terug  begin  verderprepost

B.

Baai,

een kleine zeeboezem of arm van de zee, die landwaarts loopt; zoo zij goed beschut is en eenen goeden ankergrond heeft, dan kan zij eene geschikte reede daarstellen en als zoodanig voor den oorlog ter zee van gewigt zijn; loopt er eene rivier in uit, dan kan zij dikwijls eene gunstige plaats voor eene oorlogshaven opleveren.

Baak.

1o. eene staak of stang, waarvan men zich bij het afsteken van hoeken en lijnen in het veld bedient; zij is van onderen van eenen ijzeren schoen voorzien, om haar gemakkelijk in den grond te kunnen steken; aan het boveneinde bevindt zich gewoonlijk een tweekleurig vlaggetje. 2o. eene boei als merkteeken voor zeevaarders.

Baan

der projectilen. Zie Kogelbaan, Schieten en Werpen.

Baanderheer, Baanrits, Baanrots,

(banneret, chevalier banneret); ten tijde der leenregering, de groote leenmannen, die een getal gewapende ridders met hun gevolg in het veld bragten en deze dan ook aanvoerden, zonder onder den graaf of de andere vorstelijke beambten te staan, die over de kleine onafhankelijke leenmannen van hun gewest het bevel voerden. De B. voerde eene vierkante banier (bannière) van denzelfden vorm als de vaandels der gewesten en van den landheer, terwijl de gewone ridders een tweepuntig vaandel, panoen (pennon) hadden; door het afsnijden der punten werd het panoen, banier en de ridder tot B. verheven.

Baard.

Het hoofdsieraad van het mannelijke gelaat; bij alle beschaafde volken was het dragen van den baard en van het hoofdhaar in hunnen natuurlijken groei, langen tijd het teeken van vrije mannen; alleen de slaven werden geschoren. Ook de soldaten droegen en onderhielden ten allen tijde gaarne hunnen baard; eerst de 18e eeuw bragt hierin verandering te weeg. De ontwikkeling der monarchie en der staande legers, deed voor de vorsten de noodzakelijkheid ontstaan, wilden zij groote legers onderhouden, in dier uitrusting met de meeste spaarzaamheid te werk te gaan; men had toen eensdeels voor den soldaat de achting niet meer, hem de natuurlijke gave van zijnen B. onaangeroerd te laten, anderdeels hield men de gelijkvormigheid voor eenen onontbeerlijken grondslag der krijgstucht en vergenoegde men er zich niet meer mede, die gelijkvormigheid in de kleeding daar te stellen, maar wilde ze ook op het ligchaam der soldaten toepassen; uit gemakkelijk te begrijpen gronden, lieten de baard en het hoofdhaar dit het beste toe: eindelijk vond men ook dat door lange haren en een' langen baard, de kleeding bevuild en bedorven werd en dit was eene tweede reden om den soldaten hun hoofdsieraad te ontnemen of het te beknibbelen

[p. 30]

Van toen af zien wij in de Europesche legers, de wonderlijkste misvormingen van het hoofdhaar en den B.; het kort afsnijden van het haar, werd spoedig opgevolgd door de vereeniging van het achterhaar tot eenen staart, terwijl het zijhaar een bepaald aantal lokken van eenen bepaalden vorm moest vormen; daarbij vond men het nu eens krijgshaftig in het geheel geen B. te dragen; dan weder liet men den knevel toe en verbande de bakkenbaarden, nu eens werd een bepaalde vorm van knevels en bakkenbaard voorgeschreven, die moeijelijk op ieder gelaat te verkrijgen was - ja, knevel en bakkenbaard moesten zelfs wel eens het naamcijfer van den vorst vormen, - dan weder verbande men de bakkenbaarden en vereenigde de knevel en den kinbaard tot een geheel. Opmerkelijk is het, dat bij het, Oostenrijksche regiment Chevaux-legers No. 4 tot op den huidigen dag, niemand, van den kolonel af tot den minsten soldaat toe, eenen knevel draagt, ter herinnering aan den slag bij Kollin, waarin het voor het eerst als dragonderregiment optrad en veel tot de overwinning bijdroeg, niettegenstaande de veldmaarschalk Daun kort te voren tot den kolonel St. Ignor gezegd had: ‘dat hij met zijne melkbaarden, ook niet veel bijzonders zou uitvoeren.’ Het is tevens bemerkingswaardig, dat sedert het jaar 1848 bijna overal de soldaat meer vrijheid in het dragen van den baard heeft gekregen.

Baardsen, Hulken, Zeinschepen,

oorlogsvaartuigen hier te lande in de 15e en het begin der 16e eeuw in gebruik.

Bagaadje,

legertros, die op voertuigen en lastdieren medegevoerd wordt; men gebruikt het woord, nu eens in eenen ruimeren zin voor alle voertuigen en lastdieren, die niet in het gevecht gebragt worden, dan eens in eene engere beteekenis, terwijl men de parken en munitie-kolonnes afscheidt van de voertuigen, die den voorraad van kleeding en uitrusting voor de troepen medevoeren. Zie ook Trein.

Bagijnera.

Zie Zeilen.

Bajonet.

Het doel der B. is het handvuurwapen der infanterie tot een blank wapen te maken. Daaruit vloeijen hare algemeene eigenschappen voort; zij moet op het geweer geplaatst, dit zoodanig verlengen, dat het als stoot- of slagwapen kan gebezigd worden; zij moet gemakkelijk opgezet kunnen worden en toch goed vastzitten; zij moet eindelijk een werkelijk blank wapen vormen. Er komen dus bij de B. twee zaken in aanmerking: het blanke wapen en de verbinding met het geweer. Wat het eerste punt betreft, zoo gebruikte men van oudsher bij voorkeur het stootwapen, zoo als van zelf spreekt, daar het bajonetgeweer de piek moest vervangen; men gaf haar dus eene driekante of ook eene anders gevormde regte kling van 1 à 1 1/2 voet lengte, die hetzij vol, hetzij hol uitgeslepen was.

