De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd


auteur: Christiaan Kramm


bron: Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd. Gebroeders Diederichs, Amsterdam 1857-1864  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

W.

[Waal, of Wael. (de) - Zie op Wael. (de)]

WAAL, of WAEL. (de) - Zie op WAEL. (de)

[Waal (Justus de)]

WAAL (Justus de) vond ik als lid van het Schilderscollegie, te Utrecht, in 1800 overleden, in het Kort Verhaal enz., door g. van der puyl, - Zie aldaar. - vermeld. - Zie over zijn etswerk op J.D.W.

[Waal Malefyt. (J. de) Zie Malefyt. (J. de Waal)]

WAAL MALEFYT. (J. de) Zie MALEFYT. (J. de Waal)

[Waal. (... van de)]

WAAL. (... van de) Slechts ééne schilderij is mij op dezen naam voorgekomen: ‘Een Bacchus, gloeijend en breed geschilderd; h. 74, br. 55 dm. Ned.;’ zij was onder Nr. 33 van den Catalogus eener Verkooping, te Leeuwarden, in April, 1846.

[Waal (Philip van der)]

WAAL (Philip van der) is, waarschijnlijk, een Nederlander, als kunstgraveur omstreeks 1800-1810, te Parijs, werkzaam. Hij hield zich onledig met zijne gravuren in den trant der crayons in kleuren te drukken, waarvan La Madonna della sedia, in fo. - St. Michaël, naar raphael, in fo. - en Een Christushoofd, naar guido, in fo., bekend zijn. - Zie Nagler.

[Waard. (Antonie de)]

WAARD. (Antonie de) Deze historie-, landschap- en portretschilder is reeds door Immerzeel, doch zonder vermelding van sterftijd, beschreven. - Hij is in 1751, te 's Gravenhage, overleden, en ik vond hem in de Kamer van Pictura,

[p. 1818]

aldaar, in 1719, ingeschreven als lid. Uit P. Terwesten, Ms. - In 1752, werd zijne Kunstnalatenschap verkocht, waaronder kopijen door hem, naar ph. wouwerman, die met ƒ95 en ƒ55 zijn betaald.

[Waard. (C. van)]

WAARD. (C. van) van dezen nog onvermelden teekenaar bestaan eenige historiële en gelegenheidsonderwerpen in prent gebragt, als, onder anderen, bij de komst van Alexander, Keizer van Rusland in de Nederlanden, heeft hij eene zoogenaamde Eerzuil, met zinnebeeldig bijwerk, geordonnanceerd, door p.h.l. van der meulen sculp.; en, Het beëedigen der Constitutie van Z.K.H. Willem Frederik van Oranje-Nassau, Souverein Vorst van Nederland, op den 30. van Lentemaand, 1814. n. van der meer sculp., J. Numan exc., te Amsterdam. Deze prent is voor de geschiedenis dier plegtigheid in de Nieuwe kerk, te Amsterdam, wèl, doch voor de kunst van weinig waarde. - Nog vond ik den Titel van het VI. deel van Van Ollefen, Stads- en Dorpbeschryver, Amsterdam, 1793-1801, in 8o., door hem inv.

[Waas. (Aart van) - Zie bij Immerzeel en bij mij op Waes. (Aert van)]

WAAS. (Aart van) - Zie bij Immerzeel en bij mij op WAES. (Aert van)

[Wael (Antonius de)]

WAEL (Antonius de) wordt door Baldenucci vermeld, als, omstreeks 1675, te Rome, werkzaam, en dat hij de landschappen van b. torreggiani stoffeerde. Hij werd door een bliksemstraal in zijn bed gedood. Zie Nagler. - Zou antonius de wael, die, in 1552, als leerling bij jan van dalen, in het St. Lucasgild, te Antwerpen, staat ingeschreven, en in 1561 meester werd, niet zijn voorvader zijn?

[Wael, of Waal (Cornelis de)]

WAEL, of WAAL (Cornelis de) jansz. is door Immerzeel vermeld. Voor zyn geboorte en sterfjaar schijnt er geen andere bron bekend te zijn, dan De Bie, die bepaald zegt: ‘is noch in 't leven en woont te Romen, oudt 68 jaren.’ - Zoo men dit noch voor het jaar 1662, het verschijnen van zijn Werk, mag aannemen, dan zou cornelis in 1594 geboren zijn. - Zijn sterfjaar is niet bekend. - Balkema zegt, zonder eenig bewijs: ‘hij overleed in 1658.’ - Daar er in het Register van het St. Lucasgild, te Antwerpen, wel drie cornelissen de wael staan ingeschreven, als één, die meester werd 16... en aldaar overleed 1661, en nog twee, die beiden in het jaar 1620, de een bij jan mulder, en de andere bij cornelis stock werden ingeschreven, zoo kan wel een dezer twee de hierbedoelde cornelis, en de andere in 1658 overleden zijn; Balkema is daardoor welligt misleid. - Zeker is het, dat Raffaello Soprani, Vite de' Pittori Genovesi, hem - even als de Abt Lanzi zie zijn Register, - onder de nog in 1665 levenden vermeld. - Bij Nagler staan 18 nommers zoo van zijne etswerken, als naar zijne teekeningen, door j.b. de wael en w. hollar geëtst. - Zie over zijn Portret op zijn broeder WAEL. (Lucas de)

[Wael, of Waal, (Jan de) de Oude. - Zie op Wael, (Jan de) de Jonge.]

WAEL, of WAAL, (Jan de) de Oude. - Zie op WAEL, (Jan de) de Jonge.

[Wael, of Waal, (Jan de)]

WAEL, of WAAL, (Jan de) de Jonge. Immerzeel meldt, dat hij, in 1558, te Antwerpen, werd geboren. - Ik kan hier uit onderstaande bron meer bescheiden bijvoegen. Zijne ouders waren Corneliszoon, de tinnenpotverkooper, en Catharina Moyns (en niet Aloyns.) Hij werd verwant aan het geslacht van gerard de jode, den Oude, door zijn huwelijk met diens dochter, Gertrudis de Jode, dat den 11. September, 1588, in de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk, te Antwerpen, voltrokken is. In 1594 was hij Deken van het St. Lucasgild, en vervulde dezelfde bediening bij den Ouden Voetboog, mede aldaar. Hij is den 7. December, 1633, en zijne huisvrouw den 21, October, 1642, overleden; beiden werden begraven in St. Andrieskerk, te Antwerpen, waar een prachtig Epitaphium tot in de eerste jaren dezer eeuw, aan hunne gedachtenis bleef gewijd. Dit gedenkteeken was versierd met drie heerlijke schilderijen, waarvan de middelste de Nood Gods, of de Graflegging onzes Heeren, de regterdeur, binnenwaarts, het Portret van jan

[p. 1819]

de wael, buitenwaarts St. Jan de Evangelist, de linker, binnenwaarts, Gertrudis de Jode, en buitenwaarts haar Beschermheilige voorstelt. Deze tafereelen waren door cornelis de vos uitgevoerd, en niet door simon de vos, zooals Descamps zegt. Het opschrift van het Gedenkstuk luidt, volgens Pastoor P. Visschers, Verzameling van Grafschriften in St. Andrieskerk, aldus: O Christus wiens geboorte en doodt Godes gramschap blusten - Dees sielen naer u Woord vergunst in vred' te rusten - Sepulture van den eersamen jan de wael oudt Deken van St. Lucasgilde en van den ouden Voetboghe. Sterft den 7. December 1633, ende de Eerbare Jouff.we Geertruyt de Jode, syn huysvrouw sterft den 21 October Ao 1642 Ende Catharina Blanckaert docht. van Joue Anne de Wael St 24 Sept. 1643. Bid voor de Sielen. Het vermelde schilderstuk is in het begin dezer eeuw door onachtzaamheid voor geringen prijs verkocht. De Portretten bleven eenigen tijd, tot in 1810 en 1814, bekend, en later gelukte het wijlen den Heer Van den Bosch van Cam, ze met het middenstuk in eigondom te verkrijgen, en schonk hij dit tafereel, bij uitersten wil, aan de Onze Lieve-Vrouwe-kerk, te Antwerpen, waar ze thans in St. Ursula-kapel prijken, doch zonder opschrift en wel in dier voege, dat de keerzijde der portretten niet kan gezien worden. Medegedeeld door den Heer Theod. van Lerius, in het Album der St. Lucasgilde enz., te Antwerpen, 1855, in 4o., bl. 61. - Ik moet hier de opmerking maken, dat de meergemelde Raadsheer Mols, Ms., die dat Gedenkteeken nog in goeden staat ‘in de St. Andrieskerk, boven den ingang der kerkmeesterskamer, te Antwerpen’ heeft gekend, zegt, dat de Graflegging van Christus, door j.h. en f. aan den tweeden stok der h. gehecht, franken beteekenende, geschilderd is. Dit kan toch niet de vos aanduiden. Wie heeft goed gezien? - Deze beteekening komt dus goed overeen met die op een Christus aan het kruis van françois francken, waarop staat dem. jon. h. en f. daaraan gehecht, en 1606. Zie Brulliot, III, Nr. 284. - In hoeverre zijne aangewezen ouders juist zijn, kan ik niet beslissen; zeker is het, dat er een jan de wael, de Oude, in het St. Lucasgild, te Antwerpen, als ‘Meester, 1556, staat ingeschreven, en jan de wael, de Jonge, Meesters-zoone, als leerling by françois francken, den Ouden, 15... Meester 1584. Deken sedert 18 October, 1594-95. Sterf 1633.’ Was dan de Oude zijn vader niet? Zeker is het hier, dat zijn vader schilder was. - Zijn Portret is door a. van dyck fecit aqua forti, in fo. - Een idem, naar idem, a. lommelin sc., in fo. Hetzelfde, Borststuk, b. niesl sc., in 8o.

[Wael, of Waal, (Jan Baptist de)]

WAEL, of WAAL, (Jan Baptist de) staat bij Immerzeel als de neef van cornelis de wael vermeld, doch Nagler zegt, dat hij diens zoon was. Verder zegt Nagler, dat de geëtste prenten, op den naam van j.b. de wael voorkomende, door Bartsch vermeld worden als door een Oude en Jonge van dien naam vervaardigd te zijn; doch dat hij zich daarin vergist heeft. - Nagler beschrijft een reeks van 14 bladen en Titel, Voorstellingen uit het Italiaansche Volksleven, waaruit blijkt, dat hij te Rome werkzaam is geweest; h. 3 dm., 2-3 str., br. 4 dm. 9-11 str. Par. - Een Vervolg van 5 bladen, de Geschiedenis van den Verloren Zoon, naar cornelis de wael, 1658. Twee stuks er van zijn beteekend joh. bapt. de wael fecit.; h. 7 dm. - 7 dm. 3 str., br. 10 dm. 4 str., - 11 dm. 1 str. - Een Landschap, met Jagers, eenden in het water schietende; idem 1658, naar foucquier pinxit.; h. 8 dm. 4 str., br. 11 dm. 11 str. - Mannen, die in eene kamer muzijk maken; bij de deur een hond; niet beteekend, doch gewoonlijk aan de etswerken van j. be wael toegevoegd, in fo. - De Misdadiger in de Gevangenis, in 8o.; j. de wael, staat verkeerd.

[Wael, of Waal, (Lucas de)]

WAEL, of WAAL, (Lucas de) jansz. vindt men bij Immerzeel geboekt. Het

[p. 1820]

algemeen opgegeven geboortejaar, 1591, zou, volgens De Bie, die in 1662 schreef, niet juist zijn, daar deze zegt, dat door hem de kunst ‘noch dagelyckx wordt ghehanteert, binnen Antwerpen, plaetse van zyn wooninghe, zynde nu oudt 69 jaren;’ zoodat hij alsdan in 1593 zou geboren zijn. - Ik vond hem in het St. Lucasgild, aldaar, met nog een aantal de wael's ingeschreven: ‘lucas de wael, meesterszoone, wierd ontfangen als Meester 1623’ (of 1628?) - Zijn overlijden wordt meestal in 1676 vermeld; ook is daarvoor 1632, 1646, en bij Balkema 1652 opgegeven, dus blijkbaar eene fout. Ik vond ook niet het jaar 1676, door Nagler uit Immerzeel, en door dezen weder uit Pilkington overgenomen, bevestigd. - Zijn Portret, zittende, de regterarm over de leuning van een stoel neêrhangende, en zijn broeder, cornelis, achter hem staande, wijzende met de linkerhand op zijn broeder, kniestuk, ant. van dyck, Eques, pinxit, w. hollar fecit, 1646, J. Meyssens exc., in fo.; eene schoone prent, in mijn bezit. r. gaywood heeft deze prent van zijn meester gekopiëerd. De originele schilderij, van dezelfde grootte als de prent, was, in het begin der vorige eeuw, in het Kabinet van Mevrouw De Reuver, te 's Gravenhage, en werd, omstreeks het midden dier eeuw, met die geheele Verzameling van 63 stuks, voor ƒ40,000 aan den Prins van Hessen verkocht, en berust thans te Cassel.

[Waelkin, (George)]

WAELKIN, (George) een schilder van Brugge, die in de tweede helft der XV. eeuw werkzaam was. in 1480 werd hij Lid der Broederschap van St. Lucas, aldaar. Zie Nagler.

[Waerden, (D.)]

WAERDEN, (D.) een schilder, omstreeks 1594 geboren. Hij werkte in den trant van honthorst en bloemaert; doch is slechts door de fraaije gravure van c. danckerts, halve figuren, naar zijne teekeningen, voorstellende, bekend. - Nagler noemt de Vijf zinnen, d. waerden inv., c. danckerts fec. et exc., in 4o. - Een Man, met een kruik onder den mantel; niet beteekend. - De Herder Celadon, in 8o., en, de Herderin Asträa, in 8o.

[Waerdt. (Quintynus de)]

WAERDT. (Quintynus de) In het Album van wynbrandus de geest, den Oude, - Zie aldaar en op POELENBURG, (Cornelis van) - vond ik eene fraaije, gekleurde teekening, een Ossenkop, met schilderattributen en gereedschappen, aan sierlijk afhangende linten, voorgesteld, waarbij het volgende vers geschreven staat: ‘Verhoecht u in Utrecht door Schilders feeste - Met vierigen gheeste liefde versterken doet - Ons heer sieur blomert wenst minst en meeste - Opdat vroecht vol eeste ellick in syn werken spoet - Door u jonste laet u conste aenmerken vroet. - Konst verheft - En brenckt tot staet - quintynus de waerdt. - Den 1 April, Ao. 1610.’ - De daarin voorkomende blomert zal, waarschijnlijk, abraham bloemaert, van Utrecht zijn.

[Waerre, (Arnould de)]

WAERRE, (Arnould de) een schilder, in de XV. eeuw, te Iperen, werkzaam. Ook te Brugge was van zijn schilderwerk aanwezig, doch dit is welligt verloren gegaan. Zie Nagler.

[Waes (Cornelis de)]

WAES (Cornelis de) schilderde en graveerde Veldslagen en werd, zegt Nagler, in 1557, te Antwerpen, geboren, doch hij is hem alleen bekend wegens 15 bladen en Titel, door de waes gegraveerd, voorkomende in den Catalogus van het Cabinet-Brisart, Gand, 1849, welke bladen niet beschreven zijn.

[Waes, (Gillis de)]

WAES, (Gillis de) een voornaam metaaldrijver, te Gent, die voor den Hertog van Bourgondië, in 1384, kostbare werken vervaardigd heeft. Zie le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc., Paris, 1849, Tom I.; Introduction, pag. L.

[Waes, (Aert van)]

WAES, (Aert van) en niet aert van waas, zooals Immerzeel schreef, die ook zegt, dat hij een leerling van wouter crabeth was. - Dit moet men als den kleinzoon van den beroemden Glasschilder, die denzelfden naam voerde, verstaan,

[p. 1821]

en verder, dat zijne geëtste prenten met aert van waes fecit beteekend zijn. Wegens de hooge zeldzaamheid, laat ik hier de beschrijving van eenige dier prenten volgen, als: Een Herberg: op den voorgrond, bij een schoorsteen, staat een rookende man, rustende, met op zijn rug de beide handen, waarin hij een pijp heeft: verder twee aan eene tafel, zittende, met kan en pijp in de handen enz.; h. 6 dm. 7 str., br. 4 dm. 6 str, Par.; geestig geëtst. - Een Schilder, van de Kunst walgende, bevuilt zijn palet en penseelen, waaronder: Om dat ick door de Konst niet quam tot myn vermeten - Soo heb ick als ghy siet in de penseel ghes....... 1645, in 4o.; bij Drugulin, Nr. 4118, op 16 Thlr. aangeteekend. - Een Vlaamsche Vruchtenhandelaar; h. 7 dm., br. 5 dm. 9 str. - Een Boerengezelschap. - Een Bedelaarster. - Een staande Boer, met een kind. - Een zittende Boer met een pijp. - Bij Verstolk van Soelen komt, onder Nr. 347 van den Catalogus, een Historisch zinnebeeldig onderwerp voor, doch dit is beteekend v.m. en wordt door Weigel, Nr. 7228, liever aan aert van maes - Zie bij mij aldaar. - toegekend.

[Waesberg, (Simon van)]

WAESBERG, (Simon van) een schilder, omstreeks 1468, te Brugge, werkzaam. Wij weten niet, of er nog werken van hem over zijn, zegt Nagler. - Hij is dezelfde, die, in dat jaar, voor het Bruiloftsfeest van Karel den Stoute, aldaar, werkte: ‘Sept jours à 8 sols par jour.’ Zie het Register van Les Ducs de Bourgogne etc. de Laborde; Paris, 1849, Tom. I.

[Waesberge (Abraham)]

WAESBERGE (Abraham) is wel als kunsthandelaar bekend, die, omstreeks 1630-1640, in Holland bloeide; doch niet, dat hij ook zelf eenige prenten heeft gegraveerd. Onder anderen wordt Een rookende Boer, en, eene andere, met een glas en kruik, aan hem toegeschreven, zegt Nagler. - Hij kan wel de vader zijn van isaäc, bij Immerzeel vermeld.

[Waeyback. (Pietre)]

WAEYBACK. (Pietre) In de Rekeningen Ms. van het O.L.V. Hospitael, te Audenaerde, vindt men aangeteekend op het jaar ‘1519-20. Item betaelt pietre waeyback, Steenhouwer, van dat hy ghemaeckt ende ghesneden heeft een Sacramentshuis in de Capelle van dezen huuse, by coopmenscepen jegens hem daer af ghedaen.... XIIJ. lib. Par.’ - Het is deze kunstenaar, die onder de voornaamste Beeldhouwers voorkomt, bij den bouw van het Stadhuis, te Audenaerde. - Zie over deze Rekeningen op HOEN. (Jacop)

[Waeyenberge, (Ignatius Joseph)]

WAEYENBERGE, (Ignatius Joseph) beeldhouwer, geboren te Somerghem, bij Gent, heeft aan de Academie, te Gent, geleerd en begaf zich vervolgens naar Parijs, waar hij proeven van een geoefend talent geleverd heeft. - Landon, Annales, IX. 47, geeft zijn gipsen beeld Psyché, en verder XVII. 99, een Genius, in omtrek. Hij heeft in marmer niets vervaardigd, en is in 1793 overleden. Zie Nagler.

[Wagemakere, (Dominicus de)]

WAGEMAKERE, (Dominicus de) een vermaard bouwmeester, door Immerzeel genoemd, als in het begin der XVI. eeuw, te Antwerpen, bloeijende. - Hij werd den 21. November, 1517, met rombout van mansdale, gezegd keldermans - Zie aldaar. - naar Brussel ontboden, om daar op de Markt, ‘op te plaetse daerop plach te stane een huys, geheeten 't Broothuys, aldus genaempt des Hertogen-huys,’ te voltooyen; ‘ende alsoe lange als men aen 't voorscreven Hertogen-huys wercken sal, ende zy die ordinantiën ende patronen daeraf maken zelen, elc van hen jaerlycx hebben sal, die somme van XXX der voerschreven Philippus-guldens, vallende altyt te Bamisse, boven huere vacatien als voeren etc.’ Zie Messager des Sciences historiques etc.; Gand, 1850, bl. 406. - herman waghemaker, Zie op jean keldermans - kan wel tot zijn voorgeslacht behoord hebben.

[p. 1822]

[Wagenaar, (P.)]

WAGENAAR, (P.) is bij Immerzeel alleen bekend door den Zwaren brand, te Amstelveen, naar zijne teekening door j. wysman sculp., 1792. - Ik voeg er bij, dat nog van hem bestaat een Gezicht van Constantinopolen, genomen uit het Zweedsche Hotel, te Pera. j. van der steen ad viv. pinx. p. wagenaar del. c. brouwer sculp., in fo.-oblong, en, Zinnebeeldig Grafteeken voor G.J. Nahuys, Prof Theol. en zijne Echtgenoot, één dag na elkander overleden (1781) door hem del., c. brouwer sculp, - Zinnebeelden der Godsdienst van alle volken; beteekend p. wagenaar Junior, inv. et del. 1781. c. philips, jacobsz. 1781, gr. in 8o.

[Wagenaer, (Lucas Janszoon)]

WAGENAER, (Lucas Janszoon) een geboren burger van Enkhuizen, die, als geleerde, doch meer door de ‘konst der stierluiden en wetenschap der zeevaert’ grooten roem heeft behaald; wegens zijne menigvuldige zeereizen en onderzoekingen, was hij ‘een seer ervaren Pilot of Stuirman geworden; stelde met er tydt eenige beschryvingen en kaerten van syn waernemingen en ondervindingen op papier, die hy ten dienste van alle Seevaerders in 1584 en 85, tot Leyden, bj C. Plantyn, op syne kosten deedt drucken.’ Dit Boek droeg den titel van Spiegel der Seevaert, in twee derlen. Het eerste is opgedragen ‘aen den Prince van Oranje, het tweede, aen de Staeten van Holland.’ In 1592 verscheen zijn tweede Zeeboek, genaamd het Thresoor der Seevaert. In 1598, heeft hij ten gerieve der Zeevarenden alles bondig in een 8o.-boek uitgegeven. Het groote aandeel, hetwelk hij in de kunst heeft gehad, blijkt uit het See-boek, door Willem Blaeu, in 1608, onder den titel van 't Licht der Seevaert, uitgegeven, die op het titelblad te zijner eere er bijvoegt: ‘dat hy dat Licht uit de allerbeste Seeschryvers-geschriften (als lucas jansz. wagenaer en meer anderen) eensdeels had vergaderd.’ - In 1577, heeft hij de Afbeelding van Enckhuisen geteekent en in prent, - alsook nog een kleine Caerte, in 1598, van de laatste vergrooting dier Stad, - uitgegeven. Zie E. van den Hoof, Historie der Stadt Enkhuisen enz., Ibid., 1666, in 4o., 2 Afd., bl. 23.

[Wagner. (Willem George)]

WAGNER. (Willem George) Als een vervolg op zijn levensberigt, door Immerzeel gegeven, moet ik melden, dat hij den 11. November, 1855, te 's Gravenhage, overleden is.

[Wakkerdak, (P.A.)]

WAKKERDAK, (P.A.) van wien geen andere levensberigten bekend zijn, dan alleen graveerwerken in zwarte kunst, welke hij, omstreeks het jaar 1720, in Holland vervaardigd heeft, en die weinig voorkomen, als: Portret van Kenau Hasselaer, kl. in fo. - Idem van een Man, naar j. stolker, idem. - Een Man, met een guitar, halve figuur, naar g. metzu, kl. 4o. - Een Meid, met een water-kruik, in eene nis, in 4o. - Een Jongen, met een slaapmuts op, in 4o. - Een Landschap, met ruïnen, en een spelonk, waaruit water stroomt, en waarbij herders en herderinnen.; h. 11 dm., br. 8 dm. 3 str. Par. - Jagthonden, in 4o. Zie Nagler. - Het Portret van J. Beukelman, aet. 47, in 1751, naar p. brasser fecit et excudit, duidt aan, dat hij toen nog werkzaam was.

[Wal. (Johannes van der) - Zie Wall. (Johannes van der)]

WAL. (Johannes van der) - Zie WALL. (Johannes van der)

[Walckenbourg. (Lucas à)]

WALCKENBOURG. (Lucas à) Meer dan waarschijnlijk, is deze met lucas van valckenburg, ook wel falckenborg geschreven, een-en-dezelfde persoon; doch, zoo het doodjaar 1582, hetgeen voor den Ouden lucas wordt gesteld, goed is - dat van 1625 is niet aanneemlijk - dan was onze lucas de zoon, die in 1625 overleden zal zijn, en alsdan zouden de hier voorkomende jaarmerken daarmede strooken; doch meer aanneemlijk schijnt het mij toe, de werken, tot 1594 volvoerd, aan den Ouden lucas te moeten toeschrijven, en dat kort na dien tijd zijn dood zal hebben plaats gehad. - Ik vond hem als een kunstenaar en vriend van joris hoefnagel vermeld, in wiens Werk, Théâtre des Cités du Monde prenten

[p. 1823]

voorkomen als een Gezigt van Linz, aldus beteekend: Effigiavit lucas a walckenbourg; Communicavit georgius houfnaglius. - Een Idem van Gmunden, exarchitypo lucae van walckenborch effigiavit georgius houfnaglius, anno 1594. - Hij was geboortig van Mechelen, en had zich te Antwerpen gevestigd, en ten tijde dat hoefnagel die stad ontweek, om het verlies van zijne goederen door de Spaansche Furie, volgue hij hem naar Duitschland, en vond bescherming bij den Aartshertog Matthias, die hem in zijne dienst nam, en vertoefde hij eenige jaren te Linz, nabij dezen Prins. - Men vindt de namen van lucas de walckenbourg en hoefnagel in de Rekeningen der uitgaven van den Aartshertog Ernst gedurende zijne reizen van Weenen naar Praag, en van Praag naar Brussel, October, 1593, tot Junij 1594, en wel onder het hoofd Frankfurt: ‘Aan meester lucas voor een Gezigt van de Stad Linz, 30 Thalers.’ Verder: ‘Voor de prenten van hoefnagel 1 Tl. 40 Sols. Voor het binden der prenten van hoefnagel, 30 Sols.’ En onder den datum Brussel: ‘Gezonden aan meester lucas van falckenbourg 240 gulden.’ - Zie over dit berigt de Verhandeling van den Heer Ed. Fetis, in het Bulletin de l'Académie royale de Belgique, Brux., 1854, in 8o.; tom. XXI, bl. 1008; en bij mij op HOEFNAGEL, (Joris) om zijn bloeitijd juister te doen kennen.

[Waldorp. (Antonie)]

WALDORP. (Antonie) Het levensberigt van dien vermaarden schilder van watergezigten is, naar waarde, door Immerzeel geboekt. Gaarne had ik sedert dien tijd meerdere bijzonderheden betreffende zijn leven en werken willen vermelden, doch mijn wensch werd dienaangaande niet vervuld, zoodat ik alleen meêdeel, wat ik vroeger heb aangeteekend. In 1845, is de Heer a. waldorp benoemd tot Lid van het (voormalig) Koninklijk Nederlandsch Instituut, 4. Klasse, en door Z.M. den Koning der Belgen tot Ridder van de Leopoldsorde verheven. Den 6. December, 1847, op den verjaardag van Z.M. Koning Willem II, werd hij mede onder de Ridders van den Nederlandschen Leeuw opgenomen, en den 3 April, 1849, heeft Z.M. Koning Willem III, hem met de Orde van de Eikenkroon vereerd.

[Waldorp (Jan Gerard)]

WALDORP (Jan Gerard) staat bij Immerzeel geboekt. Hij heeft ook de etsnaald gehanteerd, als Joseph in de Gevangenis, bij lantaarnlicht, den droom van den Schenker en den Bakker uitleggende; beteekend j.g. waldorp I. et F. 1765; kl. in fo.; fraai geëtst, zeer zeldzaam, en in mijn bezit. - Het Portret van J.J. le Sage ten Broeck, in ovaal gevat; aan een gedenkteeken geplaatst; idem f. 1789, in 8o. - Idem van Pieter van Aardenburg, Oud-Luit. ter Zee; idem fecit, 1791, - en, L'entrée de St. Maurice, naar brandouin. L.B. Coclers exc, Amsterdam, 1792, prijs ƒ4-15, gr. in fo., etsdruk, opgekleurd. - Hij heeft zijn Portret met O.I. inkt geteekend, in 4o. Zie Catalogus van Portretten van F. Muller, Nr. 5922. - Ik bezit een Idem, in kleuren geteekend, in 8o.

[Wall, (Evert Jorisz van de)]

WALL, (Evert Jorisz van de) vond ik als een glasschilder vermeld: ‘Nye borgher te Utrecht, evert jorisz. van de wall, glasschryver,’ Kameraarsrekening, 1626-27, bij Dodt, Archief, V. derl.

[Wall, (Johannes van der)]

WALL, (Johannes van der) en niet van der wal, zooals Immerzeel schreef. - Zie daarover op FARGUE. (Paul Constantin La) - Ook is hij geen Regent van de Haagsche Teekenacademie tot 1786 geweest, want ik vond hem alleen als Lid daarvan, in 1775, op het Register ingeschreven.

[Wall (Willem Hendrik van der)]

WALL (Willem Hendrik van der) is door Immerzeel vermeld. Ik voeg er bij, dat ik hem in het St. Lucasgild, te Utrecht, in 1764 als Beeldhouwer vond ingeschreven, en verder, dat hij, aldaar, in 1790, is overleden, nalatende een zoon willem rutgaart. - Zie aldaar. - De fraaije, door hem vervaardigde beelden

[p. 1824]

in de R.K. kerk, in het Katharijnensteegje, te Utrecht, aanwezig, door Immerzeel genoemd, zijn door mij, bij den verbouw en de herstellingen der groote St. Catharijnekerk, aldaar, gedeeltelijk door den storm van 1836 verwoest, (door mij in 1842 volvoerd) op het daarin nieuwgebouwde Orgelkoor, overgebragt en geplaatst.

[Wall (Willem Rutgaart van der)]

WALL (Willem Rutgaart van der) staat bij Immerzeel beschreven, die hem, volgens Van Eynden en Van der Willigen, ook rutgaart noemt. Ik bezit eenige handteekeningen van hem. Ook in het Schildersgild, te Utrecht, in 1778, komt hij, doch alleen als willem van der wall voor, ja, wat meer is, ik vond in gemeld Register: ‘Wij, Dekens van 't Beeldsnijders-gild, hebben willem van der wall, op verzoek van den Heer Vroedschap Van Voorst, meester gemaakt, mits betalende het geaccorderrde. Actum Utrecht, den 27 December, 1795. (get.) g. backer, als Deken.’ - Het Portret van G. Bonnet, Hoogleeraar, te Utrecht, door v.d. wall, ad viv. del. p.h. jonxis sculp., 1792, in 8o., zal van zijn werk zijn.

[Walle, (Eugenie van de)]

WALLE, (Eugenie van de) eene schilderes, omstreeks 1820, te Gent, werkzaam, leverde schoone Landschappen. Zie Nagler.

[Walle. (... van der)]

WALLE. (... van der) Eene schilderij, voorstellende ‘Jezus de hinderen zegenende, door van der walle, h. 2 vt. 8 dm, br. 3 vt. 6 dm. Rhijnl. ƒ88;’ komt in den Catalogus van Hoet, II, bl. 65, voor.

[Wallon, of Walois, (Huwart)]

WALLON, of WALOIS, (Huwart) was, omstreeks 1380, tapijtwerker, te Arras, die tevens handel dreef, zegt Nagler. - Deze zal, meer dan waarschijnlijk, de vader van jehan walois - Zie aldaar. - zijn geweest.

[Wallon. (Jan)]

WALLON. (Jan) Onder dezen naam komt jan van eyck somtijds voor.

[Walois (Jehan)]

WALOIS (Jehan) een beroemd tapijtwerker, te Arras, van wien ik, van 1413 tot 1434, in de Rekeningen der Hertogen van Bourgondië, in de Archiven, te Rijssel, de volgende werken vond vermeld, als: ‘A jehan walois, pour la vendue et délivrance d'un tapis de haulte lice, fait à personnaige d'esbattement de chace, contenant LXX aulnes quarrées à l'aulne, au pris de XVIIJ s.p. monnoie royale chascune aulne, valent LXXVIIJ fr. XV s. - Item pour la parpaye d'une chambre de tapisserie ouvree à chasse d'ours, de plusieurs contenances, garnie et estoffée. - Item pour une aultre chambre de tapisserie palée de couleurs de vert et de blanc, semée de roseaux et à plusieurs ymaiges contenues en plusieurs pieces.... CV francs.’ - En in 1434 nog twee tapijten, ‘l'un des VII Joies de la benoite vierge Marie et l'aultre de la Passion et crucifiement de Nostre Seigneur etc. - Item pour une chambre faicte à devise de chasse d'ours etc. Et pour une aultre chambre faicte à devise de boscaige, d'oyseaulx et verdure à plaisance etc. Et lesquelles tapisseries MdS. a données et de par lui fait présenter à l'Evesque de Liege, son cousin, au duc de Ghelre, son frere, et au comte de Meurs, aussi son cousin.... quant ils ont naguères prins congié de MdS. en la ville d'Arras, la où ils estoient venus pour la accompoigner à la journée qui s'y est tenue pour le fait de la paix etc. XIcXXXVIIJ £ X s.’ - Zie le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc., Paris, 1849; Tom. I, p. 97, 255 en 345.

[Walraven. (Isaäk)]

WALRAVEN. (Isaäk) Bij het reeds door Immerzeel vermelde voeg ik nog, dat hij ook de boetseerkunst heeft beoefend, en wel zóó goed, dat P. Locguet, te Amsterdam, er van in zijne rijke Verzameling had geplaatst, zooals zulks in zijn Catalogus van Rariteiten, 1783, onder Nr. 104, 105 en 106 voorkomt: Een bevallig Kindje, met een kruis in de hand, zinspelende op het Geloof; h. 14 dm.; aarde. - Eene staande Flora; nevens haar een kindje; h. 18 dm.; aarde, - en, Een

[p. 1825]

staand beeld, voorstellende Bacchus; h. 19 dm.; aarde, - De twee laatste werden door Hope, voor ƒ17, gekocht. - Daar het bekend is, dat hij eenige prentjes naar st. della bella, en in diens trant, naar zijn eigen teekeningen, deels met zijn Monogram, en deels met de letters j.w. beteekend, geëtst heeft, zoo kan bij ook wel de burin hebben gevoerd. Immers ik bezit eene prent, voorstellende De Geleerde in zijne kamer, j.w. sculpsit, welk monogram nog niet met zekerheid bekend is, en zou dit even goed dat van onzen j. w(alraven) kunnen zijn. Zie bij mij op J.W. - Zijn Portret, met eene teekening in de hand, is door j.m. quinckhard geschilderd; h. 11, br. 9¾ dm. Rhijnl. Zie den Catalogus van Van der Marck, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, Nr. 476, alsmede in den Catalogus der Teekeningen, een Idem, met rood krijt, door j. quinckhard; h. 9, br. 7 dm. - Een Idem, door houbraken sc., komt voor in Van Gool. - Ik bezit hetzelfde, andersom, proefdruk, niet beteekend.

[Walraven (?) van Haeften. - Zie Haeften. (Nicolaas (Walraven?) van)]

WALRAVEN (?) VAN HAEFTEN. - Zie HAEFTEN. (Nicolaas (Walraven?) van)

[Walscapelle, (Jacob)]

WALSCAPELLE, (Jacob) en niet waltskappelle, zooals Immerzeel, die een paar regels aan hem toewijdt, hem noemt. - Hij was een der voornaamste Bloem- en fruitschilders van zijn tijd, en slaagde in den schildertrant van jan davidzoon de heem zóó volkomen, dat zijne meeste werken werden verdoopt, en op naam van de heem doorgaan, waardoor die op zijn eigen naam zoo zeldzaam voorkomen. In het Museum, te Berlijn, zag ik een schoon stuk, beteekend jacob walscapelle - Tot de bijzonderheden behoort, voorzeker, een kapitaal stuk Perspectief, door walscappelle, ƒ82. Zie Catalogus van Hoet, I, bl. 213. Op een zijner stukken is het jaar 1675 gevonden.

[Walter van Assen. Zie Assen. (Jan Walter van)]

WALTER VAN ASSEN. Zie ASSEN. (Jan Walter van)

[Walther Fiamingo]

WALTHER FIAMINGO was, volgens G. Vasari, een glasschilder, die te gelijk met georg. fiamingo, een aantal kunstvoortbrengselen in Italië heeft vervaardigd, als in Toskanen, voor den Groothertog van Florence, een aantal schoone glazen naar de teekeningen van g. vasari. Zij waren, zooals de benaming Fiamingo uitwijst, Vlamingen, en worden door den abt Lanzi, Füssly en Vasari opgegeven. - Fiorillo meent, dat de genoemde door Vasari de gebroeders dirk en wouter crabeth zouden zijn, hetgeen Füssly ook vermeent te moeten vooronderstellen; latere schrijvers echter, vermoeden, en teregt, dat zij in dien tijd te Gouda werkten, en alleen is aangenomen, dat wouter voor zijne studie een korten tijd Italië heeft bezocht, dirk alleen Frankrijk en Duitschland, zoodat al de werken, die in Italië door de fiamingo's werden vervaardigd, onmogelijk van de crabeth'en kunnen zijn. De laatste opmerking dienaangaande, die alles bewijst, en welke men wel vertrouwen kan, is van Dalleway, namelijk, dat de Glasschilderkunst in Italië, op weinige uitzonderingen na, van geringe beteekenis is, en aldus het aangevoerde van Füssly hier geen geloof verdient. Zie Gessert, Geschichte der Glasmahlerei u.s.w.; Stuttgart, 1839, in 8o., bl. 179. G. Vasari, Vies des Peintres etc., Paris, 1841, in 8o., Tom. IX, bl. 154 en 347, en in het Register op gaultier, en C. Kramm, De Goudsche Glazen enz., Gouda, 1853, in 8o., bl. 33 en 34.

[Walvis (Ignatius)]

WALVIS (Ignatius) is slechts door Immerzeel genoemd. Waarom het door Van Eynden en Van der Willigen gegeven berigt niet overgenomen, die zeggen, dat de naam walvis op eene groote schilderij, Johannes den Dooper voorstellende, gevonden is, en het kenmerk draagt, dat hij hierin den trant van raphael, en bijzonder diens koloriet, getracht heeft te volgen. ‘Deze schilderij was voorheen en misschien nog in de Kerk van het klooster der Kapycijnen, te Velp, bij Rave-

[p. 1826]

stein.’ - In 1698 was er op eene Kunstveiling, te Amsterdam:Een Elias van walvis, ƒ5-10.’ - Nu is de vraag, kan deze walvis, Ignatius Walvis wezen, geboren te Utrecht, een zeer geleerd man, die, als pastoor, te Gouda, de Beschryving der stad Gouda enz., onder de letters j.w. geschreven, en aldaar in 1713, in 4o. uitgegeven heeft? Hij is in 1712 tot lid van het Utrechtsche kapittel verkozen, en te Gouda, in 1714, overleden. Zie Utrechts Bisdom, in 8o., III, bl. 462. Ik zou kunnen aannemen, dat het dezelfde persoon is, want hoeveel geestelijke heeren hebben de kunst niet in stille afzondering beoefend, waardoor van hunne werken weinig is bekend; en te meer geloof ik het, daar aan het hoofd van een Eerevers voor genoemd Werk staat: ‘Groot kenner der Oudheden en liefhebber van kunsten en wetenschappen.’

[Wandelaar (Jan)]

WANDELAAR (Jan) staat bij Immerzeel geboekt. - In den Catalogus, Teekeningen, van Van der Marck, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, was, onder Nr. 1789, ‘Het Portret van jan wandelaar, zeer uitvoerig met zwart kryt, op perkament geteekend; h. 8¼, br. 6 dm Rhynl.’ - Een Idem komt voor bij Van Gool.

[Wans, (Jan Baptist Martine)]

WANS, (Jan Baptist Martine) bijgenaamd capitein. Een weinig bekend - en dan nog alleen als jan baptist genoemd - kunstschilder, zoon van Thomas en van Johanna Ferraert, is, in 1628, te Antwerpen, geboren. In 1640 werd hij als leerling bij franciscus van oosten, en in 1656 als meester in het St. Lucasgild, aldaar, ingeschreven. Hij huwde, in 1659, met Cornelia van der Stael, bij wie hij twee zonen, Cornelis Norbertus en Jan Baptist, verwekte. De tijd van zijn overlijden is niet bekend. Zie Catalogue du Musée d'Anvers, 1857, waar men tevens een zeer groot Landschap, vroeger aan gemeld Gild toebehoorende, vindt vermeld, met bijvoeging, dat de figuren, later door jan leemans, die in 1855 is overleden, geschilderd zijn. - p. eyckens, de Oude, heeft sommige van zijne Landschappen met figuren en vee gestoffeerd, en van hun gezamelijk werk, zegt Descamps, in zijne Voyage pittoresque de la Flandre etc. Paris, 1761, bl. 179, dat in de Kerk der Geschoeide Karmelieten, te Antwerpen, de voorstelling van Elias, in een vurigen wagen ten Hemel varende, aanwezig was. Ook heeft hij, volgens Bryan-Stanley, kopijen vervaardigd naar de schilderijen van a. van dyck.

[Wapperom. (....)]

WAPPEROM. (....) In het Koor der Kerk van Ouderkerk aan den IJssel is eene Graftombe voor den Graaf van Nassau-Ouderkerk enz. ‘gemaakt onder toezicht van den kundigen wapperom, vermaard Architect enz., Steenhouwer in 's Hage, in 1753.’ Zie Van Ollefen, De Nederl. Stads - en Dorpbeschryver enz., Amsterdam, 1797, in 8o., derl V. - Ik vond hem niet in de Kamer van Pictura, te 's Hage, ingeschreven.

[Wappers. (E.)]

WAPPERS. (E.) ‘De bekende schilder e. wappers, Neef van den Baron g. wappers, is den 6. October, 1856, overleden.’ Handelsblad, 8 October, 1856.

