Galle, (Cornelis)]

GALLE, (Cornelis) de Jonge. In een uitmuntend prachtwerk: De Munstersche Vredehandelaars enz., door anselmus van hulle vervaardigd, - Zie aldaar. - zijn vele portretten door hem gegraveerd, die, naar mijn inzien, vrij wat meer verdienste hebben, dan door Immerzeel aan zijne graveerstift wordt toegekend. Als proef daarvan, verwijs ik naar het Portret van Godaert van Reede, dat wezenlijk schoon en stout is gesneden, en tot de 131 portretten behoort, die het gemelde zeldzame Werk, waarvan ik een exemplaar der eerste drukken, vóór de nommers, bezit, uitmaken, alsmede dat van Adrianus Clant à Stedum, van Matthias Biörenklau en anderen, zoodat zijne gravuren in dat Werk zeer goed stand houden naast die van de bekende groote graveurs van zijnen tijd, als: petrus de jode, paulus pontius, t. matham enz. - In voorstellingen van historiëlen aard was hij niet zoo bekwaam, als zijn vader, maar in portretten heeft hij met hem geëvenaard, en als iets schoons wordt door deskundigen het portret van Octavius Picolomini de Aragona, in een bloemrand en met verdere emblèmes, zeer geroemd. Deze plaat is zeker afzonderlijk en los, als prent, beoordeeld, zonder te weten, dat zij mede tot het bovengenoemde Werk, onder pl. Nr. 44, behoort, zoo als zij dan ook alleen door Nagler vermeld wordt, en heeft hij die van den genoemden Van Reede en anderen niet gezien. - Nagler noemt nog de portretten van Justus Lipsius, in ovaal, - Petrus Collins, kl. ovaal, - jan meyssens, schilder, naar van dyck, - Ferdinand III en zijne gemalin, Maria van Oostenrijk, beiden naar van dyck, - Henriette van Lotharingen, naar denzelfden, - en Jodocus Kress de Kressenstein, raadsheer, te Neurenberg. - Men maakt, en niet zonder grond, in 't algemeen de opmerking, dat prenten, geteekend c. galle, over en weêr verwisseld worden, en het dus van velen onzeker is, of zij door den vader, of wel door den zoon gesneden zijn.

[Galle (Jan)]

GALLE (Jan) vind ik bij Brulliot vermeld, en die, meer dan waarschijnlijk, tot het geslacht der bekende Vlaamsche graveurs van dien naam behoort. - Hij

[p. 531]

heeft naar pieter breugel, den Oude, uitgegeven, met zijn naam, of met j.g. exc. beteekend, twee prenten, bekend als De vette en de magere keuken, in fo. oblong. - De kopij eener houtgravure, door christoffel van sichem, naar hendrik goltzius, voorstellende: Judith reikt het hoofd van Holofernes over aan haren volgeling, is beteekend jo. gallaeo fc. et ex., h. 5 dm., br. 3 dm., 9 str. Par.

[Galle (Philip)]

GALLE (Philip) is bij Immerzeel vermeld, maar die geen zijner voorname graveerwerken noemt, om zijn talent daardoor te staven. - Hij heeft veel gesneden naar antonie blokland, den Oude, naar breugel, frans floris, heemskerck, stradanus, als ook, naar maarten de vos, de groote compositie der Drieëenheid, enz. - Die naar frans floris worden door de liefhebbers het meest gewaardeerd, als, onder anderen, eene Allegorie, met, in het midden, den tempel der godsvrucht, naar hem, 1561, gr. fo. oblong. - Eene zeer zeldzaam van hem voorkomende gravure van 1571 is het Standbeeld van den Hertog van Alva, met de inschriften en beeldhouwwerken van den piedestal naar het beeldwerk van j. jongelincx, den vervaardiger daarvan, in fo. - Zie aldaar. - Bij Van Hulthem was, in diens prentverzameling, een aantal zijner werken. - Zie den Catalogus, Gend, 1846, blz. 245. - Hij heeft ook gesneden en uitgegeven: Les Vies et Alliances des Comtes de Hollande et Zeelande, Seigneurs de Frise etc., voor zijne rekening gedrukt bij Christ. Plantyn, in 1586. - Onze galle schijnt zich ook met de letteren onledig te hebben gehouden, en wel met die van historischen aard, als: Een cort verhael van de gedinckweerdichste saken in de XVII Provincien van de Nederlanden enz., van 1566 tot 1570, (door philips galle) Antwerpen, by Christ. Plantyn, 1579 in kl. 8o. - In de opdragt van dit Werk zegt hij, dat hij pas de kaarten met Latijnschen text der 17 Nederlandsche Provinciën heeft uitgegeven, en, op aandrang, is overgegaan, die beschrijving in het Fransch en Nederduitsch te leveren, waarvan de gemelde druk, in mijn bezit, is verschenen. - Nog heeft men van hem: Sommaire annotation des choses les plus mémorables advenues de jour à autres des XVII provinces du Pays-Bas, de l'an 1566, jusques au premier jour de l'an 1579. Anvers, chez Plantyn, 1579, in kl. 8o. (par ph. galle), eene vertaling naar de oorspronklijke Hollandsche uitgave. - Dit Werk komt ook voor onder de Scriptores Belgici, door Feyerabendt, te Frankfort, in 1580, onder denzelfden titel, in het Latijn in 't licht gegeven, en nog eens idem, bij denzelfden, in 1583, in kl. 8o. Voorts phil. galle, Semideorum marinorum amniumque sigillariae imagines delineatae; Antverpiae, 1568, 4o. zeer zeldzaam. - Nagler noemt nog een Werk, door hem geschreven: Instructions et fondemens de bien pourtraiture pour les peintres etc., 1589, in fo. - Bij denzelfden Nagler en Le Blanc, vindt mon almede vermeld: De Passie, naar joan. stradanus, een vervolg van 38 stuks, met den titel, oblong. - Vita D. Catharinae Senensis etc. Antv., apud ph. galleum, 1603, vervolg van 34 stuks in 4o. - Acta Apostolorum, vervolg van 35 stuks, met mart. heemskerck gegraveerd. - De Jaargetijden, naar joan. stradanus, 4 pl. ovaal. - De geschiedenis der Familie van Medicis, naar joan. stradanus, 1583, 22 stuks, oblong, met den titel en de opdragt. - De zeven wonderen der wereld, en de bouwvallen van het Theater van Vespasianus, naar martin. van heemskerck, 8 stuks in 4o., oblong. - Een vervolg van portretten van beroemde mannen, als: Luther, Calvin, Zwingli, Perkheimer, Thomas Morus, Dante enz. in 4o. - Ook nog de volgende portretten: Hendrik IV. koning van Frankrijk, 1600. - martin. van heemskerck, in 4o. - Willem Philander, in 4o. - Abrahami Orteli effigies, etc. med. rond. - Deze laatste komt ook voor onder tie werken van cornelis galle, den Oude.

[p. 532]

[Galle. (Theodorus)]

GALLE. (Theodorus) Deze beroemde teekenaar en graveur wordt bij Immerzeel opgegeven, als te Antwerpen, in 1560, te zijn geboren; bij anderen in 1562, enz. - Ik voor mij geloof, dat dit eenige jaren later zal moeten zijn, op grond, dat zijn portret, door a. van dyck geschilderd, en door lucas vorsterman fraai gesneden, hem voorstelt op middelbaren leeftijd; van dyck zal toch, vóór zijn twintigste of vijf-en-twintigste jaar, dit wel niet hebben gemaakt, en deze is geboren in 1599, overleden 1641, weshalve galle dan minstens 60 of 65 jaren had bereikt, en zóó oud is de genoemde af beelding niet, die in de Konst-kamer van van dyck voorkomt. Nog bovendien zou philips vader dan reeds op zijn 20. of 22. jaar zijn gehuwd geweest, dat, ja, wel mogelijk is, doch in die dagen niet zoo vroeg gebruiklijk was bij kunstenaars, die veelal eerst eene loopbaan in de kunst, en gewoonlijk buitenstands, aflegden; zoodat, naar mijne meening, zijn geboortetijd, om de gemelde redenen, wel op 1570 te stellen is. - Van zijne werken vindt men, onder anderen: vijf allegorische voorstellingen, onder den titel van Litis abusus etc., - zijnde zinnebeelden over het misbruik der processen - theodor galle sculp. th. galle excud., waarvan bij Le Blanc slechts ééne prent, en als raar, genoemd wordt. - Ook wordt bij hem niet vermeld een zeer fraai prentwerk, bestaande uit 50 stuks in kl. 4o., waar op de titelprent, boven aan, te lezen staat: Spiritalis prolis educandae studium. Bij dit boek behoort zeker een tekst, die er niet bij was, doch het geheel stelt voor de Legende van het leven der H. Maagd. Alle prenten zijn beteekend theodor galle fecit et excudit, en in het bezit van den zeer bekwamen beeldhouwer joannes rynbout, te Utrecht. - Bij Nagler vind ik vermeld Het leven van Joseph en Maria, 28 bladen; of dit nu weder een ander Werk is, weet ik niet; - en verder: Imagines ex antiquis marmoribus, numismatibus et gemmis expres., quae extant apud J. Ursinum, Antverpiae, 1606, vervolg van 151 bladen. - Typus occasionis, in quo receptae commoda, neglectae vero incommoda proponuntur; Antv., 1600, in 8o., een zeldzaam te zamen voorkomend vervolg van 13 bladen. - Ook zijn er eenige af beeldingen van Vlaamsche schilders van zijne hand, alsmede een portret van Justus Lipsius in fo.; - voorts een aantal historiële onderwerpen, welke men bij Le Blanc vermeld vindt; doch de afbeelding van Lipsius wordt door Nagler onder de werken van cornelis galle, den Jonge, opgegeven.

[Gallis (Peter)]

GALLIS (Peter) is door Immerzeel geboekt, die meldt: ‘Hij is overleden in 1697.’ Nagler zegt, dat zulks te Havre heeft plaats gehad.

[Galu (Anton)]

GALU (Anton) was, zooals men voorgeeft, een houtgraveur, die, op het einde der XVI. eeuw, in de Nederlanden, leefde. Meer is er van hem niet bekend. - Zie Nagler.

[Gamond of Gamon, (Elise de)]

GAMOND of GAMON, (Elise de) schilderes, te Brussel, die bij den vermaarden joseph palinck de kunst heeft geleerd. Zij wordt onder de tegenwoordig levende kunstenaars in haar vaderland - zegt Nagler, in 1837, - met achting genoemd.

[Gand. (Gerardo da) Zie bij Immerzeel en bij mij op Meire, (Gerard van der)]

GAND. (Gerardo da) Zie bij Immerzeel en bij mij op MEIRE, (Gerard van der) want het is één-en-dezelfde persoon.

[Gand. (Olivel de)]

GAND. (Olivel de) In de Archiven van Lissabon worden vele Vlaamsche en Hollandsche kunstenaars vermeld, gelijk ook de genoemde daar voorkomt, als een beeldhouwer, die er in 1490 gevestigd was, en den versierden omgang van het Hoog-altaar in de kerk van St. Franciscus vervaardigde, terwijl voorts aan hem nog verscheiden andere werken zijn besteld geworden, zoo als dit tot 1508 in genoemd Archief voorkomt. Zie Le Comte de Laborde, les Ducs de Bourgogne etc., seconde partie, Tom I. Paris, 1849, in 8o. Table Alphabétique. - Omstreeks dien tijd was het

[p. 533]

gebruik, bij groote werken, de kunstenaars uit de Nederlanden te halen, teneinde ze te helpen uitvoeren. - Dit blijkt uit het volgende berigt, dat in de koninklijke Archiven te Lissabon is ontdekt geworden, namelijk, in een verzoekschrift aan den koning, door gracia fernandez, schilder, wordt gelezen, dat, in 1518, françois henriquez, zijn schoonvader, de bekwaamste schilder van zijn tijd, belast was geweest door koning Emanuel, om het paleis van Justitie te versieren, - maar dat hij aan de pestis overleden, - gelijk nog zeven of acht schilders, welke hij tot zijne hulp uit Vlaanderen had doen komen enz. Ibid. Introduction, pag. CXXXII. - Naar den toenmaligen stand der Portugesche kunst te oordeelen, in vergelijking met die der Nederlanders, zou ik gereedelijk durven besluiten, dat henriquez, er wel op uit was, om de talenten van Nederland, die trouwens in gansch Europa bekend waren, zich ten nutte te maken, teneinde zoodoende gezamelijk werk voort te brengen, hetgeen in zulke volmaaktheid verlangd werd.

[Garbrantz, (Mr. Jan)]

GARBRANTZ, (Mr. Jan) De Jongh, vind ik als kunstschilder en hoofdman van het St. Lucasgild, te Delft, die op den 27. Maart, 1610, als getuige optrad, ter zake van genoemd Gild, en ten behoeve van dat der stad Leyden, om aldaar een gelijk Gild te verkrijgen. - Zie over deze belangrijke geschiedkundige bijdrage bij mij op ELSEVIER. (Aernout)

[Gardin (Guillaume of Wuillaume du)]

GARDIN (Guillaume of Wuillaume du) was een meester beeldhouwer, uit de Doorniksche school der XIV. eeuw. In eene oorkonde, door Dumortier, in de Archiven van Doornik gevonden, wordt gemeld, dat Hertog Jan III. van Brabant, in het jaar 1341, hem een Gedenkteeken heeft besteld, voor zijnen oom, Hendrik van Leuren, en diens zoon en kleinzoon, Johan en Hendrik van Leuven, om dit in de Franciskaner-kerk, te Leuven, op te rigten, voor eene som van 200 goudguldens. Eene dusdanige bestelling en de opdragt van zulk een beduidenden aard, doen hem als den bekwaamsten kunstenaar kennen van zijn tijd, terwijl hieruit daarenboven blijkt, dat de kunstschool van Doornik in die dagen hoog stond aangeschreven. - Verder lees ik, dat Dr. Waagen, te Berlijn, de aandacht van het publiek heeft gevestigd op een uitmuntend Monument, door Dumortier bewaard, ter gedachtenis van Colard de Seclin opgerigt, en door een Doorniksch kunstenaar, op de helft der XIV. eeuw, vervaardigd, en waarin men gelooft, guillaume du gardin te herkennen. Zie Doeuments inédits. etc. par M. André van Hasselt, p. 116, in het VIII. deel der Annales de l'Académie d'Archéologie de Belgique, Anvers, 1851, in 8o. In drie onderscheiden overeenkomsten wegens bestelde werken, betreklijk Hertogen van Brabant, met guillaume du gardin aangegaan, wordt den kunstenaar voorgeschreven, ‘dat Gedenkteeken met goede olieverioen te beschilderen.’ (De pointure de boines couleurs à ole.) Dit pleit op nieuw voor de gronden der verhandeling van Dr. Waagen, over de van eycken, waarin hij meêdeelt, dat de verwmenging met olie in de Nederlanden, zeer langen tijd vóór de van eycken bekend en in gebruik is geweest. - Ik voeg hier nog bij het volgende uittreksel uit: De Reis of krijgstogt van Heer Jan van Blois tegen de Compagniën, 1360: ‘In de weke na beloken Pinxteren gaf Jannes Tollenaer, meester willam den Maerle, (Maelder of schilder,) te Landrechies, (in Henegouwen) tot Jan Breien beuele en lubbr. van eenre baniere en van twee pintzeelen van olij-varwen en van 50 pinjoenen van watervarwen van mijns heeren wapenen op waghenen te setten, die ghemaect waren om der compagien wille 5 mott.-bi lubbr. ghecoft te Landrechies 2 slapelaken, wimpelen of te maken, op waghenen en kerren te setten 12 S. - gher. annekin t scoenh van 42 wimpelen te varwen, van die wimpelen, die men op die reise an die glauien hadden, mijns heeren glauie groen te varwen, mijns hoeren helm te vernijen met varw

[p. 534]

en te vergulden 33 S.’ Zie Geschiedenis der Heeren enz. der stad van der Goude, door De Lange van Wijngaerden; Amsterdam, 1813. Dl. I. blz. 391.

[Gardyn. (Carel) Zie bij Immerzeel en bij mij op Jardin. (Karel du)]

GARDYN. (Carel) Zie bij Immerzeel en bij mij op JARDIN. (Karel du)

[Garewyn. (Jan)]

GAREWYN. (Jan) Bij het berigt van Immerzeel voeg ik nog, dat hij, volgens eene opgave van Bryan-Stanley, in den jare 1799 is overleden.

[Garreau (L.)]

GARREAU (L.) was een bekwaam graveur, die, in 1783, te Amsterdam werkte, blijkens eene prent, - zoo als die het bekende Werk van Le Brun of Choiseul uitmaken - naar gio. bab. weenix, voorstellende: eene stadspoort bij een zeehaven, alwaar reizigers met eene boot landen enz., fraai bewerkt. - Of bij een Nederlander is geweest, kan ik nog niet verzekeren, hoewel ik hem bij de vreemde auteurs niet vermeld vind; ik heb hem echter hier opgenomen, om de eerste der hier bovengemelde redenen, en welligt zullen hierdoor bescheiden worden uitgelokt, die het of bevestigen, of voor goed teregtwijzen.

[Garrels. (Rudolph)]

GARRELS. (Rudolph) Ik ben, door hot bezit van eene groote plaat, in kennis geraakt met dezen bekwamen teekenaar, te weten een sierlijk Groot kerk-orgel met oxaal enz., in eene kerk afgebeeld, en door f. van blyswyck gegraveerd; daar onder staat rudolph garrels inven. et delin. Ik zou uit het geheel afleiden, dat hij tevens orgelmaker was, en deze plaat tot een model heeft ontworpen.

[Gasc. (Madame de) Zie Lisiewska. (Madame)]

GASC. (Madame de) Zie LISIEWSKA. (Madame)

[Gasoenberg. (Cornilles van)]

GASOENBERG. (Cornilles van) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven te Rijssel worden bewaard, vindt men op het jaar 1467 aangeteekend: ‘A cornilles van gasoenberg paié pour XIII jour, qu'il à ouvré au pris de X S. pour jour VJ L. X S.’ Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als schilder verrigt, voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op DARET. (Jaques)

[Gassel. (Lucas van)]

GASSEL. (Lucas van) Het door Immerzeel medegedeelde, aangaande 's mans portret, door jacobus binck, in 1559 gegraveerd, is fout, gelijk ook bij Nagler, die, blijkbaar, dit portret niet gezien heeft. - De naauwkeurige Merlo, Kunst und Künstler in Köln Ibid, 1850, in 8o., heeft dat hoogst zeldzame portret voor zich gehad, en geeft daarvan de volgende beschrijving: lucas gassel, landschapschilder, deistuk, het hoofd links gewend, met op een steen dit inschrift: imago lvcae gasseli. ab iacobo binco. ad vivam effigiem deliniata. honos. alit. artes. Dan volgt zijn monogram, met het jaartal 1529; h. 6 dm., 4 str., br. 4 dm. 10 str. Par. Hiervan bestaat eene goede kopij, andersom voorgesteld, met hetzelfde inschrift, monogram en jaartal; doch in het woord imago zijn. de letters van gelijke grootte; h. 6 dm. 8 str., br. 4 dm. 9 str., en hiervan bestaan twee soorten van afdrukken, waarvan op de latere de bijgevoegde naam: s. kloeting exc. del. f. - Nog eene tweede kopij, evenzeer andersom, is van j.b. van tienen; daaronder leest men: honos alit artes: imago lvcae gasseli ab iacobo binco ad vivam effigiem deliniata. j.b.v. tienen. h. 5 dm. 10 str., br. 2 dm. 6 str. - Het is, waarschijnlijk, naar de eerstgemelde afbeelding, dat hieronimus wierix - niet jan, zooals Immerzeel zegt - het bekende portret heeft genomen, waaronder het vers van lampsonius, met drukletters, die op de kopij van h. hondius exc. in de plaat gesneden, en beiden in mijn bezit zijn. In de 8o. uitgave van Van Mander, is eene kopij van het hoofd te zien, waarbij tevens, in eene Noot, op bl. 115, deel I. vermeld staat: ‘Zijn portret komt in prent uit, door jacob bink, naar 't leven geteekend en in 't koper gebragt in 1529.’ - De zamenhang dezer graveurs heeft mij overtuigd, dat er proote verwarring aangaande van gassels leeftijd heerscht, als: bij Bryan-Stanley, die zegt, dat hij werd geboren, te Brussel, 1480, en in 1528 overleden is. Hoe kan dit zijn, daar Van Mander uitdruklijk meldt, dat hij zeer bevriend was met dominicus lamp-

[p. 535]

sonius, die hem Seneca noemde, en in 1522 geboren, en in 1599 overleden is? - Om kort te gaan, het oorspronklijk portret is door binck, in 1529, vervaardigd, en stelt hem in veel jonger leeftijd voor, dan dat van wierix, hetgeen hem hoog bedaagd aanduidt. Of is het ééne-en-dezelfde voorstelling? In dat geval zou hij in 1529 reeds een bejaard man zijn geweest, en dan wel in 1460 kunnen geboren zijn; want, zeker is het, dat binck, in 1546, hofschilder van Christiaan III. van Denemarken was, en reeds vroeger in dat land verkeerde, zoo als Merlo zegt, dat hij de eerste was, die de graveerkunst daar heeft ingevoerd. binck is te Koningsbergen omstreeks 1560 overleden, en dus zal hij in 1559 het portret van gassel wel niet naar het leven vervaardigd hebben. - Fiorillo meldt, dat hij, naar de meening van Papillon, de houtsneêkunst zou hebben beoefend.

[Gauthier. (Jehan)]

GAUTHIER. (Jehan) In de Archiven van Rijssel vindt men in de oude graaflijke Rekenkamer der Hertogen van Bourgondië, op het jaar 1452-53, het volgende aangeteekend: ‘A jehan gauthier, paintre démourant à Lille pour son salaire d'avoir paint et ouvré aux pilliers de la nef de l'église de saint Estienne à Lille, la quantité de cent grans blasons, armoyés des armes d'icellui Seigneur de Beaujeu (Philippe de Bourbon, neveu du duc de Bourgogne) pour le dit service funèbre XL francs’. - Zie le Comte de Laborde, les Ducs de Bourgogne etc. T.I., seconde partie, Paris, 1849, in 8o. p. 415.

[Gauw of Gouw, ook Gavu (G.)]

GAUW of GOUW, ook GAVU (G.) wordt door Nagler als graveur, van wien geene levensberigten bekend zijn, opgegeven, doch die echter, zegt hij, vóór 1628 mede gearbeid heeft aan het in dat jaar te Brussel verschenen Werk: Académie de l'Espeé, par G. Thibault, waarin platen, door zijne hand vervaardigd, voorkomen. Ik bezit dit, in buitengewoon groot formaat uitgegeven Prachtwerk, en geloof, dat het eerder te Antwerpen, waar de Auteur woonde, dan te Brussel is verschenen; op den titel wordt dit echter niet vermeld. Daarin komt geene enkele plaat van zijn werk voor, dan alleen het schrift, in eene tafel gevat, op de prachtig geordonnanceerde titelplaat door scelderic, a. bolsvert sculp. Bruxelle. - Onder gemeld sierlijk letterschrift staat: g. gauw sculp. Hieruit blijkt, dat hij alleen dit schrift op den titel heeft gegraveerd, zonder meer. - Nagler noemt nog de volgende werken van zijne hand: Een bergachtig landschap, met een op den voorgrond zittend man, naar h. goltzius, h. 7 dm. 9 str., br. 10 dm. 9 str. Par. Dit is gewoonlijk het hoofdblad van vier landschappen, door j. matham uitgegeven. - St. Pieter, naar j. matham, h. 17 dm. 4 str., br. 13 dm. - St. Paul, naar denzelfden, wedergâ. - Mercurius, buste naar denzelfden, h. 16 dm. 6 str., br. 11 dm. 7 str. Mijns bedunkens, kunnen deze prenten wel behooren tot het werk van wilhelm van der gouwen, - Zie aldaar. - die door Heller (L.) verkeerdelijk wordt opgevoerd als graveur, in 1598, hetgeen door mij is teregt-gewezen.

[Gavre. (Arnoul de)]

GAVRE. (Arnoul de) In de Archiven van Rijssel vindt men in de oude graaflijke Rekenkamer der Hertogen van Bourgondië, op het jaar 1436-37, het volgende aangeteekend: ‘A arnoul de gavre, verrier, pour une verrière qu'il à faite et mise en la chapelle de MdS. à Lille, de XX pieds de verre L S.’ Zie Le Comte de Laborde, les Ducs de Bourgogne etc. Tom I. Sec. partie, p. 350; Paris, 1849, in 8o.

[G.B. en A.B.]

G.B. en A.B. Ik bezit een zeer luchtig geëtst portret, waaronder met cursiefletters, zorgloos, met de etsnaald, in de marge is geschreven: Johannes Uittenbogaert, en met dezelfde letter beteekend A.B., door-een-gestrengeld, en daarnaast nog eens, als monagram, op dezelfde wijze, de letters G.B. of wel G.A.B., met het jaar 1700, in 4o. Hij is bijna van voren afgebeeld, met eene hooge ringkraag en callot op het hoofd. - In den Catalogus van Portretten van

[p. 536]

F. Muller, komt, onder Nr. 5522, een gelijk exemplaar voor, dat aldaar als uniek staat vermeld. Nog wordt er gevraagd of het ook g. b(randt) kan beteekenen en verder aangewezen, dat deze prent, een ‘allereerste, onbewerkte etsdruk’ is van het voorgaande nommer met het vers van G. Brandt, en door j. de visscher gegraveerd. Ik heb dat niet kunnen vergelijken, doch de ruige trekken in de ligte partij der kraag, en die in den baard worden aangegeven, zijn vatbaar gebleven, om in het afwerken te kunnen worden opgenomen, zoo als uit de genoemde gravure moet blijken, het geval te zijn. Het komt mij echter voor, dat hij, die den eersten etsdruk maakt, zulks geheel in den regel behandelt, zoodat de bedoelde trekken bij het op- of afwerken dienstig blijven, en dus in de grondtrekken tot het geheele werk het noodige en bedoelde wel zullen bijdragen. Ik meen, in het midden te moeten brengen, dat, naar mijn oordeel, eene andere hand dan die van j. de visscher deze etsproef heeft gemaakt, hetgeen door het bovengemelde monogram ook nog wordt versterkt, aangezien dit toch in geenen deele met den naam des genoemden graveurs is overeen te brengen. Wie kan nu a.b., - of wel het tweede verbeterde monogram b.g., waaruit men ook a.b.g. zou kunnen maken, - nader toelichten?

[Gebouw. (Anton) Zie ‘bij Immerzeel en bij mij op Goebouw. (Antonie)]

GEBOUW. (Anton) Zie ‘bij Immerzeel en bij mij op GOEBOUW. (Antonie)

[Geedts. (J.G.) Zie bij mij op Geedts. (Pieter-Pauwel)]

GEEDTS. (J.G.) Zie bij mij op GEEDTS. (Pieter-Pauwel)

[Geedts. (Pieter-Pauwel)]

GEEDTS. (Pieter-Pauwel) ‘Een der uitmuntendste Leuvensche schilders, de heer pieter-pauwel geedts, oud-leeraar der Academie van schoone kunsten, in die stad, en zoon van den oud-bestuurder van hetzelfde gesticht, is in den ouderdom van 63 jaren overleden. Men roemt vooral de door hem vervaardigde portretten.’ - Dit berigt komt voor in De Eendragt, Veertiendaagsch Tijdschrift voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen, Gend, 16 Maart, 1856. - Wie is nu deze pieter-pauwel geedts? Het berigt, in het genoemde Tijdschrift, is stellig goed; maar, waar moet het dan heen met het berigt van Immerzeel, die j.g. geedts, historie-schilder, te Leuven woonachtig, beschrijft, als toen nog in leven, en alles, ook het oud-leeraarschap van hem aan die Academie, vermeldt? Het is meer dan waarschijnliik, dat genoemde auteur zich in de voorletters der doopnamen vergist heeft, even als hij den zoon van j.g., den historie- en portretschilder c.p. geedts, ‘als mede te Luik woonachtig,’ opgeeft, hetgeen echter op de woonplaats van zijnen vader, te Leuven, moet doelen, en dus ook eene merkbare vergissing is, zoodat ik van meening ben, dat het gemelde doodberigt den door Immerzeel beschreven j.g. geedts zal aangaan.

[Geefs. (Isabelle Marie Françoise)]

GEEFS. (Isabelle Marie Françoise) Deze zoo rijk begaafde echtgenoot van den beroemden beeldhouwer willem geefs, te Brussel, voert met onvermoeiden ijver het palet, te midden van haar kunstrijk gezin. Ofschoon zij reeds met verdienden lof door Immerzeel is vermeld, kan ik echter hier nog laten volgen de opgave van onderscheiden stukken, die in den hoogstverheven stijl gedacht, smaakvol uitgevoerd, en door mij en alle hoogschatters der kunst, bij de beschouwing, zeer gewaardeerd zijn geworden, te weten op de Tentoonstelling, te 's Gravenhage, 1845: De Heilige Agnes. - de Goede Moeder. - Ibidem 1849: Een Portret van Mevrouw C. - Overdenking. - Te Amsterdam, 1854: Moederlijke liefde. - Het Medaillon. - Ibidem, 1856: Een Boheemsch Meisje. - Een jong Meisje, en verder nog op meerdere Exposities, zoo in België, als elders, stukken, allen met onverdeelden lof in de Dagbladen enz. vermeld.

[Geefs. (Jan)]

GEEFS. (Jan) Deze jeugdige, Antwerpsche beeldhouwer is de jongste broeder van den beroemden beeldhouwer willem geefs, onder wiens voortreflijke leiding, het talent, aan dit geslacht eigen, ook in hem zóó gelukkig

[p. 537]

is ontwikkeld, dat hij reeds in den jare 1846, bij den grooten prijskamp der koninklijke Academie te Antwerpen, den uitgeloofden palm behaalde, waaraan het vierjarig pensioen van 2500 Francs verbonden is, om op Italië's grond zijne studiën te kunnen vervolgen. - Die loflijke instelling heeft hier dan ook weder goede vruchten voortgebragt, en hij, bij zijne terugkomst, doorslaande blijken gegeven van zijne verkregen bekwaamheden, die de algemeene goedkeuring mogten wegdragen, zoodat er dan ook reeds in Maart, 1855, eene keuze op hem viel, om een werk van monumentalen aard aan de uitvoering van zijn talent op te dragen, namelijk, een Standbeeld van Thierry Maertens, den invoerder der boekdrukkunst in België, om te Aalst te worden opgerigt. Het lag in den aard der zaak, dat een genie als geefs, in het voetspoor van zijn beroemden broeder, zich dermate beijverde bij de voortzetting van deze zoo hoogstvereerende taak, dat hij haar reeds in Julij 1856 volvoerd had. De onthulling en de glansrijke feesten, daaraan verbonden, getuigen van den roem, dien de Heer geefs daarmeê heeft ingeoogst, en ik laat hier de belangrijke berigten, desaangaande gegeven, hier volgen: ‘Brussel, den 7. Julij, 1856. - Zondag jl. is met groote plegtigheid te Aalst het metalen standbeeld van Thierry Maertens, die in België de boekdrukkunst invoerde, onthuld. De Hertog en de Hertogin van Brabant waren ter bijwoning uit Brussel aangekomen en met veel geestdrift ontvangen. Het standbeeld, het werk van jean geefs, is zeer fraai, de houding is waardig, doch natuurlijk, de uitvoering onberispelijk. Maertens is staande voorgesteld, gekleed met een tabbaard met lange loshangende, met bont gevoerde mouwen. Hij houdt in de eene hand een raam met beweegbare letters, en toont met de andere aan de menigte eene proef van den Speculum Peccatorum, welke hij op de naast hem staande drukpers heeft getrokken. Het voetstuk is ook zeer fraai; op eene der zijden leest men het volgende opschrift: “Aan Thierry Maertens - die de eerste in België de Boekdrukkunst heeft ingevoerd, en achtervolgelijk in zijne vaderstad, te Antwerpen en te Leuven, werkplaatsen oprigtte, en die niet alleen door zijne Latijnsche, Grieksche, Hebreeuwsche en andere uitgaven, maar ook door zijne geschriften en zijn professoraat bij de hoogeschool te Leuven een onsterfelijken roem heeft verworven - hebben de regering en de bevolking van Aalst dit gedenkteeken opgerigt, uit gelden van den Staat en van bijzondere personen, 1856.” Dit gedenkstuk heeft 30,000 fr. gekost. De hertog van Brabant heeft den jeugdigen beeldhouwer met zijn uitmuntend werk geluk gewenscht. Na deze plegtigheid hebben de openbare vermakelijkheden een aanvang genomen, waaraan de Prins en de Prinses deelnamen, gelijk mede aan het diner, hun op het stadhuis aangeboden. Na het diner was er bal, hetwelk de Prins en Princes mede met hunne tegenwoordigheid vereerden. Ten 11 ure verlieten de Hertog en de Hertogin onder luid gejubel de stad Aalst, en keerden te middernacht op het kasteel van Laeken terug.’ - In den jare 1858 is door heeren beoordeelaars van wege de Tentoonstelling te Gent, voor een uitmuntend beeld, door hem vervaardigd, een gouden Medaille uitgereikt. - De Heer jan geefs heeft zich in laatst gemeld jaar te Londen gevestigd.

[Geefs. (Joseph)]

GEEFS. (Joseph) Met welgevallen neem ik de pen op, om het levensberigt en de werken van den Belgischen thorwalsen, joseph geefs, sedert het sluiten van Immerzeel's Werk, te vervolgen, onder bijvoeging, dat al zijne beschreven werken, van af 1836 tot in Augustus 1841, door hem te Parijs en te Rome zijn vervaardigd. - Zoo heeft hij, in laatstgenoemde stad, een Borstbeeld, in marmer, van den Graaf C.D.G., in 1840, gebeiteld. - Van zijne geniale hand zag ik in de Galerij van wijle Z.M. Koning Willem II., te 's Hage,

[p. 538]

De Visschers-dochter, zorgeloos, op zeeplanten sluimerende, met eenige bloemen in de regterhand, levensgroot, in marmer, in 1840 vervaardigd; - als ook den Engel des kwaads: een man, in den bloei des levens, met twee groote vleugels, is op een rotsblok gezeten, met eene slang aan zijne voeten; in zijne regterhand houdt hij een gebroken scepter; uitmuntend levens-groot, in 1842, uit marmer gehouwen, in een stijl, die ons onwillekeurig aan het strenge antiek herinnert, en met de beste moderne voortbrengselen kan wedijveren. Het eerste is op de verkooping dier Galerij, aldaar, in 1850, door den heer A. Lamme, van Rotterdam, voor ƒ3.600, en het tweede door den heer Weimar, van 's Hage, voor ƒ3.000 gekocht. - In 1842 vervaardigde hij nog de Getrouwe liefde, onder de gedaante van een kindje, in natuurlijke grootte; - alsmede een groep in marmer voor het grafmonument van wijle M...., voorstellende de Jeugd, slapende in de armen van de Hoop. - In 1843 het Portret in marmer van dien Heer Metdepenninge, Advocaat, in Engeland. - Het Grafmonument van Mevrouwe C..., zijnde een basrelief in marmer, op de begraafplaats van St. Laurens, bij Antwerpen, en een Monument voor wijlen den Heer Conrad, Inspecteur-generaal van den Waterstaat, basrelief in marmer, geplaatst in de St. Pieters-kerk, te Leyden. - Onder zijne kolossale werken, telt men het, vier ellen hoog, bronzen Standbeeld van Andreas Vesalius, als Monument, op het Baricaden-plein, te Brussel, in 1849 opgerigt, en door hem in 1845 vervaardigd. - Het jaar daaropvolgende beitelde hij in marmer een Statuette en eene Buste van den Mecenas der kunsten, wijle Z.M. Koning Willem II. - In de zaal van la Concorde, te Gent, bevinden zich van hem vier levensgroote marmeren standbeelden, voorstellende: De Sluwheid. - De Bloemenspraak. - De Behaagzucht, en De getrouwe Boodschapper, in 1847 vervaardigd, - en in 1848 het Standbeeld van Boudewijn van Constantinopol, dat in het Paleis der Natie, te Brussel, wordt gevonden. Het is uit Franschen steen, 2 ellen hoog, zeer fraai bewerkt. (Dit is een der zes beelden, volgens besluit van Z.M. Koning Leopold van den 15. Julij, 1845, jaarlijks door een der beste kunstenaars te vervaardigen, om genoemd Paleis te versieren.) - In het Museum te Antwerpen is de marmeren buste van den oud-Burgemeester Florent, Ridder van Ertborn, - die het genoemde Museum door zijne kunstschatten zoo aanmerklijk-heeft verrijkt, - in 1849 mede door hem gemaakt. - In 1850 vervaardigde hij Een Monument met basreliefs, in marmer, voor wijlen den Heer Jacobs, Advocaat, op de begraafplaats te Berchem-les-Anvers geplaatst. - Een idem, met idem idem voor wijlen den Heer Louis van Overstraeten, op de begraafplaats van St. Amand, te Gent, in 1851, geplaatst; - en hetzelfde jaar werd, in het klein Seminarie, te St. Truyen, het kolossale basrelief, 10½ el hoog, de Hemelvaart van de H. Maagd voorstellende, geplaatst, en ook nog in dat jaar, het Borstbeeld van Van Bommel, bisschop van Luik. - In 1852, een idem in marmer van den Baron C. van Havre, kolonel der burgerwacht van Antwerpen; - verder voor den prachtigen predikstoel te Hansighem, Christus, die aan Petrus de sleutels geeft, en hem als herder over zijne schapen stelt; idem vier Basreliefs, de vier Evangelisten en verdere versieringen; alles van eikenhout. - Voorts voor den Grooten Schouwburg te Antwerpen, de steenen beelden Apollo, Urania, en Thalia, hoog 2½ el, - en voor den Baron Ullens van Schooten, te Antwerpen, twee beelden, De Voorzigtigheid en de Godin Flora voorstellende. - In 1853, voor den predikstoel te Desselghem, eene levensgroote groep in eikenhout, en vier Basreliefs, voorstellende: de Geboorte van Christus, - de Verrijzenis, - de Wedervinding in den Tempel, en St. Maarten te paard, alsmede de Communiebank met De Oude en Nieuwe Wet versierd. - In Januarij van dat jaar is het basrelief in het Fronton

[p. 539]

van de Spoorweg-station te Gent onthuld. Dit kunstwerk bestaat uit drie kolossale figuren. In het midden troont de genius van den vooruitgang, op eene wolk, door water en vuur voortgebragt, terwijl aan de uithoeken die twee elementen als personen zijn voorgesteld. De koofdfiguur houdt in hare regterhand den bijlbondel, die de Natiën onderling verbindt, en in de andere den bliksem, het zinnebeeld der kracht en snelheid van den stoom, waarover zij het bewind voert. Regts bevindt zich het Vuur, voorgesteld door een krachtig gebouwd man, die een fakkel zwaait; naast hem verheft zich een Salamander uit de vlammen; links is het Water afgebeeld als eene Sirene, het hoofd omkranst met zeegewassen; zij houdt een vat omklemd, waaruit water stroomt. Op den achtergrond vertoont zich de boeg van een schip. - In 1854 vervaardigde geefs den Engel der Verrijzenis, voor het Monument van den Heer Verdussen, president der Maatschappij van schoone kunsten, te Antwerpen, en aldaar in de kathedrale geplaatst; en voor de kerk te Boisschot, provincie Antwerpen, eene eikenhouten Communiebank, waarop is afgebeeld Het Heilige Misoffer, en verder nog zeven Basreliefs, in marmer, met verschillende voorstellingen uit het Lijden van Christus, die in de St. Jacobs-kerk, te Antwerpen, zijn geplaatst; - alsmede voor de St. Georgiuskerk, aldaar, St. Rochus en St. Agatha, levensgroot, van lindenhout vervaardigd. - In 1856 eene idem idem in de kerk te Hilversum, zamengesteld uit negen Basreliefs met Evangelische tafereelen en zes beeldjes, de HH. Petrus en Paulus, en de vier Evangelisten; - en in 1857, voor de hoofdkerk van St. Dymphna, te Geel, veertien Basreliefs, den Kruisweg voorstellende. - Van af 1853 tot 1857 zijn in des kunstenaars atelier vervaardigd en nog onderhanden, vier-en-twintig levensgroote beelden in steen, bestemd voor het Stadhuis te Brugge, voorstellende de Graven en Gravinnen van Vlaanderen, sedert Louis de Cressi, tot Franciscus den Tweede. - Onder de werken, thans (1858) nog in vervaardiging en tot bestellingen behoorende, zijn twee kolossale beelden, de vrijheid der Drukpers en de vrijheid van het Onderwijs, die in brons voor de Congreszuil, te Brussel, zijn bestemd; - een Monument in marmer voor den Heer h.v.r., voorstellende den Engel des Geloofs, om geplaatst te worden in de kerk te Destelberghe, bij Gent, en verder nog verscheiden Maria-beelden, zoo in hout, als in steen; twee Altaren, zes Biechtstoelen, enz. - Doch een hoofdparel, die Antwerpens kunstkroon zal versieren, vindt men aangeduid in het belangrijk berigt van December 1857, waar de naam van joseph geefs met dien van den Vorst des Lands door de kunst vereenigd wordt. Men las daar: ‘Dewijl de inschrijving ter oprigting van een Ruiterstandbeel van Koning Leopold, te Antwerpen, genoegzaam gevorderd is, om tot de uitvoering van het plan te kunnen overgaan, is er besloten, het werk op te dragen aan den Beeldhouwer josef geefs. Eene commissie, zaamgesteld uit de heeren Loos, burgemeester van Antwerpen, H. Leys, N. de Keyser, F.H. Mertens en J. Cuylits is benoemd, om de verschillende ontwerpen, welke de beeldhouwer zal inleveren, in oogenschouw te nemen, waarna de hoofdcommissie hare eindbeslissing nemen zal. De Koning zal worden uitgenoodigd, om voor den beeldhouwer te poseren.’ Wie koestert niet met mij de verwachting, dat de geniale geefs, nu tot de hoogste eer gestegen, voor den beminden Vorst, in zijn vaderland, een blijvend gedenkteeken van zijn talent zal weten te scheppen, en mag men hopen, dat het geluk hem in alles bevorderlijk zal zijn, teneinde dat kapitaalste werk, in de stad zijner geboorte zelve, volmaakt ten uitvoer te mogen brengen. - Na zijne benoeming van den 18. October, 1841, tot Professor in de Beeldhouwkunst aan de koninklijke Academie te Antwerpen, werd er hem bovendien het Professoraat der Anatomie pittoresque, den 17, November, 1842, opgedragen. Het was hem niet genoeg, op

[p. 540]

de gewone wijze, de leer der uiterlijke Anatomie te onderwijzen, maar hij heeft toen, naar eigen vinding, ook nog een kunstwerk vervaardigd, te weten een Anatomie-beeld met losse spieren, om het onderwijs meer gemaklijk te maken. ‘Wij weten - zegt het Antwerpsch Kunstblad, Nr. 1, 1844, - dat er andere beelden van dien aard bestaan, maar men zou zich bedriegen, indien men geloofde, dat dit aan de reeds bestaande, eenigzins was gelijkende.’ Dat kunstgewrocht is in zijn bezit. - Sedert 1841 bleef hij steeds in Antwerpen gevestigd. - In 1844 is joseph geefs in het huwelijk getreden met Mejufvrouw Odelia Roelandt, dochter van den beroemden Bouwmeester der stad Gent, ludovicus roelandt, Ridder der Orde van den Ned. Leeuw en der Leopolds Orde. - De heer geefs is, sedert 15 October, 1842, Lid van den Raad van Bestuur der kon. Academie van Antwerpen, en den 26. September, 1852, als Lid der Brusselsche benoemd. - Ten slotte, kan ik nog melden, dat ook vorstlijke vereeringen hem zijn geworden, als de benoeming tot Ridder der Leopolds-orde, den 26. October, 1843, en tot Ridder van O.L. Vrouw Ontvankenis de la villa viciosa in Portugal, den 11. Mei, 1857. - Hij beoefent ook de Dichtkunst, waarvan in het gemelde Antwerpsche Kunstblad, van 1846, XVII. Aflevering, eene proeve is te vinden, te weten: een vers, bestaande uit 18 coupletten, gedagteekend Roma, Junij 1840, en ten titel voerende Aan de Hoog - en Nederduitsche Kunstvrienden te Rome, waarin veel warmte heerscht, en dat in goeden Vlaamschen stijl is geschreven. - Ook heeft hij mogen ondervinden, dat velen zich beijverden, aan zijn talent den zijns te brengen, zoo als, onder anderen, in het Nederlandsche Kunstblad, Nr. 38, 1844, waar voorkomt: Des Dichters hulde aan den Beeldhouwer joseph geefs, door L. van Hoogeveen Sterck.

[Geefs. (Willem)]

GEEFS. (Willem) Zoo aangenaam het mij was, de pen voor het berigt van zijnen broeder joseph geefs op te vatten, is zulks ook in hooge mate het geval voor willem geefs, reeds naar waarde door Immerzeel vermeld, en zal ik diens levensbijzonderheden en werken, voor zoo verre ze mij door algemeene berigten zijn bekend geworden, hier doen volgen. - De beide met elkaêr wedijverende Geniën dezer gebroeders, de gelijkheid en aard hunner werken, hebben door vergelijkend oordeel de onderscheiding verkregen, dat de werken van willem en van joseph, als die van canova en van thorwalsen moeten worden opgevat, begrepen, en in deze verhouding tot elkander beschouwd worden. - De werken van dezen meester zijn velen, doch ik geef alleen die op, welke ik in mijne aanteekeningen over hem geboekt heb. - In 1843, vond men in den Messager de Gand een loflijk berigt, over een Predikstoel, in de cathedrale te Luik, waaraan hij meer dan zes jaren heeft gearbeid. Hij is van hout en in den gothischen stijl, aan eene kolom van het schip der kerk geplaatst, en met den hemel - het klankbord - meer dan 60 voet hoog; de spits is zeshoekig, doorluchtig gewerkt, en waarop het afbeeldsel van God den Vader pronkt, terwijl verder meer afbeeldingen van Heiligen, Kerkvaders enz. dat meesterstuk versieren. - In den jare 1844, werd hij door den Koning der Franschen tot Ridder van het Legioen van Eer verheven, bij gelegenheid dat zijn werk, een van de beste voort-brengselen der Beeldhouwkunst, op de toen gehouden Tentoonstelling te Parijs, werd bevonden. - Ook had ditzelfde plaats bij gelegenheid der Tentoonstelling te Brussel, in 1851, daar geefs, bij besluit van Z.M. den Koning der Belgen van den 1. November, 1851, tot Officier der Leopolds-orde benoemd werd. - Onder de monumentalen werken, die voor aan onder zijne kunstgewrochten behooren, wordt de Graftombe van St. Hubert geteld, een vorstlijk geschenk van Leopold I., Koning der Belgen, aan de Kerk van St. Hubert, in de Ardennes. Deze geheele tombe is in rijken gothischen stijl zaamgesteld, de sarcophaag prijkt

[p. 541]

met tafreelen, de werken van den Heilige voorstellende, en verdere zinspelende figuren, tot de katholijke kerk behoorende, terwijl St. Hubert in Bisschopsgewaad, in liggende houding, er op rust. Hiervan gaat eene afbeelding, op steen gegraveerd, in druk uit. - Talrijke werken zijn in zijn atelier nog onder handen, waaronder, zooals de Gentsche Eendragt, Nr. 26, 1857, meldt: ‘Het kolossale Standbeeld van Koning Leopold, dat, te Brussel, op de Congreszuil zal verheven worden.’ - Zijn portret is door h.g. in 8o. in lithographie gebragt.