De verbinding der B. met den loop kan op tweederlei wijze plaats hebben, hetzij dat men het geweer, met de B. er op slechts als blank wapen kan gebruiken, hetzij zulks daarmede ook als vuurwapen kan dienen. De oudste B. waren van de eerste soort; men vindt ze reeds bij de Franschen in het midden der 17e eeuw hier en daar gebezigd, toen de piekeniers hun gewigt verloren, de vuurwapens steeds in aantal toenamen en de musketiers, dikwijls op zich zelven staande, de behoefte aan een blank wapen gevoelden, om zich tegen de kavallerie te kunnen verweren. Deze oude B. bestonden uit een stok van 1 voet lengte, die in den loop gestoken werd en eene kling, die in de verlenging van den loop op dien stok bevestigd was. De nieuwere B. zijn allen van de tweede soort; de verbinding heeft hierbij plaats, door eene schaft, die over den loop geschoven wordt, zonder de monding te sluiten en door eenen stormring bevestigd wordt, verder uit een hals of bogt, regthoekig van de schaft afgebogen en aan welks uiteinde, de kling, nagenoeg evenwijdig met den loop, zit. Eene proef in Pruissen genomen om den stormring door eene veer te ver-

[p. 31]

vangen, heeft niet voldaan. De oudste B. van deze soort, komen in 1671 bij de bewapening van het Fransche koninklijke regiment der artillerie met steenslotgeweren voor. De hals was eerst zeer kort, de Pruissen verlengden hem in de 13e eeuw en hielden het eerst gestadig de bajonet op het geweer. (Zie Opzetten). Maar ook daar, waar men het gros der infanterie steeds met opgezette bajonet liet gaan, verlangde men dit niet voor de van getrokken vuurwapens voorziene scherpschutters, waarbij men veronderstelde, dat deze niet dikwijls handgemeen zouden worden en bij welke men de vrije en doelmatige behandeling van het geweer als vuurwapen noodig achtte, terwijl de opgezette bajonet eenen nadeeligen invloed op de juistheid en zekerheid van het schot moet hebben. Men gaf dus aan de scherpschutters, zijdgeweren hartsvangers genaamd, die aan den greep zoodanig ingerigt waren, dat zij aan den loop bevestigd konden worden, gewoonlijk echter in de scheede hangende, gedragen werden. Ook deze hartsvangers kregen doorgaans regte klingen en eerst in den laatsten tijd is men daarvan afgeweken en heeft in plaats der hartsvangers, naar het voorbeeld der Fransche jagers te voet, bij vele staten de slagbajonet of de yatagan met gebogen kling aangenomen. Terwijl bij de regte kling, het gronddenkbeeld altijd het gebruik in gesloten orde, in massa, tot den bajonetaanval was, zoo heerschte bij de invoering van de slagbajonet, die trouwens van het geweer gescheiden ook beter tot gebruik in het veld, tot houtkappen, vleeschhakken, enz., geschikt is, het denkbeeld voor, van het gebruik in de tirailleurketen, in het gevecht van man tegen man. Dit denkbeeld werd gevoed, door de geboorte eener eigenlijke bajonetvechtkunst, als welker schepper de Saksische kapitein Von Selmnitz kan beschouwd worden; het tijdstip waarop het bajonetvechten algemeen werd is, 1830-1840. Het bajonetschermen (Zie Schermkunst) berust op dezelfde regelen als de overige schermkunst; de infanterist moet nl. geoefend worden, bij gepaste houding van het ligchaam zijn geweer tegen den kavallerist als stoot- en slagwapen en tot parades te gebruiken. Indien men het ook al betwijfelt, of de infanterist door een doelmatig gebruik zijner B. den even geschikten ruiter in den strijd van man tegen man het hoofd kan bieden of zelfs kan overwinnen, zoo wordt toch door deze oefening, de uitvallen en sprongen, zijn ligchaam geoefend en buigzaam, zonder dat hij daarbij, zoo als bij andere dergelijke oefeningen, zijn wapen behoeft weg te leggen, terwijl de verkregen oefening het zelfvertrouwen vermeerdert. Om dezelfde reden als men in den laatsten tijd weder op vele plaatsen van het gestadig opzetten der B. terugkomen is, nl. daardoor, dat men van den infanterist alles verwacht van zijne vorming tot schutter en van de gestadige werkelijke en vermeende verbeteringen der vuurwapens, is ook het bajonetschermen in de laatste jaren weder op den achtergrond getreden. Het spreekt van zelf, dat de bajonetaanval in gesloten orde, naar diezelfde mate aan waarde verliest, als het vuurgevecht meer kracht en diensvolgens het overwigt verkrijgt, verondersteld, dat men dit woordelijk aanneme; maar al moet ook het gevecht met de blanke wapens zeldzamer worden, dan toen het schietgeweer zeer onvolmaakt was, zoo zal men toch in den oorlog de voonwaartsche beweging, die het zegel op alle voordeelen van het vuurgevecht drukt, wel nimmer kunnen ontberen; daar nu aan het einde dezer voorwaartsche beweging het handgemeen worden altijd tot de mogelijkheden behoort en men den soldaat slechts dan vooruit kan brengen, als hij die mogelijkheid inziet en daarop gewapend is, zoo moet men ook de B. niet verwaarloozen en men heeft groot ongelijk, de bataillons steeds in kleine hoopjes (kompagnies-kolonnes) op te lossen, die geenen innerlijken zamenhang en geene krachtsontwikkeling bezitten. Iedere bajonetaanval van een gesloten bataillon moet zoo mogelijk zonder ophouden, zonder vuren uitgevoerd worden; want zoodra men halt maakt, zal de

[p. 32]

vijand, die den aanval afwacht, bij het vuurgevecht natuurlijkerwijze in het voordeel zijn. De aanval moet echter de ondersteuning van het geweervuur niet geheel missen en tirailleurketens, die in de intervalles der bataillons mede vooruitrukken, geven ruimschoots gelegenheid, deze ondersteuning aan de aanvalskolonnes te verschaffen.

Bak.

1o. gedeelte van sommige schepen vóór den fokkemast en ingerigt tot logies voor de bemanning; 2o. menage, afdeeling van 6 à 12 matrozen, die gedurende eene geheele reis te zamen eten en ook gezamenlijk in dienst gebezigd worden; op alle oorlogsschepen worden zoowel de matrozen, als de dekofficieren en de soldaten in B. ingedeeld. 3o. B., achterwaarts, bijv. de zeilen (Zie Zeilen) bak brassen. 4o. B., links, bijv. bakboord, de linkerzijde van een schip of vaartuig; 5o. bakstagswind. Zie Wind.

Bakkerij.