[Wappers. (Gustaaf)]

WAPPERS. (Gustaaf) Deze Europeesch beroemde Antwerpsche kunstenaar is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. Ik zal dit Artikel hier vervolgen, voor zoover zijne werken te mijner kennis gekomen zijn. - In 1842, heeft hij geschilderd Camoëns, onder den last van zijn lijden voor de deuren van een prachtig paleis nederzinkende. Dit uitmuntende tafereel was ook op de Tentoonstelling in de Louvre te Parijs te zien, en hij verwierf daarvoor de Orde van het Legioen van Eer. De Antwerpsche Academie bragt hem eene Serenade, en de tuin der Academie was geillumineerd, welk een en ander vergezeld ging van een feest te zijner eer. - Het volgende jaar, voleindigde hij zijne Genoveva van Brabant, door den Koning der Belgen aan Koningin Victoria, van Engeland, ten geschenke gezonden. Deze schilderij is zeer geroemd. - Intusschen werd hem, in 1844,

[p. 1827]

door gemelde Vorstin een tafereel opgedragen, waar vele volksdragten in moesten voorkomen. Hij koos daartoe Den optogt van het Visschersgild, gelijk die jaarlijks in de straten van Antwerpen plaats heeft. Dit stuk volderd buitengemeen, zooals H.M., bij haar kortstondig bezoek te Antwerpen, hem zelve betuigd heeft. Kort daarop ontving hij een groote zilveren Vaas met voetstuk ten geschenke, waarop staat: Presented by Victoria R. and H.R. Prince Albert to gustavus wappers. Zie Kunst - en Letterblad, Antwerpen, 1844, Nr. 10, waar de afbeelding er van voorkomt. - Nog in dat zelfde jaar, werd hem door Koning Louis Philip, van Frankrijk, een buitengewoon groot tafereel opgedragen, voorstellende de Verdediging van Rhodus tegen de Turken, waarbij de Fransche Ridders zich zoo bijzonder hebben onderscheiden, en voor Versailles bestemd. - In 1845, werd gustaaf wappers door Z.M. Koning Leopold van België verheven tot Hofschilder en Baron. Hij is de eerste na den grooten rubens, die in België brieven van Adeldom verkreeg. - In 1846, hebben de Heeren wappers en Conscience ieder een eigenhandigen brief ontvangen van den Koning van Beijeren, geleidende het Ridderkruis der Koninklijke Beijersche Orde, terwijl hij nog in datzelfde jaar tot Eerelid van de Kunst-Academie, te Munchen, werd benoemd. - In 1847, ontving hij van den Koning van Pruissen de Ridderorde van den Rooden Adelaar, en bij zijn bezoek te 's Gravenhage, in dat jaar, hebben de Nederlandsche kunstenaars aan de Heeren wappers en heris, uit erkentlijkheid voor hetgeen zij ten nutte en genoege van de Noord-Nederlandsche meesters, sedert langen tijd, bij gelegenheid van de Zuid-Nederlandsche Tentoonstellingen, gedaan hadden, openlijk, te Scheveningen, hunnen dank betuigd. - In 1850 is hij tot Lid-Correspondent der 4. Klasse van het Kon. Ned. Instituut, te Amsterdam, benoemd. - De Heer wappers vertrok, in 1853, van Antwerpen naar Parijs, om zijne groote werken aldaar voort te zetten, en nog in datzelfde jaar, werd hem de vervaardiging van de Portretten der Belgische Prinsen opgedragen, waarvoor hij zich naar Brussel begeven moest. - In Februarij, 1855, naar Parijs teruggekeerd, werd hij tot Officier van het Legioen van Eer, en eene maand daarna tot Officier der Leopoldsorde benoemd. - Verder las ik in den Kunst- en Letterbode, 1858, Nr. 14. ‘Frankrijk. De Historieschilder g. wappers, die eenige weken lang door jicht is gekweld geworden, heeft, onder zijne pijnen door, toch de gelegenheid gevonden, om een tweetal schilderijen te voltooijen, en welke te Parijs in ruime mate de aandacht tot zich trekken. De onderwerpen zijn: 1. Christophorus Columbus, die, op zijn sterf bed liggende, zijn zoon onder eede doet belooven, dat deze hem met de ketenen zou doen begraven, welke hij eenmaal gedragen had; 2. Anna Boleyn, op het oogenblik vóór hare teregtstelling afscheid nemende van hare dochter. Behalve deze schilderijen, welker effect en koloriet zeer werden geroemd, ziet men in de werkplaats des schilders een aantal portretten van personen, vooral van vrouwen van hoogen rang, die, naar men zegt, aan de beste voortbrengselen der Vlaamsche School herinneren.’ - Het is niet wel mogelijk, de plaatsen op te geven, waar de meesterstukken van dezen beroemden Kunstenaar berusten; gelukkig, dat de meeste eene blijvende bestemming hebben verkregen, doch vele blijven buiten 's lands bewaard. Uit de nalatenschap van wijlen Z.M. Koning Willem II., verkocht te 's Gravenhage, Augustus, 1850, is de Burgemeester Van der Werff, bij, het beleg van Leyden, in het Kabinet van den Heer Y.D.C. Suermondt, Oud-Rijks-Muntmeester, te Utrecht, voor ƒ3000 overgegaan. Dit is de schilderij, waarmede de Heer wappers, in 1830, zijn roemrijke loopbaan, als bij verrassing, geopend heeft, en Een voorval uit het leven van Lodewijk XI, Koning van Frankrijk, algemeen bekend door de twee zoo schoone jonge meisjes,

[p. 1828]

die zoo bevallig voor den bijna stervenden Koning dansen enz., is in het bezit van den baron Van Heeckeren van Twickel voor ƒ2110 gekomen. - De Heer wappers heeft ook zyn teekenstift tot versiering van Boekwerken geleend, als voor dat: Hoe men schilder wordt, door H. Conscience; 2 druk, Antwerpen, 1844, in 8o., zijnde naar zijne teekening door h. brown gesneden in hout. - Zijn Portret is schoon gegraveerd door michel verzwynel, in fo. - Een Idem, a.j. ehnle Lith., in fo.

[Warf. (L. van der)]

WARF. (L. van der) Ik heb een Portret voor mij, in 1760 gegraveerd door a. durleu, in gr. fo., voorstellende Wilhelmus Schortinghius, laatst Predikant, te Midwolda, geb. 1700, overl. 1750, in ovaal gevat, waaronder een zesregelig Hollandsch vers van J. Bolt, beteekend l. van der warf pinxit. J. Spandaw excudit. Het geheel is van middelmatige kunstverdienste, en, dewijl het graveerwerk wel de minste waarde heeft, zoo kan de schilderij misschien beter geweest zijn, dan ze hier teruggegeven is; immers, de teekening is vrijwel. Het komt mij voor, dat deze beide kunstenaars in Groningerland te huis behooren, waar ze, door hunne halve bekwaamheden en de weinige kunstberigten, uit die streek tot ons overgekomen, onvermeld gebleven zijn.

[Warnaar, of Warnar, (....)]

WARNAAR, of WARNAR, (....) is mij voorgekomen als een bekwaam teekenaar in den Catalogus van vincent van der vinne, verkocht te Haarlem, 1816: ‘Kunstboek B. Nr. 41. Mars en Venus, door warnaar. - Idem D. Nr. 7. De Herders, te Bethlehem, in drie bladen, met O.I. inkt, door denzelven. - Idem F. Nr. 60. Twee stuks Zee-triomphen, met kleuren, door denzelven’. - Later vond ik van zijn werk in de Kunstnalatenschap van G. Hoet, 's Gravenhage, 1760, onder de Miniaturen in lijsten, een Italiaansch Gezigtje, met zwemmende beeldjes, zonderling uitvoerig, door warnar, ƒ5-10; en in eene Idem, van den Graaf De Fraula, Brussel, 1738, onder Nr. 66, van den Catalogus: ‘Een miniatuur, verbeeldende het Houwelyk van den Pastor Fido, eene schoone ordonnantie, door warnier; h. 8 dm., br. 12½ m. Rhijnl. ƒ90,’ en Nr. 143. Eene naakte Vrouw, die zich baadt, met een Moor, door warnier; h. 6½ dm., br. 4½ dm. ƒ7.’ - Nagler, die geen werk van hem noemt, zegt bepaald, dat hij, in de XVII. eeuw, in Holland, leefde.

[Warnersen, of Warnersoen, (Peter)]

WARNERSEN, of WARNERSOEN, (Peter) wordt, in de eerste helft der XVI. eeuw, als Briefschilder en Vormsnijder, die tevens eene Boekdrukkerij in de Broederstraat, in de Witte Valk, te Kampen, had, door Rathgeber, in zijne Annalen der Niederländische Mahlerei u.s.w.; Gotha, 1844, in fo., bl. 160 vermeld. Hij noemt de volgende houtsneden, allen bij warnersen, aldaar, geprent, als van zijn werk, te weten: vier Zinnebeeldige vrouwelijke figuren, waarbij: Wie volherdet te einde toe wert salich, Matth. X. - Viervoetige dieren, die het rad van Avontuur draaijen; idem: ‘Die staet en beloop der wereldt.’ - Eene wanstaltige figuur; idem: Die Tydt van .v, soe is myn nann. - Drie Mannen, op den voorgrond, in den achtergrond, eene stad; idem: Regierer, Burgher, vreemde gast - Vint hier een yder syne last. - Een Man, die eene bij hem zittende vrouw omarmt; verder op, eene tweede vrouw, die door haar vingers ziet; met veel bijschrift. - Een oude Man en een jong Wijf; waarbij: Een jonge-mans aventuir - Dit is een Olde mans vegeuuir. - Een jonge Man, en een oud Wijf; idem: Kort of, du bist alleen, - Den ick va herten meen. - Eene Maagd, in een vertrek, tusschen een oude en jonge man, achter een tafel staande, waarop speelkaarten en speeltuigen liggen; idem: Van die valsche ontrouwe liefde, en verder met nog veel bijschrift.

[Warnier. (....) Zie Warnaar. (....)]

WARNIER. (....) Zie WARNAAR. (....)

[p. 1829]

[Warnsinck. (Isaäc)]

WARNSINCK. (Isaäc) Deze algemeen geachte en vermaarde Bouwmeester is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. Ik wil hier eenige zijner voorname gebouwen en verdere nuttige werkzaamheden, sedert dien tijd, tot zijn, helaas! zoo vroegtijdig verscheiden, volvoerd en verrigt, bijvoegen. Te midden zijner veel-vuldige bezigheden voor bijzondere personen, werd hem, in 1843, met den Ingenieur J.G.J. van Gendt, door de Lands-Regering opgedragen, om in Engeland de gevangenissen, en bepaaldelijk de Cellulaire, te Pentonville, nabij Londen, te gaan onderzoeken, waarover hij een breedvoerig Rapport uitbragt, met dit gevolg, dat hun beiden werd opgedragen, de plannen te ontwerpen voor een nieuw Cellulair Huis van Arrest en Justitie, te Amsterdam. Volgens hun plan, werd de eerste gevangenis in ons land, onder die benaming, aldaar, gebouwd, waartoe de fondamenten in 1845 zijn gelegd, waarop het gebouw verder voltooid is. Daarna werd hem door de Regering de vereerende taak opgedragen, om de Hoofdingenieurs en Ingenieurs van den Waterstaat behulpzaam te zijn in alles, wat betrekking had op nieuw te bouwen of te verbeteren oude gevangenhuizen, waardoor al de plannen enz. aan zijne beoorderling werden onderworpen. Dientengevolge, zijn door hem ontworpen, of onder zijn toezigt gebouwd, of, voor zoover ze nog niet gebouwd zijn, de plannen en verbeteringen gemaakt voor de gevangenissen te Gorinchem, Winschoten, Appingadam, Groningen, Leeuwarden, Almelo, Assen, Sneek, Deventer, Maastricht, Utrecht, Middelburg, Goes, 's Hertogenbosch, Hoorn, Roermonde, Dordrecht en Tiel. Bij velen heeft het zich alleen tot inwendige veranderingen en het aanbrengen van cellen bepaald. - In 1843 of 1844, werd zijn bouwkundig ontwerp tot een Krankzinnigen-gesticht voor Zuid-Holland bekroond, waartoe reeds het bestek en de begrooting waren opgemaakt, alsmede dat voor een nieuw Gasthuis, te Amsterdam, die beiden niet zijn uitgevoerd. In 1846, werd hem de verbouwing en vergrooting der St. Janskerk, te Gorinchem, opgedragen, welke hij ook heeft voltooid; terwijl, in hetzelfde jaar, de kolossale Stoom-suiker-fabriek van den Heer B. Kooy Jz., met al de daarbij behoorende nevengebouwen, gelegen op Bickerseiland, te Amsterdam, door hem werd gebouwd. - Verder moeten nog worden genoemd onderscheiden gebouwen, door hem volvoerd, als: in 1852, een Buitenverblijf in den Haarlemmerhout, voor den Heer jacob de vos jacobszoon. - In 1852, de Louisa-Bewaarschool, te Amsterdam, in 1854, voltooid. - In 1853 of 1854, het Weeshuis, te Sneek. - Van 1849-1856 was hij onafgebroken werkzaam voor Jhr. G.R.G. van Swinderen, te Rijs, in Gaasterland, provincie Friesland, gelegen, om aldaar een Stoomgemaal, Houtzagerij, Schorsmaling, Schorsberging en Olieslagerij te bouwen. Verder zijn vele zaken van minder algemeen belang door hem nog volbragt. - De Heer warnsinck paarde bij veel talent eene beschaafde opvoeding, en was, wegens zijn bezadigden handel en wandel, algemeen geacht. Een en ander bleef niet onopgemerkt, terwijl hy reeds in 1840 tot Lid der Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam, werd benoemd; daarop volgde, in 1848, zijne benoeming tot Lid van het Instituut van Ingenieurs, en nog in datzelfde jaar die tot Lid der 4. Klasse van het voormalig Koninklijk Nederlandsch Instituut, wordende hij spoedig daarna tot Secretaris dier Klasse benoemd; in 1850 tot Lid van Administratie over de Cellulaire gevangenis, te Amsterdam, en twee jaren daarna tot Lid der Maatschappij van Nederl. Letterkunde, te Leyden. De kroon op zijne nuttige werkzaamheden mogt hij van zijne stadgenooten ontvangen, en wel in 1851, toen hij tot Lid van den Gemeenteraad, en den 5. September, 1854, toen hij tot Wethouder verkozen werd. Het lag in den aard der zaak, dat de Raad der Stad, wegens den grooten omvang van het fabriekage-werk, zeer gezind

[p. 1830]

was, om den man van talent, voor het belang der Gemeente, in hun midden te behouden. - De Heer isaäc warnsinck is, in Mei, 1849, gehuwd met Mejufvrouw Jacoba Johanna de Vos, kleindochter van jacob de vos, Willemszoon. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen, een zoon en dochter gesproten. - Het was een gevoelig verlies voor zijne geboortestad, Amsterdam, toen hij den 22. April, 1857, in den ouderdom van 46 jaren, zijn zooveel-omvattend werkzaam leven eindigde. Er bestaat van hem geene Afbeelding. - Zijne Bibliotheek, alleen uit Bouwkundige Werken, en wat daartoe betrekking heeft, bestaande, is in Maart, 1858, door den Heer Frederik Muller, te Amsterdam, verkocht, en heeft ruim ƒ4000 opgebragt.

[Wart (Derk Anthony van de)]

WART (Derk Anthony van de) is door Immerzeel vermeld, die alleen van zijn etswerk noemt het Panorama van Nijmegen. - Hij heeft ook geëtst een Hollandsch Landschap, met figuren, waarin hij-zelf zit te teekenen; van be wart fec. 1785, in 4o. Van dit geestig geëtste blad bestaat eene kopij, andersom. - Herders en herderinnen bij eene fontein, in 4o., en meer anderen.

[Wassemberg, (Hendrick en Steven van)]

WASSEMBERG, (Hendrick en Steven van) beeldhouwers, in 1468, te Brugge, werkzaam. - Zie het Register op le Comte de Laborde, les Ducs de Bourgogne etc., Paris, 1849, Tom. I.

[Wassenaer (N.A.)]

WASSENAER (N.A.) wordt door Nagler als een kunstgraveur, en als welligt ook uitgever, vermeld, in de XVII. eeuw, werkzaam. Zijn naam komt voor op eene prent in fo., naar j. saenredam, voorstellende de H. Martha.

[Wassenbergh. (Jan Abel)]

WASSENBERGH. (Jan Abel) Bij het Artikel van Immerzeel voeg ik nog, dat zijn Portret, staande voor een schildersezel, waar het portret van zijn vader opstaat, se ipse pinx. p. tanje sc. 1751, in 8o., in prent uitgaat.

[Water, (Cornelis de)]

WATER, (Cornelis de) ook als cornelius aquanus bekend, was een zeer beroemd goud- en zilversmid en metaaldrijver, te Leyden, die, tijdens het beleg van 1574, bloeide. Hij was ook als Stempelsnijder zeer vermaard, en heeft, vermoedelijk, de stempels vervaardigd, voor het tijdens de belegering uitgegeven Papieren-geld, of de zoogenaamde Noodmunten. - Bij gelegenheid van Het vijfde halve Eeuwfeest van het ontzet der stad Leyden, in 1574, plegtig gevierd den 3. en 4. October, 1824, beschreven door J. Roemer, Leyden, 1824, in 8o., was er onder een aantal historische voorwerpen, op dat beleg betrekking hebbende, bij Nr. 97, - Zie blz. 231 - het zeldzaam voorkomende Portret van cornelius aquanus, Antiquarius Lugdunensis, door h. goltzius; proefdruk.

[Waterloo. (Antoni)]

WATERLOO. (Antoni) Deze zoo algemeen beroemde plaat-etser is door Immerzeel vermeld, die noch geboorte-, noch sterfjaar opgeeft. De eerste, mij bekende, auteur, die er melding van maakt, is Descamps, en deze zegt, geboren in 1618, zijnde dit door hem afgeleid uit de woorden van Houbraken. ‘Om en omtrent deezen tyd wierd geboren de Konstschilder antoni waterloo; sommigen zeggen, dat by te Amsterdam, de meesten dat hy te Utrecht geboren is.’ Deze onbepaalde opgave van tijd doelt bij hem op de laatstvoorgaande geboorte van pieter van der faes, 1618, en ziedaar, waarom dit jaar door bijna alle vreemde auteurs voor dat der geboorte van waterloo staat geboekt. - Dat het jaar 1618 slechts voor zijn geboortetijd gehouden werd, kan ik bewijzen door hetgeen bij mij alleen bekend is, namelijk, in het St. Lucasgild, te Utrecht - Zie daar-over op PUYL. (G. van der) - vond ik als Lid ingeschreven: ‘1619. antoni waterloo, Landschapschilder.’ Dat hier aan geene fout te denken valt, blijkt uit de geregelde volgorde, daar de laatst hem voorafgaande is: ‘1616. joost cornelisz. droogsloot, Deken, kunststschilder,’ en de na hem volgende ‘1620. r. del tombe, als kunstschilder’ ingeschreven staat. Hieruit kan men afleiden,

[p. 1831]

dat hij in het laatst der XVI. of in het begin der XVII. eeuw werd geboren, en wel te Utrecht, waar hij in het St. Hiobs-gasthuis overleden is, en aldaar op dat kerk-hof begraven. Men heeft uit dit laatste berigt zijn tot armoede vervallen staat afgeleid, en als ware hij in een pesthuis beland geraakt. Niets van dat alles. Al de gasthuizen, - ik spreek voor Utrecht - hebben bij hunne stichting een titel, gelijk hier van Job, van als hulp voor aan Jobs kwaad lijdenden, aangenomen; doch het hoofddoel was, gasten op te nemen, burgers, die door òf zelf regt te hebben, òf door anderen, die regt daartoe hadden, er in werden opgenomen, terwijl er ook Proveniers, die er zich in moesten koopen, werden gehuisvest, alleen onder de hoofdbepaling, dat ze geboren Burgers moesten zijn. Ik heb in mijne jeugd, tijdens het Fransche bestuur, nog gegoede burgers gekend, waaronder een koek-bakker en zijne vrouw, die zich, op hun ouden dag, voor ƒ8000, als Proveniers in het St. Antonie-gasthuis, buiten de stad Utrecht gelegen, hadden gekocht, en daar uitmuntend burgerlijk en deftig woonden en onderhouden werden. Wie zal zich in Teylers hof, te Haarlem, niet boven menig burger leven verheven achten? - Dit St. Jobs-gasthuis was zeer aanzienlijk, en daarin werden in 1577 de onderhandelingen over de overgave van het Kasteel Vredenburg gehouden. Het was met eene Kapel en verschillende zalen en vertrekken versierd. Daarin was ook het St. Lucasgild gevestigd, waardoor het duidelijk wordt, dat zoovele schilders van hun werk aan het St. Jobs-gasthuis, zooals men ook bij Houbraken telkenmale leest, iets hebben geschonken of verpligt waren, te moeten inbrengen. Het is voor mij duidelijk, dat waterloo zich als Provenier daarin heeft gevestigd, en, zooals gemeld wordt, ook overleden is. - Nog wordt uit zijne werken voor goed en als zeker afgeleid, dat hij steeds in de omstreken van Utrecht al zijne onderwerpen getrouw naar de natuur heeft genomen; dit blijkt ook uit de getuigenis, welke jan weeninx aan Houbraken geeft, ‘dat hy hem in het byzonder gekend en omgang met hem gehad heeft, over 45 jaren, by gelegenheit, dat hy eenige van zyne stukken met beeldjes en beestjes heeft opgesiert, tot welken einde hy gemelde weeninks verzogt op zyn woning, gelegen tusschen Maarssen en Breukelen, buiten Utrecht, te komen, daar hy vele jaren agter den anderen gewoont heeft, in ongetrouwden staat. De voordeelen, welke hem de kunstoefening aanbragt, en hetgeen hy van zyne ouders bezat, was maar even genoeg, om borgerlyk van te konnen leven. Dus hy al wêer een van degenen geweest is, die de Fortuin van agteren zagen,’ zegt Houbraken. Hieruit blijkt wel, dat hij niet zoo gelukkig was als jan weeninx, die echter toch van Amsterdam naar hem heenging, om zijne schilderijen te stofferen, doch ook niet, dat hij arm was. - Daar zijn doodjaar bij Nagler op 1660, 1662 of 1679 wordt gesteld, zal het eerste wel niet waar zijn, want dan had weeninx 16 jaar oud zijnde, reeds voor hem gestoffeerd; zijn overlijden een tiental jaren later te stellen, is aanneemlijker. - Ik voor mij houd onzen waterloo als nog voor een Utrechtenaar, en, zoo als ik vertrouw, is dit uit al het aangevoerde wel af te leiden. Zie nog op waterloo. (j.p.) Later vond ik echter het tegendeel beweerd, namelijk, door den Heer W. Eekhoff, Archivaris der Stad Leeuwarden, in een stukje, getiteld: De vrouw van Rembrandt enz., voorkomende in het Tijdschrift Europa. Binnen en buitenlandsche Lettervruchten, Amsterdam, 1862. Daarin leest men: ‘Verder vond ik buiten het gestelde tijdperk tot mijne niet geringe verwondering, dat antoni waterloo schilder, geboortig van Rijssel, in Vlaanderen, in 1653, tot Burger van Leeuwarden aangenomen is.... De Heer kramm zal dit artikel dus kunnen verbeteren enz.’ - Voor mij vond ik alsnog daar alleen dit merkwaardige in, dat er toen twee kunstenaars van denzelfden naam, een als Landschapschilder en een andere

[p. 1832]

mede als Schilder, gelijktijdig hebben bestaan. Zoo lang er geen overwegende, oorspronklijke bescheiden, waardoor de mijne als te ligt worden bevonden, aan het licht komen, stel ik mijne berigten over waterloo op den voorgrond. Het zou niet voor het eerst zijn, dat er twee schilders van denzelfden naam gelijktijdig hebben geleefd, als alexander voet van Antwerpen, en die van Keulen; jacob van campen van Haarlem, en die van Amersfoort enz. Werd de geboorte van meindert hobbema, te Koevorden, ons in den Drentschen Volksalmanak, 1839, als een heuglijke vonst meêgedeeld, toch werd later zoo goed als bewezen vermeld, dat die eer aan Amsterdam was te beurt gevallen. Zie het Aanhangsel op mijn Werk, op HOBBEMA (Meindert). - De naam waterloo is in Vlaanderen even als in Nederland zeer bekend, en de gewoone doopnaam antonie zal hier wel tot geen afdoend bewijs moeten verstrekken. Was het die van Habakuk, dan zou zulks tot nadenken kunnen leiden. - Zijn volledig etswerk bestaat, volgens Bartsch, uit 136 stuks. Later zijn nog twee stuks koperen platen gevonden, die voor zijn vroegste werk gehouden worden. - R. Weigel, in zijn Supplément au Peintre-Graveur de A. Bartsch; Leipzig, 1843, in 12o., zegt op bl. 77, dat hij niet kan nalaten, te melden, dat er een oud Titelblad met beweegbare letters, voor het Werk van waterloo gedrukt, bestaat, in fo., doch dat zeer raar is. Het geheele werk van den vermaerden Landschapschilder anthoni waterloo, bestaande in 136 verscheide Landschappen, alle door hem zelf konstig geteekent in 't koper gemaakt. Zeer dienstig voor de landschapschilders en lief-hebbers van de Teekenhunst. T' Amsterdam gedrukt, en te bekomen by Cornelis Dankerts, vooraan op de Nieuwendyk, in den Atlas. De Atlas is op den Titel afgebeeld. Het is zeer te bejammeren, zegt Weigel, dat er nog nimmer een gebonden exemplaar, met dezen titel is voorgekomen, om daardoor over de bijwerking van eenige prenten te kunnen oordeelen, of die vóór óf na dien tijd, toen Ottens uitgever was, en nog goede afdrukken leverde, er in zijn aangebragt. - Ook bij Basan zijn 88 platen uitgegeven, onder den Titel: Suite de quatre-vingt huit Paysages de différente grandeur, composés et gravés à l'eau forte par antoine waterloo etc., in fo. Deze latere uitgaven zijn van zeer afgesleten koperen platen getrokken. - Bij Nagler vindt men 38 stuks kopiën, waaronder vergroote, door verscheiden graveurs naar de etsen van waterloo genomen. - Zijne schilderijen komen weinig voor; slechts enkele stukken worden in buitenlandsche Museums, en in het Museum-Boymans, te Rotterdam, waar bij ook schoone teekeningen, bewaard.

[Waterloo, (Joannes Petrus)]

WATERLOO, (Joannes Petrus) zoon van Petrus Waterloo en van Dorothea Terwey, werd den 4. October, 1790, te Amsterdam, geboren, en voor het beroep zijns vaders, lak- en vernisfabrikant en huisschilder, opgeleid. Hij oefende zich tevens in de beginselen der schilderkunst, zoo door bijzonder onderwijs, als in de Maatschappij Felix Meritis, en behaalde een prijs - voor een Vrouwenbeeld - bij het Collegie, Kunst zij ons doel, aldaar. Verder vormde hij zich zelf door het schilderen van Landschappen, zoowel bij zomer-als wintertijd voorgesteld, en naar de natuur genomen. Op vele Tentoonstellingen zijn zeer goede werken van hem te zien geweest, die bij een aantal zijner stadgenooten gewild zijn, en zelfs in het Kabinet van Mogge Muilman, - die in 1834 Een Landschap bij zomer-, en in 1835 een Idem bij wintertijd, elk met ƒ300 betaalde, - werden zijne stukken eene plaats waardig gekeurd. Ook heeft hij een aantal Teokeningen voor de Verzamelaars van papieren-kunst vervaardigd. De Heer waterloo woont steeds in zijne geboortestad, en is den 13. Junij, 1816, gehuwd met Mejufvrouw Geertruy Maria Kemp, den 1. December, 1861, overleden. - Op mijne vraag, of de beroemde

[p. 1833]

antoni waterloo tot zijn voorgeslacht behoorde, heeft hij mij geantwoord: ‘antonie waterloo was, volgens ik wel gehoord heb van mijne ouders, van mijn voorgeslacht, en volgens hun Ed. een Oudoom mijner grootvader; verder weet ik niet.’

[Waterloos, (J.)]

WATERLOOS, (J.) een kunstgraveur in mezzo-tinto, omstreeks 1680, woonde, waarschijnlijk, te Amsterdam. Zijn werk is goed, komt weinig voor en is beteekend j. waterloos fecit, als: een H. Familie, in 4o. - Vier zingende Boeren, in den trant van j. molenaer, in 8o. - Twee Bloemstukken, vazen, die op eene tafel staan. - Het Portret van Ds. Gualterus Bodaan, Predikant, overleden te Amsterdam, 1688, kl. in fo. - Hij zal, zeker, wel aan de Belgische Stempel-snijders sigebert, denis en antonius waterloos, van Brussel, zijn verwant geweest.

[Waterloos, (Sigebert en Denis)]

WATERLOOS, (Sigebert en Denis) graveurs van Zegels en Medaljes; de eerste bloeide van 1600-1624, te Brussel; de tweede, waarschijnlijk, aan hem verwant, werd, aldaar, in 1627, geboren, en overleed in 1715. Zie Messager des Sciences historiques etc., Gand, 1858, blz. 339. - Waarschijnlijk, zijn beiden verwant aan den bij Immerzeel vermelden antonius waterloos, van Brussel.

[Watterschoot, (Hendrik van)]

WATTERSCHOOT, (Hendrik van) een Antwerpsch schilder, was, in de eerste helft der XVIII. eeuw, te Munchen, werkzaam. Zijne schilderijen, Veldslagen, Landschappen en Bloemen voorstellende, worden zeer geroemd en overtreffen de werken zijner tijdelijke medestrevers beich en f. reich; doch desniettegenstaande bleef beich de gevierde kunstenaar. Somtijds zijn zijne stukken beteekend j.v.w., zegt Nagler. watterschoot overleed te Munchen, in 1748.

[Waumans. (Coenraad)]

WAUMANS. (Coenraad) Deze kunstgraveur wordt bij Immerzeel opgegeven, als, in 1630, te Antwerpen, geboren, hetgeen ook door Bryan is overgenomen, doch diens Commentator Stanley zegt: ‘Waarscnijnlijk, is hij vroeger dan in 1630 geboren, want in 1642 was hij reeds werkzaam; doch ik heb geene bijzonderheden aangaande zijn leven kunnen vinden.’ - Alzoo zou Nagler regt hebben, met er 1618 voor te boeken, bij welken Auteur tevens 38 stuks zijner werken beschreven staan.

[Wauters (Charles Augustin)]

WAUTERS (Charles Augustin) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. - Sedert dien tijd heeft hij zijnen kunstroem door zijn talent steeds gehandhaafd. Het volgende zal daarvan een voldoend bewijs opleveren. Op de Tentoonstelling te Mechelen was van zijn penseel ‘de Albanees en zijn gezin, die, volgens het oordeel van alle kenners, niet alleen het beste voortbrengsel is van dezen uitstekenden kunstenaar, maar een der merkwaardigste stukken van de jonge Belgische School.... In het kort, dat schilderstuk moet, meer dan al de vorigen van wauters' penseel, den kunstenaar de onverdeelde goedkeuring der Kunstwereld doen verwerven.’ Zie Kunstkronijk, 1846, bl. 46. - Verder las ik in de Eendragt van Gent, 1860, Nr. 20: ‘het Staatsbestuur heeft 2000 frs. toegekend aan den Gemeenteraad van Mechelen, om de koopkosten te helpen bestrijden eener schilderij van den Heer wauters, verbeeldende: De Lezing van Montigny's doodvonnis.’ - In 1855 werd hij tot Lid der Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam, benoemd.

[Wauters. (J.)]

WAUTERS. (J.) Eenige Geslachtwapens, met hunne attributen enz., zijn vrij goed door dezen meester gegraveerd, dien ik hier als een Nederlander te boek heb gesteld.

[Wavere. (L.v.)]

WAVERE. (L.v.) Dezen vond ik vermeld in de Beschrijving van de St. Mariakerk, te Dantzig, als vervaardiger van een uitmuntend Altaar, dat vroeger in de St. Antonie-kapel aldaar behoorde, en thans door verschillende afwislende

[p. 1834]

bestemmingen in het bezit is van den Aartshertog Deutschmeister Maximiliaan. Het werk wordt hoog geprezen, en van wavere - die van Mechelen was - heeft niet alleen het kunstige snijwerk gemaakt, maar ook het Altaarstuk daarvoor geschilderd, dat in het begin der XVI. eeuw vervaardigd is. Tot de verdere beschrijving der meest-merkwaardige zaken, in gemelde Kerk voor-komende, behoort nog eene uitmuntende Doopvont en hek, onder het groote orgel geplaatst, van geel koper gegoten, en een omvang hebbende van 62 voet. Een op diepe fondamenten rustende achthoek, in de gedaante eener kolonnade, de doopvont omvattende en insluitende, maakt er den hoofdvorm van uit; drie treden openen den toegang naar de Vont binnen een sierlijk hek, insgelijks van geel koper gegoten. Dit alles werd, in 1554, te Amsterdam, of, volgens de meening van anderen, te Antwerpen gegoten.

[Waybac. (Pierre) - Zie aan het slot van mijn Artikel Schelden. (Paulus van der)]

WAYBAC. (Pierre) - Zie aan het slot van mijn Artikel SCHELDEN. (Paulus van der)

[W.D.]

W.D. Eene w met eene d zamengehecht, en somtijds de d kleiner, is het monogram van den beroemden graveur willem jacobs delff.

[Webbers. (J.) - Zie Webbers. (S.)]

WEBBERS. (J.) - Zie WEBBERS. (S.)

[Webbers (S.)]

WEBBERS (S.) wordt j. webbers door Immerzeel genoemd, die dit Artikel letterlijk uit Bryan heeft overgenomen. Daar nu deze graveur alleen uit Boek-prenten wordt gekend, onder anderen, uit die der Beschryving van Amsterdam, enz., te Amsterdam, by Marcus Doornik, 1665, in 4o., met Franschen en Hollandschen tekst op de prenten, voorkomende, zoo had Immerzeel, als Boekhandelaar, te Amsterdam, zich dit Artikel niet door een Engelsch auteur moeten laten opdisschen, maar het behoorlijk teregt gebragt hebben, en wel op grond, dat de genoemde prenten beteekend zijn s. webbers fecit. - Nagler heeft deze fout ook begaan, doch zegt, dat Füssly zekeren s. webbers als vervaardiger noemt, en deze heeft dus gelijk.

[Webbers (Zacharias)]

WEBBERS (Zacharias) is door Immerzeel vermeld. Ik voeg er bij, dat hij een leerling is geweest van gerard de lairesse. Hij heeft zich ook in de Letteren bewogen, en, onder den bedekten naam van Jacobus Adolphszoon, uitgegeven: De waare oorspronck, voort- en onderganck des Satans. Amsterdam, 1695, in 8o., Workum, 1703, in 8o., Amsterdam, 1716, 1729, in 8o., een zeldzaam boekje. Hij heeft ook historiële onderwerpen geschilderd, als: De Hemelvaart van Christus. Zie Catalogus van Mevr. Van Warmenhuizen, 's Hage, 1719, Nr. 11.

[Weede. (Adryaen van)]

WEEDE. (Adryaen van) Het volgende oorspronklijke bewijs maakte mij met dezen kunstenaar, die in het begin der XVI. eeuw, te Utrecht, bloeide, bekend: ‘Dat voor ons quam etc. Dirckgen, Peter van Amsterveen die tymmermans wedue, ende adryaen van weede, die schilder, horen swager; ende aldaer soe gaven sy over Dirck Gherytsz., die schoenmaker, die eene helfte van der huysinge ende hofstede van voren tot achteren enz., gelegen onder die Schoenmaeckershalle etc. Schepenbrief, 1524, Dynsdaechs na den Heiligen Dertiendach.’ In het Hypotheken-Archief, te Utrecht.

[Weely (Jan van)]

WEELY (Jan van) wordt door Van Mander als een Kunstverzamelaar genoemd. - Zie II. bl. 190 der uitg. in 8o., waar tevens, in eene Noot, wordt bijgevoegd, dat deze jan van weely was een voornaam juwelier, te Amsterdam, die de schilderkunst, echter (zoo men zegt), uit liefhebberij beoefende. ‘In 1616 naar 's Hage ontboden zynde, om met juweelen aan het Hof van den Prins van Oranje te komen, werd hy op eene jammerlijke wyze vermoord, door Jean van Parys en Jean de la Vigne, welke gevat zynde, voor dat gruwelstuk naar verdiensten gestraft en levendig geradbraakt zyn, op den 16. Mei, 1616.’ - Zie over

[p. 1835]

dien moord, Baudartius, Memorien enz. VIII. Boek, bl. 39 en volg. De Sententie verscheen te 's Gravenhage, bij Hillebr. Jacobsen, alsmede de Sententie met een verhaal van de Executie, te Haerlem, bij Vincent Casteleyn, in 1616, in 4o. - Voorts zag nog het licht: Warachtich verhael van de Confessie van de twee Moorders, Jan de Paris, en Jan de la Vigne; Leyden, Jan Claesz. van Dorp, 1616, 4o.

[Weenix, of Weeninx. (Mejufvrouw ....)]

WEENIX, of WEENINX. (Mejufvrouw ....) Van deze schilderes vond ik Bloemstukken vermeld in de Catalogussen van Hoet en Terwesten, die goed zijn betaald.

[Weenix. (Jacob)]

WEENIX. (Jacob) Dezen naam vond ik vermeld in den Catalogus van A. Gevers Az., verkocht te Rotterdam, 1827, onder Nr. 13: ‘In een aangenaam Landschap hangt aan een Boomstam een doode Zwaan en een Paauw; achter dezelven een prachtige steenen Vaas; bezijden een mand met vruchten en verder bijwerk; fraai geordonneerd en meesterlijk geschilderd in den besten tijd dezes meesters. Doek, door jacob weenix.’ - Deze jacob kan wel de tweede zoon van jan baptista weenix - Zie aldaar. - geweest, en alsdan eerst na 1647 geboren zijn, en welligt de kunst voor uitspanning beoefend hebben.

[Weenix, of Weeninx, (Jan)]

WEENIX, of WEENINX, (Jan) is, naar waarde, door Immerzeel geboekt. Alleen wil ik aanmerken, dat hij niet in 1644, maar in 1640 is geboren, en, bij gevolg, bij zijn overlijden, in 1719, den ouderdom van 79 jaren had bereikt. Zie daarover op WEENIX. (Jan Baptista) - Voorts blijkt duidelijk, dat hij reeds vroeg te Utrecht was gevestigd, en nog in 1668 daar woonde. Dit wordt in de Redevoering van de Inwyding van het Teeken-collegie enz. door A. Hoevenaar, Utrecht, 1778, in 8o., bl. 21, bevestigd: ‘johan weenix werd als Lid van het Schilders-collegie alhier gevonden op de verzuimlyst der niet-ingeleverde stukken Anno 1664. (aan het St. Jobs-Gasthuis), en was op den 20. October, 1668, mede onder de Leden, welke over dat verzuim accordeerden, blykens zyn eigenhandig onderteekend Declaratoir van dien naam.’ - Terwijl ik dit schrijf, lees ik, dat voor een Stilleven van dezen voortreflijken schilder, op de Kunstveiling van Prins. Demidoff, te Parijs, in Januarij, 1863, 17,500 Francs betaald is. Dit stuk was afkomstig uit het Kabinet van den Heer G. Muller, te Amsterdam. De geheele Verzameling, ook van andere onderwerpen van kunst, bragt 776,904 Francs op. - Hij heeft ook Portretten geschilderd. Ik heb er vier stuks van in orde gemaakt, zijnde dat van den Vice-Admiraal Schey, van twee zijner Dochters, en van een nog jeugdigen Zoon, in een landschap, versierd met dood wild, allen ten voeten uit, ongeveer 8 palm groot, en met eigenaardig bijwerk, fraai bewerkt. Zij berusten bij de Familie Westhreenen, te Utrecht. - Zijn Portret, door hem-zelven geschilderd, in het verschiet een fraai hofgezigt, h. 13, br. 11 dm. Rijnl. werd op de Kunstveiling van D. van Dyl, te Amsterdam, in 1813, onder Nr. 163, verkocht. Dit is, waarschijnlijk, hetzelfde, wat Van Gool voor zijn werk heeft gebruikt, en dat destijds bij de dochter van weenix, met nog veel van zijne kunststukken, bewaard werd. Bij Descamps komt een Idem voor.

[Weenix, of Weeninx. (Jan Baptista)]

WEENIX, of WEENINX. (Jan Baptista) Immerzeel heeft, even als de overige auteurs, Houbraken voor dit levensberigt gevolgd, en deze heeft slechts één jaartal, 1621, en dit wel voor dat zijner geboorte opgegeven, en al het volgende bij wijze van redenering ingevlochten, te weten: hij trouwde, 18 jaren oud zijnde; - dus 1639; - vier jaren daarna - 1643, - verliet hij zijn vrouw en zoon van 14 maanden, en vertrok naar Italië; keerde vier jaren daarna - 1647 - terug; vestigde zich toen te Utrecht, en vervolgens op het kasteel Ter Mey, bij die Stad gelegen, 1657, waar hij, nagenoeg drie jaren er gewoond hebbende, overleed

[p. 1836]

1660, - nalatende twee zonen, waarvan de oudste, 16 jaren zijnde - dus geboren 1644-, nog leeft - 1719 - en de kunst beoefent; dit is dus zijn beroemde zoon jan. - Blijkbaar heeft Houbraken dit alles uit mondelinge opgaven, te goeder trouw, geboekt, en zulks heeft, wat vader en zoon betreft, historisch gezag verkregen. - Uit eene oorspronklijke Acte, in een Protocol in het Archief van het Geregt, te Utrecht, berustende, blijkt, dat genoegzaam al de bovenstaande tijdsbepalingen eenige verandering moeten ondergaan. Die Acte luidt: ‘L'an de grace mil six cent et quarante sept, le dix huictiesme de juing, stile ancienne, par devant moy Guilleaume de Galen notaire publicq par Messeigneurs des courts d'Utrecht et d'Hollande admis, résident a Utrecht, et les témoings dessoubs nommez, comparust en propre personne jean weenicx demeurant à Amsterdam, le quel avecq son bon gré et pure volunté à recognu, d'avoir constitué pierre thiemans riemans, peinctre, estant présentement à Rouan, pour et au nom du dict constituant, demander, lever et recevoir de Sr. Louis Bruny, ou la veuve de Sr. Jean Bruny, demeurants au dit Rouan, toutes et chascunes effigies, contrefaicts, tableaux, peinctures et aultres signes par le dict constituant au mois de Mars, passé environs cincq ans, laissez et deponez; donner quitance et acquict, et generalement de faire pour le dict constituant comme faire pourroit, si présent il estoit. Promettant d'avoir pour agréable, ferme, et stable, tout ce que par le dict pierre riemans sera faict, soubz obligation selon les droicts. Ainssy faict et passé au comptoir de moy notaire, en présence de Guilleaume van der Houve et Guilleaume de Galen, le Jeune, comme tesmoins à, ce requis. Signé: johannis weenix, G. van der Houve, Guileaume de Galen, G. de Galen, Note.’ - Uit dit stuk blijkt, dat hij den 18. Junij, 1647, zijne woonplaats nog te Amsterdam had; en dat hij omstreeks Maart, 1642, reeds naar Italië was vertrokken, waaruit volgt, dat hij in 1638 is gehuwd, en zijn zoon jan niet in 1644, maar in 1640 moet geboren zijn, en deze dus niet 75, maar 79 jaren oud was, toen hij, volgens Van Gool, in 1719 stierf. Is het nu zeker, dat hij 18 jaren oud was, toen hij huwde, dan is hij niet in 1621, maar in 1620 geboren, en was hij bijgevolg, tijdens zijn overlijden, in 1660, niet 39, maar 40 jaren oud. Dat hij, in 1664 reeds overleden was, blijkt uit de volgende aanteekening uit een Register van de Momberkamer, te Utrecht: ‘Justina Hondecoeter, weduwe wylen jo. b. weenix, in de Wittevrouwenstraet, ende nagelaten twee kinderen, 31 October, 1664.’ - Dit waren beide zonen, zooals Houbraken zegt, waarvan de tweede of jongste, eerst na 1647 geboren, welligt jacob weenix - Zie aldaar. - zijn kan. - Verder leeren wij uit die Acte, dat hij, als reizend kunstenaar, zijn Depôt te Rouaan had, om los en vrij te zijn, als hij Italië wilde verlaten, hetgeen is gebleken, voor hem noodig te zijn geweest. - In 1647, teekende hij alleen johannes, en later, om zijn werk van dat van zijn zoon jan te onderscheiden, jan baptista. - Nog vond ik aangeteekend, dat hij de laatste leermeester van nicolaas berchem, zijn neef, geweest is. Zie de Voorrede van H. de Winter, Beredeneerde Catalogus van alle de Prenten van N. Berchem enz., Amsterdam, 1767, in 8o. - Zijne kunst blijft steeds in waarde en zeer gezocht. In 1860, werd, op de Verkooping, te Londen, van Sir Culling Eardley, voor een Landschap van j.b. weenix ƒ8880 betaald. - Immerzeel noemt slechts twee zijner etsen, doch hier zijn er zeven, uit Nagler, en uit Weigel, Supplément au Bartsch, beschreven: 1.) De Stier, met de beide Koeijen; beteekend j. bapta. weenix; h. 5 dm. 8 str., br. 3 dm. 4 str. Par. - 2.) Een Man, met een ronden hoed, zit op een steen, waarbij een hond, rustende met zijn kop op zijn linkerbeen; niet beteekend; h. 6 dm. 5 str., br. 4 dm. 9 str. - 3) Een staande Stier, in verkorting, van voor te zien, links in

[p. 1837]

het verschiet een vierkante toren, eene waterleiding op vijf bogen, gebergte enz.; beteekend; h. 6 dm. 6 str., br. 4 dm. 1 str. Uiterst-zeldzaam. - 4.) Eene staande Koe, bijna van voor te zien; in het verschiet bergen, die zich links verheffen; boven in de marge staat, verkeerd, gio. batta. weenix. A.D. 1649 = adi 19 Otbre. en onder, j. weenix; h. 7 dm., br. 4 dm. 9 str. - 5.) Een Stier en een Ezel, staande in het water; regts zwemt een hond; links een man en eenige ruïnen; in 8o.-oblong., ovaal. - 6.) De Fontein; bij het bekken staat een ridder en eene andere figuur, met een hond; regts geleidt een trap naar een prachtig gebouw; beteekend; h. 5 dm. 9 str., br. 4 dm. - Hiervan is een exemplaar in het Britsch Museum. In Walker's Painters Etchings komt eene goede kopij voor. - 7.) Een Gezigt in Italië; links een klooster, villa's met muren, eene fontein en een beek; geheel op den voorgrond, links, twee kolommen; regts twee pelgrims en een boer, en kapiteelen van kolommen; beteekend; h. 4 dm, 2 str., br. 7 dm. 6 str. Deze ets is van zijn eersten tijd. Nr. 2 en 6 worden door eenige kenners gehouden voor werk van zijn zoon jan. - Zijn Portret is bij Van der Marck, te Leyden, te Amsterdam, 1773, onder Nr. 477 van den Catalogus, verkocht. ‘Hy is verbeeld met een lange pyp in de eene hand, leunende met den arm op een tafel, met een kleed gedekt; waarop een groene roemer met Rhynsche wyn, een vuurtest en en papiertje met tabak; fraai geschilderd, op doek; h. 16 dm., br. 13½ dm. Rhynl.’ - Ook bij Houbraken en Descamps komt zijn Portret voor. - Eene afteekening van het bovengenoemde Huis Ter Mey is in mijn bezit.