[Geel, (Daniel van)]

GEEL, (Daniel van) een tot dus verre onvermeld gebleven Landschap-schilder, bloeide in het midden der XVII. eeuw. Van één zijner werken, werd aan mij, door den bezitter daarvan, den Heer J.B. Hoogeweegen, te Rotterdam - zie aldaar - het volgende medegedeeld: ‘Een landschap, met boerenwoning, lomrijk bosch met zwaar opgaande eikenboomen, en voorts diverse figuren, jagtpartij enz. circa h. 1 el, br. 1 5/4 el, beteekend daniel v. geel 1660’ - Volgens het oordeel van deskundigen is dit stuk verdienstelijk geschilderd en afkomstig van het eiland Schouwen, waar het welligt werd vervaardigd, af te leiden uit de costumen der figuren, die er op voorkomen, terwijl het overigens sedert onheuglijken tijd aldaar één-en-het-zelfde huis tot sieraad heeft verstrekt.

[Geel (Jan van)]

GEEL (Jan van) wordt door Bryan opgevoerd als een kunstenaar, die omstreeks 1660 bloeide. Hij was een discipel van g. metzu, en wist diens keurige schilderwijze zóó te volgen, dat het niet altijd zeker is, hen van elkander te kunnen onderscheiden. - Ook heeft hij zeeën en zeehavens geschilderd, die zeer uitvoerig en aangenaam van kleur zijn. - Hij werd geboren in 1631, en is overleden in 1698. - Dit artikel is voor niemand anders geldende, dan voor joost van geel, en dus bij vergissing door den genoemden auteur geboekt. - Alleen is het tweede gedeelte - als zeeschilder - van joost niet bekend. - Nagler heeft ook aan het slot van het berigt van joost van geel melding gemaakt van een johannes van geel, en dit uit Remy's Catalogue raisonné des tableaux etc. Paris, 1757, aangevoerd; hij zegt, ten slotte: daar deze kunstenaar in het midden der XVII. eeuw heeft gebloeid, zoo kan hij wel met den genoemden joost één-en-dezelfde persoon zijn. - Het fraai portret van joost van geel, door hem-zelven geschilderd, en bij Immerzeel vermeld, is door j. houbraken gegraveerd, in kl. 4o.

[Geel. (Johannes Franciscus van)]

GEEL. (Johannes Franciscus van) Bij het artikel van Immerzeel, over dezen verdienstlijken Belgischen beeldhouwer, moet ik nog voegen, dat zijn portret, door j.j. eeckhout geteekend, en door g.p. van den burggraaf gelithographeerd, in 4o., in 1822, te Brussel, is verschenen.

[Geel (Johannes Lodovicus van)]

GEEL (Johannes Lodovicus van) is door Immerzeel naar verdienste vermeld, die tot den jare 1836 zijne beeldhouwwerken opnoemt, als toen nog bij vermogen zijnde, om door zijn talent in alles te kunnen voorzien; doch sedert dien tijd schijnt eene zielskwaal hem meer en meer te hebben beheerscht, tot groot jammer voor de kunst en zijn tijdelijk bestaan. - Met groot leedwezen, lezen wij het volgende berigt uit Brussel, van den 22. Mei, 1852. De bekwame beeldhouwer van geel uit Antwerpen, vroeger Professor bij de Academie aldaar, is alhier in armoede overleden. Onder zijne werken telt men: De leeuw van Waterloo, - de basreliefs en beelden in de gewezen Willemspoort, - den fraaijen predikstoel in de St. Andrieskerk, te Antwerpen, - de herder op de fluit spelende, in de galerij des Konings, enz. - van geel was behebt met eene idée fixe. Hij beweerde, dat de politie hem vervolgde, en dat hij zijne zakken vol poesjenellen en helsche geesten had. Toen hij den Fluitspeler gemaakt had, vroeg hem de Koning, of hij tevreden was, en of hij niets voor hem kon doen. van geel, die lang en zeer verstandig

[p. 542]

met den Koning had gesproken, kreeg het echter eensklaps in zijn hoofd, en zeide: ‘Sire het zou mij zeer aangenaam zijn, zoo gij mij van de gendarmen en poesjenellen kondet ontslaan, die altoos in mijne zakken zitten.’

[Geelen (Christiaan van)]

GEELEN (Christiaan van) de Jonge bij Immerzeel vermeld, heeft meer dan een gelukkigen aanleg voor de kunst betoond, en was zijn vader in waren kunstzin verre vooruit, waartoe de Academie en vooral het Genootschap Kunstliefde, te Utrecht, de gronden te hebben gelegd, doch welk laatstgemeld Genootschap door zijn vader niet bezocht werd. Hij heeft eene menigte teekeningen met rood en zwart krijt naar de natuur gemaakt, die zeer bevallig zijn, en waarin veel geest heerscht, vooral in het daar aangebragte bijwerk, waaronder eene School, eigenaardig met lieve en stoute jeugd, zeer uitmunt. Hij verviel in eene ziekte, die zoo menig zwak hoofd, bij te hoog gevoel van eigenwaarde, onbekwaam maakt, om maatschaplijk goed te handelen en te wandelen, zoodat er hulp noodig was, waarin ik met eenige zijner kennissen tot aan zijn dood en begraafnis hebben voorzien.

[Geeraerts (Martinus Josephus)]

GEERAERTS (Martinus Josephus) staat bij Immerzeel vermeld als geboren 1706, Directeur der Academie van Antwerpen, 1774, en overleden 1791; doch Nagler noemt daarvoor de jaartallen 1707, 1750 en 1767. Fiorillo zegt, dat hij in hoogen ouderdom gestorven is. Ik kan het oordeel van een voornaam deskundige over dezen beroemden kunstenaar, in het vak van Basrelief-schilderen, niet met stilzwijgen voorbijgaan, maar moet dat hier vermelden, namelijk: F.X. de Burlin, in zijn Traité théorique et pratique des connaissances de Tableaux etc. Bruxelles, 1808, tom. II., p. 67. Nadat hij over de Vlaamsche school van rubens heeft gehandeld, en de latere meesters opnoemt, zegt hij van dezen: ‘Maar een stuk van deze school, hetgeen den aanschouwer geheel en al verbaast, in dat genre van schilderen, is dat, hetwelk ik gevonden heb in de galerij des Prinsen van Lichtenstein, te Weenen, onder de drie Basreliefs, door martinus josephus geerards van Antwerpen geschilderd, die de drie bovendeur-stukken uitmaken van een der zalen aldaar, en waarvan een een druivenoogst voorstelt, in de houtkleur der betimmering vervaardigd. Dit stuk doet zulk eene bedrieglijke uitwerking, en is van zulk een tooverachtig licht en bruin, dat, hoewel ik met de zaak bekend was, ik het nimmer voor een schilderstuk zou hebben gehouden, ziende niets anders dan een houten basrelief à ronde bosse, - hoog verheven - in welke rigting ik mij ook plaatste, totdat ik mij onmiddelijk vlak er onder begaf, en toen eerst werd ik overtuigd, dat het geene verhevenheden opleverde. Ook kan ik verzekeren, dat het nog nimmer door de kunst tot die hoogte is gedreven, noch gedreven zal worden, om de begoocheling verder te voeren, dan door dit kunststuk geschiedt.’ - Ook in de Abdij van St. Pieter, te Gent, en voornamelijk in de kerk van het H. Graf, te Kamerijk, zijn van zijne beste werken bekend.

[Geerarts, (Marcus)]

GEERARTS, (Marcus) de Oude, is bij Immerzeel vermeld, maar te weinig voor wat in later tijd van dezen bekwamen kunstenaar is bekend geworden, en dater had behooren te zijn bijgevoegd, te meer daar mannen van onze kunstschool der XVI. eeuw, die, buiten hun vaderland, andere Rijken tot sieraad mogten verstrekken, door ons nimmer moesten worden vergeten, maar men, integendeel, moest trachten, alles op te sporen, wat hen aangaat, teneinde daardoor den Nederlandsche kunstroem te helpen verhoogen. - Pilkington, die, als Engelsch auteur, het best zijn ouderdom en overlijden had kunnen weten, en wel door zijn voorganger Walpole voorgelicht, dwaalt in het jaar zijner geboorte, 1561, en van zijn overlijden, 1635, in verband beschouwd met de hier na te melden schilderij en andere werken, door hem gemaakt, waarschijnlijk dadelijk na het gebeurde in 1571. Zoo die opgave goed is, daar er uitdruklijk door anderen

[p. 543]

wordt vermeld, dat het toen gebeurde zich nog eens heeft herhaald in 1584, dan kan hij wat de voorstelling aangaat, die wel in de beide gemelde jaren hebben vervaardigd. - Van Mander, die met veel belangstelling zijne kunst en bijzondere bekwaamheden heeft vermeld, - even als de vreemde auteurs dit uit zijn Werk eensluidend hebben overgenomen, - zegt: ‘Hy is eyndlinghe gestorven in Engeland. Geern had ick geweten tyd en ouderdom van zynen soon, die my sulcx niet heeft willen te ghevallen doen, meenende hem niet toe te comen van zyn vader yet loflijks my over te schryven.’ Dit schrijf ik af, uit den druk van 1604, door Van Mander-zelven bezorgd, en verklaar, dat dit ontegenzeglijke waarheid bevat, en bijgevolg onze geerarts in 1604 reeds was overleden. - Ik leid uit het vermelde af, dat de zoon van geerarts zich toen in Engeland bevond, en, waarschijnlijk, daar gebleven en in het kunstvak zijns vaders opgevolgd is; want te duidelijk worden er werken genoemd, door marcus geerarts - en welligt heette hij even als zijn vader marcus - vervaardigd, die van veel latere dagteekening zijn, dan 1604. - Fiorillo, Geschichte der Mahlerey in Grossbrittanniën u.s.w. meldt, dat hij, in 1580, van Brugge - de plaats zijner geboorte - naar Engeland is vertrokken, en er in de dienst trad van Koningin Elisabeth, en vervolgens in die van Koningin Anna, gemalin van Jacobus I., dochter van Frederik II., Koning van Denemarken; dat zijne talrijke portretten zeer fraai zijn, vol geest en leven, doch te luchtig en niet genoeg afgewerkt. Tot de voornaamste behooren die van de twee zonen van den gemelden Jacobus I., Hendrik en Karel geheeten, en zijn eigen afbeeldsel, hetwelk hij in 1627 vervaardigde enz. - Zie daarover op zijn zoon de Jonge van dien naam. - Hij heeft ook geschilderd eene Processie der koningin Elisabeth naar Hunsdon-house, en in 1584 nog een anderen togt der gemelde koningin, met al de ridders van de Kousebands orde. - Pilkington noemt alleen dien van 1584 naar Hunsdon-house. - In zijne landschappen, die zeer worden geroemd, bragt hij meestal een pissend vrouwtje aan, welken luimigen inval hij zich even zoo tot eene gewoonte maakte, als zijn landgenoot joachim patenier, die op zijne stukken altijd een mannetje plaatste, dat zijn gevoeg doet. - Verder meldt Fiorillo, dat geerarts een familiestuk van Thomas Morus zou hebben afgewerkt, doch of zulks het beroemde stuk van hans holbein is, kan hij niet beslissen. - geerarts heeft zich ook in de letteren bekend gemaakt, en eene Handleiding voor de Teekenkunst geschreven, die te Brugge is verschenen, doch in het Engelsch werd overgezet, in 1674 in 4o. - Hij stierf 1635. - Dit berigt van Fiorillo vindt men bij meest alle auteurs, op gelijke wijze, vermeld. - Pilkington geeft 1561 als zijn geboortejaar op, zoodat hij dan 74 jaren zou hebben bereikt. - Al het gemelde is wel niet zonder zamenhang, wat den loop des tijds aangaat; doch de volgende zaken zijn met het opgegevene niet strokende, namelijk: in het Werk De warachtige fabulen der Dieren. Brugghe, Pieter de Clerck, 1567, in kl. 4o., zijn al de prenten met veel zorg en kunst door marc. gheeraerds, schilder van Brugge, in 1567, geëtst. Dit is de eerste druk en uiterst zeldzaam. Ook heeft men nog van hem een merkwaardigen Plattegrond der stad Brugge, in 10 bladen, in 1562 gegraveerd; verder de Processie van koningin Elisabeth, en het aangevoerde van Van Mander. - Daar ik in het bezit ben van deze zeldzame, fraaije gravure van george vertue, - de bedoelde geschiedenis van Elisabeth voorstellende - zoo laat ik, om het historisch belang, het onderschrift hier volgen: potentissimae elizabethae angliae reginae ad Nobilissimum dum dum henricum carey, Baronm. de hunsdon, Consobrinum suum in Villa de Hunsdon processio regalis. The Royal. procession of queen elizabeth to Visit the Right Honble. henry carey Lord hunsdon, Governor of Berwick

[p. 544]

upon Tweed, Captain of the Band of Gentlemen Pensioners Kt. of the most noble urder of the Garter, Privy councellor, and Cousin German to her Majesty by the Lady mary, Sister to queen anna bolen. - The original of this Picture was painted (in Oyl) - in onderscheiding van lijmverf, die toen nog gebezigd werd - at the command of this Noble Lord Hunsdon (cir. 1580), - dit is dus onzeker gesteld - and is now in the possession of the Rt. Honble. the Lord Digby, who permitted a Limning to be take in Water Colours for the Rt. Honble. Edward Earl of Oxford etc. Mortimer, and this Plate to be Engraved by their most humble and obedient Servant geo. vertue 1742. - De verklaring van de hoofdpersonen is de volgende: Dudley Earl of Leicester is near est the Queen. - Henry Lord Hunsdon carries the Sword of State before the Queen. - William Lord Burleigh, Lord Hegh Treasurer with his White Staff - before him is Charles Howard Admiral, afterwards Lord Nottingham and other Noblemen of the Queens Favorites. - Dan volgen de Dames, achter de draagbaar, met het Baldaquin, waaronder Elisabeth, in volle pracht, is gezeten. - The Lady Hunsdon, in White, first. - Elisabeth, Sister of Lord Hunsdon, the Wife of Admiral Howard. - Other Ladies following in ye. Train. Yeomen of the Guard, Gentlemen Pensioners & others, etc. Van deze schilderij wordt niet vermeld, of de voorstelling levensgroot is genomen, hetgeen echter wel denklijk is, daar voor dergelijke gevallen ook royaal werd ontworpen, en het is te zien, dat de portretten, ten voeten uit, van goede gelijkenis moeten zijn geweest, en voor het kostuum eene ware bijdrage mogen gehouden worden, even als voor de gebruiken van dien tijd, vooral van die der Ridders van de Kousebands-orde. De plaat zolve is in plano, atlas-formaat. - Nog heeft hij in 1584 een dergelijk onderwerp vervaardigd, zijnde een optogt van al de Ridders der Orde van den Kousenband, die eveneens door geo. vertue in plaat is gebragt, voor het Werk van Asmole, over deze Orde. - Zie Nagler. - Nu ter zake. - In het Saturday Magazine, Januarij, 1838, Nr. 354, London, by J.W. Parker, vindt men de genoemde gravure in houtsnede, verkleind op blz. 1, waarbij eene uitvoerige historische mededeeling, onder den titel van Queen Elizabeth, Her progresses and public processions. Hier worden ons, van jaar tot jaar, hare gangen en togten vermeld, en die naar Hunsdon in 1571 genoemd, - gelijk verder dat zij van 1581 tot 1588 niet van Westminster afwezig schijnt te zijn geweest, zoodat wij het jaar 1572 of 1573 als den tijd kunnen bepalen, dat aan geerarts dit buitengewoon tafreel, met aandrang van spoed, zal zijn opgedragen, tot roem van het geslacht Hunsdon, dat door Elizabeth zoo hoog werd vereerd. - Hij was dus reeds hofschilder van Elizabeth in 1571; zou hij dan, volgens Pilkington, Bryan, Fiorillo en anderen, tien jaren toen oud zijn geweest? Men kan het geboortejaar dan gerust op 1530, of wel vroeger, stellen, hetwelk Immerzeel ook beweert, zeggende, ‘dat hij in 1590 in Engeland is overleden, ongeveer zestig jaren oud,’ doch zonder daarvoor eenige bewijzen bij te brengen, tegen de algemeene berigten, hier boven vermeld. Zoo dit echter het geval ware geweest, dan zou Van Mander zulks in een tijdsverloop van veertien jaren daarna, toen hij zijn Werk uitgaf, zeker, wel hebben vernomen, en zich niet behoeven te beklagen, dat 's mans zoon hem zulks niet berigten wilde. Ik voor mij geloof, dat die zoon weinig zal opgehad hebben met het Boekwerk van Van Mander, en de verdiensten van zijn vader, en welligt ook van zich-zelven, niet door dezen schrijver in het openbaar wilde beoordeeld zien. - Dit is dus zeker, dat geerarts reeds vroeger dan 1571 volkomen schilder was, en wel toen de primus van Engeland; dat hij vóór 1604 reeds was overleden, en een zoon had, die, waarschijnlijk, in de kunst zijn vader is opgevolgd; en dat die werken, welke men in Engeland vindt, door

[p. 545]

marcus geerarts, na 1604, vermoedelijk door zijnen zoon van dienzelfden naam - Zie aldaar. - zijn vervaardigd, en deze, waarschijnlijk, de betrekking van hofschilder zal hebben vervuld tot de komst van Karel I. (in 1625) op den troon; want toen was er de Haagsche portretschilder daniel mytens, de Oude, als hofschilder geplaatst, na al lang voor Jacobus I. te hebben gewerkt, wiens koninklijke gunst hij ook ruimschoots had genoten. - De stand der kunst in de Nederlanden, had, na de schoolvervorming door rubens, zulk eene in het oogloopende verandering ondergaan, dat Engeland er op vlamde, om die schitterende talenten in zijn midden te bezitten, terwijl ook achtervolgens geniën, die in de gemelde School waren gevormd, zich naar het Californië van dien tijd hebben begeven, zoo als mytens dan ook weder plaats moest maken voor den Phoenix van dien tijd, antonie van dyck. - In hoeverre men op de berigten dier dagen kan afgaan, voor wat betreft de namen en de werken aan gelijknamige personen toegeschreven, blijkt, onder anderen, daaruit, dat Walpole in zijn tijd - hij stierf in 1797, oud 80 jaren, - de opmerking maakt, dat deze meesters zeer verschillend en onjuist geschreven, nu eens gerhardus of guerards, dan weder garrats of garrard worden genoemd. - Vasari roemt de miniaturen van gérard, doch meent daarmede gerard van gend, anders gerard van der meire, - Zie aldaar. - en alleen zijn commentator, Bottari, verwart dien met gerardt honthorst, in Italië genaamd della notte, van wien Vasari niet kon spreken, want hij heeft eene eeuw later gebloeid. - Een werk onder den naam van dezen kunstenaar, te weten: eene Onthoofding van Johannes den Dooper, in de kerk van St. Maria-della-Scala, te Rome, wordt door Descamps aan gerard dou toegeschreven; erger kan het niet: en zulke naamverwarringen zijn ontelbaar in werken, die over de kunstgeschiedenis handelen! - Het portret van marcus geerarts is naar dat, door hemzelven, in 1627, geschilderd, door w. hollar gegraveerd, waarnaar eene kopij door f. bannerman, in 4o., in Walpole wordt gevonden; en of dat, hetgeen in de 8o.-uitgave van Van Mander, II, 176, Pl. TT. Nr. 3 voorkomt, nu van den Oude of den Jonge zijn moet, wordt daar natuurlijk niet gemeld, en is bij het artikel van den Oude, door den Commentator De Jongh, gevoegd. - Er zijn eenige prenten, die gezegd worden door den ouden geerarts te zijn gesneden, als: De waarachtige Fabelen der dieren, 108 bladen kleine prentjes, met het jaartal 1567, boven reeds vermeld; - daarna vond ik nog de volgende drukken: een exemplaar in den Catalogus der Bibliotheek van Gerard de Wind, Middelburg, 1753; Tweede aanhangsel, bl. 6, Nr. 80: Vorstelyke warande der dieren, met aardige Afbeeldingen, en kunstig in koper gesneden door den kunstschilder marcus gerards. - Zonder jaartal. - Ik bezit eene uitgave in fo. van Woudt van wonderlicke Sinne, Fabelen der Dieren enz. Te samen ghestelt door steven perret; wederom met sinnerycke Ghedichten op 't nieu by-ghevoecht, verbetert en vermeerdert door adriaan van de venne, schilder tot Rotterdam, by Isaack van Waesberge, enz. 1632. Uit de Voorrede blijkt, dat dit eene vergroote uitgave is van Der sinne Dieren, eerst in het klein ‘geteyckent ende ghesneden, by den wydt-beroemden kunstrycken marcus geraerts tot Brugghe, ghelyck den loflyken Carel van Mander daarvan verhaelt.’ - In de L.-Vrouwe kerk, te Brugge, bevindt zich, boven de deur van den zij-uitgang, eene groote schilderij met deuren, met de afbeelding van het Lijden van Christus, door hem geschilderd, en die langen tijd voor het werk van frans pourbus gehouden werd.

[Geerarts, (Marcus)]

GEERARTS, (Marcus) de Jonge. Wanneer men mijne bijdrage en teregtwijzingen op het artikel marcus geerarts den Oude leest, zal men ontdekken, dat er twee schilders van dien naam, in een gelijk kunstvak, beiden in Engeland, hebben

[p. 546]

gearbeid, waardoor eene tijdruimte ontstaat, die voor één persoon niet geldend kan zijn, en het is daardoor, dat er desaangaande zoovele tegenstrijdige berigten worden gevonden. - In het Gildeboek van St. Lucas te Antwerpen, vindt men het volgende aangeteekend: ‘marcus geeraert, leerling van lucas de heere, quam in St. Lucasgild te Antwerpen, ano. 1577.’ - In het Ms. van den meergemelden Mols, vindt men daarbij aangeteekend: ‘Deze meester heeft veel te Brugge geschilderd, en wel voornamelijk in het vrouweklooster Sions. - Van 't order der Monte-carmeliten zijn de kerken met verscheide stukken, die zeer uitvoerig behandeld zijn, versierd.’ - Hieruit blijkt het ten duidelijkste, dat hij een leerling van lucas de heere is geweest, dewijl het vermeld staat, dat zijn vader bij marten de vos heeft geleerd. - Het is meer dan waarschijnlijk, dat de vader, die reeds vóór 1577 in Engeland was gevestigd, zijn zoon bij den hem bekenden, zedigen en geleerden kunstenaar lucas de heere zal hebben besteld, om hem tevens in alles, wat tot eene goede opvoeding wordt vereischt, te doen onderwijzen, en hetwelk hij noodig achtte voor de hooge betrekking, waarin hij stond en het oogmerk had, zijn zoon later op te leiden. Ik zie daarin eene zeer prijslijke zucht, om in dien tijd van zoo treurige kerklijke woelingen gematigd te leeren handelen en wandelen, vooral op het zoo gevaarlijk terrein van Engeland, en de heere was juist de man, die in hooge mate den grond dier woelingen besefte, en daarover ook geschreven, en vertalingen van andere beroemde werken in het licht gegeven heeft. - Zie op lucas de heere. - Verder is het klaarblijklijk, dat de portretten der beide zonen van Jacobus I, Hendrik en Karel, alsook geerarts eigen portret, in 1627, door den Jongen marcus zijn volvoerd, zoo als Nagler meent, dat ze door den Oude zijn geschilderd, wiens sterftijd hij in 1635 stelt, hetgeen echter op den Jonge moet doelen. Ook geloof ik, dat het Werk: Onderrigt in de Teekenkunst, dat te Brugge is verschenen, en in 1674 in het Engelsch vertaald, en aan den Oude toegekend werd, mede van den Jonge zal wezen.

[Geertgen van St. Jans.]

GEERTGEN VAN St. JANS. Deze parel aan Hollands kunstkroon is zeer vlugtig bij Immerzeel vermeld, en de twee stuks schilderijen, die in de Weener-galerij aanwezig zijn ‘worden - zegt hij - aan dezen meester toegeschreven.’ Waarom deze stukken, waarvan de geschiedkundige loop bekend is, zoo twijfelachtig aan onzen geertgen toegekend? Dat er meer in Museums zijn aangewezen, die door kenners betwijfeld, en zelfs eenige, aan hem toegekend, op goede gronden als zoodanig wederlegd worden, is bekend; maar de stukken, te Weenen voorhanden, zijn voor alle kenners de leiddraad, waarnaar hun oordeel over de overige aangewezen werken van geertgen zich moet rigten. - Ziehier eene lijst van de werken, die op naam van geertgen van st. jans bij Rathgeber, in fo., op blz. 123 en 434, staan vermeld, als: Eene rust in Egypte, te Schleisheim. - Een idem, te Weenen. - Christus' afscheid van Maria, in de Pinakotheek te Munchen. - Het lijk van Christus van het kruis genomen. Middel-paneel, ibid. ibid. - De opstanding van Christus, deurschilderij. ibid. ibid. - Sint- Joris, de draak en de door hem bevrijde H. Margareta, wordt door sommigen voor werk van gerard van leyden gehouden. Een uitmuntend stuk in de K.K. Ambras-verzameling te Weenen. - De volgende stukken, die door hem worden vermeld, zijn reeds bij C. Van Mander beschreven, als onder Nr. 487, de Afbeelding der groote kerk van Haarlem, waaruit is gebleken, - volgens schrijven van Fiorillo - dat hij de grondigste kennis der Perspectief bezat, ja zelfs, dat dit stuk bedrieglijk voor den aanschouwer was. - Nr. 478, 479, 480, 482, 483 en 485, hebben allen tot een-en-hetzelfde hoogaltaar met deuren behoord, hetwelk hij voor de St. Jansheeren, te Haarlem, heeft geschilderd, al hetwelk bij de

[p. 547]

beeldstormerij is verloren gegaan, behalve één der deuren, die behouden en bewaard is gebleven, en tijdens Van Mander, Ao. 1604, in de zaal bij de Kommandeurs te zien was, namelijk, eene deur, die doorgezaagd werd, waardoor twee stukken ontstaan zijn. Het door Sandrart, op blz. 217, II. deel, III. boek, vermelde, is te dezen opzigte duidelijker, daar hij zegt, dat het paneel van de deur, die aan twee zijden was beschilderd, in de dikte is doorgezaagd. Hieruit volgt voor mij ook de oplossing, dat de stukken in de Galerij te Weenen juist even groot zijn, hetgeen, zoo het anders gedaan was, niet ligt het geval kon wezen, door de ordonnantiën enz. De nommers 183 en 185 zijn hetzelfde stuk, en verkeerdelijk bij Rathgeber herhaald. - Ik laat hier de beschrijving volgen van De Mechel, in zijn Catalogue des Tableaux de la Galerie Imp. et. Roy. de Vienne, 1784, blz. 153, onder Nr. 15: ‘Sujet historique, représente le corps mort de Jesus-Christ sur les genoux de la St. Vierge, qui le considère, les larmes aux yeux. Elles est entourée de sept saints et saintes, dont les uns pleurent, et les autres prépareut les choses nécessaires pour la sépulture du Sauveur.’ - Dit stuk heeft de binnenzijde der gemelde deur uitgemaakt; op de buitenzijde zijn drie ordonnantiën, verschillende tijdvakken der geschiedenis van St. Jan den Dooper en zijner relikwiën voorstellende, welk stuk bij Rathgeber, onder Nr. 478, 479 en 480, wordt vermeld. De beschrijving daarvan in den genoemden Catalogue, is, onder Nr. 16, als volgt: ‘Ce tableau représente l'histoire de l'inhumation et des reliques de St. Jean Baptiste, en trois époques très éloignées les unes des autres, savoir, sa sépulture par ses Disciples, en présence du Sauveur; ensuite la recherche et le brulement de ses os, par ordre et sous les yeux de l'Empereur Julien l'Apostat; et enfin la translation qui se fit en 1252 à St. Jean d'Acre, alors le principal Siège de l'Ordre de St. Jean, d'une partie de ses os échappés à la destruction.’ Beide tafereelen, op paneel, zijn h. 5 vt. 7 dm., br. 4 vt. 5 dm., en de beelden, ten voeten uit, op een vierde van het leven genomen. - Deze stukken worden door niemand betwijfeld, als te behooren tot de doorgezaagde schilderij, hierboven vermeld; doch de meergenoemde verdienstlijke vertaler van het eerste gedeelte, in 8o. van Rathgeber's Werk, veroorlooft zich, eene Noot daarbij te voegen, op blz. 412, alsvolgt: ‘Het stuk, waarover Van Mander spreekt, is niet het hier in den tekst vermelde,’ en voegt hij de geheele beschrijving van Van Mander, aangaande de vermelde deursstukken, er bij. Verwonderd moet ik hier vragen: En waarom is het dat stuk niet? Ik, noeh iemand anders, die met oordeel en kennis van zaken leest, zal eenig spoor vinden, dat Van Mander de buitenzijde der deur anders beschrijft, dan voor wat hij er van heeft gezien, zonder te weten, wat eigenlijk daarop is voorgesteld; want de binnenzijde, Christus in den schoot van Maria enz., was voor hem geen raadsel; - doch hij schrijft van het ander: ‘d' een, welck de uyterste zyde was, is eenigh mirakel oft onghemeene historie;’ - dus duidelijk een tafereel, waarvan hij de geschiedenis of legende niet heeft gekend. - Trouwens, wanneer de andere deur daarbij ware geweest, zou hij zeker op het spoor zijn gekomen, want ongetwijfeld werden daarop afgebeeld die voorname trekken uit het leven van Johannes den Dooper, waarvan de Heilige Schrift gewaagt, en op de gedachte deur de legenden, die, in de eerste eeuwen, bij ongewijde schrijvers staan vermeld, en niet zoo algemeen bekend waren, ja, welligt zelfs nimmer bij de R.K. kerk dat aanzien zouden hebben verkregen, zoo niet eene Orde van dien naam, als krijgsorde, onder de regering van Boudewijn, in 1104, vvare gesticht geworden, en waarvan de eerste Grootmeester in het Heilige Land, Frederik Gerard genaamd, in 1115 overleden is. Zij vergezelden de kruisvaarders en waren overal op hunne togten, met wapens en lafenis, er bij, doch trokken, na het verlies van

[p. 548]

Jeruzalem, in 1187, naar Margatte terug, en vandaar naar Acre, in 1192. Het was hier, dat zij een tijd lang zijn gevestigd geweest, waardoor die plaats den naam van St. Jean-d'Acre heeft verkregen; het overbrengen der beenderen van hun H. Patroon in 1252 (?) is met de voorgaande lotgevallen der Orde, als vervolg op het leven van St. Jan den Dooper, afgebeeld door onzen geertgen van Haarlem, die bij deze magtige en rijke heeren meer als hofschilder moet worden beschouwd, dan, zoo als Van Mander meende, dat het een Convent was, daar geertgen inwoonde, en hij den naam van St. Jans van behield, doch zonder in de gezegde Orde te zijn getreden. Dit is door hem verkeerd begrepen, tenzij onze geert al de adelijke kwartieren van vaders- en vooral van moeders- zijde had kunnen aanbrengen, volgens de vereischten der wetten van dat ligchaam, hetgeen echter het geval kon zijn geweest; maar dan zou Van Mander, zoo hij dienaangaande met kennis van zaken had geschreven, stellig gemeld hebben: ‘doch de gezegde orde heeft hem niet aangenomen;’ waaruit mede blijkt, dat hij met de geschiedenis en de instellingen der St. Jansheeren weinig bekend was. Ik eindig dus, met hier te verklaren, dat de aangebragte noot op Rathgeber, als niet bestaande, moet worden beschouwd, 1o. omdat de schilderij als één stuk wordt erkend; 2o. omdat het tweede tafereel de doorgezaagde wederhelft is van het eerste, als zijnde even groot; 3o. omdat deze twee stukken zonder tegenspraak van ééne-en-dezelfde hand zijn geschilderd; 4o. omdat dit stuk tot heden toe de rigtsnoer was voor alle bekwame kenners, om andere werken, die twijfelachtig voorkomen, daarnaar te beoordeelen; en 5o. omdat deze stukken altijd te zamen zijn gebleven, en met meer andere kunst door onze Staten aan koning Karel I. van Engeland werden ten geschenke gegeven, die, waarschijnlijk, vandaar door Leopold Wilhelm, Gouverneur der Oostenrijksche Nederlanden, weggekocht en vervoerd, en later te Weenen beland zijn. - Verder vindt men aangeteekend, dat deze stukken, van hooge fijnheid zijn, krachtig in de verwen, terwijl het vleesch teeder en bruinachtig in de schaduw is. - Nog vind ik vermeld, dat twee stukken, van gelijke verdienste en grootte, in de rijke Abelsche verzameling, te Stuttgart, aanwezig zijn, voorstellende: Joseph, door zijne broeders verkocht, en Jacobs aanzoek om Rachel bij Laban, waarvan de uitdrukking der hartstogten zeer wordt geroemd.

[Geerts. (Karel Hendrik)]

GEERTS. (Karel Hendrik) Naar verdienste is deze beroemde Belgische beeldhouwer tot den jare 1840 door Immerzeel vermeld. Ik voeg hierbij nog het volgende, dat in de kunstwereld nopens de onvermoeide vlijt dezes waarlijk genialen kunstenaars de loflijkste getuigenis aflegt. Het Tafereel uit den zondvloed, door Immerzeel reeds vermeld, berust thans in de zaal der Bibliotheek van de Universiteit te Leuven. Het maakt de algemeene bewondering, door het indrukwekkende en aandoenlijke der voorstelling, gaande. - In den jare 1845 werd het geheele Koorgestoelte in de L.V. Kerk, te Antwerpen, door hem ontworpen. Het is in Gothischen stijl, rijk, met geheel vrijstaande, voortreflijke figuren en basreliefs versierd, welk een en ander door Antwerpsche beeld- en ornamentsnijders wordt uitgevoerd, en tot welks voltooijing de tijd van 10 à 12 jaren zal noodig wezen. De boven de leuningen der kerkstoelen aangebragte figuren, stellen de symbolische deugden, in manlijke en vrouwlijke gedaanten, voor, en kunnen den toets doorstaan van met het allerbeste te worden vergeleken, wat de oud-duitsche houtsnijkunst heeft voortgebragt. Aan de stoelen zijn heerlijke basreliefs gesneden, als: de Boodschapping, het Bezoek, de Aanbidding der wijzen, de Besnijdenis, de H. Familie en hare Vlugt naar Egypte. geerts heeft, voor dezen arbeid, zich de voorbeelden eigen gemaakt, welke de houtsnijkunst der XV. eeuw in de Nederlanden hem

[p. 549]

aanbood, en zich daarin zóó bewogen, alsof die kunststijl de zijne was; hij wilde door zijn werk het in- en uitwendige van het voortreflijk kerkgebouw in volkomen overeeustemming brengen. Voor den Aartsbisschopszetel is het model genomen naar dien uit den Dom van Keulen. - Op de Tentoonstelling, te Brussel, in 1845, bevonden zich van Professor geerts twee gipsmodellen, De Zaligmaker, die de kinderen zegent, en Maria als koningin der Engelen gekroond, welke beide werken mede in den middeleeuwschen kerkstijl goed gedacht en gegroepeerd waren; - verder twee marmeren beelden voor een Grafmonument der Familie Merode, in de St. Stephanuskerk, en eene naakte vrouwe-figuur. - Bij besluit van den Koning der Belgen van 17 Junij, 1845, werd aan hem, onder de zes voorname beeldhouwers, met het vervaardigen van eenige historische standbeelden belast, - Zie bijvoegsel op i.b.j. de bay. - dat van Hertog Jan aan hem opgedragen. - Ook is geerts belast met het vervaardigen van een groot gedeelte bronswerk, vier en twintig basreliefs, de stales voor het koor en verschillende standbeelden voor de nieuwe St. Josephskerk, in de voorstad Leopold, te Brussel, die door t.f. suys gebouwd werd (1846). - In 1847 is het genoemde Grafmonument voor Werner de Merode voltooid; het wordt als een wezenlijk kunststuk hoog geroemd, en bestaat uit verschillende beelden en statuetjes, in den stijl der Italiaansche Renaissance, en is in de rijkste versiering, welke die stijl gedoogt, keurig bearbeid. - Deze geniale man is ook bij ons niet onopgemerkt gebleven. Hij werd door Z.M. Koning Willem III. bij besluit van den 9. November, 1849, benoemd tot Ridder der Orde van den Nederlandsche Leeuw. - Slechts weinige jaren mogt hij die welverdiende vereeringen, tot genoegen zijner stadgenooten, te midden van hen, in zijnen arbeid, genieten, daar zijn plotseling overlijden, op den 16. Junij, 1855, te Leuven, de mare was, die ons uit Antwerpen in de Dagbladen werd meêgedeeld, en is hij alzoo, in de kracht van zijn leven, - als zijnde slechts 47 jaren oud - aan de zijnen en de beeldende kunsten ontvallen. - Zijne werken zullen in zijne geboortestad, even als die in Engeland, Rusland en de Vereenigde Staten aanwezig, den naam van geerts voor de vergetelheid bewaren. - Op den oogenblik van zijn verscheiden, werkte hij met zestig leerlingen in zijne schoone ateliers.

[Geest (Gillis Simonsz. de)]

GEEST (Gillis Simonsz. de) vindt men in de stadsrekeningen van Utrecht vermeld; ’Nye borghers te Utrecht gillis simonsz. de geest, van Deventer, glasschryver. Kameraarsrekening 1604-1605,’ bij Dodt, Archief, IV. blz. 90. - Hij is alzoo van woonplaats veranderd, welligt vroeger uit Antwerpen, vanwaar zoovelen, de hervormde leer toegedaan, elders hun bestaan zochten, even als wybrant de geest, waarschijnlijk, mede vandaar, zich in Friesland heeft gevestigd, en die wel een broeder van gillis geweest kan zijn, dewijl beiden zich zoon van simon de geest noemen, zoo als mij is gebleken, dat wybrand de Oude den naam van Simonsz. bij zijn huwlijkscontract voerde.

[Geest (Jacob de)]

GEEST (Jacob de) wordt als een Antwerpsch historieschilder, geboren 1570, en overleden 1612, met een paar regels door Immerzeel vermeld. Doch hier heeft klaarblijklijk een misslag plaats: want Houbraken, die hem alleen opvoert, naar aanleiding van een Lykdigt, door Jan Vos vervaardigd, - Zie diens Gedichten, Amst., 1726, in 4o. bl. 377. - is de bron, waaruit alle anteurs dit hebben overgenomen. Daar nu Vos in 1620 geboren is, hoe kon hij dan in 1612 dat Lijkdicht maken? Fiorillo heeft, bij vergissing, en ook Nagler, die hem heeft gevolgd, Vondel als vervaardiger van dat Lijkdicht aangewezen, hetgeen echter bij dien dichter, die het in 1612 wel had kunnen maken, niet vermekl is. Bijgevolg moet onze jacob ver in de eerste helft der XVII. eeuw, te Antwerpen, - waar hij echter in het Schildersgild niet voorkomt - hebben gebloeid.

[p. 550]

[Geest (Juliaen de)]

GEEST (Juliaen de) is de zoon van wybrand of vibrand den Oude, die in de kunstgeschiedenis niet wordt vermeld, en van wien mij geene werken zijn voorgekomen. - Dat hij in een authentiek stuk als schilder genoemd wordt, vernam ik uit een mij toegezonden berigt, door den meergemelden Jonkheer Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma, te Leeuwarden; namelijk, in eene Sententie van het Hof van Friesland, in dato 4 April, 1682, aangaande de erven van Hendrickien van Ulenburgh, vrouw van wybrandus de geest, den Oude, ‘Catarina de Geest, jonge dochter en julius de geest, Mr. schilder, Sampt Regnerus Briffo, Mr. Chirurgyn, als curator over Hero de Geest, mitsgaders Joannes Pierson, als man en vooght over Maria Pynacker, alle binnen Leeuwarden in dier qlt. erfgenamen van Hendrickien van Ulenburgh haer w. moeder ende grootmoeder respe. impten ter eenre etc.’ - wybrandus de geest, Juliaensz., spreekt van zijn vader op blz. 51 van zijn Werk: Het Kabinet der Statuen enz. aldus. ‘Gaan wy in den hof der Borgesen, om de hemel-godin Juno in haar Statue te zien, Polydor de Caravagio heeft deze Juno gevolgt, en voor een Mariabeeld op den Calvaryberg onder het kruis geplaatst, waarvan de prent uitgaat; ook heb ik het geteekent gezien van quellinus, die een zeer vermaart meester is geweest, waarby myn vader zaliger, mede zyn kunst voltrokken heeft; en ter dier tyde heeft hy in half-levens-groote geschilderd een Mnemosyne, die de moeder der zanggodinnen genoemt wort.’ En op blz. 43: ‘In het Hof der Mediceën is een Statue van Ganimedes, hetwelk den schilder mytens gevolgt heeft, in een schildery, vertoonende der Goden Hemel, na de getuigenis van myn vader zaliger, die toen ter tyd by hem zyn kunst voltrok;’ - waaruit blijkt, dat zijn vader tot de kunst is opgeleid, en daar hij zijnen doopnaam niet noemt, zoo is mij gebleken uit het Gildeboek van St. Lucas, te Antwerpen, dat onder meerdere de geesten, die sedert 1474 zijn ingeschreven, voorkomt, ‘juliaen de geest ontfangen als leerling by erasmus quellinus, schilder, anno 1657,’ hetgeen strookt met de opgave van zijn zoon, hierboven vermeld, en deze had veel verpligting aan j.a. de coxie, - Zie aldaar. - die hem, waarschijnlijk, als wees, vroeg onder zijne bescherming heeft genomen, zoo als hij in de opdragt van zijn genoemd Werk: Kabinet der Statuen openlijk erkent. - Bij Pilkington vind ik aangeteekend, dat jacobus de geest, - hij schrijft voor allen de gheest, doch 't zijn dezelfde, - een geboren Antwerpenaar, en aldaar in 1612 overleden, in het historiële vak zeer uitmuntte. - Dat deze nu nog een zoon van wybrandus de geest, den Oude, van den-zelfden naam zou zijn, - doch dien ik den Jonge moet noemen - heeft veel grond, alhoewel hij niet voorkomt onder de erven zijner moeder, boven vermeld; maar hij kan wel vóór dien tijd, ongehuwd of kinderloos, zijn overleden.