Bij de uitrusting van een leger, kan men van twee geheel tegengestelde beginselen uitgaan; men kan het namelijk geheel onafhankelijk van het oorlogstooneel maken of men wil het doen leven door de hulpmiddelen van dat oorlogstooneel en het door de uitrusting slechts in staat stellen, die hulpmiddelen op de kortste en eenvoudigste wijze magtig te worden. Het eerste beginsel werd in de 18e eeuw, toen de oorlog alleen beschouwd werd als eene zaak, die de regering en niet het volk betrof, algemeen toegepast; het laatste werd door de Fansche omwenteling, nadat het langen tijd vergeten was geweest, weder in het leven geroepen. De uitrusting aan levensbehoeften ondergaat door de toepassing van het eene of het andere dier beginselen, de grootste wijzigingen. Volgens het eerste moet namelijk het leger niet alleen de oorspronkelijke levensbehoeften in zijne magazijnen medevoeren, maar ook de gereedschappen bijv. om het meel in brood te veranderen en dus bakkerijen en bakovens, benevens afzonderlijk georganiseerde korpsen van lieden, die de kunst van bakken verstaan. In den zevenjarigen oorlog vindt men nog overal dergelijke korpsen bakkers, die somtijds gewapend waren en waaraan bijzondere voorregten geschonken werden. Naar het tweede beginsel moet men overal de bakkerijen van het land, het voorhanden graan, de molens om het te malen en den voorraad meel in beslag nemen en het leger heeft dan niets noodig, dan een aantal wagens om een gedeelte van den voorraad, dadelijk op bepaalde punten te vereenigen, tot dat de gerequireerde voertuigen uit het land, gebezigd kunnen worden om dat transport verder voort te zetten. Het beginsel om van de hulpmiddelen van het land te leven, den voorraad, de werktuigen, enz. in beslag te nemen, kan echter in den oorlog nooit zuiver toegepast worden (zie Verpleging) en even als ieder leger bijzondere instellingen heeft, voor het geval, waarin de verpleging door de magazijnen op de eene of andere wijze moet geschieden, zoo heeft het ook, ten minste voor enkele gevallen zijne bakkerijen met hare transportmiddelen. Deze laatsten bestaan uit een aantal wagens, beladen met ijzeren geraamten voor veldbakovens, tenten tot het opstapelen van brood, bakkersgereedschappen en gereedschappen voor eenige metselaars, die de ovens moeten daarstellen. De ijzeren geraamten bestaan uit een aantal beugels, die in de lengte van den oven, naast elkander geplaatst worden, stukken om ze onderling te verbinden, eene deur en hare bevestigingsmiddelen. Deze geraamten worden nu met metselsteenen bekleed, waartoe zij voor de betere bevestiging van uitstekende gedeelten voorzien zijn. Een dergelijke oven is meestal voor de gelijktijdige opname van 200 brooden ingerigt, kan in 24 uren in vijf baksels 1000 brooden leveren en wordt door 6 metselaars en 6 handlangers in 5 à 6 uren tijds opgerigt en in de volgende 6 uren geheel gestookt. Moet eene veldbakkerij langer werkzaam blijven, dan maakt men naast de ijzeren, geheel gemetselde ovens, waartoe men omtrent 24 uren, benevens 8 uren voor het stoken noodig heeft; zijn deze ovens gereed, dan worden de ijzeren geraamten afgebroken, om ze het leger weder na te voeren. Als men

[p. 33]

geene ijzeren geraamten heeft en de bouwstoffen tot het maken van gemetselde ovens niet voorhanden zijn, kan men veldbakovens daarstellen, wier geraamte men uit sterke roeden half bolvormig zamenstelt; dit geraamte wordt dan van binnen en van buiten met klei beworpen en deze door het invlechten van dun rijshout en stroo steviger verbonden. Een dergelijke oven kan in 3 uren vervaardigd en in 3 volgende uren gestookt worden. De Russische soldaten bakken ieder afzonderlijk hun brood in gaten, welke zij in steile hellingen, van genoegzame vastheid insnijden. Zie Troepen der administratie en Werklieden.

Bakboord.

Het linkergedeelte van een vaartuig.

Bakboordskwartier.

Zie Boorden.

Bakloopplanken.

Zie Dek.

Baksen.

Scheepsterm, het geschut met handspaken verschuiven.

Bakstukken.

Zie Paardentuig.

Balist.

Zie Geschut.

Balistiek.

De leer der banen, welke geworpene ligchamen in de lucht beschrijven, in uitgestrekter zin de leer van het schieten en werpen. Euler, Robins, Lombard, Hutton, Coste, Poisson, Otto, Heim, Didion, Hartmann en J.P. Delprat, hebben zich door de ontwikkeling dezer leer zeer verdienstelijk gemaakt. Zij heeft zich intusschen nog niet tot eene praktische wetenschap weten te verheffen. In den laatsten tijd heeft de uitgebreide toepassing der verlengde projectilen en getrokken loopen de B. weder ingewikkelder gemaakt, en de noodzakelijkheid van het in acht nemen der rondwenteling, nog meer dan vroeger doen gevoelen. De hoofdtrekken der wetenschap, praktisch voorgesteld volgens Didion, zijn te vinden in de Aide-Mémoire à l'usage des officiers d'artillerie. 4e Edition.

Balistische slinger.

Een toestel bestemd om de snelheid van een projectiel in eenig punt zijner baan, hoofdzakelijk echter om zijne aanvankelijke snelheid te meten. Hij bestaat meestal uit een zwaar houten blok aan de randen met ijzer beslagen, welk blok door middel van ijzeren slingerstaven vrij is opgehangen. Men plaatst dezen toestel op het punt der baan, waar men de snelheid van een projectiel wil meten; de kogel welke het blok treft en daarin dringt, brengt het in beweging, terwijl men op eenen verdeelden cirkelboog kan aflezen, hoeveel graden het blok uitwijkt, zoodat men daaruit en uit de bekende zwaarte van het projectiel, de snelheid kan berekenen. Moet men de aanvankelijke snelheid meten, dan plaatst men den slinger slechts weinige passen van den vuurmond af; in dit geval kan men evenwel den vuurmond zelf als slinger ophangen, zien hoeveel graden hij afgeweken is en uit die afwijking met de bekende gewigtsverhouding tusschen den vuurmond en het projectiel, de aanvankelijke snelheid van dit laatste berekenen. In dit laatste geval kan men dus het blok geheel ontberen. In den nieuweren tijd bezigt men een veel naauwkeuriger toestel, namelijk de Electro-balistische slinger. (Zie dat woord).

Balk.

Een stuk hout van eene betrekkelijk aanzienlijke lengte, dat eene vierkante of weinig daarvan afwijkende regthoekige doorsnede heeft. Onderleggers, bruggenleggers of brugbalken zijn de B. die in de rigting van de lengte der brug, van het eene ondersteuningspunt tot het andere gelegd worden om de dekplanken te dragen, die loodregt over de B. liggen. Blinderingbalken dienen tot bedekking van geblindeerde gebouwen. Zij moeten niet minder dan 3 palmen in het vierkant zijn en worden minstens om de 3 of 4 ellen door moerbalken ondersteund. De gezamenlijke blinderingbalken met de fascines en de aarde, welke hen bedekken, noemt men blindering.

Balkanker.

Zie Anker.

[p. 34]

Balkweger.

Zie Vaartuig.

Ban.

1o. Zie Schutterij, Weerstelsel. 2o. Signaal, dat geslagen of geblazen wordt, als men eene zekere plegtige aandacht verlangt, bijv. bij het voorlezen van proclamatiën, vonnissen, enz.

Band.

1o. Ieder meer of minder buigzaam ligchaam, dat bij zeer geringe dikte eene veel grootere breedte en eene nog veel grootere lengte heeft, namelijk, als het, tot verbinding van twee gescheiden stukken, daar om heen gelegd wordt; men spreekt dus in de militaire techniek veel van ijzeren banden, enz. 2o. Buigzame takken, welke tot het binden van fascines, worsten, schanskorven, enz. en tot verankering daarvan gebezigd worden. Zie ook: Fascines, Schanskorven. 3o. Zie Handvuurwapens.

Bandelier.