[Weerdt, (Abraham de, of van der)]

WEERDT, (Abraham de, of van der) een Vormsnijder, welligt, zegt Nagler, een Hollander van geboorte, die langen tijd te Neurenberg - omstreeks 1636-1680 - gewerkt heeft, en vermoedelijk aldaar overleden is. Hij zegt, dat Heller hem verkeerdelijk abr. van werf noemt. - Men vergelijke dit Artikel met dat van VAST. (.... van der)

[Weerdt (Adriaan de, of van der)]

WEERDT (Adriaan de, of van der) is door Immerzeel vermeld, als, in 1510, te Brussel, geboren, en in 1566, te Keulen overleden. Nagler zegt daarop, volgens Merlo, dat hij, omstreeks 1590, in tamelijk jeugdigen leeftijd, overleden is. - De prent, Christus als overwinnaar des doods en des duivels; Wy waren kinderen enz. door joh. sadelaar sc., is beteekend a. de weerd I. 1577; dit nadert eenigzins tot 1590. Doch er zijn meer berigten over hem medegedeeld, die aanleiding tot tastbare verwarring gegeven hebben, onder anderen, dat hij ook het Portret van Joost van Vondel - geb. 1587, overl. 1679 - naar jan lievens, heeft gegraveerd, zooals Füssly te boek heeft gesteld. Dit weder-spreekt alles, gelijk door Merlo, Kunst und Künstler in Köln, Ibid., 1850, teregt, is opgemerkt. - Zie nog op VAST. (.... van der)

[Weert (J. de)]

WEERT (J. de) is bepaald een andere graveur, dan de bekende jacob de weert, bij Immerzeel en meerdere auteurs vermeld: want ik bezit gravuren naar david ryckaert, die, op zijn minst genomen, omstreeks 1640 kunnen vervaardigd zijn. Bovendien is er geen zweem der graveerwijze van antonie wierix, in jacob's werk zoo kenlijk, in te ontdekken, en hij behoort, mijns inziens, tot de latere Vlaamsche School. Welligt is onze j. de weert van genoemden jacob een zoon.

[Weerts. (H.M.)]

WEERTS. (H.M.) Van dezen onvermelden schilder vond ik: ‘Een Cartoes; daarin ziet men een Borstbeeld, in 't graauw geschilderd, omslingerd met festonnen van verscheiden soorten van bloemen, uitvoerig en natuurlyk geschilderd, in de manier van pater segers; h. 35, br. 26 dm. Rhynl.,’ en door den vermaarden kunsthandelaar Floquet, in 1771, met ƒ10,50 betaald, toen op dezelfde Verkooping de potter's en ruisdael's voor 6 tot 20 gulden werden verkocht.

[Weertsburg, of Wirtsburg. (Hubert van) - Zie Goltzius. (Hubert)]

WEERTSBURG, of WIRTSBURG. (Hubert van) - Zie GOLTZIUS. (Hubert)

[p. 1838]

[Weesop (....)]

WEESOP (....) wordt door Fiorillo, Geschichte der Mahlerey in Grossbrittanniën, u.s.w., een Nederlander genoemd, die in 1641, en dus kort voor den dood van a. van dyck, naar Engeland trok. Hij behoorde tot de beste navolgers van dezen beroemden meester, en wist zich diens stijl zóó eigen te maken, dat er soms van zijne werken met die van van dyck verwisseld zijn. Hij betreurde den dood van Karel II. zóó zeer, dat hij Engeland, in 1649, heeft verlaten.

[Wegner (J.G.)]

WEGNER (J.G.) wordt als een Nederlandsch teekenaar vermeld, in den Catalogus van J. Vollenhoven, Amsterdam, 1822, waar, onder Nr. 24, voorkomen: Twee bergachtige Landschapjes, bevallig gestoffeerd en met kleuren geteekend, door j.g. wegner.

[Wehmeyer, (W.E.)]

WEHMEYER, (W.E.) een verdienstlijk kunstgraveur, in den bloei zijner jaren, den 29. Junij, 1854, te Amsterdam, oud 36 jaren, overleden, en door de Leden van Arti et Amicitiae, den 3. Julij, in de Westerkerk, plegtig ter aarde besteld. - Zijn beste werk is ongetwijfeld de reeks Portretten, door den Heer Buffa uitgegeven, te Amsterdam.

[Weide. (Rogier van der)]

WEIDE. (Rogier van der) Bij Immerzeel vindt men een schraal en verward Artikel over dezen beroemden man, dat noch voor den Ouden, noch voor den Jongen dienen kan. - Zie bij mij op WEIJDE. (Rogier van der) den Oude en den Jonge.

[Weidner (Willem Frederik)]

WEIDNER (Willem Frederik) staat bij Immerzeel vermeld. Hij is niet in 1818, maar den 1. April, 1817, te Haarlem, geboren. Zijne ouders waren J.W. Weidner en E.M. van Haarlem; zijn leermeester was m. savry; doch hij heeft zich vervolgens naar de natuur geoefend in het schilderen van bloemen, vruchten en dood wild, die gezegd kunnen worden verdienstlijk te zijn uitgevoerd. Hij is den 16. Julij, 1846, gehuwd met Maria Magdalena Savry, en te Haarlem, den 18. Maart, 1850, overleden.

[Weiland. (....)]

WEILAND. (....) Deze naam is mij alleen voorgekomen in den Catalogus eener Verkooping, 1780: Een Landschap, met naakte beelden, op doek, door weiland.

[Weissenbruch (Jan)]

WEISSENBRUCH (Jan) is door Immerzeel op johannes weissenbruch vermeld. Het is mijne taak, de latere bescheiden, dezen vermaarden kunstenaar en zijne werken betreffende, hier te boek te stellen. Hij is de zoon van Johan Daniel Weissenbruch en van Johanna Ryns Burger, geboren te 's Gravenhage, 18 Maart, 1822. Sedert Immerzeel zijn levensberigt te boek stelde, heeft hij voor zijne studiën het grootste gedeelte van ons land, en een klein gedeelte van België, doorreisd, en van de ontwikkeling van zijn talent met het beste gevolg doen blijken, waarom bij ook tot verdere aanmoediging het genoegen mogt smaken, dat zijne schilderijen in verscheiden Kabinetten, meerendeels buiten 's lands, werden geplaatst; zelfs wordt gemeend, dat de Groenmarkt, te 's Hage, in de Koninklijke Akademie, te Stuttgart, berust, terwijl een zijner tafereelen, de St. Mariakerk, te Utrecht, in 1080, als decoratie een der zalen van Arti et Amicitiae, te Amsterdam versiert. - In 1844, behaalde hij bij het Genootschap Arti Sacrum en Hierdoor tot hooger, te Rotterdam, de zilveren Medalje. - In Februarij, 1846, werd hij tot Eerelid der Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam, en in December, 1853, tot idem van het Genootschap Kunstliefde, te Gorinchem, benoemd. - Bij gelegenheid der Tentoonstelling te 's Hage, in 1857, werd de eerste Stedelijke gouden Medalje aan hem èn aan den Heer cornelis springer toegekend; het lot, dat hem gunstig was, besliste. - In Februarij, 1858, werd hij tot Eerelid van de Société Belge, des Aguarellistes te Brussel, benoemd. - Op eene andere Tentoonstelling aldaar, in 1859, behaalde hij de Gouden Medalje, door het Rijk uitgeloofd, en in Februarij van datzelfde jaar, benoemde het Genootschap Kunst zij ons doel, te Haarlem, hem tot Eerelid. Zoovele vereeringen konden in de

[p. 1839]

Hofstad niet onopgemerkt blijven, zoodat Z.M. Koning Willem III. hem den 21. Maart, 1861, de versierselen van Officier der Orde van de Eikenkroon deed toekomen. Spoedig daarop werd hij, in Julij en Augustus, 1882, tot Eerelid van de Société des Artistes Belges, te Brussel, en van de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, te Rotterdam, verheven. In het belang der geschiedenis dient vermeld te worden, dat de Heeren jan weissenbruch en lambertus hardenberg de Stichters zijn van de Haagsche Etsklub, en van het Schilderkundig Genootschap Pulchri Studio, te 's Gravenhage. - Hij heeft eigenlijk geen leerlingen gehad; alleen zijn jongere broeder frederik hendrik heeft zich, onder zijne leiding, als een gunstig bekend lithograaf, en door zijn min of meerderen invloed op sommige schilders, bij voorbeeld j.j. van der maaten, als een verdienstlijk schilder gevormd. - De Heer weissenbruch heeft op verdienstlijke wijze 34 stuks prenten naar zijne eigen teekeningen, of naar de natuur geëtst, die bij de liefhebbers van papieren kunst zeer zijn geacht. Mijn wensch om die, zooals ik gewoon ben, naar de prenten-zelve te beschrijven, werd niet vervuld, waardoor ik de zoo noodige maat niet kan opgeven, en waarover dus in de toekomst veel duisters zal blijven bestaan. Ziehier in tijdsorde de opgave, mij daarvan geworden. - 1.) Gezigt te Woudrichem; links een groot gebouw, half door de plaat afgesneden; in het verschiet gebouwen enz.; beteekend j. weissenbruch f. 49. - 2.) Gezigt op den Trekweg, bij 's Hage; links een molen van achter te zien enz.; idem, idem. - 3.) Gezigt te Boxtel; in het midden een gebouwtje, naast eene straat, waarin een Noordbrabantsche Ossenkar; in het verschiet eene markt, met veel figuren; idem, idem. - 4.) Gezigt op den Schenkweg, bij 's Hage, naar den Koepel, vroeger het atelier van den Heer j.a. van der drift - Zie aldaar. - Regts, de Koepel, meer naar 't midden, twee figuren enz.; idem, idem. - 5.) Gezigt op het Binnenhof, te 's Hage, gestoffeerd met karren enz.; idem, idem, oblong. - 6.) Gezigt op den Schenkweg, van den Koepel gezien; een weg met wilgen boomen, in het midden, twee figuren enz.; idem, idem. Dit is de weêrgâ van Nr. 4. De vier figuren op deze twee plaatjes stellen de Leden eener toen bestaande Etsklub voor. - Zie op HARDENBERG. (Lambertus) - 7.) Gezigt in Amsterdam; links, een oud vervallen hoekhuis; op den voorgrond, eene brug, met figuren, idem. - 8.) De Ingang van een tuin, te 's Hage; op den voorgrond, links een oud jachthuis, waarin een liggend jacht, door de plaat afgesneden; in het midden, de opening in den muur van den tuin, waarvoor eenige dames; idem, idem. - 9.) Portret van r. craeyvanger, regts gewend, een hoed op en eene lange pijp in den mond; beteekend j.w. f., op zink geëtst. - 10.) Idem van j. hartogensis bzn. bloot-hoofds, bijna van voren. - Idem. De weêrgâ. van Nr. 9, op idem. - 11.) Eene arme familie; een zittend vrouwtje, met een kind, op zijde, regts gewend; daar achter een staande man; niet beteekend; op idem. - 12.) Gezigt te Kuilenburg; een binnenplaats waarachter een hooge, vierkante toren links, van voren, een heg en huisje; j.w. 50. - 13.) Portret van j.a. van der drift, van voren, met den regterarm over den rand van zijn stoel; van onder, het facsimilé; niet beteekend; op zink. - 14.) Een Antwerpsch Groentevrouwtje, bij een mand met fruit; idem op idem. - 15.) Gezigt op Vreeswijk; links, op den voorgrond, een dijk, met twee geschoren boomen en een schuit; de rivier de Lek, in het verschiet; j. weissenbruch f. 29 November, 1850; op idem. - 16.) Twee Honden; de een liggende, en daarachter een zittende, regts een bord; j.w. f., oblong. - 17.) Gezigt bij Kuilenburg; regts een paar huisjes met boomen en een heining; in het midden, een karretje; links, de rivier; jan weissenbruch f. oblong. - 18.) Het Veer, te Rhenen; links, het veerhuis, verder stoffage van Heeren en Dames; niet beteekend;

[p. 1840]

op zink. De plaat is verongelukt. De eerste drukken hiervan zijn eene groote plaat, waarop van boven een dito is geëtst door l. hardenberg. - 19.) Gezigt in Nijmegen; regts, een oud gebouw, waarvoor een vrouwtje; links, een kar met paard en eene leunende vrouw; jan weissenbruch f. - 20.) De vier Leeftijden; de Buste van een ouden Monnik, van een Jongman, van een Meisje en van een Kind; j.w. f. oblong. - 21.) Een liggende Herdershond; idem, oblong. - 22.) Studie van een zittend vrouwtje, links gewend, te halver lijf; idem. - 23.) Portret van david blok, alleen het hoofd, in een rond; idem, en david blok. - 24.) Gezigt aan de Lek; regts, boomen, waaronder biezen; links, daar achter, een schip; jan weissenbruch f., oblong. - 25.) Studie van een Man, met een kan in de linker- en een glas in de regterhand; dwars op een stoel gezeten; in costuum uit rembrandts tijd; j.w. f. - 26.) Een rustende Jager, liggende op een heuvel, bijna van achter te zien; idem, oblong. - 27.) Een Jongen, met een pet op en kloropen aan, van achter te zien, staat op de stoep voor een huis; idem. - 28.) Portretten van johannes en van zijn broeder frederik hendrik weissenbruch, beiden met den hoed in de hand, bij een muur; vooraan, een liggende hond; jan weissenbruch f. - 29.) Gezigt aan den Leydschendam; op den voorgrond verscheiden schuiten; in het verschiet, gebouwen, met molen, hooiberg enz.; j.w. naar de natuur geëtst, oblong. Uitgeslepen en slechts weinig exemplaren er opgedrukt. De eerste druk is eene groote plaat, waarop, in tegenovergestelde rigting, door j. hartogensis bnz. een dito is geëtst, en beteekend: Herinnering aan 22 Julij, 1856, te Leidschendam. - 30.) De Wal, te Kuilenburg; in het midden, een klein oud gebouwtje, met toren; links, op den voorgrond, een staand meisje, kippen enz.; jan weissenbruch f. oblong. - 31.) Gezigt op de kerk, te Nijmegen; een straatje, waarin aan het einde de kerktoren uitkomt; niet beteekend. - 32.) Gezigt te Leyden; een hoekhuis, met openstaande deur en pothuis; van voren, twee vrouwen; j.w. f. - 33.) Gezigt in Kuilenburg; een vervallen muur, waarvoor een pomp; verder twee figuren; idem. - 34.) Gezigt te Scheveningen; een straatje met lage huisjes, waarin een kar, van achter te zien; idem, oblong. - Eindelijk bestaat er nog eene eerste plaat, bijna vierkant, door vier Heeren beëtst, en die aanleiding heeft gegeven tot het oprigten der Haagsche Etsklub, als: 1.) Een Riviergezigt, met onafgeknotte wilgen; j.w. f. - 2.) Een Manshoofd; r. c(raeyvanger) f. - 3.) Een Duingezigt, met de zee in het verschiet; j.a.v.d. d(rift) f. omgekeerd, en, 4.) Een Stadswal; l. h(ardenberg) f. 1848. - Verder heeft hij nog eenige proeven vervaardigd in Diaphanographie, die echter bijna eenig zijn. - Zijne schoone Lithographiën zijn door den handel te veel bekend, om ze hier nog te vermelden. - Zijn Portret is door zijn Neef, izaak weissenbruch, in hout gesneden. - Een Idem, gelithographieerd door zijn broeder f.h. - Een Idem, geëtst door j.c. van der grient, c. ozn., en het bovengemelde onder Nr. 28.

[Wel (J. van)]

WEL (J. van) wordt vermeld in den Catalogus van D. van Dyl, Amsterdam, 1813, onder Nr. 32, bl. 79: Een Wintergezigt, rijk gestoffeerd, fraai met O.I. inkt gewasschen, door j. van wel. Deze schijnt een ander te zijn dan arnoldus van well az., reeds bij Immerzeel vermeld.

[Well. (Arnoldus van) az.]

WELL. (Arnoldus van) az. Ik heb hier alleen te doen opmerken, dat Nagler dit Artikel uit Immerzeel overgenomen heeft, en, bij vergissing, 1792, in plaats van 1772, voor zijn geboorte-jaar heeft geboekt.

[Welle, (D.)]

WELLE, (D.) een teekenaar en schilder, omstreeks 1790-1810, te Leyden, werk-zaam, doch van wien geene levensberigten zijn bekend. j. bemme az. graveerde naar hem het Portret van den Luchtschipper Hopman, in fo., en een ander blad, voor-

[p. 1841]

stellende De verwoesting van Leyden, in 1807, door van welle del., gr. in fo. Deze beide bladen komen in etsdruk en afgewerkt voor. Zie Nagler.

[Welle, (Hieronimus)]

WELLE, (Hieronimus) boekdrukker en, waarschijnlijk, ook Vormsnijder, die te Leuven werkzaam was. Het volgende Werk is bij hem verschenen: Een devote maniere om gheestelyck pelgrimagie te trecken tot den Heilighen Lande, als te Jerusalem, Bethleem, ter Jordanen enz.; Leuven, by hier. welle, 1563, in 12o. Dit Werk bevat 75 Houtsneden. - Een latere uitgave is van 1568. Op den Titel noemt zich de vervaardiger ook jan pascha. Zie Nagler.

[Welle, (H. van)]

WELLE, (H. van) een kunstschilder, in de eerste helft der XVIII. eeuw, to 's Gravenhage, of Brussel, werkzaam. Hij teekende Natuur-gezigten en Landschappen. In de Jezuiten-kerk te Brussel, schilderde hij, met mensaert, het Leven der H. Jonkvrouw, in zeven tafereelen. berterham graveerde naar hem een Gezigt op de Abdy Villers, voor Le Grand Théâtre sacré du Brabant; La Haye, 1734, in fo. Zie Nagler.

[Wellekens (Jan Baptist)]

WELLEKENS (Jan Baptist) is bij Immerzeel geboekt. Ik voeg er bij, dat hij, in 1658, te Aelst, in Vlaenderen, waar zijn vader, Cornelis Wellekens, koopman in lakens en hop was, werd geboren. Reeds zeer vroeg zond deze hem naar zijner vrouws broeder, te Amsterdam, die hem bij een goudsmid bestelde. Aan zijne zucht voor de Kunst werd voldaan, door hem bij anthony de grebber ter opleiding te besteden. Op zijn 18. jaar vertrok hij naar Italië, waar hij elf jaren vertoefde. - Ik 1687, werd hij, te Venetië, door eene beroerte overvallen, en keerde, na zijne aanvanklijke herstelling, naar Amsterdam terug, waar hij, in 1699, huwde met Johanna van Hardenbroek, overleden 1724, terwijl hij den 14. Mei, 1726, mede aldaar overleed. Door en na deze ziekte is hij nimmer meer gezond geweest, zoodat hij de kunst liet varen en zich geheel aan de Poëzij heeft gewijd. Zoodoende zijn er bij ons nagenoeg geene zijner schilderijen bekend. Hij was van de Klerezy en is dat tot aan zijn dood toe gebleven. Zie Kok, Vaderl. Woordenboek, in voce.

[Welmeer (Christiaan)]

WELMEER (Christiaan) is bij Immerzeel vermeld. - Zijn Portret komt in het Prentwerk van j.e. marcus voor.

[Welsing (J.)]

WELSING (J.) wordt als teekenaar vermeld in den Catalogus van Ploos van Amstel, Amsterdam, 1800, bl. 220: Een comicq Studiebeeldje, met een flesch in de hand, fiks met de pen en bisschops-inkt geteekend, door j. welsing.

[Welten (A.)]

WELTEN (A.) vond ik, als teekenaar, vermeld in de Kunstverzameling van D. van Dijl, verkocht, te Amsterdam, 1813, bl. 72 van den Catalogus: Eene afteekening van Het verbranden van 's Lands-Magazijn, te Amsterdam.

[Wenluwe, (Hendrik van)]

WENLUWE, (Hendrik van) kunstschilder, ten jare 1513, in de Broederschap van St. Lucas, te Antwerpen, voorkomende, en een der vele kunstenaars, wier namen der Kunstgeschiedenis zijn ontgaan. Zie Nagler. - Hier zal men aan een hendrick van leuwen, of leuven moeten denken.

[Wenne, (A. van der)]

WENNE, (A. van der) een onvermeld graveur, van wiens werk een Portret van Hugo de Groot, in diens Jaarboeken, Amsterdam, 1681, in fo., voorkomt, naar m. mierevelt. Het is voor een Boekprent vrij wel, doch droog gesneden. Nog zag ik een idem van Petrus Valkenier, naar m. merian pinx., door wenne gesneden. Hier valt, mijns inziens, niet aan den bekenden adriaen van der venne te denken, want deze heeft niet gegraveerd, en was in 1681 reeds 19 jaar dood.

[Wentel. (C.H.)]

WENTEL. (C.H.) Ik bezit een Portret van heiman dullaert, gekopieërd naar dat voor diens Gedichten, Amsterdam, 1719, 8o., door j. houbraken sculp., doch andersom, door c.h. wentel sculp. Het schijnt mij toe, eene graveerproef te zijn, doch wanneer ze vervaardigd, en wie deze graveur is, weet ik niet op te geven.

[p. 1842]

[Werd (Nicolaes van)]

WERD (Nicolaes van) vond ik onder de Hollandsche graveurs vermeld, in den Catalogus van den Freiherrn Haller von Hallerstein; Neurnberg, 1860, bl. 121: Het Portret van Jac. Böhme, omgeven door geheimzinnige en zinnebeeldige figuren, Lucinos a Lhibenau inv. desid. stierhoxt van leiden del., gr. fo.; zeer zeldzaam. - Waarschijnlijk, is het Portret door j.c. philips sculp., in 1744, in 4o., dat voor de Hollandsche vertaling der Werken van dien Silezischen mysticus, overleden in 1624, voorkomt, daarnaar genomen.

[Werden, of Weerden, (Jaques van)]

WERDEN, of WEERDEN, (Jaques van) was een zeer bekwaam teekenaar van Kasteelen en Landgezigten, gelijk er verscheiden voorkomen in J. le Roy, Castella et Praetoria Nobilium Brabantiae etc.; Lugd. Bat., 1699, in fo.; l. vorsterman Junior fecit aquâ forti, in fo.-plano. Deze prenten zijn beteekend jaques van werden, en ook van weerden, Archer et Garde de corps de sa Maje. del. Zij zijn, even als de stoffage, verdienstlijk geteekend.

[Werf (B. (?) van der)]

WERF (B. (?) van der) is mij alleen bekend als Beeldhouwer, te Rotterdam, door een Portret in profil, buste, met een groote bonten muts op, door j. bemme az., in 1804, fraai geteekend en geëtst; zonder naam; h. 125, br. 105 str. Ned., met de marge. Ook komt het voor onder diens etswerken in Weigel, Kunstlager-Catalog, Nr. 13613.

[Werf, (Jacobus van der)]

WERF, (Jacobus van der) een landschapschilder, geboren te Bennebroek, bij Haarlem, en, aldaar, in 1818, overleden. Hij werd in zijn tijd nog al goed voor zijn werk betaald, en heeft een zoon van denzelfden naam nagelaten, die, in 1808, aldaar, geboren werd, zich eerst met rijtuigschilderen onledig hield, en daarna zich aan het kunstvak zijns vaders gewijd heeft.

[Werff (Adriaan van der)]

WERFF (Adriaan van der) vindt men, naar waarde, bij Immerzeel vermeld. In het belang der Geschiedenis, wil ik een tijdgenoot, den vermaarden Engelschen reiziger, Edward Wright, die groote kunstkennis bezat, en hem een bezoek bragt, laten spreken: ‘Wen we were at Rotterdam we went to visit the ingenious and most indefatigably curious artist, Mr. van der werf (sin'ce dead) and saw serveral of his Per ormances: At his chief Perfection was in the finishing part, he would not les us see enything of his Works but what was finished. Cardinal Ottobeni had got one of his Pieces at Rome, and made signor Trevisani do one of the same size fir a Trial in that elaborate way, and they were both expos'd together among other Pictures at publick Faest of one of the convents.’ Zie bl. 515, zijner Some ohservations made in traveling through France, Italy etc. London, 1730, in 4o. Hieruit ziet men, hoe hoog zijne kunst, ten tijde van Wright, te Rome, aangeschreven stond. De Verzameling-Portretten, door hem in het graauw (en camaïeu) voor de gravuren van het Werk van Larrey, History of England, geschilderd, en door Immerzeel vermeld, zijn nu laatstelijk op de Verkooping van Verstolk van Soelen, in 1847, door den Makelaar Brondgeest voor ƒ1100 gekocht. Waar ze beland zijn, weet ik niet, maar wèl, dat de eerste bezitter er van was Jaques Meyers, te Rotterdam, en dat ze aldaar in 1722, voor ƒ455 zijn verkocht. - Het schijnt, dat hij meer zulke verzamelingen, doch in kleuren, heeft geschilderd: want in den Catalogue des Tableaux etc. du Comte Despinoy, Versailles, 1850, komen 18 stuks Portretten voor, allen hoog 30, br. 25 dm. Ned., voorstellende meest Fransche Vorsten en Vorstinnen, en daarbij Hendrik VIII., van Engeland, met zijne zes Vrouwen. - Op de Verkooping van A. Gevers Arnoultz., Rotterdam, 1827, was, onder Nr. 66 van den Catalogus: ‘Een levensgroote Buste, op een Voetstuk, zijnde het Portret van den Keurvorst van de Paltz, geboetseerd door den Ridder a. van der weeff.’ - Behalve zijn Portret in 's Rijks Museum, te Amsterdam, vond ik nog de navolgende: in de Galery, te Dresden,

[p. 1843]

waar 12 stuks van zijn penseel voorkomen, en daaronder het Portret van van der werff en zijne familie; h. 2 vt., br. 1 vt. 10 dm. - In die te Schwerin, een idem, zittende voor eene tafel, lagchende, het portret zijner vrouw, hetwelk hij in de hand heeft, beschouwende; en de wedergâ, dat van zijne vrouw, die in een Muzijkboek bladert. - Ook in die van Florence berust zijn Portret; se ipse p. c. colombini sc. en tevens Salomons eerste Regt, welk stuk hoog geroemd wordt. - In de Verzameling van Van der Marck, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, was, onder Nr. 478 van den Catalogus: het Portret van a. van der werff, door hem pinx.., in ovaal, waarbij op de schilderkunst zinspelende figuren enz.; h. 20¾, br. 15 dm. Rhijnl. Waar dit uitmuntend stuk beland is, weet ik niet. - In de beroemde H. Familie, bij De Kat, in 1808, te Rotterdam voor ƒ5225 verkocht, welk stuk vroeger in de Verzameling van den Hertog van Choiseul berustte, en in het daarvan bekende gegraveerde Cabinet is te inden, stelt Maria de Afbeelding van Mevrouw Van der Werff voor, zooals in den Catalogus der gemelde Verkooping opgegeven wordt. - Bij Houbraken, Descamps en anderen komt een Idem voor.

[Werff. (Pieter van der)]

WERFF. (Pieter van der) Bij het artikel van Immerzeel moet ik nog voegen, dat in den Catalogus van A. Gevers Arnoultz., Rotterdam, 1827, onder Nr. 10 en 11, voorkomt het Portret van pieter van der werff, door hem-zelven, houdende in zijne linkerhand een palet en penseelen; zeer fraai voorgesteld, en versierd met uitmuntend bijwerk. De wedergâ, dat van zijne Vrouw; h. 4 plm. 6. dm., br. 3 plm. 8 dm. Nederl.

[Werne, (Claux de)]

WERNE, (Claux de) ook genoemd claux de vouzonne, een der voornaamste beeldhouwers zijner eeuw, woonde te Dyon, en was de neef van claux sluter. Ten jare 1393, heeft hij verscheiden Beelden gemaakt, om te stellen op het terras van het Kruis, in het midden van den Kloostertrans gelegen. - In 1398-99, raadpleegde hij zijn genoemden oom over het vervaardigen van een L.-Vrouwenbeeld en Crucifix, voor het Kruis van het groote klooster, en in 1401, heeft hij met zijn oom gehandeld over het maken van een Grafmonument voor Philips den Stoute, ten bedrage eener somme van 3600 fr. 4 gr., welke handeling, den 11. Julij van genoemd jaar, door Hertog Jan zonder Vrees werd goedgekeurd en bekrachtigd. Zie le Comte de Laborde, les Ducs de Bourgogne etc. Paris, 1849, in 8o.; Introduction, pag. LXXIII. Table Alphabétique, p. 580. - Dit werk schijnt voor de voltooijing veel tyd te hebben vereischt, of wel is hij op andere plaatsen gelijktijdig werkzaam geweest, want ik lees iu de Archiven van Rijssel, in de oude Graaflijke Rekenkamer der Hertogen van Bourgondië, op het jaar 1411-1412, het volgende: ‘A claux de werne, tailleur d'ymages et valet de chambre de M.S., la somme de XX fr. d'or, que MdS. lui a donniez tout pour soy deffraier de la ville de Paris où il avait grant pièce sejourné par le commandement et ordonnance de MdS., comme pour ce que MdS. l'avoit envoié hastivement de Paris à Dyon pour achever et parfaire la sculpture de feu M.S. le duc, père de MdS., dont Dieux ait l'ame, pour ce par lettres de mandement de MdS., donné le XXV jour de Mars, l'an mil CCCC et XI. XX fr. Ibid., p. 27, waaruit blijkt, dat hij haastelijk uit Parijs naar Dyon werd gezouden, om het genoemde Monument te voltooijen.

[Wery. (....)]

WERY. (....) In de Annales de l'Académie d'Archéologie de Belgique, (1857,) vindt men door arnoud schaepkens over dezen Metaaldrijver het volgende geboekt: ‘Wij voeren nog een kunstenaar op, wery, die, in het begin der XVIII. eeuw, te Maestricht, bloeide; hij vervaardigde, onder andere werken, voor St. Servaas, een zilver Voetstuk, waarop de gemijterde buste van den Patroon

[p. 1844]

dezer kerk geplaatst is. Van dezelfde hand zijn verscheiden in koper gedreven kandelaars, die nog de altaren van St. Servaas en van het Weeshuis versieren; ook bestaat van hem drijfwerk in zilver, voorstellende een Stads-plein, waarop een Obelisk.

[Wessel, (Adriaen van)]

WESSEL, (Adriaen van) een Hagenaar van geboorte, en een leerling van den beeldhouwer martinus de meester, dien hij in dat vak zeer nabij kwam; hij is te 's Hage overleden. Uit P. Terwesten, Ms., die zijn bloeitijd op het jaar 1696 stelt. - Zie nog op DOBBE. (Pieter van)

[Wessem (J. van)]

WESSEM (J. van) wordt als teekenaar vermeld in den Catalogus van Ploos van Amstel, Amsterdam, 1800, bl. 220: Een Romeinsche Veldheer, te paard; met de pen en O.I. inkt, door j. van wessem. - Hij is reeds door Van der Willigen, dl. I, bl. 298, genoemd.

[West (Ferdinandus)]

WEST (Ferdinandus) komt voor op de Lijst der 47 Kunstenaars, die, te 's Hage, ten jare 1656, eene nieuwe Kamer van Pictura hebben opgerigt. - Welke soort van kunst hij beoefende, is niet bekend.

[Westenberg. (Pieter George)]

WESTENBERG. (Pieter George) Bij dit artikel van Immerzeel heb ik alleen te voegen, dat hij zijne betrekking van Directeur der Verzameling van schilderijen, op het Paveljoen Welgelegen, te Haarlem, heeft neêrgelegd, en, benevens zijn gezin in October, 1857, naar Neêrlandsch Indië, - met het schip Nederland, kapitein Hoekstra - is vertrokken, teneinde de betrekking te aanvaarden van Bewaarder van het Klein-zegel, te Batavia. Zijne echtgenoot is echter met hare oudste dochter weder naar Holland teruggekeerd, en sedert Augustus, 1859, te Amsterdam woonachtig. - Zie over het Portret van wijlen Z.M. Lodewijk, koning van Holland, op HAGBOLD, (J.) en HODGES. (C.H.) - Is dat nog in zijn bezit?

[Westerbaan, (Johan)]

WESTERBAAN, (Johan) de Oude. Immerzeel zegt, dat geene bijzonderheden van hem zijn bekend. - Ik kan er dan bijvoegen, dat hij voor een Hagenaar wordt gehouden, en te 's Hage heeft gewoond, want hij komt voor op de Lijst der 47 Kunstenaars, die, in 1656, eene nieuwe Kamer van Pictura aldaar hebben opgerigt, en dat hij destijds reeds op jaren moet zijn geweest, daar zijn zoon jan westerbaan, de Jonge, mede voorkomt op die lijst. ‘En alzoo het ter Confreriekamer blykt, dat aldaar Ao. 1657 een door hem geschilderd Portret van Koning Karel Stuart, van Engeland, bekend is geweest, zoo is 't denkelyk, dat hy een portretschilder geweest zal zyn; zeker is 't nogtans dat hy reeds 1659, 1660 en 1661 als Hoofdman der Confrerie bekend staat, en zulks Ao. 1663 weder is geworden, terwyl hy op de Lyst der confraters van 1665 ook nog als toen leevende Oud-Hoofdman voorkomt; doch na dien tyd of dat jaar niet meerder voorkomende, is hy misschien op 't laatst van 't gemelde jaar, of Ao. 1666, overleden.’ Uit het Ms. van P. Terwesten. - Nagler heeft zich vergist, met te zeggen, dat de Gedichten van den Ridder Jacob Westerbaan van onzen jan zouden kunnen wezen.

[Westerbaan, (Johan)]

WESTERBAAN, (Johan) de Jonge. - Zie op den voorgaande.

[Westerhout (Alexander)]

WESTERHOUT (Alexander) werd in 1588, te Utrecht, geboren, en heeft aldaar de kunst bij jan van der burg geleerd. Hij zette zijne kunststudie zes jaren in Frankrijk voort, en heeft zich voornamelijk door Glasschilderen bekend gemaakt. Na den dood van adriaan gerritsz. de vrye, 25 Maárt, 1643, die het opzigt over de geschilderde glazen in de St. Janskerk, te Gouda, had waargenomen, werd hij tot diens opvolger benoemd, en overleed, aldaar, den 9. December, 1661. daniel tomberg was zijn leerling. Zie J. W(alvis), Beschryving van der Goude enz.; Ibid., 1713, II, bl. 89. - Nagler noemt, volgens Guicciardin, zekeren alexander westerhout als een der eerste Glasschilders van Antwerpen, die dan, waarschijnlijk, in de eerste helft der XVI. eeuw heeft gebloeid. - Deze

[p. 1845]

is mij bij dien Italiaanschen schrijver, noch in de Fransche, noch in de Hollandsche uitgave van zijn Werk voorgekomen.

[Westerhout, (Arnold van)]

WESTERHOUT, (Arnold van) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. Ik moet daarbij voegen, dat hij ook in mezzo-tinto heeft gegraveerd, doch, als het ware in een staat van ontginning, waardoor hij ver beneden zijn verdienstlijk burin gebleven is. - Bij Nagler vind men 54 stuks zijner graveerwerken vermeld. Ik voeg daarbij nog een zeer zeldzaam Werk, getiteld: Nic. Galeotti Imagines proepositorum generalium Soc. Jesu, ab arnoldo westerhout delineatoe, cum brevi eorum vitoe delineatione; Romae, 1748, fol. maj. - Romae, 1751. Lat. en Ital., en Romae, 1756, in fo.

[Westerhout, (Balthasar van)]

WESTERHOUT, (Balthasar van) broeder van arnold, die, vele jaren, te Praag, de graveerkunst uitoefende, en aldaar in 1728 overleden is. Zijne meeste werken hebben betrekking tot Duitschland. - Nagler noemt 15 zijner voornaamste gravuren.

[Westerveld, (L. van)]

WESTERVELD, (L. van) waarschijnlijk, vermaagdschapt aan a. westervelt - Zie aldaar. - Deze wordt vermeld onder de Nederlandsche meesters in den Catalogus van Louis Metayer, Amsterdam, 1799, bl. 30: Hagar en Ismaël uit het huis van Abraham verdreven; uitvoerig met zwart en rood krijt, geteekend door l.v. westerveld.

[Westervelt, (A., of van)]

WESTERVELT, (A., of van) een onvermeld kunstenaar, van wien ik twee schilderijen heb beschreven gevonden in den Catalogus van J.W. Barchman Wuytiers, Utrecht, 1792, onder Nr. 68: Twee stuks gezelschappen van Musicerende Heeren en Dames, fraai geschilderd, ovaal formaat. - Tot welk tijdvak of school ze behooren, is mij niet gebleken, evenmin of de schilder afstamt van den Vlaamschen kunstschilder cleerbout van westervelde, die bloeide in de tweede helft der XV. eeuw. - Later is mij nog voorgekomen ‘Een Landschap met Jagers en honden, door a. van westerveld.’

[Westvalinc, (Haine)]

WESTVALINC, (Haine) een kunstschilder, die 10 dagen werkzaam was voor het groote feest te Brugge, in 1468. Zie le Comte de Laborde, Les ducs de Bourgogne, etc. Paris, 1849; 1. Partie, bl. 581.

[Wet, Wette of Weth. (Emanuel, Jan en Jacob de)]

WET, WETTE of WETH. (Emanuel, Jan en Jacob de) - jacob is door Immerzeel, zonder eenig nader levensberigt, vermeld. De geslachtsnaam was Düwett, en behoort te Hamburg te huis, waar emanuel werd geboren, die zich, te Amsterdam, als leerling van rembrandt, vormde in de kunst, en zich, daar gewoonlijk e. de wett, noemde. Zijn broeder jan werd ook te Hamburg, in 1630 (doch, volgens anderen, in 1617) geboren; hij heeft mede de kunst bij rembrandt geleerd, en langen tijd in Holland vertoefd. - Hij noemde zich ook j. de wett. - Hij had een zoon, wiens doopnaam niet bekend is, en die zijns broeders werken kopiëerde. - jacob is, waarschijnlijk, een zoon van jan, werd, in 1677, te Keulen, in het St. Lucasgild ingeschreven, en heeft daar langen tijd gewoond. Aan dezen j. de wet wordt eene zeldzame prent toegekend, Typus Reformationis Coloniensis, met eene daaronder gedrukte verklaring; de plaat is h. 6 dm., br. 9¼ dm. Par. Zie Nagler. - Hieruit blijkt, dat het een onzeker pogen is, om het penseel der twee j. de wett's, jan en jacob, te kunnen onderscheiden. Uit het aangevoerde zou men kunnen besluiten, dat de werken die in Holland voorkomen, van jan de wet zijn, daar jacob niet als leerling van rembrandt wordt vermeld. Ook komt zekere jan de wet, door Houbraken, in het leven van ph. wouwerman, vermeld, als schilder, kunstkooper en handelend persoon in Holland voor. Weinige zijner werken zijn voluit beteekend; echter was op do Verkooping van Dr. J. Tak, te Soeterwoude, bij Leyden, in 1781,

[p. 1846]

onder Nr. 50 van den Catalogus: Christus 12 jaren oud zynde onder de Schrift-geleerden in den Tempel enz. ‘Dit uitmuntend Cabinet schildery is geheel in den trant van rembrandt, ook in effect merkwaardig en treffend geschilderd.’ Ware voor dit stuk toen niet de som van ƒ300 betaald, ik zou het in den Catalogus voor opgesmukt hebben gehouden; doch wat meer is, voor werken van de eerste meesters werden aldaar, in verhouding, minder prijzen besteed. - Ook zag ik twee groote Teekeningen, met krijt en opgewassen, voorstellende Christus vijf duizend menschen met weinig brood en visch spijzigende. Deze zijn duidelijk beteekend jan de wet, 1635. Hieruit blijkt dat jan in 1617, en welligt vroeger geboren is, waardoor het gestelde jaar 1630 dus komt te vervallen.