[Geest, (Wybrandus of Vibrand de)]

GEEST, (Wybrandus of Vibrand de) de Oude, staat bij Immerzeel vermeld, doch zonder eenig navorschen, in hoeverre het grond kan hebben, als vreemde auteurs onderscheiden meesters van dien naam noemen. Ik echter heb dit alles nagegaan en bevonden, dat er één vader, zoon en kleinzoon, van den naam van wybrandus de geest, als schilders, hebben bestaan. - De Oude wybrand, die, volgens de opgave van Immerzeel, in Friesland werd geboren, doch zonder eenige tijdsbepaling, ook niet van zijn overlijden. Daar hij Pilkington aanhaalt, die dat wel vermeldde, zoo heeft hij het geboortejaar 1591, en zijn overlijden, te Antwerpen, in 1643, niet daaruit durven overnemen, omdat een Werk in 8o., Kabinet der Statuen door w. de geest, Amsterdam, in 1702 verschenen, door hem wordt aangehaald, en dat met den loop van gemelden tijd niet wel was overeen te brengen. - Dat boek is echter van zijn kleinzoon wybrand de geest, den zoon van juliaen. -

[p. 551]

Zie aldaar. - Het komt mij voor, dat het geboortejaar 1591 wel wat vroeger zal moeten zijn, want Pilkington zegt ook, omtrent, zoodat hij ten deze niet zeker was. Houbraken volgt, in zijn levensberigt, mede dat tijdpunt. - Ook vind ik, dat het aantal de geesten, die in de kunst voorkomen, alleen in Antwerpen te huis beboort. Geen spoor van zekerheid is mij bekend, dat hij een Fries is geweest, - maar wel aldaar gehuwd - dan alleen, dat hij, volgens het berigt van Houbraken, ‘te Rome verscheiden jaren heeft gewoond, om zich aldaar naar de beste voorwerpen te oefenen; hy werd genoemd de Friesche Adelaar, van wegen zyn hooge vlucht in de konst.’ Dit artikel is door Pilkington vertaald called the noble Frieslander, zoodat het woord Adelaar, in het Engelsch slecht vertaald, hem tot een Friesch edelman heeft vervormd. Latere auteurs nemen dit weder voor goede munt aan, en houden Friesland voor zijn geboortegrond. waarin zelfs Immerzeel hen is nagevolgd. Dat de bentbroeders hem zoo doopten, zulks zou alleen aanleiding kunnen geven, dat hij een Fries was; doch dit alles is te onzeker, omdat wij de aanleiding niet kennen, die dezen Alias deed ontstaan, en wij te onbekend zijn met de bijzonderheden, die bij vele anderen tot het doen geboren worden van een bentnaam aanleiding hebben gegeven, om er hier eenige historische waarde aan te durven hechten. - Op de naamspelling wybrand, als doopnaam, heb ik deze aanmerking, dat op de werken, die mij zijn voorgekomen, staat v. de geest, zoo als op het Portret van den historieschrijver, Johan van der Sanden, aetat 70; in 1636, door s. savry gegraveerd; en op dat van Franciscus Heermans, schrijver der bekende Gulde Annotatien, fraai door j. suyderhoef gesneden. - Nu is vibrand en wibrand wel geene zoo groote verwisseling, om dezen naam niet aan den grootvader te durven toekennen, daar de naam wibren gewoonlijk vibrand door de Friezen wordt uitgesproken. Zie Schotanus, Cronyck van Friesland enz. Franeker, 1655, in 4o. blz. 367; ook bij sommige Latijnsche auteurs wordt de V voor eene W genomen. Zie Van Heussen en van Ryn, Oudheden van Vriesland, II. blz. 13, in 8o. - Houbraken zegt, dat zijn kleinzoon, van dienzelfden naam, zich nog in 1718 in de kunst oefende; maar, daar deze auteur het gemelde Werk der Statuen ook verkeerdelijk aan zijn grootvader toekent, zoo heeft dit zeggen weinig gezag, te meer daar hij zich geene moeite heeft gegeven, om ware berigten over zijn tijdgenoot, den jongen wybrand, in te winnen, en vermeend heeft, dewijl deze wybrand heette, volgens het gemelde Boek hetwelk hij als het Werk van hem beschouwde, dien hij beschreef, daardoor duidelijk den doopnaam voor zijn artikel te hebben gevonden, weshalve hij bijgevolg den naam wybrand, als dien van den grootvader geboekt heeft; zoodat het niet is bewezen of de letter V, door den Oude gebezigd, niet even goed een anderen doopnaam moet aanduiden, waardoor al de auteurs, die natuurlijk uit deze bron hebben geput, als dan zouden hebben gedwaald. - Dat onze wybrand of vibrand in Friesland wordt te huis gebragt, daartoe schijnt het bekende vers van J. van Vondel, alsmede de Eereverzen, vóór het genoemde Kabinet der Statuen geplaatst, aanleiding te hebben gegeven; doch in geen dier regelen staat een woord vermeld, dat zulks wettigt; maar alle aanduidingen komen hier op neêr, dat het Hof van Vriesland zich beroemt op de kunstvoortbrengselen van de geest den Oude. - Naar het een en ander te oordeelen, zou ik, onder inwachting van nog nader in te winnen bewijzen, kunnen aannemen, dat hij een Antwerpenaar is geweest, die door een huwelijk zich in Friesland heeft gevestigd, en later weder naar zijne geboorteplaats is teruggekeerd, te meer daar zijn zoon juliaen - Zie aldaar. - te Antwerpen de kunst leerde en uitoefende, en zij met de coxie's zoo wel bekend waren, dat wybrand Juliaenszoon zich bij voorkeur

[p. 552]

tot het onderwijs begaf van Jr. joh. ant. de coxie, die, zeker, te Antwerpen, en niet te Amsterdam woonde, zoo als Houbraken schrijft, en zulks uit de Opdragt van het genoemde Werk, als te Amsterdam uitgegeven, wilde afleiden. - Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen, dat meergemelde Jhr. Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma, mij, in het belang der geschiedenis, nog het volgende heeft medegedeeld, namelijk, dat, volgens de opgave van Jhr. Mr. H.B. van Sminia, burgemeester van Tietjerksteradeel, te Bergum, in diens bezit zijn achttien Portretten, ten voeten uit, h. 6 palm, br. 4 p. 10 str. Nederl. en allen door wybrand de geest geschilderd, alhoewel ze niet allen beteekend zijn, doch echter door deskundigen voor werk van de geest gehouden worden als: De vier eerste Stadhouders van Friesland, en de volgende Krijgslieden, uit het midden der XVII. eeuw, met name: Edsart van Eminga, colonel, (Stamboek Eminga Gen. 6.) - Jaques van Oenema, colonel. (N. Naamlijst van Grietmannen bl. 396.) - Poppe van Burmania, majoor. (Stamb. Gen. 10). - Arent van Loo, kapitein. - Foppe van Grovestins. - Jan Gerckes Hoptilla. - Haring van Harinxma thoe Heeg (waarschijnlijk de vertaler van het later te melden boek) - Nys. - Poppe van Burmania. - De Ostendenaar. (Stamb. Gen. 10). - Wyger van Hottinga. (Stamb. Gen. 8 aant. 43). - Tarquinius van Solckama, kapiteinen, en Gysbert van Voort, kwartiermeester. (Zie Stamb. Harinxma Douia, Gen. 8.) - Uit dit alles af te leiden, moet ik besluiten, dat, ofschoon al die portretten door wybrand de geest zijn geschilderd, het nu nog nader bevestigd wordt, dat er meerdere schilders - en wel nog een zoon wybrandus van dien naam - bestaan hebben; want één persoon kan niet, van af Graaf Willem Lodewijk van Nassau, den eersten Stadhouder van Friesland, geb. 1560 en overl. 1620, tot de verder genoemde krijgslieden van veel later tijd, die allen naar het leven hebben geschilderd. Zijn ze allen van ééne hand, dan zijn de eerstgenoemde door wybrand de geest de Jonge, kopiën, zoo als destijds in menigte voor aanzienlijke personen vervaardigd werden, - en de lateren door hem naar het leven geschilderd; zoo niet, dan zijn ze door vader en zoon van één-en-denzelfden doopnaam vervaardigd. - Er bestaat een zeer belangrijk Album van wybrandus de geest, dat in Februarij, 1857, den heer Van Leeuwen, griffier der staten van Friesland, een ijverig navorscher der geschiedenis, ter inzage was verstrekt, met het voornemen, om mij het belangrijke daarin voorkomende, voor mijn Werk mede te deelen; doch, helaas, reeds spoedig daarop, werd het verlies van dien waardigen man betreurd. - Het portret van wybrand de geest den Oude komt voor in Houbraken, I. deel, doch bij mij onzeker, van welken wybrand. - Nog vind ik, dat het zeldzaam voorkomend Boekje, in mijn bezit, Seven wonderlycke Gedichten van Don Franciscus de Quevedo enz., Leeuwaarde, 1641, uit het Spaansch vertaald, door Capiteyn Haring van Harinxma; Amst., 1657, in 12o., door dezen is opgedragen Aan den Geest- en Konstrycken schilder wybrandt de geest, Signor et Frattello mio carissimo, en onderteekend U.E. gansch Dienstwillige Dienaar en Broeder Haring van Harinxma. In Emden den 1 January 1641. - Zou hieruit nu niet volgen, dat, daar onze wybrand aan dat Friesch-adelijk geslacht vermaagschapt was, hij het is, die het meest in Friesland verkeerde, en daardoor den genoemden bentnaam heeft verkregen? te meer, daar het mij is gebleken door een berigt van meergemelden Jonkhr. Beyma thoe Kingma, te Leeuwarden, uit het Proclamatieboek aldaar getrokken, dat ‘wybrand simons d' geest, schilder, en Hendrickien Ulenburgh’ te Leeuwarden getrouwd zijn den 19. Augustus, 1622. - Hieruit is te vermoeden, dat gellis simonsz de geest - Zie aldaar. - wel een broeder van onzen wybrant kan zijn geweest. Dit berigt, uit de aanteekeningen van den Heer W. Eeckhof,

[p. 553]

Archivaris aldaar, ontleend en in verband beschouwd met wat in De Navorscher, deel III. blz. 326, voorkomt, namelijk, dat rembrandt van rhyn en Saskia van Ulenburgh, den 24. Junij, 1634, te Sint-Anna-Parochie, in Friesland, zijn gehuwd, wekte bij mij het vermoeden, dat beide vrouwen elkander welligt in maagschap hebben bestaan; ook genoemde Archivaris is van dezelfde meening en hoopt, door het nasporen van de genealogie van Ulenburgh, dit in het licht te zullen kunnen brengen. - Zie nog over dat geslacht bij mij op GEEST. (Juliaen de)

[Geest (Wybrandus de)]

GEEST (Wybrandus de) de Jonge. - Zie bij mij over dezen vermoedelijken zoon van wybrandus, den Oude, op GEEST. (Juliaen de)

[Geest, (Wybrandus de)]

GEEST, (Wybrandus de) zoon van juliaen, en kleinzoon van wybrandus of vibrand den Oude. Hij is, waarschijnlijk, te Antwerpen geboren, en welligt een leerling, eerst van zijnen vader, die hemte vroeg ontviel, en daarna van johannes anthonius de coxie. - Van zijn kunstwerk is mij niets bekend, doch in een vers, geplaatst voor het hierna te melden Werk, door den kunstschilder chr. pierson daarop vervaardigd, komt voor, ‘dat dit nuttig Boek, tot vermaak van oor en oog, evenzoo is als zyne kunst, die in goed behagen dusdanig aanwint, dat hy een klare schilderbaak is geworden, gelyk zyn grootvader was geweest.’ - Hij heeft een Boek in 8o. uitgegeven, onder den titel van: Het Kabinet der Statuen, ons van d' Aaloudheid nagelaten, welkers makers, navolgers, geboorten, en de plaatsen waar zy staan, vertoond worden, met alle hare afbeeldingen door jan lamsvelt verciert, waarby gevoegd is een naauwkeurige Leidtsman in Romen, inet een generale afbeelding, door bisschop getekent. Door webrandus de geest, Schilder. t' Amsterdam, by Jan Lamsvelt enz., 1702. Dit Werk is aan zijnen leermeester en vriend, den boven-gemelden coxie, uit erkentlijkheid, opgedragen. Het laatste gedeelte over de stad Rome-zelve, putte hij uit de korte Annotatiën van zijn grootvader, onder diens nagelaten papieren gevonden. Zie blz. 123. - Hij beeft dit Boek met al de bekende voornaamste afbeeldingen der Antiken enz. als een handboek en leiddraad voor jeugdige schilders geschreven, tot opwekking, voorlichting en aansporing, om de oorspronklijke voorwerpen in natura te gaan aanschouwen, tot volmaking van de kunst. Dat Werk wordt verkeerdelijk aan zijn grootvader toegeschreven. - Zie op GEEST. (Wybrandus en Juliaen de) - Het slot van het Boek bevat een dichtstuk: Pronkaltaer der Schilderkunst, door hem vervaardigd, in 1697; stijl en dicht zijn voor die dagen vrij goed.

[Geest. (Cornelius van)]

GEEST. (Cornelius van) Bryan meldt, dat hij van dezen graveur eene prent bezit, voorstellende het portret van Gilbert Burnet, Bisschop van Salisbury. - Ofschoon ik dezen kunstenaar nergens elders vermeld vind, geef ik hem hier toch, om zijns naamswille, eene plaats.

[Geest (Cornelis van der)]

GEEST (Cornelis van der) is in de kunstwereld alleen bekend door zijn overschoon portret van paul pontius, gesneden in fo. naar de schilderij van anthonie van dyck, die deze Mecenas der Antwerpsche schilderschool, uit hoogachting, met de meeste zorg, heeft geschilderd. Daar onder staat cornelius van der geest, Artis pictoriae Amator, Antverpice. Het origineel versiert thans de National Galery, te Londen, en is een der schoonste portretten, welke van dyck, welligt naar dat van gevertius - aldaar zoo genoemd - immer gemaakt heeft. De kleur het licht, de malsche toon en de onderdeelen zijn bewonderenswaardig, maar bovenal de uitdrukking bij de beschouwing van het geheel treffend. - Hij heeft, waarschijnlijk, de kunst ook zelf beoefend, immers, de altijd te goeder trouw en diep navorschende De Jongh schrijft, in zijne uitgave van Van Mander, in eene noot bij het levensberigt van quintyn metsys, dat deze man, juist honderd jaar na den dood van metsys, diens lijkgebeente uit het kapucijnen-klooster deed vervoeren

[p. 554]

naar de Lieve-Vrouwe-kerk, te Antwerpen, en daar aan den voet van den toren plegtstatig ter aarde heeft besteld; - Zie verder op METSYS. (Quintyn) - en voorts dat bij ‘een groot kunstminnaar was, die ook by lust of uit lief-hebbery de kunst oefende.’ Dit, en de bovengemelde daad, is genoeg, om dien edelen kunstvriend hier te gedenken.

[Geining (Gerard)]

GEINING (Gerard) was, volgens Gerard Hoet, de Jonge, in zijne aanmerkingen op het Werk van Van Gool, een bekwaam historie- en portretschilder, die daar had behooren te zijn vermeld.

[Geirnaert. (Jozef)]

GEIRNAERT. (Jozef) Deze Nestor der beroemde Gentsche schilderschool, reeds naar waarde door Immerzeel geboekt, heeft steeds onafgebroken zijn verkregen kunstroem, met ijver, gehandhaafd, zoodat zulks ook de aandacht van het Hoofd van den Staat niet is ontgaan. Bij gelegenheid der Tentoonstelling, te Gend, in 1850, werd hij door Koning Leopold tot Ridder der Leopolds-orde benoemd. Dit heeft aldaar een algemeen genoegen verwekt, zooals ik in het Veertiendaagsche Tijdschrift enz., de Eendragt, van 26 October, 1856, te Gend, lees, dat hij die onderscheiding allezins verdiende. ‘Zijne benoeming is te dezer stede met volle bijtreding onthaald. Inderdaad, hij is de oudste der hier gevestigde schilders, wien men ettelijke jonge en verdienstvolle kunstoefenaren te danken heeft. Het Kunstgenootschap zal een feestbanket te zijner eere houden, waartoe reeds talrijke en aanzienlijke beoefenaars en beschermers van Kunsten en Wetenschappen hebben ingeteekend.’ Dit is met luister ook verwezenlijkt, zoo als ik in genoemd Tijdschrift van 23 November, 1856, verder vermeld vind, en om het historisch belang, in den hoofdinhoud, hier afschrijf, ‘Op Zondag, den 9. dezer, had in het Hôtel van Kortrijk, te Gent, het banket plaats, den oudsten Gentschen Schilder, den heer geirnaert, ter gelegenheid zijner benoeming tot Ridder der Leopolds-orde, door de leden van het Kunstgenootschap dier stad aangeboden. Omtrent honderd vijftig personen, voor het grootste deel kunstenaars en schrijvers, waren bij dat echt Vlaamsch kunstfeest tegenwoordig. Onder de burgerlijke overheden, bemerkte men den heer burgemeester Delahaye, de heeren schepenen Van Pottelsberghe de la Potterie, baron Julius de St. Genois, en Ph. Kervyn de Volkaersbeke, en de raedsheeren Antheunis Velleman-Kesteloot, Van Mossevelde en Duchene. Bij het nageregt zijn er drie ambtelijke toasten ingesteld geweest, waarvan de eerste door den burgemeester: Aan den Koning, die geestdriftig toegejuicht werd. Daarna heeft de heer baron Julius de St Genois, als voorzitter van het Kunstgenootschap, den eeredronk ingesteld aan den held van het feest, en daarbij eene belangrijke toespraak gehouden, welke wij hieronder meêdeelen. Langdurende toejuichingen hebben die redevoering begroet. De heer canneel, professor, bestuurder der Academie van teeken- en beeldhouwkunst, heeft vervolgens den nieuwen Ridder welsprekend begroet, uit naam der Gentsche Academie en der Gentsche kunstenaars, onder welke de heer geirnaert met volle regt den naam van achtbaren deken mag dragen. Daarna spraken de heeren Van Duyse, Van Damme-Bernier, wiens aanspraak wij insgelijks laten volgen, Duhamel, en de heer Suringar, neef van den vermaarden Neêrlandschen philantroop van dien naam. Aangenaam verrast, en diep ontroerd door zulke schitterende eerbewijzen, heeft de held van het feest daarop, in eenige gevoelvolle woorden, met bewogen stemme geantwoord.’ Na afloop der redevoeringen, is er nog eene korte toespraak door den heer Van Damme-Bernier gehouden, welke ik hier, als bijvoegsel en vervolg op Immerzeels berigt, aangaande 's mans behaalden prijs te Brussel, in den jare 1818, en de daarop-gevolgde feesten in zijne geboorteplaats enz., hier opneem: ‘Mijnheer geirnaert! Het moet u niet verwonderen, dat ik het woord

[p. 555]

gevraagd heb: wij beiden zijn Eecloonaren, en de eer, welke u de koning bewees, is zoo dierbaer aan de burgers van uwe geboortestad, als aan die van uwe verblijfplaats. Dit is eene eerste reden om te spreken; maar ik heb nog eene tweede er bij te voegen. De naem Van Damme, kan den heer ridder geirnaert niet vreemd zijn. Dit gezegde berust op een gedickt, door die famielje bewaard, door een van hare leden gemaakt, en door den dichter voorgelezen aan den beroemden inboorling, toen Eecloo hem een feest gaf ter gelegenheid van diens zegepraal op de groote Tentoonstelling te Brussel, in 1818, alwaar deze de eerste prijs behaalde. Een Van Damme, van Eeoloo, voorspelde toen aan geirnaert den roem, dien deze nu heeft ingeoogst; een andere Van Damme, van Eecloo, mag thans, 38 jaren later, meester geirnaert gelukwenschen met de verwezenlijking van die voorzegging op geirnaert's borst!’ - Dus werd op zijn vijf-en-zestigste jaar, naar echt-Vlaarasche wijze, zijn kunstroem voor goed bevestigd, en onvermoeid gaat hij steeds voort, zoo als op genoemde Tentoonstelling weder zigtbaar was. ‘Hoewel reeds oud van jaren, echter nog jong, nog warm van hart en penseel; op zijn kunstrijk palet schitteren nog de schoonste kleuren; de man is artist in de ziel, hij is overtuigd, dat, is het leven kort, de kunst eindeloos is. Honderdmaal heeft men hem hooren zeggen: 't is toch zoo moeijelijk, dat schilderen! En dan voegde er de echte kunstenaar, met naiviteit, bij: Gij moet van het schilderen amoureus zijn, wilt gij er in lukken.’ (Woorden van den genoemden Voorzitter, in zijne gehouden rede gevlochten.) - Zijn portret is door c.j. vreboeckhoven, 1827, in lithographie gebragt.

[Gelder, (Peter)]

GELDER, (Peter) een weinig bekend kunstenaar, die door Bryan-Stanley wordt opgevoerd als Nederlander, en, waarschijnlijk, een leerling van rembrandt is geweest, wiens manier hij heeft nagevolgd. Hij was een goed colorist en had eene vrije penseelsbehandeling, doch zijne schilderijen zijn niet genoeg afgewerkt. Hij leefde in 1655. - Daar gemelde auteur den aard van zijn werk niet noemt, zoo is het moeilijk, te oordeelen, of hij een nog onbekend schilder is, of dat het welligt n. van gelder moet zijn, - Zie aldaar. - die doode vogels en fruit schilderde, en voor wien de voorletter n als onbekende doopnaam - hetgeen meermalen voorkomt - kan gelden.

[Gelder (Arent, of wel Aart de)]

GELDER (Arent, of wel Aart de) werd reeds door Immerzeel beschreven, doch die slechts van ééne schilderij vermeldt, waar zij aanwezig is, namelijk, in 's Rijks Museum, te Amsterdam. - Het is waar, zijne werken zijn zeer zeldzaam, doch daarom is het tevens wel de moeite waard, dezulken aan te duiden, die elders in publieke galerijen of kabinetten gevonden worden, teneinde zoodoende op het spoor der kunstgeschiedenis te blijven. - In de Galerij, te Dresden, is van hem eene afbeelding van een Hellebardier, half figuur, die bij den eersten aanblik een treffend effect maakt; - en Pilatus, Christus aan het volk vertoonende. - In de beroemde verzameling van Deuringer, te Augsburg, bevond zich, in 1810, wat als een zijner meesterstukken geroemd werd, namelijk, de voorstelling van eene bejaarde vrouw, die bezig is met zich den tijd te korten. - Om nog meer licht over zijne werken te verspreiden, laat ik er hier eenige volgen, die op openbare verkoopingen zijn voorgekomen, als te Dordrecht, in 1718, Joseph en Maria met het kindje, aardig in den trant van rembrandt verbeeld. - Te Amsterdam, in 1739, De zegening van Jacob. - Ibid. 1742, Een Ecce Homo. - 's Hage, in 1743, Een Ecce Homo, zeer vol van figuren. - Een voorhof van een tempel, vol figuren. - Christus predikend, vol figuren. - Ibid. in 1747, Simeon in den Tempel, en Een stilleven. - Te Amsterdam, in 1749, Eene Dame, die gepalleerd (!) wordt. - Ibid. in 1749, Een schilderkamer, met veel bij-

[p. 556]

werk. - Een Altaarstuk, in drieën geschilderd, met vleugels of deuren, zijnde Bijbelsche historiën. - Te Leyden, in 1754, Johannes de Dooper enz. die aldaar ƒ26 heeft opgebragt, alzoo nog één gulden meer, dan een paar Nommers vroeger werd besteed voor Eene vrouw, uit het venster ziende, krachtig geschilderd door rembrandt, levensgroot. Een Mansportret van onzen de gelder gold daar ook nog ƒ26. - De kunst was toen in een slapenden toestand. - Te Delft, 1767, een kapitaal stuk, daar Christus onder de schriftgeleerden staat, met verscheiden Joden op den voorgrond, en anderen in het verschiet, krachtig geschilderd enz.; - en te 's Hage, 1767, De profeet Nathan, die bij David komt, en hem de straffen voorstelt, zeer fraai. - Terwesten, in zijn vervolg op Hoet, noemt hem, verkeerdelijk, abraham de gelder. - De hoogste prijzen, die voor zijne werken werden besteed, zijn: ƒ500, ƒ1000 tot ƒ1800. - Op de verkooping der Teekeningen van Verstolk van Soelen, te Amsterdam, 1847, was slechts ééne teekening van de gelder, Een Landeigenaar of zijn Rentmeester, aan wien een boer zijne pacht betaalt, die ƒ60. heeft opgebragt. - Bij Weigel staat eene teekening vermeld onder Nr. 3101, Roovers, die een huis overvallen, en genoteerd 6 Thlr. 12 gr. - De eenigste afbeelding, die mij van hem is voorgekomen, was in de verzameling van Van der Marck, Aegidz. te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, op bl. 144 van den Catalogus, Nr. 411: ‘aart de gelder, Discipel van rembrandt, Portreten Bijbelsche Historie-schilder, geboren te Dordrecht, 1645, overleden omstreeks 1716. Deze kunstenaar heeft zich-zelven afgebeeld, met het portret van zijn meester rembrandt in de hand; zeer krachtig op doek geschilderd, h. 31, br. 25 dm. Rhijnl. maat.’ Gekocht door Jan Yver, voor ƒ40. - Het bijschrift in dezen Catalogus, die door de met kunst en kunstenaars zoo zeer bekende Makelaars Hendrik de Winter en Jan Yver is gesteld en geschreven, heeft mij op het jaar van het overlijden van onzen de gelder opmerkzaam gemaakt. Houbraken zegt, III. deel, bl. 208: ‘Hy is thans, in dit jaar 1715, terwijl ik dit schryve, noch in goede gezondheid en ongetrouwt.’ - Pilkington, en na dezen Bryan, zegt, zoo als ook Immerzeel dit heeft gevolgd, overleden te Dordrecht, in 1727, waarvan de bron is Weyerman, die aanteekent: ‘Hy bleef schielijk dood, gezeten op zijn stoel, oud twee en tachtig jaren,’ en ons tevens met zijn uiterlijk bekend maakt: ‘daar hy onvergeeflijk scheel zag met beyde de oogen, kon men nooit zeggen, of hy den persoon daar hy meê stond of zat te praaten, aankeek ofte niet, dat dikmaals de luyden niet weinig deed lachgen, zonder dat hy zich daar eens aan stoorde.’ - Volgens dezen, zou dus het jaar 1727 zijn sterfjaar zijn; doch hier geldt nu mijne bedenking, of het berigt van De Winter-Yver geen grond tot nadenken moet geven, dewijl zij zoo bepaald zeggen: overleden omstreeks 1716, hetgeen dus een jaar na het schrijven van Houbraken zou zijn voorgevallen; of het is in den genoemden Catalogus eene drukfout, en zou dan 1726 moeten wezen, waarmeê de zaak vereffend kon zijn.

[Gelder (N. van)]

GELDER (N. van) was een zeer bekwaam schilder van vogels en fruitstukken, die in onze kunstgeschiedenis niet wordt vermeld; zijn werk komt trouwens ook zelden voor, en ik geloof, dat hij almede iemand is geweest, die de kunst voor uitspanning heeft beoefend. - Dat zijne kunst zeer in achting staat, blijkt hieruit, dat in de K.K. Galerij te Weenen, onder Nr. 35, blz. 195 van den Catalogus, Nederlandsche school, voorkomt: ‘Eene schilderij met gevogelte, namelijk, een haan en andere doode vogels, waarvan er eenige op eene tafel liggen, en de andere tegen den muur hangen.’ De naam van den schilder staat met sierlijke trekletters op de schilderij, en wordt in den Catalogus, als monogram, daarbij gevoegd. Op doek, h. 2 vt. 9 dm., br. 2 vt. 6 dm. - Nog vond ik op eene Verkooping te

[p. 557]

's Hage, op de Confrerie-kamer gehouden, in 1762, onder Nr. 77: Een uitvoerig Fruitstukje door n. van geldere, Anno 1660, dat ƒ10.50 heeft opgebragt, hetgeen veel kan worden genoemd, dewijl gelijktijdig een Landschap van karel du jardin voor ƒ16.75, en een idem Maneschijn van aart van der neer voor ƒ16.00 verkocht werd. Uit gemeld jaartal 1660 is alzoo zijn bloeitijd af te leiden.

[Geldorp (Georgius)]

GELDORP (Georgius) is een later persoon dan GORTZIUS, (Goualdorp), - Zie aldaar. - en wordt door sommigen voor een zoon van dezen gehouden, en een broeder van melchior geldorp genoemd. - Aangaande hem, is in de kunstgeschiedenis genoegzaam niets geboekt, wat zijne werken betreft, doch, als in aanraking met vele kunstenaars geweest zijnde, geef ik hem hier eene plaats onder de Nederlanders, hoewel Houbraken hem, verkeerdelijk, in navolging van Sandrart, (die de fout heeft veroorzaakt) een Engelschman noemt, en hem ook foutief gelsdorf schrijft. - Walpole zegt, duidelijk, dat hij een Antwerpenaar van geboorte was, en dat hij te Londen een groot huis bewoonde, met tuin in Drurylane, hetwelk hij van de Kroon huurde voor 30 pd. st., alwaar hij personen van rang ontving, die daar geheime of andere onderhandelingen hielden; dat hij daardoor met vele aanzienlijken in aanraking kwam, en in de gelegenheid gesteld werd, aan vele kunstbroeders werk te verschaffen, hetgeen, op zijne aanbeveling, goeden ingang vond, terwijl hij bovendien kunstbewaarder van den koning was, waaruit blijkt, dat hij een persoon van overleg en verstand moet geweest zijn. Hij was dus zeer in aanzien, daar het verder blijkt, dat de schilderij van den Marteldood van Petrus te Keulen, door zijn toedoen, aan rubens is aanbevolen geworden, zoo als de twee bekende brieven van dien grooten meester, aan geldorp geschreven, bewijzen. Bij hem schijnt alzoo, te Londen, voor de kunstenaars van rang, het t'huis komen te zijn geweest, immers, het is bekend, dat zulke vrienden hun intrek bij hem namen, zoo als anthonie van dyck, vóórdat hij een huis van den koning verkreeg, bij hem inwoonde, alsook pieter van der faes, genaamd lely, die veel voor hem geschilderd heeft. - In 1653, bewoonde hij een huis in Archerstreet, en dit was tijdens Cromwell's bestuur, zoodat hij toen, waarschijnlijk, zijne koninklijke betrekkingen en gunsten der grooten missende, in minder aanzien leefde. - Van zijne werken wordt met weinig lof gesproken, voor zooverre de teekening aangaat, waarin hij zeer zwak moet zijn geweest, hoewel hij zijne portretten vrij wel bewerkte; maar, om ook dáár te schitteren, waar telkens zoovele phoenixen kwamen verschijnen, moest wel voor een ieder ondoenlijk wezen, zoo als er dan ook een aantal naar Engeland gegaan, doch onverrigter zake weêr teruggekeerd zijn. Hij heeft dus een anderen weg, dien van den kunsthandel, ingeslagen, en deze is hem volkomen gelukt. - De bekwame graveur robert van voerst heeft, tijdens zijn verblijf te Londen, eene gravure in fo. gemaakt, naar het portret van Jacob Stewart, Hertog van Lenox, geo. geldorp pinx. - Van de monogrammen, bij Immerzeel opgegeven, die allen voor gualdorp gortzius gelden, meen ik, dat het tweede welligt aan dezen georgius geldorp moet worden toegekend, daar het altijd anders voorkomt, dan het eerste en vierde, daar afgebeeld. - In de nagelaten kunstverzameling van den Conferentieraad Bugges, te Kopenhagen, aldaar verkocht, in Augustus, 1837, waren, onder Nr. 381 en 382 van den Catalogus, Een Mans- en Vrouwe-portret met handen, - geen pendanten - welk laatste eene Hollandsche burger-jufvrouw werd genoemd, en het jaarmerk 1635 met de letters g.g.k. voerde; op het eerstgemelde staat 1602. - Welligt is dit van gualdorp gortzius, - Zie aldaar. - dien ik voor den vader van georgius heb geboekt. - Een portret van g. geldorp komt voor in het Werk van Walpole; of dit nu van den vader of van den zoon is, durf ik niet beslissen.

[p. 558]

[Geldorp. (Gualdorp Gortzius, anders)]

GELDORP. (Gualdorp Gortzius, anders) Zie bij Immerzeel op gualdorp gortzius, en ik voeg er voor datzelfde Artikel bij, dat in de Galerij, te Weenen, eene schilderij aanwezig is, voorstellende: Een Portret, ten voeten uit, van een Vlaamsch Staatspersoon, in het zwart gekleed, met een barret op het hoofd, houdende in de linkerhand een handschoen; h. 1 vt. 1 dm., br. 8 dm., en dat, naar alle waarschijnlijkheid, door dezen geldorp, en niet door georgius geldorp - Zie aldaar. - is geschilderd, want de steller van dezen Catalogus, Mechel, zegt george geldorp, en voegt er bij: ‘geboren te Leuven, 1553, en overleden te Keulen, 1618.’ - Het laatste behoort bij dien Van Mander ons beschrijft, met den naam, hier aan het hoofd geplaatst, en het eerste, te weten de naam georgius geldorp, is hoofdzakelijk in Engeland te huis, en deze zou alsdan op dat kunsttooneel bijna eene eeuw oud zijn geweest, weshalve zulks bij Mechel eene vergissing is; zoo niet, dan zou dit stuk van georgius moeten zijn, en het gemelde geboorte- en sterfberigt naar dat van dezen moeten worden ingevuld; doch dit is niet denklijk, daar de werken, die van hem bekend zijn, zulks zouden tegenspreken, zoodat het wel zeker van onzen georgius wezen zal. - Ook is er in vele kerken, te Keulen, gelijk mede in de voornaamste verzamelingen, nog een aantal zijner fraaije kunstwerken aanwezig, als: in de Doopkapel der Maria-kerk, - in de St. Severijns-kerk, - in het Stads-Museum, - en in de Verzameling der heeren Dr. H.A. Dormagen, - Jos. Essingh, - Frans Katz, - Abr. Schaafhausen, - J.P. Weyer, - Engelb. Willems, - Joh. Jac, Merlo, enz. - Vele van zijne werken zijn in het koper gebragt door crispyn van de pas, den Oude, en anderen. - Een der grootste prenten, door hem gesneden, is Eene Magdalena, borststuk, met over elkander geslagen handen, geheel met heiligen-stralen omgeven, en beteekend geldorpi gortzi. Invent et figurat. crisp. passaeus sculp. et divulg. Traiect. Bat. Ao. 1612, gr. plano. - Deze gualdorp, wiens sterftijd, te Keulen, op den jare 1616 is gesteld, wordt door anderen wederom geboekt als in 1618 overleden, terwijl ook nog de meening is geopperd, dat georgius en melchior geldorp - Zie aldaar. - zijne zonen zouden geweest zijn.

[Geldorp (Melchior)]

GELDORP (Melchior) was, waarschijnlijk, zoo als ik vermeld vond, een der zonen van gualdorp gortzius, en van wien weinig meer bekend werd, dan alleen dat hetgeen van zijne werken voorkomt, blijkbaar, uit de school van zijnen vermoedelijken vader afkomstig is, en deze zijn leermeester moet geweest zijn. - Zijn hoofdvak was het schilderen van portretten, waarvan er eenigen nog te Keulen aanwezig zijn, als: bij den Kunstschilder engelb. willems, een levensgroot portret, borststuk van een geestelijke, waarop het jaarmerk 1615; nog een idem Vrouwe-portret, met eene halskraag, in het bezit geweest van wijlen den boekhandelaar J.G. Schmitz. - Het jaar 1619 komt voor op twee afbeeldingen, Christus en Maria, borststukken, in het bezit van G.J. Schumacher. - Nog twee, ten halven lijve, levensgroote portretten, man en vrouw, gemerkt 1637, die in de nalatenschap van wijlen den Advokaat A. Rückel zijn geweest, en meer anderen. - Er is slechts ééne gravure naar zijn werk vermeld, te weten: het portret van Wolfgang Wilhelm, Paltz-graaf bij Rhijn, Hertog van Beijeren, te paard. mel. geldorp Jun. pinx. abr. hogenberg sc. gr. fo. - Het verdient opmerking, dat hier duidelijk op staat Junior: alzoo kan zijn vader immers denzelfden doopnaam hebben gevoerd, en broeder zijn geweest van gualdorp gortzius, zoodat hij dan evenwel, als Neef, bij den vermelde de kunst kan hebben geleerd, waar beweerd wordt, dat zulks moet hebben plaats gehad; doch daaruit blijkt nog niet, dat deze alsdan eenige betrekking op de Nederlandsche School zou hebben; alleen de naam en afkomst veroorloven, hem zoolang hier eene

[p. 559]

plaats te laten, tot betere bescheiden dit bevestigen of weêrleggen. - Het derde monogram, dat door Immerzeel wordt gesteld op den naam van gualdorp gortzius, is, ongetwijfeld, dat van onzen melchior; want de daarin voorkomende m. kan toch nimmer eene g. aanduiden, en dit is aan te nemen voor het gebruik in het begin der XVII. eeuw; vroeger was zulks niet zoo zeker.

[Gelissen. (M.L.)]

GELISSEN. (M.L.) Bij het berigt, door Immerzeel over dezen Brusselschen Landschapschilder gegeven, voeg ik alleen, dat zijn portret, door j.j. eeckhout geteekend, door g.p. van den burggraaff, in 1822, in 4o., is gelithographeerd.

[Gelle. (Joannes)]

GELLE. (Joannes) Deze Nederlandsche kunstgraveur wordt bij Immerzeel slechts ter loops vermeld, en met aanwijzing van maar één zijner werken, in Cats Selfstryt. - Ik kan er nog bijvoegen, dat ik in het bezit ben van eene folio oblonge prent, voorstellende: Christus aan het volk vertoond, waarop negen figuren voorkomen, en wier geheel door hem schijnt geteekend en gesneden te zijn; immers, er staat onder joannes gelle fecit. Joannes de Ram excudit, en waarin veel verdienste ligt. - Ook vindt men fraaije titels voor het Costelyk-mall, en Het Voorhout van 's Hage, door Constantyn Huygens, Middelburg, 1622, in 4o.; te gelijk in de uitgave van Cats, ibid. 1622, voorkomende. Ook in De Brune's Emblemata enz. Amsterdam, 1624, en 1661 in 4o. - allen in mijn bezit - zijn vele prenten geheel door hem vervaardigd, zoo als zijn naam op Nr. 21 staat gemerkt, en die zeer goed, ja, waarvan eenigen zelfs fraai te noemen zijn, vooral in den eersten druk. - In Le Catalogue raisonné de Dessins et d'Estampes de Van Hulthem, komt, onder Nr. 1658, voor: ‘La profession du médecin et la manière dont il est traité assez ordinairement pendant le cours de la maladie, d'après egb. de paendre. joa gelle sculp.’ - Bartsch noemt nog drie prenten met hetzelfde onderschrift, als uit de school van goltzius gevolgd. - Brulliot heeft hem alleen ontdekt in het Werk van J. Cats, Selfstryt, Middelburg, 1625, in 4o., waarvoor de titel door hem gegraveerd is, beteekend j.g. in elkander, als monogram, en hij voegt er bij, dat, dewijl er in een ander Boek van denzelfden dichter, eene prent voorkomt, verbeeldende Adam en Eva met twee kinderen onder eene hut, welke prent aan de linker zijde van onder is beteekend j. gelle fe., hij dit monogram houdt voor dat van den genoemden graveur. Hieruit zou men hem voor een Zeeuw, of wel voor een Antwerpenaar kunnen nemen. - Ik bezit een prachtwerk van dien tijd, zijnde de Académie de Gerard Thibault d'Anvers, enz., 1628, waarvoor hij eenige kolossale prenten heeft gesneden, met meest al de voorname graveurs van zijn tijd, en waaruit blijkt, dat hij de burin meesterlijk wist te voeren; zij zijn beteekend j. gelle sculp. Colon., zoodat hij destijds te Keulen werkzaam was. - Zie verder over genoemd Werk op scheltus à bolswert. - Brulliot merkt, teregt, op, dat een jean gelle, die als teekenaar en graveur bij Zani wordt vermeld, en omstreeks 1685 werkzaam was, deze niet kan zijn, te minder daar Zani het bij hem bekende werk voor dat van diens eersten tijd beschouwt, en hij nog in zeer hoogen ouderdom werkzaam was.

[Gemnich (....)]

GEMNICH (....) komt als teekenaar voor in den Catalogus van C. Buys, Amsterdam, 1828, op blz. 20: ‘Nr. 11: Een Mans-portret, met sapverwen door gemnich.’

[Gend. (Gerard van) Zie bij Immerzeel, en bij mij op Meire, (Gerard van der)]

GEND. (Gerard van) Zie bij Immerzeel, en bij mij op MEIRE, (Gerard van der) want het is één-en-dezelfde persoon.

[Gend (Jooris van)]

GEND (Jooris van) wordt door Van Mander beschreven als een discipel van frans floris, die zóó vermaard was door zijn talent, dat hij hofschilder van den koning van Spanje, en daarna van den koning van Frankrijk werd. - Eenigen meenen, dat deze naam ook justus, josse of jussus van gend werd

[p. 560]

geschreven, en zelfs de verdienstelijke vertaler van het Werk van Rathgeber voegt op dat punt, in eene aanteekening H, blz. 352, er bij: ‘Ook bij dezen schilder - josse of jusse van gent, over wien Rathgeber, op blz. 37, handelt - heeft verschil van schrijfwijze plaats, nademaal Van Mander - Fol. 242, b.B. Fol. 162 a. - hem jooris van gendt - lees ghent - noemt.’ - Die teregtwijzing is echter eene vergissing, want deze jooris wordt aldaar genoemd onder de leerlingen van frans floris, en bijgevolg als een persoon, die eene eeuw later op het tooneel is verschenen dan josse van gend, dien Rathgeber bedoelt, en die niet tot het tijdvak der kunst behoort, hetwelk hij aldaar beschrijft. Ook vindt men den naam jooris niet aan het hoofd geplaatst zijner werken, noch in de naamlijst, door den vertaler, ongeoorloofd, in joris veranderd, op grond zijner hierbovengemelde ongegronde meening. - Het schijnt, dat er meer over dit punt gestruikeld hebben, dewijl Nagler, op het artikel josse of justus van gent, aanhaalt, dat Füssli, in zijn Supplement op zijn Künstler-Lexicon, dezen tot een leerling van frans floris gemaakt heeft.

[Gend of Ghendt. (Justus of Josse van)]

GEND of GHENDT. (Justus of Josse van) Immerzeel zegt, dat van dezen Vlaamschen schilder, leerling van hubert van eyck, geene werken aan deze zijde der Alpen bekend zijn. - Ik laat hierop volgen, dat Dr. Waagen ontdekt heeft, dat de beroemde schilderij in de St. Maria-kerk, te Dantzig, het Laatste Oordeel voorstellende, door van gend is vervaardigd, welk stuk altijd op naam stond van jan van eyck, en nog door sommigen daarvoor gehouden wordt. - Het is door de beeldstormerij, dat de meeste zijner werken hier te lande verloren gingen, en, die nog behouden zijn, werden, door de onbekendheid van zijn naam en werken, voor schilderijen van andere meesters gehouden. - Zoo is het ook later uit handschriften, in het bezit van Delbecq, zegt Nagler, gebleken, dat hij, gelijk mede Vasari getuigt, een leerling van hubert van eyck is geweest, en de Onthoofding van Johannes den Dooper, voor de kerk van St. Jan, te Gent, heeft geschilderd, dat, volgens de Vlaamsche benaming, de onbekende parel der oude meesterstukken in de schilderkunst was. - In de St. Jacobs-kerk, te Gent, zag men, aan beide zijden van den ingang van het koor, twee schilderijen van justus van gend, De Kruisiging van den H. Petrus, en den Marteldood van den H. Paulus. - Nog vindt men in de belangrijke kunstverzameling van J. d'Huyvetter te Gent, zoo als Nagler verder berigt, eene kleine schilderij, de Kruisvinding, van dezen meester. - Als eene geschiedkundige bijdrage, laat ik hier nog volgen, wat le Comte de Laborde ons in zijn belangrijk Werk, Les Ducs de Bourgogne, etc. Paris, 1844, in 8o. op bl. XXVIII zijner Inleiding, berigt: In een Rekenboek der Confrérie du Corpo di Christo d'Urbino, staat aangeteekend: ‘1474, Ottobre 25, florini 300. - A altro giuosto da guanto depintore per fiorini 250 d'oro a lui promessi per sua fatica, per depingere la tavola della fraternità. - 1475. Giugno 5..... E piu tela a Mtro giusto, depentore che diceva voler fare un insegna bella per la fraternità.’ - Bij sommige auteurs vindt men jooris van gend - Zie aldaar. - voor één-en-denzelfden persoon, als onzen josse, verkeerdelijk, opgevoerd.

[Gend. (Marten van)]

GEND. (Marten van) Deze naam is van een beroemd Nederlandsch kunstenaar, die in het midden der XV. eeuw bloeide, en geacht wordt, een leerling van de gebroeders van eyck te zijn geweest, doch onder verschillende schrijfwijzen, in de geschiedenis der kunst, is opgevoerd. - Vasari noemt hem op de eene plaats in zijn Werk martin d'ollanda, op eene andere weder martino d'anversa, en zijne Commentators zeggen, in eene Noot daarover, dat Vasari hiermede, zeker, hupsch martin schoengaver, - lees schongauer - zal hebben bedoeld, en

[p. 561]

noemen ook nog een martin schoen, gezegd schoenhaver, doch dit is één-en-dezelfde persoon met den eerstgenoemden martin. - Wat al verwarringen daar, waar men teregtwijzingen behoorde te vinden! - Doch Fiorillo, die dit mede heeft overwogen, zegt, dat onwederspreeklijk deze een martin van gend is geweest, die tot de school der vroegste olieverwschilders behoort, zoodat de werken, welke Vasari aan zijnen martino toekent, waarschijnlijk, aan dezen martin van gend moeten worden toegeschreven.

[Gendt. (Suzanna van)]

GENDT. (Suzanna van) Deze kunstenares staat op het artikel gerard horebout bij Immerzeel vermeld, en ik voeg er bij, wat Sanderus, in zijn Verheerlykt Vlaanderen enz., Leyden, 1735, in fo. I. blz. 5 van haar vermeldt: ‘suzanna van gendt, zuster van lucas horembout, die door Hendrik, koning van Engeland, door kracht van geschenken en beloften, is bewogen, haar vaderland te verlaten, en zich door hare heerlijke kunststukken en schilderijen, tot verwondering van die Natie, niet minder als in Vlaanderen, vermaart gemaakt, en dat Kijk daarmede vercierd heeft.’

[Georg Fiamingo. Zie bij mij op Walther Fiamingo.]

GEORG FIAMINGO. Zie bij mij op WALTHER FIAMINGO.

[Georges. (Eduard François)]

GEORGES. (Eduard François) Deze steeds ijverige beeldhouwer, reeds bij Immerzeel vermeld, heeft daarna nog verscheiden kunstwerken, met roem, volvoerd. - In 1843 heeft hij eene afbeelding gemaakt van Z.M. Koning Willem II., te paard, met een sierlijk, zinnebeeldig voetstuk, hoog ongeveer te zamen ¾ el Ned.; de gelijkenis van gelaat en figuur was uitmuntend en vol effect, hetgeen den Koning dermate voldeed, dat hij dit stuk, tot verdere aanmoediging, gekocht heeft. - Het Rotterdamsche Genootschap Arti sacrum, had, in 1845, een prijs uitgeloofd voor ‘Eene Statuette van Joost van Vondel, als Treurspeldichter enz.’ en den vervaardiger der best gekeurde een gouden medalje toegezegd, welk Eeregoud, door georges behaald, hem, in 1846, plegtig aldaar is uitgereikt geworden. Dit beeldje, met een piedestal, waaraan sierlijke emblemes zijn toegevoegd, die het geheel tot een fraai monument voor dezen grooten Nederlander vormen, is door het aantal afgietsels, daarop gemaakt, genoeg bekend, om er hier verder niet over te moeten uitweiden. - In 1846 heeft hij de tinne van den gevel der nieuwgebouwde R.K. kerk over den Boschkant, te 's Hage, met een Petrus - en Paulus-beeld versierd. - Na den dood van Koning Willem II. - 17 Maart, 1849 - is er eene algemeene inschrijving geopend voor de oprigting van een Standbeeld, en heeft de Hoofdcommissie een prijs uitgeloofd van ƒ250 voor het best-vervaardigd model, als Statuette, aan haar in te leveren. Onzen kunstenaar, doordrongen van ijver voor dat onderwerp, vervaardigde er twee, en zond die elk afzonderlijk in. Het beoordeelend verslag was, dat van al de ingekomen ontwerpen, er twee waren goedgekeurd, die echter gelijk in verdienste stonden, en, mitsdien, werd er eene uitnoodiging gedaan, of de inzenders van de beide stukken genoegen wilde nemen, den uitgeloofden prijs met elkander te deelen. Het antwoord van den Heer georges deed hem als vervaardiger der beide aangewezen Statuetten kennen. - Het gevolg van dezen loop der zaak was, dat de Commissie in onderhandeling is getreden met den Heer georges tot het vervaardigen van het groote Standbeeld, met alle verdere benoodigheden, welk verdrag aan beide zijden tot stand kwam, weshalve hij, door zulke hooge vereering aangevuurd, moedig zijn ontwerp in het groot afwerkte. Een Dagbladberigt dienaangaande, als historisch zijnde, laat ik hier letterlijk volgen. - ‘Utrecht, den 13. November. (1851) Gisteren namiddag, ten ruim 2 ure, is H.M. de Koningin-Moeder alhier aangekomen, om het Standbeeld van hoogstd. doorluchtigen Gemaal, Z.M. wijle Koning Willem II. in het

[p. 562]

atelier van onzen talentvollen stadgenoot, den beeldhouwer georges, te bezigtigen. Diep is de indruk geweest op het teeder gemoed der waardige Vorstin, door het meesterstuk van den kunstenaar teweeggebragt. Anna Pauwlona heeft den held van Waterloo, van Hasselt en Leuven, in den schoonen vorm des beeldhouwers, gehuldigd, en de sprekende traan der koninklijke Weduwe het werk des kunstenaars den schoonsten glans bijgezet. De kieschheid verbiedt ons, méér te zeggen, dan dat de Koningin-weduwe, innig geroerd, den Heer georges hare uiterste tevredenheid over zijnen wèlgeslaagden arbeid heeft uitgedrukt. De volgende week wordt het standbeeld naar de gieterij afgezonden.’ - Het is merkwaardig, dat de plaats, waar dit beeld werd vervaardigd, een ledig locaal was, in de Rietsteeg gelegen, hetgeen, tijdens de Regering van Lodewijk Napoleon, tot Remonstrantsche kerk diende, die aan genoemden Vorst, voor zijne hofkapel, werd afgestaan, en sedert dien tijd tot geene andere diensten heeft verstrekt, dan toen tot het vervaardigen van genoemd standbeeld. In 1857 is dit locaal bij de Academische Bibliotheek getrokken. - Het beeld en de zinspelende hoekbeelden zijn in de Gieterij van den Heer Simonet, te Parijs, in brons gegoten, en in October, 1853, met de stoomboot Cykloop, te Rotterdam aangekomen, en verder naar de plaats hunner bestemming, op het Buitenhof, te 's Gravenhage, vervoerd, om daar op het voetstuk geplaatst en den 23. Maart, 1854, plegtstatig onthuld en feestlijk ingewijd te worden. In het voetstuk is eene kist gezet, inhoudende verscheiden gedenkstukken, die tot de geschiedenis van 's Konings Regering en dit Monument betrekking hebben, alsmede een Parkement, met het opschrift. ‘Dit is het Standbeeld van Z.M. Koning Willem II, geboren te s' Gravenhage, den 6. December, 1792. - Overleden te Tilburg, den 17. Maart, 1849. - Het was de wensch der Natie, den geliefden Vorst een Gedenkteeken als dit te stichten. Daartoe bragt zij vrijwillig hare bijdragen aan. De uitvoering van dit Monument droeg zij op aan eene Commissie, die het Beeld, in November, 1853, plegtig onthullen deed, en bestond uit de Heeren: E.W. van Dam van Isselt, Voorzitter. - Mr. J. op den Hooff, Onder-voorzitter. - H.W. Baron van Aylva van Pallandt. - Jhr. B.A. Klerck. - C. Kruseman. - S.J. van den Bergh. - J.E.J. van den Bergh. - W.C. de Leth. - Mr. M. van Sonsbeeck.- Mr. A. de Pinto. - J.B. Weenink. - Jhr. Mr. J.C. de Jonge. (overleden) - Jhr. Mr. L. de Witte van Citters. - J.M. van Renesse, Penningmeester. - H. Hardenberg, Secretaris. - Het Beeld is vervaardigd door den Heer e.f. georges.’ - Een afdruk daarvan werd aan de genoemde mannen uitgereikt, en door den laatst-gemelde aan mij vereerd. - Ter herinnering dezer plegtigheid, heeft de Heer johannes philippus menger, Stempelgraveur aan 's Rijks-Munt, eene fraaije Medalje van de eerste grootte vervaardigd, waarop het Gedenkteeken-zelf is voorgesteld, met het omschrift: optimus. princeps. fortissimus. belli. dux (de beste der Vorsten, de dapperste der helden); en aan de keerzijde het volgende opschrift, in een krans van lauwer- en eikenbladen: Guilielmo Secundo Neerlandiae. Regi. gratus. populus. hoc. Monumentum. P.I, dat is: Het dankbaar volk heeft dit Gedenkteeken doen oprigten voor Willem II., Koning der Nederlanden. - Het Fransche Journal universel:l'Illustration’ van den 21. Januarij, 1854, heeft, voor het buitenland, zoo van het Monument, als van het Hekwerk en van de Medalje, eene naauwkeurige afbeelding geleverd, naar de teekening van den Heer anton van groeneveldt, te Utrecht. - Zie verder de Astrea van Dr. Wap, 1854, bl. 29; Europa, 1854, Nr. 4, blz. 70, met afbeelding, en Konst- en Letterbode, Nr. 12 en 22, 1854. - Uit de rekening en verantwoording der Hoofdcommissie, in December, 1854, in het openbaar medegedeeld, blijkt, dat aan den vervaardiger van het Monument, het gieten der beelden daaronder begrepen, is

[p. 563]

betaald ƒ32,084,46½ en aan den vervaardiger van den stoep rond het Monument ƒ774,18½. Deze som, met andere benoodigde en onvermijdelijke uitgaven, zamen ten bedrage van ƒ37,168,88, was sluitend met die der algemeene bijdragen, bij inschrijving daartoe geschonken. - Den 3. April, 1854, is hem als een aandenken voor het vervaardigen van het Standbeeld door Hare Majesteit de Koningin-Weduwe van den geliefden Vorst een sierlijke zilveren beker met deksel vereerd, terwijl hij in Mei daaropvolgende door Z.M. Koning Willem III. tot Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw benoemd werd. - Hij is tevens Lid der Kon. Academie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam. - Den 2. Mei, 1853, heeft de heer georges tijdelijk Utrecht verlaten, bij de oprigting van het Atelier voor gewijde beeldhouwkunst, in 1852, te Roermond, onder bescherming van zijne doorluchtige Hoogwaardigheid Monsr. Paredis gesticht. - In October, 1854, keerde hij vandaar weder naar zijne vorige woonplaats terug, steeds onvermoeid zijn kunstvak uitoefenende door het vervaardigen van beelden ter versiering van R.K. kerken enz., en heeft hij ook nog een Sarcophaag met twee beelden in marmer voor den Heer Coblyn gebeiteld, welk Monument op het graf van diens echtgenoot, op het kerkhof te Passeroeang, in O. Indiën, geplaatst werd. - Thans is hij in zijne werkplaats bezig aan de herstelling der zoo vreeslijk geschonden vier levensgroote, Escausijnsche beelden, die, te zamen op één sarcophaag gelegen, ten praalgraf strekten der Heeren van IJsselstein, dat door de betimmering niet zigtbaar was, maar nu weldra, voor het algemeen, de kerk van IJsselstein op nieuw zal versieren, zijnde: Gijsbert van Amstel († 1344) en zijne vrouw, Bertha van Heukelom, (dochter van Otto van Arkel, Heer van Heukelom); en Arnoud van Amstel (oudste zoon van genoemden Gijsbert) en zijne vrouw, Maria van Henegouwen, (basterd-dochter van Guy van Henegouwen, Bisschop van Utrecht.) - De Heer georges is den 9. Februarij, 1843, in den echt getreden met Mejufvrouw Barbara Elisabeth Reitz, bij wie hij verwekt heeft zijne, nog in leven zijnde, drie zonen en vier dochters.