(bandoulière). De riem waaraan de patroontasch bevestigd is, ingeval hij namelijk over den schouder gedragen wordt; om het lijf gedragen heet hij daarentegen: gordel, draagband (ceinturon). Vóór de invoering der patroontasschen droegen de muskettiers op het einde der 16e en bij het begin der 17e eeuw, 12 houten of metalen kruidmaatjes, met leder overtrokken, aan den B.; in elf daarvan was eene afgemeten kruidlading voor een schot, terwijl in het twaalfde maatje het pankruid bevat was. De kogels werden afzonderlijk in eenen kogelzak gedragen. De haakbusschutters hadden geene kruidmaatjes en geen B., maar namen het buskruid voor de lading, onafgemeten in een' kruidhoorn mede.

Banderium, Banderiaalhuzaren.

Bereden gevolg der Hongaarsche magnaten op de rijksdagen, later bereden ligting van den Kroatischen adel; zij komen in den 7-jarigen oorlog, in 1809 en 1813 en later weder in 1848 en 1849 op het krijgstooneel in Hongarijë te voorschijn; in deze laatste jaren waren zij met 2 eskadrons Wallachijers, die bij het regiment Szecklers ingedeeld waren, de eenige huzaren, welke Oostenrijk op dit oorlogstooneel bezat. In 1849 werden zij als regiment Banderiaalhuzaren in het staande leger opgenomen en later in een regiment Ulanen hervormd, met den naam van den toenmaligen bezitter, waarschijnlijk ten gevolge van de minachting, waarmede zij door de werkelijke Hongaarsche huzaren aangezien werden.

Bandiere (front de).

Kampfront, lijn waarop de kamperende troepen zich in slagorde scharen.

Bandon, Bende.

Het eerste woord bij de Byzantijnen, het tweede in de middeleeuwen en bij de Franschen nog in later tijd, gebruikelijk om eene troepenafdeeling van verschillende sterkte, tot 1000 man toe, aan te duiden. De troepen, welke in de Nederlanden het eerste staande leger vormden en in 1471 door Karel den Stouten opgerigt werden, droegen den naam van Benden van Ordonnantie. De Franschen noemden het: tirailleren in groote benden (en grandes bandes), als zij in de omwentelingsoorlogen geheele bataillons of regimenten in eene tirailleurketen oplosten. Bij de Oostenrijkers worden de muzijkkorpsen der regimenten, Musikbanden genoemd, terwijl deze in Engeland eveneens den naam van Band dragen.

Banier.

Een groot vierkant vaandel, gewoonlijk stads-, lands- of gewestelijk vaandel in tegenstelling tot het kleinere vaandel of vendel; in de middeleeuwen, waar het woord ook voor troepenafdeeling gebezigd wordt, beduidt het dien overeenkomstig ook de grootere troepenafdeeling, in tegenstelling tot het vaandel, dat de kleinere, gewoonlijk een gedeelte der B. aanduidt.

Bank.

1o. Kanonbank. Zie Geschutstellingen. 2o. Verheffing van den bodem der zee of van eene rivier, gewoonlijk zeer lang in vergelijking van de breedte. De B. ontstaan op verschillende wijzen, hetzij door aanslibbing van zand - zandbanken, door den bouw der koraaldieren - koraalbanken, als anderszins. Hare oppervlakte

[p. 35]

verheft zich boven die der zee, zoodat zij eilanden vormen, of blijft daaronder, waardoor ondiepten ontstaan.

Banket.

1o. Zie Borstwering. 2o. Zie Revetementsmuren.

Barak.

Hut tot verblijfplaats van troepen dienende, uit vlechtwerk en bekleedingsplanken zamengesteld en gewoonlijk van grooter omvang dan de gewone legerhutten.

Barbara

(de heilige). Beschermheilige der artillerie; van daar de benaming der kruidkamers op Fransche oorlogsschepen (Sainte-Barbe).

Barbet.

Kanonbank. Zie Geschutstellingen.

Barbier.

Een soldaat van de kompagnie of van het eskadron, die tegen eene vergoeding, welke hij uit de menage ontvangt, de manschappen het haar snijdt en scheert. Vroeger viel dit te beurt aan den frater of chirurgijn van de kompagnie, terwijl bij ons te lande de chirurgijns eerst bij besluit van 17 Augustus 1799 van die verpligting ontheven werden.

Barigel.

De naam van den hoofdman der boogschutters te Rome en in de meeste overige Italiaansche steden.

Barissan.

Benaming van de krijgsmagt der vorsten op Java en Madura, tot hulptroepen van ons leger dienende.

Bark.

Benaming van verschillende soorten van koopvaardij- en oorlogsschepen, die door enkele bijzonderheden van bouw en van tuigaadje van elkander en van anderen onderscheiden zijn. Als oorlogsschepen komen de B. thans niet meer voor.

Barkas.

Zie Sloepen.

Barkzeilen.

Zie Zeilen.

Barometer.

Zie Hoogtemeting.

Barrière of Slagboom.

Horizontale boom, die op twee loodregte staanders rust, tot afsluiting van eenen doorgang dient en naar willekeur geopend of gesloten kan worden. Zij wordt hoofdzakelijk bij tollen en ingangen in open steden gebruikt en is voor middelmatige of slechte kavallerie eene genoegzame hindernis; zie ook Friesche Ruiters.

Barrikaden

noemt men in het algemeen versperringen, die met meer of minder zorg, uit de voorhanden zijnde stoffen, aarde, steenen, meubels, enz. zijn opgeworpen en tot afsluiting van doorgangen van allerlei aard, bruggen, straten, pleinen enz. dienen. Naar den aard der zaak worden zij vooral bij burgeroorlogen in het groot gebezigd en wel voornamelijk bij het begin daarvan, zoo lang zij zich nog bepalen tot gevechten in de straten en de opstand nog niet geregeld is. De gevechten, die onder deze omstandigheden geleverd worden, ontleenen aan de B. een eigenaardig karakter en worden barrikadengevechten genoemd. De loop dier gevechten in den nieuweren tijd, bij het aanwezen van staande legers, die in de groote steden in garnizoen liggen, was doorgaans, dat de opstandelingen, die in den beginne nog niet zeer talrijk waren, zich in verschillende kleine hoopen verdeelden, die zich afzonderlijk in eene bepaalde wijk, door B. verschansten, om daardoor beter wederstand te kunnen bieden aan de gedeeltelijke aanvallen der zich verzamelende troepen en om de vereeniging dier troepen, welke hunne kracht uitmaakt, te verhinderen. Om de verdediging der B. tot een stelsel te verheffen, moest men ten eerste voor hunne flankverdediging zorgen, door het bezetten der nevenliggende huizen met scherpschutters; ten anderen moest men reserven vormen, die, gedeeltelijk achter de B., gedeeltelijk in de achterliggende huizen opgesteld, eenen onverwachten tegenstand konden bieden aan de troepen, welke na de vermeestering der B. de overwinning reeds meenden behaald te hebben; ten derde moest er een