[Weyde, of Weyden, (Goswin van der)]

WEYDE, of WEYDEN, (Goswin van der) ‘was een afstammeling van rogier van der weyden, den Oude, geboren 1465, die, volgens het Gildeboek van St. Lucas, te Antwerpen, tot dat ligchaam behoorde van 1503 tot 1530, en aangeteekend is, als hebbende een Altaarstuk voor de kerk, te Tongerloo, geschilderd, voorstellende de H. Maagd, thans in de Galerij, te Brussel, onder Nr. 593 vermeld. In de hoofden der figuren is weinig leven, doch eenigen daarvan zijn goed van uitdrukking. De vleeschkleur is een weinig zwaarmoedig en grijs, hetgeen, over het algemeen, met uitzondering van het doorschijnend geschilderd landschap, van de uitwerking gezegd worden kan. De Portretten van den Schenker van dit stuk, den Abt Arnold Streyters, en andere leden van zijne familie, op de deuren, zijn verdienstlijk. Hierop bevindt zich een opschrift, vermeldende, dat genoemde Streyters, in 1535, deze schilderij door goswin van der weyden, 70 jaren oud, die de kunst van zijn grootvader, rogier, navolgde, heeft doen schilderen. - Dus kan hij wel een zoon van rogier van der weyden, den Jonge, geweest zijn. - Naar deze schilderij te oordeelen, is het waarschijnlijk, dat een ander stuk in dezelfde Galerij, Nr. 397, hetzelfde onderwerp voorstellende, even als verscheiden anderen van minder belang, van dezelfde hand zijn. Een derde stuk, mede hetzelfde voorstellende, in de Verzameling van Prins Consort, te Kensington, mag, naar mijne meening, aan denzelfden meester worden toegekend.’ Zie Dr. G.F. Waagen, Handbook of the Painting, the German, Flemesh and Dutsch school etc.; London, 1860, kl. in 8o., bl. 109. Item.; Stuttgart, 1862, I. blz. 137, en, Catalogue du Musée d'Anvers, 1857, bl. 30.

[Weyde, of Weyden. (Pieter van der) - Zie op Weyde, (Rogier van der) de Oude.]

WEYDE, of WEYDEN. (Pieter van der) - Zie op WEYDE, (Rogier van der) de Oude.

[Weyde, of Weyden, (Rogier van der)]

WEYDE, of WEYDEN, (Rogier van der) de Oude. Deze beroemde meester, is bij Immerzeel ter loops vermeld. Deze heeft voor zijne geboorte, te Brussel, omstreeks het jaar 1480, en voor dat zijns overlijdens 1529 gesteld, en is daarin Van Mander gevolgd, zonder de bronnen, in onzen tijd ontdekt, te hebben geraadpleegd, waardoor de misslag van Van Mander duidelijk aan het licht gekomen is: want, wat deze auteur voor rogier van brugge en voor rogier van der weyden heeft geboekt, moet op een-en-denzelfden persoon doelen. - Onze rogier was een der beroemde discipelen van de van eyck'en, die, te Brussel geboren, langen tijd, te Brugge, bij jan van eyck ingewoond, en daar zijn kunsttalent verkregen heeft, zijnde het destijds zeer in gebruik, zich naar de plaats zijner woning, Brugge, te noemen, en daardoor is rogier meer onder den naam van brugge, dan onder dien van van der weyden bekend, hetgeen Van Mander tot de bovenbedoelde dwaling geleid heeft. - Het juiste tijdstip zijner geboorte, te Brussel, schijnt niet bekend, doch zijn levensloop staat met meer juistheid in de Resolutiën van den Magistraat van Brussel aangeteekend. Volgens die Resolutiën was hij, in 1436, aan de Stad, met den titel van Schilder,

[p. 1847]

verbonden, en bijzonder belast met de versiering van dat gedeelte van het Stadhuis, heteen toen gebouwd werd. Hij is daarvoor in natura betaald, namelijk, door gratificatiën, bestaande in stukken laken, om zich te kleeden, en zulks naar de verdeeling van het werk geregeld. In 1436, werd door den Magistraat, uit bezuiniging, besloten, tot opheffing zijner jaarwedde, doch dit zou alleen bij zijn dood plaats vinden. ‘Item, dat men, na meester rogiers doet, gheenen anderen Scilder aennemen en sal.’ (Zie het rood Statuetboek.) En toch was hij in 1449 nog steeds Portretschilder, blijkens de Registers van Brussel: ‘Meester rogieren van der weyden, Portrateur der Stad van Brussel,’ en nog veel later, volgens het Journaal der Abten van St. Aubert, te Kamerijk; - Zie hieronder op het jaar 1459. - zoodat hij zijn talent van 1455-59 uitoefende, in de genoemde stad Brussel, waar hij den 16. Junij, 1464, overleden is. - Hij werd in de St. Gudule-kerk, in het souterain begraven. ‘Magister rogerus van der weyden exellens pictor cum uxore, liggen voer St. Catelijnen autaer, onder eenen blaauwen steen.’ Zie Register der Grafplaatsen in St. Gudule-kerk. - Zijne vrouw heette Elisabeth Goffaerts, die in 1477 overleden is. Op de Graftombe leest men dit opschrift: ‘Exanimis saxo recubas, rogere, sub isto. - Qui rerum formas pingere doctus eras; - Morte tua Bruxella dolet, quid in arte peritum - Artificem similem non reperire timet. - Ars etiam moeret, tanto viduata magistro, - Cui par pingendi nullus in arte fuit.’ Dat is: Onder dezen steen, rogier, rust gij levensloos, - Gij die de vormen der dingen zoo wel wist af te beelden. - Brussel beweent uwen dood en vreest van nimmer een kunstenaar te zullen vinden, aan u gelijk. - Ook de Kunst is ter neêrgeslagen, weduwe van zulk een meester, die in het schilderen door niemand ooit is geëvenaard. - De Oude rogier verkreeg de meeste vermaardheid van al de leerlingen van jan van eyck. Hij bleef tot in 1846 algemeen onder den naam van rogier van brugge bekend, doch in dat jaar werd zijn ware naam het eerst ontdekt door den Heer Alph. Wauters, bewaarder der Archiven van Brussel; - Zie Catalogue du Musée d'Anvers, 1857, waar tevens de beschrijving voorkomt van de Zeven Sacramenten, en van de Aankondiging, - Annonciatie - door hem geschilderd. - Zie over nog eene ontdekte fraaije schilderij, De Eendragt van Gent, 1859, N. 20, welk stuk aan onzen kunstenaar schijnt te moeten worden toegekend. - Dr. Waagen zegt, dat hij, waarschijnlijk, geboren is in de laatste tien jaren der XIV. eeuw, zeker niet later dan in het begin der XV. eeuw, want zijne vermaardheid als groot meester was reeds zóó ver doorgedrongen, dat Paus Martinus V., die in 1431 overleed, een klein Altaarstuk, door rogier geschilderd, aan Juan II., Koning van Spanje, ten geschenke gegeven had. Dit werk, van de geoefende hand eens meesters getuigende, berust thans in het Museum, te Berlijn, en stelt voor De Geboorte, een doode Christus in den schoot van Maria, en de Verschijning aan Maria, na de opstanding. - In de eerste jaren, toen rogier van der weyde onder de leiding van jan van eyck, te Brugge, stond, heeft hij eene menigte schilderijen in waterverw (tempera) uit het gemeene leven vervaardigd. In 1436, werd hem de vereerende betrekking van Schilder der Stad Brussel opgedragen. Zijn voornaamste schilderij is een Altaarstuk, voor de zaal, waarin de regtsbedeeling, ten Stadhuize, te Brussel, geschiedde, waar op de vleugeldeuren merkwaardige historische feiten, de Justitie betreffende, waren afgebeeld. Dit uitmuntend kunstgewrocht werd door albrecht durer, bij zijn bezoek te Brussel, gezien, en heeft, ongestoord, op de oorspronklijke plaats, tot op het laatst der XVII. eeuw bestaan, en is, vermoedelijk, bij den brand van het Stadhuis, tijdens het beleg door de Franschen, in 1695, verloren geraakt. Voor eenige hooggeplaatste personen heeft hij zeer vele werken

[p. 1848]

volvoerd. Molanus zegt, dat rogier een Altaartafereel vervaardigd heeft voor de Kapel die Willem Edelheere, en zijne gade, Aleidis, ten jare 1443, in den omtrek van het koor van St. Pieterskerk, deden oprigten. Een triptiek, vertoonende de Afneming van het Kruis, wordt aan onzen schilder toegeschreven, en waarvan de regterdeur den gever en twee andere lieden voorstelt, voorzien van het Stamwapen van Edelheere, versiert uog heden deze kerk, te Leuven, zijnde op een gouden grond geschilderd en keurig van uitvoering. Dit tafereel is naar allen schijn van waarheid, het schilderstuk door onzen schrijver, Molanus, vermeld. Zie Edw. van Even, Nederlandsche Kunstenaers, vermeld in de onuitgegeven Geschiedenis van Leuven van J. Molanus, † 1585; en de Dietsche Warande, van J.A. Alberdingh Thym. - Een groot Altaarstuk, waarschijnlijk, tusschen de jaren 1440 en 1447 vervaardigd, voor de Kapel van het Hospitaal, te Beaune, in Bourgondië, door Nicolaes Rollin, Kancelier van Philippus den Goede, gesticht, berust in een der vertrekken van genoemd Hospitaal. In het Werk van Dr. Waagen vindt men er eene afbeelding van. - In 1439, ging hij naar Italië, waar hij een Altaarstuk voor Lionello d'Este, Heer van Ferrara, schilderde, met de voorstellingen der Aflating van het Kruis, en op de deuren de Verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs, hetgeen de hoogste bewondering wegdragen mogt. - In 1440, was hij bij het plegtig Jubilé, te Rome, en heeft Italië niet verlaten, vóórdat hij Florence had bezocht, en bij de Medicis bekend werd, waarvan tot bewijs strekt eene schilderij, thans te Frankfort, in het Städel's Instituut, berustende, ongetwijfeld voor Pietro en Giovanni de Medicis geschilderd, waarop zijn voorgesteld de patronen van dienzelfden naam, en die van het huis van Medicis, de Heilige Cosmas en Damianus, die de Maagd met het Kind omgeven. Dit stuk is van de teederste uitdrukking en, met zijne andere werken vergeleken, getuigende van eene verbeterde teekenmanier. - Na zijne terugkomst te Brussel, vervaardigde hij eene schilderij voor Peter Bladolin, Schatmeester van Philips den Goede, die door diens kapittelheer geplaatst werd op het Altaar eener kerk, te Middelburg, door hem in 1450 gesticht, en welk stuk thans in het Museum, te Berlijn, aanwezig is. - Een ander groot werk, geschilderd van 1454 tot 1459, voor den Bisschop Johan van Cambray, is ongelukkig verdwenen. - Op dat jaar vond ik nog de volgende werken, in oorspronklijke stukken, vermeld, als: ‘1459. Pour un tableau de pointure fait à Bruxelles, assis en l'église de Chéens. - Le XVI de Juing l'an LV, je Jehan abbé, marchanday à maistre rogier de le pasture (vertaling van rogier van der weyden) maistre ouvrier de painture de Bruxelles, de faire I tableau de V pieds en quaraire, à II huystoires, de telle divise que l'ouvrage le monstre. Et furent les devises faictes à plusieurs fois, et ossi il fist le dit tableau de VI piez et demi de hault et de V piez de large, pour le bien de loevre; lequel tableau fut parfait à le Trinité, l'an LIX, se cousta principal IIIJxx riders d'or, de XLIIJ S. IIIJ d. le piece, monnoie de Chambray, dont il fu tous payez du nostre à plusieurs foiz. Se fu donné à se femme et a ses ouvriers, quant on l'admena, IJ escus d'or de IIIJ L. XX d. Tournois. Se fu admenez Chéens par le kar Gillot Gongnelieu du Roquier, le premier septemaine de Juing l'an LXI. Se cousta en voiture à IIJ cheval, a fardeler à Bruxelles en winages, cauchies (droit de chaussée) et despens dudit carton (chartier) et de Jennin de Montegui, clerc de Chéens, que furent IX L. XV S. X d., et IJ mencauts d'avaine de XXIJ g. et fu Cheéns admenez le VIIIe. de Juing LIX, et tout payé du nôtre.’ - Op den Inventaris des boedels van Margaretha, Gouvernante der Nederlanden, die in de Archiven, te Rijssel, moet aanwezig zijn, en waarvan een gedeelte door Le Glay is uitgegeven, vindt

[p. 1849]

men onder andere kunstzaken het volgende: ‘IV. Ung petit tableaul d'ung Dieu de pilyé estant es bras de Nostre Dame; ayant deux feulletz, dans chascun desquelz y a ung ange, et dessus lesdits feulletz y a une Annunciade de blanc et de noir (in het graauw en camaïeu geschilderd.) - Fait, le tableaul de la main de rogier van der weiden et les dits feulletz de celle de maitre hans.’ (hemling) - Nog ‘VII. Ung autre petit tableaul de la Trinité, fait de la main de rougier aussi vieulx.’ Deze schilderij was dus in het oog der beëedigde deskundigen wel zeer oud, en dit in 1530. - Verder: ‘X. Ung petit tableau d'ung Cruxefix et d'ung Sainct Grégoire. Fait de la main de rogier. - In Jules Renouvier's bekroonde Histoire de l'origine et des progrès de la Gravure dans les Pays-Bas et en Allemagne, jusqu'à la fin du XV. Siècle etc.; Brux., 1860, vindt men hem beschreven als den eersten Schilder, die, van 1440-1450, in de Nederlandsche School boven allen uitblonk, en wiens invloed zeer merkbaar in de miniaturen en houtgravuren, die destijds de boekwerken versierden, gevonden wordt; doch er bestaat geen genoegzame zekerheid, of hij-zelf daaraan de hand heeft gelegd, alhoewel er fraaije voorkomen, die, ofschoon naamloos, toch aan hem zouden doen denken. - Nog heb ik gevonden, dat hij ook het glasschilderen beoefend heeft. ‘In de kapel van het H. Sacrament, in de O.L.V. Kerk, te Antwerpen, zijn glazen, vervaardigd door een glasschilder uit die dagen, rogier genoemd. Zij bewijzen, dat rogier in zijn tijd heeft uitgemunt, want ze zijn allen door Vorsten vereerd. Het eerste, bij het intreden in de Kapel, is door Jan III, van Portugal, geschonken; het tweede door Maria, Koningin van Hongarije; het derde door Frans I., Koning van Frankrijk; het vierde door Ferdinand, broeder des Keizers, en het vijfde door den Keizer-zelven.’ Zie L' Art de la Peinture sur verre et de la vitrerie, par feu M. Le Vieil; (Paris), 1774, in fo., bl. 42. Dit zeldzame Werk is in mijn bezit, en heeft mij bij mijn arbeid steeds tot een der beste bronnen verstrekt. Ofschoon er van zekeren rogier sprake is, kan dit geen werk van den Ouden, maar moet het van den Jongen rogier van der weyden wezen. Le Vieil heeft, natuurlijk, de latere historische teregtwijzingen niet gekend, en zich alleen bij den naam van rogier bepaald. - Gessert, in zijne Geschichte der Glasmahlerei u.s.w., Stuttgart, 1839, noemt, op gezag van Le Vieil, rogier van der weyden als een der beste Glasschilders, zonder er echter de zoo noodige toeliching bij te voegen. - Geen meester der Nederlandsche School, zelfs het geslacht der vak eyck'en niet uitgezonderd, heeft zulk een diep ingrijpenden invloed op het gebied der Kunst gehad als rogier van der weyden, zegt Dr. Waagen, in zijn Handbuch enz., Stuttgart, 1862, S. 111. Het was ook door hem, zegt hij, dat de werklijke rigting der van eyck'en zich uitbreidde in geheel Duitschland, en de voornaamste schilders aldaar zijne kunst te Brussel kwamen bestuderen; ja, zelfs bestaat er eene historische aanwijzing, dat de grootste Duitsche meester der XV. eeuw, marten schonauer, een zijner leerlingen is geweest. - De Graaf de Laborde, les Ducs de Bourgogne, etc. Tom. I. Paris, 1849, Introduction, p. LIX, maakt ons uit oorspronklijke Fransche stukken bekend, dat hij daarin onder den naam van rogier de le pasture voorkomt, welke benaming, zegt hij, slechts de vertaling van rogier van der weyden is. - Zijn huwelijk blijkt bepaald omstreeks 1424 te hebben plaats gehad, terwijl cornelis van der weyden, (cornelius de pascua), van Brussel, geestelijke bij de Carthuizers van Herinnes, bij Enghien, zoon van meester rogier, beroemd schilder, was overleden in 1473, ongeveer 48 jaren oud. Zie genoemden Catalogue d'Anvers, bl. 32. - Ook vond ik aangeteekend, dat, in het begin der regering van Karel den Stoute (1466), in een Register, Ms., van het St. Jacobs-klooster op Coudenberg, te Brussel, voor-

[p. 1850]

komt, Jan van der Weyden, zilversmid, en pieter van der weyden, scildere, en syn wyf, met de bijvoeging, dat zij beiden zonen van rogier van der weyden (dus van den Ouden) zijn geweest. Zie Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1860, p. 358. - Verder las ik, bl. 129 van Louvain monumental etc.; dat hendrick van der weyden, beeldhouwer, in 1425, te Leuven woonde, en wel de vader van den Ouden rogier wezen kan. - Zie verder over hem de Annales de l'Académie d'Archéologie de Belgique, Anvers, 1849, Tom. VI. - Dr. F.G. Waagen, Handbook of Painting of the German, Flemish and Dutch School etc.; London, Murry, 1860, in 8o., en Idem, Idem, Stuttgart, 1862. - Le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc. Paris, 1849, in 8o.; Tom. I. Introduction. - Ik bezit van zijn Portret, met het vers van Lampsonius, een exemplaar met de gesneden en met de drukletters, waarop hij rogero Bruxellensi Pictor, genoemd wordt. Hiernaar is dat bij Van Mander in 8o. op pl. G, Nr. 3, genomen.

[Weyde, of Weyden, (Rogier van der)]

WEYDE, of WEYDEN, (Rogier van der) de Jonge, was de zoon en leerling van den Ouden rogier, zooals bepaald door Sandrart wordt gezegd. Doch, behalve dit, weten wij weinig meer, zegt Dr. Waagen in zijn Handebook of Painting etc., London, 1860, dan dat hij van de Kunst leefde, zeer goedhartig was, en te Brussel, in 1529, hoog bejaard aan de zoogenaamde Engelsche zweetziekte overleden is. - ‘Daar Van Mander hem somtijds met zijn vader verwart, en Wauters, en Cavalcaselle, naar hem, zijn bestaan ontkennen, kan ik mij met deze meeningen niet vereenigen, zegt Dr. Waagen; zie mijne rede in het Kunstblatt, 1847, p. 170, terwijl Passavant ook van mijn gevoelen is; zie zijn christliche Kunst in Spaniën, S. 134.’ - Hij is met zijn eerste werk den trant van zijn vader zeer nabij gekomen. Later evenwel was de evenredigheid zijner beelden niet zoo lang, de vormen waren meer gevuld, zijne teekening was meer gekuischt, hetgeen in 't bijzonder op de handen en voeten is toegepast. Hij schijnt zich bepaald aan voorstellingen uit het lijden van Christus, van de bedroefde Maagd en der Discipelen des Heeren te hebben gewijd, en meest al de stukken, die, naar alle waarschijnlijkheid, aan hem moeten worden toegekend, leveren deze soort van voorstellingen op. Zijn voornaamste werk is een oorspronklijk stuk voor de O.L.V. Kerk, te Leuven, thans in de Sacristij van St. Laurens, in het Escuriaal, in Spanje, berustende, voorstellende de Afneming van het Kruis, bestaande uit tien figuren, levensgrootte. Er bestaan nog twee gelijke voorstellingen van deze schilderij: de eene in de Galerij, te Madrid, Nr. 1046 (doch daar als werk van den Ouden vermeld), en de andere in die te Berlijn, Nr. 534, beteekend met het jaar 1488. - Nog wordt door Passavant eene kleine Kruisiging, in de Galerij te Madrid aanwezig, aan hem toegeschreven.- Eene Aflating van het Kruis in het Liverpool's Instituut. - Een Idem, in de Verzameling van Prins Consort, te Kensington, bij Londen. - Een Ecce Homo en Mater dolorosa, mede aldaar. - Een Idem, in de Verzameling van den Heer Green of Hadley, bij Barnet. - Eene Graflegging, in de Verzameling van Sir Culling Eardley, te Belvedere, bij Erith. - Eene Aflating van het Kruis, in de Koninklijke Galerij, te Napels, en eene Idem, te Brussel. - Het hoofd eener weenende Vrouw, te Brussel; (onder de werken van den Ouden rogier vermeld). - Waarschijnlijk, was goswin zijn zoon. - Zie over zijn vermoedelijk Glasschilderwerk, op rogier, den Oude.

[Weydmans, (N.)]

WEYDMANS, (N.) schilder en graveur, die, in de eerste helft der XVII. eeuw, in Nederland, werkzaam was. Zijne prenten komen zelden voor, en zijn: 1.) Een Man en Vrouw, aan eene tafel brassende; regts, in den achtergrond, spelers, door een venster ziet men Bijbelsche voorstellingen: Sicut autem erat in diebus Noe etc.; in 4o.,

[p. 1851]

niet beteekend. - 2.) Een Kwakzalver, een wond aan het hoofd eener vrouw onderzoekende; links een boer, die haar hoofd vasthoudt; halve figuur: Loopt! loopt met groot verblyden, enz. n. weydmans inv. et fec., in 4o. - In Walker's Painters etchings staat eene kopij naar deze prent. - 3.) Een vrouw, die een beschonken man geleidt; Och liuer Gyb laet ons tuyswaerts gaengen enz. idem, idem, in 8o. - Zie Nagler en nog op weytmans. (w.)

[Weyerman. (Jacob, of Jan)]

WEYERMAN. (Jacob, of Jan) - Bryan-Stanley zegt jan, en Nagler jacob. - Zie op WEYERMAN. (Jacob Campo)

[Weyerman. (Jacob) - Zie Weyerman. (Jacob Campo)]

WEYERMAN. (Jacob) - Zie WEYERMAN. (Jacob Campo)

[Weyerman (Jacob Campo)]

WEYERMAN (Jacob Campo) wordt door Houbraken, onder eene reeks van schilders, in het voorbijgaan, als j. weyerman, gebentnaamt Campaviva, vermeld, als een bloem en fruitschilder, terwijl daarbij de zonderlinge eigenschappen van dezen beruchten man worden geboekt. Die tekst heeft vreemde Auteurs, als Bryan-Stanley, Nagler enz., aanleiding gegeven, jacob campo voor een anderen persoon te houden, terwijl zij den bij Houbraken genoemden alleen jacob noemen, waardoor zij dezen, volgens de tijdelijke rangschikking, omstreeks 1638 doen geboren worden, en in 1681 laten sterven. - Nagler voegt er, ten overvloede, nog bij, dat deze den genoemden Bentnaam voerde. Het is echter voor mij nog niet uitgemaakt, dat het een-en-dezelfde persoon zou zijn. - Immerzeel heeft hem, te regt, wegens zijn wangedrag, in den hoogsten graad, veracht, en zegt tevens, dat, onder anderen, ook de Schouwburg van Houbraken, ‘in zijn ellendigen stijl is omgewerkt.’ Doch mijne vraag is: aan wien ligt de schuld, aan hem, die zóó schrijft, of aan hem, die zulk geschrijf koopt? campo trok de aandacht van het publiek, en zij, die zelven niet voor de waarheid durfden uitkomen, bedienden zich van zijne pen, waar hij goed bij stond. Zijn stijl is laag en gemeen, dat is waar; maar de rijkdom van gedachten, in echt-sarcastische kritiek gehuld, is zoo groot, dat men zich moet verwonderen, èn over zijn juisten, veelomvattenden geest, èn over zijn uitstekend lettergeheugen. Hij was een genie in ongelukkigen tooi, doch waarmeê een dozijn gewone dichters en letterkundigen gelukkiger zouden kunnen worden uitgedost. - Hij schijnt ook volksoploopen te hebben veroorzaakt: zoo lees ik in de Navorscher, VI. Jaarg., dat de bekende prent naar c. troost, de Ambassadeur van de Laberlotte, ‘is de afbeelding van een onzedelijke grap, door den schilder campo weyerman en consorten in den Haarlemmerhout bedreven, en waardoor hij uit Haarlem werd gebannen. Men had de posteriora van een makker als een gezigt beschilderd en liet dit achterdeel, met het hemd als tulband opgeworpen en in ééngewrongen, vergezeld door trompetgeschal, uit het bovenvenster eener herberg zien, en voor den Ambassadeur van Laberlotte doorgaan. De ontdekking van den schildersgrap beleedigde de verzamelde menigte, en gaf aanleiding tot wraakneming, zoodat verbanning volgde, vermoedelijk als straf, zoo het heette, wegens verstoring der rust van de ingezetenen.’ - In 1729 woonde hij op Meer-en-Hoef, tusschen Utrecht en Amsterdam. Zie II. deel, bl. 152 van zijn Werk. - Tot zijne Geschriften behooren de volgende, als in 4o.: De Rotterdamsche Hermes, één deel. - De Amsterdamsche Hermes, 2 deelen. - De Ontleeder der Gebreken, 2 deelen. - De Echo des Werelds, 2 deelen. - De vrolyke Tuchtheer, 1 deel. - De vrolyke Kluizenaar, 1 deel. - De verreziende Heremyt. - De Naakte Waarheit. - De Historie des Pausdoms, 3 deelen, en Aanhangsel 1 deel. - Mozes Markus, 1 deel. - De Adelaar, 1 deel. - Blyspellen, benevens den sleutel en eenige vertaalde Gezangen uit Anakreon, 1 deel. - De Levensbyzonderheden der Ned. Kunstschilders, 4 deelen. - Letterlievende, Zeedekundige, Historische, Stichtelyke

[p. 1852]

Betrachtingen, 1 deel. - De Laplandsche Tovertrommel, 1 deel. - Verdeediging voor ***, 1 deel. - Merkurius Actionnist, benevens verscheide Bruiloftsgezangen. - Teegen-ontleeder. - En in 8o., 't Zamenspraak der Dooden, 2 deelen. - Aanmerkingen over 't zamenspraaken tusschen een Geneesheer en zyn lyders. - Vertoog over de Koffy enz. - Het Leven van Alexander VI. en Caesar Borgia 2 deelen. - Verdediging tegen Alexander le Roux. - Het Leven van den kolonel Charters. - Een vertoog over drie beruchte Vrysteden. - De Levens-byzonderheden van Laureys Arminius, Robert Hennebo, Jacob Veenhuyzen enz. Twee vertoogen over de Zonden enz. - Drie Blyspellen, gedrukt te Breda, 2 deelen. - Het levensbedryf van den gewaanden Goudmaker, den Baron van Syberg. - De Voorlooper van den Antwerpschen Kourantier. - Don Francisco Bitterheilig en Dona Maria Mandol. - De steen der Wyzen. - Voorlooper der Kronyk der Bankrottiers, 1738. - Vermakelyk Waagenpraatje. - Bedenkingen over Spreuken XVIII. over Romeinen I. 27. (?) - Zijn avontuurlijk leven is, in 1756, en een herdruk, te 's Gravenhage, in 1763 verschenen, kl. in 8o., waarvan eene Duitsche overzetting, te Leipzig, in 1764, het licht heeft gezien. - Ik bezit zijn Portret, buste op eene verhevenheid, met veel bijwerk, door c. troost del. en waarnaar a.v.l.b. - Zie aldaar. - de gravure heeft gemaakt, in 4o. - Een Idem, in ovaal, idem pinx., j. houbraken sc., in 4o. De kopij, andersom, in zwarte kunst, (door jan be groot?) waaronder: ‘Dit 's campo weyerman, die zelf vol van gebreken, - Zyn tyd te veel versleet, met anderen te steeken. - Ook bij Descamps komt een Idem voor.

[Weyersberg. (J.)]

WEYERSBERG. (J.) Het Portret van J.C. Stahlschmidt door hem pinx., l. portman sculp., in 8o., in 1804, te Amsterdam uitgegeven, geeft mij aanleiding, hem hier te boek te stellen.

[Weyman (Claes)]

WEYMAN (Claes) en zijn broeder jan, met melchior weyman, die zeker tot zijne familie behoort, waren reeds als voorname Glasschilders, in het laatst der XV. en in het begin der XVI. eeuw, te Utrecht, bekend, blijkens de volgende oorspronklijke bewijzen, uit de Kameraars-rekening der stad Utrecht ontleend. Hieruit ontdek ik, dat de stad Utrecht den roem van Adriaen Floriszoon, - later Paus Adriaan VI. - toen Deken en Vice-kanselier der Universiteit van Leuven, als haar burger hoog heeft gewaardeerd. ‘Item claes weyman heeft der stad gemaect twee glasen, ende staen in den Haghe, cost ses gulden. - Item die Stadt van Utrecht heeft gescenct meyster Aryaen Florisz., Deken te Loven, vier glasen in zyn capel, in zyn nye huysinge, costen 8 Ryns gulden. - Item claes weyman een glas totten Carthusers, buyten Utrecht, dat die Stadt gescenct heeft, hondert voet, facit 125 ponden. - Item des Donredags na XIIJ dach heeft die Stadt gescenct een glas tot meyster Christiaen, Canonick tot Oudemunster t' Utrecht, in syn huysinghe, ende cost 8 Ryns gulden.’ Kameraarsrekening der Stad Utrecht, 1506, 1507, 1520 en 1521, bij Dodt, Archief, III. deel.

[Weyman. (Jan)]

WEYMAN. (Jan) ‘Item jan weymam heeft die Stadt van Utrecht vier gebacken glazen gemaeckt totten Domdeken, elc glas IJ gulden.’ Kameraarsrekening, der Stad Utrecht, 1506. - Zie Dodt, Archief, III. deel, en verder op WEYMAN. (Claes)

[Weyman. (Melchior)]

WEYMAN. (Melchior) ‘Item melchior weyman, opten huyse tot Cappel, competerende den Weeshuyse alhier (Utrecht) gemaect 4 glasen, den by de Magistraet deser stadt aldaer geschonken zyn, 14 £.’ Kameraarsrekening der Stad Utrecht, 1509. - Zie verder op WEYMAN. (Claes)

[Weytmans. (W.)]

WEYTMANS. (W.) ‘Een Viool-speeldertje van w. weytmans. - Een Luytspeelstertje van dito, zynde een weêrgâ, te zamen ƒ35.’ Zie Catalogus enz. van Hoet, I, bl. 130. - Zou men hier aan n. weydmans - Zie aldaar. - en aan

[p. 1853]

matheus wytman bij Immerzeel vermeld, als aan een-en-denzelfden persoon moeten denken?

[Weyts (Dirics)]

WEYTS (Dirics) wordt, in 1450, als schilder in de Broederschap van St. Lucas, te Brugge, vermeld. Zie le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc.; Paris, 1849. Sec. partie; Tom. I. bl. 581.

[Wez (Arnould de)]

WEZ (Arnould de) wordt door F. Bogaerts vermeld als tot de Belgische kunstenaars te behooren, en geboren te Oppenois, bij St. Omer, in 1724, te Rijssel overleden. Hij heeft Italië bezocht en het historische vak beoefend.

[W.G.]

W.G. Een onbekend Monogram, waarvan de g aan den laatsten stok der w is gehecht. Het komt voor op eene luchtig-geëtste prent, voorstellende den Apostel Paulus, bijna van voor te zien, rustende met de hand op een zwaard; vóór hem een opengeslagen boek, in 4o. Op het gezigt af, zou ik het voor werk der XVIII. eeuw houden.

[W.H.]

W.H. Een mij onbekend Monogram, staande op een aardig geëtst prentje, kopij naar jan luyken, beteekend w.h. out 13 j., genomen naar dat in de Stichtelyke Rymen enz., door Jan Huygen, met Konstplaten door jan luyken enz.; Amsterdam, by J. ter Beek; zonder jaartal, in 8o.

[Whitehand, (Robert)]

WHITEHAND, (Robert) een kunstgraveur, die eenige fraaije prenten heeft vervaardigd voor het Werk van J. le Roy, Castella et Praetoria Nobilium Brabantiae etc. Lugd Bat., 1699, in fo., waarvan er één op blz. 118 voorkomt.

[Wicheren. (Johan Joekes Gabriel van)]

WICHEREN. (Johan Joekes Gabriel van) Deze vermaarde Friesche portretschilder is door Immerzeel vermeld. - Hij heeft zich in zijne geboortestad Leeuwarden, tot 1829, steeds onder de leiding van zijn meester w.b. van der kooi gevormd, en vertrok naar Groningen, waar hij, tot 1838, vertoefde en zeer veel portretten van onderscheiden familiën, uit alle standen, schilderde. In dat jaar keerde hij naar Leeuwarden terug, en is daar, na den dood zijns vaders, ongehuwd, nog gevestigd. De Heer van wicheren smaakt het genoegen, dat zijn talent zeer wordt gevierd; hij is onafgebroken werkzaam met het schilderen van Portretten, ook uit de eerste standen, die de algemeene goedkeuring mogen verwerven, en, inderdaad, het penseel van zijn meester tot eer zouden verstrekken. Hij heeft ook het Portret van Z.M. den Koning, als Admiraal, levensgroot, voor Jonkhr. Mr. C. van Eysinga geschilderd, hetgeen na diens overlijden, in 1860, een geschenk is geworden, om de Vergaderzaal der Gedeputeerde Staten, te Leeuwarden, er meê te versieren. In Julij, 1862, heeft hij een Idem van Z.M. Koning Willem II, als Veldmaarschalk, levensgroot geschilderd, in een prachtig vergulde, met de Koninklijke kroon gedekte lijst, aan den Commissaris des Konings voor dezelfde Vergaderzaal ten geschenke aangeboden. ‘Het is, niet minder dan het vorige, een wezenlijk kunststuk, dat, zoowel door keurige en krachtige penseelsbehandeling, als door gelukkige opvatting uitmunt, en het talent en de vrijgevigheid beiden van den vervaardiger tot groote eer verstrekt.’ Zie Handelsblad, 14 Julij, 1862. - Reeds in Augustus, daaraanvolgende, vernam ik, dat zulks bij Z.M. den Koning niet onopgemerkt was gebleven, die hem vereerde met de Ridderorde van de Eikenkroon, welke onderscheiding zijne stadgenooten zoodanig op prijs stelden, dat de Toonkunstenaars, op den 5. Augustus, hem eene Serenade bij fakkellicht hebben gebragt. - De verdere onderscheidingen, die hem reeds vroeger mogten te beurt vallen, bestonden, op 5 Junij, 1841, in de benoeming tot Lid van verdienste van het Kunstgenootschap Pictura, te Groningen. - In 1844 behaalde hij, bij de eerste Tentoonstelling van Kunst en Nijverheid, te Leeuwarden, op een ingezonden Portret, de zilveren Medalje. - De Heer van wicheren is Vice-President der Maatschappij ter bevordering

[p. 1854]

van Schilder- en Teekenkunst, in Friesland, gevestigd te Leeuwarden; bij de Stads Teekenschool lid der Commissie, en bekleedt thans bij die Commissie de betrekking van President.

[Wichterne (France van der) en Cavael (Jacob)]

WICHTERNE (France van der) en CAVAEL (Jacob), beide kunstschilders, te Iperen, die op het laatst der XIV. en in het begin der XV. eeuw, aldaar werkzaam waren, zooals zulks door den Heer Diegerick, te Brugge, is ontdekt, die, in 1853, het volgende mededeelde: ‘Op den IIIJ dagh van Marte, in 't jaer M ende CCCC., ter beede van Mr. Heinric van Spiere bi zinen brieve, france van der wichterne, scildere, was onthouden bider ghemeenre camere ten dienste van der steide, als van der scilderi in de steide van jacob cavael, ende op de zelve voorme ende maniere dat hiere of onthouden was, ende alzoo 't hiervoorne van jacob vors. ghescreven staet, ende verbond hem ende consenteerde te doene al 't zelve dat jacob vors. hem verbond te doene. Upt welcke hem geconsenteert ende ghegheven waren jaerlycs de sergeanten cleederen van der steide, alsoo 't den voors. jacob ghedaen was.’

[Wieland. (Johan)]

WIELAND. (Johan) - Zijn Portret, met O.I. inkt geteekend, vond ik onder Nr. 1839 der Nederlandsche Schilders-portretten, in den Catalogus, Teekeningen enz. van Van der Marck, verkocht te Amsterdam, 1773. - Meer dan waarschijnlijk, is het een-en-dezelfde persoon, door mij op WEILAND (....) vermeld. Welke lezing is nu goed?

[Wielich. (Mattheus van?)]

WIELICH. (Mattheus van?) P. Terwesten, in zijn Ms., noemt hem een bekwaam beeldhouwer en leerling van martinus de meester, die in 1694 bloeide. Hij zegt, dat wielich een geboren Hagenaar was, doch weet niet waar, en wanneer hij is overleden.

[Wieling (Nicolaas)]

WIELING (Nicolaas) is door Immerzeel geboekt. - Ik voeg er bij, dat hij, in 1661, als Lid der Kamer van Pictura, te 's Gravenhage, staat ingeschreven.

[Wiener (Jacob)]

WIENER (Jacob) is reeds door Immerzeel te boek gesteld. Ik zal eenige verbeteringen en de verdere werken van dezen voortreflijken stempelgraveur, mij daartoe verstrekt, hier doen volgen. Hij is niet te Venlo, maar te Hörstgen, in Pruissen, den 2. Maart, 1815, geboren, terwijl zijne ouders zich, een jaar daarna, te Venlo vestigden. Toen hij 13 jaren oud was, begon hij zijne studie bij l. baruch, te Aken, en heeft die van 1837-1840, te Parijs, onder levesque voortgezet, waarna hij zich te Brussel vestigde. Aan den Heer jacob wiener, als het ware de schepper van een nieuw historisch terrein, moet de hulde van den Numismaticus toegebragt worden, daar hij de af beeldingen der voornaamste Europesche Monumenten, zoowel uit- als inwendig, op eene ongelooflijk naauwkeurige wijze in zijne Medaljes teruggeeft, die dan ook met bewondering en gretig worden ontvangen door het publiek. Onder meerderen van anderen aard, zijn er Medaljes der voornaamste Belgische Monumenten, ten getale van 20 stuks reeds door hem vervaardigd, waaronder de groote Medalje op het Jubilé de Liège, het Inwendige van de St. Maartenskerk, te Luik. - Een Idem, mort de l'Evêque Van Bommel, het Inwendige van de St. Pauluskerk, te Luik. - Eerste-Steenlegging der kerk van Laken, het uitwendige, 33 streep Ned. middellijn. - De Medalje, door de Stad Keulen, haren Archivaris aangeboden, het Stadhuis van Keulen. - Een Gedenkpenning op den bouw der Kerk, te Remagen, aan den Rijn, uit- en inwendig. - Een Idem, de Overdekking der Beurs, te Antwerpen, door de stad Antwerpen, den Heer Marcellis aangeboden enz. - Het zoo gunstig slagen in deze onderneming spoorde hem aan, om zich geheel aan dezen tak van fraaije kunst te wijden, en hij besloot, eene groote Galerij aan te leggen, die de voornaamste Monumenten van Europa in stempelslag moet bevatten, en

[p. 1855]

waarvan bereids de volgende zijn voltooid, als: De Cathedraal van St. Paul, te Londen. - Idem van die te Keulen; - van St. Marcus, te Venetië. - De Munsterkerk, te Aken. - De Cathedraal, te York. - Idem te Winchester. - De Commissie der Algemeene Tentoonstelling, te Parijs, 1855, heeft hem het graveren van onderscheiden stempels voor Medaljes, voorstellende Gezigten op het in- en uitwendige van het Nijverheids-Paleis, opgedragen. - Zijn talent werd door hooggeplaatste Personen zeer gewaardeerd, als door H.H.M.M. Louis Philippe van Frankrijk, door den Koning van Pruissen, en nog laatstelijk door den Koning-Regent van Portugal, die hem tot Ridder der Koninklijke Orde van Christus, benoemde. Van H.K.H. Madame Adeleide van Frankrijk heeft hij eene kostbare doekspeld ten geschenke ontvangen, terwijl hem, in 1855, het Diploma als Honorair-Corresponderend lid der Keizerlijke Akademie van Schoone Kunsten, te St. Petersburg, toegezonden werd. - In 1858, mogt hij de eer genieten, door den Paus met eene kostbare Cameé te worden vereerd, als een blijk van erkenning der verdienste van jacob wiener. Zie Handelsblad, 24 Februarij, 1858. - De Heer jacob wiener is gehuwd met Mejufvrouw Minette Newton, van Londen. Hij heeft twee leerlingen gevormd, te weten zijne broeders leopold wiener, stempelsnijder aan de Munt van België, en karel wiener, die zijne verdere studie te Parijs heeft volbragt, en thans te Londen gevestigd is.

[Wientrag. (...)]

WIENTRAG. (...) Zoo wordt door Nagler de bij Immerzeel beschreven wyntrack genoemd.

[Wiering. (K.)]

WIERING. (K.) De afbeelding van den Hoofdtoren, te Hoorn, door het onweder in brand geraakt, op den 10. Maart, 1750, is door hem naar het leven geteekend en door s. fokke sculp., in 8o.

[Wieringa, (Jan)]

WIERINGA, (Jan) de vader van den bij Immerzeel vermelden gerardus, heeft veel bekwaamheid in de kunst getoond, en in zijne woonplaats, Groningen, eenige zeer goede behangsels geschilderd. Hij overleed, aldaar, ten jare 1780, in den ouderdom van 71 jaar.

[Wieringa, (N.)]

WIERINGA, (N.) een portretschilder, die, in het midden der XVII. eeuw, waarschijnlijk, in Friesland bloeide. - Bij den Heer A.J. Bruinsma, te Leeuwarden, berust, onder diens familieportretten, Een Man en Vrouw, levensgrootte, dijstukken, die gezegd worden, uitmuntend en keurig geschilderd te zijn. Het eene is beteekend n. wieringa fecit 1649. - Deze is, waarschijnlijk, een voorvader van gerardus, bij Immerzeel vermeld.

[Wieringen. (Cornelis van) - Zie Klaaszen van Wieringen. (Cornelis)]

WIERINGEN. (Cornelis van) - Zie KLAASZEN VAN WIERINGEN. (Cornelis)

[Wieringen. (Cornelis van)]

WIERINGEN. (Cornelis van) Dit Artikel bij Immerzeel, en dat van cornelis klaaszen van wieringen, - Zie aldaar. - moet op een-en-denzelfden persoon doelen, en is abusivelijk ingeslopen; alleen moet voor beiden worden gelezen: overleden te Haarlem, in het jaar 1635. - De aanleiding daartoe, ligt, waarschijnlijk, in het verschil der lezing van zijn Monogram, daar velen de twee letters CC. niet in vinden, die er echter in staan, daar ééne c. met eene v zóó is vereenigd, dat er eene w uit ontstaat, gelijk zulks voorkomt op de prenten, in mijn bezit. - Hij heeft ook geëtst, als; Een Landschap, met water en gebouwen, aan beide zijden; regts trappen, die naar een gebouw leiden; wieringen inven.; h. 5 dm. 3 str., br. 6 dm. 2 str. Par. - Een Dijkgezigt, met sluizen en schepen; idem, idem; h. 3 dm. 9 str., br. 6 dm. 2 str. - Een reeks van 4 stuks Watergezigten, met figuren; idem, idem, in 4o. Zie Nagler.