[Geraards of Geraerds. (Antonie)]

GERAARDS of GERAERDS. (Antonie) Zijne geboorteplaats en sterftijd zijn niet bekend. - Hij was een leerling van zijn vader, en heeft in diens manier ook verscheiden fraaije gezelschapjes geschilderd. - Hij was lid der Confrerie-kamer Pictura, te 's Hage, zooals Pieter Terwesten, Ms. vermeldt,, en waarin zijn bloeitijd op den jare 1686 gesteld wordt.

[Geraers. Zie bij Immerzeel en bij mij op Zyll. (Geraers Pietersz. van)]

GERAERS. Zie bij Immerzeel en bij mij op ZYLL. (Geraers Pietersz. van)

[Gerards. Zie op Geerarts.]

GERARDS. Zie op GEERARTS.

[Gerbier, (Balthazar)]

GERBIER, (Balthazar) Ridder. Deze fortuinlijke kunstenaar is reeds vermeld bij Immerzeel, die zijn artikel sluit met: ‘van dyck heeft zijn portret geteekend.’ Ongetwijfeld heeft van dyck veel aan gerbier, als land- en stadgenoot, te Londen, te danken gehad, en vriendschap met hem gehouden, hetgeen het genoemde portret alleen niet zou kunnen bevestigen, maar wel het volgende, dat mij voorgekomen, en, zoo ik meen, niet algemeen bekend is, namelijk: onder de kunstnalatenschap van Barchman Wuytiers, te Utrecht, in 1792, verkocht, vind ik in den Catalogus der Teekeningen, blz. 84: ‘Een familie-stuk, voorstellende balth. gerbier, met zyne vrouw en negen kinderen, in een prachtig gebouw; allenbevallig van houding, vast en meesterlyk met potlood geteekend; h. 13⅛ br. 19¼ dm. door de heur, naar de schilderij van a. van dyck.’ - Dit veelomvattend stuk, hoewel gerbier toen wel bij kas was, zal echter door den vorstlijken schilder van dyck wel uit genegenheid en verpligting, en misschien als proef- en toonwerk bij zijne komst te Londen, zijn vervaardigd. Later zag ik, dat deze teekening, inderdaad, naar de schilderij van van dyck vervaardigd werd, on dat er ook eene gravure

[p. 564]

door den Engelschen w. walker, bij John Boydell, van is verschenen, die in zijn Catalogue raisonné d'un Recueil d'Estampes etc., Londen, 1789, in 4o., blz. 11, aangaande deze schilderij het volgende verhaal uit Walpole meêdeelt: ‘Aan den overleden Prins van Wallis werd medegedeeld, dat er, in Holland, eene originele familieschilderij was, door a. van dyck vervaardigd, waaraan onderscheiden namen van Engelsche familiën gegeven werden, als die van den Ridder Balthazar of Melchior Arundel, en Balthazar Buckingham of Scheffield; men dacht zeker van den laatste, door de overeenkomst der wapenschilden. De Prins deed de schilderij voor zich aankoopen. Men ontwaarde op het eerste gezigt, dat een vermaard stuk, waarvoor de graaf van Burlington, op den inventaris van Milord Radnor, 500 pd. st. geboden, en hetwelk M. Scawen veel duurder betaald had, op weinig na dezelfde schilderij was, maar niet zoo groot, of met zooveel figuren. Men geloofde van het laatste stuk, dat het de maitresse en kinderen van den hertog van Buckingham voorstelde. Maar Vertue vond op het eerstgenoemde stuk van den Prins een bijna uitgewischt opschrift, dat van de eigen hand van van dyck was, en waarvan alleen de volgende woorden waren overgebleven: La famille de Balthazar.... Chevalier. Het wapen op de vazen schijnt hetzelfde te zijn, als dat, aan gerbier toegekend, en op twee prenten gevonden, en dat op zijn naam zinspeelt: het is, namelijk, een chevron, tusschen drie korenschoven. Op de regterzijde van de schilderij is een groep kinderen, die, in kunstwaarde veel minder zijn, dan het overige van dit stuk en, zeker, niet door van dyck werden geschilderd.’ - In 1789 was dit stuk der familie balthazar gerbier in het bezit van de Prinses-weduwe van Wallis. - Fiorillo, die veelal, wat de Engelsche kunstgeschiedenis betreft, Walpole heeft gevolgd, noemt hem over deze school sprekende, balthazar gerbier d'ouvilly, waarschijnlijk, naar een heerlijk goed van dien naam; welligt is dit hetzelfde, dat in den volgenden brief, uit het Ms. van Harleian, staat aangehaald, en waaruit men kan afleiden, op welk een grooten voet hij leefde. In dien brief van 1628 komt, namelijk, het volgende voor: ‘de koning en koningin zijn op een avondmaal (supper) onthaald, op gerbier's hertoglijk schilderhuis, hetgeen hem, op zijn minst gerekend, duizend pond zal gekost hebben.’ - In hetzelfde Ms. komt nog een bewijs voor, dat hij den hertog van Buckingham, in ambassade, naar Spanje, vergezelde, blijkens een schrijven der hertogin aan haren gemaal: ‘Ik verzoek u, dat gij er een weinig tijd afneemt, om voor gerbier te zitten voor uwe schilderij, opdat ik het spoedig bekome.’ - Een zijner schoonste werken wordt bij den hertog van Northumberland bewaard, zijnde een groot miniatuur, in ovaal, voorstellende den hertog van Buckingham te paard. Het hoofd is fraai geschilderd, het kostuum in scharlaken en goud, en het vorstlijk geheel met groote vlijt en zorg bewerkt. De kop van het paard is vol karakter. Boven het hoofd van den hertog staat zijne spreuk Fidei coticula crux; en op den voorgrond het onderschrift b. gerbier, 1618. - Bij den val van Karel I., heeft hij Engeland verlaten, en vele landen bezocht, gedurende de heerschappij van Cromwell, zooals bij Immerzeel is vermeld, doch niet dat hij met Karel II. van Holland weder naar Engeland is overgestoken, bij de herstelling van de kroon der Stuarts, hetgeen, naar mijne meening, zeker, heeft plaats gehad, dewijl hij, zoowel als de edelen, aan den ongelukkigen vorst verknocht, wel gezorgd zal hebben, ter plaatse te zijn, om zijne hulde den koninklijken opvolger toe te brengen; want, zegt Fiorillo, hij heeft bij de huldiging van dezen vorst, te Londen, de triomfpoorten vervaardigd. - Hij is aldaar overleden, in 1667. - In het belang der geschiedenis wil ik hier nog eene latere mededeeling, betreklijk dezen merkwaardigen man, laten volgen, alhoewel in de hoofdzaken overeen-

[p. 565]

komende met wat door mij reeds hierboven is vermeld, doch zooals men daarvan een kort uittreksel vind medegedeeld in ‘De Eendragt, Veertiendaegsch Tijdschrift voor letteren, kunsten en wetenschappen, te Gend; 16 Maart, 1856: In de voorlaetste zitting der Academie van België, heeft de heer Fetis eene levensbeschrijving gelezen van balthazar gerbier, schilder, bouwmeester, diplomaet, letterkundige, enz. - b. gerbier werd, in 1592, te Antwerpen, (moet zijn Middelburg, zie daarover lager) geboren. In 1613 begaf hij zich naar Engeland, en trad in dienst van den hertog van Buckingham, die hem eerst gebruikte als schilder, en daarna als Agent van zijne kuiperijen. Hij vergezelde den gunsteling van Jacob I. naar Spanje. Later trad hij in dienst van Karel I. Deze vorst zond hem naar den Haeg, om het verdrag te sluiten, 'twelk Engeland in nauwere toenadering met Spanje moest brengen. Zonderlinge zaak! Het was met rubens (?), dat gerbier ging onderhandelen. Twee Vlaamsche schilders, twee Antwerpenaren, gingen zich ontmoeten, om de grondslagen te leggen van een staatkundige akte, welke den grootsten invloed op de zaken van Europa uitoefenen kon. - De samenkomst had plaats te Delft (?) en rubens, die de doortraptheid op het diplomatisch terrein van gerbier niet had, werd door dezen uit het veld geslagen (?). In vergelding voor zijnen ijver en beleid, ontving gerbier, bij zijne wederkomst te Londen, brieven van adeldom, en werd hij tot grootmeester der ceremoniën benoemd. - Wij slaan vele bijzonderheden der levensbeschrijving over, om enkel stil te houden bij de voornaamste feiten. - balthasar gerbier was in Engeland wedergekeerd, na zijne ambassade te Brussel. Hier verdwijnt eensklaps de personaadjen: van 1641 tot 1642, boort men niet meer spreken van gerbier, wanneer men hem terugvind te Parijs. - Hier moet men de sferen der kunst en staatkunde verlaten; want wij zien gerbier aan Lodewijk XIV. de vergunning vragen en ze verkrijgen, om berghuizen in Frankrijk op te rigten. Ofschoon deze vergunning bekomen hebbende, gelukte hij er niet in, zijne gestichten te openen. Hij hernam den weg naar Engeland. De revolutie was uitgebarsten; maar het nieuwe gouvernement konde zijne talenten niet gebruiken. Daar opende hij eene Academie, waarin hij onderrigt gaf in bijna alle takken der kunst. De toehoorders ontbraken hem echter. Hij schreef schimpschriften, maar vertrok eensklaps, op 65jarigen leeftijd, naar Holland, met eene vrouw en acht kinderen, een groot ontwerp van plantatie in het hoofd hebbende. Naauwelijks echter was hij gevestigd te Suriname, of het bestuur dier volkplanting deed hem aanhouden door eene gewapende bende, die eene zijner dochteren vond, en hem inscheepte op een vaartuig, 'twelk zeilveerdig lag naar Amsterdam. gerbier beklaagt zich bitter aan de Hollandsche Staten over de barbaarsche handeling, waarvan hij het voorwerp was. Op het oogenblik, dat zijne zaken er het wanhopigste uitzagen, ontving hij de tijding, dat Karel II. terug op den troon was geroepen. Aanstonds vertrok hij naar Engeland, en kwam juist nog in tijds aan, om de plannen te vervaardigen van de Triomfbogen, welke moesten dienen bij de inhaling des konings. Van dit oogenblik trad hij in de baan der kunsten, om ze niet meer te verlaten. Het was aan de bouwkunde, dat hij zijne laatste jaren wijdde. Hij schreef verscheidene Werkjes over deze kunst en overleed in 1667.’ - Wrijving geeft de vonk, zoo als mij ook hier later is gebleken, namelijk: de Konst - en Letterbode, Nr. 10, 1856, had de hoofdzaak van gemeld levensberigt overgenomen, en dadelijk daarop, in Nr. 12, gaf Prof. Lauts zijne bedenkingen te kennen over het onjuiste berigt aangaande gerbier's vertrek naar de kolonie Suriname, op een leeftijd van 65 jaren, dus in 1657, en dat hij, bij zijne terugkomst in Holland, zich bij de Staten beklaagd zou hebben over de mishandeling, hem aldaar aangedaan. Hoe

[p. 566]

toch kon men destijds de autoriteiten dier kolonie zoo iets ten laste leggen, daar zij, door Abraham Krynsen, eerst in 1667, voor de provincie Zeeland veroverd is? vraagt Lauts; doch, zegt hij: van elders blijkt, dat gerbier, denklijk met toestemming van de Westindische Maatschappij, of van de Staten van Zeeland, in 1659, misschien reeds in 1658, naar Amerika is vertrokken, om op het eiland Cayenne, of in de nabijheid, eene volkplanting te stichten, verzeld van een aantal landverhuizers, waaronder een bij hem bekenden Otto Keye, als bevelhebber, onder zich. Dit raakte geheel in de war en liep zoo hoog dat Keye, door eenige anderen geholpen, eene zamenzwering tegen gerbier smeedde, en hem met zijne dochters trachtte te vermoorden. Op den 7. van Bloeimaand, 1660, werd die aanslag verijdeld, vermoedelijk door de waakzaamheid van den bevelhebber Jan Klaasz. enz., en dientengevolge liep deze kolonie te niet, en gerbier kwam met de zijnen naar Nederland terug. Slechts van hem en zijne dochters wordt melding gemaakt, weshalve het Lauts onwaarschijnlijk voorkomt, dat hij ‘vrouw en acht kinderen’ bij zich had. Denklijk is over die reis meer te vinden in het Sommier verhael van sekere Amerikaensche voyage, gedaen door balthazar gerbier, baron Douvely of Douilly, mij slechts bij name bekend. - De Heer Schinkel, te 's Gravenhage, moet in het bezit wezen van den ‘Miroir de la vertu et quelques secrets utiles aux princes et aux peuples, par le chevalier balthazar gerbier, Baron Douilly; l'An du Seigneur 1654, à Middelbourg en Zélande,’ versierd met keurige potlood-teekeningen. - Weder kort daarop vond ik een authentiek bewijs aangaande zijne ware geboorteplaats, Middelburg, en niet Antwerpen, in Nr. 42 van den K. en Letterb., mêegedeeld, namelijk, een eigenhandig Ms. van gerbier, hetgeen tot opschrift voert: ‘Les dernières admonitions de Messire balthazar gerbier, Chevalier, à ses filles Elisabeth, et Susanne, retirées dans un monastère de Religieuses Angloises à Paris.’ Het geheel van dit verhaal heeft veel overeenkomst met de zooveel gerucht gemaakt hebbende wegvoering van twee dochters van den Engelschman Douglas Loveday, onder de regering van koning Karel X. van Frankrijk. - gerbier zegt dan in zijne Opdragt aan den heer van Lier, heer van Oosterwijk, Ambassadeur van den Staat in Frankrijk, te Middelburg, in Zeeland, geboren te zijn, doch die stad reeds met zijn zesde jaar te hebben verlaten, en voegt er bij: ‘Les ressentimens deus à la chère patrie n'ont pas esté effacés de mon souvenir, non plus que le nom de mes ajeulx du marbre qui les couvre en l'église française dans la dite ville.’ Aan de waarheid dezer opgave valt dus niet te twijfelen. Het handschrift-zelf berust als nog, zoo men vertrouwt, in de rijke verzameling van den Weleerwaarden heer Van Voorst te Amsterdam. - Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen, dat ik het jaar 1613, hetgeen voor zijne komst in Engeland wordt opgegeven, zeer betwijfel, en dat deze in of na 1615 eerst kan hebben plaats gehad, op grond van het hierna volgend authentiek bewijs, waaruit, mijns inziens, blijkt, dat hij toen hier te lande werkzaam was: ‘Is balthasar gerbier, die met ter pennen syn Excellentie seer pertinentelyck heeft afgetrokken, ende hare Ho. Mo. daermede vereert, toegeleet, voor een vereeringe, hondert guldens eens. Resolutie der Staten-Generaal, 21 February, 1615, bij Dodt, Archief, VI. deel. - Zijne afbeelding, door a. van dyck geschilderd, en zeer fraai gegraveerd, komt voor in De Bie; daaronder staat: geboren te Antwerpen, in 1592.

[Gerco (B.)]

GERCO (B.) vind ik bij Bryan, als een Nederlandsch graveur vermeld, die eenige prenten heeft vervaardigd, in de manier der uitmuntende werken van waterloo. Bryan zegt, dat de kunstenaar, nadat de platen waren afgeëtst, ze met de drooge naald verder opwerkte, doch daarna niet genoeg van de braam zuiverde, waardoor in de afdrukken een onaangenaam effect ontstaan is.

[p. 567]

[Gerhard, (Hubert)]

GERHARD, (Hubert) een beroemd Nederlandsch beeldhouwer, was, van den jare 1586 tot 1595, in dienst van Hertog Wilhelm V. van Beijeren. Hij vormde, met pallage, de kolossale Groep van Jupiter, Juno en Ganymedes, die, sedert 1590, het slot van Kirchheim, bij Mindelheim, versierde, en, in 1585, door den Italiaanschen kunstgieter Pietro de Neve, en den vlijtigen Nederlander Cornel Anton Mann, in brons gegoten werd. - Dit beeldwerk, dat tot den voortreflijksten kunstarbeid der XVI. eeuw behoort, was in 1823 in bezit van den Vrijheer Von Schätzler, te Augsburg. - gerhard vormde ook te Munchen het heerlijke Standbeeld van St. Michiel, aan de kerk van dien naam, naar de teekening van peter candido (de witte, van Brugge); en te Augsburg zijn de metalen beelden aan de Augustus-bron, die keizer Augustus en verscheiden nymphen en kinderen voorstellen, van zijne hand. - Intusschen vervaardigde hij meer andere beelden gipswerken. - j. sadeler graveerde naar eene door hem in hout gebeitelde Pietà (Maria, met het ligchaam van haren zoon in den schoot). Deze prent heeft dit onderschrift: Hanc imaginem ser. Bav. statuarius hubertus gerardus sculptam etc. joan sadeler sculp. exc. Monachii. - De Aartsengel, als ook de schoone Bron, te Augsburg, is, in 1598, door lucas kilian gegraveerd. - Er is nog eene andere, grootere gravure, met dezelfde beelden, zonder naam van graveur. Zie Nagler.

[Gericke (Samuel Theodor)]

GERICKE (Samuel Theodor) wordt door Fiorillo onder de Duitsche en Nederlandsche kunstenaars geboekt, te Rome, in de school van maratti gevormd, en die zich niet alleen als een goed kunstenaar en Directeur der Academie van Berlijn heeft doen kennen, maar ook door het in de Hoogduitsche taal overbrengen van het Werk van Du Fresnoy, de arte grafica, alsmede van Gerard de Laresse's bekend Schilderboek. - Het is mij niet duidelijk gebleken, of hij hem stellig voor een Nederlander heeft gehouden.

[Germes (Jacques de)]

GERMES (Jacques de) vind ik vermeld, in den jare 1405, als beeldhouwer voor de versieringen van het stadhuis te Brussel, en die destijds aldaar in de Rollebeeck-straat woonde. - Hij had den bijnaam van De Coperslaeger. Zie Le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc. Sec. partie. Paris, 1851, in 8o.; tom II., Introduction XLIII.

[Germyn, (Simon)]

GERMYN, (Simon) en niet simons, zoo als Immerzeel meldt, en die tevens eene ongeoorloofde fout heeft begaan, door zijn geboortejaar op 1656 te stellen, dewijl Houbraken en Weyerman bepaald als eene bijzonderheid melden, dat hij op denzelfden dag als Prins Willem III., zijnde de 14. November, 1650, is geboren. - Nagler zegt, dat, zoo als Weyerman verzekert, hij in 1719, oud 69 jaren, is overleden, en dit jaar heeft Bryan-Stanley nageschreven. - Aangezien nu Weyerman daar geen woord van rept, en Houbraken, bij de uitgave van zijn Werk, 1. druk van 1721, zegt: ‘Thans heeft hy 't penseel verlaten, en houd zich geheel bij den kunsthandel,’ zoo mag ik vragen, hoe men dan aan dat gemelde sterfjaar is gekomen? Ik moet dus aannemen, dat hij in 1721 nog leefde, ten minste tot dat betere bewijzen zullen aantoonen, dat Houbraken zich vergist heeft. - In den gemelden druk van zijn Werk staat wel 1656, doch die drukfout is in den 2. uitgave van 1753 hersteld. - Zijn hoofdvak was Bloem- en Fruitschilderen, stukken die nòg gewild zijn; ook heeft hij landschappen vervaardigd.

[Gerretzen (Willem)]

GERRETZEN (Willem) was een bekwaam kunstenaar, te Hoorn, in Noordholland, aangezien ik vermeld vind, dat jan josephszoon van gooyen, bij hem, aldaar, werd besteld, nadat hij reeds vier meesters voor zijne studie gehad had. Zijn bloeitijd ligt alzoo in het begin der XVII. eeuw.

[Gerrez. (Hendrik) Zie bij mij het slot van Gerritsz. (Hessel.)]

GERREZ. (Hendrik) Zie bij mij het slot van GERRITSZ. (Hessel.)

[p. 568]

[Gerritsz (Coenraet)]

GERRITSZ (Coenraet) was een Overrijsselsche glasschilder, die zich, in het begin der XVII. eeuw, in 't Sticht heeft gevestigd, volgens eene aanteekening uit de Kameraarsrekening dier stad: 1604-1605. ‘Nyeborghers te Utrecht: coenraet gerritsz van Deventer, glasschryver.’ Dodt Archief, IV. deel.

[Gerritsz (Frederik)]

GERRITSZ (Frederik) is mij in de geschiedenis der stad Hoorn voorgekomen, als een kunstschilder, die tot den gegoeden en aanzienlijken stand aldaar behoorde, en in den jare 1586 als Weertmeester staat geboekt. In 1602, bij het oprigten van de O.I. Compagnie, verkreeg ook Hoorn haar aandeel daarin, zoodat uit haar midden zeven bewindhebbers werden benoemd, waarbij onze frederik gerritsz, schilder, de derde persoon is, die op die lijst voorkomt. - Van zijne werken vind ik niets vermeld. - Zie Kronyk van Hoorn enz., ibid. 1706, in kl. 8o., bl. 121.

[Gerritsz. (Hessel)]

GERRITSZ. (Hessel) De volgende authentieke stukken maken ons met een kunstenaar bekend, wiens werken zóó nuttig werden geacht, dat de Staten-Generaal die in hunne bescherming hebben genomen. - ‘Ontfangen ende gelesen eenen brief van het collegie ter admiraliteyt binnen Amsterdam, gedateert den 10 deses, daermede sy oversenden de requeste aen haer gepresenteert by hessel gerritsz, inwonende borger ende Caertmaker tot Amstelredam, recommanderende dat hare Ho. Mo. gelieven tselve soo favorabelyck aen te nemen, als d' importantie van sulck nut en industrieux werk, dat hy maeckt, dienende tot illustratie, nut, ende prouffyt van de Seevaert, meriteert, daertoe die Suppl. geen costen en spaert; hierop gedelibereert synde, is verstaen, dat de Suppl. syn begonnen werck sal voortsetten, ende tselve gedaen ende voleyndicht wesende, sullen hare Ho. Mo. denselven daervoor recognosceren, na dat bevonden sal worden tselve te meriteren.’ Resolutie der Staten-Generaal, 14 Maert, 1615. - ‘Is hessel gerritsz, Caertmaker tot Amstelredam, geaccordeert een open brief van Octroy, daerby verboden wert des suppliants caerten, beschryvingen van landen, ende modellen van caerten, soo geschreven als gedruct, op eenigerley wyse na te maken, tot copieren ofte devulgeren, by verbeurte van de pene van 300 carolus gulden tot behoeff gelyck dat gebruyckelyck is.’ Resolutie 27 Januarij, 1618, by Dodt, Archief, VI. en VII. deel. - Graveerwerken, met de letter h.g., of h.g. fec. et exc. beteekend, zooals de Vier Jaargetijden, naar david vinckeboons in 4o. oblong - zijnde bekende kasteelen aan de rivier de Vecht, die bijzonder fraai en in mijn bezit zijn - worden aan hem toegeschreven. - Zie Nagler, die tevens aanvoert, dat hendrik gerrez (Gerritszen) uit Oost-Indië, en een der voorname leerlingen van c. van mander, wel de gemelde en zelfde persoon kan zijn. Doch deze laatste meening vervalt, door mijn aangegeven authentiek bewijs, zijnde dit het eerste berigt, dat van onzen hessel werd geleverd.

[Gerritsz (Reyer)]

GERRITSZ (Reyer) was een bekwaam kunstschilder, geboortig van Amsterdam, die, in het midden der XVI. eeuw, te Leeuwarden, bloeide, zoo als Van Mander ons berigt, dat de bekende hans de vries, aldaar, bij hem ter kunst werd besteld; en, dewijl hij zegt, dat deze glasschilder dacht te worden, zoo mag ik daaruit afleiden, dat onze gerritsz óók dat vak beoefend heeft.

[Gerritszen (Hendrik)]

GERRITSZEN (Hendrik) was een leerling van van mander, en - zonderling voor dien tijd - uit Oost-Indiën afkomstig.

[Gerritz, (Gerrit)]

GERRITZ, (Gerrit) een glasschilder, over wien men in de Tresoriers-Rekeningen der stad Dordrecht vindt aangeteekend: ‘Anno 1605, aan gerrit gerritz een glas, beschilderd voor de kerk van Woudrichem, 180 pd.’

[Geyn. (De) Zie op Gheyn. (De)]

GEYN. (De) Zie op GHEYN. (De)

[Geyn (G.D.)]

GEYN (G.D.) wordt door Bryan opgevoerd, als een weinig bekend Vlaamsch graveur, die van 1640 tot 1650 bloeide. Hij werkte, zegt deze, hoofd-

[p. 569]

zakelijk voor den boekhandel, en zijne graveerwijze is eene bevallige navolging van die van paul pontius. - Onder andere prenten, meldt hij verder, hebben wij het portret van Carolus Aleaspineus. - Ik geloof, dat Bryan hierin dwaalt, en deze g(uillaume) d(e) geyn, één-en-dezelfde persoon is met willem de gheyn, dien hij tevens opvoert, en dat het genoemde portret, waarschijnlijk, dat is van Carolus Clusius, den beroemden Botanicus, aan de Academie te Leyden, overleden 1609, door jacob de gheyn gesneden, en welligt door willem nogmaals gekopieërd. Voorts is het duidelijk, dat de naam, op het portret vermeld, aldus moet worden gelezen Carolus, alias Pineus, welken bijnaam Clusius wel kan hebben gehad.

[Gheerys, (Herman)]

GHEERYS, (Herman) een voornaam bouwmeester der stad Brussel, in 1480, naar wien de noodige nasporingen worden gedaan, om van zijne werken eenige kondschap te verkrijgen. - Zie Le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne, etc. Paris, 1849, in 8o. Introduction, pag. LXXXI.

[Gheringh (Jan)]

GHERINGH (Jan) is met slechts een paar regelen bij Immerzeel vermeld. Mijn hoofddoel is, zooveel mogelijk, de werken der meesters aan te wijzen, die tevens veelal bijdragen voor de kunstgeschiedenis zijn. - Ik wil hier eenige der zijnen vermelden, die, uiterst zeldzaam, slechts in twee mij bekende Galerijen voorkomen, als in die te Weenen, waar ik in den Catalogus vermeld vind: L'intérieur de la belle Eglise des ci-devant Jésuites d'Anvers, ornée de diverses figures. L'artiste a représenté en petit, sur le Maître-Autel, le fameux tableau de rubens (St. Ignace exorcisant) qui decorait alors cette Eglise, et qui se trouve actuellement dans cette Galerie à la salle de rubens. h. 3 vt. 6 dm., br. 4 vt. 5 dm. - Voorst in die te Dresden: Het inwendige van eene kerk, alwaar men, als hoofdzaak, een orgel en een monument van een bisschop ziet. Ik heb dit stuk aldaar, als in dat kunstvak voortreflijk, bewonderd.

[Gheroffle. (Adrian)]

GHEROFFLE. (Adrian) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven te Rijssel worden bewaard, vindt men op den 16. April, 1467, aangeteekend: ‘ A adrian gheroffle paié pour X jours à XJ S. CX S.’ Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als schilder verrigt, voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op DARET. (Jaques)

[Gheyn, (Jacob de)]

GHEYN, (Jacob de) de Oude, en niet de Jonge. - Zie GHEYN (Jacob Jansz. de of van de) - Vele zaken, betreffende dezen voor zijn tijd merkwaardigen kunstenaar, zijn bij Immerzeel vermeld, die hem echter verkeerdelijk den Jonge noemt. - Ik moet hier nog bijvoegen, dat hij voor de geschiedenis der wetenschappen een Werk vervaardigde, dat eene Europesche vermaardheid heeft verkregen, daar het de vrucht der krijgskunde van den in dat vak toenmaals op het hoogste standpunt erkenden Prins Maurits van Nassau bevat, namelijk: Waffenhandlung von den Rören, Musquetten und Spiessen. Bestalt nach der Ordnung des Hochgebornen Fürsten und Herrn, Herrn Moritzen, Printzen zu Oranien, u.s.w. Figurlichen abgebildet durch jacob de geyn. Mitt beygefügten schrifftlichen Undterrichtungen u.s.w. Gedruckt in 's Grauen-hagen in Hollandt, met privileg. der Kay. Mayt. des Könings in Franckreich, und der Ed. M. Herrn Staten general der vereinigten Niederlanden. Amsterdam. Bey Johan Jansson; Anno 1640. Dit exemplaar is in mijn bezit, en behoort thans tot de zeldzaamheden. - Zie verder over dat Werk eene belangrijke geschiedkundige mededeeling door J.J. Dodt van Fl., geplaatst in het Tijdschrift voor Geschiedenis enz. van Utrecht. Ibid. Van der Monde, 1844, blz. 58, te weten dat hem door de Staten octrooi werd verleend den 29. Mei, 1606, en den 24. December, 1607, ‘is jacob de gheyn toegelegt, voor dat hy de Heeren Staten gedediceert ende gepresenteert heeft seker boeck, geintituleert

[p. 570]

Wapenhandelingen van roers, musketten ende spiesen, achtervolgende van syn Excellentie Maurits, Prince van Orange, enz. figuerlyck bij den voorsz. van gheyn uitgebeelt, de som van 200 gl. enzv.’ - Zie over een gelijksoortig Werk en belooning op BREEN. (Adam van) - Als men daarbij terugdenkt aan de geld-waarde van dien tijd, zoo behoort deze tot de rijkste belooningen, en wel ter aanmoediging en kweeking van talenten, welke wij reeds vroeger herhaald vinden bij Resolutie van gemelde Generale Staten van 9 Mei, 1603: ‘is jacques van gheyn, de heeren Staten gepresenteert hebbende den Zeylwagen van Zijn Exellentie, bij hem gesneden en afgesedt - gekleurd, - geinventeert wesende by Sijm. Stevin, toegeleyt tot eene vereeringe de som van 72 fl.’ - Zie betreklijk een gelijk octrooi over dezelfde voorstelling op SICHEM. (Christoffel van) - Nog vindt men in gemelde resolutiën aangeteekend op 25. April, 1597: ‘is jacques de gheyn toegelegt de somme van 120 gl. voor de dedicatie enz. van den Slach tot Turnhout geschiedt, by hem int coper gesneden, ende doen drucken enz.’, en eene idem bij de Staten van Holland genomen, 25 April, 1597: ‘is geordonneert jacques 't gheyn de somme van 10 pd. van 40 gr. 't pont, tot een vereeringe van syn arbeit ende kunst in 't snyden van de kaert van de victorie deser landen voor Turnhout, den drucker daeraf gepresen.’ - dus nogmaals beloond voor de goede uitvoering. - In 1593, den 29. Oct. bij Generaliteits-resolutie, ‘is jacques de gheyn, gesneden ende gedrukt hebbende de belegeringe der stadt Geertrudenberch, tot eene vereeringe toegeleyt voor synen arbeyt, ende dat hy syn werck den Heere Staten gedediceert heeft, 120 gl., te betalen by den ontfanger-generael, wt de penninghen van synen ontfanck, daeruyt hy betaelt heeft etc. 80 gl., die de Raet van State den voorsz. de gheyn toeghelegt heeft.’ - Ook heeft hij eenige exemplaren van deze kaart aan de Magistraten van Utrecht aangeboden, die hem voor deze oplettendheid 12 pd. toelegden, zoo als zulks in de Kameraars-rekening van dat jaar voorkomt. - Nog bestaat er van hem: Maniement d'armes, d'arquebuses, mousquets et piques, representé par figures de jac. de geyn (in Fransch, Vlaamsch, Engelsch en Duitsch.) Zutphen, chez André Jansen d'Aelst (1691), in 4o. Zie Bibliotheca Hulthemiana, Nr. 9916. - en jac. de gheyn Arataea s. signa caelestia, in quibus astronomicae speculationes veterum ad archetypa vetustissima Arataeorum codicis XLIV aeneis formis expressae ob oculos ponuntur. Amst. 1621 fo. - Ook in het Fransch: Les Planètes et Figures du Zodiaque, gravéz en 44 planches s. l. 4o., beiden zeer zeldzaam. - Ik bezit van hem eene groote teekening, uitvoerig met rood krijt bewerkt, voorstellende de Vlugt in Egypte, alwaar een schaar van Engelen het Halleluja zingt, en eenige, even als St. Joseph, in aanbidding zijn opgetogen. - Het bekende Portret van Philips van Marnix van St. Aldegonde, door houbraken gegraveerd, voorkomende in Wagenaar's Nederl. Historie, is, volgens het onderschrift, door hem geschilderd. - Tot zijne fraaije gravuren behooren veelal de kleine portretjes, zoo als dat van den beroemden mathematicus Ludolph van Ceulen, geplaatst voor zijn Werk: Van den Cirkel enz., Delft, 1596, in fo., dat met al het sierlijk bijwerk uitmuntend mag worden genoemd. - Ook in G. Brand, Het Leven van Hugo de Groot enz. vindt men, op blz. 15, diens jeugdig portret, hoewel opgehelderd, zoo als daar gezegd wordt - dus de plaat opgesneden - en welk portret hetzelfde is, hetwelk De Groot heeft doen plaatsen voor zijn Werk: Martianus Capella, waar de drukken alzoo beter in voorkomen. - Verder meer anderen, als: Christus met de twaalf Apostelen, die in rond formaat in 4o. uitgaan, door hem geteekend, en door zacharias dolendo gegraveerd, doch de gezochte gratie of uitdrukking der figuren, volgens de school van spranger, blijft er te veel in doorstralen, en van dien zelfden aard

[p. 571]

zijn mede zijne Afbeeldingen van Militairen, op twaalf bladen, door hem bij Clement de Jonghe uitgegeven, in 4o. en de al te overdreven houdingen, welke de figuren opleveren, zouden een eersten Dandi beschamen: een heerschende type van het overdrijven in die dagen, om het schoone en gracelijke te trachten uit te drukken, waarin de smaak destijds veel behagen vond. - Onze de gheyn schijnt ook tot de Rederijkerskamer te Amsterdam te hebben behoord, immers, ik lees bij Wagenaar, over de Rederijkers handelende, het volgende: ‘In 't jaar 1594 was Prins Maurits, na 't veroveren van Groningen, herwaarts gekomen, op een Tooneel, aan de Paardenstal op den Dam, ter plaatse der Beurssteeg, gebouwd, vereerd met eene vertooning van 't verslaan van Goliath, waarby Frans Volkertszoon Koornhert (broeder van Dirk), schepen der stad, den persoon van Saul en jacob de gein dien van David verbeeldde.’ - Zie Wagenaar, Beschr. van Amsterdam enz. II. dl. blz. 397, in fo. - Dit jaartal en de boven reeds aangevoerde daadzaken, pleiten zonneklaar voor het bewijs, dat onze de gheyn al vroeg in Holland gevestigd was, weshalve de gewone berigten, alsof hij meer in België heeft gewoond, zoo als bij de vreemde auteurs meestal beweerd wordt, niet wel zijn aan te nemen. Als Nagler berigt, dat hij voor de Dominikanen, te Brugge, in 1611, de H. Helena met het kruis heeft geschilderd, dan is dit, meer dan waarschijnlijk, voor werk van zijnen vader, jacob jansz. de ghein, te houden. - Bij genoemden auteur vindt men zijne bekende graveerwerken vermeld. - Zijn portret is in 4o. in de verzameling van h. hondius en s. frisius gegraveerd.

[Gheyn (Jacob de)]

GHEYN (Jacob de) is de Jonge, die in het slot op het Artikel van dien naam bij Immerzeel, verkeerdelijk, als zoon van den Jonge wordt vermeld, en waar gelezen moet worden van den Oude. - Hij is niet, in 1610, te Antwerpen, maar te Haarlem, alwaar zijn vader reeds lang gevestigd was, geboren, gelijk De Jongh in de 8o. - uitgave van Van Mander zegt, - bij wien ook zijn portret voorkomt - en zoo als door Van Eynden en Van der Willigen wordt verzekerd; ofschoon dit wel te Amsterdam, waar hij mede gewoond heeft, kon geschied zijn, volgens Huber's Handbuch, door Nagler aangehaald, die tevens eenige zijner graveerwerken opnoemt, als: de merkwaardige Daden van Karel V., welke hij met c. boel, in 8 bladen in gr. fo., zeer fraai heeft gegraveerd - De zeven Wijzen van Griekenland, in 8 bladen; op den titel: Septem Sapientes Groeciae etc., 1616. - Dit is of eene drukfout, òf werk van zijn vader, want op zesjarigen ouderdom zal men dit toch wel niet aannemen, als door hem vervaardigd te zijn. - Frans I. in den slag bij Pavia, naar a. tempesta, gr. fo. - Karel V te Paard, met zijne generaals, na den slag bij Mülhberg, naar denzelfden, gr. fo. - De H. Petrus en Paulus, de laatste met de bril. - Meestal heeft hij zijn monogram, en soms zijn naam met bijvoeging van Jun., op zijne prenten geteekend. - Nog vind ik van zijn werk 3 bladen, Masques en Phantastische koppen, in 8o. zeer geestig gegraveerd.

[Gheyn, (Jacob Jansz. de of van de)]

GHEYN, (Jacob Jansz. de of van de) van Utrecht, en niet alleen jacob, zoo als bij Immerzeel staat vermeld. - Dus onderscheidt deze naam zich beter van dien van zijn zoon en kleinzoon, die beiden jacob heeten, en alzoo bij den naam van den Oude en den Jonge eerder zijn te kennen, en ook in de kunstwereld alzoo, gewoonlijk, worden aangeduid. - Van Mander maakt met ophef gewag van zijne bekwaamheden als kunstenaar, waar hij zegt: ‘Hy zelfs was een meer dan gemeen kunstig meester in het glasschilderen, gelyk 't heden (1600) nog blykt uit verscheiden schoone glasvensteren, te weten: Vier groote heerlyke formen op 't koor van de Borgtkerk te Antwerpen, en in die van de Minderbroeders in dezelve stad, daar hy voor de Italiaansche natie verscheidene glazen heeft

[p. 572]

gemaakt, welke by uitstek wel aan schilders en kunstkenners behagen. My dunkt ook, dat er te Amsterdam, in de oude kerk aan de westzyde, een groot schoon las van hem is met zeer fraaie kleuren; want hy wist de gebakken kleuren zeer behendig te gebruiken, 'tzy bruin of licht, naar dat ze aan 't een of ander einde lichter of bruinder vielen, om zyne dingen te doen verheffen.’ - Verder: ‘maar den dood verraste hem byna in 't beste van zyn leven, oud omtrent 50 jaren;’ - zoodat deze jacob jansz., die reeds in het begin der XVI. eeuw, namelijk omstreeks 1532, is geboren, waarschijnlijk, of om zijne studie voort te zetten, of om den bloei der kunst, zich te Antwerpen heeft gevestigd, en aldaar in 1582 is overleden.

[Gheyn. (Johan de)]

GHEYN. (Johan de) Nagler noemt dezen als een glasschilder, te Antwerpen, wiens levensbijzonderheden onbekend zijn, en die, in 1582, in den ouderdom van 50 jaren, is overleden; voorts dat hij de vader was van den bij hem volgenden jacob den Oude, en jacob de gheyn, den Jonge. Dit artikel is bij hem eene fout, want het moet geheel doelen op jacob jansz. de of van de gheyn; - Zie bij mij aldaar. - terwijl het mij toeschijnt, dat, daar Nagler zijn berigt uit Papillon getrokken heeft, het klaarblijklijk is, dat deze het levensberigt van jacob de gheyn den Oude, bij Van Mander beschreven, - waar diens vader jan wordt genoemd, - uit den druk van 1604, in 4o., heeft overgenomen, zonder te hebben gelet op het Verbeterblad, door hem-zelven nog bij zijn Werk bezorgd, en waarop voorkomt: ‘bl. 294 a. reg. 8., lees: zyn vader, jacob van de gheyn gheheeten,’ en hetgeen ook in den druk van 1618 in 4o., op blz. 107, b. verbeterd is. - Dus moet dit artikel, door Nagler geleverd, vervallen. Wanneer er bij hem een jan bekend is, dan kan hij-alleen het zijn, die te Luik omstreeks 1600 nog bloeide, doch enkel als graveur bekend staat, en van wien bij Florentijn le Comte, II. dl. blz. 535 het volgende vermeld wordt: ‘van jan de gheyn, een Luykenaar, een Boek van Kleedingen, Zeeden en Plegtigheeden der volkeren, door hemzelfs gesneden en gedrukt te Luyk, in het jaar 1601,’ en die eerder een broeder, dan de vader van jacob den Oude kan geweest zijn.

[Gheyn of Geyn (Steven de)]

GHEYN of GEYN (Steven de) was een Antwerpenaar en broeder van jacob de gheyn, den Oude, die vermeld staat, de kunst als beroep te hebben uitgeoefend, namelijk het waterverwschilderen. - Verlichten. - Dit berigt zijn wij aan de ijverige nasporingen van den heer Rammelman Elsevier, Archivaris der stad Leyden, verschuldigd, en is ons medegedeeld in een artikel: jacob a borcht of van der borcht, de kunstgraveur, in welke betrekking die stond tot jacob de gheyn den Oude, geplaatst in De Navorscher, V. deel, Amsterdam, 1855, blz. 129: ‘Den 23Maart, 1608, is te Leyden het huwelijk aangeteekend van govert thomaszoon basson, boekverkooper, en anna (van) de gheyn van Antwerpen, wed. van Mr. adriaen van der borcht. Volgens een register van 1622, woonde er toen bij govert basson en anna de geyn, nog jacob en anna van der borcht, vóórkinderen van gemelde anna de geyn, alsmede abraham de geyn (zoon van steven de geyn), haar broeders zoon. - steven of etienne de geyn of gheyn van Antwerpen, kreeg den 5. Mei, 1606, het poortersregt van Leyden, en huwde er den 16. Mei, 1603, steven de gheyn, Verlichter, jm. - (jongman) - van Antwerpen, vergezeld met jacob de gheyn, zijn broeder; met Grietje Jansd. jd. (jonge dochter) van Leyden, vergezeld met Lysbeth Cornelisd., haar stiefmoeder.’ En verder: ‘uit het Huwelijk van steven of etienne de gheyn, is, in 1604, geboren abraham de gheyn, die in Januarij, 1639, te Amsterdam, huwde met Catharina van Vollenhoven van Nieuw-Nierop, oud 22 jaren. Door het huwelijk van abraham de gheyn werd deze een neef van den schilder jan steen, wiens geboorte

[p. 573]

niet in 1636, maar zeker in 1626, te Leyden, plaats had.’ Ibid blz. 328 van denzelfden schrijver, die daar nog bovendien eene noot op jan steen bijvoegt: ‘In de Ms. van Ryckhuizen, op de Academische Bibliotheek, te Leyden, voorhanden, is eene vrij naauwkeurige genealogie van dien schilder. (Hij was Roomsch)’

[Gheyn (Willem de)]

GHEYN (Willem de) staat bij Immerzeel vermeld. Ik voeg hierbij eenige van zijne graveerwerken, als: Het bezoek der H. Maagd naar guido reni. - De Maagd met het kind Jesus, naar jac. de gheyn. - Lodewijk XIV, als prins van 12 jaren, ter jagt rijdende, g. de gheyn fecit gr. fo. - Hertog Bernhard van Weimar te paard, guil. de gheyn fecit gr. fo. - De Lente en De Zomer, door vrouwlijke figuren voorgesteld. - De beide andere Jaargetijden zijn door j. falck gegraveerd. - Zie Nagler en Le Blanc.

[Gier (W. de)]

GIER (W. de) was een plaatsnijder, die in het begin dezer eeuw bloeide. Ik heb slechts den titel van een boekwerk gezien: Tafereelen van de Staatsomwenteling in Frankrijk, 17. deel, te Zaltbommel, bij J. Noman, 1827, in 8o. beteekend w. de gier, iets, dat weinig kunstverdienste heeft, en welligt eene kopij naar r. vinkeles of d. vrydag is.

[Giessen. (G. van)]

GIESSEN. (G. van) Hoeveel bekwame meesters zijn de opmerkzaamheid der kunstauteurs ontsnapt, die, waarlijk, bij zooveel vermelding van mindere verdiensten, regt hebben van in de kunstgeschiedenis vermeld te worden. - Deze is de teekenaar van het bekende Grafmonument van Assendelft en zijne vrouw Beatrix van Dalen, in plano gesneden door p. van cuyck. - Dit alles is zoo goed naar den aard geteekend, dat het mij verwondert, geen meerdere kunst van die deugdelijkheid van hem te ontmoeten, en ik geloof, dat de goede gravure daarvan de reden is, dewijl van cuyck hierin al zijne bekwaamheden heeft getoond, welk lot niet aan zijne overige teekeningen is te beurtgevallen, door andere graveurs, zoo als het een en ander ons doet zien in het Werk van De Riemer, Beschryving van 's Gravenhage, waarin die voorkomen. - Bij de gemelde Graftombe zijn eenige figuren geplaatst, waaronder er één is, die haar afteekent, zeker van giessen-zelf, waaruit men zou kunnen opmaken, dat hij waarde aan deze door hem geteekende voorstelling gehecht heeft.