[p. 36]

zeker verband tusschen de B. daargesteld worden, zoo door het daarstellen eener vrije onderlinge gemeenschap, als door het aanstellen van een algemeen opperbestuur en het spoedig oefenen der verschillende afdeelingen, vooral met het oog op eene geregelde aflossing. Een en ander ontbreekt echter gewoonlijk; van daar dan ook de groote invloed, die het spoedige verlies eener enkele B. dikwijls op de geheele verdediging uitoefent; van daar de geringe volharding der verdedigers, die zich eerst in overtollig sterke massa's achter de B. ophoopen, om dan, moede van het waken gedurende 24 uren, wars van het lange wachten, zonder eenig opperbevel hoegenaamd, zich in even groote hoopen weder verwijderen. Toen in 1848 en 1849 de barrikadengevechten te Milaan, Weenen, Berlijn, Praag en Parijs de aandacht van alle partijen in groote mate gaande maakten, had hetzelfde plaats, wat men bij de invoering van alle nieuwigheden opmerkt. De militaire autoriteiten zagen in de B. eene vaste instelling, die, wat de aanval betreft, tot een stelsel moest gebragt worden. Beweegbare schermen werden uitgevonden, waarachter men gedekt tegen het vijandelijke vuur, elke vaste B. van welken aard ook, konde naderen en wier verdedigers men door handgranaten zeker meende te verdrijven. De hoofdzaak echter is om de troepen zoo snel mogelijk te vereenigen en ze daarna hunne krachten niet in gedeeltelijke aanvallen te laten verspillen; in de keuze der vereenigingsplaats, dient men zoowel de verpleging der troepen, als de mogelijkheid tot behoorlijke ontwikkeling van het gevecht in overweging te nemen. In de meeste gevallen is het gemakkelijk hieruit dat punt, hetzij binnen, aan den omtrek of buiten de stad te bepalen. Bij de keuze van het aanvalspunt, moet men er vooral op letten, in het barrikadenstelsel ergens eene opening te maken, waardoor men de verschillende brandpunten der verdediging van elkander scheidt. De bouwtrant der steden maakt ze meer of minder geschikt voor de verdediging door B.; steden met naauwe, kronkelende straten, die men in de lengte niet met geschut kan bestrijken, vele kleine pleintjes, enz. begunstigen die verdediging; wanneer daarenboven de troepen bij de burgers ingekwartierd of in kleine kazernen over de geheele stad verspreid zijn, indien men geen vast punt binnen de stad of aan haren omtrek bezit, waar zij zich kunnen staande houden, waar ook voor het levensonderhoud en de verpleging der gekwetsten kan gezorgd worden, dan zijn de troepen in eenen zeer ongunstigen toestand. Nog niet lang geleden was Parijs zeer gunstig voor de barrikadenverdediging; nadat Napoleon III echter, de naauwe en kronkelende stadsgedeelten gesloopt en door lange, breede en elkander regelmatig kruisende straten vervangen heeft, is dit geheel veranderd en als hij zijn voornemen ten uitvoer brengt, alle bijzondere huizen uit het eiland van de Seine te verbannen en slechts publieke gebouwen, met oorlogsmagazijnen van allerlei aard, hospitalen, enz. daar achter te laten, zal de barrikadenverdediging daardoor nog moeijelijker worden. Zie Kuijper, Studiën over den barrikaden-oorlog.

Baschi-Bozuks.

Turksche ongeregelde kavallerie.

Baschkiren.

Nomadische volksstam aan den Ural, die even als de Kozakken eene militaire organisatie heeft; volgens de organisatie, welke nog in 1854 van kracht was, behoorden de B. tot de Kozakken van den Ural en leverden, met inbegrip van eenige ondergeschikte stammen, 17 sotnia's ruiters, elk van 100 man, die behalve met de lans, nog gedeeltelijk met pijl en boog gewapend waren.

Basiliscus.

Bastaardslang. Zie Geschut.

Bastaardgeschut

noemde men vroeger de vuurmonden, welke korter dan de gewone en bovendien van grooter kaliber waren.

Bastion, Bastei, Bolwerk.

Zie Versterkingskunst. Bastione beteekent in het Italiaansch eigenlijk stok; men verklaart de toepassing van dat woord, daar-

[p. 37]

door, dat men zich de beide B. voorstelt als stokken, waartusschen de vestingwal als eene gordijn (courtine) gespannen is. Het bastion bestaat uit twee facen, die naar buiten gerigt zijn en onder een' grooteren of kleineren hoek, saillant genoemd, zamenloopen en uit twee flanken, die elk eene face met de nevenliggende courtine verbinden. Bij de oude Duitsche krijgsbouwkundigen werden de facen, omdat zij onmiddelijk het uitzigt op den verwijderden vijand hebben, gezigtslijnen, de flanken echter, wijl zij de grachten voor de facen en courtines bestrijken, strijklijnen genoemd. De hoek gevormd door de face en de flank, wordt schouderhoek, die welke de flank met de courtine maakt, flank- of courtinehoek genoemd. Men heeft getracht, de uitwerking van het ricochetvuur op de flanken te verminderen, door deze eenen gebogen vorm te geven, waardoor men te gelijkertijd een geconcentreerd vuur voor de nevenliggende face kan brengen, of door in den schouderhoek een zoogenaamd orillon, van ronden vorm aan te leggen en de flank voor een gedeelte terug te trekken, waaraan men den naam van teruggetrokken flank geeft. De lijnen, welke de uiteinden van de teruggetrokken flank met het orillon en den oorspronkelijken courtinehoek vereenigen, noemt men brisures (gebroken lijnen), gene de buitenste, deze de binnenste. Het nut der gebogen flanken is evenwel zeer twijfelachtig. De kromming toch is zoo gering, dat het vrijwaren tegen ricochetschoten zeer onbeduidend is. Het geconcentreerde vuur voor de nevenliggende face, waar de vijand toch nooit verschijnt, is slechts een denkbeeldig voordeel, dat even goed met regte flanken kan verkregen worden, hoewel in beide gevallen ten koste van het bestrijken der faces. De denkbeeldige lijn, welke de beide courtinehoeken van een B. met elkander vereenigt, noemt men de keel, waardoor het B. gemeenschap heeft met het inwendige der vesting. Men onderscheidt volle B. waarbij de binnenste lijn van den walgang, niet evenwijdig met de vuurlijn loopt, maar door de keel bepaald wordt, holle B., waarbij de walgang langs de facen en flanken evenwijdig met de vuurlijn loopt, gekazematteerde B., welke onder de facen en flanken, ook wel alleen onder deze laatsten van kazematten voorzien zijn, gedetacheerde B., welke geen zamenhangend geheel met den hoofdwal uitmaken, maar door eene gracht daarvan gescheiden zijn. Halve B. bestaan slechts uit ééne face en ééne flank, terwijl de ontbrekende lijnen, door eene regte lijn vervangen worden, die meestal ter zelfder tijd de courtine van een nevenliggend half bastion uitmaakt. Gebastionneerd stelsel of gebastionneerd tracé noemt men de bevestigings-manier, waarbij de hoofdwal van eene vesting uit bastions, welke door courtines met elkander verbonden zijn, bestaat. In dit tracé noemt men eene courtine, met de beide daaraan grenzende halve B. een gebastionneerd front, of kortweg een front van de vesting. Zijn alle fronten met hunne verbindingen gelijkvormig, dan noemt men de vesting regelmatig, in het tegengestelde geval onregelmatig. Veldwerken of tijdelijke verschansingen, die volgens het gebastionneerde stelsel zijn aangelegd, worden gebastionneerde schansen genoemd. Men heeft vele benamingen, welke aan een B., als een gedeelte eener vesting gegeven worden, ook op andere werken, somtijds zeer onjuist toegepast; zoo worden bijv. in de veldverschansing dikwijls afgezonderde, door geene courtine verbonden werken aangelegd, die den vorm van een B. hebben; zulk een werk gewoonlijk lunette (bril), bij de Franschen ook wel redoute genoemd, kan geheel alleen, zonder de minste verbinding met andere werken staan. Ook in dit geval noemt men de onderdeelen van dat werk: faces, flanken, keel, als of het een gedeelte van eenen gebastionneerden hoofdwal was, hoewel bijv. hier de flank volstrekt geene andere lijn bestrijkt.