[Wierix, Wiricx, Wierx of Wyrincx. (Jan, Jeronimus en Antonie)]

WIERIX, WIRICX, WIERX of WYRINCX. (Jan, Jeronimus en Antonie) Deze drie broeders, in de kunstwereld als beroemde graveurs bekend, zijn door Immerzeel vermeld, als geboren te Amsterdam, in 1550, 1551 en 1552. Hetzelfde zegt

[p. 1856]

ook Brulliot; doch Nagler geeft daarvoor op 1548, 1549 en 1550. Dit een en ander moet, door de nasporingen van den Heer L. Alvin, eene wijziging-ondergaan, gelijk bij dit grondig heeft uit één gezet in zijn Werk: L' Enfance de Jésus. Tableaux Flamands. Poème tiré des Compositions de jerome wierix; par L. Alvin. Avec 14 planches et une notice biographique sur les trois frères wierix, Graveurs du XVI. siècle. Paris, chez Auguste Aubry, 1860, in kl. 8o. Alvin vraagt, op welke gronden Nagler deze geboortejaren heeft bepaald? want het is eene dwaling, welke hij met allen, die over deze drie broeders hebben geschreven, deelt, en die ook de Werken, beteekend j.h.w., aan jeronimus toekennen, terwijl deze inderdaad van jan, de oudste der drie broeders, afkomstig zijn. Ook volgens den een en den ander zijn de drie broeders in achtereen-volgende jaren geboren. Er bestaat een zeer gemaklijk middel, om de jaren te kunnen bepalen der geboorte van jan en jeronimus, namelijk, er bestaan verscheiden graveerwerken uit hunne eerste jeugd, waarop zij met zorg het jaartal en hunnen ouderdom hebben gesteld. Was jan, in 1564, 15 jaar oud, en gaf hij zich een ouderdom van 16 jaren, in 1566, zoo kan men het jaar 1550, als dat der geboorte van den oudste stellen. - jeronimus was 12 jaar oud, in 1566, en werd alzoo geboren in 1554. - Welligt waren deze twaalf jaren op een of twee maanden verstreken, in dat geval zou men zijne geboorte op 1553 moeten brengen, en dit is, inderdaad, het jaartal, op de grafzerk van dien graveur, in de St. Jacobskerk, te Antwerpen, aanwezig. - Voor antonie bestaat, bij ons weten, geen oorspronklijk bewijs, waarop, met eenigen grond, eene meening kan gebouwd worden, maar, daar hij de jongste is, zoo kan hij bezwaarlijk vóór 1555 geboren zijn. Hij is in 1590, als graveur, in het St. Lucasgild, te Antwerpen, ingeschreven. - De geboorteplaats is niet minder onjuist, dan het jaartal opgegeven. jan woonde, in 1582, te Antwerpen, gelijk blijkt uit eene acte van 31 December, toen hij het burgerregt aldaar verkreeg. Dit document berust in het Archief aldaar, en daarin staat aangeteekend: jan wierix, geboren van Breda. Het zou op nieuw tot dwaling leiden, zegt Alvin, wanneer men jeronimus en antonie, zonder stellige bewijzen, als Antwerpenaars wilde beschouwen; doch, dewijl jan te Breda werd geboren, blijft het aanneemlijker, om zijne beide broeders liever dáár, dan, zonder bewijs, te Amsterdam het levenslicht te doen zien. Het is mogelijk, dat zij dáár hebben gewoond, vóór zij zich te Antwerpen vestigden; echter is geen hunner werken beteekend met Amsterdam. - Dit is zonder twijfel, dat jan en jeronimus, in 1570, te Antwerpen, voor Chr. Plantyn werkaaam waren, blijkens het Werk, getiteld: Humanae Salutis Monumenta etc., in 1571, aldaar, verschenen. Volgens dit fraaije Werk van Arias Montanus, in 8o., waarvan ik een exemplaar bezit, had ik reeds vroeger geboekt, dat de beteekening op de prenten jh. w. niet die van jeronimus is, maar van jan, (I(o) H(annes) dus stellig van jeronimus onderscheiden, hetwelk ik door het bovengemelde van Alvin bevestigd vind. In datzelfde Werk is duidelijk uit de gravuren te onderscheiden, wat door jan en wat door jeronimus is gegraveerd. jan heeft daarin steeds de jh. w. gebezigd, en jeronimus met de volgende verschillende Monogrammen beteekend, als j.w., jr. w., hj. w., hjr. w. en hr. w. Ik voeg hier nog bij, dat, wanneer het Monogram van jan, te weten jh. w. met een liggend Pijltje is vergezeld, dit aanduidt dat deze gravuren naar zijn eigen vinding en teekening gesneden zijn. Deze opmerking is genomen uit het Werk over de Monogrammen, Ms., door cornelis van den berg, - Zie bij Immerzeel. - en in mijn bezit. De overige prenten in het bewuste Werk zijn, even schoon, door abraham de bruyn, crispian van den broecke, en hoogst zeldzaam door

[p. 1857]

pieter huys, alle naar de teekeningen van pieter van der borcht gegraveerd. - Naar alle waarschijnlijkheid, behooren de wierix'en tot eene familie van graveurs; want hoe is anders zulk eene buitengewoon vroege rijpheid der twee oudsten uit te leggen? Zij moeten reeds van hunne vroegste jeugd, met de burin in de hand, alleen door een vader, die hen alles, wat tot het eerste materieel en de ontwikkeling van werk en studie zoo noodig is, verschafte, op dien weg zijn geleid. - Van jan zegt Alvin, zien wij, op zijn twaalfde jaar, eene kopij naar albrecht durer de lijdende Mensch, en op zijn veertiende, onder meer anderen, naar dien meester, de Ridder met den Dood zoo getrouw gevolgd, dat, had hij deze niet met zijn naam en het jaartal beteekend, de liefhebbers wel zouden kunnen bedrogen worden. jeronimus toonde nog meer vlugheid dan de oudste, daar er zes kopijen naar durer bekend zijn, welke hij als kind van 12 jaar vervaardigd heeft. - Bij Nagler vindt men vele bijzonderheden aangaande deze drie broeders, en eene opgave van 82 gravuren van jan, 400 van jeronimus, en 131 van antonie; doch, zegt Alvin, die opgave bevat slechts een derde gedeelte der prenten, welke wij kennen van deze graveurs. Het Prentkabinet van de Keizerlijke Bibliotheek, te Parijs, bezit bij de 1100 stuks; daarbij 180 Portretten, ook naar hunne eigen teekening gegraveerd. De meeste zijn van eene kleine afmeting, doch ook eenige bijna op levensgrootte, als: Hendrik III, Koning van Frankrijk, en Philips II, van Spanje, door jeronimus; - Hendrik IV, en Michel de l'Hospital door jan. - Verder zegt hij, dat zij dikwijls hunne prenten beteekenden, als vervolg op hun naam, met invenit et sculpsit en dan excudit. Een groot aantal prenten voeren, onder anderen, deze woorden: Cum gratiâ et privilegio Buschere, of Sign. Buschere. Deze naam is somtijds door dien van Piemans vervangen. Nagler is hierdoor in eene zonderlinge misvatting geraakt, die deze Buschere en Piemans voor twee uitgevers aanziet, welke hij voor de elkaêr opvolgende bezitters van deze platen houdt, terwijl hij de uitgaven van de Buschere als de besten aanwijst. De waarheid is, dat deze twee personen de hoogste ambtsbedieningen van dien tijd bekleedden: Joachim de Buschere was geheimschrijver van den Raad van Braband, en als zoodanig teekende hij de Koninklijke octrooijen en privilegiën, door den Aartshertog verleend. In 1602, heeft jeronimus wierix de Wapens van het geslacht De Buschere, en jan, in 1603, het Portret van den geheimschrijver gegraveerd, waar rondom staat: Joachimus de Buscher S.S.P.P. Albert et Isabel. Archid. Austr. in Consilio Secret. - Het is zonderling, dat de Heer Alvin zich hier eene zoo vreemdsoortige uitweiding veroorlooft, om Nagler teregt te wijzen. Ik, voor mij, meen, het aangevoerde van Nagler voor juist gezien te durven aannemen, want er heeft werklijk een Joos de Boscher als uitgever van Prenten, naar h. bol, petrus perret enz., in mijn bezit, op het einde der XVI. eeuw bestaan; doch bij Nagler, die denzelfden bedoelt, is daarvoor Buschere ingeslopen; of, welligt, heeft hij prenten gezien, waarop die naam zoo voorkwam, hetgeen volstrekt niet vreemd zou zijn, want bij het Portret van Karel den Groote, door jeronimus wierix sculp., zegt Nagler, dat er Buschere exc. op staat. Misschien had de genoemde Geheimschrijver de eer, tot het geslacht van den gemelden Kunst-handelaar te behooren. - De Heer Alvin vermeent, met zekerheid, het Portret van jan wierix op 53-jarigen leeftijd, door de juiste overeenkomst op twee zijner gravuren, ontdekt te hebben. Op de eene prent staat in de marge, de legende: Medio. lusu. risuq. rapimur, aeternum. cruciandi; en onder de tweede prent: Sub hoc capite audes christiane, delicius sperare audes sequi sub hoc judice. - De tijd van het overlijden der gebroeders wierix is, even als die

[p. 1858]

hunner geboorte, onbekend; alleen het inschrift in de St. Jacobs-kerk, te Antwerpen, boven vermeld, geeft het overlijden van jeronimus, in November, 1619, op. - Ik kan hier nog het volgende bijvoegen, namelijk, de Heer Alex. Pinchart heeft, in den Messager des Sciences historiques etc., Gand, 1858, bl. 333, eene oorspronklijke bijdrage geleverd, die ons met iets uit het bijzonder leven van jeronimus wierix bekend maakt, te weten met een misslag, door dezen in drift, na het overmatig gebruik van wijn, aan eene waardin begaan, die echter later overleed, waardoor hij in hechtenis genomen werd. In het antwoord op zijn Verzoekschrift om gratie, komt het volgende voor: ‘Philips etc. doen te wetene, alle jeghenwoordighe ende toecomende, dat wy ontfangen hebben die ootmoedighe supplicatie van jheronymus wyrincx, jonckman ongehoudt, van den ouderdom van vierentwintig jaren, ofte daeromtrent, prentsnyder van zynder consten ende poirter deser onse stad van Antwerpen, als nu ghevanghen by den Schouteth der voerschreve onser stad, inhoudende, hoedat hy suppliant omtrent den lesten dach Octobri XVcLXXVIIJ is ghecomen (wesende wel by drancke) ten huyse van Frederick van Hove, cuyper van zynder ambachte, met twee schelvisschen, begeerende deselve ghesoeden te hebben, met eenen pot biers, waertoe de voornoemde suppliant ghenoeyt hadde een van der ghebueren. Waernaer is gheschiet, alsdat de weerdinne van de voerschreeven huyse (ghenoempt Clara van den Hove) hem weygheringhe maecte van te tappen, segghende totten voerschreven suppliant: Betaelt d' oude schult, soe wil ick u weder oppenneyeuws borghen; doer welcke woerde de voerschreven suppliant hem zeer was stoorende als ghefoulleert wesende van zynder eeren, fame ende renommée, als wesende van goeden eerlycken ende treffelycken ouders ende borgers deser onser voerschreven stadt, gemerckt dat den persoon die hy ghenoeyt hadde zulcx moeste hooren.’ Toen volgden hooge woorden, en hij nam een pints bierkan en wierp dien naar de waardin, die ongelukkig een wond aan het hoofd bekwam, doch die niet zoo gevaarlijk was, dewijl zij nog bijna zes weken hare gewone werkzaamheden kon verrigten. jeronimus was zeer getroffen door die daad, bezorgde alle geneeskundige hulp, maar binnen zes weken overleed zij. Al de geneeskundigen, die haar bijgestaan en na haren dood verder onderzocht hebben, verklaarden, dat ‘de vernoemde Clara van deselve quetsure nyet en is ghestorven, maer van zekere catarren enz.... al desen nyet jeghenstaende vreest de voornoemde suppliant dat de voorschreven officier jeghens hem rigoureuselyck zoude moghen doen procederen, ten ware hem hierop verleent worde onse gratie ende ghenade, alsoe hy seeght, om dewelcke hy ons ootmoedelyck gheheden heeft enz. Ghegheven in onser stad van Antwerpen, in de maent van Meert MDLXXX.’ En verder daarover: ‘Van dat jeronimus wierincx plaetsnyder, geapprehendeert was ter oersaecke van dat hy met eender pinten sulcx gewont hadde in t hooft van Clara, uxor Fredericx van Hove, cuypere, dat dezelve daeroff dezer wereld was overleden is, vuyt crachte van de open brieven van remissie, hem by den Hove verleent op ten XXIIIJ Meert ao. XVcLXXX, van den voerschreven gevanckenisse gerelaxeert.’ - Uit dit relaas zien wij voor goed uitgemaakt, dat de ouders der wierix'en Antwerpenaars waren, en dus dat de drie gebroeders kunstenaars te Antwerpen geboren zijn; dat onze jeronimus aldaar in 1554 het licht zag, alzoo hij in December 1578 in hechtenis kwam, en bij die gelegenheid zijn ouderdom vermeld staat, zoodat hij 15 maanden in de gevangenis heeft geboet. Nu is het stellig, dat de werken, die vroegere jaartallen voeren, met geene mogelijkheid door onzen jeronimus kunnen zijn gegraveerd en dus van den vader, of van een ander van dien naam, moeten wezen. Dat de oude wierix graveur was,

[p. 1859]

is wel als zeker aan te nemen. - Ten slotte voeg ik er nog bij, dat mij de naam wierix reeds in het midden der XV. eeuw is voorgekomen, als: Maria Wierix, garde des Batards du Duc (de Bourgogne.) - Zie het Register van le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc. Paris, 1849, Tom. I.

[Wierts. (Antoine Joseph)]

WIERTS. (Antoine Joseph) Dit merkwaardig genie van zijn tijd is, naar waarde, door Immerzeel vermeld, dien het echter niet mogt gelukken, met de vroegere levensbijzonderheden van dezen grooten kunstenaar bekend te worden. Zulks zou bij mij hetzelfde geval geweest zijn, zoo ik niet eenige aanwijzingen dienaangaande had gevonden in den Catalogue raisonné du Museé-wierts, précédé d'une biographie du peintre, par le Dr. L. Watteau; Bruxelles, 1861, in 8o., welke ik hier wil aanduiden, ofschoon noch de plaats, noch het jaar zijner geboorte, noch de namen zijner ouders er in worden gevonden, terwijl al het verder vermelde aan zijne tijdgenooten is ontleend. Dit is echter belangrijk, dewijl er uit blijkt, dat hij zijne vorming geheel aan zich-zelven te danken heeft. Bij de bespiegelende inleiding over zijn oorspronklijk genie, vond ik, dat hij reeds op zijn vierde jaar schreef, of liever onafgebroken al de voorwerpen, die zijn oog bereikten, door de teeken- of schrijfpen, met eene ongelooflijke gemaklijkheid, afteekende. Op zijn tiende jaar schilderde hij portretten, zonder ooit eenige lessen gehad te hebben, dan die door vlijt en inspanning met eene vurige begeerte, door het genie geleid, werden verkregen. Twaalf jaren oud zijnde, deed hij eene belangrijke vondst in de houtsnêegravure, en drukte toen zelf zijne werken, te weten, Een kozak te paard, en, Eene H. Maagd, in raphael's trant. Omstreeks dien tijd, werd hij het eerst geroepen, om eenig werk uit te voeren, namelijk, een herbergier moest op een uithangbord een zwart paard geschilderd hebben. ‘Zoo iets moet met olieverf geschieden, en die heb ik niet,’ zeî de jongeling. ‘Wat dat betreft, hernam de waard, die zal ik u wel bezorgen.’ Eenige dagen na dit onderhoud, kwam de hospes met een goed stel olieverwen in mosselschelpen terug. wierts zette zich nu aan het werk, en de punt van zijn penseel raakte voor het eerst die tooverkleuren aan, waarmede hij zooveel roemrijke overwinningen behaalde, en snelde als een gevleugeld genie langs de geschetste lijnen. Het zwarte paard werd de bewondering der dorpelingen. De meer-beschaafden durfden te voorzeggen, dat de jonge wierts, zoo hij door de omstandigheden begunstigd werd, wel de eerste schilder van uithangborden in het land kon worden. - Deze voorzegging is volkomen vervuld, want geen kunstenaar heeft, even als de Heer wierts, het voorregt, een Museum van zijn eigen werken te bezitten, dat een Europeschen naam verworven heeft en blijvend zijn zal, met het Uithangbord: musée-wierts. Dit Museum bevat 42 stuks geschilderde tafereelen, waarbij er zijn van reusachtige grootte. Het moge meer dan overbodig beschouwd worden, enkel de namen der voorstellingen te noemen, dewijl daarbij, om er eenig denkbeeld van te kunnen vormen, eene beschrijving noodig zou wezen van den wijsgeerigen blik, dien wierts in het maatschaplijk leven van het voorleden, van het heden en der toekomst heeft geworpen; doch dit een en ander is in den gemelden Catalogus uitvoerig behandeld. Over den indruk, dien de aanblik van dit Museum op den beschouwer maakt, zegt Watteau, bl. 119, dat een bezoeker, die zulks beter schildert, dan wij het kunnen doen, op een der bladen van het Vreemdelingen-Register, zijne bewondering in de volgende woorden heeft geuit: ‘Lorsque j'entrai, pour la première fois, dans le Musée de m. wierts, la salle était complètement vide de public. L'inattitude, l'étonnement, et je ne sais quoi d'imposant, de grand, me saisirent tout à la fois. Mon esprit n'avait pu ni analyser, ni comparer, ni juger, que déjà la double impression d'un

[p. 1860]

sentiment d'admiration et de respect, m'avait envahi. J'étais seul dans ce lieu, j'échappais donc complètement aux exigences de la politesse; néanmoins, ma main se porta instinctement à mon chapeau, et je saluai les oeuvres renfermées dans ee temple, avec une sorte d'attendrissement respectueux. Par une sorte d'intuition rapide comme l'éclair, j'avais senti tout ce qu'il avait fallu d'ardeurs et luttes, pour faire revivre sur la toile tous ces géants de ces grandes épopées humaines. Je le dis en conscience: ce n'étaient point seulement mes yeux qui suivaient effarouchés les emmêlements de ces terribles batailles, où le Bien et le Mal - tous deux vieux comme le monde, - s'étreignent dans des convulsions immortelles! Non; mes oreilles elles mêmes s'emplissaient de bruits étranges; j'entendais sonner du haut des sphères les clairons des archanges; j'entendais le rétentissement du fer contre le fer, le sifflement des serpents, et, dominant tous ces bruits, la grande harmonie que produisent les mondes en roulant à travers l'immensité de l'espace! Voila, incomplètement, les impressions que je ressentis en pénétrant dans le Musée de m. wierts. Et je ne songeais point après cela, à comparer ce que je venais de voir aux différents ateliers visités dans le cours de mes voyages. Ailleurs j'avais vu de belles oeuvres renfermées dans des demeures opulentes. Sous les pieds des visiteurs s'étalaient de riches tapis d'Orient. Partout des meubles antiques, des curiosités artistiques de toutes sortes, de riches tapisseries, de vieilles armures, le tout magiquement disposé pour saisir l'oeil ebloui du visiteur. Ici rien: quatre murs, un toit. Mais le soleil qui pénétrait au travers des carreaux dépolis du toit, éclarait sur les murs de splendides chefs d'oeuvre.’ - Ik kan niet nalaten, hier het slotwoord van een mij bekenden bezoeker nog bij te voegen: ‘Doch geprezen of gelaakt - geëerd of miskend - wierts kan, rondziende op zijn grootsche scheppingen, met Horatius uitroepen: ‘Non omnis moriar, multaque pars mei Vitabit libitinam.’ Zie blz. 112 van de Schetsen met de pen van a.v.h.; Amsterdam, Gebr. van Es, 1861, in 8o. - In 1861, zag ik in dit Museum ook beeldhouwwerken en gips-modellen, door hem vervaardigd. - Later heeft hij daar tentoongesteld de groepen: De geboorte der Driften, De Worstelingen, Het Licht, allen bestemd, om in marmer te worden uitgevoerd. Zie De Eendragt, van Gent, 1862, Nr. 5. - De Heer wierts is even oorspronklijk met de pen, als met zijn penseel, en heeft, doch alleen als hij kritiek en voorlichting noodig acht, eenige Werken geschreven, zooals in 1846 van hem werd aangekondigd: De la Peinture historique et religieuse du dix-neuvième siècle; in 1848, Peintre, Peinture et Critique; in 1851, La critique en matière de peinture est-elle possible? en een hoogst-belangrijk Werk: Peinture mate, procédé nouveau; par a.w. Bruxelles, (1859) A. Lacrois, in 8o. Volgens deze vinding, geheel van die al fresco afgescheiden, heeft hij reeds groote schilderijen vervaardigd, wier doorschijnendheid en frischheid van kleuren zoozeer verhoogd zijn, dat die der olieverf daarbij niet halen kan. Hij zegt daarin, zich tot de jeugdige kunstenaars wendende: ‘Ainsi notre procédé vous épargnera bien des sacrifices; vous n'userez pas votre jeunesse, votre intelligence, votre vie à un exercice pénible et ridicule; vous aurez toujours prête à vous obéir, toujours prête à suivre les ordres de la volonté, une matière docile, soumise, facile à manier, facile à se plier à tous les caprices de l'imagination, à toutes les inspirations du génie.’

[Wierts (J.H.)]

WIERTS (J.H.) vond ik nergens genoemd dan in den Catalogus der Teekeningen van J. Kleinenbergh, Leyden, 1841, bl. 46 en 47, Nr. 54 en 74: Een Meisje, een mand op het hoofd dragende, door j.h. wierts, en, Een Bruidspaar, door denzelven.

[p. 1861]

[Wiertz (Henricus Françiscus)]

WIERTZ (Henricus Françiscus) is, naar waarde, door Immerzeel beschreven. Ik voeg daarbij, dat hij, in 1858, in zijne woonplaats. Nijmegen, overleden is.

[Wigerst. (A.F.)]

WIGERST. (A.F.) Ik bezit twee Teekeningen in kleuren, in fo., ontwerpen voor zolderstukken, met mythologische voorstellingen, vrijwèl door dezen meester geteekend. Het schijnt mij toe, Friesche kunst te zijn.

[Wigmana (Gerard)]

WIGMANA (Gerard) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. Ik kan er nog bijvoegen, wat mij door Jonkhr. Mr. S.W.H.A. Beyma thoe Kingma is meêgedeeld, namelijk, dat gerardus wigmana, kunstschilder, te Amsterdam, gehuwd was met Petronella Maria van der Lely, dochter van Frederik, en van Johanna Bruinsma, te Leeuwarden, en dat beiden reeds in 1741 waren overleden. - Zie nog, in het Aanhangsel op mijn Werk, op LELY. (Jarich Gerrits van der) - Hij heeft ook geëtst, Saturnus, met een kind, dat schreeuwt, op zijn schoot; in fo. - Dit ziet er alles behalve Rafaëlachtig uit, ofschoon hij steeds voorgaf, dien meester in alles te volgen, waardoor hij dan ook den bijnaam van den Frieschen Raphaël bekomen heeft. - Hij schreef een Boekje, getiteld: Schets der Schilderkunst. Zie Catalogus van Brentano, Amsterdam, 1822, I, bl. 61. - Zijn Portret, se ipse pinx., 1721, is door b. picart sculp., 1727, in 4o.

[Wiic. (Joan, of Gio. à) Zie Wyckersloot. (Johan van)]

WIIC. (Joan, of Gio. à) Zie WYCKERSLOOT. (Johan van)

[Wilant, (J.J.)]

WILANT, (J.J.) een weinig bekend graveur, die, waarschijnlijk, in het begin der XVIII. eeuw, bloeide, te Amsterdam. Ik zag van hem de volgende Portretten: Henr. Vos, Luthersch Predikant, te Amsterdam, obiit 1708, oet. 66, naar j.f. bödekker, in fo.; en, Johannes Colererus, idem, te Ibid., naar deszelfden, in fo. De aard van graveren getuigt van eene vaste, geoefende hand, doch is overigens van middelmatige verdienste.

[Wilde, of Dewilde. (A. de)]

WILDE, of DEWILDE. (A. de) Een Historie- en Gezelschapsschilder, omstreeks 1840, te Antwerpen werkzaam, zegt Nagler.

[Wilde, (B. de)]

WILDE, (B. de) een bekwaam beeldhouwer, te Amersfoort, waar hij op het einde der XVIII. eeuw overleden is.

[Wilde (Frans de)]

WILDE (Frans de) is mij alleen bekend door eenige, zeer kleine, geëtste prenten, van weinig kunstwaarde, die, waarschijnlijk, door hem als liefhebber, in het begin der XVIII. eeuw, te Amsterdam, vervaardigd zijn, als: De Fabel van den Wolf en den Hond. - Venus, zittende op eene schulp, op Zee. - De Engel verschijnt aan Abraham, f. de wilde fec. 1705. - Een Landschap; Idem. - Gezigten van een Zeehaven. - Gezigt van Chalon.

[Wilde. (J. de)]

WILDE. (J. de) Houbraken noemt hem een braaf portretschilder, dien hij in tijdsorde op wybrandus de geest, zijn tijd- en landgenoot, volgen doet; derhalve zal hij nog in de XVI. eeuw geboren zijn. - Nagler heeft zich zeer vergist met dezen j. de wilde, voor Jacob de Wilde, vader van maria de wilde, - Zie aldaar. - te boek te stellen, die echter dagteekent van veel later tijd. - Het is meer dan waarschijnlijk, dat jan willem van der wilde, - Zie aldaar. - dezelfde persoon is, die door Houbraken bij vergissing de wilde werd genoemd.

[Wilde. (Jacob de) - Zie op Wilde. (J. de)]

WILDE. (Jacob de) - Zie op WILDE. (J. de)

[Wilde, (Maria de)]

WILDE, (Maria de) Jacobsdochter, wordt door Immerzeel genoemd. - Het komt mij voor, dat de werken dezer dame, waardoor zij een blijvenden naam in Europa heeft verworven, hier wel volledig mogen worden opgegeven. Haar vader, Jacob de Wilde, was een aanzienlijk ingezeten der stad Amsterdam, Kommies tot de hoofdelijke betaling ter Admiraliteit, en een vermaard Oudheidkundige, die eene uitgebreide Verzameling bezat, waarnaar maria vele voorwerpen afgeteekend, en, op eene vrije wijze, fraai in het koper geëtst, in het licht gegeven heeft, als: Jac. de Wilde, Selecta numismata antiqua. Amstelod., 1692,

[p. 1862]

in 4o. - Jac. de Wilde, Signa antiqua e Museo Jacobi de Wilde, veterum poëtarum carminibus illustr. et per mariam, filiam oeri inscripta; Amst., 1700, in 4o. - Gemmoe selectoe antiquoe e Museo Jacobi de Wilde (rei maritimoe, quoe Amstelodami curatur, a rationibus) quinquaginta tabulis, et per possessorum conjecturis, veterumque poëtarum carminibus illustratoe. Amst., sumptibus auctoris, 1703, in 4o. - De beroemde Hoogleeraar Adrianus Reland heeft de schoone regterhand van deze kunstrijke Jonkvrouw, in een uitmuntend fraai Latijnsch gedicht, geteekend, en de Nederlandsche dichter Johan Pluimer volgde des Hoogleeraars gedachten in de volgende regels: ‘Wy bootsen slechts de schaduw na, - maria! van uw ryke gaven, - Terwijl ik in verwondring staâ, - Dat uw vernuft zoo hoog kan draven: - Gy etst en teekent naar de kunst, - En beeld- en muntwerk lang verscholen, - Waardoor gy wint der Kenn'ren gunst, - De Aeloudheid uit gebergte en holen, - Die eeuwen lang geen zonlicht zag, - Zet gy in eenen held'ren dag.’ Reland's gedicht, Artifici dexteroe pulcherrimoe virginis mariae wildiae sacrum, is mede te vinden in Reland's nagelaten Lat. gedichten, uitgegeven door Perrenot. - Zie Van Eynden en Van der Willigen. - Ik bezit haar Portret, door haar-zelve fraai geëtst; bijna van voren te zien, met los gekruld haar en afhangende lokken om haren hals en boezem; achter haar een gordijn, en het uitzigt op een hof, in ovaal gevat; daaronder maria de wilde, Jacobi filia, Amatrix artium. De B R K W F zijn trekletters, die meer als proef, (gelijk er nog, kopjes, handen enz. in de marge voorkomen,) moeten beschouwd worden. - Een Idem, kniestuk, staande, rijk gekleed, in een prachtig gebouw, waaronder een Latijnsch vers van D. Hoogstratanus; pet. schenk fec. et exc. Amsterd., in fo., zwarte kunst. - Een Idem, regts gewend, in ovaal, met bijwerk in den achtergrond; Aetatis suoe XVII.; onder, een achtregelig Latijnsch vers van D. Hoogstratanus, beteekend p. van den berg fec. et l.m.q. huic opellae adjunxit, in 4o. Dit Portret gelijkt meer naar eene vrouw, dan naar een meisje. Nagler noemt, bij vergissing, p. van der beroe, als den etser van dit portret.

[Wilde (Jan Willem van der)]

WILDE (Jan Willem van der) zal een-en-dezelfde persoon moeten zijn, die bij Immerzeel, op j. de wilde, als ‘een Vries van geboorte, en een goed portretschilder,’ staat geboekt, en wel volgens een berigt van den Archivaris der stad Leeuwarden, W. Eekhoff, in het Tijdschrift Europa, 1862, luidende: jan willem van der wilde, geb. te Leiden, werd burger en trouwde hier, in het jaar 1617, met Sytske Jooste dochter, wed. Simon Fredrix. - Zie nog op WILDE. (J. de)

[Wildenberg, (L. van den)]

WILDENBERG, (L. van den) of vandenwildenberg, een zeer bekwaam lithograaf, die deel heeft aan de volgende Werken: Portraits des Peintres les plus célèbres, dessinés sur pierre par g. simonau et l. vandenwildenberg; avec Notices par P. Barella; Louvain, 1833, in 8o. - Lithographies d'après les principaux tableaux de la collection du Prince Auguste d'Arenberg, publ. par Ch. Spruyt; 54 bladen; door spruyt, madou, l. van wildenberg etc. Bruxelles, 1829, gr. in fo.

[Wildens (Jan)]

WILDENS (Jan) is door Immerzeel vermeld, die, even als met alle andere auteurs het geval is, zijn geboorte- en sterftijd verschillend opgegeven heeft. Uit echte bronnen, in den Catalogue du Museé d'Anvers, 1857, vermeld, kan ik beiden hier juist bepalen. jan wildens is, in 1584, te Antwerpen, geboren. In 1591 werd hij, oud 7 jaar, als leerling bij peter verhulst ingeschreven, en reeds in 1604 als vrij meester in het St. Lucasgild, onder de benaming van hans wildens, scilder, den sone, in den Roetaert.’ (naam van zijn woonhuis.) Den 12. November, 1619, trad hij, oud 35 jaren, in het huwelijk met Maria Stalpaert, oud 18 jaren, hij wie hij twee zonen verwekte, Jan Baptiste, geboren 7 Augus-

[p. 1863]

tus 1620, en jeremias, geboren 27 September, 1621; terwijl hij den 29. Mei, 1624, zijne jeugdige vrouw verloor. Het was door haar, dat rubens, ten tweedemaal, in 1630, in het huwelijk tredende met Helena Fourment, die aan haar verwant was, de neef van wildens werd. Hieruit leeren wij, dat alle praatjes van naijver, tusschen hem en rubens vermeld, uit de lucht zijn gegrepen; daarenboven rubens benoemde hem, met f. snyders en j. moerman, tot uitvoerder van zijn uitersten wil, en belastte hen met het beheer zijner nalatenschap. - wildens is, den 16. October, 1653, te Antwerpen, overleden, oud zijnde 69 jaren, en ligt in het Koor der Onze-Lieve-Vrouwe-kerk, aldaar, bij zijne huisvrouw begraven. Op de zerk leest men het volgende Grafschrift: D.O.M. Begravenisse van de eersamen joannes wildens schilder Sterf den 16 October Ao. 1653 out 69 jaer ende Jouffrau Maria Stalpaert, syn huysvrou sterf den 29 Mey Ao. 1624 ende jeremias wildens Jonckman haerlieder soon out 32 jaer sterf den 30 December ao. 1653. Bid voor de Sielen. Zie Theod. van Lerius, in het Album der St. Lucasgilde, Antwerpen, 1855, in 4o., bl. 65. - a. van dyck heeft zijn portret geschilderd, dat door p. pontius is gegraveerd, in fo. - g.c. kilian heeft deze Afbeelding gekopieerd; die bij Descamps en anderen voorkomt, is daarnaar genomen.

[Wildens, (Jeremias)]

WILDENS, (Jeremias) zoon van jan en van Maria Stalpaert, werd den 27. September, 1621, te Antwerpen, geboren. Hij heeft de schilderkunst beoefend, en ik vond hem in het St. Lucasgild, aldaar, ingeschreven: ‘jeremias wildens, zoone van jan, wierd meester schilder 1647, stierf 1653.’ - Ongehuwd zijnde, is hij zijn vader, ongeveer tien weken daarna, in het graf gevolgd. Zie het Grafschrift op zijn vader.

[Wildrik, (Mejufvrouw R.S.)]

WILDRIK, (Mejufvrouw R.S.) te Ruurlo. Een gezigt op het dorp Ruurlo, bij ochtendstond, en Bloem - en Fruitstukken waren van haar op de Tentoonstelling, te Amsterdam, in 1840.

[Wilhelmina, (Frederica Sophia) Princes van Oranje. Zie op Oranje. (Frederica Sophia Wilhelmina, Princes van)]

WILHELMINA, (Frederica Sophia) Princes van Oranje. Zie op ORANJE. (Frederica Sophia Wilhelmina, Princes van)

[Wilhelmus en Willem]

WILHELMUS en WILLEM vond ik als schilders op de Lijst der Schepenen, te 's Hertogenbosch; de eerste op het jaar 1372 tot 1396, en de tweede op 1449 vermeld. - Zie J. Oudenhoven, Beschryving van 's Hertogenbosch, Ibid., 1670, in 4o., bl. 65 en 69.

[Wilkens (Theodorus)]

WILKENS (Theodorus) is door Immerzeel, als landschapschilder, te Amsterdam vermeld; ik voeg daarbij, wat Nagler zegt, namelijk, dat hij omstreeks 1748 aldaar is overleden. - Zijn Roomsche Bentnaam was Goeden wil.

[Willaerts (Abraham)]

WILLAERTS (Abraham) is door Immerzeel, in navolging van De Bie, vermeld, als een zoon van adam, in 1613, te Utrecht geboren. Dit is bepaald eene vergissing, dewijl ik hem in het St. Lucasgild, te Utrecht, vond ingeschreven: ‘1624, abraham willaerts. Deken, Kunstschilder.’ Zulks zal toch bezwaarlijk hebben plaats gehad, als leerling van elf jaren, en nog veel minder als Deken, die uit de oudste leden gekozen werd. Dientengevolge moet zijn geboortejaar veel vroeger worden gesteld. Reeds in 1638, vereerde hij aan het St. Jobs-gasthuis, te Utrecht, De moeijelijke vertroosting van Jobs huisvrouw, welk stuk door hem geschilderd was.

[Willaerts (Adam)]

WILLAERTS (Adam) wordt door Immerzeel vermeld, als geboren te Antwerpen, 1577, en overleden, te Utrecht, 1640. Zijne bron, De Bie, meldt daar niets van, maar het onderschrift bij zijn Portret zegt, geboren te Antwerpen, 1577, en dat hij tegenwoordig te Utrecht woonde. Dit zou dus op het jaar 1661, het verschijnen van De Bie's Werk, betrekking hebben. Doch neen; dat doelt op 1649,

[p. 1864]

toen ditzelfde portret voor het eerst door joan meyssens - Zie aldaar. - uitgegeven werd. - Hij heeft een hoogen ouderdom bereikt, dewijl nog ‘anno 1666 adam willaerts op de Lyst der Regenten van het St. Jobs-gasthuis, te Utrecht, staat vermeld.’ Zie Hoevenaar, Inwyding van het Teeken-Collegie der Stad Utrecht, Ibid., 1778, in 8o., bl. 18. - Dat hij in 1659 nog leefde, daarover zie men op zijn zoon WILLAERTS. (Isaäc) - Nagler verkeert dus geheel in dwaling, met hem geen langer leven dan tot 1626 toe te schrijven. - In 1611, was hij reeds te Utrecht gevestigd, dewijl hij voorkomt onder de verzoekers aan de Regering, om het St. Lucasgild van het Zadelmakersgild te scheiden; ook vond ik hem op dat jaar als Deken vermeld, tot in 1637, en die veel dienst aan het Gild bewezen heeft. - Vreemd mag het schijnen, dat hij niet in het St. Lucasgild te Antwerpen, voorkomt; doch wel zekere ‘leonard ambrosius willaerts, leerling in 1675, by ..... en als meester schilder 1696;’ benevens nog ‘gabriel willaerts meesterszoone, ontvangen 1666,’ waarschijnlijk, als meester. Zou dus onze adam niet reeds vroeg met zijne ouders naar Utrecht vertrokken zijn, en dáár de kunst hebben geleerd? In de Kameraarsrekening der Stad Utrecht, vond ik de volgende door hem verrigte werken: ‘Geordonneert den Secretaris Heurnius, te betalen aen adam willaerts 90 guld., voor een Schilderye, die hy gemaeckt heeft voor des Capittels schoorsteen;’ (van St. Jan) en verder in het Raadsdagelyksboek, 24 Mei 1619: ‘Belieft het accoort by de Heeren Burgemeesters ende eenige van de Vroetschap gemaeckt met adam willaers, schilder, nopende het schilderen van Zeven vendelen schutteryen, ende alle materialen van gout ende anders daertoe gedaen, (soo hooftman Weede het zyne selfs heeft laten scilderen), also dat hy in plaetse van 426 gulden hebben sal 350 gulden, des hy mede op de trommelen 't Stadtswapen schilderen sal.’ - In het Museum, te Antwerpen, berust van hem een historieel onderwerp: Feest door den Aartshertog Albrecht en Isabelle te Tervueren gegeven; en in den Catalogus van S. Tierens, 's Hage, 1743, komt, onder Nr. 260, voor: ‘De Gedeputeerdens van den Staat in het jaar 1620, uit haar jagt gaande, om den vlugtenden Koning van Boheme, by Nimwegen te recipieren, door adam willars; h. 1 vt. 11½ dm., br. 3 vt. 3 dm. Rhynl. ƒ46.’

[Willaerts, of Willaert. (Adriaen)]

WILLAERTS, of WILLAERT. (Adriaen) - Nagler zegt, dat Frenzel, in den Catalogus van Sternberg, IV., Nr. 4787, willaerts een beroemd Vlaamsch kunstenaar noemt, wiens Portret in houtsnede, in ovaal, met zinspelende figuren is omvat; Venet. apr. di Ant. Gandanor. 1559, in 8o. - Ik vond in het St. Lucasgild, te Utrecht, ingeschreven: ‘1611, adriaen willaerts, kunstschilder.’ Zou deze doopnaam niet doen denken aan verwantschap met het Utrechtsche Schilders-geslacht van dien naam, dat, welligt, tijdens de Spaansche beroerten, Vlaanderen verliet en zich te Utrecht vestigde?

[Willaerts, (Cornelis)]

WILLAERTS, (Cornelis) de vermoedelijke zoon van adam, vond ik in het St. Lucasgild, te Utrecht, ingeschreven: ‘1622. cornelis willaerts kunst-schilder.’ - Er wordt gemeend, dat hij in het vak van adam willaerts arbeidde, doch in 1636 heeft hij het St. Jobs-gasthuis met een fraai Landschap van zijn penseel vereerd. - Reeds in 1450, vond ik zekeren cornelis willaert, schilder, van Brugge in het Register van le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne. etc.; Paris, 1849, Tom. I, vermeld.

[Willaerts, of Willaert, (Cornelis)]

WILLAERTS, of WILLAERT, (Cornelis) een schilder, te Brugge, omstreeks 1450 werkzaam. Hij is de oudste meester van dien naam, wiens werken welligt onbekend zijn, zegt Nagler. - Zie het voorgaande Artikel.

[Willaert, (Isaac)]

WILLAERT, (Isaac) een zoon van adam, die te Utrecht de kunst beoefend

[p. 1865]

heeft. Als zoodanig, vond ik hem vermeld in het Resolutie-boek van het Dolhuis, 16 Martis, 165o, daar ‘aan een dezer zonen van adam willaerts werd ongedragen de schilderijen van visschen, bij ormea geschilderd, ende aan dezen Dolhuyse vereerd, met beelden en schepen te stofferen,’ hetwelk hij heeft volvoerd, en daarvoor staat op de Rekening van 1659: ‘isaacq willaerts, van het schilderen van verscheydene scheepgens ende figuren in 2 schilderyen betaalt 10 Gld.’ Het schijnt veelal de gewoonte te zijn geweest, dat kunstenaars aan openbare Gestichten van hun werk ten geschenke gaven, want er werd op 1 Julij van datzelfde jaar ‘voorgestelt, datter verscheydene Meesters waren, die schilderyen in 't Huys hadden vereert; of men niet in recompense van dien deselve eens behoorde te tracteren. Is verstaen, dat men op woensdagh aanstaende des middachs deselve in 't Huys sal doen versoeken, ende daertoe mede de Regenten van het voorsz. Huys.’ Dit heeft werklijk plaats gehad, want op de Rekening van 1659 komt voor, aan ‘de Wed. van Willem de Ridder, voor een tonneken wyn, als de schilders getracteert werden, betaelt gld. 12-12.’ Verder heeft hij voor de Stad het volgende verrigt: ‘Item isaacq willaerts, voor werck aen de schilderijen van de Jerusalems reysigers in de Groene Camer, 185 gulden.’ Kameraars-rekening van Utrecht, 1667, bij Dodt, Archief deel III. - Deze schilderijen zijn vijf in getal, waarvan twee, elk met 12 portretten, borststukken, door johan van schoorl - waarbij zijn eigen Portret, - geschilderd; deze zijn de oudste; dan een met 4, en twee stuks met 5 portretten, waarvan de schilder onzeker is. In 1834 heb ik al deze merkwaardige schilderijen, die zeer veel hadden geleden, geheel in orde gemaakt; zij zijn thans op het Stedelijk Museum van Oudheden, te Utrecht, geplaatst.

[Willaerts. (X.B. en J.S.)]

WILLAERTS. (X.B. en J.S.) In 1846 zag ik een Zeegesigt, bij een landhoofd, met huizen enz., zeer schoon, zilverachtig, krachtig geschilderd en uitmuntend gestoffeerd. Op de vlag van een schip staat x.b.w. - Nagler noemt eene gelijksoortige schilderij, in 1838, in de Verzameling van den schilder wilhelm tischbein, met den naam j.s. willaerts beteekend, en in den Catalogus wordt gezegd, dat men gelooft, hieronder a. willaerts te moeten verstaan. Nagler gelooft, dat j.s. de naam van een onbekend kunstenaar is, en ik meen, lat mijn x.b. daar insgelijks toe behoort.

[Willam den Maerle. - Zie op Dircskin. (....)]

WILLAM den Maerle. - Zie op DIRCSKIN. (....)

[Willeboorts, of Willeborts. (Thomas) - Zie op Bossaert, of Bosschart.]