[Gietleugen. (Josse)]

GIETLEUGEN. (Josse) Ik vind dezen naam, als van een kunstschilder, die, op de helft der XVI. eeuw, te Kortrijk, bloeide, vermeld in eene Noot, door Van Hulthem, op Nr. 30187 van den Catalogus zijner Bibliotheek; naar aanleiding van het Werk, op gezegd Nommer voorkomende, en getiteld: Lebendige Bilder gar nach aller Keysern, von C.J. Caesare, bisz auf Carolum V und Ferdinandum seinem Bruder, ausz den alten Medalien. Anttorff (Antwerpen) für hubertum gholtz, getruckt bei AE. Copenium Diesthemiumt; 1557, in fo. eerste Duitsche druk, zeer raar. - De afbeeldingen zijn in camaïeu, waarvan de omtrekken door h. goltzius zijn geëtst; de gronden daarbij zijn, in houtsnede, door josse gietleugen vervaardigd.

[Gillemans (Jan Paulo)]

GILLEMANS (Jan Paulo) is reeds bij Immerzeel, zonder voornamen, vermeld, als een Vlaamsche Bloem- en Fruitschilder, die meestal kleine tafereelen vervaardigde. - Ik voeg hierbij de beschrijving van een groot stuk, zoo als die voorkomt in den Catalogus van Pieter Locquet, Amsterdam, 1783, onder Nr. 108: ‘In dit stuk ziet men op den voorgrond verscheiden soorten van Aard-en Bloemvruchten, als Aspergies, Sellery-planten, Bloemkool, Aardtisokken en Wortelen, Cantaloupen, Persikken en Appelen, waarnevens een mand met Druiven en andere vruchten, en een mandje met Karssen, waarby een kopere Weegschaal ter zyde staat, een Vaas gevult met diversch Fruit en een gelade Wynstok; het verschiet is een Tuingezicht. Alles is natuurlyk en meesterlyk gepenseelt; h. 59, br. 46 dm.,

[p. 574]

ƒ13-25.’ - Bryan-Stanley noemt hem jan peter, in navolging van Nagler, die daarbij vermeldt, dat hij zich, in 1713, te Amsterdam had gevestigd, en er het ongeluk had, van, bij nacht, in eene gracht te vallen en te verdrinken, oud zijnde 70 jaren. Dit zou alzoo omstreeks 1742 zijn geschied, dewijl zijne geboorte, te Antwerpen, in den jare 1672 wordt opgegeven.

[Gilles van Antwerpen. Zie bij Immerzeel op Coignet. (Gilles)]

GILLES VAN ANTWERPEN. Zie bij Immerzeel op COIGNET. (Gilles)

[Gillig of Gellig (Jacob)]

GILLIG of GELLIG (Jacob) staat bij Immerzeel vermeld op gellig, en ik moet hier doen opmerken, dat hij een kunstenaar is geweest, éénig in zijne soort van schilderen, die, namelijk, riviervisch, met alle soorten van vischtuig, in bevallige ordonnantiën enz. heeft geleverd, zoo onnavolgbaar schoon en natuurlijk vervaardigd, dat er tot heden in dat vak geen beter bekend is, en zijne goede kunst in de beste verzamelingen wordt bewaard. Houbraken heeft dan ook niet vergeten, hem te vermelden, die gellig noemt als koddig van aard, en dat hij, in 1672, toen de Franschen in Utrecht lagen, zijn werk niet kunnende plaatsen, het portretschilderen bij de hand nam, doch daar niet in slaagde. - Hij is gehuwd geweest met eene dochter van adam willarts, van Utrecht, waar hij ook is geboren, volgens Bryan-Stanley, in 1636, en overleden 1688. - Ook bij mondelinge overlevering is mij verzekerd, dat hij cipier der gevangenen ten stadhuize te Utrecht zou geweest zijn; dus woonde hij naast de vischmarkt, de bron zijner studiën. - Of nu de portretten, welke men zegt, dat door gellig zouden geschilderd zijn, wel tot de voortbrengselen van zijn penseel behooren, moet ik alsnog betwijfelen. - Zie daarover op GILLIG. (Michiel)

[Gillig of Gellig (Michiel)]

GILLIG of GELLIG (Michiel) is, waarschijnlijk, verwant aan, of wel broeder van jacob gellig, den riviervischschilder en mede een Utrechtenaar, want er gaat eene plaat uit van het portret van Gerardus de Vries, Professor Philosophus Ultrajectinus. - Buste in ovaal - mich. gillig pinxit et fecit, 1685, in fo. zoodat hij èn een portretschilder èn een graveur is geweest, die onvermeld bleef. - Ik heb nog een idem van Dr. Nicolaus Haring, die, te Utrecht staande, door hem is geschilderd, in 1685, als buste, met de hand op de borst, in een ovaal gevat, door j. gole gegraveerd, en bij J. Specht in fo. aldaar, in hetzelfde jaar, uitgegeven. - Ook heeft hij beproefd, een portret in mezzo tinto te graveren, waarvan het hoofd vrijwel, doch de handen, kleederen en het bijwerk beneden 't middelmatige moeten worden geacht. Het ovaal, dat hem omvat, is er later in gewerkt, uit eene nis, waar het vroeger zich in vertoonde, doch het onderplint is gebleven, waar de hand met een boek op rust. Deze afbeelding is van Hermanus Witsius, Doctor en Professor te Utrecht, 1686. m. gillig pinx. et fecit. Specht exc. in groot fo. - Uit dit alles is af te leiden, dat mijn vermoeden grond heeft, namelijk, dat, wanneer jacob gellig, zoo als door Houbraken is vermeld, uit nood het portretschilderen, waarin hij slecht slaagde, bij zijn riviervischschilderen ter hand nam, dit berigt op onzen michiel zal moeten worden toegepast; en bovendien kan jacob gillig, - Zie aldaar. - die cipier van het stadhuis te Utrecht was, en dus altijd een zeer goed bestaan had, en welligt zijn kunstvak bloot als bijzaak heeft beoefend, mijns inziens, door gezegde mededeeling niet bedoeld wezen.

[Gimnich, Gimnig of Gimmig.]

GIMNICH, GIMNIG of GIMMIG. Van Gool en andere schrijvers halen dezen kunstenaar aan, bij het levensberigt van johannes antiquus, die zich eenigen tijd bij hem, te Amsterdam, in de kunst heeft geoefend, nadat hij bij jan abel wassenberg en anderen, eenige jaren, dit onderwijs genoten, en reeds Frankrijk en Brabant te dien einde bezocht had; zoodat hij toch wel eenigen naam in de kunst zal hebben verkregen, anders toch zou dit welgeen plaats gevonden hebben. - Nogtans wordt hij niet afzonderlijk vermeld, zoodat ik hem hier gedenk, te meer daar ik

[p. 575]

de beschrijving van een zijner werken heb ontmoet in den Catalogus van J. van Wessem, Utrecht, 26 Julij, 1786; eene uitmuntende verzameling van 455 stuks Schilderijen; op bl.67, Nr. 278, van den Ouden gimnig, h. 31¼ d., br. 24½ d. op doek: ‘Verbeeldende een Jood, met een purpere muts en bonte rand, zijnde bezig om goud te wegen, zittende aan een tafel, fraai uitgevoerd, met verder bijwerk.’ Of deze nu de vader is van een van dien naam, dien ik hier opvoer, of wel dezelfde persoon, kan ik voor alsnog niet beslissen. Zeker is het, intusschen, dat hij in de geschiedenis der kunst t'huis behoort.

[Gipson (Dirk)]

GIPSON (Dirk) was een voornaam beeldhouwer, en een der hoofdmannen van de Beeldhouwers-Gebroederschap, te 's Gravenhage, die op het laatst der XVII. eeuw aldaar bloeide. - Zie op DOBBE. (Pieter van)

[Giraud. (A.P.)]

GIRAUD. (A.P.) Hoewel een Franschman van geboorte, was hij echter te Amsterdam gevestigd, alwaar hij eenige kunstzaken uitvoerde. - Ik meen hem evenwel te moeten, vermelden, daar hij de graveerkunst vrij wèl beoefende, in het bouwkundige vak, zoo als hij, voor de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst, eenige bekroonde stukken in het koper heeft gebragt. - Ook toonde hij zich in de behandeling van topographisch werk zeer bedreven, en heeft dit aan den dag gelegd, bij het ontwerpen en vervaardigen van de groote teekening tot uitlegging en verfraaijing der stad Utrecht, door hem voortreflijk uitgevoerd en op het stedelijk archief aldaar aanwezig.

[Girst. (S.)]

GIRST. (S.) In den Catalogus van C.H. Schultz, verkocht te Amsterdam, in 1826, wordt, onder Nr. 153, beschreven: ‘Een strandgezigt in het graauw, door s. girst.’ - Meer is mij van dezen schilder of liefhebber niet voorgekomen.

[Gisselaar, (A. van den)]

GISSELAAR, (A. van den) een kunstenaar, dien ik nergens heb vermeld gevonden, en van wien ik slechts één werk heb aangetroffen, ‘verbeeldende een hof-gezicht, daar de koning David op een gaanderij staat, ziende naar het baden van Bathseba, fraai behandeld; h. 12½, br. 20¾ dm. Rijnl.’ in den Catalogus van J. van Wessem, Utrecht, 1786, bl. 75, Nr. 312.

[Glashorst (C. van)]

GLASHORST (C. van) heeft, waarschijnlijk, de kunst voor uitspanning beoefend, daar mij slechts een paar stukken zijn voorgekomen in den Catalogus van Daniël Vrijdag, Amsterdam, 1825, onder ‘Nr. 11. - Twee stuks, Een bloem - en fruitstuk; meesterlijk behandeld door c. van glashorst, h. 8 p., br. 6 p. 5 d.’

[Glauber. (Diana)]

GLAUBER. (Diana) Deze schilderes was de zuster der gebroeders johannes en jan godlieb glauber, en werd, in 1650, te Utrecht geboren. - Zij heeft de kunst geleerd bij haren oudsten broeder, wien zij op zijne reizen naar Italië verzelde, alwaar hij de werken van beroemde meesters kopiëerde. - Haar talent stelde haar in staat, het historiële vak en het portretschilderen, te Hamburg, uit te oefenen, en heeft daar een gevestigden roem verworven. - Eenige jaren voor haren dood, had zij het gezigt verloren.

[Glauber. (Jan Godlieb)]

GLAUBER. (Jan Godlieb) Bij het artikel, door Immerzeel gegeven, volgens Bartsch, dat er twee geëtste prenten van dezen kunstenaar bestaan, kan ik voegen, dat er nòg eene bekend is, namelijk: Een landschap met overblijfsels van Ruïnes, waarin men, regts, eene graftombe en daarop eene urn ziet; links, een gevelden boomstam, en twee zittende figuren. In het midden van het verschiet, ontwaart men gebouwen. In de marge beteekend: j.g.g. f. Romae. h. 7 d. 9 str. met de marge, br. 5 d. 8 str. Par. - Zie Weigel, Suppléments au Peintre-Graveur de A. Barisch. Tom. I. Leipzig, 1843. - Hij heeft te Rome den bentnaam van Myrtis verkregen.

[Glauber (Johannes)]

GLAUBER (Johannes) is reeds bij Immerzeel vermeld, die tevens berigt, dat hij gehuwd is geweest met de zuster van den bouwmeester vennekool; ik voeg

[p. 576]

daarbij, dat hij met deze vrouw in het Proveniers-huis, te Schoonhoven, woonde, en in 1726 daar ook wel zal overleden zijn. - Zie Kok, Vaderlandsch Woordenboek, op glauber. - Hij heeft te Rome den bentnaam van Polydor verkregen. - De werken van dezen glauber, naar den smaak der kunstliefhebbers van zijn tijd, in den Italiaanschen stijl van gaspar poussin vervaardigd, hebben daardoor hooge prijzen, zelfs tot ƒ3000, opgebragt, die voor zijne stukken zijn betaald, doch zich niet staande hielden, en volgens de aanteekeningen van Gaultde Saint-Germain, ten grieve van ware kenners, tot de prijzen van ƒ200, ƒ150, enz. gedaald zijn. - In het Museum, te Berlijn, is, onder Nr. 428: ‘Een landschap met boomen en gebouwen, op den midden grond; in den achtergrond, gebergte met een water; op den voorgrond, bij een gedenkteeken, één manlijke en twee vrouwlijke figuren.’ - In het Museum, te Parijs, is mede van hem aanwezig, onder Nr. 466: ‘Een landschap, voorstellende eene bevallige vallei, met rotsen en boomgewassen, afwisselend doorsneden; men ziet in de verte een feest, ter eere van den afgod Pan, en op den voorgrond herders en herderinnen, die hunne kudde bewaken.’ - In de Galerij te Dresden, onder Nr. 75: ‘Een boomrijk Landschap; waarin eenige figuren bloemen bij een dragen, om een Florabeeld daarmede te versieren enz. - In die van Saltzthalen, waren, in 1767, van hem niet minder dan acht onderscheiden stukken, waarbij er twee aangetroffen werden, gestoffeerd door simon van der does, hetgeen zelden voorkomt, daar dit meestal door e. de lairesse geschiedde. - Bij al zijne etswerken, reeds vermeld, moet ik nog voegen, dat hij een aantal kleine prentjes heeft vervaardigd, tot versiering van het Werk: Sinryke Fabelen verklaart en toegepast tot alderley Zedelessen enz. P.C.P. (Pieter de la Court) Amsterdam, by H. Sweerts, 1685, in 4o.

[Glimes (P. de]

GLIMES (P. de) was een portretschilder, te Brussel, die vele voorname personen heeft afgebeeld, als, onder anderen: Messire H.C.N. vander Noot, avocat au conseil de Brabant, gegraveerd door theodorus de roode, en te Delft, bij Roelofswaard, den revolutionairen boekdrukker, uitgegeven; zoodat hij in de tweede helft der XVIII. eeuw gebloeid heeft. - Hij vervaardigde ook moderne stukjes, die mij echter nimmer zijn voorgekomen.

[Göbell (Gerrit Henderik)]

GÖBELL (Gerrit Henderik) werd, in den jare 1786, te Raalte, geboren, en is, in 1833, te Deventer, overleden. Zijn vader, die een goed huis- en sieraad-schilder was, onderwées hem in de eerste beginselen der teekenkunst; later genoot hij te Deventer, en daarna te Amsterdam, het verder onderrigt, waarvan de hoofdzaak was, zich in het rijtuigschilderen voor zijn beroep te bekwamen. IJverige studie, in al zijn tusschentijd, heeft hem op de hoogte gebragt, om zich gunstig in het Landschap te kunnen onderscheiden, waarvan de Tentoonstellingen van 1810 tot 1830 getuigen, op welke laatste, te Amsterdam gehouden, niet minder dan elf zijner schilderijen aanwezig waren. - Een zijner stukken is, in 1826, te Brussel, bekroond, alsmede een Zomer- en Wintergezigt, in 1831 geschilderd, en te Gent bekroond, beiden in de kunstverzameling berustende van den Baron du Tour Van Bellinchave, te Leeuwarden. - In 1827 werd een stuk van hem voor Z.M. Koning Willem II. aangekocht. - Zijne twee laatste en beste stukken, een kapitaal Drentsch Landschap, en een Winter, bevinden zich, onder meerderen van zijn penseel, bij zijne zuster, Mejufvrouw de Wed. Schuitert, te Deventer. - Hij is gehuwd geweest: met Mejufvrouw Vincent, waarbij hij twee dochters heeft verwekt: de eene is jong gestorven, terwijl de tweede, sedert den dood van hare ouders, op 26-jarigen leeftijd, bij hare genoemde tante, aan wie ik dit berigt verschuldigd ben, woonachtig is. - In 1828 werd hij tot Lid der Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam, benoemd.

[p. 577]

[Gobius. (Henric Anton Frederik Agathus)]

GOBIUS. (Henric Anton Frederik Agathus) Deze ijverige beoefenaar der kunst werd uit een aanzienlijk geslacht, in den jare 1815, te IJsselstein, geboren, en staat reeds bij Immerzeel vermeld. - Op de Tentoonstellingen te Amsterdam, Rotterdam, 's Hage, Utrecht en Zwolle, heeft hij, sedert dien tijd, in verschillende soort voortbrengselen van zijn penseel, en daaronder landschappen met vee, geleverd, die wel zijn geliefdkoosd vak uitmaken, en verdienstelijk geschilderd zijn. Onder anderen vervaardigde hij een gezigt, vanaf den Soesterberg genomen, met het Monument van Waterloo in het verschiet, de geliefkoosde landouw, waar H.M., thans Koningin-weduwe, met H.K.H. Princes Sophie, nu Groothertogin van Saxen-Weimar-Eisennach, haren gewonen wandelrid deden. Hij heeft deze schilderij, tot een plaatslijk aandenken, H.M. de Koningin, op den 8. April, 1843, zijnde de verjaardag van gemelde Princes, als een geschenk, aangeboden, waarna de Heer gobius, bij schrijven namens Hare Majesteit van den 11. daaraanvolgende, mogt vernemen, dat Hoogstdezelve zeer getroffen was door dit bewijs van oplettendheid en daarvoor dank betuigde. - Hij is tevens verzamelaar van schilderijen der nieuwe kunstschool, gelijk voorts van Teekeningen, ook van oude Meesters, en Prenten, alsmede van oudheden en verdere kunstvoorwerpen, in het bijzonder van al, wat op de geschiedenis van Utrecht betrekking heeft. - De Heer gobius heeft, voor uitspanning, ook op steen geteekend en geëtst, welke afdrukken verscheiden Botanische en andere Boekwerken - doch niet beteekend - versieren.

[Goblé. (Steven)]

GOBLÉ. (Steven) Bij het berigt over dezen verdienstelijken landschapschilder, door Immerzeel, gegeven, voeg ik nog, dat ik in het bezit ben van zijn in profiel geteekend portret, in 8o.

[Gockinga, H. Lz. (Jhr. Mr. R.)]

GOCKINGA, H. Lz. (Jhr. Mr. R.) is als kunstverzamelaar, te Groningen, door Immerzeel vermeld; doch ik kan hier nog bijvoegen, dat hij, den 17. December, 1848, aldaar, is overleden. Zijne nagelaten kunst is bij de erfgenamen gebleven.

[Godart, (J.)]

GODART, (J.) een nagenoeg onvermeld landschapschilder, die, waarschijnlijk, op het laatst der XVII. eeuw, in België, bloeide. - Hij zou ook de insektenschilder johannes goedaerd kunnen zijn, doch dit mag ik vooreerst niet beslissen. - Onder de kunstnalatenschap van den kanonik van St. Bavo, te Gend, Jacques Clemens, vind ik het volgende stuk vermeld: ‘Un charmant Paysage, où tout est clair et agréable avec une étendue de perspective considérable; très finement touché et dans un ton de couleur charmant; il est orné de quelques figures. Bois. h. 18, l. 25 p. Zie den Catalogus dier verkooping, van den 21. Junij, 1779, Nr. 106. - Nog vind ik vermeld in den Catalogus van D. van Dyl, Amsterdam, 1813, onder Nr. 51: ‘Dit uitmuntend kabinetstukje stelt voor, in een aangenaam landschap met hoogere en lagere gronden en een waterplas, boerenwoningen en geboomte, benevens een drift beesten, eenige schapen en twee tegen elkander schijnende te spreken mannen, op den voorgrond; aan den grooten weg zit eene rustende vrouw, voortreflijk, alleruitvoerigst en aangenaam geschilderd. H. 7½ br. 10 dm. door j. goedart.’ - Deze naamspelling komt die van den gemelden insektenschilder al meer nabij.

[Godèle, (Jean)]

GODÈLE, (Jean) een Luikenaar, die, omstreeks den jare 1427, te Luik bloeide. Hij was een ervaren kunstdrijver in metalen, en, hoewel zijne werken weinig bekend zijn, zoo weet men echter, dat hij, door zijn talent in het genoemde kunstvak, eene groote vermaardheid in zijn vaderland heeft verworven. Zie le Comte de Becdelièvre, Biographie Liégeoise etc., op het jaar 1427. - Hij wordt ook bij Immerzeel genoemd.

[Godewyk (Margarita)]

GODEWYK (Margarita) is reeds bij Immerzeel vermeld, doch ik moet hier

[p. 578]

nog bijvoegen, dat zij tot zinspreuk voerde: Deus mihi vicus. Deus nostrum asylum, - dat is: Tot Gode is ons Wyck, - en dat men hare Latijnsche verzen kan vinden bij Bleyswyck, Beschryving van Delft, Ibid. 1667, in 4o., blz. 886, ter eere van dien schrijver vervaardigd. - Onder haar fraai portret, door samuel van hoogstraeten geëtst, en dat in de Beschryving van Dordrecht, door M. Balen, I., 203, voorkomt, door haar-zelve geschilderd, heeft de genoemde hoogstraeten het volgende vers gemaakt: ‘Dus maelde margaryt haer uiterlyken schyn, - Als stondze voor ons: maer, om haeren Geest in Taelen, - In Konst, in Kennis, en in Godvrugt t' achterhaelen, - Scheen Nestors levens tyd noch wel te kort te zyn.’ - Van hare kunstwerken, die zelden voorkomen, waren er echter eenige in de kunstnalatenschap van wijlen den Dordtschen raad, Jan Schouten, te Amsterdam, in November, 1852, bij den boekhandelaar Weddepohl, verkocht, en op bl. 48 van den Catalogus vermeld: ‘Nr. 88. Gedichten, vervaardigd en geschreven door margaretha godewyck, met 28 door haar-zelve geteekende zinne-beelden; kwarto, langwerpig formaat; - en Nr. 89. margaretha godewycks Poemata, mede door haar-zelve geschreven, kwarto langw. formaat.’

[Godinau. (Jacobus Ludovicus)]

GODINAU. (Jacobus Ludovicus) Sedert het sluiten van Immerzeels Werk, heeft deze hoogst verdienstlijke kunstenaar, onafgebroken vlijtig, zijne studiën met het beste gevolg voortgezet, en om, tot meerdere verrijking zijner kennis, de klassieke bronnen op haren bodem-zelven, te zien, verliet hij den 2. April, 1850, voor een tijd, zijn atelier, te Gent, en reisde naar Italië. Hij heeft negen maanden te Rome vertoefd, alwaar hij eenige kleine schilderijen van ééne figuur, en eenige studiën naar de natuur heeft vervaardigd, alsmede eene kopij naar de beroemde schilderij De Fortuin, van guido reni; - eene Lucretia en Tarquinius van guido cagnacci; - twee schilderijen, berustende in het Museum van St. Lucas, te Rome, en eene Sibylla Persica van guercino, in het Museum van het Capitool. - Te Napels maakte hij eenige teekeningen naar de Fresco-schilderwerken van Pompeji; - te Florence zes teekeningen naar de fresco-schilderijen van andrea del sarto; - en te Venetië, twee kopijen naar paul veronese. - Zijne studiën volbragt hebbende, onder het bezoeken der Museën en andere merkwaardigheden, te Palermo, Bologne, Verona, Perugia enz., nam hij in de maand October, 1851, den terugtogt naar zijn vaderland weder aan, echter met het voornemen, om eerst nog de zoo beroemde Galerij te Dresden te gaan bezoeken. - Het was op deze reis, dat ik met mijn neef, den Architect christiaan ostermann, het genoegen had, dien waren, levendigen kunstenaar te ontmoeten, spoedig als kunstbroeder zijne kennis te maken, en, gedurende eenigen tijd, dagelijks, het zoo rijke Kunst-Museum enzv., met de hoogste belangstelling, gezamelijk te beschouwen. Het doel van mijne reis was, ook Berlijn te bezoeken, dat echter niet in zijn plan lag: doch het reizen en kunstvoorwerpen zien, was hem zóó aangenaam, dat hij, op mijn aanhouden, er toe besloot, om, bij de beschouwing der kunstvoortbrengselen van alle tijden en scholen, hier als het ware tot één ligchaam verzameld en nergens in die rangschikking te vinden, ons te vergezellen: wij hebben dus eenige dagen met elkaêr die beroemde kunstjuweelen bewonderd. Vervolgens namen wij aan een maaltijd een hartlijk afscheid, en onze kunstvriend ijlde nu naar zijn gelief koosd Gent, waar hij den 7. September met vreugde werd ontvangen, terwijl wij, alvorens onze reis te vervolgen, nog eenigen tijd te Berlijn vertoefden. - Aldus, uit de groote bron der kunst geput en zijne kennis verrijkt hebbende, door de natuur steeds als leiddraad te volgen, kon zijn geest zich met meer gemak ontwikkelen, waarin hij met den meesten ijver bleef volharden, en wel dermate, dat zulks de aandacht der hooge Regering niet is ontgaan, zoodat godinau, in 1857, tot Professor bij

[p. 579]

de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Gent werd benoemd. - Ten slotte moet ik hier nog eene teregtwijzing op zijn levensberigt, door Immerzeel gegeven, bijvoegen, namelijk, dat het niet de schilderij De Graaf van Winchester aan de voeten van zijn Grootvader is, die, in 1835, door de Kon. Academie, te Gent, met den tweeden prijs werd bekroond, maar dat het de schilderij Eene Waarzegster was, die deze onderscheiding mogt ontvangen. De schilderij van Winchester is een onderwerp, getrokken uit het Werk: De Watergeuzen (van Prof. Moke), en werd, op de Tentoonstelling, te Brugge, in 1839 of 1840, van wege de hooge Regering, loflijk vermeld, en tot aanmoediging met eene toelage van 300 fr. vereerd. - In mijn Kunst-atlas ligt op den naam godinau eene fraaije schets in olieverf, mij door hem vereerd, voorstellende: Een Doctor in zijne studeerkamer, die de urine in eene flesch, welke de moeder, door hare dochter vergezeld, heeft mede gebragt, ter ontdekking der kwaal van het meisje, bekijkt; alles eigenaardig en geestig gestoffeerd.

[Godyn (Abraham)]

GODYN (Abraham) was een historieschilder, van Antwerpen, die zich door zijn talent een niet onbeduidenden naam verwierf. - Hij heeft verscheiden tafereelen vervaardigd en goede leerlingen gevormd. - Omstreeks de jaren 1684-1694, hield hij zich te Praag op, waar hij in het slot Troja schilderde. Dit werk heeft hij met zijnen naam beteekend. - Verdere narigten - zegt Nagler - over de ‘Malereien dieses Schlosses,’ zijn te vinden in Dlabaez, Böhemischen Künstler-Lexicon.

[Goebel. (G.H.)]

GOEBEL. (G.H.) Aldus bij Nagler verkeerd geboekt. - Zie bij mij op GÖBELL. (Gerrit Hendrik)

[Goebouw (Antonie)]

GOEBOUW (Antonie) heeft ook portretten geschilderd, waarvan ik er een, als proeve, kan aanwijzen in De Bie, Gulden Kabinet, blz. 395, door richard collin gegraveerd, 1662, zijnde dat van gaspar de witte, den bekenden Vlaamschen landschapschilder, en hetgeen fraai te noemen is. - Zijne werken komen weinig voor, daarom voeg ik hierbij de beschrijving van twee schilderijen, die op eene kunstverkooping, te 's Hage, in 1751, gehouden, onder Nr. 19 en 20 van den Catalogus dus zijn aangeduid: ‘Een Italiaansch Corps de Garde, daar de soldaten zitten te spelen, door a. goubouw. - Een dito door denzelven, zynde een landschap; met een speelman en een jongen, die zingt, by eene tafel, daar ze aan eten; - tot een weêrga,’ die het jaarmerk 1655 voeren, - Bryan-Stanley meldt ook, dat vermoed wordt, dat de in de schilderijen van karel du jardin voorkomende naakte figuren door hem zouden geschilderd zijn. - Nagler voegt er nog bij, dat men op Landschappen met figuren, in den smaak van k. dujardin, de initialen a.g.f. vindt, die aan hem worden toegekend, en dat er gelijke letters op eene, in den stijl van jan both geëtste prent staan. - Laatstgenoemde schrijver heeft hem bij vergissing nog eens in zijn Werk op anton gebouw vermeld.

[Goedaard (Johannes)]

GOEDAARD (Johannes) is naar waarde bij Immerzeel vermeld, die den lezer verder veywijst naar Pieter de la Rue, Geletterd Zeeland, blz. 61, of 33 van den druk van 1734. - Ik voeg hierbij, dat van zijn bekend Werk: Over de Veranderingen der rupsen en wormen enz. twee uitgaven in het Latijn zrjn verschenen, als: eene te Middelburg, 1668, en te Londen, 1685; en eene idem in het Fransch, bij Mortier, te Amsterdam, 1700. - Of hij ook landschappen heeft geschilderd, schijnt niet zeker bekend te zijn; echter vermoed ik dit. Zie daarover bij mij op GODART. (J. van)

[Goeimare (Jan)]

GOEIMARE (Jan) wordt bij Immerzeel alleen als een Vlaamsch landschapschilder vermeld, die in het begin der XVII. eeuw bloeide. - Hij is echter meer als historieschilder bekend, en heeft zijne schilderijen met groote zorg vervaar-

[p. 580]

digd. - s. frisius en b. bolswert hebben er eenigen in prent gebragt. Door den laatste is de zonderlinge schilderij gegraveerd, de Heiland in eene zaal van Martha en Maria, waarop ook eene keuken en eetkamer, met allen mogelijken voorraad, geopend staat. - frisius heeft naar hem Orpheus in een rijk landschap gegraveerd. - Zie Nagler.

[Goekindt, (Pieter)]

GOEKINDT, (Pieter) een Antwerpenaar, die in de tweede helft der XVI. eeuw bloeide, en, als liefhebber, het landschap beoefende; hij was de eerste leermeester in het schilderen met olieverf van jan breugel, den Fluweele genaamd, die tevens door de verzameling fraaije schilderijen, ten huize van zijn meester aanwezig, goede gelegenheid vond, om zich verder te kunnen oefenen. - Zie Van Mander. - goekindt begaf zich ook in den kunsthandel, zegt Nagler, en werd daardoor een ware geessel voor de jonge kunstenaars, wien hij voor luttel geld hunne schilderijen afhandig maakte. - Deze vrek, die in 1581 stierf, liet een zoon na van gelijken naam, die, van zijn vader en grootvader van moeders zijde, den beruchten Anton van Palermo, afstammende, de ‘loflijke’ wijze leerde, om zijn geluk op het ongeluk der jeugdige kunstenaars, en op den ondergang der kunst in Antwerpen, te bouwen. - Hij overleed in 1625, nalatende een zoon, Anton Goekindt. Deze zette zich te Parijs neder, handeldrijvende in schilderijen en prenten, waar hij Antoine Bon-Enfant werd genoemd. - In 1634 is peter de jode voor een korten tijd bij hem werkzaam geweest, en heeft voor zijn winkel de plaat gesneden: Augustinus in verzoeking, welke hij aan van dyck's vrome zuster opdroeg. Na Anton's dood heeft Mariette deze plaat met meer anderen uit zijne nalatenschap aangekocht.

[Goelen, (Alexander van)]

GOELEN, (Alexander van) werd, in 1670, te Amsterdam, geboren, en was een leerling van johan van hugtenburch, die zijne manier van schilderen in eene andere soort van tafereelen verder uitbreidde. - Hij vertrok naar Engeland, onder de regering van koningin Anna, voor wie hij veel gearbeid en verscheiden veldslagen en jagtstukken vervaardigd heeft.

[Goen (....)]

GOEN (....) is een stempelsnijder geweest, die fraaije werken vervaardigde; onder anderen, heeft hij op nieuw een stempel gesneden, naar dien van martinus holzhey, voor de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen. - Hij was te Amsterdam woonachtig.

[Goerée, (Jan)]

GOERÉE, (Jan) zoon van willem goerée - Zie aldaar. - wordt zeer kort en niet zeer gunstig door Immerzeel beschreven, bepaaldelijk wat de uitvoering zijner werken betreft; doch ik heb er vele gezien, die zeer goed zijn, en niet voor boekwerken bestemd waren, zoo als anders meestal het geval was; alsmede teekeningen, die in den volsten zin fraai te noemen zijn. - Als kunstenaar stond hij hoog aangeteekend bij de regering van Amsterdam, die hem in den jare 1715 het vervaardigen van ordonnantiën en teekeningen voor een Plafond of Gewelf in de groote Burgerzaal op het Stadhuis aldaar heeft opgedragen, en om daarover het opzigt, bij de uitvoering door jan hoogzaat en gerard rademaker, te houden; voorstellende: Zinnebeelden op Amsterdam, deszelfs Regering, Koophandel enz. - Zie Jan van Dyk, Beschryving van het Stadhuis te Amsterdam, Ibid. 1790, in 8o., blz. 81. - Het schijnt, dat hij ook heeft geschilderd, want ik zag op eene titelplaat, behoorende voor eene uitgave der Werken van Ovidius, jan goeree pinx. jan van vianen sculp. - Het reeds bij Immerzeel vermelde portret is door dirk valkenburg geschilderd, waarvan de originele schetsteekening, bij den schoonen afdruk van houbraken's gravure, in mijne verzameling berust. - Zijne zinspreuk was: Rust ik, zoo Roest ik. - Onder de boekwerken, welke hij-zelf in het licht heeft gegeven, behoort: Godvruchtige Almanak, of Lofgedachtenis der

[p. 581]

Heiligen op yder dag van 't jaar, gevolgt na den beruchten Sebastian le Clerck, welstandig verschikt en verteekent, en in 't licht gegeven door jan goeree, t' Amsterdam, 1730, in 4o., bevattende 365 in cirkels besloten afbeeldingen van historische feiten, betreklijk de daarop voorkomende Calender-Heiligen. - Dezelfde prentjes zijn later gevoegd in het Werk: Dagboek der Roomsche Heiligen, te Amsterdam, by H. de Wit, in Hugo Grotius; en dit weder met nog een titel bij F.J. Tetrode, waarvan het jaartal is uitgekrabt, in 2 deelen in 8o., allen in mijn bezit. - Voorts Historische Gedenkpenningen van Lodewijk XIV. sedert zijne geboorte tot nu toe, na de oorspronkelyke Medailles overgebragt. Amsterdam, 1711, in 8o.; - zijne Mengelpoëzy schijnt eerst na zijnen dood, in 1734, in 8o. mede aldaar, bij Waasberge, te zijn uitgegeven. - In den Wegwijzer door Amsterdam, is de beschrijving van de schilderijen op het Stadhuis, naar de zijne overgenomen.

[Goerée. (Willem)]

GOERÉE. (Willem) Hoewel het niet bekend is, of hij de kunst praktisch beoefend heeft, zoo is het echter zeker, dat hij in zijn tijd theoretisch veel heeft bijgedragen tot bevordering der beeldende kunst. - Hij was de zoon van Hugo Wilhelm Goerée, doctor in de Godgeleerdheid en beroemd geneesheer te Middelburg, aldaar geboren, in 1635. - Het is bekend, dat hij, in zijne jeugd, groote genegenheid had voor alle kunsten en wetenschappen; doch het vroegtijdig verlies van zijn vader bragt hem onder een stiefvaderlijk beheer, dat van dit alles niets wilde weten, en hem eene andere bestemming ter keuze liet, waardoor hij die van boekhandelaar verkoos, en zoodoende in het genot der letteren kon blijven. - Zijne Joodsche Oudheden, - Mosaïsche Historiën der Hebreeuwsche Kerk - Kerkelyke en wereldsche Historiën enz. zijn hiervan de blijken; doch, waar het hier ter plaatse voornamelijk op aankomt, is d'Algemeene Bouwkunde, volgens d'Antyke en hedendaagsche manier enz. t' Amsterdam, by A. Dame, 1705, in 8o. - Inleiding tot de algemeene Teykenkunst, enz. Ibid. 1705. Vierde druk. In 1678 was er reeds eene Hoogduitsche vertaling van in het licht, door Johann Langen, te Hamburg, bij Johann Naumanns, in 12o. - Verlichterie Kunde, of regt gebruik der Waterverwen, enz. Amst., 1670. Hiervan is mede eene Hoogd. vertaling, in alles als boven gemeld, in 1677, verschenen. - De Practyck der Algemeene Schilderkonst enz. komt ook vertaald, in alles als boven vermeld, voor, 1678. - Natuur en schilderkunstig ontwerp der Mensch-kunde, Amsterdam, 1753; derde druk, in 8o. - Hij is te Amsterdam, waar hij zich, wegens zijn uitgebreiden handel, had gevestigd, in het jaar 1711, overleden. - Hij heeft een zoon jan nagelaten, die zijne neiging tot de kunst bij zijn kunstminnenden vader wel mogt opvolgen. - Zie aldaar.

[Goeres, J.P.(C.)]

GOERES, J.P.(C.) Een gezelschapschilder, wiens werken weinig bekend zijn; doch ik vond, dat op eene verkooping te Hoorn, in 1715, gehouden, onder Nr. 89, 90 en 91 van den Catalogus zijn voorgekomen: ‘Een geselschap van verscheyde boeren. - Een dito met Taback-drinkend juffertje. - Een mannebeeldje,’ allen door hem geschilderd. De prijzen staan aldaar gelijk met die van j. molenaar en anderen van dien stempel, zoodat zijne kunst, welke ik echter niet ken, van eene goede soort moet geweest zijn.

[Goes. (Hugo van der) Zie bij mij en bij Immerzeel op Hugo van der Goes]

GOES. (Hugo van der) Zie bij mij en bij Immerzeel op HUGO VAN DER GOES.

[Goes (J.A. van der)]

GOES (J.A. van der) vind ik als teekenaar vermeld in den Catalogus van Jacob de Vos, Amsterdam, 1833, bl. 83: ‘Twee stuks teekeningen met Torren, in kleuren, door j.a. van der goes.’ Dit werk werd zeker om de goede kunst bewaard, en ik vermeld het hier zonder meer van den persoon of zijne werken te weten. - Later zie ik in den Catalogus van Ploos van Amstel, Amsterdam, 1800, dat op bl. 310 voorkomt: ‘Nr. 49. Zeven stuks keurige Teekeningen op pargament, voorstellende diverse Insecten met couleuren, door j.a. van der goes.’

[p. 582]

[Goes. (Mathias van der)]

GOES. (Mathias van der) Volgens een kort berigt in het Register op het Werk van Le Comte de Laborde, was hij een kunstschilder, in den jare 1472, te Antwerpen, werkzaam, en hij voegt er bij, welligt een broeder van hugo van der goes. - In bedoeld Register komt tevens voor den bekenden drukker van dienzelfden naam, die, in 1482, te Antwerpen woonachtig was. - Zie bedoeld Werk: Les Ducs de Bourgogne etc., 2. Partie. Paris, 1849, in 8o. Tom I.

[Goethals, (Johannes)]

GOETHALS, (Johannes) beeldhouwer en metaalgieter, te Mechelen, heeft, in den jare 1638, een schoon Crucifix van verguld metaal, 33 voeten hoog, vervaardigd, dat op de Place de Meire, te Antwerpen, opgerigt werd. - Zie Nagler.

[Gofré. (Johannes)]

GOFRÉ. (Johannes) Nagler noemt hem een schilder van Luik, die, in jeugdigen leeftijd, naar Italië trok, en voornamelijk te Bassano de werken van bassano bestudeerde. - Hij vestigde zich voor goed in die stad, en huwde aldaar met de dochter van M.D. Dordi. - Men vindt altaar- en kabinetstukken van zijne hand.

[Gole, (Jan of wel Jacobus)]

GOLE, (Jan of wel Jacobus) want ik vind den naam van jacobus gole fecit op eene zeer groote prent in zwarte kunst bewerkt, voorstellende het Portret van Maria, gemalin van Willem III., Koning van Engeland, kniestuk met scepter en rijksappel in de handen, en waarop immers onder zijn oog de bedoelde letters gesneden zijn. - Bovendien Nagler en Le Blanc, die 458 stuks van zijne werken beschrijven, kennen geen jan gole, en blijkbaar hebben Brulliot en Heller (L.), die denzelfden persoon bedoelen, nimmer den naam van jacob, doch alleen het monogram j.g., op zijne werken aangetroffen. Immerzeel zal den laatsten hebben gevolgd, die hem jan heeft genoemd. - Onze gole heeft ook geordonnanceerd en geteekend, blijkens honderd prentjes, door hem geestig geëtst en gegraveerd, voorkomende in het Werk: Sinryke Fabulen enz. (door De la Court) dienstig om waargenomen te werden in het menschelyk leven. t' Amsterdam, 1685, in 4o., waarvan vele beteekend zijn j.g f., en plaat 72 en 77 j. gole f. Deze fraaije prentjes heeft hij op zijn vijf en twintigste jaar vervaardigd, en zijn later weder gebruikt in het Werk: Staat- en Zedekundige Zinneprenten, of leerzame Fabelen, die van den Heer De la Court speelswijze gevolgdt, door J. van Hoogstraten. Rotterdam, 1731, in 4o. - Tot bevestiging van het bovenstaande heeft men het fraaije Portret, dat van hem uitgaat in mezzo-tinte, ovaal in groot folio, door d.v.d. plaes geschilderd, en door hem gegraveerd, waaronder met groote letters: jacobus gole. - dus vervalt de naam van jan. - Zeer fraai is het Portret van Ds. Adrianus Wesel, leeraar, te Amsterdam, in gr. fo. ten halven lijve, voor eene tafel, met een opengeslagen Bijbel, waarvoor hij staat te spreken. Deze prent, welke men fraai mag noemen, is alleen beteekend met j. gole fe. zoodat hij dit portret dan ook wel kan geteekend hebben. - Nog moet ik hier bijvoegen, dat hij veel met de burin heeft gegraveerd, hetgeen bij Immerzeel niet is vermeld, en wel, onder anderen, het portret van den ongelukkigen Grootvisier Kara-Mustapha in fo. - Louise de la Miséricorde, cydevant Duchesse de la Vallière etc, in plano-formaat, dat zeer goed is gesneden; - als ook Dr. Nicolaus Haring, Ultrajectinae Eccles. Pastor. Aetatis L. Ao. MDCLXXXV. naar m. gillig pinxit. - Ook Le Blanc noemt vijf kapitale prenten, door hem gegraveerd, die in het Werk: Académie de l'Espée de Gérard Thibault d'Anvers, 1628, in gr. fo. voorkomen; doch die zijn van joannes gelle. - Zie bij mij aldaar. - Hoe kan men den naam, die, met groote, sierlijke letters, op alle prenten van dezen meester staat, voor dien van gole lezen, zonder ook nog in aanmerking te nemen het anachronisme, hetwelk Le Blanc daardoor in zijn Werk heeft begaan? - Onder de prenten in zwarte kunst, door hem vervaardigd, is er ééne uiterst zeldzaam,

[p. 583]

en waarvan ik, om het kunst- en historisch belang, de beschrijving, zoo als die in den Catalogue etc. de H. Detmold, op blz. 41, voorkomt, hier laat volgen: ‘Satire sur le Duc d'Albe. Une cuisinière Hollandaise placée, derrière une forte planche de bois, retient tranquillement un poisson, dont un guerrier Espagnol tâche, à toutes forces, mais en vain, de tirer la tête à travers une fente, qui se trouve dans la planche. En haut, on voit, à une fenêtre ouverte, le Duc d'Albe, qui regarde cette scène avec étonnement. En bas de la pièce on lit: Eens loegh duc D'alf, in Nederlant - omt' geestigh voorval van dees kiant.’ h. 8 p.6 str., br. 6 p. 10 str. Nederl. - Zie over dien Catalogus op cornelis theuniszoon. - Het is meer dan waarschijnlijk, dat gole deze prent naar eene oude afbeelding heeft gevolgd, en zij niet door hem of zijne tijd genooten is ontworpen: het versje duidt dit genoegzaam aan. - Ik ken meer dergelijke geschilderde afbeeldingen van Alva's tijd, zoo als een zeer curieus stuk op het Stads-maseum, te Utrecht, voornanden, waarop het Status quo van zijn verblijf in de Nederlanden, geestig en kernachtig, is afgebeeld. - Wegens 't geschiedkundig belang, meld ik nog het volgende over zijn Werk: ‘Les Héros de la Ligue, ou la Procession monacale, conduite par Louis XIV. pour la conversion des Protestants de son royaume. Paris, chez le P. Peters, a l'enseigne de Louis le Grand, 1691.’ zijnde negentien kleine prenten in de hoogte, met den titel, en onder elk vier Fransche verzen. Het zijn kleine busten in ronden vorm, met de volgende namen: Le Roi. - Madame de Maintenon. - Le Roi Jacques. - l'Archevêque de Paris. - Le Père de la Chaise. - l'Archevêque de Saintes. - Le Père Le Tellier. - Le Père Peters, Capucin. - La Rapine. - Duviger. - Le Camus, Lieutenant civil. - Baville, fils du premier Président. - Beaumier, avocat du Roi à La Rochelle. - Pelisson. - Marillac, intendant du Poitou et de la Reine. - Zijn portret, waarvan reeds vroeger gesproken werd, is in mijn bezit.

[Goliat. (Cornelis)]

GOLIAT. (Cornelis) In het Werk: Oudheden van Zeeland, door Van Heussen en Van Ryn, Leyden, 1726, in fo., vind ik eene zeer groote topographische afbeelding der stad Middelburg, door hem geteekend, doch niet dat hij die gesneden heeft. Het adres van den uitgever werd er later op gezet, want deze kaart is van hooger ouderdom, dan de uitgave van het genoemde Werk, en blijkbaar uit de gravure, welke ik aan den graveur pieter bast zou kunnen toekennen, die door mij voor een Zeeuw gehouden wordt. - Zie aldaar. - Welligt is zijn naam er afgedaan, om de plaat in het bedoelde Werk als nieuw te doen voorkomen. - Deze grondkaart heeft in alles de voorstellingen, even als op die van Utrecht en Alkmaar, door a. van vianen en cornelis drebbel vervaardigd.

[Goll. (J.)]

GOLL. (J.) Van dezen teekenaar zijn eenige werken beschreven in den Catalogus van Joannes de Bosch, Amsterdam, 1785. ‘Nr. 10: Een gezigt aan den Donau by Weenen. Fraai gestoffeerd en uitvoerig geteekend door j. goll.’ - ‘Nr. 23. Twee stuks, zynde stille watertjes met zeilende schepen, fraai en dunnetjes met kleuren geteekend, door denzelfden.’ - In dien der Verkooping van De Neufville Brants, was, ouder Nr. 53, in kunstboek B.: ‘Een gezigt te Klarenbeek, door hem geteekend; en Nr. 69. De Haarlemmerpoort en een gedeelte der stad Amsterdam van de buitenzijde te zien, rijk gestoffeerd en gewasschen door denzelfden. - Nog op eene idem van Ploos van Amstel, Amsterdam, 1800, bl. 58 van den Catalogus: ‘Een Boschgezigt by Clarenbeek, buiten Arnhem, gestoffeerd met rijtuigen en wandelaars; en een idem Gezigt by Roosendaal, met dito gestoffeerd, fiks met O.I. inkt geteekend.’ Zij werden met ƒ39,75 betaald.