[p. 38]

Bataille.

Slag; lijn van B., slaglijn; orde van B., slagorde; opstelling in B., voor opstelling in linie; marsch in B., marsch van gedeploijeerde troepen; eene batterij artillerie staat in B., als de stukken opgelegd en de paarden naar den vijand gekeerd zijn. - Tot op het laatst der 17de eeuw verstond men onder den naam van B., hetgeen thans linie of slaglinie genoemd wordt, terwijl de tweede linie of het hoofdkorps, bij voorkeur met dien naam alleen bestempeld werd.

Bataillon

(bataglione), noemde men in de 16de eeuw eene bende voetvolk in vierkante orde geschaard; somtijds gebruikte men daarvoor ook de benaming van eskadron (squadrone). Het woord B. beteekende toen noch eene troepenafdeeling van bepaalde sterkte, noch een zeker gedeelte van een regiment, maar eene bepaalde taktische formatie, welke beteekenis tot aan het einde der 17de eeuw dezelfde bleef; eene enkele kompagnie in diepe slagorde geschaard, droeg even goed den naam van B., als een geheel of zelfs meer dan één regiment, dat in gesloten orde stond. Het B. bestond in de 16de of 17de eeuw (zie Infanterie) uit piekeniers en schutters; de geschiedenis van het B. in de genoemde eeuwen, is die van de verbinding dezer twee soorten van infanterie. In de 16de eeuw was het leger in den regel in drie groote bataillons ingedeeld (zie Slagorde); die B. telden dan 4000, 5000 of meer manschappen. De piekeniers vormden op zich zelven een vierkant, dat is de rotten telden evenveel manschappen, als de gelederen. De schutters schermutselden vóór het B., doch kwamen al spoedig in een naauwer verband met de piekeniers; men plaatste schutters in het tweede gelid van het bataillon piekeniers, alsmede op een of op beide vleugels, terwijl het overschot der schutters tot schermutselen gebezigd werd. Intusschen werd dit aantal der op zich zelven handelende schutters al meer en meer beperkt en op het einde der 16de eeuw, was het geheele B. piekeniers aan de vier zijden, door 3 à 5 gelederen schutters omringd, terwijl de overige schutters, eveneens in vierkanten geschaard, als vleugels aan twee of wel aan de vier hoeken van het B. werden opgesteld. De Spanjaarden bezigden dergelijke B. in de Nederlanden, de Oostenrijkers in Hongarije tegen de Turken, waarom ze ook wel Spaansche of Hongaarsche B. genoemd werden. In deze orde bestreden Wallenstein en waarschijnlijk ook Tilly, den Zweedschen koning Gustaaf Adolf bij Lutzen en Breitenfeld. Hunne bataillons telden in den regel 2 à 3000 man en bestonden voor de helft uit piekeniers, voor de andere helft uit schutters. In de Nederlanden was intusschen Prins Maurits in den bevrijdingsoorlog tegen Spanje, reeds tot een geheel ander stelsel overgegaan. Hij had zwakke regimenten (zie Regiment) van omstreeks 1000 man, half schutters, half piekeniers en vormde zijne B. slechts uit halve regimenten. Hij stelde de piekeniers van het B. op 10 gelederen in het midden en schaarde de muskettiers op de beide vleugels, eveneens op 10 gelederen; indien de schutters door kavallerie bedreigd werden, vonden zij eene schuilplaats achter de piekeniers. De Nederlanders stelden hunne bataillons ruitvormig (en échiquier) achter elkander in twee of vier liniën en vormden uit een aantal B. eene brigade (zie Brigade); ook de Spanjaarden en de Keizerlijken voegden gewoonlijk 4 Spaansche of Hongaarsche B. tot eene Spaansche brigade bij elkander. Gustaaf Adolf volgde het voetspoor der verbeteringen door Prins Maurits ingevoerd; hij verminderde het aantal gelederen zijner infanterie tot op zes; hij vereenigde echter verschillende bataillons van dezelfde sterkte als de Nederlandsche tot een enkel B. en gaf hieraan den oneigenlijken naam van Brigade. De Zweedsche brigades, welke door Gustaaf Adolf op de slagvelden in Duitschland gebruikt werden, bestonden gewoonlijk uit 2 regimenten, elk van 1200 man, die echter een gedeelte hunner muskettiers tot andere diensten moesten afgeven, zoodat bij de brigade het getal piekeniers grooter dan dat der musket-

[p. 39]

tiers was. De manschappen der brigade werden in drie gelijke afdeelingen verdeeld, (vier-vaandels of quaternionen genoemd, omdat zulk eene afdeeling gewoonlijk vier vaandels of kompagniën telde); iedere dezer afdeelingen was weder in eene divisie piekeniers en twee divisiën muskettiers verdeeld. De drie divisiën piekeniers werden nu eerst op 6 gelederen naast elkander geplaatst, de middelste rukte dan 15 passen vooruit, terwijl de beide divisiën muskettiers, welke tot die middelste afdeeling behoorden, zich achter hunne piekeniers stelden, en de andere divisiën muskettiers, die tot de vleugelafdeelingen behoorden, op de vleugels hunner piekeniers opgesteld waren.

Na den dertigjarigen oorlog bezigde men weder de benaming Bataillon en werd de benaming brigade niet meer in den zin van Gustaaf Adolf toegepast. Het B. werd toen meestal uit 3 divisiën van gelijke sterkte zamengesteld, waarvan twee muskettiers en de derde piekeniers waren. De piekeniers stonden in het centrum, de muskettiers op de beide vleugels, allen op 6 gelederen. Men maakte de B. niet sterker dan 120, hoogstens 150 rotten, wat eene sterkte van hoogstens 1000 man geeft. Waren zij sterker, dan werd het aantal gelederen vermeerderd. Om de infanterie tegen de aanvallen der kavallerie te verzekeren, door eene doelmatige verbinding der blanke wapens met de vuurwapens, en zoo mogelijk een flankvuur der laatsten te verkrijgen, vormde men, ten minste op het exercitie-veld, de zonderlingste figuren, kruisen, achthoeken enz., die in het algemeen den naam van defensieve bataillons voerden.