WILLEBOORTS, of WILLEBORTS. (Thomas) - Zie op BOSSAERT, of BOSSCHART. - Later zijn mij verscheiden oorspronklijke bewijzen voorgekomen, die ons zijn talent meer van nabij doen kennen, namelijk, in De Ordonnantieboeken van Prins Frederik Hendrik, over de jaren 1637-1650, door den Heer C. Vosmaer, in de Kunstkronyk, 1861, bl. 37 medegedeeld: ‘Syn Hoogheyt ordonneert enz. te betalen aen thomas willeboorts, schilder tot Antwerpen, de som van 1000 Car. guld., voor 2 schilderyen, d' eene van Dido, en d' andere van Venus en Adonis, by hem gemaeckt en gelevert. 's Hage, 13 April 1642. - s.h. ordonn. enz. te betalen aen thomas willeboorts, schilder tot Antwerpen, de som van ƒ1381, voor 6 stucks schilderyen, by hem door last van s.h. tot Antwerpen gekocht. Gedaan in 't leger tot Bodberch, 9 July, 1642. - s.h. ordonn. te betalen, aen thomas willeboorts, schilder tot Antwerpen, de som van ƒ1200 over twee tucken schildery by hem gemaeckt en gelevert, wesende het eene van Mars en Venus, en het andere van Flora. 's Hage, 20 Feb. 1645. - Aen s.h. gelevert door Smets Castel, synde het eene gemaeckt by willeboorts, schilder tot Antwerpen en het andere een met Crans en bloemen, voor ƒ600. 's Gravenhage, 22 Maert, 1646. - thomas willeboorts, schilder van Antwerpen, de som van ƒ1500, voor gemaeckte

[p. 1866]

2 stuks schilderyen, te weten: ƒ1000 voor de schildery van Eneus en Dido, totte schouw in de Nieuwe Sael, in 't Noordeynde, en ƒ400 voor het stuck, synde een Mariabeeld en Kinderkens. Item noch voor het schildery van een Maria Beeldeken in de schildery van pater zegers ƒ100, makende te zamen de voorn. ƒ1500. 's Gravenhage, 22 Maert, 1646. - s.h. ordonn. enz. aen thomas willeboorts. schilder tot Antwerpen, te betalen ƒ2100 voor dry stucken schilderyen, te weten een van Europa, een van de Bootschap Maria, ende een van Andromeda. 's Gravenhage, 11 Jan., 1647. Item aan thomas willeboorts, schilder tot Antwerpen, de som van ƒ1500. - adriaan van utrecht, schilder ƒ400. - en paulus de vos, schilder, ƒ50 over eenige stucken schilderye by haer ten dienste van s.h. gemaeckt en gelevert. 15 Juny 1648.’ - De genoemde schilderij, Mars en Venus, schijnt, in 1797, in Duitschland aanwezig te zijn geweest, want ik bezit eene groote prent, th. willebort pinx. Punktirt von gebhardt. Herausgegeben in Dessau, 1797. Zij stelt voor eene Smederij, waarin er twee werkzaam zijn, Venus in zittende houding, het harnas van Mars vasthechtende; Cupido rijdt op zijn zwaard, als op een stokpaard; eene zeer bevallige afbeelding.

[Willeborts. (Jan)]

WILLEBORTS. (Jan) Deze wordt, bij vergissing, door Dr. Waagen, in zijn Handbuch der Geschichte der Malerei; Stuttgart, 1862, opgegeven, als, met jan fyt, eene Rust van Diana te hebben geschilderd, welk stuk in de Keizerlijke Galerij, te Weenen, berust; doch daar staat het in den Catalogus op naam van jan fyt en thomas willebort vermeld.

[Willem Ii.]

WILLEM II. Koning der Nederlanden, de beroemdste kunstminnaar van zijn tijd, is door Immerzeel vermeld. Ik laat daarop volgen, dat deze Ridderlijke Vorst den 6. December, 1792, te 's Gravenhage, is geboren, en de doopnamen van willem frederik george lodewyk bekomen heeft; dat Hoogstdezelve, tot innigen rouw van zijn volk, den 17. Maart, 1849, te Tilburg, is overleden, en den 4. April, plegtstatig, in den vorstlijken grafkelder, in de Nieuwe kerk, te Delft, is bijgezet. - Op den 4. September, 1840, den geboortedag van zijn eersten Kleinzoon, werd de eerste steen gelegd voor den aanbouw der algemeen bekende Gothische Kunstzaal, later door bijgebouwen, in het Noord-einde, te 's Hage, tot een uitgestrekt Kunst-Museum gevormd. Hierin berustte een schat van kunst, uit alle Scholen, die eene Europesche vermaardheid verwierf, en, inderdaad, met opregte kunstliefde verzameld was. Mij is verzekerd, dat wijle Z.M. dikwijls herhaalde, dat alle pracht en rijkdom, welke hij als Prins in Europa gezien had, niet kon halen bij Kunst-kabinetten, en hij wenschte eenmaal zoo gelukkig te zijn, zelf eene Kunstver-zameling te mogen bezitten. Deze schat is echter met hem daaruit verdwenen. Reeds werd den 12. Augustus, 1850, en het overige klein gedeelte, den 9. September, 1851, in die Zaal verkocht. Op de eerste veiling hebben de Schilderijen ƒ1,105,605, de Beeldhouwerken ƒ24,575 en de Teekeningen ƒ91,963 opgebragt, te zamen ƒ1,222,143. Ik heb die Verkooping bijgewoond, en het zeldzame schouwspel gezien, hoe de kern van Europa's kunstkenners als hommels in den korf kwamen azen. De strijd tusschen de Makelaars Pleschanoff, voor Rusland, en Mawson, voor Lord Herfort, om de twee Portretten, door van dyck, te bekomen, duurde meer dan 20 minuten, en ƒ63.600 was het laatste bod voor genoemden Lord. Alles, wat goed was, werd hoog betaald, zelfs zóó, dat de graaf de Nieuwerkerke, Directeur generaal des Fransche Museën, den 19. October, 1850, in zijn Verslag aan den Minister van Binnenlandsche Zaken meldde, dat hij niets anders dan eenige Teekeningen van oude Italiaansche meesters, zelfs tot hooge prijzen, voor 's Rijks Museum, was kunnen magtig worden. Zie Revue de Belgique, Litt. et Beaux-

[p. 1867]

arts Tom. VI. Septembre, (Bruxelles) 1850 - Het ware te wenschen geweest, dat Z.M. met meer langzamen tred verzameld had, zoodat zijn Opvolger op dien voet zou hebben kunnen voortgaan, zoo was het eenmaal een schoon Museum van Buitenlandsche kunst in ons land, en een blijvend en nuttig geheel geworden. - Onder het aantal Portretten, die er van Z.M. uitgaan, bezit ik er een in het groot Costuum van het Guldenvlies, in 8o., niet in den handel.

[Willem V. Prins van Oranje. - Zie op Oranje. (Willem V., Prins van)]

WILLEM V. Prins van Oranje. - Zie op ORANJE. (Willem V., Prins van)

[Willemart (Philip Albert)]

WILLEMART (Philip Albert) wordt door Merlo, Kunst und Künstler in Köln, Ibid., 1850, bl. 514, als schilder vermeld, in het Schildersgild, te Keulen, in 1671, aangenomen. - Nagler zegt, dat deze meester, waarschijnlijk, een Hollander was.

[Willems, (Florent)]

WILLEMS, (Florent) door Immerzeel opgegeven, als te Brussel gevestigd, werd omstreeks 1816 geboren, en heeft zijne vermaardheid dermate gehandhaafd, dat zijn werk op de Tentoonstelling, te Brussel, in 1851, namelijk de voorstelling eener Openbare Verkooping van Schilderijen, in 1650, hem, den 1. November, 1851, de versierselen der Leopoldsorde verwerven deed. - Op de Wereldtentoonstelling, te Parijs, 1855, heeft ook hij Nederlands ouden kunstroem helpen schragen, waardoor hij tot den rang van Officier der gemelde Orde bevorderd werd. In 1857, had hij 4 Schilderijen voltooid, die de aandacht van ware kunstkenners trokken, voorstellende: Ik was daar! een oud soldaat, die een tafereel beschouwt, verbeeldende een veldslag, waaraan hij deelgenomen had. - Behaagzucht. - De Kas, en, De Verschijning.

[Willemsen (Jan)]

WILLEMSEN (Jan) vindt men vermeld bij Immerzeel, die tevens zegt, dat men dezen niet moet verwarren met een naamgenoot, die in Bouw- en Werktuigkundige voorstellingen naam heeft gemaakt, en, in 1800, woonde te Amsterdam. - Ik moet hier nog op laten volgen, dat hij als Bouw- en Werktuigkundige erkende verdiensten bezat, en dit te meer, daar hij als liefhebber, door eigen studie, zich tot de kennis dier vakken gevormd had. Met door hem uit Kurk vervaardigde bouwvallen, in den trant van roza, chichi en meyer, heeft hij uitgemunt. Daaronder is merkwaardig het Valkenhof, te Nymegen, als voortbrengsel van kunst op verschillende Tentoonstellingen bekroond. - Hij was de eerste in ons land, die eene Kaart van Gelderland, en een Idem van Beekhuizen, bij Arnhem, 1825, benevens eenige afbeeldingen van buitenplaatsen, als Sonsbeek, Rozendaal, Angerestein enzv., naar zijne teekeningen, zelf op steen geëist en daarvan afdrukken geleverd heeft. Ik moet doen opmerken, dat op de gemelde Kaarten, door den lettergraveur, bij vergissing, j. willemse geschreven is. - Hij heeft bij het Bouwkundig Genootschap te Arnhem, de eerste Gouden Medalje behaald. - In het maatschaplijk leven waa zijn werkkring groot. In zijne geboortestad, Amsterdam, werd hij, in 1805, tot Luitenant bij de gewapende burgermagt aangesteld, en trok, als Kapitein, te velde, terwijl hij, bij een eervol ontslag, tevens zijne benoeming ontving tot Burgemeester van Velp, Dieren en Rheden. In 1820 werd hij aangesteld tot Arrondissements-IJker, te Zutphen, als hebbende veel tot verbetering der inhouds- en lengte maten, balansen enz. toegebragt, welke betrekking hij tot aan zijn dood, in 1859, bekleedde, hebbende den ouderdom van 77 jaren bereikt. - De Heer jan willemsen was gehuwd met Mejufvrouw J. Monjee, en heeft twee zonen nagelaten. - Zijne kleine, doch nette Verzameling van kunst, vooral van gravuren en etsen, is op zijn oudsten zoon overgegaan, die tot 2 à 3000 stuks, grootendeels afkomstig van zijn schoonvader, wijlen den Heer A. van Eyndhoven, te Amsterdam, vermeerderd, en bij den Heer Quirinus Willemsen, op den Huize Delta, bij Zutphen, aanwezig is. - Zijn tweede zoon, Johannes Albertus Willemsen, is Boek- en Kunsthandelaar te Zutphen.

[p. 1868]

[Willemsen, (S.)]

WILLEMSEN, (S.) een kunstgraveur en, vermoedelijk, een tijdgenool van d. teniers, zooals de prent: De Verzoeking van den H. Antonius, s. willemsen sc. Abr. Teniers exc. in 4o., schijnt aan te duiden. Ook zag ik daarvan een exemplaar zonder adres.

[Willemsz. (Adriaen)]

WILLEMSZ. (Adriaen) vond ik als kunstenaar, te Utrecht, vermeld: ‘Nye borghers: adriaen willemsz. schilder.’ Kameraarsrekening, 1607-1608, bij Dodt, Archief, IV. deel.

[Willemsz. (Heynrick Corlinck)]

WILLEMSZ. (Heynrick Corlinck) Uit de volgende aanteekening leeren wij dien Glasschilder kennen, als in de eerste helft der XVI. eeuw, te Utrecht, werkzaam: ‘Dat voor ons quam etc. heynrick corlinck willemsz. die glaesscryver, ende Willemtgen, zyn wyff, belyden ende bekenden enz. voor hoer ende voor hoeren erffgenamen enz., aen handen der eerweerdigen heeren, heeren Thomas van Nyekercken, deken tsunte Johans ende choerbisschop t Utrecht, ende den houder 's brieffs by zynen blyckenden wille der segelen ende openen briefs, daer desen tegenwoordigen brieff’ enzv. Transportbrief, 1544, Donderdag, 27 November, in het Hypotheken-archief, te Utrecht.

[Willemsz., (Josephus)]

WILLEMSZ., (Josephus) een weinig bekend kunstenaar, van wien ik, op bl. 185 van den Catalogus van Van der Marck, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, de volgende boetseerwerken vond vermeld: ‘Drie stuks, zynde Melpomene, Thalia, en een zittende Verius, verzeld van Cupido, alle fraai en konstig geboetseerd.’

[Willemsz., (Kornelis)]

WILLEMSZ., (Kornelis) kunstschilder, te Haarlem, en eerste leermeester van marten heemskerk, die op het laatst der XV. en in het begin der XVI. eeuw heeft gebloeid. Hij had twee zonen, lucas en floris, die beiden redelijk-goede schilders zijn geweest, en Italië, vooral Rome en andere plaatsen bezocht hebben, zooals Van Mander ons berigt. - Nagler meent, dat, volgens Van Mander, de Portretschilder kornelis van Gouda, en onze willemsz., een-en-dezelfde persoon moet zijn. Doch willemsz. wordt als de meester, en kornelis van Gouda als de leerling van heemskerk door Van Mander opgegeven. Zie I; bl. 155 en 244.

[Willers, (A.C.)]

WILLERS, (A.C.) een onvermeld portretschilder, die bloeide in de tweede helft der XVII. eeuw. Ik zag van zijn werk het Portret van Antonius Hulsius, Professor, te Leyden, en van zijne huisvrouw, Maria Rumpliff, dijstukken, met handen, levensgrootte, als bedaagde lieden, door a.c. willers fe., en op dat der vrouw met 1687 beteekend. Daar Hulsius in 1669, op zijn 54. jaar, van Breda naar Leyden werd beroepen, en hij daar in 1685 is overleden, zoo kan, mijns inziens, de schilder daar ook wel tehuis behooren. Ze zijn in den trant van nicolaes maes geschilderd, fiks en goed geteekend, doch verw-achtig van kleur.

[Willigen. (Adriaan van der)]

WILLIGEN. (Adriaan van der) Deze zeer verdienstlijke vaderlander is, naar waarde, door Immerzeel vermeld; doch gaarne had ik daarbij aangewezen gezien de hooge waarde van het alom bekende Werk: Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst sedert de helft der XVIII. eeuw; 4 deelen, 1816-1840, grootendeels door hem bewerkt; want niemand beter dan Immerzeel, die, als zijn opvolger, de eerste is geweest, heeft het belangrijke er van kunnen beseffen. Ik moet hier dan bijvoegen, dat genoemd Werk, in geenen deele eene compilatie is uit andere auteurs getrokken, maar, in zijn geheel, genoegzaam oorspronklijke bijdragen voor de Geschiedenis der kunst bevat, hetgeen geen gemaklijke taak is geweest, en waartoe veel zelfstudie vereischt werd. Bovendien waren in zijn tijd de bronnen niet zoo vrij en toeganklijk als in de laatste 25 jaren het geval was, en waardoor zooveel historische feiten, tot verbetering der Kunstgeschiedenis, zijn aan het licht gebragt. Dat dichterlijke of geletterde pennen, die veelal eene soort-gelijke taak maar al te gemaklijk op zich nemen, doch daartoe ten eenen-

[p. 1869]

male ongeschikt zijn, en meestal compileren, zonder de geschiedenis en Werken der Beeldende Kunsten te kennen of kritisch te kunnen beoordeelen, ziet men uit hunne Werken voldingend bewezen. Onze bereisde en onafhauklijke schrijver, die met zijne andere tijdgenooten tot aan de levende kunstenaars, bij het sluiten van Van Gool's Werk, 1751, reikte, was juist de man, om het vervolg der Geschiedenis op te vatten, welke taak hij zoo gelukkig, tot eer en roem der Nederlanden, en tot een vereerend Gedenkteeken voor den naam van van der willigen, heeft volbragt. - Ik moet hier ook bijvoegen, dat bij zijne uitmuntende Verzameling van Hollandsche Dichtwerken en Tooneelspelen, bij testament, aan de Stads-Bibliotheek, te Haarlem, heeft vermaakt. Het overige gedeelte zijner Boekerij en aanzienlijke Verzameling, die vrij merkwaardige stukken bevatte, is nog in zijn geheel, namelijk, de Verzameling Schilderijen door oude en hedendaagsche meesters, Teekeningen en Prenten. Onder de schilderijen, door oude meesters, bevindt zich ene zeer oude, te weten; een Triptychon, waarschijnlijk gediend hebbende voor een Epitaaf, en naar het schijnt niet later dan uit de eerste helft der XV. eeuw, af komstig uit het geslacht van Oem van Wyngaerden. Zie verder hierover den Algemeene Konst- en Letterbode, 1839, Nr. 41, bl. 205. - Onder de Prenten komen zeer oude voor, als, door hans walter van assen, hieronymus en matthias cocq enz. - Maar tot de hoogste zeldzaamheden behoort de groote Verzameling van geteekende en gegraveerde Portretten van Kunstenaars, die, welligt, om de zeldzame exemplaren, éénig mag genoemd worden. Dit alles berust nog in hetzelfde huis, te Haarlem, by zijn erfgenaam, zijn neef, den Heer Med. Dr. Adriaan van der Willigen, Pieterszoon, wiens vader, jonger broeder van zijn oom, Predikant te Thiel was, terwijl hij diens oudste zoon is. Deze Heer blijft steeds met ijver volharden, om die Verzameling nog gedurig te vermeerderen, vooral die der Portretten van kunstenaars. Verder verdient mede vermelding de uitgebreide Verzameling Portretten van Genees-, Heel- en Natuurkundigen; zij is, na die van den Heer C.W.H. Kaathoven, Med. Dr. te Leyden, welligt, de grootste hier te lande, en door hem-zelven bijeengebragt. Een dienaangaande mij medegedeeld berigt behoort hier als eene historische teregtwijzing te volgen, namelijk: de Heer F. Muller zegt in de Voorrede tot zijne Beschrijving van den Catalogus van Portretten, blz. XXXVIII, dat de Heer A. van der Willigen, Ps. deze Verzameling gekocht had, op de Verkooping van Dr. C.H. à Roy, te Amsterdam; doch dit is niet zoo, want zijne Verzameling is door hem begonnen en wordt nog voortgezet. Thomas Joseph Pettigreu, part 13 van zijn Medical Portrait-Gallery (1838) zegt, dat de geheele Collectie van Dr. à Roy zich toen bevond bij Mr. Diamond. - Verder bevinden zich nog in zijne Verzameling, Portretten van Centenarissen en andere Curiosa, tot zijn vak behoorende, gelijk mede eenige oude schilderijen en fraaije exemplaren van Delftsch aardewerk. - De Heer A. van der Willigen, Ps. is gehuwd met Mejufvrouw Gertruida van Voorthuysen, van Amsterdam, bij wie hij drie dochters en twee zonen verwekte. De oudste zoon is thans (1863) 10 jaren oud.

[Williquin]

WILLIQUIN, schilder van Iperen, bij gelegenheid der bruiloft van Karel den Stoute, tijdens diens blijde inkomst te Brugge, in 1468, drie dagen werkzaam: ‘à raison de 10 Sols par jour.’ - Zie het Register van Les Ducs de Bourgogne etc. par le comte de Laborde; Paris, 1849, in 8o.

[Wils. (Jan) Zie Immerzeel, en bij mij op Viltz. (Jan)]

WILS. (Jan) Zie Immerzeel, en bij mij op VILTZ. (Jan)

[Wils. (Pieter)]

WILS. (Pieter) In de eerste, zeldzame uitgave van het Octroy van de Schermer, nitsgaders Cavel-Conditiën ende Caerte; Alkmaar, by Th. Psz. Baart, 1635, in 4o., is de kaart geteekend door Mr. pieter wils, landmeter.

[p. 1870]

[Wilschut. (Huig van Dorre) - Zie Dorre Wilschut. (Huig van)]

WILSCHUT. (Huig van Dorre) - Zie DORRE WILSCHUT. (Huig van)

[Wilt, of Wielt. (J.T.)]

WILT, of WIELT. (J.T.) Nagler zegt, dat deze, volgens Füssly, een teekenaar genoemd wordt, naar wien p. philippe 2 bladen, voorstellende Raadsvergaderingen, heeft gegraveerd. Hieronder, zegt hij, schijnt j. torenvliet te schuilen. - Ontwijfelbaar is dit het geval, want deze twee platen, in gr. fo., komen voor in de Fransche en Hollandsche uitgave van het Werk Verblyf van Carel II. in Holland, in mijn bezit. - Zie op TORENVLIET. (Jacob) Onder de eene staat j.t. dooreengeslingerd en vliet in.; en op de tweede idem, doch vielt in., - Hier heeft men wielt van gemaakt, door te t. aan vielt te hechten; zoodoende beging de lettergraveur hier weêr een grove fout.

[Wilt (F(erdinand?) van der)]

WILT (F(erdinand?) van der) wordt niet onder de leden der Delftsche familie van thomas van der wilt - Zie aldaar. - genoemd, en, daar hij een tijdgenoot van thomas was, en door niets bekend is, dan alleen door eenige prenten, met zijn naam beteekend, zoo rijst bij mij de vraag, of de t. en f. wel goed op zijne Werken zijn onderscheiden, en of het geen t moet zijn; andere auteurs, als Nagler deelden die onzekerheid, terwijl genoemde auteur zegt, dat L. de Laborde, f. van der wilt met th. van der wilt verwisseld heeft. - Dit is zeker het geval, dewijl deze zijn bron opgeeft, te weten, Brulliot, doch die noemt alleen thomas van der wilt als den bekenden schilder en graveur in mezzo-tinto. Basan en Zani hebben het eerst ferdinand van de f. gemaakt. De lettergraveurs hebben in zulke gevallen lastige verwarringen veroorzaakt. Op eene zwarte kunstprent, door j. brouwer fecit, 1688, in fo, staat f. van der wilt pinxit. De volgende zwarte kunstprent gaat op zijn naam uit: Ds. Josias van de Kapelle, oetatis 59, Ao. 1691, met het vers van L. van Beke, naar w. v.(aillant), zegt F. Muller, Catalogus van Portretten, onder Nr. 2847, door f.v.d. wilt, in fo. - Dit moet zijn naar willem verheul - Zie aldaar. - Deze prent is, waarschijnlijk, eene eenigzins verkleinde kopij, naar de gravure van joh. verkolje.

[Wilt (Thomas van der)]

WILT (Thomas van der) is reeds door Immerzeel vermeld; ik voeg er bij, dat zijne ouders waren Willem van der Wilt en Emmerentie Jansdr. van der Staf. Hij werd geboren in het dorp Piershil, in het land van Putten, 29 October, 1659. Zie Boitet, Beschryving van Delft, 1729, in fo., bl. 528 en 790. - Hij is gehuwd geweest met Johanna Biddaff. Men vindt alleen van een zoon willem - Zie aldaar. - doch van geen ferdinand melding gemaakt. Dat hij, in 1727, nog werkzaam was, blijkt uit Boitet, die zegt, dat hij toen een schoon, groot stuk, met Portretten van het Chirurgijns-gild, te Delft, voltooide, dat op de Ontleedkamer, aldaar, berustte, en, welligt, nog te Delft aanwezig zal zijn. Ik vond zijn overlijden, op 73jarigen leeftijd, in 1733, vermeld. Hij heeft ook historiële schilderijen vervaardigd. - Nagler noemt twee zwarte kunstprenten van hem; eene jonge naakte Dame, met een spiegel, die zich kapt; halve figuur, t. van der wilt fec. et excud. Ao. 1687, in fo. - Eene Vrouw, met een geldstuk in de regterhand, hetwelk zij bij het licht beschouwt; halve figuur; van onder staat de naam, wit op zwarten grond; in 4o. Nagler zegt, dat L. de Laborde (Hist. de la Gravure en manièrenoire p. 184) alleen zekeren f. van der wilt noemt, dien hij met thomas verwisselt, en wiens werken hij ook aan f. toeschrijft. - Zijn Portret, door hem-zelven, is door t.h. j(elgersma) in kleuren geteekend, in fo. Zie Catalogus van Portretten van F. Muller, Nr. 1603.

[Wilt, (Willem van der)]

WILT, (Willem van der) zoon van thomas van der wilt, en van Johanna Biddoff. Hij werd door zijn vader in de kunst onderwezen, waardoor hij teekenaar en schilder geworden is. De platen voor het Natuurkundig Werk van Leeuwenhoek, en voor het Penningkundig Werk van Gerard van Loon, zijn naar

[p. 1871]

zijne teekeningen gegraveerd. - Volgens zijne tijdgenooten, was hij zulk een teekenaar, ‘dat, 'er weinig zyn weêrgâ waren.’ - Hij is in den bloei van zijn leven, naauwlijks 36 jaren oud, -den 24. Januarij, 1727, overleden. Zie de bron op zijn vader thomas vermeld.

[Winckaert, (Jan Casyn)]

WINCKAERT, (Jan Casyn) kunstschilder en verlichter van den Hertog van Bourgondië, in 1474, in het St. Lucasgild, te Antwerpen; - voorts een beeldhouwer van dienzelfden naam, doch in 1456 ingeschreven. Zie het Register van de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc., Paris, 1849; Tom. I.

[Winden (H. van der)]

WINDEN (H. van der) een kunstgraveur, die, zegt Nagler, stadsgezigten naar j. de beyer zou hebben gegraveerd.

[Wingard, (Antonie)]

WINGARD, (Antonie) een landschapschilder, die, volgens Nagler, door Guicciardyn onder de bekwame Antwerpsche kunstenaars opgegeven is. - In mijn exemplaar komt hij niet voor.

[Wingen, (Joost en Jeremias van)]

WINGEN, (Joost en Jeremias van) staan beiden bij Immerzeel geboekt. Het opgegeven geboortejaar, 1544, te Brussel, volgens Van Mander, en zijn overlijden te Frankfort, in 1603, oud 61 jaar, strookt niet, en zal 1605 moeten zijn. - Van Mander zegt: ‘Hy liet een zoon na, die ook zyn leerling was, oud omtrent 18 jaren, en genaamd jeremias van wingen.’ - Bijgevolg, zou deze niet, zooals Immerzeel zegt, te Brussel, in 1578, maar in 1587 zijn geboren. Is zijn sterfjaar, te Frankfort, 1648, oud 70 jaren, goed door Sandrart opgegeven, dan moet zijn geboortetijd wêer op 1578 worden gebragt, en was hij, bij den dood zijns vaders, omtrent 27 jaren oud. Zeker blijkt het niet, wie van beide auteurs het meest gefaald heeft, en ik vraag, of 18 geen drukfout is, en 28 zijn moet? - Zijn Portret (s. frisius sc.?) in 4o., komt in de Portretverzameling van H. Hondius, bij Van Mander en Sandrart, voor.

[Wingendorp, (G.)]

WINGENDORP, (G.) een teekenaar en graveur van wien weinig vermeld is. Füssly heeft, mijns inziens, regt, om hem voor een Hollandsch kunstenaar te moeten houden, die, welligt, ook in Kopenhage is werkzaam geweest. - Hij heeft in ons land veel Boekprenten gemaakt, die goed gesneden zijn. De Titel en Prenten in het Werkje Beschryving van de Artillerie, door T.N. Brinck, Capn. van de Artillerie, ten dienste der Vereenigde Nederlanden; 's Gravenhage, by Gerrit Rammazeyn, 1681, in 8o., in mijn bezit, zijn g. wingendorp fe. en g.w. f. beteekend; Nr. 15 schijnt door hem te zijn geëtst. Hij heeft het Portret van den beroemden Deenschen Geneesheer Olaus Wormius, overleden 1654, oud 66 jaren, gegraveerd naar de schilderij van carel van mander (den Jonge), aldaar geschilderd, en dit heeft aanleiding gegeven tot de vraag, of hij niet in Denemarken te huis behoort. Doch dit Portret is zeker in ons land gegraveerd, want het komt voor in de Musei Wormiani Historia; Lugd. Bat., ex officina Elseviriana, 1655, in fo., en voert het jaartal, 1654, aet. 66. Het Titelblad is niet van j., zooals Nagler zegt, maar ook door g. wingendorp sculp. De beteekening met j heb ik nergens gezien. Verder is nog van zijn werk: de Titel voor Aur. Theod. Macrobii Opera cum Notis; Lugd. Bat., 1670, in 8o., en Dissertationes historicae et polilicae G. Hornii, Lugd. Bat., 1668, in 8o. en 12o., alleen met wingendorp fec. beteekend; dat stellig werk van g. is, blijkens een Idem voor het Werk C. Plinii Caecilii Secundi etc. Joh. Veenhusio; Brem., Lugd. Bat., et Roterod., 1669, in 8o., met g. wingendorp sculp. beteekend, als zijnde van dezelfde hand.

[Winkel. (P. van)]

WINKEL. (P. van) Van dezen plaatetser komen prenten voor in T. Schrevelius, Beschryving der Stad Haerlem; enz. Tweede druk, Ibid., 1754, II deelen, als: 't Huis te Brederode, ten deele nog in welstand, in 8o.-oblong, beteekend p.v. winkel fecit.

[p. 1872]

[Winkel, (Philip van den)]

WINKEL, (Philip van den) een kunstschilder, omstreeks 1450, te Brugge, werkzaam. Zijne werken, zegt Nagler, zijn verloren geraakt, of onder de menigte oude schilderijen onbekend geworden.

[Winshem. (Jacob van) Zie op Lochteren. (Henric van)]

WINSHEM. (Jacob van) - Zie op LOCHTEREN. (Henric van)

[Winter. (Abraham Hendrik.)]

WINTER. (Abraham Hendrik.) Immerzeel zegt, dat hij de kunst alleen als liefhebber beoefent. Dit zij verre; hij deed niets, dan voor geld, want het was zijn bestaan; hij gaf zelfs teekenles en was onderwijzer aan 's Rijks Veeartsenij-school, te Utrecht. Hij huwde met Mejufvrouw Van der Grind, die hem eenig fortuin aanbragt, doch dit was voor hem niet genoeg, want in 1860 verliet hij vrouw en kinderen, de boedel werd voor schuld verkocht en men vernam, dat hij, in 1861, overleden is. - Hij heeft 12 Paarden-studien, gr. in fo., gelithographieerd, bij Caramelli, te Utrecht, uitgegeven, en 24 etsen vervaardigd, met Paarden, Koeijen, Bokken, Schapen, Honden, Dierenkoppen enz., met zijn naam, of a.h.w., aan elkaêr gehecht, en 1820, 1822 enz. beteekend; in 4o. en 8o.

[Winter. (F.D.)]

WINTER. (F.D.) De naam van dezen stempelsnijder staat op eene Medalje, Willem III. Koning van Engeland; dus zou hij in de tweede helft der XVII. eeuw, waarschijnlijk, in Holland hebben gebloeid.

[Winter, of Wynter, (Hendrik)]

WINTER, of WYNTER, (Hendrik) een nog onvermeld kunstgraveur,-die, in het midden der XVII. eeuw, en, waarschijnlijk, aan antonie de winter - Zie aldaar. - verwant, te Utrecht bloeide. Daarvoor pleit zijn hoofdwerk, eene zeer groote prent, in 2 bladen, voorstellende Trajectum ad Rhenum triumphans, met alle mogelijke zinnebeelden, en afbeeldingen der Steden in de provincie Utrecht, alsmede honderden Wapens van Stichtenaars enz. Het geheel is ontworpen door Jonkhr. e. meyster inventor, te Utrecht, henr. winter sculp. - Gezigt in de Domkerk, te Utrecht, bij gelegenheid eener feestlijke Oratie, 1668; j. vennekool, del., h. winter sc., in fo. - Nog bezit ik de zeldzame prent, voorstellende De Huldiging van Johan Huydecoper, als Heer van Maarseveen, daar de Schout hem een Eerebeker aanbiedt enz.; vol figuren, ten voeten uit, in eene zaal van het Regthuis afgebeeld; hen. winter sculpsit, in fo. plano, benevens het Portret van Willem Ysbrantsz. Bontekoe, in ovaal; hen. wynter sculp., in 4o.

[Winter, (Adriaan de)]

WINTER, (Adriaan de) een teekenaar en graveur, omstreeks 1675-1700 werkzaam. Er zijn Kaarten, Titelbladen en andere onderwerpen van hem bekend, doch meest zonder naam. - Nagler noemt, volgens Füssly, de volgende werken: De nieuwe Hollandsche Scheepsbouw; Amsterdam, by Joh. van Keulen, 1680, in 4o. - Les Délices de la Hollande; Amst., 1685, in 12o. - G. Leti, Theatro Belgico, Amst., 1690, in fo. - Die Reisen des A. Olearius, met 2 geschiedkundige voorstellingen, naar rundt gegraveerd, Hamburg, 1696, in fo. - Menschelyke bedryven, bestaande in Regering, Kunsten en Ambachten, in 100 figuren, door a.j. 1695. - Gefloroneerde en dooreengeslingerde Naamletteren of Cijfers, 13 bl. kl. in fo. - Verscheiden Italiaansche en Fransche lofwerken, 12 bl. - Ook het Portret van Fred. Swetgius wordt aan hem toegekend; verder eene reeks van 6 Landschappen, met figuren, waarvan er 4 de Vier Jaargetijden genoemd worden; beteekend a. winter en h. saftleven. - Daar van deze laatste alleen de beteekening a. winter opgegeven wordt, zoo vraag ik, of al de genoemde prenten niet veeleer aan antonie winter - Zie aldaar. - moeten worden toegekend?

[Winter, of enkel Winter. (Antonie de)]

WINTER, of enkel WINTER. (Antonie de) Mijne vraag is, of deze onvermelde kunstgraveur niet een-en-dezelfde persoon is ais de voorgaande? immers, kan dit wel het geval zijn, want ik bezit van ant. winter de Nieuwe Plattegrond-kaart van Utrecht op zijn schoonst en sterkst, gelijk die uit het brein van Jonkhr. e. meyster, te Utrecht, is gevloeid, te vinden in zijne Gerymde Bedenkingen, of

[p. 1873]

ontwerp om Utrecht op zyn schoonst en sterrikst te vergrooten enz. T' Uytrecht, 1670, in 4o. - De prent, benevens het Portret van genoemden Auteur, in de Gekroonde berymde Policy enz., Ibid., 1668, houd ik mede voor werk van onzen antonie. - Verder vond ik, dat de prenten in De Vermakelyke Avonturier enz.' 1695, en de Afbeelding der Graftombe van Joseph van Gend, in de Domkerk, te Utrecht, voorkomende in Bizot, Medalische Historie van Holland enz.; Amsterdam, 1690, in 4o., beteekend zijn a. de winter fecit. Uit een en ander besluit ik, dat hij te Utrecht te huis behoorde, en welligt een zoon was van, of stellig vermaagschapt aan hendrik winter, - Zie aldaar. - wiens graveerwijze zooveel overeenkumst met die van antonie heeft.

[Winter. (Jellis de)]

WINTER. (Jellis de) Immerzeel zegt, zonder eenige tijdsbepaling, dat hij, 70 jaren oud, overleden is. - Nagler zegt, geboren te Leeuwarden, 1650, en overleden te Amsterdam, 1720.

[Winter (Morisses)]

WINTER (Morisses) werd, in 1450, als schilder in de Broederschap van St. Lucas, te Brugge aangenomen. Meer, zegt Nagler, is er van hem niet bekend.

[Winteroy. (N. van)]

WINTEROY. (N. van) Van dezen schilder, uit Tilburg, was, in 1825, op de Tentoonstulling, te Haarlem, De Onthoofding van Joannes den Dooper.

[Wissinck, (Henric van)]

WISSINCK, (Henric van) schilder van Leuven, die voor de blijde inkomst van Karel den Stoute, in 1468, zes dagen werkzaam was, tegen 7 stuivers daags. Hij vestigde zich vervolgens te Brugge, want ik vond hem in de Broederschap van St. Lucas, aldaar, van 1470-1480, vermeld, zegt de Laborde, in het Register op zijn Ducs de Bourgogne etc., Paris, 1849; Tom. I.

[Wissing (Willem)]

WISSING (Willem) is, naar waarde, door Immerzeel geboekt. Ik moet er echter eene teregtwijzing bijvoegen, namelijk, dat hij niet op het Landhuis van den Graaf van Essex, buiten Londen, maar, den 10. Februarij, 1687, op de Baronie Burleigh van den Graaf van Exeter, - in het Graafschap Northamton, ruim 22 uren van Londen gelegen, - overleden is. -Zijn Portret, se ipse p., is door j. smith sc., in zwarte kunst, in fo.; waaronder: guilielmus wissingus, inter pictores sui saeculi celeberrimos, nulli secundus, artis suae non exiguum decus et ornamentum. Immodicis brevis est aetas. Dat is: Ongemeene vernuften leven niet lang. - Een Idem komt bij Walpole voor.

[Wit, (Franciscus de)]

WIT, (Franciscus de) was een historieschilder, van Gent, zegt Houbraken, II, bl. 348, doch werd meest Apollo genoemd, omdat hij ook dichter was, maar in beide kunstvakken slecht. In de Roomsche Schilderbent verkreeg hij den naam van Febus.

[Wit, (Frederik de)]

WIT, (Frederik de) ook widt en witt genoemd, was een kunstgraveur en handelaar, te Amsterdam. Er hebben drie kunstenaars van dien naam bestaan. De oudste rigtte in 1648 eene werkplaats op, en verspreidde in het bijzonder Landkaarten, welke hij zelf teekende, en, met de Wapens der Landen versierd, drukken deed. In 1698, droeg hij de zaak aan zijn zoon over, die als een grondig Mathematicus zijne kaarten naauwkeurig herzag, en ze daardoor grooten aftrek deed krijgen. Het aantal Land- en Zeekaarten, door deze beide de wit'ten uitgegeven, blijkt, uit een Catalogus van hun Magazijn, van 1706, over de 400 stuks te beloopen, en is tot aan den dood van den zoon nog steeds vermeerderd. In genoemd jaar deed de zoon van den laatste, bereids deelhebber in de zaak, haar aan C. Mortier en J. Covens over. Zie Nagler.

[Wit (Izaak de)]

WIT (Izaak de) Jansz. staat bij Immerzeel vermeld. - Zijn Portret is door j. visser bender delin. et sculp., ovaal, kl. in 8o.

[Wit, (Jacob de)]

WIT, (Jacob de) de rubens van zijn tijd genoemd, is, naar waarde, door Immerzeel te boek gesteld. Ik kan er nog eenige historische bijzonderheden aan toe-

[p. 1874]

voegen. De hoofdreden, waarom jacob, tot verdere voortzetting van het historiële vak, bij voorkeur naar Antwerpen ging, was, omdat hij daar een Oom had, Sieur Jacomo de Wit, zijnde een rijke wijnkooper, die tevens als kunstliefhebber een groot schilderijenkabinet van de voornaamste meesters bezat, dat, volgens den Catalogus, 218 stuks bevatte, en later, 15 Mei, 1741, aldaar werd verkocht. Hij was 15 jaren oud, toen hij in het St. Lucasgild, te Antwerpen, werd ingeschreven: ‘jacob de wit, ontfangen by jacob van hal, 1710, werd meester 1714.’ - Er is welligt geen kunstenaar geweest, die meer dan hij zich duur betalen liet, en daardoor een groot vermogen heeft nagelaten. Hij beleefde den tijd, dat alles door de Onschuld, (Kindertjes) zinnebeeldig moest worden voorgesteld, en zijn talent in dat vak mogt toen éénig genoemd worden. Hij was de man van de heerschende mode, en deze ging zóóver, dat men de binnenkamers liet verbouwen, om vakken en zolderingen door zijne hand te doen versieren. Een vriend van hem, zoo het heette, had ook een paneel voor een schoorsteenstuk voor eene kamer, op zijn buitenplaats Ouderhoek, bij Nieuwersluis, aan de Vecht, gelegen, doen maken, en verzocht de wit, om eenige dagen aldaar vriendschaplijk te komen doorbrengen, als wanneer hij dan tevens, nu en dan, het paneel beschilderen kon. de wit nam dit aan en volbragt alles naar wensch. Vóór het afscheid, zei de gastheer: ‘Vriend de wit, nu moet gij mij eens zeggen, wat ik u daarvoor schuldig ben,’ en de wit antwoordde: ‘zes honderd guldens.’ ‘Maar, vriend, gij hebt dit hier als gast, en in nog geen zes dagen, geschilderd.’ - de wit zeide hierop: ‘Ik heb er 22 jaren aan gewerkt.’ - Nog zoo'n staaltje. Een kunstliefhebber, te Amsterdam, kocht van hem twee teekeningen. Ze te huis nog eens met genoegen beschouwende, bemerkte de kooper, dat de wit vergeten had, zijn naam er op te zetten. Na eenige dagen, komt de wit voorbij zijn woonhuis; hij roept hem in, met verzoek, het verzuim op de teekeningen te willen herstellen. de wit doet dit dadelijk, doch eischt daarvoor twee ducaten! Beide deze voorvallen zijn mij, in mijne jeugd, te Amsterdam, verhaald, door een zeer oud kunstliefhebber, die, in zijne jeugd, de wit had gekend. - Bij Wagenaar, Beschryving van Amsterdam, in fo., II, bl. 22, lees ik, dat de versieringen der Raadkamer van het Stadhuis (thans Paleis) aldaar door jacob de wit, in 1736-1738, aangebragt zijn, en ƒ13,275,50 hebben gekost. Hieronder is de Verkiezing der Zeventig Oudsten, br. 45 vt., h. 19½ vt. Amst. - Wat de Jezuïten-kerk, te Antwerpen, betreft, deze schijnt de hoofdbron zijner studie te zijn geweest. Ik vind daaromtrent het volgende vermeld. In de Bourgondische Bibliotheek, te Brussel, berust een Handschrift, onder den titel van: Anecdotes pittoresques, ou nouvelle Description des Eglises etc. d'Anvers, ainsi que des Monumens de Peinture, de Sculpture et d'Architecture qu'on y trouve encore, le tout examiné sur les lieux et remis dans un meilleur ordre, in fo., 155 blz. Dit Ms., is afkomstig van François Jean Joseph Mols, zoon van den Raadsheer François Mols (door mij meermalen aangehaald), en werd in 1775 behoorlijk in orde gebragt, naar de onuitgegeven beschrijving, die, omstreeks 1748, in het Vlaamsch is opgesteld door jacob de wit, oorspronklijk van Antwerpen, doch geboren te Amsterdam, en aldaar, in 1755, overleden. Zie De la Peinture sur verre aux Pays-Bas etc., par le Baron De Reiffenberg; Bruxelles, 1832, in 4o., bl. 28, waar men tevens vindt vermeld, dat in den Catalogus van J.B. Verdussen, wiens boeken in 1776 zijn verkocht, op bl. 336, Nr. 14, twee Mss., in 4o., onder bovenstaanden titel voorkomen. Alzoo heeft de wit, te midden der studiën, ook zijn tusschentijd nuttig besteed. Doch als dit Ms. in 1748 door hem is opgesteld, dan heeft hij het, te Amsterdam, uit zijne vroegere, te Antwerpen gemaakte

[p. 1875]

aanteekeningen in orde gebragt.- Na de verwoesting der Jezuïten-kerk, bij den brand van 18 Julij, 1718, kregen de door hem, in 1711 en 1712, gemaakte teekeningen met krijt, naar 36 plafondstukken, door rubens geschilderd, eene bijzondere waarde, en werden naar overdrukken, waardoor de prenten juist als de schilderijen zijn, door jan punt, - Zie aldaar. - van 1747-1763, gegraveerd. In de Voorrede van dat Werk wordt beloofd dat er nog 3 ontbrekende later zullen volgen; ik heb ze echter niet in mijn exemplaar, en geloof ook niet, dat ze verschenen zijn. Ziehier den titel: De Plafonds of Gallery-stukken uit de Kerk der P.P. Jesuiten, te Antwerpen, geschilderd door p.p. rubens, geteekend door j. de wit, en op koper gebragt door jan punt. Amsterdam, 1751, in fo. oblong, met Frontespice en 36 gr. pl. Mijn exemplaar heeft eene even groote Titelprent, als de andere platen, met het Portret van rubens, en Kindertjes, die zijn Monument onthullen enz.; j. de wit inv. et del. j. punt fecit, 1763. Deze prent is dus twaalf jaren later dan de voorgaande titel verschenen. - Ik moet hier nog bijvoegen, dat er reeds vroeger eenige afbeeldingen dezer Zolderstukken door preisler zijn geteekend en geëtst, en onder dezen titel uitgegeven: (p.p. rubens et ant. van dyck). Quae olim in R.R.P.P. Soc. Jesu Antverpiensium Templo fuerunt etc.; excusae a jo. just. preislero. Norimbergae, apud G. Mart. Preislerum, 1735, in 4o., 18 stuks. Ik vond ook exemplaren met 20 stuks vermeld. ‘Deze Plafonds in de gewezen Jesuiten-kerk, te Antwerpen - zegt Mols, Ms., - zijn by accoord aan rubens aanbesteed voor ƒ7000, en onder die voorwaarde, dat rubens de schetsen zelf moest schilderen, en by het vervaardigen van de groote stukken eenige van zyne beste discipelen mogt gebruiken aan dat werk.’ - de wit heeft ook fraai geëtst. Nagler noemt 10 stuks naar deze Zolderstukken, doch dit zullen de omtrekken in etsdruk zijn, zoo als op twee der gravuren van punt staat vermeld: j. de wit delineavit aq. forti. - Verder nog de H. Gregorius, met andere Heiligen, naar rubens; j.d. wit, in fo. - De Madona, met het Kind; buste; j. de wit fec., in 4o. - Drie Geniussen, bij eene pyramide; j. de wit inv. et fec., in fo. - Een groep Kinderen, zinnebeeldige beteekenis; idem fec., in 8o. - Amor, onder een boom rustende, waaraan eene draperie bevestigd is; j.d. (de wit) fec.; h. 3 dm. 9 str., br. 4 dm. 9 str. Par. - Vier stuks (vroeger op één blad gedrukt) spelende kindertjes, de vier Jaargetijden voorstellende; j. de wit fec. et exc.; in fo, oblong. Latere drukken met het adres van F. Fouquet en Basan. - Twee bladen met zwevende Genietjes; vier op één blad, naar Zolder-stukken; idem, idem, in fo. Latere drukken met laatstgemeld adres. - Ik bezit nog de Vier Jaargetijden, door 4 Kindertjes voorgesteld; links een vaas enz. j. de wit fecit; h. 134 str., br. 187 str. Ned. - Zijn Portret, zittende voor zijn schilders-ezel, enz., j.m. quinckhard pinx., was bij Van der Marck, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1773, Nr. 480 van den Catalogus, en onder Nr. 1792 en 1793 der Teekeningen, een Idem, door idem, 1751, del., waarnaar de prent, door j. houbraken sculp., voor het Werk van Van Gool. - Hetzelfde bij Descamps. - Ik bezit nog een fraai, met zwart krijt geteekend Idem, gr. in 4o., waarop staat: ‘jacob de wit, Historieschilder van Amsterdam, Aetatis 26.’ Een schoon jongman.