[Goltzius. (Coenraad)]

GOLTZIUS. (Coenraad) Immerzeel berigt, dat er van dezen graveur in het geheel geene bijzonderheden bekend zijn. - Hij schreef zich ook gols, en men

[p. 584]

weet, dat hij, op het einde der XVI. eeuw, eenige graveerwerken heeft vervaardigd voor de kunsthandelaars Johan Bussemacher en Peter Overadt, te Keulen, als: De H. Bernardus met de lijdensteekenen van den Verlosser, waaronder staat: Fasciculus enz. con. gols fe. Jan Bus. exc. in klein 4o. - De geschiedenis van Susanna, eene reeks van zeven genommerde bladen, elk met tweeregelig Latijnsch onderschrift. Nr. 1. is van onder links beteekend: conradus golzius fesit, Jan Bussm. exc. Nr. 4 en 5, voeren zijn monogram c.g. door elkander. Nr. 6 heeft van onder links, 1597. c.g., Nr. 3 is zonder teeken, en Nr. 2 en 7 ontbreken den beschrijver. - Twee bladen, Maria en de Boodschap van den Engel, borstbeelden in achtkanten; joannes stradanus inventor. conradus goltzius sculpsit, in 4o. - De zeven Sacramenten. Als hoofdvoorstelling wordt in het midden door twee Engelen een Monstrans gehouden, met dit opschrift: s. eucharistiae. Op de zijden zijn kleine rondjes, die de zes overige Sacramenten zinnebeeldig voorstellen. Peter Ouerradt ex. con. gols fe. in fo. Zie Merlo, Kunst und Künstler in Köln. Ibid. 1850, in 8o. - Deze coenraad is evenmin een zoon van hendrik geweest als julius goltzius, - Zie aldaar. - doch zeker van hetzelfde geslacht, dat vele takken had. - Zie Van Mander, uitgave van De Jongh, op GOLTZIUS. (Hendrik) - Ik heb een prentje in 8o. gezien, zijnde eene voorstelling van het Leven en de Dood. Een jongeling heeft eene bloeijende roos in de hand, en staat bij een sarcophaag, waarop te lezen is: Quod es Fui Quod sum Eris, en waarop de Dood, als het ware, in onderhoud met hem nederzit. Beteekend conradt golz fecit et excudit. Alles van middelmatige verdienste. Dit prentje is als titelblad gevoegd voor een zeer oud Album van Everardus Booth, en berust in de belangrijke verzameling van Autographen enz. van den heer Diederichs, te Amsterdam.

[Goltzius. (Hendrik)]

GOLTZIUS. (Hendrik) Fiorillo berigt ons, dat hubert goltzius niet afstamt van het geslacht van hendrik goltzius. Zonder eenige afdoende bewijzen heb ik dit ook bij anderen gevonden, die hem eenvoudig hebben nageschreven. Zelfs Immerzeel bewaart op beider levensberigt dienaangaande geheel het stilzwijgen. - Ik moet hier op vroegere berigten terugkomen, namelijk, op die van Van Mander, die ook te Haarlem heeft gewoond, en met hendrik heeft op- en neêrgegaan, zoodat hij de geslachtsverhouding van dezen wel van nabij zal hebben vernomen, toen hij, in 1604, zijn Werk te Haarlem, uitgaf, en in het Bijvoegsel geene verbetering op zijn levensberigt heeft aangegeven, zoodat zijne mededeeling door hem, en ook zeker door goltzius is goedgekeurd. Hij meldt daar duidelijk: ‘de Grootvader van hendrik goltzius woonde te Venlo, en was een kunstig schilder, hubrecht goltz geheeten, hebbende ook een broeder sibrecht goltz, een fraai beeldsnyder. hubrecht nu had één zoon en twee dochters, beiden aan schilders gehuwd; eene van dezen was moeder van eenen, ook Hubrecht Goltz genaamd, een uitmuntend geleerd Historieschryver, hebbende den naam van Goltz van zyner moeders zyde aangenomen, daar hy anders van Meertsburg geheeten was; hy onthiel zich veel te Brugge in Vlaanderen, gelyk boven in zyn leven verhaald is.’ Nu, in dat levensberigt is deze de gemelde hubert, en verder bewijs zal er niet noodig zijn, dat zij elkander wel in den bloede bestaan hebben. - Ook berigt Immerzeel, dat hij ‘zich, van kindsbeen af, oefende, zonder iemands hulp of teregtwijzing’; doch dit weêrspreekt de geschiedenis, die immers meldt, dat zijn vader, jan goltzius, een voortreflijk glasschilder was. - Zijne werken zijn voor het grootste gedeelte beschreven, en men vindt opgegeven, dat het aantal zijner gravuren tot 330 gebragt is, waaronder de zes volgende voor Chefs-d'oeuvre worden gehouden, en welke ook Immerzeel

[p. 585]

vermeldt, als: De Boodschap des Engels, in den smaak van raphael. - Het Bezoek bij Elisabeth, in den stijl van parmesano. - De Aanbidding der Herders, in dien van bassano. Hiervan bezit ik een halfafgewerkten proefdruk, die uitmuntend mag worden genoemd. - De Besnijdenis, in den stijl van lucas van leyden. - Eene H. Familie, in dien van barroche, die allen door hem zijn opgedragen aan Guillaume V., duc de Bavière, 1593 en 1594. - Lang heeft men voordeel genoten door zijne platen, hoewel veel afgedrukt, op nieuw uit te geven. Zoo vind ik dat de Herscheppingen van Ovidius, door goltzius, in 52 kunstplaten, lang formaat, te Amsterdam, zijn uitgegeven bij H. Bosch, 1728, en later te Leyden, bij J. en H. van Deyster, en toen kostten ƒ2.70. - Het dient vermeld te worden, dat er van hem een Portret in prent bestaat, klein leven, door hem-zelven gegraveerd, zijnde het pendant van zijn meester coornhert, mede van zijne hand, die hoogst-zeldzaam voorkomen, en waarvan vijf verschillende afdrukken, met veranderingen, in bezit zijn geweest van ploos van amstel, en na diens verkooping in 1800 zijn verspreid en buitenslands geraakt. - j. suyderhoef, heeft eene fraaije kopij daarnaar, wat kleiner, gesneden, en door Claas Jansz. Visscher uitgegeven, waarvan ik een schoon exemplaar bezit. - Een idem, door zijn schoonzoon, j. matham, gesneden, werd, in 1617, te zijner eere, na zijn overlijden, uit erkentenis uitgegeven, en, waarschijnlijk, aan zijne vrienden ter gedachtenis geschonken, zoo als dit een en ander uit zijn grafschrift is af te leiden. Zie de Noot van De Jongh, op bl. 117 van het II. deel zijner uitgave van Van Mander. - Van zijn schilderwerk komt zelden iets voor, en schijnt ook veel daarvan te zijn vervoerd geworden, terwijl ik er in publieke verzamelingen niets van heb aangetroffen. Echter zijn er hier te lande, in vroeger tijden, nog al een aantal voorhanden geweest, daar ik achttien stuks vind aangeteekend in den Catalogus van Hoet en Terwesten, die in hun tijd openbaar zrjn verkocht. - Onder anderen was er eene schilderij op de Verkooping van J. Tonneman, te Amsterdam, in 1754, die ƒ300 heeft opgebragt, voorstellende: Danaë met den gouden regen, en eenige kindertjes, benevens ander bijwerk, en aldaar ‘voor zyn allerschoonste werk, dat er ooit gezien is’, wordt gehouden. - Als eene bijzonderheid voeg ik hier nog bij, dat hij het Portret heeft geteekend van Joost van Vondel, in zijne jeugd voorgesteld, waarvan de teekening voorkwam in de kunstnalatenschap van D. van Dyl, verkocht te Amsterdam, 1813, op bl. 52 van den Catalogus. Het ware te wenschen, indien dit portret nog in ons vaderland aanwezig is, dat het door den druk algemeen gemaakt wierd. - Onder de curiositeiten behoort wel het volgende: ‘Plegtige Begravenis van zyn Excellentie Willem I. Prince van Oranje, te Delft, Ao. 1584, zeer krachtig in couleuren geteekend door h. goltzius, en kunstig met de pen beschreven, in schildpadden band, verguld op sneê en plat.’ Zie den Catalogus van het Kunstkabinet enz. van Mr. P.C. Hasselaar, verkocht Amsterdam, in November, 1797, bl. 46, Nr. 4. Dit exemplaar berust, zoo ik 't wel heb, op 's Rijks Bibliotheek, te 's Gravenhage. - In het belang der Nederlandsche geschiedenis, laat ik hier de door hem gegraveerde portretten volgen, als: jan bol, schilder 1593. - dirk volkertsz coornhert. - Jan van Duvenvoerden, Admiraal, bij Bartsch Dwenvoorden genoemd. - Frans van Egmont. - Pieter Forestus, 1586. - De zoon van diederik frisius, meer bekend onder den naam van Den Hond van goltzius, 1597, eene der meest zeldzame prenten, h. 338, br. 259 str. Ned., waarvoor de prijs van 269 francs bij Valois is besteed. Hiervan zijn drie kopijen, de eerste zonder naam en kenbaar doordien de c van het woord cum (Privilegio) los staat van de u, die in de originelen daaraan is vastgehecht. - De tweede is ook naamloos. Hier zijn aan het Monogram van goltzius andere letters, dan die

[p. 586]

van r.g. ontstaan, met bijvoeging van Cesar Capranica excudit Romae anno 1599. - De derde is mede naamloos, doch met P. Goos excudebat beteekend, eene zeer zwakke kopij. - philippus galle, 1582. - jan goltzius. - Willem I. Prins van Oranje. - Charlotte van Bourbon-Montpensier, gemalin van Willem I. Deze wedergâ komt zelden voor. - Abraham Ortelius. - Christoffel Plantyn. - Joseph Scaliger. - Julius Cesar Scaliger. - c. van der spronck. - johannes stradanus. - Adriaan van Westcapelle. - Johannes Zurenus, boekdrukker te Haarlem. - Zie verder Nagler en Le Blanc. - Voorts kan ik er nog bijvoegen de portretten van: Diderik en Gysbert van Batenburg, lotgenooten van de graven van Egmond en Hoorn, h. 2 dm. 7 str., br. 1 dm. 11 str. Par. ovaal. - Jan Baptist van Renesse van Wulven, een van het Verbond der Edelen, in 1565, h. 3 dm. 5 str., br. 2 dm. 8 str., ovaal. - Pendant: een Vrouwe-portret, waarschijnlijk, de echtgenoot des voorgaanden, met dit inschrift: Alle vleesch is hooy, enz. - J.N. de la Faille, bevelhebber bij het beleg van Antwerpen, 1588, en zijne echtgenoot Cornelia van Capellen. - Nog eens dezelfde, in veel kleiner formaat, h. 1 dm. 11 str., br. 1 dm. 5 str. ovaal. - Joannes Kellenberg aetat. suae XXX, Ao. 1584, in een rond, 2 dm. 10 str. middellijn. - Gerrit Willemsz Vries, (ut cito prima etc. 1581) misschien wel Dirk Jacobzen de Vries, een der burgemeesters gedurende het beleg van Haarlem. - Simon Sovius (Rector Amstelodamensis, natus Harlemi, 1553, dimissus qua Rector ao 1578, obiit demum 1625, Harlemi.) - Nicolas de Deventer, of wel Nicolaes Pietersz van Deventer, Mathematicus. - Gerrit van Poelgeest: aansiet den tyt; een van het Verbond der Edelen, 1565. - Adriaen van Swieten, idem, idem, 1565. - Catharina Decker, wed. van Willem Scholier, doch, volgens anderen, het portret van Kenau Hasselaer. (Epigraphe: in lieden geduldich.) Dit is het kleinste door hem gegraveerde portret. - J. Broekhoven (niet Broekhor, zoo als Bartsch hem noemt). - De volgende zijn officieren bij het beleg van Haarlem, 1573: Jan Dirkszen Schatter, kapitein. - Gerrit de Jongh, gouverneur van Lochem, doch, volgens anderen, Pieter Dirkszen Hasselaer. - Gerrit Korneliszen Volserman, doch, volgens Brulliot, is dit Jan de Wethenis, wiens naam in het vers voorkomt, en Gerrit Pieterszen Ruighaver, kapitein, bijzondere vriend van Willem den Zwijger. - Zie Weigel, Supplément au peintre-graveur de Bartsch, op h. goltzius. - Tot aanvulling der portretten van beroemde personen, moet ik hier melden, dat de afbeeldingen van Roemer Visscher's dochters, Anna en Maria Tesselschade door onzen goltzius, keurig met rood krijt geteekend, berustende zijn in het rijke kunstkabinet van den heer C.J. Fodor, te Amsterdam, waar ik die, in 1858, in een der kunstboeken, toevalliger wijze, ontmoette, steeds meenende, dat die op de Verkooping van Verstolk van Soelen, aldaar, in 1847 gehouden, en door den Makelaar Brondgeest, voor ƒ821. aangekocht, naar het buitenland vervoerd waren. - Zie over de geschiedenis dezer portretten, het Werkje: Gedichten van Anna Visscher en Maria Tesselschade Visscher. Utrecht, L.E. Bosch en Zoon, 1851, in 12o. Hetgeen daarover in het Voorberigt voorkomt is den auteur (M.D. de Bruyn, S.M. Cand, te Utrecht) door mij medegedeeld. - Onder zijne minbekende Werken is te tellen Den doolhof der dwalende Gheesten, waarin den aanvang, voortgang ende eynde der verleydende Ketters, in eenen spiegel voor oogen gestelt worden. In dicht beschreven, Amsterdam, (1610) in 4o. De daarin voorkomende 21 platen zijn door hem voor dit zeldzaam boek geëtst. - Zie Catalogus van F. Muller, Amsterdam, 12 Januarij, 1853, Nr. 644. - goltzius ligt in de groote kerk, te Haarlem, voor het koor, begraven. - Op zijne grafzerk ligt een koperen plaat, waarop vroeger, in de Latijnsche taal, eer dit door den tijd was uitgesleten, een grafschrift gegraveerd stond, waarvan de vertaling luidt als volgt:

[p. 587]

‘Ter gedachtenisse van hendrik goltzius, een man zonder weêrgâ, voortreflijk Plaatsnijder, zeer beroemd Schilder, ja, in alle deelen der Schilderkunste wel ervaren, hebbende dit Gedenkteeken doen stellen margareta jansdr. haren welbeminden echtgenoot, met wien zij te Haarlem 36 jaren geleefd heeft, en jacobus goltzius, zijnen zeer waarden broeder ter eere. - jacobus matham, heeft het zijn behuwd-vader, aan wien hij de grootste verpligting had, tot een teeken van dankbaarheid, en hem ter eere, in koper gesneden en gegraveerd, - Hij is overleden in Haarlem, in 't jaar 1617, op den 1. van Louw maand en het 59. zijnes ouderdoms.’

[Goltzius, (Hubert)]

GOLTZIUS, (Hubert) bij Immerzeel vermeld, behoort mede tot het geslacht van hendrik goltzius. - Zie aldaar. - Hij wordt door sommige auteurs, bij vergissing, voor een-en-denzelfden, als den laatstgemelden opgegeven, hetgeen misschien door de voorletter h. is veroorzaakt, zoo als dit, onder anderen, bij den uitmuntenden schrijver van de geschiedenis der Ned. Kunsten en Wetenschappen, Collot d'Escury, in zijn Hollands Roem enz. het geval is. Al hetgeen daar voorkomt, kan voor goed behouden blijven, door slechts dat, wat in het Register staat, tot: ‘zijn Grafschrift, door matham in koper gesneden,’ alleen toe te passen op hendrik, en het volgende aan hubert toe te kennen. - De vele Werken, geheel van geschiedkundigen aard, door hem der geleerde wereld verstrekt, zijn met de meest verschillende uitgaven te vinden in den Catalogus van Van Hulthem, Nr. 20016, 20049, 20051, 20086, 30187, - druk van 1557 - 30188, 30189 en 30190, welke rijke Bibliotheek thans in die van het Rijk, te Brussel, is overgegaan. - Ik voeg hierbij, dat het Werk: Sicilia et Magna Graecia, etc. in 1576, op zijne eigen drukkerij, te Brugge, is gedrukt, en daarvan ook eene latere uitgave, door den geleerden And. Schottus ter drukkerij van Plantyn, te Antwerpen, is bezorgd, waarvan ik een exemplaar bezit. - Geen zijner kunstwerken, die nog aanwezig zijn, worden vermeld. Ik vermeld dus hier, die mij bekend zijn. Op de verkooping der schilderijen van wijlen Le Comte Despinoy te Parijs, verkocht in Januarij en Februarij, 1850, was, onder Nr. 228: ‘hubert goltzius. Portrait de Montpensier, Charlotte de Bourbon, née en 1548. Morte en 1582.’ (Derde gemalin van Prins Willem I.) h. 128, br. 87 centim. Toiles-Genoux-Face. - Debout, les deux bras pendants, tenant de la main droite un mouchoir de dentelles. Cheveux blonds, rebroussés sur le sommet de la tête et vers les tempes; ils sont légèrement ondulés et surmontés d'une couronne de diamants et de perles. Robe de tulle noir à large vertugade sur une robe de satin blanc. Collet à grand godron. Collier de grosses perles, à trois rangs, descendant jusqu'à la taille. D'un coté une aumonière et de l'autre une cassolette, pendant à la ceinture.’ - Nr. 229: Pendant, en dochter van de voorgaande ‘Louise Julienne de Nassau (gemalin van Frederik IV., keurvorst van de Paltz.) morte en 1644. Assise dans un fauteuil recouvert d'un velours noir. Le bras gauche posé sur le bras du fauteuil, et tenant à la main un mouchoir à dentelles. La droite posée négligemment sur les genoux. Riche fraise de dentelle tuyautée à trois rangs. Par-dessus gris doublé de rose, rehaussé de broderies d'or sur une robe de satin blanc à corsage boutonné jusqu'au cou, et rayé alternativement de broderies d'or et rouges, ainsi que les manches terminées par de jolies dentelles qui se découpent sur des bracelets de pierres précieuses. - La jupe est rayée de six bandes de broderies d'or. Un collier à quatre rangs descend jusqu'à la ceinture. Eiches bagues aux doigts. Fond noir.’ - Ik heb deze beschrijving in haar geheel overgenomen, omdat die portretten niet zijn beschreven, en tevens tot eene bijdrage kunnen strekken voor het kostuum van dien rang en dien

[p. 588]

tijd. - Nog is het Rijks Museum, te Brussel, in het bezit van een klein Vrouwe-portret, dat onder Nr. 104 van den Catalogus vermeld wordt. - Het lust mij hier woordelijk, af te schrijven, wat Slichtenhorst in zijne Geldersche Geschiedenissen, op het Artikel Venlo, blz. 60, I. boek, van hem meldt, en hetgeen niet algemeen bekend is, namelijk, dat de kostbare uitgave van zijne Werken op kosten van zijne Mecenen is geschied, en die ook den naam van zijn vader opgeeft, als hij zegt: ‘Deze stad is moedigh op het verstand en de onsterfelyke schriften van hubertus goltzius, die wt de duystere penninghen voor de geschiedenissen van d' oude Romeynen veel lichts heeft weeten te trecken, ende andere, die in dezelve baen mede prys hebben willen behalen en na 't kransien steeken, veele stappen voorby geloopen. Hy was zeer gemeenzaam en lieftalligh by de edele en welverzochte broeders Marcus en Guido Laurin, door welker aensporingh en toedoen hy ook Italien, Vrankrijk en Duytsland heeft doorzocht en bewandelt, om de oudheyd allenthalven te onderzoeken: ende eyndelyken in Nederland wederkeerende, die heerlyke werken, welke wy nu verwonderen op hunne kosten laeten uitgaen. Ende, want syn vader Rutger gebooren was van Wirtzburgh, noemt hy zich zelfs een Wirtsburger van Venlo.’ - Herbipolita Venlonianus, zooals op de titels van zijn Werken staat uitgedrukt. Deze laatste toelichting heldert het duistere van dien vreemdsoortigen titel geheel op. - Ook behoort tot zijne Werken, Emblemata et aliquot Nummi operis S. Sambuci. Antv. ex officina Plant. 1564. in 8o. Daarin komen vele koper- en houtgravuren van zijne vinding voor, doch waarvan het kleinste gedeelte door hem-zelven is vervaardigd. Ze zijn met de letters g.g. f. of h.g. beteekend. - Nagler zegt nog, dat hij Historicus en Schilder van Koning Philip II. was, aan wien hij zijn Werk: Icones Imperatorium Romanorum etc. heeft opgedragen. - Zijne schilderwerken, uit historiën en portretten bestaande, en met de meeste zorg uitgevoerd, zijn hoogst zeldzaam. - Zijne afbeelding komt voor onder de schilders-portretten van h. hondius en s. frisius; - als ook eene idem in 4o. door esme de boulonois sculp. - en verder bij Van Mander, in 8o. Descamps en Sandrart.

[Goltzius (Jan)]

GOLTZIUS (Jan) was de vader van den beroemden graveur hendrik goltzius, die het glasschilderen beoefend heeft: hij zal alzoo wel de eerste gronden van het onderwijs in de kunst bij zijn zoon hebben gelegd; hoewel Immerzeel meldt, dat hendrik, van kindsbeen af, zonder hulp of teregtwijzing van iemand, zich in de kunst oefende; doch dit berigt heb ik nergens op goede gronden bewezen gevonden. - Zijne afbeelding is door De Jongh, in zijne uitgave van Van Mander in 8o., op plaat FF., Nr. 3, gegeven.

[Goltzius, (Jacob)]

GOLTZIUS, (Jacob) een broeder van hendrik. - Zie bij mij diens grafschrifts, en op GOLTZIUS. (Julius) - Hij wordt insgelijks als een kunstgraveur opgegeven. - Men vindt bij Nagler de volgende gravuren van hem vermeld, als: Pallas, onder een paviljoen, in het midden van eenige krijgshelden, h. goltzius, inv. 1597. jacqu. goltz. fe. et exc. h. 8 d. 9 str. br. 5 d. 5 str. Par. - Een jonge man, die door eene oude vrouw, onder aanbieding van geld, tot liefkozingen genoopt wordt. Naar idem, idem. jaques goltzius sculp et excu. h. 6 d. 5 str., br. 5 d. 1 str. - Een jonge vrouw, die door een oud man, enz., als weêrgâ van de voorgaande. De eerste afdrukken dezer beide prenten zijn niet beteekend.

[Goltzius. (Julius)]

GOLTZIUS. (Julius) Deze kunstgraveur staat vermeld als een zoon van hendrik goltzius, die naar de werken van zijn vader en andere meesters gearbeid hoeft. - Men heeft van hem Een Feest onder een Prieel. joan bol inventor. julius goltzius sculpsit. Hans van Luyck excudit. - Eene jeugdige vrouw, die met naaiwerk bezig is, en zich verweert tegen de liefkozingen van een lastigen

[p. 589]

oude, die haar geld aanbiedt. h. goltzius inv. j. goltzius sculp. et exc. Desine stulte senex etc. Dit berigt zijn wij aan Van Hulthem verschuldigd. Zie zijnen Catalogus van Prenten p. 272. - Ik moet hier echter eene aanmerking bijvoegen, te weten, dat in het grafschrift, in eene Noot van De Jongh, bij Van Mander, te vinden op hendrik goltzius, geen zweem van dien naam voorkomt, en alleen gezegd wordt, dat de vrouw, broeder en behuwdzoon dit te zijner eere hebben geplaatst, zoodat, indien hij een zoon had nagelaten, deze toch ook aan die vereering wel deel zou genomen hebben. Welligt is het zijn broeder jacob, dien ik hier als julius heb opgevoerd, dewijl eerstgenoemde naam op de uitgesleten koperen grafplaat onduidelijk geworden is, gelijk vermeld wordt, dat bij het nemen van het vermelde opschrift het geval is geweest, en daardoor voor dien van jacob is opgegeven; julius moet dus een broeder van hendrik zijn geweest, en dit is ongetwijfeld het geval, doordien de naam julius voluit op de prenten staat geschreven, en er ook eenige bekend zijn, met den naam van jaques gemerkt. - Nog vind ik vermeld in den Catalogus eener fraaije Prentverzameling van T.T. Klewitz, in April, 1850, te Leipzig verkocht, op blz. 44, onder Nr. 614: c. en j. goltzius, 2 bladen, St. Hubertus en St. Maria. - Verder schrijft Rathgeber, blz. 309: ‘julius goltzius (1581, 1584, 1586) vervaardigde gegraveerde bijbelsche voorstellingen, naar hans memling, corn. cort, mart. de vos, heinr. goltzius, hans bol en a. blocklandt.’ - Le Blanc zegt ook, dat hij, meer dan waarschijnlijk, aan hendrik goltzius verwant, doch niet dat het zijn zoon geweest is; hij beschrijft zes stuks van zijne graveerwerken, als: 1. De Doortogt door de Roode zee, in fo. in de breedte, - 2. Jesus en de Samaritane, naar hendr. goltzius, 1586, pl. in de hoogte, zoodat dit jaartal voor mijn, hierboven gemeld gevoelen pleit. - 3. De Geschiedenis van den verloren zoon in 4o. - 4. Johannes de Dooper in de Woestijn in 4o. - 5. De vier Evangelisten, naar a. blocklandt, in 4o. - 6. Loofwerk, in de vormen van friese. - Als ik zijne werken beschouw, dan vind ik, dat die meer tot den tijd van hendrik-zelven, dan tot dien, waarin julius, zijn zoon, was, behooren; want ik heb voor mij liggen een Gezigt op een kasteel, en verder eene stad met veel bedrijvigheid, alsof het de Lente moest voorstellen enz. j. sawry invent. jul. goltzius sculp. in 4o. h.v.l. exc. (Hans van Luyck?) - Voorts kan hij wel een ouder broeder van hendrik geweest zijn, dewijl die uitgever, in de tweede helft der XVI. eeuw, te Antwerpen, bloeide. - De slotsom mijner meening is, dat julius, bij den dood van hendrik, wel reeds zelf overleden kon wezen, en, hij, in dat geval, zijn zoon, en jacob zijn broeder zal geweest zijn.

[Gool (Johanvan)]

GOOL (Johanvan) wordt bij Van Eynden en Van der Willigen, en in navolging van dien, bij Immerzeel en andere auteurs, gezegd, geboren te zijn, te 's Gravenhage, in het jaar 1685; doch Pieter Terwesten, zijn tijd- en stadgenoot, zegt in 1690 of 1691, en meldt zijn overlijden op het jaar 1765, dat door bovengenoemde auteurs op 1763 gesteld wordt. - Voor wat betreft zijn persoonlijk karakter, hij was niet gezien, en ik laat hier zijn tijdgenoot, den anders altijd bescheiden Terwesten het volgende uit diens Ms. berigten: ‘Hy zou een grooter en voor zig zelfs profitabelder schilder geworden zyn, zoo hy niet, tegen den raad zijner beste kunstvrienden en Mecenassen zelfs, den grooten en onnavolgbaaren paulus potter had willen imiteren en nabootzen, en waardoor in zyn beste en uitvoerigste stukken het aangenaame der natuur ontbreekt, en dus ook weinig aftrek daarvan in zijn leeftyd heeft gehad; niettemin was hy echter zeer iverig en vlytig in de kunst, en dus ook een medelid of confrater der Confreriekamer geworden zynde, is vervolgens door Regenten derzelve wel tot meederegent der Teekenacademie aengesteldt en benoemt geworden,

[p. 590]

en welke post hy ook 18 jaaren zeer iverig en exact altoos heeft waargenomen, zynde hy op zijn tour ook diverse keeren Directeur daarvan geweest; dog zyn persoon en brusque ommegang geheel niet aangenaam nog aan de Magistraat, nog aan veel andere voorname leden der Confrerie zynde, is hy daarom ook nimmer tot Hoofdman der Confreriekamer geëligeert geworden; waarom hy dan ook begrypende nimmer daartoe te zullen komen, eyndelijk by een briefje, geschreven uit Amsterdam (alwaar hy toen op een verkooping van schilderijen was) den 24 October, 1734, Regenten der Confrerie bedankte voor de Regents-plaats der Teeken-Academie, blyvende echter confrater der Confrerie zijn leeven lang.’ - Zie bij mij op MEELE. (Matheus de) - Verder verklaart hij, dat de bekende aanmerkingen door Gerard Hoet Gerardsz. op zijn Nieuwe Schouburg der Kunstschilders, enz. gegrond zijn, en ‘waaruit hy dan ook ten allerklaarste getoont heeft, en tevens blykt, hoe vitieus en gebrekkelyk die beschryving in allen deele is.’ - Ik heb dit personele hier noodig geacht, te melden, niet omdat hij Kunstenaar was, want dan zou men van alles, wat bekend is, gebruik kunnen maken, en dit is overbodig; maar omdat hij Auteur is van het bekende Werk, waarover zoovele klagten zijn geuit, en waarin nog vele spijtige en scherpe bladzijden worden gevonden, hetgeen geheel strookt met het karakter van den man, zooals hij hierboven is afgemaald. - Onze jan van gool zou, volgens Rudolph Weigel's, Kunstlager-Catalog, de vertaler zijn geweest van het Werk: Tooneel der uitmuntende Schilders van Europa enz. uit het Fransch; waarvan maar één deel, te 's Gravenhage, in 1752, in 8o. in het licht is verschenen, terwijl er bij de uitgave 5 deelen beloofd waren. Of de ontvangst van dit Werk zoodanig is geweest, dat de voortgang daardoor gestaakt, of door andere oorzaken belemmerd werd, is onbekend; doch wel weet men, dat van gool nog elf jaren na de verschijning van het eerste deel geleefd heeft. Ik geloof niet, dat van gool er de hand in heeft gehad, dewijl er te veel omvattende litterarische kennis in doorstraalt, vooral in de Noten des Vertalers die, mijns inziens, aan van gool, blijkens zijn bekend Werk, niet kunnen worden toegeschreven. Bovendien, zoo er iets van bekend ware geweest, zou Terwesten zulks wel hebben vermeld; weshalve ik de opgave van Weigel voor eene bloote opvatting houde. - Doch ik opper de gissing, of somtijds Jacobus de Jongh, die de derde uitgave van het Werk van Van Mander bezorgd, en ruimschoots met wetenswaardige aanteekeningen verrijkt heeft, dit mede niet onder zijne pen heeft gehad, en de dood hem den voortgang kan belet hebben? want Van Mander is, in 1764, door een ongenoemde, na zijn dood, op zijnen naam, uitgegeven. Nu is de vraag of De Jongh, bij zijn leven, er zijn naam voor zou hebben geplaatst? Ik geloof neen: dewijl in het gansche Werk een stilzwijgen is in acht genomen, dat zelfs bij een aantal hem medegedeelde berigten, en bij alles, wat eenige sporen tot ontdekking des schrijvers kon geven, is bewaard gebleven. Andermaal verscheen dit eerste deel te Amsterdam, by M. de Bruin, in 1767, en is eene vertaling naar het bekende Fransche Werk van A.J.D. d'Argensville. - Zijn portret, door a. schouman geteekend, en keurig door j. houbraken, in 1749, gesneden, staat voor zijn gemeld Werk. – Er is nog een ander portret door hem-zelven geschilderd, dat in de kunstverzameling van Van der Marck, Aegidz, te Leyden, was, en, te Amsterdam, in 1773, verkocht werd, zijnde Nr. 414 van den Catalogus: ‘Men ziet hem verbeeld in eene Nis, hebbende een stukje met koeijen en een bokje in de hand, en twee Teekeningen, benevens een palet en penceelen voor zich, ziende men in 't verschiet een landschap met beesten, zeer uitvoerig door hemzelf geschilderd, op paneel, h. 11, br. 9 dm. Rhijnl. maat.’

[Goor (.... van)]

GOOR (.... van) was een voornaam portretschilder, die, in de tweede helft der

[p. 591]

XVII. eeuw, te Amsterdam, bloeide, en daar omstreeks 1694 overleden is. - gerard rademaker leerde hem de perspectief, en deze wederkeerig bij hem de schilderkunst. - Zie diens levensberigt bij Van Gool, I. bl. 379.

[Goor. (Pieter Walter van de)]

GOOR. (Pieter Walter van de) Deze bekwame stempelsnijder, bij Immerzeel beschreven, is, jaren achtereen, tengevolge eener beroerte, buiten magte gebleven, om eenige werkzaamheden te verrigten, en te Utrecht, in 1851, in 68-jarigen ouderdom, overleden. - Onder zijne voornaamste werken vind ik vermeld de Medalje, ter gelegenheid der opening van den eersten Nederlandschen Spoorweg, (1839) geslagen, en de zeer fraaije stempels voor de halve- en kwartguldenstukken, ten behoeve van Neêrl. Indië, met de keurige beeldtenis van Koning Willem I. - Zie Dr. Wap, Astrea, V. Jaarg., 1856, bl. 460.

[Goos (Abraham)]

GOOS (Abraham) was een kunstgraveur, die, in het begin der XVII. eeuw, te Amsterdam, bloeide. - In een Werk van hem in 4o. oblonge-formaat, dat den volgenden titel voert: Nieuw Nederlandtsch Caertboeck, waerin volkomentlycker als oyt te voren vertoont worden de XVII Nederlanden, soo in 't geheel als elck besonder, mei grote neersticheyt ende kosten gesneden, ende in 't licht gebracht door abraham goos enz. Gedruckt t' Amsterdam by abraham goos, Plaatsnyder wonende op den Dam int vergulde Caertboek, 1616, zegt hij, in de Opdragt aan de Staten-Generaal der Ver. Nederlanden: ‘Gelyck Uwe Hooghmogentheden een welgevallen hebben gehad aen de groote ende voortreffelyke wercken van wylen mijn cousyn ende eerste leermeester judocus hondius zaliger gedachte enz.;’ dit verduidelijkt ons genoeg, dat hij zich in dat kunstvak onder eene goede leiding bekwaam gemaakt en het ook uitgeoefend heeft. - De kaarten, op eene kleine schaal, zijn met zorg en zuiver bewerkt; doch de uitmuntend fraaije titel is gedacht en geteekend door david vinckeboons, en door den bekwamen pieter serwouter gesneden. Ik kan dus over zijne bekwaamheden in de ware kunstgravure niet oordeelen, daar mij nog niets van dien aard van hem is voorgekomen, zoodat ik geloof, dat het kaartsnijden enz. zijn hoofdberoep zal zijn geweest. - In dit vak werd hij in zijn tijd door de hooge Regering goed gewaarborgd en beloond, zoo als uit de volgende oorspronklijke resolutiën blijkt: ‘Is abraham goos, joncman, woonachtich tot Amsterdam ende caertsnyder, geaccordeert octroy omme voor den tyt van vyff jaeren naestcommende, alleene in coopersneede te laten uuytgaen in alle talen, zeeeker Caertbouck van de Seventhien provincien by hem aen haere Ho. Mo. gedediceert. Gebiedende enzv.’ Resolutie der Staten-Generaal 24 December, 1615. - ‘Is abraham goos voor zijne dedicatie, als gepresenteert hebbende het nyeuwe Nederlandsche Caertbouck, by hem tot zyne groote costen gesneden ende int licht gebracht tot eene vereeringe toegeleit 120 Gulden, eens.’ Resolutie 8 Januarij 1616, bij Dodt, Archief, VI. deel. - Bij Nagler vind ik een abraham groos als graveur vermeld, die steden en landschappen gegraveerd zou hebben, doch van wien hij geene verdere narigten gevonden heeft. Meer dan waarschijnlijk is dit onze goos, niet bij hem bekend, en die denklijk door eene schrijffout bij hem op groos is beland, want hij heeft niets van zijne werken gezien.

[Goovaerts of Govaerts, (Hendrik)]

GOOVAERTS of GOVAERTS, (Hendrik) een Vlaamsch kunstschilder, die, waarschijnlijk, in het laatst der XVII. en in het begin der XVIII. eeuw, te Antwerpen, bloeide. - In het Museum aldaar is een fraai stuk van hem, voorstellende: Vergadering der Broederschap by de Beëediging der Handboogschuttery van Antwerpen, dat bij gelegenheid van den gesloten Vrede, in 1713, werd vervaardigd. - Later, (1858) werd mij de nieuwe Catalogue du Musée d'Anvers, 1857, die historisch zeer verrijkt is, door M. l'Avocat Théodore van Lerius beleefdelijk

[p. 592]

toegezonden, en daarin vindt men eene authentieke biographie van onzen goovaerts, die, in 1669, te Mechelen werd geboren. Hij heeft reeds vroeg zijn vader verloren, en ging vervolgens, vergezeld van zijne moeder, naar Antwerpen, om zich in de kunst te oefenen. Na zich op het groote historische vak te hebben toegelegd, heeft hij, op zijn twintigste jaar, vele steden in Duitschland, Hongarije enz. bezocht, en is, na eene afwezigheid van tien jaren, weder naar Antwerpen teruggekeerd, alwaar hij, in 1699, werd aangenomen als vrij-Meester van het St. Lucas-Gild. - In 1702 is hij gehuwd met Petrouille Buys, en hertrouwde, in 1707, met Marie-Anne Bussé; bij beide vrouwen heeft hij eene dochter verwekt, Maria-Catharine en Marie. - Hij overleed te Antwerpen, den 10. Februarij, 1720, en is in de cathedrale kerk begraven. - charles (?) beschey was een zijner beste leerlingen.

[Gorinchem. (Aert van)]

GORINCHEM. (Aert van) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven te Rijssel worden bewaard, vindt men, op het jaar 1467, aangeteekend: ‘A aert van gorinchem, paié pour XIIJ jours, compris sa venu, au pris de X.S. pour jour, VJ L.X S.’ - Zie over deze werkzaamheden, mede als schilder, door hem verrigt voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op DARET. (Jaques)

[Gortzius. (Gualdorp) Zie Geldorp. (Gualdorp Gortzius, anders)]

GORTZIUS. (Gualdorp) Zie GELDORP. (Gualdorp Gortzius, anders)

[Gossaert of Gossart. (Joannes) Zie Johannes De Mabuse.]

GOSSAERT of GOSSART. (Joannes) Zie JOHANNES DE MABUSE.

[Gossyn, (....)]

GOSSYN, (....) een Nederlandsch figuurschilder, van wien, volgens Nagler, verder niets schijnt bekend te zijn, dan dat hij Boerengezelschappen heeft geschilderd.

[Goubaie (A.)]

GOUBAIE (A.) Een onvermeld kunstenaar, wiens werken zeer geacht waren, en waarvan er mij enkele in ons land zijn voorgekomen, weshalve ik hem hier eene plaats moet inruimen. Welligt behoort hij tot die Nederlandsche kunstenaars der XVII. eeuw, die in Italië gebleven, en daar overleden zijn, waardoor er slechts bij toeval eenige hunner werken in hun vaderland kwamen. Alzoo heb ik van hem de navolgende schilderijen aangetroffen, als: Op de kunst-veiling van den Graaf van Hogendorp, te 's Hage, in 1751, onder Nr. 19 en 20 van den Catalogus: ‘Een Italiaansch Corps de Garde, daar de soldaten zitten te spelen, door a. goubaie, 1655. - Een dito door denzelfden, zijnde Een landschap met een speelman en een jongen, die zingt, bij eene tafel, daar ze eten, tot een weêrga ƒ60.-’ Op eene idem, te Brussel, in 1746, van Gerard Vervoort, Nr. 47. ‘Een stuk, vertoonende eene Italiaansche markt, alwaar men allerlei soort van natiën en figuren in beweging ziet door a. goubaie. h. 4 vt. 2 dm., br. 6 vt. 1 d. ƒ85.’ - Op eene idem, te Gent, 1761, van Gaspar d'Heyne, Heere van Leeuwerghem, Nr. 79: ‘Een landschap met Figuren, door a. goubaie; h. 2 vt. 2 dm., br. 1 vt. 8 dm. ƒ16.’ en op eene idem te Antwerpen, in 1765, Nr. 4: ‘Een kapitaale Italiaansche Markt, door a. goubaie, h. 38, br. 52 dm. ƒ61;’ en Nr. 5: ‘Een St. Anthonius Tentatie, door denzelfden, h. 33, br. 44 dm. ƒ66.’

[Gouclaer. (Jan de)]

GOUCLAER. (Jan de) Deze kunstenaar bloeide, omtrent het midden der XV. eeuw, in Zeeland, zoo als blijkt uit een oud rijm, op een geschilderd kerkglas te Vere, ter gedachtenis gemaakt, en geschonken door heer Hendrik van Borselen, heer van Vere, Admiraal-generaal in Frankrijk, in 1446; luidende aldus: ‘Heer Henrick, Heere van deser stede. - Dese glasen maken dede - Admirael-Generael des Conincrycx, - Is hy op die zee van Vranckerycx. - MCCCCXLVI, men doen screef - jan de gouclaer dit werck bedreef.’ - Zie Reygersberch, Dye Cronycke van Zeelandt, Thantwerpen enz. 1551 in 4o. op het gemelde jaar.

[Gouda (Damiaan van)]

GOUDA (Damiaan van) was, volgens Van Mander, een zeer bekwaam kunstenaar en leerling van frans floris; hij verkreeg den rang van Archer of lijftrawant van den koning van Spanje, Filips II. - Zie Van Mander, I., bl. 234. - Volgens

[p. 593]

W(alvis), Beschryving van Gouda, I., bl. 332, was hij een Gouwenaar; trouwens, de gewoonte van naamsduiding in dien tijd, geeft dit genoegzaam te kennen, en, hoewel niet altijd zeker, kan zulks hier ter plaatse toch moeilijk betwijfeld worden.

[Goudesmet. (Nicolas de)]

GOUDESMET. (Nicolas de) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven te Rijssel worden bewaard, vindt men op het jaar 1467 aangeteekend: ‘A nicolas de goudesmet paié pour IIIJ. jour, a X S. XL S.’ - Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als schilder verrigt voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op DARET. (Jaques) - De ware naam zal wel nicolaes de Goudsmit geweest zijn.

[Goudt. (Hendrik Grave van)]

GOUDT. (Hendrik Grave van) Op dit artikel, bij Immerzeel vermeld, heb ik de volgende aanmerking te maken, te weten: de genealogisten beweren, dat de aan goudt gegeven rang of titel van Graaf niet in den zin moet worden opgevat, zooals wij dien thans verstaan, maar dat hij, waarschijnlijk, bij den een of anderen vorst of heer, een tijdelijken rang bekleed, of eene bediening, waaraan die titel was verbonden, gehad kan hebben, en het dus hoegenaamd geen geslachtstitel zou zijn geweest, te minder dewijl de Graven van golt of goudt hier te lande niet bekend zijn. Ik moet echter in het midden brengen, dat aan verscheiden bedieningen den titel van Graaf was verbonden, als Burg-, Land-, Water-, Dijk-, Pals-graaf (Comes Palatinus) enz., welke laatste aan het Duitsche Rijks-vorstlijke huis (Palatinus) was verbonden, en wiens hooge bediening met die van onze tegenwoordige kamerheeren des Konings overeenkomt. Thans is dit ambt echter alleen tijdelijk aan den persoon verbonden; doch er zijn voorbeelden, dat, tijdens Keizer Karel V., die titel erflijk geschonken werd, onder anderen, aan Viglius ab Ayta, 1 Maart, 1544. Zie Aytiniana, door Mr. J. Dirks en Jonkh. Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma, geplaatst in De Vrije Fries, III. Nr. 4, terwijl een voorvader van Jonkh. Mr. van Beyma, de beroemde geleerde Julius à Beyma, mede den titel van Comes Palatinus Caesar. Majest. enz. voerde. - Uit het een en ander mag ik dus afleiden, dat onze goudt dien titel bezat: want Sandrart zegt zelfs duidelijk, in zijn Register: goud van Utrecht, Comes Palatinus, - hetwelk Immerzeel alleen als Graaf heeft vertaald - en dat hij dien titel van zijn voorvader, of zelf, als erflijk, heeft bekomen. Het eerste kan, mijns inziens, wel het geval zijn geweest, dewijl mij gebleken is, dat een Willem Goudt, in den jare 1536, in eene zeer hooge betrekking stond. Deze werd, namelijk, door Keizer Karel V. benoemd tot Ontvanger-generaal van de beden van Holland, en om de rekwesten der Enkhuizenaars aangaande de zeedijken te onderzoeken, of zulks door zijn substituut te doen verrigten. Hij was dus, ongetwijfeld, een Nederlander, die, als met de noodige plaatslijke kennis toegerust, voor zijn heer het geschiktst kon handelen, en tot genoemde erflijke waardigheid kan zijn verheven geworden; zoodat onze hendrik zeer goed een zijner afstammelingen kan geweest zijn. - Dit is echter zeker, dat hij een man van middelen was, die voor uitspanning de kunst beoefende, en zich in hooge mate heeft beroemd gemaakt, terwijl ik volkomen met Houbraken kan instemmen, warmeer hij zegt, dat hij ‘te Utrecht uit een doorluchtig geslacht is geboren.’ - Ook meldt de steeds goed onderrigte De Jongh, in zijne Aanteekeningen op Van Mander, het volgende: ‘adam elshaimer heeft een discipel gehad, Jonkheer hendrik goud, geboren te Utrecht, uit een doorluchtig geslacht aldaar’ enz. Het is mede zeker, dat de titel van Jonkheer in die dagen hem niet kon worden gegeven, zoo hij niet van adel was; het woord doorluchtig duidt echter meer den rang van een vorstlijk verwant, dan van een adelijkgeslacht aan. - In het Gildeboek van St. Lucas te Utrecht vind ik hem op het jaar 1611

[p. 594]

ingeschreven: ‘hendrik goud, Edelman, plaatsnijder.’ - In geene mij bekende Biographiën, en evenmin zoo bij Immerzeel, vind ik, dat hij, bij het graveren, mede de schilderkunst heeft beoefend; ook is mij nergens, in eenig openbaar Museum of bijzondere kunstverzameling, schilderwerk van hem voorgekomen en toch moet dit aanwezig zijn. Immers, op eene kunstveiling van Jacob van Hoek, gehouden te Amsterdam, den 12. April, 1719, vind ik, onder Nr. 92 van den Catalogus: ‘Tobias met den Engel, door h. gout, ƒ6-15;’ dit was toen wèl betaald, dewijl het volgende Nr., zijnde een portret van juriaen ovens, door g. dou geschilderd, ƒ5-15 heeft opgebragt. - Op eene idem, te 's Gravenhage, van de Vrouwe van St. Anneland, van 6 November, 1725, onder Nr. 16 van den Catalogus: ‘Een kaersligtje, verbeeldende de Historie van Baucis en Philemon, door h. goudt, h. 8½ d., br. 10¼ d. ƒ40.’ - Zijne gravuren voor zooverre bekend, bestaan uit zeven stuks, en zijn merkwaardig, omdat die, zoo als Heller (L.) teregt zegt, tot de uitmuntende werken der XVII. eeuw behooren. Zij zijn allen op het effect der belichting berekend, naar de schilderijen van elsheimer, wiens zachte overgang van tinten door hem is wedergegeven. Ik bezit de voornaamste dezer gravuren, namelijk, de volgende: 1. Ceres, hare dochter Proserpina zoekende, lescht haren dorst bij de oude Metarina; links, staat haar zoon, Stellio, die de Godin bespot, en dien zij in een kikvorsch herschept. Romae 1610. Nachtstuk met maan- en vuurbelichting, in gr. fo. in de hoogte. w. hollar heeft hiernaar eene fraaije kopij met het volle effect gemaakt, doch de zuiverheid van het origineel niet teruggegeven. Zij is onder den naam van De Tooverij bekend. - 2. Jupiter en Mercurius bij Philemon en Baucis 1612; met lampbelichting, in fo. bijna vierkant. - 3. De Engel geleidt, in een landschap, den jongen Tobias, die den visch met zich sleept. 1613; bekend onder den naam van den Grooten Tobias, in fo in de breedte. - Le Blanc schijnt zich bij de beschrijving dezer prent vergist te hebben, daar hij zegt, dat Tobias den visch onder den arm draagt; dit moet slaan op den kleinen Tobias, dien hij weder den visch laat slepen. - 4. De Engel voert Tobias door het water, die den visch onder zijn arm draagt. 1608; bekend onder den naam van den kleinen Tobias. Hiervan bezit ik ook eene gravure, anders om, doch wat grooter, zonder marge, dus niet beteekend, en, zoo ik meen, geene kopij van hollar; welligt van a. elsheimer-zelven, die, volgens Nagler, dit onderwerp in koper heeft gebragt; 8o. in de breedte. - 5. De vlugt in Egypte. 1613. Nachtstuk bij maan- en vuurlicht, fo. in de breedte. - 6. Aurora, landschap, bij het aanbreken van den dageraad. 1613, 8o. in de breedte; - en 7. De onthoofding van Johannes den Dooper. Nachtstuk, door fakkels belicht, klein prentje in ovaal, en het zeldzaamste onder de genoemde prenten.

[Gousbloom, (....)]