Toen met de bevestiging der monarchiën, de staande legers algemeen werden en de pieken geheel verdrongen waren, terwijl het bajonetgeweer het eenige wapen der infanterie werd, deelde men de regimenten in een bepaald aantal bataillons in, welke inrigting nog ten huidigen dage bestaat. Tot dien tijd was het B. de ware taktische eenheid geweest en zijne sterkte en zamenstelling was in het naauwste verband met de taktische verhouding. Men ziet dan ook, volgens de verschillende taktische inzigten, eene gestadige afwisseling in de sterkte van het B.; het werd echter algemeen zwakker, toen het aantal vuurwapens toenam en het aantal gelederen verminderde. Met de linie-taktiek verloor het B. veel van zijne zelfstandigheid en diensvolgens van zijn gewigt; het was niet veel meer dan een groot peloton. Zijne sterkte was dus onverschilliger en men ziet werkelijk van den Spaanschen successie-oorlog af, B. van de meest verschillende sterkte optreden, 250, 300, 400 tot 700 en 800 man, zonder dat dit verschil eenigen merkbaren invloed uitoefende. Ten tijde van Frederik den Grooten werd de sterkte van 600 man als normaal aangenomen. Hoewel de kolonne-taktiek na de Fransche omwenteling ingevoerd, het B. als een onderdeel van een regiment of van eene halve-brigade het bestaan, schonk zij het echter een groot gedeelte van zijn verloren gewigt terug, daar het zelfstandiger moest optreden. Daaruit kan men nu besluiten, dat het B. weder sterker moest worden - en dit geschiedde dan ook inderdaad. Gedurende Napoleon's oorlogen, werd de sterkte van het B. normaal op 1000 man gerekend, terwijl sommige mogendheden dit getal zelfs te boven gingen. Het B. was weder de ware taktische eenheid van de infanterie geworden en kreeg eene daarmede overeenkomende sterkte. In weerwil van den geheel logischen en geschiedkundigen loop der zaken, heeft men in den laatsten tijd het B. als taktische eenheid (zie Eenheid) te groot gevonden en het als zoodanig door de kleinere afdeeling der kompagnie (zie Formatiën) willen vervangen. Men kan intusschen als zeker aannemen, dat men zeer spoedig tot de grootere B. zoude terugkeeren, als men die kleinere taktische eenheid gedurende eenigen tijd gebezigd had. Instructie-bataillon, Leer-bataillon, Model-bataillon

[p. 40]

(Muster-Bataillon), is een B. dat uit manschappen van alle regimenten infanterie van een leger of een legerkorps bestaat, die van tijd tot tijd afgelost worden om de gelijkvormige opleiding, die zij gekregen hebben, bij hunne troepen over te brengen, en zoo doende de gelijkvormigheid der instructie bij het geheele leger te bevorderen. Bij ons dient het instructie-bataillon vooral tot vorming van onder-officieren en korporaals. Treinbataillon, zie Trein. Vergelijk ook Kavallerie, Marschbataillon.

Bataillons-artillerie.

Regiments-artillerie. Zie Artillerie.

Bath-Orde,

of orde van het Bad. Engelsche ridderorde in 1399 door Hendrik IV gesticht.

Batterij.

1o. Eene vereeniging van eenige stukken, die, hetzij op een zeker punt gezamenlijk tegen hetzelfde doel werkzaam zijn of zoo gebruikt moeten worden. 2o. De plaats, waar de stukken opgesteld zijn of de borstwering, waarachter zij gedekt staan. Het woord B. komt in die verschillende beteekenissen, dan ook in vele verbindingen of wel afzonderlijk voor.

a. Veld-Batterij of eenvoudig batterij is de taktische eenheid der veldartillerie; men onderscheidt deze batterijen weder naar de soort en het kaliber der stukken, waaruit zij geheel of grootendeels zamengesteld zijn (kanon-, granaatkanon-, houwitser-, vuurpijl-, berg-, 12 illustratie, 6 illustratie, enz. batterijen), vervolgens naar de wijze van vervoer der bedienings-manschappen in voet-, ligte veld-, rijdende B. Men is het tegenwoordig vrij wel eens, over de regels waarnaar de veld-B. zamengesteld moet worden; door de verschillende toepassing dier regels, bestaat echter in dat opzigt nog groote verscheidenheid, bij de artilleriën der verschillende mogendheden. In het algemeen vindt men het voordeelig voor de leiding en de werking eener B, dat zij uit ééne geschutsoort en uit één kaliber bestaat. Terwijl kortelings geleden, bijna overal nog kanons en houwitsers vereenigd waren, is thans de strekking om de houwitsers uit de kanonbatterijen weg te nemen en waar men ze niet geheel ter zijde wil stellen, in afzonderlijke houwitser-B. te vereenigen.

Het aantal stukken, waaruit eene B. bestaan moet, is van verschillende omstandigheden afhankelijk. Nadat men bepaald heeft, hoeveel vuurmonden per 1000 man van een leger daarvan gerekend worden, hoeveel men onmiddelijk bij de troepen wil voegen en hoeveel bij de reserven der legerkorpsen of der legers vereenigd moeten worden, bepaalt men, dat bijv. aan elke brigade infanterie of kavallerie eene B. zal toegevoegd worden, zoodat dan de sterkte dier B. uit het aantal en de sterkte der brigades kan afgeleid worden.

Een leger, dat bijv. zonder de reserve-artillerie op 1 1/2 vuurmond per 1000 man rekende en brigades van 4000 man had, zoude, onder de gegeven omstandigheden batterijen van 6 stukken hebben; telden de brigades 5 à 6000 man, dan zouden de batterijen 8 vuurmonden sterk worden. Eene B. van 8 à 12 stukken zoude nog gemakkelijk te overzien en beweegbaar genoeg zijn, indien zij alleen uit die stukken bestond; maar er behooren buitendien nog een groot aantal voertuigen toe. Moeten deze nu de B. steeds volgen, dan groeit bij een groot aantal stukken, het aantal voertuigen zoodanig aan, dat overzigt en leiding eener B. voor één chef bijna onmogelijk worden. In dat geval moet men dan een kleiner aantal stukken verkiezen, in het tegengestelde geval kan men dat aantal eenigzins vergrooten. Bij de artilleriën der groote Europesche mogendheden tellen de Oostenrijksche, Pruissische en Russische batterijen 8, de Fransche en Engelsche 6 stukken. De overige mogendheden volgen een dezer beide stelsels; bij ons te lande heeft men 8 vuurmonden per batterij, behalve voor de ligte rijdende-B. die slechts 6 vuurmonden tellen; alleen de Zwitsers hebben 12 illustratie kanon- en lange 24 illustratie houwitser-batterijen van 4 stukken. Iedere B.,

[p. 41]

die volledig uitgerust is, moet voor elken vuurmond eenen voorraad van minstens 200 schoten medevoeren. Men heeft dien ten gevolge meer kaissons noodig, naarmate het kaliber grooter is en de voorwagen minder munitie kan medevoeren.