[Witdoeck, of Witdouc. (Jan, of Hans)]

WITDOECK, of WITDOUC. (Jan, of Hans) Bij het Artikel van Immerzeel kan ik nog voegen, dat hij den 24. Junij, 1642, in de St. Andrieskerk, te Antwerpen in den echt is getreden met Catharina Gommaerts, dochter van Jacob en van Barbara de Prins. Zie de Eendragt, van Gent, 1860, Nr. 13. - Zijn naam is somtijds door de lettergraveurs anders geschreven, zoo als ik de Buste van een Romeinsch Keizer bezit, klein leven, beteekend rubens del., withouck sculp., 1623.

[p. 1876]

[Witevelde, Wittevelde of Wytevelde, (Cleerbaut van)]

WITEVELDE, WITTEVELDE of WYTEVELDE, (Cleerbaut van) vond ik als ‘vry schildere binnen de stede van Ghent,’ in het midden der XV. eeuw, vermeld. Hij werd in vele gevallen geroepen, om de oude Kerkschilderijen en andere versieringen, vóór het gebruik der olieverw geschilderd, met olieverw op te werken, (daar de schitterende kleuren dezer nieuwe kunst de bewondering der volkeren wegdroegen), en dit wel op zulke voorwaarden, - door de Kerkmeesters zeer streng bedongen, - dat hij voor de deugdelijkheid van zijn werk 20 jaren lang borg stellen moest; onder die borgen was pieter van wytevelde, zijn broeder, en bauduin van wytevelde - Zie aldaar. - Oom van cleerbaut. De acte van 25 September, 1456, en 28 April, 1460, is te vinden in de Registres écheveaux de Gand. Zie Messager des Sciences historiques etc.; Gand, 1859, bl. 178 en 251, waar tevens, bl. 203, blijkt, dat zijne finantiën schraal waren, zoodat de Deken van St. Lucas, te Gent, hem tot betaling van zijne achterstallige schulden, den 17. December, 1454, in regten heeft geroepen, zijnde ‘de somme van IIIJ lib. VIIJ s. gr., over de reste van den coope van den vors. ambochte, ende bovendien eene zilverine scale van een trooyscher marc, gheamelgiert met wapene van den vors. ambochte, alsoo 't costume es’ enz. Hieruit blijkt, dat ieder, die lid van dit Gild werd, behalve het vaste Gildegeld, een blijvend geschenk geven moest. Zoo hebben de leden bij feesten enz. uit zilveren St. Lucasschalen gedronken.

[Witevelde. (Bauduin) Zie op Wytevelde. (Bauduin van)]

WITEVELDE. (Bauduin) Zie op WYTEVELDE. (Bauduin van)

[With. (Artus de)]

WITH. (Artus de) Dezen beeldhouwer van Amsterdam vond ik vermeld als den vervaardiger van de marmeren Graftombe voor den Vice-admiraal Abraham van der Hulst, in 1666, in een Zeeslag tegen de Engelschen gesneuveld, en die in de Oudekerk, te Amsterdam, werd opgerigt. - Zie De Navorscher, IX, bl. 234.

[Withouck. (Jan) Zie Witdoeck. (Jan)]

WITHOUCK. (Jan) - Zie WITDOECK. (Jan)

[Witmont, (H.)]

WITMONT, (H.) een tot hiertoe onvermeld meester, die met het penseel op witte paneelen, zeer uitvoerig, Zeeën, met Schepen, bij wijze van teekeningen met de pen, vervaardigd heeft. - Ik zag van zijn fraai werk twee stuks Zeeslagen, tusschen de Engelsche en Hollandsche Vloot; beteekend h. witmont, 1665; h. 80 dm., br. 1 el 10 dm. Nederl.

[Witsen, (Jonas)]

WITSEN, (Jonas) zoon van Jonas Jonasz. Witsen, werd uit dat vermaarde geslacht, den 6. Augustus, 1705, te Amsterdam, geboren, en bekleedde vele aanzienlijke betrekkingen, waaronder ook, in 1765, het Burgemeesterschap. Hij erfde de beroemde Kunstverzameling van zijn vader, was een groot kenner der teekenkunst, en de voornaamste hersteller van de vervallen Teekenschool, te Amsterdam, welke hij de eer aandeed, om er in genoemd jaar, het Opperbestuur over te aanvaarden. In den aangehaalden Catalogus, op nicolaas witsen, Jonaszoon, - Zie aldaar. - komt voor: Een Landschap, met drie hengelaars, aan een water, door j. witsen Junior. Ik heb uit deze voorletter opgemaakt, dat dit ongetwijfeld jonas moet beduiden, dewijl in de Geslachtlijst der Witsen's geen j. voorkomt, als alleen de zoon van jonas, die Junior schrijven kon.

[Witsen, (Nicolaas)]

WITSEN, (Nicolaas) Cornelisz. wordt door Immerzeel alleen als Plaatsnijder genoemd, en verder heeft hij niet aan den beroemden man van dien naam gedacht. In den Catalogus van Leyden van Vlaardingen, 1811, bl. 158, komt voor: ‘Een Doodshoofd, staande op eene Grafzerk, n. witsen 1659, - en, twee stuks Winteren een Zomergezigt; bij boerendorpen, eenige visschers in een schuitje, geëtst door denzelven, en 2 Opdragttitels, 6 stuks, op 6 bladen.’ - Dit is, waarschijnlijk, werk van een liefhebber, want waarom zijn die prenten anders zoo zeldzaam? - Maar wie is nu deze n. witsen? Algemeen wordt er de beroemde Staatsman

[p. 1877]

nicolaas witsen, Corneliszoon, zoon van Mr. Cornelis (Jansz.) Witsen en van Catharina Opsy, of Opsie, geboren te Amsterdam, 1641, voor gehouden, en alsdan zou hij de genoemde prentjes op 18jarigen leeftijd vervaardigd hebben. Dit is aanneemlijk, want hij was een toonbeeld voor kunst en wetenschap, en zal in zijne jeugd, voor uitspanning, deze proeven hebben gemaakt. Ook is de etskunst verder in zijn geslacht beoefend, blijkens het werk van zijn naamgenoot, die volgt. Hij huwde, den 27. December, 1674, met Catharina Hochepied, bij wie hij een zoon, Cornelis, en twee dochters, doch volgens anderen vier kinderen verwekte, en is, den 10. Augustus, 1717, overleden. In de kerk te Egmond aan den Hoef, is een marmeren Gedenkteeken te zijner eere geplaatst. Zijne Afbeelding, met wapen en zinspreuk, Labor omnia vincit, is tweemaal in stempelslag gebragt. Zie Van Loon, Ned. Historiepenningen, III, bl. 470. Zijn wapen is: parti 1.: veld rood, met een halve zilveren Lelie; 2.: veld azuur, met een zilveren kruis. Helmteeken, twee uitgespreide Vleugels. - Zijn Portret is door een ongenoemde op 36, een Idem door m. van musscher op 47, en een Idem door p. schenck op 60jarigen leeftijd geschilderd en in prent gebragt door j.v. munnickhuysen (?) j. houbraken en gemelden schenck. - Een Idem, Buste op een trophée, a. schoonebeek s., in 8o., Titelprent. - Men leze vooral de geschiedkundige bijdrage over dezen grooten man van Mr. J.T. Bodel Nijenhuis, Verspreide bijzonderheden over Mr. Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, geplaatst in Nijhoff's Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis enz. X. deel, Arnhem, 1856. Moeijelijk zal men in de geschiedenis een tweeden witsen vinden, die zoo in alle opzigten een groot man mag worden genoemd.

[Witsen, (Nicolaas)]

WITSEN, (Nicolaas) Jonaszoon. Ik kan hier als eene bijzonderheid mededeelen, dat in den Catalogus van Mr. J. van Buuren, Bailluw van Noordwykerhout enz., te Leyden, verkocht te 's Hage, 1808, bl. 218, voorkomt: ‘Een extra raar geëtst Werkje door den Hr. n. witsen, zoon van den Burgemeester Witsen, 20 stuks compleet, zijnde Geschiedenissen uit 't 1ste. boek van de Metamorphosis van Ovidius.’ Toen deze aanteekening door den aanzienlijken Verzamelaar werd geschreven, was die zoon welligt nog in leven, zoodat hier aan geen vergissing te denken valt, en hij geen zoon van den beroemden nicolaas witsen Cornelisz. kan zijn, dewijl deze maar één zoon, Cornelis, heeft nagelaten, en vóór hem vind ik geen nicolaas in de geslachtlijst vermeld; maar wel later een nicolaas witsen Jonaszoon, die, in 1707, te Amsterdam, geboren werd, wiens vader, jonas, - Zie aldaar. - Burgemeester was, en die mede de etskunst zal hebben beoefend.

[Witte (Cornelius de)]

WITTE (Cornelius de) ‘was een broeder van pieter de witte, ook peter candido genoemd, zoo ik meen, (zegt Van Mander) cornelis geheeten, die, in 1573, tot de Lyfwacht van den Hertog van Florence behoorde, en, toen ik er my bevond, aanving, Landschappen te schilderen, waarin hy, hoewel spade begonnen, al goede vorderingen gemaakt heeft.’

[Witte, (Gaspar de)]

WITTE, (Gaspar de) een zeer vermaard Landschapschilder, die door Fiorillo voor een broeder van pieter de witte gehouden werd, is, in 1620, te Antwerpen, geboren. - Dit kan wel zijn, en hij dus een zoon van pieter de witte - Zie aldaar. - wezen. Ik vond in het St. Lucasgild, te Antwerpen, ingeschreven: ‘jaspar de witte, meesterszoone, schilder, ontfangen 1650. - Sterf 1681.’ - Dus is hij als schilder ontvangen, nadat hij zich in Italië, naar claude lorrain, in het schilderen van Landschappen met ruïnen, waarin hij uitmuntte, gevormd had. Dat hij, in 1657, te Antwerpen woonde, is mij gebleken uit de Lijst der Sodales, van de H. Maagd, waarop hij onder de Consuleurs dier Broederschap voorkomt. Zie Het Leven van de H. Rosalia enz. (door P. Adr. Poorters, Antwerpen, 1657,)

[p. 1878]

in 8o. - De Bie heeft een gedicht tot lof zijner kunst gemaakt, waarbij zijn Portret; a. goebou pinx.; rich. collin sculp., 1662, in 4o. Daar onder staat bepaald, dat hij te Antwerpen geboren is.

[Witte. (Jan de)]

WITTE. (Jan de) Deze en nicolaes van orley waren voorname kunstschilders, te Brussel, die op de lijst der bannelingen, met verbeurdverklaring van goederen, tijdens het schrikbewind van den Hertog van Alva, werden gevonden. Zij verlieten die stad, op het einde van 1566, en werden door Hertog Christophorus van Wurtemberg uitgenoodigd, de laatste hand te leggen aan zijn bijna voltooid Paleis Stoutgard, waar zij, twee jaren lang, tot aan den dood des Hertogs, de plafonds beschilderden en patronen vervaardigden voor de tapijten, die de zalen moesten versieren. Van een en ander is niets meer te vinden, want het oude Paleis werd tot een nieuw verbouwd. Voorts hebben zij Wurtemberg verlaten, en bevonden zich in 1569 te Keulen; terwijl het schijnt, dat van orley zich daar niet veilig achtte en, verder op ging. de witte, met het penseel in de hand, toonde, dat hij geen beeldstormer, maar voor de kerken aldaar werkzaam was. Hij bragt het zoover, dat hij lid van het Schildersgild en burger werd, en is daar vervolgens gehuwd. Zijn nageslacht is te Keulen gebleven. Zie Messager des Sciences historiques etc., Gand, 1862, p. 283.

[Witte. (Lieven de) Zie op Anversa. (Hugo da)]

WITTE. (Lieven de) - Zie op ANVERSA. (Hugo da)

[Witte, (Pieter de)]

WITTE, (Pieter de) de Oude, ook pieter candido genaamd. Deze beroemde historieschilder is reeds door Immerzeel vermeld. - Ik voeg er nog bij, dat hij een zoon, willem, geboren te Munchen, 1585, heeft nagelaten, die den titel van Hofschilder van den Keurvorst verwierf. Dat candido in dienst trad van den Keurvorst van Beijeren, is bekend, doch minder, dat hij voor dien Vorst de volgende werken heeft geschilderd, weshalve ik hier zal mededeelen, wat door den Geschiedschrijver Mannlich, deel I, bl. 467, wordt gemeld, en door Fiorillo, in eene Noot op peter de witte, is overgenomen, namelijk, dat men het mag betreuren, dat de 1500 schreden lange Galerij in den Hoftuin, door 85 open bogen verlicht, en geheel met oorspronklijk schilderwerk van pieper candits vinding en uitvoering versierd, tegenwoordig wit overpleisterd is. De daaronder sedert vele jaren verteerde schilderijen stelden de heldendaden voor van den grooten Otto von Wittelsbach, en het vertrek van Keizer Lodewijk IV., ten jare 1327, naar Rome, om daar de Keizerskroon te ontvangen enz. - De Tapijten (Gobelins), die door uit Holland ontboden werklieden naar deze schilderijen vervaardigd, en later door carl gustav ambling in het koper gebragt zijn, hebben dit groote werk voor eene geheele vergetelheid bewaard. De genoemde graveur carl qustav ab ambling, geboren te Neuremberg, 1651, is, in 1702, te Munchen, overleden. Of de Tapijten, een Hollandsch produkt, nog worden bewaard, is mij nergens gebleken. - Zijne schilderijen komen weinig voor. Het eenige, wat ik in openbare Galerijen heb gezien, was te Berlijn, een Kabinetstukje, Maria-Boodschap door den Engel, in een hemelglorie voorgesteld enz. Dit behoort, zeker, tot zijne goede werken, als zijnde goed geteekend, vol uitdrukking en aangenaam van kleur. In de kapel van Altenötting, in de Lieve-Vrouwe-kerk, te Munchen, berust, boven de Tombe van Arsatie, eene schilderij van pieter candit voorstellende verscheiden Heiligen, zoo mannen als vrouwen; voorts in de Kerk der Recolletten, eene St. Ursula, met eene menigte Maagden, door denzelfden. Zie bl. 42 en 58 van het Abrégé de tout ce qu'il y a de remarquable à voir à Munich, etc. par l'abbé Bermiller; Munich, 1789, in 8o.

[Witte, (Pieter de)]

WITTE, (Pieter de) een andere dan de bovenstaande van dien naam, en ook peter candido genoemd. Hij was een kunstschilder van Antwerpen, en bloeide

[p. 1879]

in de eerste helft der XVII. eeuw. In de Archiven van het Onze-Lieve-Vrouwegasthuis, te Audenaerde, vindt men, in de Rekeningen, op het jaar 1636, vermeld, dat, hij elf stuks schilderijen voor de kapel aldaar vervaardigd heeft. - ‘Item an pieter de witte, schildere tot Antwerpen, van elf stucken schilderye, IIIJcXLIIJ lib. 1637. - Item voor een stuck schilderye, wesende de Aultaere-tafele, IIIJc IIIJxx lib. Par. Zie over dit berigt de aangehaalde bron aan het slot van het Artikel DELEHAYE. (Pierard) - Het zal deze pieter zijn, dien ik in het St. Lucasgild, te Antwerpen, vond ingeschreven: peeter de witte, schilder, ontfangen by peeter verhulst, 1597. Meester, 1610; sterf 1652.’ - Hier vraagt Mols, Ms.: ‘daar peeter de witte (zoon van peeter), ontfangen als Meester 1646, stierf 1652, of dit doodjaar voor den vader of voor den zoon gelden moet?’ - Ik geloof, dat men deze pieter's voor zoon en kleinzoon van de eerste pieter de witte, ook candido genoemd, zal moeten houden.

[Witte, (Pieter de)]

WITTE, (Pieter de) genaamd petrus albus, zegt Nagler, werd, in 1620, te Antwerpen, of Amsterdam, geboren, en heeft in Italië zijne studie naar claude lorrain gevolgd. Hij behoort tot de geestigste kunstenaars van zijn tijd, even als zijn broeder gaspar, die op gelijke wijze Landschappen schilderde. Deze pieter, zegt Nagler, moet van een ouderen pieter onderscheiden worden, die ook Landschappen, met voorvallen uit het volksleven, schilderde, gelijk Descamps berigt, ‘doch is welligt met p. de witte, ook candido genaamd, een-en-dezelfde persoon?’ - Gewis niet, want dien hij albus noemt, zal de zoon zijn van den door mij vermelden pieter de witte, - Zie aldaar. - en deze is een ander, dan de genoemde candido. - Immerzeel noemt pieter, verkeerdelijk, de wit. Hij is te Rome overleden, en in de kerk van Santa Cruce begraven.

[Wittebroot, (Martin)]

WITTEBROOT, (Martin) beeldhouwer van Brugge, was in de tweede helft der XVI. eeuw, te Audenaerde, werkzaam. In de Archiven van het O.L. Vrouwegasthuis, aldaar, vindt men in de Rekeningen van 1568, dat hij eene overeenkomst en aanneming heeft aangegaan, tot het maken en leveren van een Tabernakel en een Portaal, voor 488 Livres Par. ‘Item ghecoopmanscipt met M. martin wittebroot, beeldsnyder van Brugghe, den Sacramentshuis te leveren, ghemaect in de Capelle van dese Hospitaele van ziecke; materialen, stoffen, in zulcker wyse naer d'uytgheven ende bewys van den patroon, hem dies ghelevert, ter somme IIIc XLVIIJ lib. Par. Item ghecoopmanscipt een Portael, om in de salette, ter somme van C. lib. ende XL sch. Par.’ - Er wordt bij gemeld, dat de modelteekeningen daarvoor door frans floris vervaardigd zijn. - Zie over dit berigt de aangehaalde bron aan het slot van het Artikel DELEHAYE, (Pierard) en HOEN. (Jacop)

[Witte (Gaspar van)]

WITTE (Gaspar van) is reeds, naar waarde, door Immerzeel vermeld, zooals ik hem dat, gelijk ook met betrekking tot zijn zoon, lodewyk, heb medegedeeld. Later heb ik de oorzaak der naamsverandering in dien van vanvitelli gevonden, en zulks op gaspar van kalf - Zie aldaar. - opgegeven. In Italië werd hij ook vanvitel degli occhiali genoemd, dat is, met de Bril, die, waarschijnlijk, door zijn miniatuurwerken, een behoefte voor zijne oogen was geworden en destijds zeer zelden voorkwam. - Zijn Roomsche bentnaam was Pictoors. - Hij beteekende zijne stukken ook wel met g.v.w. Zijne werken zijn in ons land hoogst zeldzaam, en ik ben in de gelegenheid gesteld, daaromtrent eene merk-waardige bijzonderheid hier mede te deelen, namelijk, in het Geslacht der Graven van Bylandt zijn, sedert eene reeks van jaren aanwezig vier stuks schilderijen, die steeds voor werk van canaletti werden gehouden; echter zijn ze, bij het schoonmaken, beleekend gevonden van wittel. Zij stellen voor: 1.) St. Pieters-

[p. 1880]

kerk, te Rome. - 2.) Het Colosseum, te Rome. - 3.) Een Gezigt (Villa, welligt van Borghese) buiten Rome, en 4.) Het St. Marcusplein, te Venetië, elk h. 45 dm., br. 2 el 5 dm., Ned. Allen zijn schoon en frisch van kleur, meesterlijk en uitvoerig geschilderd. Deze stukken werden het erfdeel van den Graaf van Bylandt, Kamerheer des Konings, en berustten vroeger op het landgoed dier familie, Boschdaal, onder Princenhage, bij Breda, doch zijn later overgegaan in handen van den Heer Lodewyk Graaf van Bylandt, Groot-Ceremoniemeester des Konings, te 's Gravenhage.

[Wittel. (Lodewyk van)]

WITTEL. (Lodewyk van) Bij dit mijn Artikel, aan Immerzeel meêgedeeld, voeg ik nog, dat de reden zijner naamsverandering op zijn vader gaspar - Zie aldaar. - staat vermeld. - Nagler zegt, op vanvitelli, dat hij ook geëtst heeft, als: Acquedotto del real Palazzo di Caserta; vanvitelli fec.; 3 bl., gr. in 4o. - In het Werk, bij Immerzeel vermeld, komt zijn Portret ook voor.

[W.O.]

W.O. Ik bezit een klein, zeer goed geëtst Landschap, met in het midden vier opgaande boomen, regts eene schuur, links een slaghek bij een weg, die op den voorgrond uitloopt, in het verschiet korenland en een kerktoren; beteekend w.o. inv. et fec., 1795; h. 94, br. 105 str. Ned., met de marge. In dit exemplaar zijn loodlijnige krassen afgedrukt, even alsof de plaat afgekeurd ware, of wel zijn zij er door eene onvoorziene inbijting in teweeggebragt. Niets is mij verder van den verdienstlijken vervaardiger bekend.

[Woestine, (Rogier van der)]

WOESTINE, (Rogier van der) als een Gentsch schilder, veelal onder den naam van rogier de Schildere voorkomende, doch uit de Schepenboeken en Rekeningen der stad Gent, van 1386-1416, blijkt duidelijk, dat zijn geslachtsnaam van der woestine is, en dat men dus dezen roger van Gent wel te onderscheiden heeft van rogier van der weyde, die veel onder den naam van rogier van Brussel voorkomt. Zijn vader was siger, of zegheren van der woestine, die mede als zegheren, den Scildere, in gemelde Rekeningen van 1352-1369 geboekt staat, en wiens werk meestal in lijmverwen geschilderd is. - rogier heeft tot meester gehad peeter van der kalchovene, onder wien hij, gedurende 23 jaren, aan het prachtig Verhemelte in de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk, te Doornik, werkzaam was. Hij is een geboren burger van Gent geweest, en heeft daar gewoond, zooals blijkt uit het Schepen-register, waarin stevens zijn vader en huisvrouw voorkomt: ‘Kenlic sy etc., dat rogier van der woestinen, fs. seghers ende Lisbette Boens, syn wettelic wyf etc., kenden ende lyden, dat sy hebben vercocht wel ende redelic pietren van berevelt (ook Schilder), een huus staende op hoech poert, daer de vors. rogier al nu woont. Actum 17 Julii, 1412.’ Fol. LXXXVIII. Zie verder over deze belangrijke berigten, door den Heer Edmond de Busscher, den Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1859, p. 151 en 239.

[Woestine. (Zegher van der) - Zie op zijn zoon Woestine. (Rogier van der)]

WOESTINE. (Zegher van der) - Zie op zijn zoon WOESTINE. (Rogier van der)

[Wolf, (Jacob de)]

WOLF, (Jacob de) een schilder van Groningen, onder de bekwame historie-schilders van zijn tijd genoemd, is echter niet naar verdienste bekend, zegt Nagler. Hij leefde eenzaam, en overleed in 1685. De dichter L. Smids heeft bijschriften voor zijne schilderijen gemaakt.

[Wolfaerts, (Arnoldus)]

WOLFAERTS, (Arnoldus) welligt de vader van den bekenden artus wolfaerts, - Zie aldaar. - bij Immerzeel geboekt. Hij heeft de kunst beoefend, want ik vond hem ingeschreven in het Gildeboek van St. Lucas, te Antwerpen: ‘Arnoldus wolfaerts, ontfangen by franciscus francken, den Jonge. Meester 1617. Sterft 1640.’ - In dezelfde Registers vindt men reeds zeer vroeg aangeteekend zekeren, ‘hendrik wolfaerts, ontfangen als Meester, 1465.’ - Zie over zijn vermoedelijk Portret, op den hier volgende.

[p. 1881]

[Wolfaert, of Wolfart, (Artus)]

WOLFAERT, of WOLFART, (Artus) staat bij Immerzeel vermeld. - Ik ken maar één Portret van hem, door a. van dyck pinx., corn. galle (de Oude) sculp., in fo. - Is dit nu van den bij Immerzeel beschreven artus? Ik moet zeggen, neen, want die is geboren in 1625, en zijn Portret reeds in 1645 in prent verschenen, bij W. Hendricx, als een man van middelbaren leeftijd; en kan dus geen jongman van 18 à 20 jaren voorstellen, toen hij geschilderd werd. - Nagler wil ook uit den naam wolfart, onder de prent te lezen, eerder het portret van den vader dan dat van den zoon zien; ook maakt hij de opmerking, dat wolfart de zoon, wolfaertszoon geschreven zou hebben, zoodat wij den vader, als historie-schilder, van den zoon, als genre- en landschapschilder, moeten onderscheiden. Dit blijft dus nog voor nadere toelichting vatbaar. - Ik vraag, of de naam artus ook soms arnold moet zijn, daar dit niet het éénige portret zou wezen, waar eene fout ingeslopen is. Vergelijkt de verschillende uitgaven van van dyks Constkamer enz., en men zal verscheiden veranderingen in de onderschriften bespeuren. In dat geval, zou dit het Portret van arnoldus wolfaert - Zie aldaar. - kunnen zijn.

[Wolfert, Wolfersz., of Wolfaert, (B.)]

WOLFERT, WOLFERSZ., of WOLFAERT, (B.) een zeer bekwaam schilder van Landschappen, met figuren en beesten gestoffeerd, zoo als er mij verscheiden in Catalogussen zijn voorgekomen, onder anderen in dien van den Nuntius Molinari, verkocht te Brussel, 15 Julij, 1763, onder Nr. 54 der Hollandsche schilderijen: ‘Twee Landschappen, met menschen en beesten, met veel kracht en oordeel geschilderd door b. wolfert;’ h. 23, br. 18 dm. Par., die met ƒ60 werden betaald.

[Wolff, (....)]

WOLFF, (....) een kunstenaar, die een vermaarden naam heeft verworven, door bij uitnemendheid op glas te etsen, en welke zeldzame, zoo kunstig bewerkte pokalen en roemers, algemeen met den naam van Wolffsglazen bestempeld zijn. - ‘wolff, volgens sommigen van Utrecht geboortig, heeft gewoond te 's Gravenhage, van beroep schilder, doch van geringen naam. Hij was een zonderling man. Vóór, of omstreeks den jare 1787 in het huwelijk getreden zijnde, had hij noch geldelijk vermogen, noch maatschaplijk bestaan, zoodat hij, om in zijne dringende levensbehoeften te voorzien, er niets beter op wist, dan de meubelen, welke hij bij zijn trouwen gekregen had, voor zijne deur uit te stallen, en, even als een uitdrager, aan de gaanden en komenden uit te venten. Doch dit middel was spoedig uitgeput, en toen kwam hij als gezel in de werkplaats van dirk van der aa, destijds een beroemd rijtuig- en beeldjes-schilder, te 's Hage. Daar leerde hij vaardig Kinderbeeldjes en Beesten teekenen, en paste die kunst, met behulp van de diamantstift, op drinkglazen toe, waarin hij een middel van bestaan vond. Hij was zoo gemeenzaam met die kunst geworden, dat hij, (volgens de verzekering van een oud man, die hem gekend heeft) in gezelschap van anderen, vaak met een kort pijpje in den mond, en over allerlei voorvallen pratende, zijne kinderbeeldjes of beestjes op het glas stipte. Hij is vroeg overleden, want zijn leermeester van der aa, die in 1809 stierf, heeft hem nog lang overleefd.’ Zie De Navorscher, III, 1853, bl. 217. - De vinding zijner kunst bestond dus hierin: op meest alle dergelijke glazen, met figuren, worden gewoonlijk de voorwerpen geëtst, gepointilleerd, gesneden of geslepen, altijd in navolging van geplaatdrukte prenten, dit wil zeggen, dat alle schaduwpartijen, halve tinten enz. eveneens in het glas gewerkt, als die met de burin, etsnaald, poinçon enz. in de koperen plaat gesneden worden, en in dier voege verkrijgt men de schaduwlijnen. wolff heeft de tegenovergestelde uitwerking, die zulk eene behandeling op glas voortbrengt, goed begrepen; want, inderdaad, zijn het

[p. 1882]

witte lijnen of tinten op een donkeren grond, en dus zou het onzin wezen; doch, om er nu eenige natuurlijkheid aan bij te zetten, heeft hij juist andersom gewerkt: - want, even als Prins robert in de graveerkunst uitgedacht heeft, om het licht op de ruwe plaat te graveren, of liever te schrapen, welke kunst den naam van mezzo-tinto - zwarte kunst - heeft bekomen, - zoo heeft wolff zijne glazen zeer fijn bewerkt, waardoor eerst de volle uitwerking van zijn arbeid kan gezien worden, als de roemer is gevuld met rooden wijn, die de schaduwpartijen doet uitkomen. - Zijne glazen worden in Kunstverzamelingen zeer gewaardeerd. Er waren 14 stuks bij Mr. J. van Buren, Bailliuw van Noordwykerhout, te Leyden, verkocht te Amsterdam, 1808; zie bl. 247 van den Catalogus.

[Wolff (Benjamin)]

WOLFF (Benjamin) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. Ik moet het berigt van Van Eynden en Van der Willigen, IV. deel, hier bijvoegen, te weten: voor de bekomen betrekking als Opzigter bij 's Rijks-Museum, te Amsterdam, vermaakte hij aan Z.M. onzen Koning en Hoogstdeszelfs Gemalin, ten blijk van dankbaarheid, twee der drie groote schilderijen, door hem vervaardigd en nagelaten, ter keuze van Hoogstdezelve; daarvan werden dan ook gekozen twee, met de voorstellingen uit de Geschiedenis van Sophonisba; doch om de buitengewone grootte, heeft men ze tot hiertoe (1840) opgerold bewaard.’ - Ik moet verder, in het belang der Geschiedenis, van een Europeesch beroemd werk nog het volgende meêdeelen: hij schijnt het eerst in het bezit te zijn geweest van de koperen platen enz., in de manier van Prentteekeningen, door c. ploos van amstel, Jac. Cornz. gevonden en vervaardigd. Dit is mij voorgekomen in de Naamlijst van Nederduitsche Boeken enz., bij (en door) A.R. Saakes, 1804, in 8o., III. deel, Junij, 1802, bl. 332, waar men de gewone aanduiding vindt, en daarbij bijgevoegd: ‘Dit Werk, hetwelk sinds het overlijden van wijlen den Auteur niet is uitgegeven, wordt sedert korten tijd weder het kunstminnend publiek aangeboden; en wel vermeerderd met vier capitale stukken, tot hetzelve behoorende, en welke wijlen de auteur bij deszelfs leeftijd niet heeft uitgegeven, om dit Werk na zijnen dood des te volmaakter en waardiger te maken. Deze vier stukken zijn: 1.) Naar de vermaarde teekening door a. van ostade, bekend onder den naam van het Bakermandje, in couleuren. - 2.) Naar dito Meester, kleiner, ook in kleuren. - 3.) Een Landschap, in manier van zwart krijt, naar v.d. eeckhout. - 4.) Een Zeegezigtje, gewasschen, naar w.v.d. velde. De prijs van het complete werk ƒ300. - N.B. De laatste vier zijn ook apart te bekomen, even als ook elke prent van het Werk. De uitgever erkent geen stukken, tot dit Werk behoorende, voor origineel, als met het gewone teeken voorzien, waarmede wijle de auteur die gemerkt heeft. (Diens wapen in eene schuinsche rigting gecartoucheerd.) Het wordt thans uitgegeven bij b. wolff, Kunstschilder, in de tweede Hoogstraat, bij de Walekerk, Nr. 29, te Amsterdam.’

[Wolffartsz. (Geryt)]

WOLFFARTSZ. (Geryt) In de Thesauriers-rekening der stad Haarlem, bl. 36, verso, vindt men het volgende aangeteekend: ‘Ao. 1455. geryt wolffaertsz schildert het Wapen der stad in de Stads banier.’ - Zie Jacobus Koning, Verhandeling over de Boekdrukkunst enz. Haarlem, 1816, in 8o., bl. 360.

[Wolfsen, (Aleyda)]

WOLFSEN, (Aleyda) eene kunstenares, die in de tweede helft der XVII. eeuw bloeide, en uitmuntende Familieportretten schilderde, gelijk ik er van gezien heb, en die voor werk als van constantyn netscher doorgaan. Onder de familieportretten, berustende bij den Heer Mr. a. ver huell, te Arnhem, bevindt zich dat van Jan Batist Bartoletta van den Heuvel, Heer van Rijnenburg, en van zijne echtgenoot, Geertrui Dorothea van Golstein, schoon en malsch door haar geschil-

[p. 1883]

derd. - Ook vond ik eene Pomona van hare hand in den Catalogus van de Wed. Warmenhuisen, Vrouwe van Bennebroek, 's Hage, 1719, onder Nr. 31, vermeld.

[Wolfvoet, (Victor)]

WOLFVOET, (Victor) de Jonge. Een der werken van dezen Meester is het eerst door Descamps, in zijn Voyage pittoresque etc., Paris, 1769, bl. 162, meêgedeeld. Sprekende van de St. Jacobskerk, te Antwerpen, zegt hij: In de tweede Kapel na die van rubens, is het marmeren Altaar versierd met eene schilderij, De Visitatie, geschilderd door victor, leerling van rubens; men herkent er die school in, maar het is koud van kleur en zwart in de schaduwen. - Dit berigt is oorzaak, dat deze schilderij voor werk van den meer bekenden jan victor is doorgegaan; doch diens gloeijende en geheel in den trant van rembrandt geschilderde stukken hebben steeds bij doordenkende kenners, aangaande deze twee zoo zeer uiteenloopende Schilderscholen, twijfel doen ontstaan, om niet alles voor werk van één meester te houden. - Zie daarover op VICTORS. (Johannes en Jacomo) - Eerst sedert kort, zijn wij uit dezen maalstroom geraakt door de navorschingen van den Heer T. van Lerius, in zijne Notice des oeuvres d'art de l'Eglise Saint-Jaques, à Anvers, 1835, bl. 129, die ons berigt, dat de genoemde schilderij, De Visitatie van O.L. Vrouw, door victor wolfvoet, leerling van rubens, in 1639 geschilderd is. Bovendien heeft de ijverige Archivaris, de Heer P. Génard, gevonden, dat victor wolfvoet, de Jonge, gedoopt is in de O.-L.-V. kerk, te Antwerpen, 4 Mei, 1612, en de zoon was van victor wolfvoet, den Oude, schilder, en van Brigitte Voorwercx. - Deze Oude victor had, als meester van het St. Lucasgild, aldaar, in 1599, als leerling ontvangen elie mennens. - Hij heeft, waarschijnlijk, het eerst bij zijn vader geleerd, en werd, in 1644, meester in genoemd Gild. Meer bewijs zal er wel niet noodig zijn, om onzen Hollandschen geslachtsnaam victor van den Belgischen doopnaam te onderscheiden. - Dat hij zich als meester in het St. Lucasgild heeft doen inschrijven, is mogelijk; maar als leerling van rubens niet. - Zie daarover op MOERMANS. (Jacob) - Het was mij reeds lang bekend, dat er bij Jonkhr. H.J. Heerma van Beyma thoe Kingma, Burgemeester van Franekeradeel, op Kingma-State, te Zweins, onder meerdere schilderijen berust De Togt van Mozes door de Roode Zee, op paneel, v. wolfvoet pinx.; doch ik maakte zwarigheid, dien naam, zoo onbekend, aan te nemen; door een en ander is thans bewezen, dat die goed opgegeven werd.

[Wolscholdt. (Hendrik)]

WOLSCHOLDT. (Hendrik) Het is niet bekend, waar deze beeldhouwer werd geboren, maar wel, dat hij te 's Gravenhage heeft gewoond; ook blijkt uit de Gildeboeken, dat hij, ten jare 1665, als een medelid dier Confreriekamer voorkomt en ook aldaar overleden is. - Berigt van P. Terwesten, Ms.

[Wolterbeek, (Pieter)]

WOLTERBEEK, (Pieter) een kunstliefhebber, te Amsterdam, die zeer fraai in waterverw, Landschappen schilderde. Weigel heeft er twee stuks van vermeld. Hij werd, waarschijnlijk, in 1790 geboren en overleed in 1843. Zijne nagelaten rijke Verzameling papierenkunst is, in 1845, te Amsterdam, verkocht.

[Wolters (Henriette)]

WOLTERS (Henriette) is bij Immerzeel vermeld. - Haar Portret is zeer fraai door haar-zelve geschilderd, en door j. houbraken sculp., in 4o. Deze prent is zooveel in de breedte afgenomen, dat zij een 8o. formaat bekomen heeft, en achter pinx. is er 1732 bijgevoegd. - Bij Van Gool en Descamps komt een Idem, daarnaar genomen, voor.

[Wolters (Herman)]

WOLTERS (Herman) werd, zonder sterftijd, reeds bij Immerzeel te boek gesteld. - Hij is, in 1755 of 1756, te Haarlem, in het Proveniershuis, waar hij zich met zijne vrouw had ingekocht, overleden.

[Wolters. (Stefanus)]

WOLTERS. (Stefanus) Ik bezit een zeer fraai Portret van steffan wolters,

[p. 1884]

Amator Artium, dijstuk, links gewend, houdende met de regterhand een afhangenden mantel; p. (?) kneller pinx., j. verkolje fec. et exc. Ao. 1684, in fo. - Deze zou wel de vader van hermanus kunnen zijn, en welligt de kunst, als liefhebber, beoefend hebben.

[Woluwe (Jan van)]

WOLUWE (Jan van) vond ik als schilder vermeld, die door de Hertogin Jeanne, in de tweede helft der XIV. eeuw gebezigd werd, om het Paleis Coudenberg, te Brussel, met schilderwerk te versieren, en verscheiden Manuscripten harer Bibliotheek met miniaturen te verrijken. Zie Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1860, p. 351.