GOUSBLOOM, (....) een weinig bekend Nederlandsch graveur, van wien wij een portret hebben van Leonard van der Goes. Dit wordt door Bryan-Stanley vermeld. - Later zag ik eene groote plaat, met het opschrift: Trap der voorbeelden der Heer Jesu Christi, en werklijk is het een dubbele trap, waarop boven aan Mozes, en aan de beide zijden zes treden, op welke een Profeet staat; verder met veel zinspelende afbeeldingen versierd. Het geheel is, even als de bekende prenten, de Trap der Jeugd of die des Menschelijken levens, afgebeeld, terwijl het graveerwerk van zeer geringe verdienste is.

[Gout, (Antoine)]

GOUT, (Antoine) een Hollandsch teckenaar en graveur, die in den jare 1639 bloeide. - Het volgende vind ik vermeld in den beredeneerden Catalogus van prenten bij Van Hulthem, blz. 275, onder Nr. 1666: ‘Vier en twintig gezigten en landschappen van Zweden, Rusland, en Moscovië. h. hondius, excud. 1639.’

[p. 595]

Meer is mij niet van hem voorgekomen. Waarschijnlijk, is hij meest uitlandig geweest en elders gestorven.

[Goutero, (Antonio)]

GOUTERO, (Antonio) een weinig bekend kunstenaar, die, in het begin der XVII. eeuw, te Amsterdam bloeide, en van wien men alleen zijn huwelijk te Leyden vindt aangeteekend: ‘8 Nov., 1602. antonie goutero, jonkman, schilder, wonende te Amsterdam, die zelfs niet gecompareerd is; met Geertruyt van Wanevelt (?) van Harderwyk, vergezeld met Margriet van Zebene haer nichte.’ Zie De Navorscher, VII., blz. 203. - Hij kan wel de vader geweest zijn van den vermaarden toonkunstenaar Jacobus Goutero, door jan lievens geschilderd, en geëtst in prent uitgaande, toon deze beide Leydenaars hun talent in Engeland aan het hof bragten.

[Gouthier of Gottier. (....)]

GOUTHIER of GOTTIER. (....) Nagler zegt, op gezag van Descamps, dat hij schilder te Brussel was, en er daar in de St. Jacobskerk, en in Notre-Dame des victoires sur le Sablon, schilderstukken van hem gevonden worden, die wegens kleur en uitvoering lofwaardig zijn.

[Gouvarts of Govert. (....)]

GOUVARTS of GOVERT. (....) Volgens. Descamps was deze een bekwaam landschapschilder, die gelijktijdig zeer goed kleine figuurtjes bearbeidde, en jong gestorven is. - Verder zegt hij, dat gouvarts een leerling is geweest van gerrit pieterszen, zoodat hij op het einde der XVI. eeuw kan hebben gebloeid. Deze meester wordt in het levensberigt van gemelden pieterszen, bij Van Mander, govert genoemd.

[Gouwen (Guil. of Willem van der)]

GOUWEN (Guil. of Willem van der) is reeds bij Immerzeel vermeld, die hem van gouwen noemt, doch ten onregte: hij schreef van der; zijne initialen waren g.v.g. Zie de plaat, Slag van Josua, naar g. hoet, in den Prachtbijbel van Van der Marck; - Joodsche Oudheden ofte voorbereiding tot de Bybel-wysheid, enz. Amst. bij Willem Goeree, in fo. I. deel; - Den Titel voor Halma, Tooneel der Nederl.; - Item voor Lairesse, Schilderboek enz. - Onder de portretten is, volgens Nagler, dat van Franciscus Valentinus, Dordracensis, door hem geëtst, en door p. van gunst, naar houbraken, afgewerkt. - Verder moet ik hier opmerken, dat men dezen graveur wel moet onderscheiden van een anderen van dienzelfden naam, die vroeger gelijksoortig werk heeft gesneden. - Zie aldaar.

[Gouwen (Wilhelm van der)]

GOUWEN (Wilhelm van der) wordt bij Heller (L.) als een graveur opgegeven, die, tegen het einde der XVI. eeuw, te Haarlem bloeide, en een leerling van picart is geweest. Dit is onmogelijk, want bernard picart is, te Parijs, geboren, 1673, en 1733 overleden, te Amsterdam, waar hij zich eerst in het begin der XVIII. eeuw had neêrgezet; ook niet van diens vader, etienne picart, die steeds te Rome of te Parijs zijn verblijf hield, en bovendien geboren werd in 1631, en in 1721 overleed. - Heller noemt alleen van zijn werk: ‘De groote Walvisch, zoo als die in den jare 1598 op de Hollandsche kust, bij Scheveningen, op strand is geworpen, h. 10 dm., br. 12 dm. 6 str. Par.’ Blijkbaar heeft hij deze plaat los gezien, en niet geweten, dat zij een boekprent is, die in Hugo de Groot, Ned. Jaarboeken enz., Amst., 1681, bl. 326, voorkomt. Deze prent beteekend zijnde gilliam van der gouwen fe., zoo is het niet denkbaar, dat hij haar - daar zij voor genoemd Werk vervaardigd en zeker naar eene andere afbeelding, in 1598 gemaakt, genomen is, - zoo als Heller meent, op dat jaar zou hebben gegraveerd. Zij is welligt naar de kleine afbeelding genomen, die op den titel voorkomt van het Werkje: Walvisch van Berkhey. Dat is: eene Beschryvinghe des grooten Vischs die tot Berckhey ghestrandet is Ao 1598 den 3 February; met eene verclaringhe der dinghen die daer naer ghevolght zyn enzv. Zonder plaats, of jaar van druk; doch 1599. 4o. - De slotsom is, dat hij, bekend zijnde met een graveur

[p. 596]

van dien naam, die een leerling van picart geweest is, alzoo dien misslag heeft begaan; doch van der gouwen heeft bijna twee eeuwen, en onze wilhelm eene eeuw, later dan de graveur van den gemelden Walvisch gebloeid. - Ik bezit het portret van den beroemden reiziger Pietro della Valle, beteekend gilliam van der gouwen sch., in 4o., wat ik houd voor werk van den laatstgenoemden graveur.

[Govaarts, (....)]

GOVAARTS, (....) welligt dezelfde als de vermelde govert. - Op eene kunstverkooping, te 's Gravenhage, in 1752, gehouden, vind ik, onder Nr. 43 en 44 van den Catalogus: ‘Vrolyke gezelschappen, door govaarts,’ vermeld, en op eene idem, te idem, in 1763, onder Nr. 101: ‘Een landschap met gebouwen en figuren, in de manier van j. breugel, door govaarts.’

[Govert (....)]

GOVERT (....) schilderde landschappen, met eigendunklijke figuren gestoffeerd. - Hij bloeide, zegt Bryan-Stanley, in de eerste helft, of in het midden der XVII. eeuw, te Amsterdam.

[Govertz. (Theodorus)]

GOVERTZ. (Theodorus) Bryan-Stanley berinnert ons ook nog dezen als een portretschilder, te Utrecht, die de meester is geweest van h. verschuuring en d. camphuysen, en in het midden der XVII. eeuw heeft gebloeid.

[Goyen of Goye. (Jan van)]

GOYEN of GOYE.(Jan van) Het levensberigt van dezen bekwamen kunstenaar is overbekend; echter kan ik er nog bijvoegen, dat hij ook portretten heeft geschilderd, welke ik niet weet, dat ergens vermeld zijn; namelijk, dat van den theologischen Hoogleeraar Jacobus Trigland, waarschijnlijk, te Leyden geschilderd, toen deze daar een leerstoel bezat. Dit portret is fraai door j. houbraken gesneden; het behoort tot de bijprenten in Wagenaar's Vaderlandsche Historie, en waarop duidelijk zijn merk of monogram, met pinxit, door den graveur er is bijgevoegd. - Ook is het hier de plaats, eenige zijner zeldzame etsen te vermelden, als: Het kleine dorp, met eene kerk, en eene hooge houten brug; aan de regterzijde huizen, op den voorgrond eene schuit met twee visschers. - In een dorp met geboomte staat op den voorgrond een ruiter met twee honden, en eene vrouw met twee kinderen. - Een idem, waarin links eene kerk, en op den voorgrond eene gewelfde brug, die over eene rivier ligt, waarop een man, die, met een vaartstok, eene schuit er onder door leidt. - Een Rijngezigt, met bergachtig verschiet; op den voorgrond gebouwen, waarbij twee mannen, die de veerpont, met een wagen en paarden beladen, afwachten. - Een Dorpsgezigt, waarin eene kronkelende sloot tot op den voorgrond uitloopt, waarover een vlonder, waar een man wil overgaan; verder eene vrouw met een kind aan hare hand, een blaffende hond enz. Deze vijf stuks zijn zeldzaam, allen beteekend jan van goye, en genoegzaam van ééne grootte in 4o. oblong. De eerste drukken zijn met het adres van Huyck Allaerdt, de tweede met dat van R. en J. Ottens beteekend; de derde druk is opgesneden, zoo als de tweede vermelde prent toont, eene bewerkte lucht te hebben verkregen enz. Zij zijn in de verzameling van zeldzame prenten bij den Heer J. Ph. van der Kellen, te Utrecht. - Verder vind ik nog vermeld Een groot kanaal, met in de verte eenige dorpen; ter regterzijde op den voorgrond ligt bij den oever eene schuit, en staat eene koe, die gemolken wordt. Dit prentje is hoogst zeldzaam. - Te Londen, in Lord Grosvenors Galerij, zag ik van hem eene schilderij, voorstellende: Een gezigt op Nijmegen, zeer warm van kleur, en dat in het geheel albert cuyp zeer nabij komt. - Een idem riviergezigt bij een dorp. Hieraan wordt dezelfde verdienste toegekend; het berust in Engeland, in de Galerij van Castel-Howard. - Verder worden zijne werken in de meeste Europesche Museën, met achting, bewaard. - ant. van dyck heeft zijn afbeeldsel geteekend, dat op de verkooping van Verstolk van Soelen, te Amsterdam, in 1847, gehouden, onder Nr. 62 van den

[p. 597]

Catalogus voorkomt, en met ƒ332 gulden werd betaald. Het is deze teekening, waarnaar de prentteekening door ploos van amstel is vervaardigd, die er vroeger bezitter van was. - In den Catalogus van Van der Marck, Aegidz. te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, waren twee afbeeldingen van hem; Nr. 412: ‘Hij is verbeeld wandelende in een landschap; ongemeen fraai en zeer natuurlyk door bartholomeus van der helst, op paneel, geschilderd, h. 35½, br. 27 dm. Rijnl, maat. - Nr. 413. Denzelven schilder. In dit stuk is hy halver lyf te zien, omhangen met een mantel, het hoofd gedekt met een hoogen hoed, fraai op paneel geschilderd, h. 7½, br. 6 dm. Naar dit tafereel heeft de Ridder karel de moor het prentje van dezen meester geëtst.’ Deze ets is in gr. 4o. Hij staat tegen eene balustrade, in mantel, met een hoed op, en een liggende kraag; daaronder joannes à goyen. Natione Batavus genuinus Pictor Regionum.

[Goyer, (... De)]

GOYER, (... De) een nog onvermeld kunstschilder, die, on het laatst der XVI. of in het begin der XVII. eeuw, waarschijnlijk, te Utrecht, bloeide. Het uittreksel van een Testament, dat hier volgt, maakte mij met hem bekend: Johan van Renesse maakte, bij uitersten wil, den 12 September, 1618, aan het kapittel van St Jan, te Utrecht, waarvan hij deken was, ‘zyn contrefeytsel, geschildert door de goyer.’ Zie Dodt, Archief enz., II., blz. 79. Deze deken was een natuurlijke zoon van Adriaan van Renesse, deken van den Dom, bij Anna van Abcoude van Meerten verwekt, geboren 1540, deken van St Jan, 16 December, 1597, overleden 27 Julij, 1619, oud 79 jaar. Zie Utrechtsch Plakaatboek enz. I., blz. 255. - Nu is de vraag, op welken leeftijd heeft hij zich laten afbeelden? Is zulks als Deken geschied, dan heeft de goyer dit tusschen 1597 en 1619 gedaan. Zoo niet, dan kan de schilder wel ruim eene halve eeuw vroeger gebloeid hebben.

[Goyert (....)]

GOYERT (....) vind ik, in het begin der XVI. eeuw, als een Utrechtsch schilder, in de Stadsrekeningen vermeld: ‘Item gegeven goyert, de schilder, van de trompers vaentgens, St. Meerten aan elcke zyde inne te zetten, van gout ende zyde, ende van de scuttervaentgens van gout te maken, 13 guld. 15 stuiv.’ - Kameraarsrekening, 1524, bij Dodt, Archief, III. dl.

[Graaf. (Josua de)]

GRAAF. (Josua de) Aldus is mij die naam voorgekomen, en niet alleen graaf of grave, zooals bij Immerzeel wordt gemeld.

[Graaf (J.B. de)]

GRAAF (J.B. de) vind ik als teekenaar vermeld in den Catalogus van J. Stinstra, Amsterdam, 1823, blz. 10, Nr. 34: Twee stuks Gezigtjes in Amersfoort, door J.B. de graaf.’

[Graaf. (N.B. en J.R. de)]

GRAAF. (N.B. en J.R. de) Verscheiden kunstenaars zijn mij op dien naam voorgekomen, waaronder ook deze, en ik geef hier hunne werken op, zooals die in den Catalogus van Daniel Vrijdag, Amsterdam, 1825, blz. 29, worden beschreven: ‘Omslag DD. inhoudende negentig stuks landschappen en beelden door n.b. en j.r. de graaf, zullende in eens of bij koopen worden geveild.’

[Graaf (Reinier de)]

GRAAF (Reinier de) was een plaatsnijder, die, op het laatst der XVII. eeuw, te Haarlem, bloeide. - Van zijne werken is mij nimmer iets voorgekomen, en ik vind hem alleen, hoewel niet gunstig, vermeld, in den Brief van den Leydschen Hoogleeraar Mr. A. Kluit aan Mr. H. van Wyn, over eenige Handschriften van K. van Alkemade, bijzonderlijk over Klaas Kolyn. Hierin wordt de echtheid of onechtheid der Rijmkronijk van genoemden Kolyn besproken en vooral de aanval van Gerard van Loon tegen Van Alkemade, die ze in 1699 had uitgegeven, door Kluit afgeweerd, om niet ‘voor verdichter door te gaan, als een reinier de graaf, 't zij deze zelf de maker, 't zij de verkooper van dat gewaande handschrift van Klaas Kolyn geweest zij. En hiermede hoop ik de eer en nagedachtenis van den goeden, maar geschonden naam van den Heer Cornelis

[p. 598]

van Alkemade, tot uw genoegen en dat van alle brave vaderlanders, volkomen gezuiverd te kebben. Ik houd regnerus de graaf, Plaatsnijder, te Haarlem, voor den bedrieger van Van Alkemade. Ik blijve met alle achting, Uw gedienstige Vriend, Adriaan Kluit. Leiden, den 1. October 1801.’ Zie H. van Wyn, Huiszittend Leven, Mengelstoffen over Letter-, Historie- en Oudheidkunde enz. Amsterdam, bij Allart, 1807. I. dl., blz. 129, 193 en volgg.

[Graasbeek. (Joost van) Zie bij mij op Craesbeeck, (Jodocus of Joost van)]

GRAASBEEK. (Joost van) Zie bij mij op CRAESBEECK, (Jodocus of Joost van) en bij Immerzeel op CRAASBEEK. (Joost van)

[Graat. (Barend)]

GRAAT. (Barend) Zijn portret, door hem-zelven geschilderd, is zeer fraai door mathys pool in koper gesneden, in 8o. Deze prent is klaarblijklijk genomen naar hetzelfde portret, met de hand op een zandlooper wijzende, die bij eene kolom staat. Rond het ovaal, waarin het portret gevat is, leest men: Daar is noch wat in, zinspelende op het weinige zand, dat nog in het glas te loopen heeft, en aldus zijn hoogen ouderdom aanduidt. Het is fraai gesneden, en, ik meen, ook door genoemden pool. Het zeldzaam exemplaar, dat voor mij ligt, is vóór allen naam. - Volgens Heller (L.), heeft hij ook geëtst. Deze vermeldt een klein prentje: Het staande en het liggende Schaap. - Nagler zegt: ‘staande Hamel,’ en nog: ‘bij een boomstam, de kop van een jongen Bok.’ h. 3 dm. 4 str., br. 5 dm. 2 str. Par. De eerste afdrukken zijn vóór de letters b.f., en tusschen deze letters een Graat. - Bij Bartsch wordt dit prentje verkeerd voor waterloo's werk opgegeven.

[Graauw. (Hendrik)]

GRAAUW. (Hendrik) Op het berigt van Immerzeel moet nog volgen, dat Bryan meldt, dat hij in 1682 is overleden. - Balkema zegt, in 1684. - Nagler heeft het jaar 1672, toen hij Utrecht, om den inval van het Fransche leger, verlaten heeft en naar Hoorn trok, bij vergissing, voor zijn sterfjaar geboekt. - Hij is te Alkmaar overleden.

[Gracht (Jacob van der)]

GRACHT (Jacob van der) staat bij Immerzeel alleen als uitgever van een anatomisch Werk vermeld. De titelplaat van dat Werk, met zinspelende figuren, is, zeker, even als de overige, daarin voorkomende prenten, door hem geëtst, en, waarschijnlijk, de figuur, die bezig is, op een cadaver les te geven, de afbeelding van van der gracht-zelven. Verder leest men daarop: Anatomie der wtterlicke deelen van het Menschelick Lichaem. Dienende om te verstaen ende volkomentlick wt te beelden alle beroerlicheit des selven Lichaems. Aengewesen door jacob vander gracht, schilder. Bequaem voor Schilders, Beelt-Houwers, Plaetsnyders, als oock Chirugiens. Wtgegeven door den Auteur. In 's Graven-Hagae, 1634, in fo. Bij Nagler eene drukfout, 1534. De eerste druk is in mijn bezit. Hiervan bestaat een tweede druk, in 1660, met denzelfden titel, doch veranderd: Wtgegeven door Quiryn Smits, Boeckverkoper, woont in de vergulde Boeckcraem tot Rotterdam, en een daarbij behoorend vervolg van Het verhael van het Hart enz. te Rotterdam, gedruckt by Hendrick de Bruyn, in 1660, zonder platen. - Uit de Voorrede blijkt mij duidelijk, dat hij zijn meesten tijd in Italië doorgebragt, en zijne kunst tot eene aanzienlijke hoogte opgevoerd heeft, dewijl hij, over de noodzakelijkheid der anatomische kennis voor den kunstenaar sprekende, zegt: ‘Ick heb menich-mael verwonderd geweest van myn Heer den Hertogh van Alcala, gewesen Viceroy van Napels, die my de eer gedaen heeft, ettelyke jaren onder syn Hof-ghenoten te houden. Hy placht te seggen, dat de schilderkonst, by de meerderen deel van hare liefhebbers in groot verval gekomen was, omdat veel van ket getal schilders, weynigh de Theorie verstaen, daer hy nochtans is de eenige Fonteyn, uyt de welcke alle de volmaectbeyt der uytwerkinge moet vloeyen.’ Zijne kunstwerken zijn dus welligt alleen in dat land gebleven, en wanneer ik de uitgave

[p. 599]

van genoemd Werk, bij zijne terugkomst in het vaderland, als de vrucht zijner vroegere studiën beschouw, dan behoort hij reeds tot de schilderschool van het laatst der XVI. eeuw. - Verder zegt hij, dat hij zich: ‘niet weynig jaren, noch buyten 's lants wesende, tot een neerstich verhandelen der Anatomie begheven, ja oock verscheyden lichamen met eygen handen ontleed heeft’ enz.; voorts, dat hij ook de Werken van Andreas Vesalius, Andreas Laurentius, Bartholomeus Cabrolius en anderen bestudeerd had, en in het bezit was van de teekeningen, die er in voorkomen, ‘die eenige meynen door michel angelo, andere door baccio bandinelli, wel eertyds geteykent te wezen’, en dat hij geen ondienst meende te doen met dit Werk in Nederland te doen verschijnen. - In hoeverre zijne anatomische afbeeldingen van waarde zijn, zou men mogen beoordeelen naar Prof. E. Sandifort, in de uitgave van het Werk: Andreae Vesalii Anatomici summi Tabulae ossium humanorum etc.; Lugduni-Batavorum, 1782, in fo., de I. en III. plaat, waar de figuren letterlijk kopijen zijn naar van der gracht, en waaronder men leest j. wandelaar fecit.

[Gract. (Regnier van der)]

GRACT. (Regnier van der) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven te Rijssel worden bewaard, vindt men op het jaar 1467 aangeteekend: ‘A regnier van der gract paié pour V jours à X S. pour jour L S.’ - Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als schilder verrigt, voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op REGNAULT. (Amand) - Hij kan een voorzaat geweest zijn van den Megchelschen schilder gommarus van der gracht, want deze geslachtsnaam, door een Fransch schrijver geboekt, kon wel niet anders uitvallen, dan hij hier aan het hoofd is gesteld.

[Grado, (Franscesco)]

GRADO, (Franscesco) een kunstgraveur, zegt Nagler, die voor een Nederlander wordt gehouden, en, in het begin der XVII. eeuw, even als zijne zonen bartolomeo en archangelus, te Napels, werkzaam was.

[Graef, (Timotheus de)]

GRAEF, (Timotheus de) en niet graaf of grave, zoo als bij Immerzeel wordt gemeld. - Dat hij een Amsterdammer zou zijn geweest, kan ik wel aannemen, daar mij onderscheiden tafereelen en gezigten in die stad, door hem vervaardigd, zijn voorgekomen, als: ‘Een fraai Gezigt binnen Amsterdam na de Munt en 't Rondeel van de Schaapemarkt door timotheus de graef.’ Zie Catalogus van Terwesten, bl. 155. - Verder wordt ook door zijn tijdgenoot Jan van Gool, in het levensberigt van jacob appel, die te Amsterdam werd geboren, in 1680 vermeld, dat deze zijn eerste onderwijs, gedurende den tijd van twee jaren, bij timotheus de graef, een wakker landschapschilder, heeft ontvangen. - Nagler heeft zich vergist door te berigten, dat de graef het onderrigt van appel genoten heeft.

[Graf of Grave, (Hans of Jan)]

GRAF of GRAVE, (Hans of Jan) een houtgraveur, van Amsterdam, van wien geene levensberigten bekend zijn. - Hij heeft voor de weduwe van den schilder conrad fabri, te Frankfort, een gezigt op die stad, dat haar door den Raad besteld was, naar de teekening van gemelden fabri, in den jare 1553 in hout gesneden. - Sommigen meenen, dat de letters h.g.f., aaneengehecht, en op gemelde plaat voorkomende, het monogram van hans grunewald aanduiden; doch Nagler zegt, dat het hans graf beteekend, daar men zeker weet, dat deze aen gezigt dier stad vervaardigd heeft. - Zie ook Brulliot.

[Graham of Grahan. (F.G.)]

GRAHAM of GRAHAN. (F.G.) Eene zeer goede houtgravure, door hem gesneden, voorstellende De Havestad Ningpo, en in Nederland uitgegeven, is mij van dien graveur voorgekomen. Dit werk van later tijd dagteekenende, dan dat van johan van dien naam, zoo zou hij wel een zoon van den hiervolgenden johan graham kunnen geweest zijn. - Welligt is hij dezelfde, bij Fiorillo vermelde j. graham. - Zie op GRAHAM. (Johan)

[p. 600]

[Graham, (Johan)]

GRAHAM, (Johan) bij Immerzeel vermeld, die, ten slotte, zegt: ‘Hij heeft aldaar ('s Gravenhage) historiële onderwerpen geschilderd, ook tot versiering van plafonds en zaalwanden.’ - Hierop laat ik Pieter Terwesten Ms., antwoorden, die zijn tijden stadgenoot te 's Hage was: ‘dat hy, na zyne volbragte studiereizen, zich wyders seedert jaaren weder hier by zyne zuster bevonden en gewoont, echter nooit groote progressen in de kunst gemaakt heeft; als niet bekent zynde dat hy, buiten twee platfonds in het huys van zyn gemelde zuster, hier iets voor een andere geschilderd heeft.’ - Verder meldt hij, dat hij les in de Engelsche taal heeft gegeven, en in 1775 met zijne stokoude zuster van 's Hage naar Londen is vertrokken. In 1776, toen Terwesten schreef, was hij 70 jaren oud. - Fiorillo noemt op weinig lateren tijd, in zijne Geschichte der Mahlerey in Grossbritannien u.s.w. eenen j. graham, die, voor de Shakespeare-Gallery, eene voorstelling uit den Othello (Act. V. Sc. 2) heeft vervaardigd: deze kan wel een zoon, of althans van zijn geslacht geweest zijn.

[Grandjean. (Jean)]

GRANDJEAN. (Jean) Deze bekwame kunstenaar is reeds bij Immerzeel vermeld. Hij heeft ook de etsnaald gehanteerd, daar Heller (L.) Een Bachanaal, 1744, in 4o. van hem opgeeft. - Bij die hoogst zeldzame prent, kan ik hier nog eene eerste proef van zijn etswerk voegen: Eene mythologische voorstelling, zijnde twee weinig gedrapeerde figuren, in een Arcadisch landschap, bij zwaar geboomte gezeten, en die zich liefkozende onderhouden; h. 276, br. 203 str. Ned. zonder de marge. De figuren, die hierin zeer groot voorkomen, zijn het minst afgewerkt. Zonder eenige beteekening. - Ik bezit eene zeer fraaije teekening in fo. van hem, zijnde een Gezigt op de Poort van St. Jan van Lateraan, te Rome; - alsmede zijn portret, à trois quart, in een ovaal gevat, met O.I. inkt, en een idem, van voren te zien, met zwart en wit krijt, op blaauw papier geteekend.

[Grasdorp. (Jan)]

GRASDORP. (Jan) Een meester, die weinig bekend schijnt te zijn, en wiens werken echter zeer verdienstlijk geacht worden. Immers, in het Berlijnsche Museum, wordt, onder Nr. 502 van den Catalogus, vermeld: ‘In een bloemtuin is, nevens eene fontein, eene dame gezeten met een hondje op haren schoot, dat door een heer, die tegen eene balustrade leunt, geplaagd woordt. Zij schijnt hem te verzoeken, daarmede op te houden.’ Met den naam j. grasdorp, h. 1 vt. 4 dm., br. 1 vt. ½ dm., Rhijnl.; vroeger behoorde deze schilderij tot de Giustinianische Galerij.

[Grave. (Jan Evert)]

GRAVE. (Jan Evert) Immerzeel zegt, dat hij niet ongelukkig slaagde in de kunstvakken zijner meesters jacob cats en jan punt. Bij punt zal hij slechts korten tijd onderwijs in het teekenen hebben genoten, want deze is in 1779 overleden, en grave was toen twintig jaren oud: het zal dus hoofdzakelijk bij den gevierden kunstenaar cats zijn geweest, dat hij zijn natuurlijken aanleg voor het vak van landgezigten, zeer gelukkig, ontwikkeld heeft. Eere dien eere toekomt! - Ik heb van onzen grave voor mij liggen een landschap, vol geboomte, waarin de bogt eener rivier, en daarom liggende rijweg zich tot op en langs den voorgrond uitstrekt, met hoog lisch bewassen; tusschen dit lisch zit een man met twee hengels te visschen; aan de overzijde een gezelschap op een watersteiger, vóór het landhuis gelegen, dat zich met een kruisnet op gelijke wijze vermaakt; verder eene trekschuit met jager, paard enz. Deze prent is, met eene ongelooflijke zorg, zeer uitvoerig, tevens fiks met de etsnaald en de burin bewerkt, en de kleuren der natuur, benevens de stille bedaging met invallend licht, zijn door zooveel gevoel van waarheid teruggegeven, dat men, onder de beschouwing daarvan, onwillekeurig aan de werken van hobbema en hackert herinnerd wordt. Als men daarbij voegt de goede teekening, gepaard met de zoo noodige

[p. 601]

kennis der perspectief, daarin duidelijk toegepast, dan kan en mag men onzen grave niet anders dan met hoogachting herdenken. Deze prent is vóór de letter, en, waarschijnlijk, een gezigt in de omstreken van Haarlem, beteekend j.e. grave ad vivum del. et fecit. Welligt behoort zij tot de hier volgende uitgave: Een Stel van twee Kunstplaten, zynde gezichten in het Geyn, geteekend en gegraveerd door j.e. grave gr.-formaat, Amsterdam, 1794. Dit is, zeker, van zijn beste werk; want ik bezit van hem kleinere land- en dorpgezigten, die in zulken lof niet mogen deelen. - Hij heeft ook in aqua-tint gegraveerd, waarvan ik mede eene prent, in 8o. oblong, bezit, voorstellende: Een Landschap, waarin eene poort bij een vervallen slot, met geboomte; op den voorgrond, bij een heuvel, drie kunstenaars, waarvan er een de genoemde poort afteekent. - Verder heeft hij de boekprenten, waarin beelden de hoofdzaak zijn, vervaardigd in 8o., die in eene Beschryving van kerkelyke gebruiken enz. in Italië te huis behooren, en, wat de uitvoering betreft, middelmatig van verdienste zijn. Dit werk schijnt dus meer voor den broode gedaan te wezen. - Bij de vreemde auteurs blijkt hij niet bekend te zijn.

[Grave. (J. de)]

GRAVE. (J. de) Een gezigt op het Vrijhof, te Maastricht, door j. de grave, vind ik vermeld in den Catalogus der schilderijen van G. Muller, verkocht te Amsterdam, April, 1827. - Daar de naam verschilt met dien van jozua graaf of grave en jan evert grave, reeds bij Immerzeel vermeld, zoo geef ik den bedoelden grave hier eene plaats. Aangezien de onderwerpen hunner kunstwerken gelijk staan, zoo kan ik niet beslissen of het bovenbedoelde werk van den genoemden jozua is.

[Grebber, (A. de)]

GREBBER, (A. de) Zoo men op dezen naam zeker kan afgaan, door den dichter Jan Vos, als dien eens schilders vermeld, die De verarmde Ouderdom in het oude Mannenhuis, terwyl ze van de Nydt voortgetrokken werd enz. - en De Ouderdom komt by Amsterdam, die de Overvloedt by zich heeft enz., met cornelis brize, vervaardigd heeft, dan is het een andere persoon dan de bekende pieter fransz. de grebber, die, als kunstenaar en vervaardiger van gelijke onderwerpen, voor Haarlem, heeft geschilderd. Misschien is hij een broeder of zoon van den gemelden pieter, en heeft dan gelijktijdig met hem, op de helft der XVII. eeuw, gebloeid. Zie Jan Vos, Gedichten, 2. druk; Amsterdam, 1726, in 4o. I., blz. 390. - Later ben ik in het bezit gekomen van eene gravure in fo. door pieter de jode, - zeker wel van zijn eerste werk - naar a. de grebber pinxit, voorstellende drie naakte kindertjes, in een bergachtig bosch; het een wringt druiven, wier sap het vrolijk drinkt; het ander, gezeten, heeft een korenaar, en het derde, mede zittende, een schietboog in de hand; zij vermaken zich onderling. - Naar alles te oorderlen, behoort zijne kunstverdienste tot het middelmatige, ten minste wat de teekening betreft, daar men over de kleur in de gravure weinig kan uitweiden. - Uit het een en ander mag ik besluiten, dat hij anton de grebber, leermeester van willem van ingen, zal zijn, en alzoo in het midden der XVI. eeuw bloeide.

[Grebber. (Frans Pietersz. de)]

GREBBER. (Frans Pietersz. de) Bryan-Stanley zegt, dat hij geboren werd in 1579, en in 1636 overleden is. - Immerzeel berigt hier niets van, en bij Van Mander, in 8o., II., blz. 213, in eene Noot, wordt duidelijk door De Jongh gemeld, dat hij in 1648 nog leefde, ‘maar door zyne hooge jaren niet meer in staat om te schilderen.’ - Zijn geboortejaar moet stellig vroeger dan 1579 zijn, en de geboorte van, zijn zoon, pieter fransz., op het jaar 1590 gesteld, zal dus natuurlijk veel later plaats gehad hebben. - Nog heb ik gevonden, dat hij de eerste leermeester is geweest van pieter faes genaamd lely.

[Grebber. (Pieter Fransz. de)]

GREBBER. (Pieter Fransz. de) Van dezen bekwamen historie- en portretschilder wordt gemeld, dat hij ook heeft geëtst, en het prentje: De Samaritaansche

[p. 602]

vrouw bij Christus aan de waterput, alleen als bekend opgegeven. - Ik voeg hier de prenten bij, die later bekend zijn geworden, en bij Heller (L.) staan vermeld. als: Susanna met de beide Ouden, 1685, fo. - De H. Magdalena fo. - De H. Petrus fo. - Cornelius Arnoldus, naar rubens, 1630. - De drie laatstgemelde zijn zeer zeldzaam. - Zie over zijn geboortejaar op zijn vader, frans pietersz. de grebber. - Bryan-Stanley zegt, volgens de opgave van Nagler en Balkema, dat hij in 1600 geboren werd, en in 1655 nog in leven zou zijn geweest, blijkens eene zijner prenten, met laatstgenoemd jaartal gemerkt. Naar gissing, zou hij het volgende jaar overleden zijn.

[Greenwood (Cornelis)]

GREENWOOD (Cornelis) staat bij Immerzeel vermeld, en ik voeg daarbij, dat zijn portret bij Van Eynden en Van der Willigen voorkomt. - Nog vind ik bij Weigel, Kunstcatalog, Nr. 27, bl. 197, een idem, Borstbeeld in Medaillon, met bijwerk, in zwarte kunst, door een Engelschman, w. pether, gegraveerd, in 4o.

[Greenwood (Frans)]

GREENWOOD (Frans) wordt insgelijks bij Immerzeel vermeld, en ik voeg daarbij. dat er een fraai portret, met veel zinnebeeldig bijwerk omgeven, in zwarte kunst, van hem uitgaat, door aart schouman geteekend en gegraveerd, in 4o., waarvan de teekening in het bezit is van Dr. A. van der Willigen, te Haarlem. Ik heb die afbeelding, zeer goed, en camaïeu, op papier geschilderd, in de manier zoo als a. van der werff er een aantal heeft vervaardigd, namelijk, de portretten, voorkomende in het Werk van De Larrey, Geschiedenis van Engeland enz. Van onder op een epitaaf staat frans greenwood, oud 58 jaren, en ter zijde 1738; doch zijne afbeelding is jonger en hij met een langharige paruik voorgesteld. - Nog bestaat er een idem, zwarte kunst, in 8o. zonder eenige beteekening, en, zoo gemeend wordt door r. jelgerhuis sculp. - Zie Catalogus van Portretten van F. Muller, Nr. 1986. - Ik moet hier nog toelichten, wat Immerzeel zegt, te weten, dat hij met den diamant fraai op glas teekende. Dit is echter geheel wat anders. Zijn tijdgenoot en vriend Jan van Gool vermeldt uitdruklijk, dat hij het eerst de uitvinding heeft gedaan, om de bekende wijze van op glas te teekenen, juist anders om te bewerkstelligen: namelijk, al de lichtpartijen van een voorwerp op het glas te beëtsen, en om dus voor alles, wat men in eene gravure, door schaduwen te snijden, uitdrukt, het glas-email-zelf te behouden; zoodat men, wanneer een pokaal met wijn is gevuld, daardoor de kracht der schaduwtinten bekomt, die in eene fraaije kopergravure gevonden wordt, terwijl de eerstgenoemde wijze van werken juist het tegendeel voortbrengt.

[Greenwood. (John)]

GREENWOOD. (John) Bij het artikel, door Immerzeel gegeven, kan ik nog voegen, dat hij de graveerkunst heeft geleerd bij michiel elgersma: dit is mij gebleken uit het portret van den laatstgenoemden, door hem geteekend en gegraveerd. Zie over dat portret, met een vierregelig vers er onder, op ELGERSMA, (Michiel) terwijl tevens hieruit blijkt, dat hij zijn meester in hoogen ouderdom heeft afgebeeld. - Het voornaamste van zijn graveerwerk is, zeker, wel het portret van den vermaarden graveur simon fokke, in plano-formaat, naar de schilderij van jacobus buys pinx. Hij is aan eene tafel gezeten, vertoonende den aanschouwer eene prent, welke hij in de regterhand heeft. Deze prent is met zorg bewerkt. - Zijne portretten in mezzo-tinto zijn goed uitgevoerd: onder anderen dat van Dus, W. Muilman Willz. in fo., naar la croix pinx. - Bij Nagler vindt men zijne verdere prenten beschreven. - Ik voeg daarbij, dat er eene bestaat, voorstellende Een woelend zeetje met scheepjes, eerste druk met O.I. inkt, naar w. van de velde. - Dezelfde, tweede druk. - Dezelfde, in omber kleur, derde druk, - Dezelfde, vierde afgewerkte druk. Zie Catalogus van Mr. J. van Buuren, Bailluw van Noordwijkerhout, 1808. - In 1760 heeft hij zijne eigen afbeelding geteekend, en ook nog later gewerkt.

[p. 603]

[Greeve. (....)]

GREEVE. (....) Een Hollandsch kunstgraveur, zegt Nagler, dien Füssly, zonder verdere aanduiding, in zijn Supplement vermeldt, en dien wij eveneens niet kennen. - Zestien Gezichten van het Kon. Landhuis 't Loo zouden tot zijne werken behooren.

[Greeve. (S.)]

GREEVE. (S.) Een portret van Guilleaume George Frédéric, Prince d'Orange et de Nassau etc., door hem, in 1797, geteekend, en door f. bolt, in 1799, gegraveerd, in 8o. ovaal formaat, bragt mij tot de kennis van dezen bekwamen kunstenaar. Die afbeelding, met een vierregelig Fransch vers, par un Officier d'Artillerie Hollandaise er onder, is keurig bewerkt, en zeker goed gelijkend. - Of hij van dezelfde familie is als h. greeven, - Zie aldaar. - mag ik niet beslissen, hoewel de naam slechts eene n verschilt, hetgeen niet zelden aan de onachtzaamheid der lettergraveurs valt toe te schrijven. - Het is meer dan waarschijnlijk, dat onze greeve dezelfde persoon is, die bij Nagler, doch zonder voornaam, als een zeer bekwaam kunstschilder, uit 's Hage, vermeld wordt, in het begin onzer eeuw bloeide, zich aan de kunst-academie te Dresden en te Berlijn zeer onderscheidde, en, in 1811, naar Frankrijk ging, waar hij zijn kunstvak verder voortzette. - Er zijn landschappen van zijne hand, die den lof der kenners wegdragen.

[Greeven. (H.)]

GREEVEN. (H.) Een Portret naar het leven geteekend, en gegraveerd door w. van senus, zijnde dat van H.K.H. Frederica Sophia Wilhelmina, Weduwe van Prins Willem V, op bejaarden leeftijd voorgesteld, toen zij weder in Holland terug was, heb ik van dezen meester gezien. In hoever dit aan het origineel beant-woordt, kan ik niet beoordeelen; de prent heeft slechts middelmatige verdienste.

[Gregoor. (Gilles Smak) Zie bij Immerzeel en bij mij op Smak Gregoor. (Gilles)]

GREGOOR. (Gilles Smak) Zie bij Immerzeel en bij mij op SMAK GREGOOR. (Gilles)

[Gregoor (Pieter Martinus)]

GREGOOR (Pieter Martinus) is, in den jare 1846, te Dordrecht, overleden, alwaar hij, volgens het berigt van Immerzeel, in 1786 geboren was.

[Gribelin, (Sim.)]

GRIBELIN, (Sim.) een kunstgraveur, die, op de helft der XVII. eeuw, waarschijnlijk, in België, bloeide, doch van wien ik niets aangeteekend vind. - Dit berigt heeft geen anderen grond dan een portretje in 8o., door hem gegraveerd, voorstellende M. Guil. Trumbull, Agent pour les Roys Jac. I. et Charl. I. à la Cour de Bruxelles. s. gribelin sculp. in mijn bezit, en vrij wel gesneden. - Ook heeft hij nog andere onderwerpen van grooter omvang vervaardigd, als: Apothéose de Jacques I. Roi d' Angleterre en 3 feuilles. - Zie Nr. 1232 van den Prent-Catalogus van Pierre Wouters, Chanoine de l'église de S. Gomer, à Lierre, etc. Bruxelles, 1797, in 8o.

[Grient (Cornelis de)]

GRIENT (Cornelis de) wordt met een paar regels bij Immerzeel beschreven, doch die zijn overlijden, dat op den 28. December, 1783, te Rotterdam, in den ouderdom van 92 jaren, plaats had, niet vermeldt. - Ik bezit zijn portret, naar de schilderij van gerard van nymegen, ad vivum pinx., 1775, oud 84 jaren, blijkbaar voor eene gravure bestemd, en dat wel door h. pothoven kan geteekend zijn. - Of het in druk bestaat, weet ik niet.

[Grient. (Cornelis Ouboter van der)]

GRIENT. (Cornelis Ouboter van der) Aan het slot van het levensberigt door Immerzeel over dezen verdienstlijken kunstenaar gegeven, vindt men den naam van slechts twee door hem gevormde kunstenaars vermeld. Ik moet dus daarbij voegen, dat hij meerdere leerlingen in de gronden der kunst heeft onderwezen, en die sedert mannen geworden zijn, met lof in de kunstgeschiedenis bekend, als de heeren: j.b. wittkamp, te Delft, - kuypers, te Gorinchem, - m. hartinck, thans in Noord-Amerika, - p.a. haaxman, te Delft, - k.f. blombled, te 's Hage, - en zijn zoon, c. van der grient, Cz., te Overschie.

[Grif of Gryf (Adriaan)]

GRIF of GRYF (Adriaan) is reeds bij Immerzeel geboekt; doch Felix Bogaerts

[p. 604]

meldt, dat de vader en de zoon beiden denzelfden naam voerden, en één vak van schilderen hebben uitgeoefend, zoodat het zeer moeilijk is, bij het gemis van jaarmerken op de stukken, hunne werken van elkander te onderscheiden. - Nagler noemt hem anton en leerling van frans snyders, die in het midden der XVII. eeuw bloeide. - De letters a.g., op de geëtste prenten naar f. barlow voorkomende, worden als zijn monogram beschouwd. - le vasseur heeft twee Jagtstukken naar hem gegraveerd. - In het Museum, te Gent, is, onder Nr. 31: Een stuk met dood wild, en op de kunstverkooping van d'Hoop van Alstein, te Gent, in 1849, gehouden, was, onder Nr. 197: Dood wild, door een staanden jagt-hond bewaakt, uitmuntend voorgesteld. - Weyerman noemt grif den Oude en grif den Jonge, en zegt bepaaldelijk, dat het broeders waren, die, toen hij schreef, nog leefden. Hoe nu twee broeders aldus ter onderscheiding genoemd worden, kan ik, bij het anders alleen tusschen vader en zoon gewone gebruik, niet begrijpen.

[Griffier, (Jan)]

GRIFFIER, (Jan) de Oude, is reeds bij Immerzeel beschreven. Hij heeft een groot gedeelte van zijnen leeftijd in Londen doorgebragt, waar hij bij de kunstliefhebbers onder den naam van den Utrechtschen Edelman bekend was. - In Hope's Galerij, te Londen, is een uitmuntend geschilderd en rijk gestoffeerd Rijngezigt van dezen meester, waaraan ik meerdere verdiensten moet toekennen dan Dr. Waagen, Kunstwerken und Künstler in England u.s.w., er aan toeschrijft. - Ik beschouwde dit stuk, en meest al de Hollandsche stukken, dáár aanwezig, met de grootste bewondering, dewijl allen, maagdelijk rein, uit den besten tijd, in Nederland verzameld, ongeschonden, en als pas van den ezel komende, er een indruk teweeg brengen, die zelden bij het beschouwen van kunstverzamelingen plaats vindt, dewijl toch vele stukken reeds één, ja, veelal twee, tot zelfs drie malen toe de bakkuur hebben ondergaan, en dan opgedrild voor keurwerk uitgevent worden. - Hij heeft met Fr. Place, te Londen, een Werkje met Vogelen uitgegeven, dat uit twaalf bladen bestaat. - De etsen, welke hij, volgens de teekeningen van Vogels, naar f. barlow, heeft gemaakt, zijn het, zoo ik wel heb, die in het gemelde Werkje voorkomen. - Heller (L.) geeft er eenigen afzonderlijk op, als: De Arend met den Haas. - Een Hond, die op een Aap zit, bij den ingang van een tuin. - Verder Een Mansportret. - dan. boon, schilder en musicus, die op eene viool speelt en zingt. - Op eene verkooping te 's Hage, in 1735, gehouden, waren van hem, onder Nr. 10 en 11 van den Catalogus, twee uitmuntende stukken, als: ‘Een wonderlijk curieus stuk door den Ouden griffier, verbeeldende een Winter met veel schaatsenryders en meer bywerk, h. 11, br. 14 dm., - Een idem, weêrgaa tot hetzelve, idem,’ die de som van ƒ150 en ƒ100 hebben opgebragt, hetgeen een aanzienlijke prijs kan worden genoemd, daar Nr. 101, De opdragt van Simeon in den tempel enz., door rembrandt, slechts met ƒ41. betaald werd. - Hij heeft twee zonen, robert en jan de Jonge, - Zie aldaar. - nagelaten.

[Griffier, (Jan)]

GRIFFIER, (Jan) de Jonge, waarschijnlijk, een jonger broeder van robert en zoon van jan den Oude. - Volgens Walpole, bezat hij eene bewonderenswaardige manier, om de schilderijen van claude lorrain te kopiëren, en is, op het midden der XVIII. eeuw, te Londen, gestorven, waar gemelde auteur hem heeft gekend, als wonende toen in Pall-Mall, nabij het hof. - Ook vind ik, dat gerard hoet, de Jonge, in het Register van zijne Catalogussen, wel deugdelijk jan den Oude van jan den Jonge onderscheidt, en op den laatsten naam de beschrijving van een aantal schilderijen geeft, zoodat hem hier naar behooren eene plaats toekomt. - Fiorillo zegt, volgens Walpole, dat hij omstreeks 1750 gestorven is.

[Grimani, (Hubertus)]

GRIMANI, (Hubertus) of wel hubert jacobsz. Bij vreemde auteurs wordt, zonder eenigen grond, zijn geboortejaar op 1599 gesteld; voor zijn sterftijd, in 1628 of 29

[p. 605]

geplaatst, moet het laatste gelden, volgens Bleyswyck, Beschryving van Delft, in 4o., bl. 846; dit jaartal staat ook bij Immerzeel vermeld.

[Grimmaer (Jaques)]

GRIMMAER (Jaques) is reeds bij Immerzeel geboekt. Ik voeg er bij, dat hij, te Antwerpen, in 1510, is geboren, en er op het Museum, te Brussel, onder Nr. 331 van den Catalogus, van hem voorkomt De levensgeschiedenis van St. Hubert, waarbij gevoegd staat: ‘De ordonnantie van deze schilderij is allerbelangrijkst door de waarheid der voorwerpen, de pracht der kleeding, en de losheid en natuurlijke werking der beelden.’

[Grimmer (Abel)]

GRIMMER (Abel) vind ik vermeld in den Catalogus eener kunstverkooping, te Antwerpen, in 1741, gehouden, onder Nr. 36: Een landschap, waarin, op 't spelen van Orpheus, het gedierte byeenkomt, door abel grimmer. - In een idem, idem, te idem, 1754, Nr. 142: Een fraai gezigt van eene kerk en een dorp, door grimmer. - Nr. 143: Een stuk, verbeeldende den Toren van Babel, door denzelven. - In een idem, idem, te Megchelen, 1756, Nr. 27: De afneming Christi van 't kruis, met veel figuren, door grimmer, - en Nr. 28: Een stukje, verbeeldende het Wintersaizoen, door denzelven. - Of deze nu den gemelden jaques grimmaer in den bloede heeft bestaan, durf ik niet beslissen, hoewel de laatste ook somtijds alleen grimmer genoemd wordt. - Zie aldaar. - Ik houd echter voor zeker, dat hij een Vlaminger is geweest, aangezien zijne kunst mij alleen in België is voorgekomen, en hij zal, naar den aard zijner voorsteliingen, wel tot de school van de tweede helft der XVI. eeuw behooren.

[Grimmer. (Jaques) Zie Grimmaer. (Jaques)]

GRIMMER. (Jaques) Zie GRIMMAER. (Jaques)

[Grimoud. (....)]

GRIMOUD. (....) Ik vind in den Catalogus van Pieter Locquet, Amsterdam, 1783, onder Nr. 120, zeer goede kunst van dazen meester vermeld, te weten: ‘Een staand gratieus dametje, in losse kleeding, haare regterhand rust in haare zijde, het hoofd is byna van vooren te zien, en gedekt met een galant hoedje; verder is het smeltend en aangenaam van coloriet, h. 38, br. 29,’ en heeft toen de som van ƒ199. opgebragt. - Daar deze naam mij niet verder is voorgekomen, zoo heb ik hem hier opgenomen, in afwachting van nadere toelichtingen, die welligt ook zullen kunnen beslissen, of hij een Zwitser geweest is, en misschien tot hetzelfde geslacht van johannes grimoux, geboren 1680, bij Fiorillo vermeld, behoort.

[Groen (A. van der)]

GROEN (A. van der) is, waarschijnlijk, een landschapschilder, te Amsterdam, geweest, blijkens eene decoratie voor den Hollandschen Schouwburg, voorstellende een Boschgezigt, door hem in 1774 vervaardigd, en door r. en h. vinkeles gegraveerd. - Onze van der groen heeft met goed gevolg alleen het gemelde kunstvak beoefend, en is niet bekwaam geweest, om andere, meer op wetenschaplijke gronden berustende voorwerpen van dien aard, te kunnen ordonnanceren, hetwelk men mag afleiden uit eene groote prent, in mijn bezit, schetsachtig in omtrek gegraveerd, met het volgende onderschrift: ‘Vier schetsen der Vorstelyke Loge door a. van der groen ongevraagd op den Amsterdamschen Schouwburg gebragt, en daarover de gedachten van Jan Smit, Mr. Timmerman verzogt, dewelke die terstond heeft afgekeurd,’ Het adres luidt: ‘Door a. smit in 't koper gebracht, na de vier originele schetsen,’ Dit schijnt niet door vrienden geschied te zijn, immers, hierdoor is zijne onbekendheid met dergelijke zaken openlijk aan den dag gelegd.

[Groenendyk. (J.)]

GROENENDYK. (J.) Een onvermeld kunstgraveur, die, in de laatste helft der XVIII. eeuw, te Rotterdam, bloeide. - Een landschap in fo. in de breedte, met geboomte, waartegen, op den voorgrond, een man leunt, die met eene vrouw in gesprek is, en verder met koeijen, schapen, figuren en boerenhuis gestoffeerd, leerde mij hem kennen. Onder de plaat in de marge staat: Gezigt buyten 's Gravenhage. Vue hors de la Haie; beteekend g. van rossum, ad vivum delin.

[p. 606]

j. groenendyk sculp. à Rotterdam, Anno 1780. Er is veel met de etsnaald in gewerkt, en het werk behoort tot de goede kunst van dien tijd. - In den Catalogus van Prenten van Van Hulthem, vind ik, onder Nr. 1667 enz., de volgende werken van hem vermeld; ‘Vier geëtste Landschappen naar wouwerman. - De Hoefsmit in het Leger, j. groenendyk sculp. à Rotterdam, 1779. - Twee Manege-voorstellingen. - Drie andere dito, - en Het inschepen van koopmansgoederen.’

[Groeneveld. (C.)]

GROENEVELD. (C.) Van dezen teekenaar bezit ik de Triumph der Christelyke Godsdienst, door hem del. en door p.h.l. van der meulen in 't koper gebragt; en een pendant, de Verheerlykte Zaligmaker, door ph. velyn sculp. De kunstverdienste, die daarin heerscht, is gering; doch misschien kan dit wel werk van zijn vroegsten tijd zijn. - Nog zag ik van hem: Raadpleging van Z.D.H. Willem den V. in het leger met deszelfs Zoonen en Generaals, in April, 1796, door c. brouwer gegraveerd, zoodat hij op het einde der XVIII. eeuw gebloeid heeft.

[Groenewegen, (Jan)]

GROENEWEGEN, (Jan) een der zeven-en-veertig Haagsche kunstenaars, die, in den jare 1656, eene nieuwe Kamer van Pictura te 's Gravenhage hebben opgerigt. - Naar de meening van Pieter Terwesten, Ms., zou hij een plaatsnijder of glasschrijver geweest zijn.

[Groenewegen (Gerrit)]

GROENEWEGEN (Gerrit) wordt door Immerzeel alleen als zeeschilder en etser vermeld; ik kan er bijvoegen, dat hij ook Hollandsche kleederdragten, als figuren, in landschappen geplaatst, in 12 bladen in 4o., heeft vervaardigd, en dat de Zeeslag tusschen de Bataafsche en Engelsche Vloot (1797) door hem is geteekend en door r. vinkeles gegraveerd. - Onder zijne etswerken vind ik nog ech aantal proefdrukken van zee- en stadsgezigten. Zie den Catalogus van Mr. J. van Buuren, Bailluw van Noordwijkerhout, 1808, blz. 218.

[Groenia (Petrus)]

GROENIA (Petrus) staat reeds bij Immerzeel opgenomen, doch het bleek mij, dat deze met de ware levensbijzonderheden van dien, in den volsten zin des woords, uitstekenden Frieschen krijgsheld en kunstenaar niet bekend is geweest. Ik ben door een aantal authentieke bescheiden in staat gesteld, die leemte aan te vullen. - petrus groenia is den 5. October, 1767, (niet in 1769, zoo als Immerzeel en anderen melden) te Makkum, in Friesland, geboren. Hij was de zoon van Jan Groenia en Saitske Broeksma. Onder eene gewone opvoeding, ontwikkelde zich hij hem de zucht voor het beoefenen der schilderkunst, waarvan hij de gronden bij den bekwamen portretschilder hermanus wouter beekkerk, te Leeuwarden, heeft gelegd. De heerschende tijdgeest bragt mede, dat men zich, in meerdere of mindere mate, aan eene der staatkundige partijen, die toen het vaderland beroerden, aansloot: onze groenia had op zijn twintigste jaar zijne keus reeds gedaan. Hij bevond zich, den 1. Julij, 1787, met een aantal Nederlanders, als vrijwilliger bij de Friesche Brigade, te Utrecht, en werd den 3. Augustus daaraanvolgende tot 2. Luitenant bij het 1. Regiment Infanterie van Friesland benoemd. Nog in datzelfde jaar is hij, met vele anderen, het vaderland ontweken, en heeft den 1. December, 1787, in Frankrijk eene veilige schuilplaats gevonden, waar hij zijne kunststudie voortzette. Vervolgens heeft hij zich eerst te Duinkerken, later te St. Omer gevestigd, want in het geschiedkundig Werk, getiteld: Buitengewone Plechtigheid te St. Omer in Vrankrijk, wegens de Inhuldiging van den nieuw verkoren Bisschop, den Hoog Eerwaarden Heer Pierre Joseph Porion, voorheen Curé te Arras, voorgevallen den 15., 16. en 17. April 1791. Waar achter den treffenden Herderlyken Brief van gemelden Bisschop aan de inwoners van Vrankrijk, in 4o., leest men, blz. 6 en 7 het volgende: ‘Verder waren het Hôtel de Ville, de vergaderplaats der Clubs, het huis, voorheen de Bailluagie genoemd, thans het Districts-huis, en een ander, waar

[p. 607]

eenige Hollanders en Friezen eene bijeenkomst hebben, (welke beide laatste op de groote Plaats staan) mede uitstekend schoon met lampions en glazen verlicht, Voor het laatste stond eene soort van eerboog, die, behalve met gekleurde glazen, nog daarenboven pronkte met eene door den Frieschen Kunstschilder petrus groenia geestig geschilderde decoratie.’ - In 1794 heeft hij een schilderijtje gemaakt, zijnde de Afbeelding van eenige Staatsgevangenen in het Jesuiten-collegie, te St. Omer, en daarop, onder anderen, zich-zelven, Mr. C.L. van Beyma, A.J.C. de Beere, grietman van Hemelummer Oldenphaert en Noordwolde, zijn zwager, Jan Arnold, raadsheer in het Hof van Friesland, wiens vrouw, Van Altena genaamd, de zuster was van groenia's vrouw, en A. van Eldick, uit Utrecht, voorgesteld. Deze voor de geschiedenis curieuse schilderij is in het bezit der adelijke familie Van Beyma, op Dekema State, te Weidum, in Baarde-radeel. - Den 30. Junij, 1796, werd hij als 1. Luitenant bij de Friesche garde aangesteld, en keerde toen naar het vaderland terug; den 27. April, 1801, is hij overgegaan bij het 3. Bataillon Mariniers, en huwde nu met Mejufvrouw Johanna van Altena. Hij vertrok vervolgens, als kapitein, naar Suriname, 1802, en keerde in 1804, doch kinderloos en zonder echtgenoot, die dáár ten grave daalde, naar Holland terug. De dappere hopman huwde den 15. Maart, 1805, andermaal, met mejufvrouw Coenradina Susanna Haagen, en werd, in 1807, door Koning Lodewijk tot Ridder van de Orde der Unie benoemd (in 1812 door Napoleon I. met die der Reunie verwisseld). Van 1810 tot 1814 was hij bij het Fransche leger in Spanje, en kommandeerde als Luitenant-Kolonel op het fort Dueso, bij Santonia gelegen, waar hij zeer uitmuntte en dat fort niet wilde overgeven, hoewel Napoleon reeds naar Elba gebannen en door Lodewijk XVIII. opgevolgd was, op wiens last hij, eindelijk, tot de ontruiming overging. Hij was dus een getrouw en braaf militair, en maakte eene gunstige uitzondering bij sommigen, die, wanneer de kans keert, de opgaande zon aanbidden, een goed heenkomen zoeken, en terstond hun best weder doen, om op nieuw geplaatst te worden. Hij bleef dan in Frankrijk, toen, in Maart, 1815, Napoleon onverwacht van Elba terugkeerde, en de teugels van het bewind hernam. Aan groenia werd, als Kolonel, een regiment Infanterie van Linie, benevens het Kruis van het Legioen van Eer, gegeven; hij diende als zoodanig in den slag bij Waterloo, en werd 25 October, 1815, uit de dienst ontslagen. De dappere Kolonel ging naar Holland terug; zijn rang en onderscheidings-teekenen kwamen in geene aanmerking, en hij werd op halve soldij gebragt; doch ook spoedig weder in zijn vorigen rang hersteld zijnde, heeft hij Koning en Vaderland vervolgens belangrijke diensten bewezen. In 1830 werd hem in genoemde betrekking van Kolonel de 2. Afdeeling, 1. ban der Mobile Schutterij van Friesland opgedragen. Dit drukte het zegel op zijn krijgshaftigen levensloop. Hoe hij in die dagen met dat manhafte Friesche volk te velde trok, en welk belangrijk deel hij aan de overwinnende togten tegen het Belgische leger had, behoort tot de geschiedenis. Na den Tiendaagschen Strijd werd hij met de Militaire Willemsorde 4. kl. en het Metalen Kruis versierd, en het zal genoeg zijn, hier nog aan te stippen, dat zijn naam bij zijne Friesche wapenbroeders steeds met eerbied en achting wordt genoemd. - Na de scheiding van België, is hij een rustig leven gaan leiden, en heeft zich geheel aan de schoone kunsten gewijd. Zoo bezocht hij, in 1835, de Rijnstreken, vergezeld van een voormaligen schutter als oppasser. In dien nazomer schreef hij aan een zijner wapenbroeders: ‘Door de ziekte van mijn bediende, en de zorg, die ik aan hem heb moeten besteden, is het groote doel van mijne reis mislukt, namelijk, het schilderen naar de natuur, en thans is het te laat.’ Een treffend bewijs van zijne mensch-

[p. 608]

lievendheid en christlijke zorg voor zijne minderen, gelijk tevens ook van zijn edel karakter, om niet enkel zijne kunstzucht bot te vieren. In 1836, schreef hij, uit 's Hertogenbosch, aan denzelfden Kapitein: ‘Ik leef thans zeer gelukkig in het midden mijner dierbaarste betrekkingen, occupeer mij steeds met de kunsten en heb een groot stuk onderhanden, namelijk, een geschiedkundig landschap, voorstellende de Romeinen, door de Samniten ingesloten in de bergengte van Caudium (Fourche Caudine) in het jaar na Rome 433. Ik ben er reeds ver mede gevorderd en heb alle hoop, dat het stuk, naar mijn doen, nog al tamelijk zal worden.’ Het werd op de Tentoonstelling, te Amsterdam, in 1838, zeer geroemd. - Later heeft hij zich met der woon gevestigd bij zijne eenige dochter, in 1831 gehuwd met den Luitenant-adjudant E.H.J. Cunaeus, en is te Koudekerk a/d Rijn, den 1. Julij, 1844, overleden, en ook begraven. - Zijn portret en eenige schilderijen van zijne hand worden daar bewaard. Teekeningen zijn er niet meer aanwezig, daar die te Gent, bij de revolutie, zijn achtergebleven. - Hij was, sedert den jare 1813, lid der Academie, te Gent. - Te Leeuwarden, ten huize van den Commissaris des Konings, hangt de schilderij van groenia, voorstellende: De slag bij Houthalen, op den 6. Augustus, 1831; dit stuk is door den schilder opgedragen of geschonken aan de Friesche Jufferschap, uit erkentlijkheid voor het door haar aan de Friesche Schutterij geschonken Vaandel, en moet altijd in genoemd Provinciaal-gebouw verblijven. Merkwaardig Friesch gedenkstuk, door den held, bij het feit zelf tegenwoordig, zoo talentvol geschilderd! Daarvan gaan eenige lithographiën uit. - Op de meeste Tentoonstellingen, zoo hier, als in België, heb ik de vruchten van zijn genie, voor uitspanning vervaardigd, gezien, als, onder anderen, in 1820, te Amsterdam, een Stadsgezigt in Spanje, bij gelegenheid van een feest. - De Prins van Hessen bij een bivouak van kozakken. Toen woonde hij te Termonde, en deze schilderij was ook op eene idem, dat jaar te Gent gehouden, en is in de Annales du Salon de Gand, 3. Livr., onder bijvoeging eener afbeelding, met grooten lof vermeld. - Te Haarlem, 1825, Een tafereel uit den Spaanschen oorlog met Krijgslieden, - en een Geestelijke in een rotsachtig landschap. - Een dergelijk tafereel, in het groot. - Een stadsgezigt te Dendermonde, (waar hij destijds woonde) met doortrekkende krijgslieden. - In 1839 werd er eene Tentoonstelling te 's Hertogenbosch, gehouden. Uit het beoordeelend verslag daarvan, in den Noordbrabander van 6 Julij geplaatst, laat ik, ten slotte, dit hier volgen: ‘Thans treffen wij aan de Compositie van den Kolonel groenia, wiens hand niet minder eervol het penseel, dan vroeger den degen, hanteert. Men bewondert de weelderige vindingrijkheid en den hoogen graad van voorstellingskracht, die dezen grijzen krijger onderscheiden. Wij ontmoeten bij hem een tafereel in de Bergengte van Caudium, op het oogenblik, dat de Romeinen, van alle kanten door de Samniten ingesloten, eene laatste, doch vruchtlooze, poging aanwenden, om zich eenen doortogt te banen. - Zijne tafereelen uit den Guerilla-oorlog in Spanje, “quod ipse vidit et quorum pars magna fuit,” zijn in alle opzigten aanloklijk. Het zijn geschilderde Novelles, die de nieuwsgierigheid opwekken, als roman, en de kunstliefde voor het schilderoog bevredigen. Het doorschijnend koloriet geeft aan zijne stukken iets tooverachtigs, dat er naar terugvoert. Een Spaansche dans op een plein binnen eene der steden van het Schiereiland, bewijst, dat zijne teekenpen even keurig als zijn penseel uitvoerig is, en dat hij zijne vindingrijke schepping aan de regelen der waarheid weet te onderwerpen, en de ideale wereld niet uitsluitend het element is van zijn rijk palet.’ Ik vereenig mij geheel met dat oordeel, want zijne werken trokken aller aandacht; en tot welk eene hoogte zou hij het niet gebragt hebben, zoo hij zich geheel en al aan de Kunst had kunnen wyden? Hij heeft

[p. 609]

voor zijn vaderland met dubbelen roem geleefd. - Deze korte schets heb ik, voor zoover het krijgsmansleven betreft, uit oorspronklijke bronnen getrokken, waarvan er eenige, door de ijverige navorsching van Jonkhr. Mr. S.W.H.A. Beyma thoe Kingma, te Leeuwarden, bij zijn nog levende wapenbroeders zijn opgespoord, terwijl de extracten van den staat zijner diensten mij door den bovengenoemden Heer Cunaeus, mede tot dat einde, zijn verstrekt geworden. - Nog verdienen hier herdacht te worden de Portretten van E. Wolff, geb. Bekker, en A. Deken (beiden, in 1787, na het herstelde Stadhouderschap uitgegeven) naar de schilderij van p. groenia, geteekend door a. teerlinck, en in 't koper gebragt door l. portman in 8o., met 2 vierregelige bijschriften door A. Loosjes Pz. Zij zijn in 1805 verschenen.

[Groeningen, (Gerrit of Gerard van)]

GROENINGEN, (Gerrit of Gerard van) een weinig bekend Nederlandsch kunstenaar, die omstreeks het jaar 1573 gebloeid, en de teeken- en graveerkunst met goed gevolg beoefend heeft. - Zijne werken komen zelden voor. - Brulliot meldt, volgens Bartsch, dat het monogram van hem en josse amman hetzelfde zou zijn; doch Heller (M.) geeft duidelijk den naam ger. gro., zoodat het geen raadsel. meer is, te minder daar ik in den Catalogus van Prenten, enz. van Pierre Wouters, Kanonik van St. Gomarus, te Lier, Brussel, 1797, op blz. 76 duidelijk vermeld vind: ‘Een boekje met tien prenten, genommerd, voorstellende de onderscheiden levenstijden van den mensch, - (van 10 tot 100 jaar) - geordonnanceerd en geëtst door ger. van groeningen, en nog twee anderen, te zamen 12 stuks; en andermaal hetzelfde Boekje van 10 stuks.’ Nog vind ik een dergelijk Werkje, beteekend ger. gronigius, inv. fecibat. - Werken van veel kunstgraveurs van dien tijd zijn als witte raven. - Eindelijk vind ik vermeld; Een reeks van 12 genommerde bladen, Visioenen uit de Openbaringen van Johannes, die door Bartsch aan j. amman worden toegekend; doch ten onregte, zegt Nagler, dewijl de graveerwijze geheel overeenkomt met die van onzen van groeningen. Zij zijn boogsgewijze, en h. 10 dm. 3 str., br. 9 dm. 1 str. Par. - Ook zijn er Bybelsche voorstellingen, in ovaal gevat in fo., van hem bekend.

[Groennig (....)]

GROENNIG (....) vind ik als kunstenaar vermeld, die de teekeningen voor het hiervolgende Werk heeft vervaardigd, door lucas van doetechum - Zie aldaar. - in het koper gebragt, waaruit blijkt, dat hij omstreeks het laatst der XVI. en in het begin der XVII. eeuw, waarschijnlijk, in ons land heeft gebloeid; welligt is hij dezelfde als gerrit van groeningen. - Zie aldaar. - De titel van het bedoelde Werk is: Memorabilium, Novi Testamenti, in templo gestorum icones tredecim elegantissimi ac ornatissimi. Antuerpiae excudebat gerard. de jode. cp. groennig inuentor, lucas à deutecum, fecerunt. - Zie Rathgeber, Annalen der Niederländischen Malerei u.s.w. Gotha, 1844, in fo. S. 310, Nr. 209.

[Groes. (... Van der)]

GROES. (... Van der) Deze wordt door Van Spaen, Beschryving van Rotterdam, vermeld als een bekwaam landschapschilder; verder is hij mij nergens voorgekomen.

[Grondonc. (....)]

GRONDONC. (....) Nagler noemt dezen een onbekend Nederlandsch schilder, die echter als kunstenaar niet onbeduidend moet zijn geweest, dewijl Füssly zegt, dat eene, door hem, in 1617, vervaardigde schilderij, op eene verkooping, te Parijs, met 502 Livres betaald werd.

[Gronsvelt of Groensveld (Johan)]

GRONSVELT of GROENSVELD (Johan) wordt bij Immerzeel met een paar regels vermeld. Hij heeft een Boekje uitgegeven, in langwerpig folio-formaat, voorstellende 12 stuks Italiaansche Zeehavens, naar de teekeningen van johannes lingelbach, met den titel: Aliqui Portus etc. - Ik voeg hier nog bij, dat hij ook figuren heeft gegraveerd, als: Twee Jongelingen, met de kaart spelende,

[p. 610]

en De vrouw met het katje, naar a. bloemaert. - Een slapende boer, voor een gebouw gezeten, naar a. brouwer. - Een Groep van negen figuren, staande en gezeten in een landschap, waarvan er eene op de luit speelt. geraerts pinxit. j. gronsvelt sc. et exc. - Een idem, in denzelfden smaak, waar eene dame op de contre-bas speelt, met hetzelfde adres. - Eene naakte vrouw, die aan den voet van een boom ligt te slapen. forson pinxit. j. gronsvelt fec et exc. - Zes Landschappen naar a.v. boom, in fo. - Nagler vermeldt nog meer van zijne werken, doch Le Blanc noemt hem niet.

[Groot, (Jan de)]

GROOT, (Jan de) bij Immerzeel vermeld, en die vermoedt, dat hij een beeldenschilder geweest is. Dit schijnt het volgende te bevestigen: ‘Twee stuks teekeningen, Boeren binnenhuizen, door de groot,’ waren onder de kunstnalatenschap van vincent van der vinne, te Haarlem, Maart, 1816. - Hierbij moet ik nog opmerken, dat Nagler hem jan de grooth noemt, en zegt, dat hij, naar Houbraken's verzekering, in het begin der XVIII. eeuw leefde. Houbraken rept evenwel geen woord van die meening, maar zegt bepaald, dat hij, in 1650, te Vlissingen, werd geboren, hetgeen ook bij Immerzeel te vinden is.

[Groot. (Jan de)]

GROOT. (Jan de) Deze naam is mij veelmalen voorgekomen op eenige werken, van veel lateren tijd, dan die van een van dienzelfden naam, in 1650, te Vlissingen, geboren. Ik vind bij Pieter Terwesten, Ms., dat een persoon van dien naam te 's Gravenhage is geboren, en discipel is geweest van jacob de wit, die later de kunst heeft laten varen en de drukkerij der Haagsche Courant, van zijne broeders, heeft aanvaard. Hij voert hem op in het jaar 1757, en zegt, dat hij als kunstenaar in 1776 nog werkzaam was. - Het schijnt, dat hij ook getracht heeft, in mezzo-tinto. te graveren, ten minste ik beschouw eenige portretten van kunstenaars, in mijn bezit, als: van carel de moor, - abraham van der eyk, - gerard dou, - Nicolaus Boileau Despreaux, in kl. fo. - erasmus, naar holbein, en anderen, slechts als proeven daarvan, en waaraan de lessen van vaillant en schenck ontbreken. - Ik voor mij houd deze gravuren voor werk van onzen jan, en niet voor die van een van denzelfden naam, bij Immerzeel vermeld, wien ik grootere bekwaamheid moet toekennen.

[Groot (Jan de)]

GROOT (Jan de) wordt door Nagler als kunstgraveur, doch veel meer als kunstlief hebber, te Amsterdam, vermeld, die eenige prenten, in rembrandt's manier, vervaardigd heeft. Zij zijn met j.g. fec. beteekend; verder is zijne schoone kunstverzameling in 1804, volgens Van Eynden en Van der Willigen, III, blz. 433, daar verkocht. - Deze auteurs spreken geen woord van zijn graveerwerk, zelfs niet, dat hij eenig gedeelte der kunst heeft beoefend. Daar nu Van der Willigen deze verzameling zeker bij de groot heeft gezien, en altijd in het belang der geschiedenis alles uitvorschte, wat hem dienstig kon zijn, zoo is het bezwaarlijk aan te nemen wat Nagler, van prenten, welke hij heeft vervaardigd, meldt, en zoo als ik uit zijn berigt moet afleiden, niet gezien heeft. De genoemde letters zullen tot het werk van een ander behooren, en kunnen alsdan, mijns inziens, niet de groot aanduiden.

[Grootvelt. (Jan Hendrik van)]

GROOTVELT. (Jan Hendrik van) Deze bekwame kaarslichtschilder is reeds door Immerzeel vermeld, en heeft zich na dien tijd steeds in het genoemde vak onderscheiden, gelijk dit met de vruchten van zijn arbeid op onderscheiden Tentoonstellingen, en nog op die te Amsterdam, in 1854 gehouden, door Eene vischvrouw in een hondenwagen bij onweder en lantaarnlicht, is bevestigd. - In de Nieuwsbladen vond ik het treurig berigt, dat ik hier afschrijf: ‘'s Hertogenbosch den 12. Junij, 1855. Het Schilder- en Teekengenootschap St. Lucas, had gisteren een treurigen pligt te vervullen. Het was de ter aarde bestelling van

[p. 611]

den te vroeg aan de kunst ontrukten, reeds vermaarden kaarslichtschilder j.h. van grootvelt. Na eene langdurige en slepende ziekte, welke hem reeds een geruimen tijd voor de kunst deed verloren gaan, overleed hij, in den ouderdorn van 46 jaren. grootvelt laat eene vrouw en eene dochter na, die hunnen man en vader diep betreuren, en wier lot door zijne aanhoudende ziekte en opgevolgd sterven, kommervol is.’

[Grupello. (Gabriel)]

GRUPELLO. (Gabriel) Bij Immerzeel vindt men een uitvoerig levensberigt, en eene opgave der werken van dezen beroemden Belgischen beeldhouwer, volkomen naar waarde beschreven. Ik haal dit hier aan, omdat in een Werk van gezag: Splendeur de l'art en Belgique etc., waarin die kunstenaar ook is opgenomen, gezegd wordt: ‘dat het jammer is, dat er zoo weinig van zijn werk, en geene levensberigten van hem bekend zijn.’ Toen de auteurs dit Werk in 1848 schreven, was dat van Immerzeel toch reeds zes jaren oud, door meer dan 700 Inteekenaren, zoo in België als in de overige Nederlanden, wijd en zijd, verspreid, en hoe is het, mag men vragen, dan mogelijk, dat men, bij het aanvaarden van die taak voor België's roem, een Boek, bepaaldelijk daarover verschenen, niet gekend of geraadpleegd heeft?

[Gruyter. (J.P.)]

GRUYTER. (J.P.) Van dezen meester zag ik een stuk, vrij wel geschilderd, voorstellende: Een Admiraalzeil op de Maas, met het uitzigt op de stad Rotterdam, waarop, benevens den gemelden naam, het jaartal 1658 voorkomt. Vermoedelijk was dit het werk van een bekwaam liefhebber, daar woonachtig.

[Gryp (Joost Dirx)]

GRYP (Joost Dirx) vind ik onder de teekenaars der rekwestranten, die aan de Magistraat der stad Leyden, in 1610, verzochten, een Schilder- of St. Lucasgild te mogen oprigten, om aan hun bedrijf in de schilderkunst dezelfde voorregten te verzekeren, als in meest alle steden van Holland plaats vond. - Zie over deze belangrijke stukken bij mij op ELSEVIER. (Aernout)

[Grypmoed. (Geerlig)]

GRYPMOED. (Geerlig) Bij het levensberigt, door Immerzeel van dezen, in den jeugdigen leeftijd van 28 jaren reeds overleden meester gegeven, moet ik voegen, dat het niet algemeen bekend is, dat hij ook heeft geëtst, als: Drie fraai gestoffeerde Landschapjes, waarvan twee op één plaatje, 1780, dus op twintigjarigen leeftijd vervaardigd. Zie den Catalogus van Mr. J. van Buuren, Bailluw van Noord-wijkerhout, enz. 1808, blz. 217. Deze Catalogus bevat eene historische bijdrage voor de prentkunst van zijn tijd, namelijk, dat hij, als beschermer dezer kunst, van alle kunstenaars, die hem omringden, de afdrukken, met de varianten van elke plaat, voor zijne verzameling, heeft gekregen. ik heb daaruit menige te regtwijzing geput over zaken, die geheel anders zijn beschreven, en door Van Buuren, als ware het voor de toekomst, bij die prenten zijn vermeld. - Ik bezit de navolgende geteekende portretten van hem, als: een, nog jong zijnde voorgesteld, door h.w. caspari, fraai. - Idem wat ouder, in kleuren. - Idem ter zijde, met een steekhoed op; - en idem, idem, met bijwerk in een ovaal gevat. - Dit laatste is blijkbaar voor eene gravure vervaardigd, en welligt door herman fock, van wien eene gravure van laatstgenoemd portret uitgaat, en waarvan ook etsdrukken voorkomen.

[Gualdorp Gortzius. Zie bij Immerzeel en bij mij op Geldorp. (Gualdorp gortzius, anders)]

GUALDORP GORTZIUS. Zie bij Immerzeel en bij mij op GELDORP. (Gualdorp gortzius, anders)

[Guanto. (Giusto di) Zie bij Immerzeel en bij mij op Meire, (Gerard van der)]

GUANTO. (Giusto di) Zie bij Immerzeel en bij mij op MEIRE, (Gerard van der) want het is een-en-dezelfde persoon.

[Gucht (Benjamin van der)]

GUCHT (Benjamin van der) vind ik als tijdgenoot van gerard en jan van der gucht, in 1750-75, te Londen, werkzaam, en waarschijnlijk aan hen verwant en van Vlaamschen oorsprong, dat door Nagler, op den naam

[p. 612]

b. van der gucht, bevestigd wordt. - Verder zegt hij, dat benjamin teekenaar en schilder was, die portretten en tafereelen schilderde, en dat eenige zijner werken gegraveerd werden, als: Woudward in de rol van Petruchio, door j.r. smith, - Moody and Parker in the farce of the Register-office, door j. saunders, 1773 - en de Arts W. Bromfield, door j.r. smith. - Bryan-Stanley noemt hem als het twee-en-dertigste kind van gerard van ber gucht, die portretten schilderde, doch ook kunsthandel dreef, schilderijen herstelde enz. - Hij is bij Chiswick, in de Theems, in 1794, verdronken.

[Gucht. (Gerard van der)]

GUCHT. (Gerard van der) Deze en ook zijn broeder jan, alleen als graveurs bekend zijnde, die, in de tweede helft der XVIII. eeuw, te Londen, werkzaam waren, en, als zonen van michiel van der gucht, van Antwerpen, daar ook wel kunnen geboren zijn, - dewijl het jaar van diens overtogt naar Engeland onzeker is, zoo als Bryan meldt, - heb ik in mijn Werk mede opgenomen. - Hij heeft de kunst bij zijn vader geleerd, en een aantal portretten vrij goed gegraveerd. - Ook heeft hij boekwerken versierd, als 40 platen in het Werk in 4o: Some observations made on a traveling through France, Italy etc. by E. Wright, London, 1730; II vols. Hierin zijn de beelden wel het best bewerkt. - Nagler zegt, dat hij, te Londen, in 1776, 80 jaren oud, overleden is; doch Bryan meldt dit van zijn broeder jan. Ik kan hier niet beslissen. - Als eene bijzonderheid voeg ik er nog bij, dat hij tot een aartsvaderlijken stam behoorde, daar Bryan-Stanley meldt, dat benjamin van der gucht zijn twee-en-dertigste kind was.

[Gucht. (Jan van der)]

GUCHT. (Jan van der) Of deze met zijn broeder gerard nog te Antwerpen zijn geboren, alvorens hun vader michiel naar Londen vertrok, is mij niet gebleken; Bryan meldt dienaangaande niets, en ik meen dus hem, even als den voorgaande, hier eene plaats te moeten inruimen. - Genoemde auteur zegt, dat hij de graveerkunst bij zijn vader heeft geleerd, en dat hij ook eenig onderrigt, ter verdere voortzetting der teekenkunst, van louis cheron heeft genoten. Hij heeft zes Academie-studiën, naar teekeningen van cheron, gegraveerd, die zeer worden geprezen, en tevens vele boekprenten voor geleerde werken gemaakt. - Er is eene kunstplaat van hem bekend, voorstellende Tancrede en Erminia, naar n. poussin. - Hij is in het jaar 1776, oud 80 jaren, overleden. - Nagler geeft dezen sterftijd aan zijn broeder gerard, en zegt dat jan, in 1697, te Londen, geboren is. Wat is nu de waarheid?

[Gucht (Michiel van der)]

GUCHT (Michiel van der) staat bij Immerzeel vermeld, en ik voeg daarbij, dat hij, in 1725, te Londen, overleden is. - Hij was een bekwaam graveur, die, door zijn onderwijs, dat kunstvak, voor Engeland, zeer heeft bevorderd. - Te regt, zegt Bryan, dat hij de leermeester van den ‘ingenious and industrious george vertue was,’ - Hij noemt 21 portretten, meest van voorname Engelsche personen, die door hem gegraveerd zijn.

[Gucter. (H.H.)]

GUCTER. (H.H.) Een kunstgraveur, zegt Nagler, die de afbeeldingen van eenige afgevaardigden op den Vredehandel, te Nijmegen, gegraveerd zou hebben. Zijn deze toen ter tijd vervaardigd, dan zou dit gedurende den Vredehandel van 1675-1678 hebben plaats gehad, en nagenoeg zijn bloeitijd aanduiden.

[Guesche. (Peter)]

GUESCHE. (Peter) Nagler noemt hem een landschapschilder, die naar 't schijnt, een leerling van den Ouden breughel kan geweest zijn. - Denkelijk is er van zijne schilderijen slechts een klein getal aanwezig.

[Guicherit (Mr. Maximiliaan Anne 's Gravesande de)]

GUICHERIT (Mr. Maximiliaan Anne 's Gravesande de) was een stil beoefenaar der kunsten, die echter in hare geschiedenis verdient te worden opgenomen. - Hij was de zoon van Mr. Abraham Daniel de Guicherit, Solliciteur-Militair, te 's Gravenhage, en van vrouwe Jeanne Georgette Tita Amedea Eckhardt, en werd

[p. 613]

den 12. December, 1793, aldaar geboren. - Reeds jong, een wees zijnde, werd hij te Delft, bij zijn bloedverwant en voogd, Mr. Maximiliaan van 's Gravesande, opgevoed, wiens naam hij ook later heeft aangenomen. - Te Leyden, in 1810, in de regten gepromoveerd zijnde, heeft hij zich, in 1813, voor goed, te Delft, gevestigd; trad in datzelfde jaar in het huwelijk met vrouwe Anna Antonia van Hoecke, en genoot de achting zijner stadgenooten spoedig in die mate, dat hij twee jaren daarna tot lid van den stedelijken raad werd verkozen. - Reeds vroeg gaf hij blijken van zich met grooten ijver in de kunst te oefenen, en heeft dit onafgebroken voortgezet. Zoo vervaardigde hij, van 1817 tot 1827, een honderdtal aquarelle gezigten, uit Zwitserland, waaronder er vele zijn, fraai en op effect behandeld, met eene Fransche beschrijving, die een geregeld overzigt geeft van een niet onbelangrijk gedeelte van dat land. Deze verzameling berust onder zijn zoon Mr. Maximiliaan Anne Michiel 's Gravesande de Guicherit, advokaat te Delft, en moet, volgens het verlangen van den vervaardiger, bij ontstentenis van mannelijk cir, 's Rijks eigendom worden. - Verder heeft hij Bloemstudiën, meestal van uitheemsche gewassen, goed van kleur en fiks behandeld, tusschen 1826 en 1830, mede met eene daarbij behoorende beschrijving, vervaardigd, die, in twee groote folio boekdeelen, bij zijne dochter, vrouwe C.G. 's Gravesande de Guicherit, echtgenoot van Dr. A.W.M. van Hasselt, te Utrecht, (1858) berusten. - Hij is, te Delft, den 23. September, 1831, overleden. - Hij was een der mede-oprigters van het oorspronklijk aan de Teekenkunst gewijde Genootschap: Tandem fit surculus arbor, te Delft, waarvoor hij, op den 25. Januarij, 1828, in de Waalsche kerk, eene inwijdings-rede heeft gehouden, terwijl hij voorts de betrekking van Secretaris van dat Genootschap, tot zijn dood toe, heeft bekleed. - Bij dat alles beoefende hij ook de Dicht- en Letterkunde, en heeft een Werk, op de Kunst betreklijk, met zijn vriend S.H. Wesseling, ter vertaling ondernomen, te weten: Van Bree's Lessen over de Teekenkunst, in 1830, te Delft, bij P. de Groot, verschenen; doch zijn verscheiden heeft veroorzaakt, dat er niet meer dan de eerste aflevering het licht van heeft gezien.

[Guicherit (D.J.)]

GUICHERIT (D.J.) staat bij Immerzeel vermeld, en ik voeg er bij, dat zijn portret, te Parijs, in profiel geteekend, en in aquatint, door quendey, is gegraveerd. - De door hem geëtste prentjes bestaan uit eenige weinige Manshoofdjes met baarden. Twee er van zijn met zijn naam, dien zijne weduwe daarop heeft doen plaatsen, beteekend. - Zie Van Eynden en Van der Willigen. - Nagler, die toch zijn artikel uit laatstgenoemd Werk getrokken heeft, noemt hem verkeerdelijk guichert.

[Guillem. (Guillaume) Zie bij mij op Bracin. (Pierre)]

GUILLEM. (Guillaume) Zie bij mij op BRACIN. (Pierre)

[Gunct. (Joes van der)]

GUNCT. (Joes van der) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven, te Rijssel, worden bewaard, vindt men op den 18. Junij, 1467, aangeteekend: ‘A joes van der gunct, paié pour VIIJ jours à IIJ S. VI d. - Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als beeldhouwer verrigt voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op DARET. (Jaques)

[Gunst. (Pieter van)]

GUNST. (Pieter van) Immerzeel noemt hem een plaatsnijder, die, voornamelijk, bekend is door de portretten van zijne hand, voorkomende in het Geschiedkundig Werk van Larrey, doch die plat en stijf zijn. - Zulk een oordeel, als deskundige, in de geschiedenis der kunsten te vellen, is de hooge verdienste van onzen van gunst, bij het algemeen, in een ongunstig daglicht plaatsen, te meer, indien men de werken niet kent, welke hij in groot getal vervaardigde, boven en behalve de genoemde boekprenten, die altijd iets fabriekachtigs blijven behouden, en den

[p. 614]

kunstenaar aan tijd en beperkte middelen hebben gebonden. - Bovendien zijn al die portretten, waarvan ik ook proefdrukken bezit, naar de en camaïeu door a. van der werf voor deze gravuren geschilderde, vervaardigd. Bryan zegt, dat a. houbraken, in Engeland zijnde, daarvoor de teekeningen heeft gemaakt; doch dit zal doelen op de portretten van de Engelsche Vorsten, voor de bekende gravuren van zijn zoon j. houbraken, die hiernaar vervaardigd werden. Daaronder komen er voor, die niet plat zijn, en op dezelfde lijn met die, door petr. drevet, e. desrochers, car. simonneau en anderen gegraveerd, mogen geplaatst worden - Maar dit alles behoort tot het minste zijner werken, daar hij een aantal portretten heeft gegraveerd, die bij de liefhebbers der prentkunst zeer worden geacht, en waarbij kapitale bladen zijn, zoo als dat van Johan Baro de Churchill dux Marlborough, naar van dee werff. - Doch zijn meesterstuk is wel dat van Guilielmo Caesarino, in een ovaal gevat, van voren te zien, met sierlijk bijwerk enz., in gr. fo. p. van gunst sculp. 1699, zonder naam van teekenaar of schilder, en zoo fraai gesneden, dat men het op den eersten aanblik voor werk van j. houbraken aanziet, doch waaraan echter alleen diens onnavolgbare hand ontbreekt, om aan het vleesch dat malsche waas terug te geven, hetwelk men enkel op eene fijne schilderij aantreft. - In den Beredeneerde Catalogus van Portretten van Frederik Muller, vindt men 70 stuks van zijn werk beschreven. - Ook heeft hij geschiedkundige ordonnantiën gegraveerd, als: de Liefdehandel der Goden, naar titiaan, in 9 bladen, en de alom bekende 5 kapitale gravuren, de Veldslagen van Alexander, naar le brun enz., zoodat ik onzen van gunst gerust vooraan, in den tweeden rang der Nederlandsche graveurs, durf stellen. - Vreemd is het, dat Le Blanc hem niet vermeldt. - Heller (L.) zegt, dat hij omstreeks 1730 overleden is. - Nagler merkt teregt aan, dat het jaar 1724, hetwelk Bassan voor dat van zijne geboorte opgeeft, eer dat van zijn overlijden moet wezen.

[Gutte. (Joes van)]

GUTTE. (Joes van) In de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, die in de Archiven, te Rijssel, worden bewaard, vindt men op den XVI. dag van Mei in het jaar 1488 aangeteekend: ‘A joes van gutte paié pour VIJ jours à IIIJ S. XXX S.’ (?) - Zie over deze werkzaamheden, mede door hem als schilder en beeldsnijder verrigt voor het groote feest van het Guldenvlies, te Brugge, op REGNAULT. (Amand)

[Gysaert. (T.G.)]

GYSAERT. (T.G.) Nagler zegt, dat Descamps dezen vermeldt als een Franciskaner-broeder te Mechelen, die bloemstukken schilderde.

[Gyselaar, (Nicolaas Cornelis de)]

GYSELAAR, (Nicolaas Cornelis de) geboren te Brussel, in den jare 1792, zoon van Cornelis de Gyselaar, Raadpensionnaris van Dordrecht, was een bekwaam kunstkenner, die tevens voor uitspanning de kunst beoefend heeft. - Er zijn van hem drie stuks etsen bekend, die echter, als niet in den handel gebragt, zelden voorkomen, te weten: Maria met het kind Jesus, naar eene oude gravure, beteekend h.v.l. (hans van lochom?) h. 7 dm. 7. str., br. 5 dm. 10 str. Par. - Ancora impari, naar baccio bandinelli, h. 15 dm. 3 str., br. 11 dm. 1 str., - en een Engel, uit het laatste oordeel van orgagna, h. 18 dm. 11 str., br. 10 dm. 10 str., bestemd, om gevoegd te worden bij het geniale werk van humbert de superville, Essai sur les signes inconditionnels dans l'art; Leyden, 1827, in fo., waarin deze prent echter slechts zelden voorkomt. - De heer de gyselaar was, sedert jaren, bijna onafgebroken, te Leyden, gevestigd, en is in 1849 den genoemden humbert, in de betrekking van Directeur van het Kabinet van Pleisterbeelden en Prenten der Hoogeschool, opgevolgd. In 1851 nam hij uit deze betrekking zijn ontslag, en schonk zijne eigen rijke verzameling van prenten en teekeningen aan deze inrigting, die daardoor eene zeer aanzienlijke uitbreiding verkreeg. - Zie

[p. 615]

Nederlandsch Atheneum, 1853, bl. 42. - In 1857 heeft hij zich met der woon te Doesburg gevestigd. - Hij was correspondent der 4. klasse van het Kon. Nederl. Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone kunsten. - In het belang der geschiedenis is mij dit berigt, met meer anderen, kunstenaars betreffende, door den kunstminnenden heer Mr. H. Tollius Drabbe, te 's Gravenhage, meêgedeeld geworden.

[Gyzelaar (J.D.)]

GYZELAAR (J.D.) vind ik bij Pieter Terwesten, Ms., als miniatuurschilder, op het jaar 1794, in het Register der Kunst-Confreriekamer van Pictura, te 's Gravenhage, ingeschreven.

[Gyzels. (Frans)]

GYZELS. (Frans) Ik bezit het naar het leven geteekende portret van dezen gyzels, door david bally, waarop van achter staat geschreven: ‘Overleden te Amsterdam, in den jare 1660, en in de Oude kerk aldaar begraven.’ - Hierop is hij jonger, en in vroeger kleederdragt, voorgesteld, dan op een idem portret, door hem-zelven geschilderd, en dat door Van Eynden en Van der Willigen, te Rotterdam, gezien is, waarvan ik mede eene afteekening bezit, door gerard van nymegen, naar het origineel, vervaardigd, in 1776, en waarop van achter, ook zijn sterftijd, als boven vermeld, staat geschreven. Hierop is hij veel ouder, en in het geheel, in costuum, hoed enz. als op dat van het bekende portret van jan van der heiden, door houbraken gesneden, voorgesteld. - Uit alles is mij gebleken, dat deze gyzels niet van Antwerpen was, zoo als bij Nagler wordt vermeld, en dus een ander persoon dan pieter gyzels, - Zie bij mij aldaar. - dewijl hunne sterfplaatsen verschillend worden opgegeven.

[Gyzen, Gyzels, of Gysels (Pieter)]

GYZEN, GYZELS, of GYSELS (Pieter) is, volgens Pilkington, in 1636, te Antwerpen geboren, doch kan dan geen leerling van jan breughel geweest zijn, die in 1625 overleden is. - Bryan-Stanley zegt, op gezag van Nagler, dat hij in 1610 is geboren, en overleden in 1670; dit waar zijnde, zou hij het genoemde onderwijs nog kunnen genoten hebben. Doch ik kan hem zijne meening niet toegeven, alsof frans gyzels - Zie bij mij aldaar. - dezelfde pieter zou zijn, die door houbraken is vermeld, want de ware bron, het Gildeboek van St. Lucas van Antwerpen, noemt: ‘pieter gysels, ontfangen by jan bauts, 1642, Meester 1650 sterft 1690.’ - Hij schreef zich pieter gyzels. - Hieruit kan men met meer grond zijn leeftijd bepalen, dan uit al het aangevoerde, dat toch niet meer dan gissing is. - Eenige werken hier aan te wijzen, die in openbare verzamelingen aanwezig zijn, zal niet overbodig wezen, te weten de volgende: in het Museum te Parijs, Een Vlaamsch dorp, bij eene rivier gelegen; op den voorgrond eene melkvrouw. - Een gezigt in het Dorp, wederga van het eerstgenoemde. Deze twee stukken werden vroeger voor werk van jan breughel gehouden. - Idem, te Berlijn, Een boom- en waterrijk landschap, met eenige gebouwen, gestoffeerd met de jagt op een hert, dat door het water heen vervolgd wordt. - Idem, te Dresden Een dorpsgezigt, met nog een idem, dat door eene rivier is omgeven, met dansende boeren, op den voorgrond. - Een met water doorsneden landschap; op den voorgrond een herder met zijne kudde schapen. - Een doode haas, die aan een zijner loopers hangt, met ander dood wild, weitasch, en verder jagttuig. - Gezigt op een dorp, waarin een water vliet, met een vaartuig, en daarin eenige boeren, bij een os gezeten. - Een landschap, waarin eenige boeren dansen, op het bespelen van den doedelzak, door een speelman, die op eene ton zit. - Idem, te Salzthalen, Een landschap, met een zwaar bosch, welks uitgang met een weg en een brug naar een dorp geleidt, en twee jagers, met honden, die het woud ingaan. Op den voorgrond staat hoog en zwaar geboomte. - Nog zag ik in de verzameling van Hope, te Londen, een Paauw, een Zwaan, een Reiger, kleiner dood Gevogelte, Distelen, Planten en Vlinders; dit stuk is van de hoogste fijnheid

[p. 616]

en uitvoerigheid, doch tegelijk krachtig, helder en fiks in de verf geschilderd. Over het geheel genomen, hebben zijne werken, als komende uit de ware school der XVII. eeuw, mij bij uitstek bevallen.