[Wonder (Pieter Christoffel)]

WONDER (Pieter Christoffel) vindt men bij Immerzeel te boek gesteld. Ik moet zijn geboortetijd, 10 Januarij, 1780, door genoemden auteur opgegeven, voor goed verklaren, omdat ik de door wonder-zelven ingevulde tabel, ter dienste van Immerzeel opgemaakt, waarop die voorkomt, gezien heb, en waardoor het jaar 1777, door andere auteurs daarvoor opgegeven, komt te vervallen. Zijn vader was Johan Jacob Wonder, gesproten uit een oud, deftig Utrechtsch geslacht, waarvan er reeds in 1444 Raden dier Stad waren, als, onder meerderen, Harman Wonder, die tevens als Ouderman en Wantsnyder vermeld staat, waaruit ik met grond afleid, dat deze zijn voorvader is geweest, dewijl Johan Jacob hetzelfde vak van Lederbereider en Handschoenmaker uitoefende. Zijne moeder was Anna Geertruy Bergfeld, geboren te Lennep, in het Hertogdom Berg. In dit huwelijk zijn verwekt twee zonen, onze kunstenaar en des vaders naamgenoot, die, op 38jarigen ouderdom, in Suriname, is overleden, benevens acht dochters. - Het was onze wonder en jan kobell, die met de Heeren a.j. van mansvelt, f.c. knoll en w.a. haanebrink, liefhebbers en beoefenaars der kunst, in 1807, een nieuw Teekengezelschap oprigtten, dat toen reeds 31 Leden telde, en welk gezelschap in 1814 de benaming van Genootschap, onder de Zinspreuk Kunstliefde, aannam, waardoor de grondslagen voor den bloei der kunst in het Sticht zijn gelegd. wonder bleef steeds Directeur, tot zijn vertrek naar Engeland, in Mei, 1823. De aanleidende oorzaak van zijn vertrek was niet, dat hij geen genoegzaam werk te Utrecht vond, integendeel, hij was de algemeen geachte en gewaardeerde kunstenaar; maar zijn talent behaagde den vreemden zoodanig, dat Lord en Lady Murray, van Londen, die hem meermalen te Utrecht bezochtten, hem tevens een goed fortuin voorspiegelden, indien hij naar Londen overstak, waartoe zij hem dan ook in 1823 overhaalden. Spoedig daarop keerde hij terug, om zijne zaken te regelen, en in het voorjaar van 1824 vestigde hij zich voor goed in Engelands hoofdstad, waar hij tot 1831 verbleven is. Hij heeft daar belangrijke werken volvoerd en veel personen van den Engelschen adel, in gezelschapstukken, in terburg's trant, afgebeeld, welke ik meest gezien heb, en die zeker voortreflijk zijn uitgevoerd; vooral stoffen wist hij uitmuntend te schilderen. Dusdanige familiestukken zijn aldaar op de Tentoonstelling te zien geweest, en het zal genoeg zijn, uit de Times en Morning-post van 12 Februarij, 1829, over te nemen, wat betreklijk de werken van den Heer p.c. wonder, uit Londen, werd gezegd: ‘Zij gelooven, dat de kunst de natuur niet beter kan nabootsen; hij vereenigt de fraaije wijze van behandeling der Hollandsche School met het coloriet der oude meesters.’ - Hij heeft voor Lord Murray, in zijn tusschentijd, een groot stuk vervaardigd, voorstellende eene Kunstgalerij, waarin al de voornaamste schilderijen uit bijzondere kabinetten, en de eigenaars dier stukken, met verdere liefhebbers der kunst, in onderhoudende groepen, goed-gelijkend zijn afgebeeld. Deze personen zijn allen van den eersten adel uit Engeland, die zich wel hebben willen verledigen, om aan het verzoek van Lady Murray, - de bevalligheid

[p. 1885]

en het vernuft van het Engelsche hof - te voldoen. Dit stuk, genaamd de Murray-Galery, is, in Junij 1856, voor 500 £, te Londen, verkocht. - In 1832, is hij in zijne geboortestad teruggekeerd, waar hij steeds een werkzaam doch zeer afgetrokken leven leidde. Hij heeft echter zijn echt Hollandsch penseel niet uit Londen teruggebragt, maar zijne latere tafereelen zijn met een Engelsch kunstwaas, als het ware, overtogen. De kunst was hier te lande in eene rigting voorwaarts gegaan, waarmeê hij zich niet kon vereenigen. Hij geraakte dus, zoodoende, geheel op zich-zelven, als zijnde overigens ook te oud, om den stroom te volgen. - In de Maand Julij, 1852, eindigde hij, zeer onverwacht, zijn werkzame loopbaan, te Amsterdam. - wonder was, in waarheid, een opregt, eenvoudig, nederig, eerlijk christen, bezield met onverzetlijke beginselen, een Lutheraan waardig, die veel had te kampen met de nieuwe, weelderige wereld, welke hij steeds berispte, vooral, wanneer hij zag, dat iemand zich boven zijnen stand verhief. Terwijl velen zijne aanvallen daarover zochten te vermijden, waren zijne vermaningen toch uit eene zuivere waarheidsbron gevloeid. - Zijne nagelaten kunst enz. is den 6. April, 1853, te Utrecht, verkocht. - Tot een blijvend aandenken van zijn laatsten penseelarbeid, berusten in het Luthersche Wees-, Oude Mannenen Vrouwenhuis, te Utrecht, de Portretten van de Stichters dezer liefdadige inrigting, namelijk, van den WelEerw. Heer J. Decker Zimmerman en van den Heer J.P. Dorselen, welk laatste stuk hij, in 1842, als een geschenk daaraan heeft vereerd. Het is opmerklijk, dat dit hetzelfde huis is, destijds een Koffijhuis, het Keizerswapen genaamd, waar het bovengemelde Teekengezelschap werd opgerigt. - Het fraaije Portret van J. Bleuland, kniestuk, in professoraal gewaad, wordt in diens Anatomisch-Museum, te Utrecht, bewaard. - wonder heeft 4 prentjes fraai geëtst, alle portretten, borststukken, zonder marge, als: 1.) Zijn eigen Portret, van voor te zien, met een hoed op, zittende te teekenen; h. 92, br. 81 str. Ned.; beteekend p.c.w. f. - 2.) Mozes Edrehy, een Joodsch Theol., Professor, geboren te Marocco, woonachtig te Jerusalen, die om de drie jaren in ons land kwam, teneinde dan tevens Oostersch reukwater te verkoopen; en die, in 1816, te Utrecht zijnde, door verscheiden kunstenaars, om zijn fraai hoofd, geschilderd is; idem, idem, idem. - 3.) Laurens van Schaik, van voor te zien, met de hand aan het hoofd, rustende op de leuning van een stoel, h. 113, br. 90 str.; idem. Deze was een knecht, die, in 1820, na 50 jaren trouwe dienst, (reeds bij zijne ouders) overleden is. - 4.) Eene zittende oude Vrouw, met een sleutel in de linkerhand; idem, idem, idem. Deze was de bewaardster van het groote huis van Van Amerongen, op de Wittevrouwenstraat, hoek van de Rietsteeg, te Utrecht, door Koning Lodewijk gekocht, waarvan wonder later een bovengedeelte in huur had; het is den 28. November, 1814, voor een gedeelte verbrand, welk ongeval wonder veel verlies veroorzaakte; een klein gedeelte is er van overgebleven, en het overige tot tuin ingerigt. - Zijn Portret, levensgrootte, dijstuk, zittende, gewend, op een stoel, met den arm op de leuning rustende, werd door mij, vóór zijn tweede vertrek naar Engeland, geschilderd, en blijft mij tot een blijvend aandenken van hem, die, geheel belang-loos, mijn meester geweest is in de schilderkunst. - Een Idem, zeer jong, door hem-zelven geschilderd, borststuk, het hoofd 90 streep groot, is beteekend p.c.w. 1799. - Een Portretje, ter zijde, is door hem, den 9. Julij, 1852, met potlood geteekend, en, na zijn dood, in steendruk uitgegeven. - Nog een Portret van en door hem, op 25jarigen leeftijd, berust bij den Heer A. Cock, te Utrecht, die tevens, ter gedachtenis van zijnen vriend, met wien hij in de laatste 15 jaren van diens leven een hartlijk verkeer had gehad, eene korte Levensschets van p.c. wonder;

[p. 1886]

eene bijdrage, aan de nagedachtenis van wijle dien Kunstschilder gewijd; Utrecht, 1852, 30 blz. uitgegeven heeft, terwijl hij een jaar daarna eene Alphabetische lijst van de geboorte- en sterfjaren der voornaamste oude Nederlandsche Kunstschilders en Beeldhouwers enz.; Utrecht, Doorman, 1853, naar een Handschrift van wonder, mede het licht heeft doen zien.

[Worm, (Nicolaas van der)]

WORM, (Nicolaas van der) een onvermeld kunstenaar, die, in de tweede helft der XVIII. eeuw, waarschijnlijk, te Leiden, bloeide. Bij den vermaarden Kunstverzamelaar Mr. J. van Buren, Bailliuw van Noordwykerhout, aldaar, werden, op bl. 184 van den Catalogus, verkocht, te 's Gravenhage, in 1808: ‘27 stuks geëtste prenten door nicolaas van der worm, alle naar originele teekeningen van christina chalon, in deze Collectie berustende; zijnde alle drukken op Chineesch papier.’ - Weigel, in zijn Kunstlager-Catalog, 1846, Nr. 15781, noemt zijn werk compleet in 20 bl. in fo., 4o. en 8o., waarbij er voorkomen ook naar anderen dan chalon, en hij zegt, dat dit werk van een onbekend kunstenaar is. Hij heeft dus het bovenstaande niet gekend. - worm heeft ook verscheiden prenten gemaakt van de Sledevaart, te Leyden, door het Tooneelgezelschap Veniam pro Laude, gehouden in 1774 en 1775, ter gelegenheid van Leyden's verlossing en oprigting der Hoogeschool, naar de teekeningen van a. delfos en p.c. la fargue, waarbij J. le Francq van Berkhey eene zinnebeeldige verklaring schreef en uitgaf te Leyden, 1776, in 8o.

[Woud. (Jan Cornelis) Zie Woudanus. (Jan Cornelis)]

WOUD. (Jan Cornelis) Zie WOUDANUS. (Jan Cornelis)

[Woudanus, (Jan Cornelis)]

WOUDANUS, (Jan Cornelis) een teekenaar en graveur, die, in de tweede helft der XVI. eeuw, in Holland, bloeide. Ik heb voor mij liggen het Amphitheatrum anatomicum, te Leyden, waar op het cadaver les wordt gegeven, beteekend johanni cornelii woudan, delineavit. Jacobus Marcii divulgavit. Lugd. Bat., in gr. fo. plano, welke prent vrij goed is uitgevoerd. - Op het Portret, Nr. 8, van david joris, door cornelis van sichem sculp., in fo., staat j. en c. daaropgehecht en wou; Zie Tooneel der Hoofd-ketteren enz., Middelburg, by N. Goeree, 1666, in fo. De eerste uitgave verscheen, met Latijnschen titel, te Arnhem, in 1609, en dus is die afbeelding naar eene oudere genomen. - Nagler zegt, dat hij het Portret van Jos. Justus Scaliger, in 1607, zou hebben gegraveerd; ik vond dit wel op dat jaar door d.b. gegraveerd, in 4o. Zie Catalogus van Portretten van F. Muller, Nr. 2720.

[Woude. (J.v.d.)]

WOUDE. (J.v.d.) Eene prent, de zeventien Nederlandsche Provinciën, zinnebeeldig voorgesteld, met de steden Amsterdam en Antwerpen, naar j.v.d. woude in fo., komt voor in den Catalogus van Dr. G. Munnicks van Cleeff, Utrecht, 1860, bl. 5.

[Wouter en Simon.]

WOUTER en SIMON. - Zie op SIMON en WOUTER.

[Wouter, (Jean François de)]

WOUTER, (Jean François de) kunstschilder, geboren te Brussel, leerde ik kennen uit een Verzoekschrift, in 1787, aan de Staten van Brabant ingediend, tot het bekomen van eene honorabele betrekking, teneinde in de behoeften van zijn gezin te kunnen voorzien, en wel uit hoofde zijner hooge afkomst, als van De Merode enz. - Zie Archives des Arts etc. par A. Pinchart; Gand, 1860, I. p. 55.

[Wouters (Gomar)]

WOUTERS (Gomar) staat bij Immerzeel vermeld. - Volgens Houbraken, zou hij te Rome, waar hij de kunst beoefende, den Bentnaam van Ridder bekomen hebben. Dat hij inderdaad Ridder was, zou ik wel kunnen gelooven, daar hijzelf op eene zeer groote, geëtste prent, ‘Piazza Navona etc. in 1693, te Rome bij Giac. de Rossi verschenen, beteekend heeft g. wouters cavalier delin. et sculp.

[Wouters, (J.L.)]

WOUTERS, (J.L.) een kunstgraveur, van wien werk voorkomt in den Nieuwen Almanach der Schilders enz.; Gent, 1777; II. in 8o.

[p. 1887]

[Wouters, of Woutiers, (Michelina)]

WOUTERS, of WOUTIERS, (Michelina) eene schilderes, die zich, in de eerste helft der XVII. eeuw, door Portretten heeft bekend gemaakt, onder anderen, door dat van Andreas Cantelmus, Regis Scotiae Generalis etc., dijstuk, in wapenrusting; in het verschiet een veldslag; mich. wouters pinx., p. pontius sc. et exc. 1643, gr. in fo. Zie Nagler.

[Woutersz. (Jan)]

WOUTERSZ. (Jan) een glasschilder, te Utrecht, die mij uit de volgende aanteekening bekend werd: ‘Item jan woutersz. glasmaker, voor een glas met Wapen, aen Anto. van Berck geschoncken; 15 gulden.’ Kameraarsrekening van Utrecht, 1648, bij Dodt, Archief, III. deel.

[Wouwer. (Carstiaen van de)]

WOUWER. (Carstiaen van de) In de Huwelijksaanteekeningen, te Amsterdam, komt voor op het jaar, ‘1588, 6 Feb. carstiaan van de wouwer, van Antwerpen, figuursnyder, oud 24 jaren, woont op de Zeedyck, met Margriet van den Kerckhove, mede van Antwerpen, Wede. van Hans Pietersz.’ Zie De Navorscher, 1858, VIII. bl. 320.

[Wouwerman.]

WOUWERMAN. Zie het Aanhangsel.

[W.P.S.]

W.P.S. Op eene schilderij, voorstellende: ‘Jephta ontmoet zijne dochter, door w.p.s. geschilderd, is een vers gemaakt door Jan Vos. Zie zijne Gedichten, Amsterdam, 1726, I. bl. 370.

[Wree, (Jan Baptista de)]

WREE, (Jan Baptista de) een bekwaam beeldhouwer, die, in de tweede helft der XVII. eeuw, te Antwerpen, bloeide. In het Register van St. Lucas, aldaar, staat hij, op 1683, als Hoofdman vermeld, en in den Inventaris der goederen van dat Gild, in 1748 opgemaakt, komt voor: een gesneden Beeld van de wree. Zie Van der Straelen, Jaerboek van St. Lucas, te Antwerpen; Ibid., 1855, bl. 175 en 230. - In de Cathedraal, aldaar, was nog in 1771 een Marmeren Altaar, aan Aubertus en Victor gewijd, door de wree vervaardigd, en in de St. Walburgis kerk, mede aldaar, is het Altaar der kapel van het H. Sacrament, met twee marmeren beelden versierd van zijne hand. Zie Beschryving van de Schilderkonste ende Beeldhouwery in de kerken te Antwerpen enz. Ibid., 1771, in 12o., bl. 7 en 33. - F. Bogaerts, I, bl. 151 zegt, dat hij in 1699 nog in leven was, maar voert daarvoor geen bewijs aan.

[Writs. (Willem)]

WRITS. (Willem) Als eenvoudig Amsterdamsch burger verdient hij eene eerste plaats onder de mannen, die de practische wetenschappen ter algemeene kennis hunner stadgenooten, - en hij wel het eerst - hebben gebragt. Als beroemd Werktuigkundige, heeft hij, in 1787, met slechts 40 leden, een Genootschap, onder de Zinspreuk: Felix Meritis, opgerigt, waarvoor tot dat einde het gebouw, te Amsterdam, in 1788, tot stand kwam. Hij was een bekwaam teekenaar en plaatetser. Men vindt van hem 6 stuks Gezigten van Hollandsche Dorpen, en eene reeks van 6 stuks Idem van den Vechtstroom, naar j. de beyer. - 2 stuks Idem van Hilversum. - De Teekenakademie, te Amsterdam, - en, in den Atlas van de voornaamste Afbeeldingen der Stad Amsterdam voor Kinderen; Ibid., bij H. Molenijzer, in fo.-oblong, komen 11 stuks voor, door hem ad vivum del. et fecit, 1770-1772, en 3 naar j. de beyer. Onder zijne etsen zijn er, die, inderdaad, fraai mogen worden genoemd. - Zijn Portret, in ovaal gevat, is door w. hendriks del., l.r. claessens sculp., in 8o. Ik bezit ook dat vóór de letter.

[Wtenbroek. (Mosis) Zie Uytenbrouck. (Moses van)]

WTENBROEK. (Mosis) - Zie UYTENBROUCK. (Moses van)

[Wtenwael.]

WTENWAEL. - Zie UITENWAAL.

[Wtenweerde.]

WTENWEERDE. - Zie UTENWEERDE.

[Wthoeck, of Wthouck. (Heyndrick) - Zie Uithoeck. (Heyndrick)]

WTHOECK, of WTHOUCK. (Heyndrick) - Zie UITHOECK. (Heyndrick)

[Wubbels (Jan)]

WUBBELS (Jan) was een leerling van j.m. cok. Hij teekende en schilderde

[p. 1888]

Zeegezigten en was als Opzigter over het Kunstkabinet van den ouden Heer Hope, in het door dezen gebouwde Lusthuis (Paviljoen), bij Haarlem, geplaatst. Deze schilderijen zijn, in 1794, naar Engeland gevoerd. Zie Van Eynden en Van der Willigen, II, bl. 414.

[Wuchters, Wugters, of Wogter (Abraham)]

WUCHTERS, WUGTERS, of WOGTER (Abraham) wordt door Nagler vermeld als de zwager van carel van mander, den Jonge, die met hem, waarschijnlijk, in 1636 of 1639 naar Kopenhagen vertrok. Hij bekleedde 25 jaren de betrekking van Deensch Hofschilder, doch vertrok, in 1664, met verlof vandaar, en zette zijne kunst te Soroë voort. Uit een Privilegie blijkt echter, dat Koning Christiaan V. hem steeds ‘zijn conterfeiter en geliefden abraham wugters’ noemen bleef. - Na 1680, schijnt hij niet lang meer geleefd te hebben. Hij schilderde Portretten en Historiële onderwerpen, en heeft ook gegraveerd. - Uit het hoofd van mijn Artikel blijkt, dat zijn naamspelling zeer onzeker is; doch ik, voor mij ben van oordeel, dat men wachter moet schrijven, en wel op grond, dat de tweede uitgave van Van Mander's Schilderbouck, 1617, bij Jacob Pietersz. Wachter, te Amsterdam, verscheen, en Van Mander, niet de zoon van genoemden schrijver maar de kleinzoon, bij mij op carel van mander (III) vermeld, met eene jufvrouw Wachter gehuwd kan zijn, wiens broeder of bloedverwant d. wuchters - Zie aldaar. - wel de zwager van onzen van mander kan zijn geweest, of dat wachters eene zuster van van mander huwde. - Intusschen is het zeker, dat destijds de kunstenaars met Boek- en Plaatdrukkers enz., als het ware, ééne maatschappij vormden, terwijl het bovendien veel voor de zekerheid mijner meening zou bijdragen, wanneer men wist of de Wachter's, even als de Van Mander's, tot de Doopsgezinde Gemeente hebben behoord.

[Wuchters (D.)]

WUCHTERS (D.) wordt door Nagler, volgens den Catalogus van het Museum, te Berlijn, onder de Nederlandsche School, Tijdvak 1510-1600, vermeld, en hij noemt eene schilderij graauw in graauw geschilderd, voorstellende De Koningin van Scheba geschenken aan Salomo brengende; h. 1 vt. 4 dm., br. 1 vt. 8 dm. Berlin; beteekend d.w. - Hier is noch zekerheid aangaande de spelling van den geslachtsnaam, noch tijd uit af te leiden. Hij kan wel de zwager van carel van mander (III) zijn geweest. - Zie daarover op WUCHTERS. (Abraham) - Ik heb deze schilderij daar, in 1851, niet gezien; in den Catalogus van 1850 komt zij niet, maar wèl in dien van 1832 voor.

[Wulffaert (Adrianus)]

WULFFAERT (Adrianus) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld. De aldaar genoemde groote schilderij, voorstellende De dood van den grooten Zeeheld De Ruiter, die door Z.M. den Koning, in 1839, te 's Hage werd aangekocht, is door dien Vorst, in Maart, 1844, aan de Adelborsten te Medemblik, uit erkentlijkheid voor hunne vaderlandsliefde in de bijdragen tot de toen alom bekende geldleening, ten geschenke gegeven.

[Wulfhagen, (Frans)]

WULFHAGEN, (Frans) een schilder uit het voormalig Hertogdom Bremen, en een leerling van rembrandt, die in den trant zijns meesters schilderde. Hij bloeide omstreeks 1660.

[Wulfraat. (Margareta)]

WULFRAAT. (Margareta) Ik voeg bij het artikel van Immerzeel alleen, dat haar Portret voorkomt bij Van Gool.

[Wulfraat, (Matthys)]

WULFRAAT, (Matthys) staat bij Immerzeel geboekt. - Om der Kunstgeschiedenis wil, moet ik hier eene onaangenaamheid aanhalen, welke hij wegens eene schilderij gehad heeft, en die zóó hoog is geloopen, dat de Hoofdofficier der Stad Amsterdam haar als eene Criminele actie beschouwde en eisch en conclusie tegen hem nam. Ik heb, namelijk, voor mij liggen den tweeden druk van een stuk, te Amsterdam, bij Pieter Sceperus, Boekverkooper, op den Dam, 1696, 4 blz.

[p. 1889]

in fo., verschenen, beginnende: Memorie aen de Ed. Achtb. Heeren Schepenen der Stad Amsterdam overgegeven, uyt den naeme ofte van wegen matthys wulfraet, Kunstschilder, gedaegde over pretense pasquilleuse schildery, of soogenoemde injuriën, op ende tegen den Heer François de Vicq, Hooftofficier derselve stad, r.o. eyscher. De hoofdzaak komt hierop neêr, dat Christiaen Casteleyn voor zich een goed gelijkend Portret van zekeren Matthys Verhaag wenschte te hebben in eene schilderij, zoo als hij dat dacht te laten schilderen, en bij gelegenheid wulfraat daartoe deed besluiten, onder beding van daarvoor ƒ20 te moeten hebben. wulfraat voerde het verlangde stuk uit; en alles liep in vrede af. ‘Wyders is het sodanig, dat des gedaagdes dochtertje van omtrent 15 à 16 jaren, door haer vader eenigsints in de schilderkunst onderwesen, om sich daer in te oefenen, twee copytjes van het voorsz. stukje heeft gemaekt.’ Deze kopijen werden verkocht aan Thomas van Kessel, herbergier, die er een van overdeed aan den Coffijschenker Willem Verhoeven, die het eenige weken in zijn koffijkamer ophing, ‘en om de vermaerdtheid van den voorn. Verhaeg en deszelfs goede gelykenisse, een menigte van aenschouwers, tot merklyk voordeel van den hospes, derwaerts gelokt en getrokken heeft. Tot der tyd dat den Heer officier te raede geworden is, het gedachte stukje vandaer te doen afhalen.’ Het stuk-zelf stelde voor: een Binnenhuis, met Verhaeg en een vrouwmensch, met een wynroemer in de hand, waarvan niet kon worden bewezen, dat zy ‘uyt eenige oneerlyke gebaerden of anders, een snol of hoer vertoont; noch oock dat de drie teirlingen sessen leggende, hoogloopers of valse dobbelsteenen souden verbeelden, die met quick of andere bedrieglyke paste opgevuld zyn geweest; dewyl de steenen soo wel casueel Sessen kunnen leggen als Ezels.’ Verder een verkeerbord, en geld op tafel, ‘dat niemand kan seggen, dat het eens anders geld, of met valsch dobbelen gewonnen was.’ - Uit alles blijkt, dat de Heer Verhaeg, - daar hij mij voorkomt geen model te zijn geweest, om voor geld te zitten, - wegens zijn handel en wandel, eens langs dien weg door Casteleyn aan de kaak is gesteld, terwijl Verhaeg door den Officier in bescherming werd genomen, want uit het slot der Memorie schijnt te blijken, dat deze de zaak te ver en zonder gegrond regt vervolgd heeft. Het stuk is geteekend matthys wulfraet, doch, wat er verder van die zaak geworden is, bleef mij onbekend. De domme vervolging, welke wulfraat ondervond, is een bewijs te meer der willekeurige regtsbedeeling in die dagen, en kan als eene bijlage verstrekken tot de onregtvaardige behandeling, ook j. torrentius aangedaan. - Zijn Portret, met dat van een zijner vrienden, lagchende, staande voor een nis of venster, was in de Verzameling van Van der Marck, te Leyden. ‘De schilder, een blaauwe muts met een bonten rand op, en een nachtrok aan hebbende, houdt de eene hand voor het lijf, en wijst met de andere op iets naar buiten, waarbij de verkorte houding meesterachtig waargenomen is. De vriend komt ter zijde, als over de schouders kijken, en schuift met de eene hand een gordijn weg. Door hem-zelven zeer fraai en uitvoerig geschilderd, op paneel; h. 15½, br. 12½ dm. Rhijnl.’ Zie bl. 167 van den Catalogus; Amsterdam, 1773. - Bij Houbraken en Descamps komt een Idem voor. - Zou dit vreemdsoortig Portret, met dat van zijn vriend, geen betrekking hebben op de bovenvermelde regterlijke vervolging, en die vriend Casteleyn moeten voorstellen, terwijl zij het bedoelde feit achter een gordijn beschouwen, hetwelk zij later, na afloop der zaak, wegschuiven en De Vicq uitlagchen?

[Wyck. (Jan)]

WYCK. (Jan) Op het berigt van Immerzeel moet ik nog laten volgen, dat hij ook een Werk over de Jagt en Valkerij heeft uitgegeven. - Zijn Portret

[p. 1890]

is in 1685, door g. kneller pinx., en in 1730, door j. faber sculp., in fo. - Een Idem, met dat van zijn vader thomas. - Zie aldaar.

[Wyck (Thomas)]

WYCK (Thomas) is, naar waarde, door Immerzeel vermeld, welke auteur mede opgeeft, dat zijn etswerk, volgens Bartsch, uit 21 stuks bestaat. - R. Weigel, in zijn Supplément au Bartsch etc., Leipzig, 1843, brengt dit getal tot 26. De laatste is een borststuk van een Boer, met een hoed op, regts, van ter zijde te zien, de mond tot lagchen openende; regts de helft eener vrouwenbuste; h. 2 dm. 2-3 str., br. 1 dm. 8-9 str. Par. Deze geestige ets wordt mede aan d. ryckaert, aan p. snayers en ook aan jan steen toegeschreven. - Zijn Portret en dat zijner vrouw is door frans hals geschilderd. Zie W. Burger, Musées de la Hollande, Paris, 1858, I. p. 98. - Een Idem is door a. bannerman sc., met dat van zijn zoon jan, op ééne plaat, voor de 4o. uitgave van Walpole.

[Wyck, (Jan van der)]

WYCK, (Jan van der) bijgenaamd van battel, was als Decoratieschilder, te Mechelen, in de eerste helft der XVI. eeuw, voor veel Vorsten werkzaam, en bekwam, in 1549 of 1550, den titel van Schilder van Keizer Karel V. Hij, met jan van lathem, waren uitsluitend belast, om alles, wat in kunstzaken, ten koste van het Hof, te Brussel, verrigt moest worden, te vervaardigen. Hij heeft ook veel manuscripten geënlumineerd. Zie verder de oorspronklijke bebescheiden in den Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1858, bl. 87.

[Wyckersloot. (Johannes van)]

WYCKERSLOOT. (Johannes van) Nadat ik dit Artikel aan Immerzeel had meêgedeeld, zijn mij nog meer bescheiden nopens dezen Utrechtschen schilder voorgekomen. Hij teekende eene acte, waarin hij Seigneur joh. wyckerslooth wordt genoemd. Zie op LIN. (Herman van) - Hierdoor vervalt het woordje van nog niet, waarmede het portret van A. van Brienen, door Immerzeel vermeld, beteekend is, terwijl weder onder andere Portretten, door hem geschilderd, staat gio. à wiic, of joan à wiic. pinx., die in de Batavia Sacra van Van Heussen en Van Rijn, in fo., voorkomen. Of hij tot den geestelijken stand behoorde, gelijk ik wel vermoed, kan ik echter niet met zekerheid zeggen; wel vond ik in een Handschrift, Register der ingeschreven Leden van de H. Hiëronymus-school, te Utrecht: ‘Ao. 1651, Johannes Wyckersloot, Pastoor te Weesep, en aldaar overleden.’ Deze zal wel dezelfde zijn, die bij Van Rijn, Utrechts-Bisdom, in fo., bl. 77 voorkomt: ‘Johannes van Wyckersloot, ook een Utrechtenaar en volkomen Bacelier in de Godgeleerdheid, wierd als Kapellaan (in de St. Jacobs-kerk, te Utrecht) geplaatst.’ - Ik heb deze schilderij aan wijlen den Baron Van Wyckersloot, Bisschop van Curium, wiens moeder eene Van Brienen was, en die haar wenschte te bezitten, bezorgd, en toen gevraagd, of er ook een Schilder van zijn naam bij hem bekend stond, doch hij antwoordde mij, daarvan niets te weten. - Er gaat eene zeldzame prent uit: Amersfoortsche feestelyke groote Steentreckinge, naar gio. wyckersloot; S.v. Lamsweerde exc., gr. in fo. oblong.

[Wydtmans, (N.)]

WYDTMANS, (N.) een kunstgraveur, van wien uitgaat een Plattegrond der Stad Gorinchem, waarboven eene strook: Het gezigt op die Stadt, voorstellende, n. wydtmams fec. 1600, in 3 bl., gr. fo. - Zou hij aan matheus wytman - Zie aldaar. - verwant kunnen zijn? - Ook is het waarschijnlijk, dat w. weytmans - Zie aldaar. - met dezen n. wydtmans een-en-dezelfde persoon wezen kan.

[Wyelant. (Guillaume)]

WYELANT. (Guillaume) In de Archiven van Rijssel, vindt men, in de oude Graaflijke Rekenkamer der Hertogen van Bourgondië, op het jaar 1467-68, het volgende aangeteekend: ‘Item à guillaume wyelant, aussi enlumineur, pour LX ystoires, et de plusieurs couleurs, qu'il a faites au second volume des Ystoires des nobles Princes de Haynnau, au pris de XXIIIJ sols chacune ystoire

[p. 1891]

l'une, XIIIJ l'autre, font LXXIJ 1.’ Zie le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne, etc. Tom I, 2. partie; Paris, 1849, in 8o., p. 503.

[Wyenhoven. (Pieter van)]

WYENHOVEN. (Pieter van) De geleerde Belgische Archivaris Gachard, geeft in zijn geschrift, de Abdicatie van Karel V., de volgende geschiedkundige bijzonderheden: ‘Reeds sedert eenigen tijd, bewoonde Karel niet meer het oude Paleis der Hertogen van Brabant; hij had het verlaten, om zijn verblijf te vestigen in een klein huis, aan het uiteinde van het Park, nabij de Leuvensche straat. De Koningin Maria had dit huis in 1551 gekocht van Philibert de Mastaing, Heer van Sassegnies, waarschijnlijk, met geen ander doel, dan om den tot het Paleis behoorenden grond te vergrooten. Het bestond uit een hoofdgebouw, in den nieuweren smaak aangelegd, en in een tuin. In de maand Januarij, 1554, liet de Keizer, - die het naar zijn smaak vond en geheel beantwoordende aan zijn voornemen, om zich in het stille burgerlijke leven terug te trekken, - er eenige verfraaijingen en veranderingen aan maken, onder het opzigt van den bouwmeester pieter van wyenhoven. Deze nederige woning had ééne verdieping, welke men door middel van een trap van tien à twaalf treden bereikte. De vertrekken van Karel bestonden uit twee deelen, elk twintig à vijf en twintig voet in het vierkant groot, waarvan het eene tot zaal, het andere tot binnenvertrek diende. Op zijn verlangen, waren zij groen geschilderd, en de muren zoowel als de vensters met zijn Wapenschild, en het devies Plus oultre, versierd. Een gang had gemeenschap van zijne kamer met eene kleine kapel, waar de dienst voor hem werd verrigt. De andere vertrekken waren bestemd voor de personen, die in zijne vertrouwlijke dienst stonden, benevens voor Jean de Poupet, Heer van Chaulx, zijn keldermeester.’ - Ik heb mij deze uitweiding veroorloofd, omdat dit klein geheel, ten gebruike voor dezen Vorst ingerigt, tot de eenige mij bekenda werken van den in zijn tijd voornamen Bouwmeester behoort.

[Wyers, (Jan)]

WYERS, (Jan) een beeldhouwer, te Utrecht, over wien ik het volgende aangeteekend vond: ‘Item betaelt jan wyers, beeltsnyder, van de sneê buyten om 't Fronica met 't wagenschot te snyden, 34 st. Rekening van St. Nicolaikerk 1563-64; bij Dodt, Archief, VI deel, p. 338.

[Wyk. (Thomas en Jan) - Zie op Wyck. (Thomas en Jan)]

WYK. (Thomas en Jan) - Zie op WYCK. (Thomas en Jan)

[Wylleborts. (Thomas) - Zie op Bossaert en Willeboorts. (Thomas)]

WYLLEBORTS. (Thomas) - Zie op BOSSAERT en WILLEBOORTS. (Thomas)

[Wynants, (Jan)]

WYNANTS, (Jan) en niet wynands, zooals Immerzeel schreef, die alleen vermeldt, dat in 's Rijks Museum, te Amsterdam, drie, en in het Koninklijk Kabinet, te 's Gravenhage, twee van zijne schilderijen aanwezig zijn. Ik moet over een der parelen van Hollands kunstkroon, éénig in hare soort, hier wat meer meêdeelen. Behalve in de meeste Rijks-museums van Europa, bevinden zich meesterstukken van zijne hand bij Sir Robert Peel, die er een in 1826 voor 255 guinjes aankocht, en nog een idem. - In Bridgewater-Galerie, vijf stukken. - Bij lord Ashburion een, dat hem 300 £ kostte. - Bij Graaf Radnor, een, beteekend 1662. - Bij H. Beckford, een, krachtig van kleur en van zijn besten tijd. - In Alton Tower, een idem. - Het stuk uit de Galerij van den Hertog van Berry, berust thans bij Ch. Heus, te Londen. - Het laatst-bekende jaartal op een zijner tafereelen, in de Galerij, te Weenen, is 1674. - In de Verzameling van Th. Patureau, verkocht te Parijs, 1857, waren van jan wynants twee schilderijen, beiden door a. van de velde gestoffeerd. De eene getiteld: La sortie de la Bergerie, in 1851, in het Kabinet van Van Saceghem, te Brussel, werd door den Heer Meunier met 7600 francs betaald; en de andere, een Landschap, door Z.M. den Keizer der Franschen, voor 4500 frcs. gekocht. - Noch zijn geboorte-, noch zijn sterftijd is met eenige zekerheid vermeld. Alleen vindt

[p. 1892]

men bij Van Eynden en Van der Willigen, dat ‘hij in het Schilders-Gildeboek, te Haarlem, wordt gevonden, als ingeschreven te zijn in het jaar 1677.’ - Maar hoe? dit kan noch als leerling, noch als meester wezen, want in beide gevallen moest dit vroeger plaats gehad hebben, wilde hij zijn bedrijf daar mogen uitoefenen of leerlingen kunnen aannemen. Zou het soms het tijdstip van zijn overlijden zijn, of welligt op een zoon van dienzelfden naam doelen?

[Wynen (Oswald)]

WYNEN (Oswald) is bij Immerzeel vermeld, doch Nagler, die, bij vergissing, van wynen schrijft, zegt tevens, geboren te Heusden, 1739, en overleden te Amsterdam, en verder, dat hij een leerling van jan van huysum was. Dit is onaanneemlijk, dewijl deze in 1749 overleden is. - Hij nam echter de werken van dien grooten meester tot leiddraad en is daarin vrij goed geslaagd.

[Wynendale (Arent van)]

WYNENDALE (Arent van) vond ik op de Lijst der burgers van de Stad Gent, die in 1585 getauxeerd werden, om de gedwongen heffing van 600,000 ponden tournois te betalen: ‘arent van wynendale, Schilder, 8 ℔ T.’ Zie Ph. Blommaert, Levensschets van lucas d' heere; Gent, 1853, in 8o., bl. 24.

[Wyngaerde. (Antonie van den)]

WYNGAERDE. (Antonie van den) Deze voorname Belgische kunstenaar is mij alleen bekend geworden als Schilder in dienst van Koning Philips II., van Spanje, door een Verzoekschrift aan de Gouvernante Margaretha van Parma, ingeleverd in Januarij, 1561, om met al zijne schilderijen, verdere goederen, vrouw en kinderen, onder vrij geleide, ter dienst van Z.M., naar Spanje te mogen trekken. Dat er werklijk van zijne kunst aldaar moet bestaan hebben, blijkt uit de Galerij van het Paleis Prado, waar, in 1582, verscheidene schilderijen van den Vlaamschen schilder antonie de las vinas, aanwezig waren, voorstellende de Zeeuwsche eilanden, met de steden, havens enz. Zie Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1861, p. 90.

[Wyngaerde, of Wyngarde. (Franciscus van, of van den)]

WYNGAERDE, of WYNGARDE. (Franciscus van, of van den) Immerzeel zegt, dat bij, omstreeks 1612, te Antwerpen, leefde, en Nagler, dat hij in dit jaar aldaar geboren werd. Deze meent, dat hij omstreeks 1660 overleden is. Tevens vindt men bij laatstgenoemden auteur 28 stuks zijner etswerken vermeld. - Ik voeg er nog bij, dat de Veldslagen, voorkomende in F. Strada, Nederl. Oorloghen enz., t' Antwerpen, by J. Cnobbaert, 1645, in fo., zijn door hem fecit, in fo. plano. - Er gaat een fraai Portret van hem uit, zittende op een stoel, en met den regterarm over de rugleuning rustende, bijna van voor te zien; achter hem een Gezigt op de stad Antwerpen; beteekend vincentus castellanus delineatus, w. hollar fecit, f. van den wyngarde excudit, in fo. waaronder franciscus van wyngarde Calcographus.

[Wynkel, (P. van)]

WYNKEL, (P. van) een Landschapschilder, van wien geene levensberigten zijn bekend. Hij heeft een klein Landschap, in 4o. geëtst. Zie Nagler.

[Wyns, (N.)]

WYNS, (N.) een Bloemschilder, geboren te Brussel, die, volgens F. Bogaerts, I, bl. 124, op het einde der XVII. eeuw werkzaam was.

[Wynter (Augustin)]

WYNTER (Augustin) vond ik in den Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1858, bl. 339, vermeld als zilversmid en wapengraveur, die, in 1530, te Brussel, bloeide.

[Wynter. (Hendrik) Zie Winter. (Hendrik)]

WYNTER. (Hendrik)- Zie WINTER. (Hendrik)

[Wypart, of Wypartz. (Antonie)]

WYPART, of WYPARTZ. (Antonie) In de Rekeningen van den Bisschop van Luik leest men: ‘19 Februarij, 1587, geschilderde glazen door den Glasschilder antonie wypart volvoerd, en aan de Abdy van Robertmont geschonken, 70 Brabantsche florynen.’ Zie Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1858, bl. 340-342.

[Wys, (D. of D. de)]

WYS, (D. of D. de) een stempelgraveur van middelmatige verdienste, die

[p. 1893]

arbeidde in het begin der XVIII. eeuw. In de Beschryving der Nederl. Historie-penningen, I, bl. 22, 31 en 60, vindt men drie stuks van zijn werk beschreven. Zie Dr. Wap, Astrea, 1854, bl. 196.

[Wysman, (J.)]

WYSMAN, (J.) een onvermeld kunstgraveur, van wiens werk ik verscheiden prenten bezit, onder anderen, de portretten van Ds. J.O. Meyer, ovaal, in fo. in kleurdruk. - Generaal Daandels en J.G.H. Hahn, in ovaal, in 8o. -Een Paardenwed bij eene stad; ph. wouwerman pinx., door hem del. et sculp, in fo. oblong. - Hij woonde en overleed te Amsterdam, waar zijne nagelaten aanzienlijke kunst, in 1828, is verkocht.

[Wyt, (Jacobus)]

WYT, (Jacobus) moet in zijn tijd een hoogst bekwaam kunstenaar zijn geweest, dewijl hij Hofschilder van Keizer Karel V. was, en hem in 1546, tijdens den oorlog in Duitschland vergezeld heeft. Zie Ursachen des Deutschen Kriegs unter Kaiser Carl des fünften, von Frederik Hortledern; Gotha, 1645, in fo., II, blz. 333. Het is bekend, dat het werkzame personeel van de omgeving des Keizers veelal Nederlanders waren, wier namen in dat Werk met Hoogduitsche letters, zoo als die van m. jacobus wyt, Mahler, tot onderscheiding der vreemden, die met Fransche drukletters zijn geschreven, voorkomen.

[Wytevelde, of Witevelde, (Boudin van)]

WYTEVELDE, of WITEVELDE, (Boudin van) een voornaam Schilder en Beeldhouwer, die, in het midden der XV. eeuw, te Gent, bloeide, en door Immerzeel ter loops wordt vermeld. Ik moet er bijvoegen, dat, in de Schepenrekeningen van Gent, verscheiden groote werken voorkomen, door hem, en ook één, met jan de scoenere volvoerd. ‘Kenlic zy allen lieden dat jan de scoenere ende boudin van wytevelde commen syn voer Scepenen van der Kuere in Ghent, ende kenden ghenomen hebbende te maken jeghen eerweerdegher Vrouwe in Gode der abdesse van den Niewenbossche een Autaer-tafle, daer of zy van der somme ende betalinghe eens zyn, up dese conditie, dat de voornoemde jan de scoenere leveren sal boudine vorseit, t' allen tyden als hy 's te doene sal hebben omme t' vergulde vanderselver tafel, 't goud datmer toe orbueren sal, oft t' ghelt, omme 't selve goud mede te coopene. Ende immer dat geheellic ende al vulleverne onthier ende halfvastene eerstcomende. Ende insghelycx twee dueren derselver tafle toebehorende ghewrocht van Pourtrayturen onthier ende Paesschen, of daer hy van eenich van beeden in ghebreke ware, dat hy trecken sal in 's ammans chastelet. Ende insgelycx belooft voors. boudin up dat de voorn. jan hem zine leveringhe vulcomt zo vorscreven es, dezelve Tafle gheheel vulmaeckt alsoo 't behoort te leverne in de langhe weke voor Sinxene eerstcommende, ende (dat) up te treckene in 's ammans. Ende wel verstaende, ware jan in gebreke van ziner leveringhe te doene zo vorseit es, so soude hy onghehouden syn van ghelyken eenighe leveringhe te doene. Actum 10 Decembris, 1443.’ Verder nog dat hij voor ‘den ambachte van der Volderie, binnen Gent, belooft te leveren ende stofferen IJ Autaertafelen, toebehorende den voorzeiden Ambachte enz.’ Actum 29 Novembris, 1451.’ Zie verder den Messager des Sciences hist. etc.; Gand, 1859, bl. 167-169. - Uit de eerste overeenkomst blijkt, dat men destijds nog op gouden gronden schilderde. - In de Archiven van Rijssel, vindt men, in de oude Graaflijke Rekenkamer der Hertogen van Bourgondië, op het jaar 1456-57, het volgende aangeteekend: ‘A bauduin witevelde, paintre, pour avoir paint aux armes de MS. et estoffes de couleurs, ainsi qu'il appartient, deux bannerettes ou penons mis sur les deux tourrelles de la porte faisant yssue derrière sur l'eaue, de nouvel réparées, tant pour son oeuvre manuel, comme pour or et les couleurs à ce servants, XXXIJ sc. Zie le Comte de Laborde, Les Ducs de Bourgogne etc., Tom. I. Sec. partie; Paris, 1849, in 8o.,

[p. 1894]

pag. 470. - Hij was de oom van cleerbaut van witevelde; - Zie aldaar. - ook vond ik hem in de daar opgegeven bron, blz. 168, vermeld.

[Wytfelt. (Geryt Jansz. van)]

WYTFELT. (Geryt Jansz. van) In de Kameraarsrekening der Stad Utrecht, leest men, op het jaar 1538-39: ‘geryt jansz. van wytfelt, scilder, betaelt die somme van X ponden ende X scell., wt saecke hy nae Pyncxteren van Stadswegen tegens die wtfairt van onse alregenedichste Keyserinne etc. hoochloflycker memorien, die in den Dom gehouden worde, gescildert ende gemaeckt heeft ten getale van LXX. wapenen, waervan hy verdient heeft van elcx drie scellingen.’

[Wytman, (Matheus)]

WYTMAN, (Matheus) wordt door Immerzeel opgegeven als in 1650, te Gorinchem, geboren. Ik vond hem reeds in het St. Lucasgild, te Utrecht, ingeschreven: ‘1667. matheus wytmans, Lid, Konstschilder.’ - Zie nog op WYDTMANS. (N.)