Eene ligte veld-B. moet, zonder den voorraad of het kaliber in aanmerking te nemen, minstens één kaisson voor elk stuk hebben, daar men anders de noodige bedienings-manschappen, in de snelle gangen niet mede kan voeren, zonder de voertuigen te veel te belasten en de bespanningen te vermoeijen. De B. moet verder een aantal voorraadstukken, voorraadaffuiten, raderen, enz. medevoeren. De voorraadaffuiten vormen afzonderlijke voertuigen en hunne voorwagens kunnen tevens tot vervoer van een gedeelte der munitie dienen; de overige voorraadstukken, hout, leder, touw en ijzer tot het herstellen van affuiten en van tuigen en voor het hoefbeslag worden op afzonderlijke voorraadwagens vervoerd. Om de noodige herstellingen te kunnen doen, heeft men bij iedere B. één en zoo zij zeer veel voertuigen telt, twee smidswagens; in het laatste geval is er één uitsluitend voor het hoefbeslag bestemd. De Fransche artillerie is in al deze opzigten het best voorzien. Bij de Fransche batterijen, die bij de divisiën ingedeeld worden, zijn ook de infanterie-kaissons gevoegd, waarvan zij er één op 500 man rekenen, terwijl deze voertuigen bij de andere mogendheden, de bataillons en regimenten volgen. Eene Fransche veld 12 illustratie granaat-kanonbatterij telt 6 stukken, 12 artillerie-kaissons, 6 infanterie-kaissons, 2 smidswagens, 2 voorraadwagens en 2 voorraadaffuiten, in het geheel 30 voertuigen of 4 voertuigen bij elken vuurmond. De Pruissische 6 illustratie batterijen (fahrende) tellen op 8 stukken slechts 9 voertuigen, als 6 kaissons, 1 voorraadwagen, 1 smidswagen en 1 pakwagen. Hunne voorraadaffuiten worden bij de parken der legerkorpsen medegevoerd. Bij ons te lande bestaan de zware veld- en rijdende houwitser-B. uit 8 vuurmonden, 8 kaissons, 2 voorraadwagens, 1 smidswagen en 2 voorraadaffuiten, in het geheel 21 voertuigen, de zware rijdende 6 illustratie B. hebben 2 kaissons minder. De ligte veld-B. tellen 8 vuurmonden, 4 kaissons, 2 voorraadwagens, 1 smidswagen en 1 voorraadaffuit, de ligte rijdende-B. hebben 2 vuurmonden minder. De overige voertuigen zijn bij het groote reservepark of bij de afdeelingen daarvan.

Behalve het reeds vroeger genoemde nadeel van een te gering aantal kaissons, verschieten zoodanig zamengestelde B. hare munitie te spoedig en brengen dan door haren afmarsch eenen nadeeligen indruk op de overige troepen te weeg. Een voordeel van een betrekkelijk groot aantal voertuigen bij eene B. is, dat in het gevecht de voertuigen, welke onmiddelijk daaraan deelnemen, de fourrage, welke zij opgeladen hebben, kunnen overladen op degenen, die bij de batterijreserve verblijven en dat zij zoodoende aanmerkelijk verligt worden. - De voertuigen, welke een werkzaam deel aan het gevecht nemen, namelijk de stukken en bij iedere goed georganiseerde B. één kaisson voor ieder stuk, noemt men manoeuvreerbatterij, zij die achterblijven batterijreserve. Hoe grooter het aantal voertuigen eener B. is, des te grooter wordt natuurlijk het aantal paarden tot hare bespanning en het aantal manschappen tot hare bediening. Eene Fransche ligte veld-granaatkanon B. van 6 stukken, telt 214 paarden en 216 man, de officieren medegerekend; eene Pruissische ligte veld 6 illustratie B. 210 man en 159 paarden. Bij de eerste heeft men dus gemiddeld voor ieder stuk 36 man en evenveel paarden, voor de laatste 26 man en 20 paarden. Gemiddeld kan men bij de ligte veld-artillerie 30 man en 28 paarden voor ieder stuk rekenen; bij de rijdende artillerie wordt het aantal paarden aanmerkelijk grooter, doordien alle (of de meeste) bedieningsmanschappen bereden zijn.

b. Belegeringsbatterij beteekent een aantal stukken, die de aanvaller op één punt en meestal ook tegen één doel vereenigd heeft, alsmede de borstwering of het

[p. 42]

werk, dat deze stukken opneemt, onverschillig of deze zich al dan niet daarin bevinden. Naarmate den aard der stukken, de stelling, het doel en de constructie der belegeringsbatterijen, verkrijgen zij verschillende benamingen. Zie Vestingoorlog.

c. Vestingbatterij noemt men een aantal stukken, die bij de verdediging eener vesting op ééne linie of in één werk vereenigd zijn en die gewoonlijk tegen een gemeenschappelijk doel werkzaam zijn.

d. Positiebatterij is gewoonlijk een aantal onbespannen stukken, die in eenige vaste stelling, in een werk of op een punt vereenigd zijn; men bestempelt echter ook de bespannen zware veldbatterijen ter onderscheiding van de ligte met dien naam.

e. Kustbatterijen, waaronder men de geschutstellingen en de daar vereenigde vuurmonden voor de kustverdediging verstaat, moeten deels de landingen des vijands verhinderen, deels havens en kustplaatsen tegen de nadering en het vuur van vijandelijke vloten verzekeren. Het moeten gesloten werken zijn, ten einde door kleine werkelijk gelande vijandelijke troepenafdeelingen, niet dadelijk genomen te kunnen worden. De stukken, waarmede zij bewapend zijn, moeten van een groot kaliber zijn en holle projectilen of gloeijende kogels, die voor schepen het gevaarlijkst zijn, schieten, terwijl zij wegens de beweeglijkheid van hun doel, een groot gezigtsveld dienen te hebben, waarom zij gewoonlijk en barbette vuren. Het is slechts zelden, in bijzondere gevallen voordeelig, hen achter schietgaten te plaatsen, bijv. als zij een naauw vaarwater in de lengte bestrijken.

f. Drijvende batterijen bestaan uit een groot aantal stukken, die op een vlot of op meerdere onderling verbonden vaartuigen geplaatst, ter beschieting van oorlogshavens of andere vaste punten aan de zeekust, dienen. Volgens de denkbeelden van Napoleon III, hebben de Franschen zich in den laatsten tijd, bijv. tegen Kinburn in October 1855, van zeer lage vaartuigen, van boven met gegoten ijzeren platen bedekt en met een groot aantal bomkanons van zeer zwaar kaliber bewapend, als drijvende batterijen bediend. Degene, die tegen Kinburn gebruikt werden, voerden ieder 22 bomkanons van 30 pond. Wij zien hetzelfde beginsel reeds in de jaren 305 en 304 vóór Christus toegepast, bij de drijvende B., die Demetrius Poliorketes tegen Rhodes in werking bragt. Ook in den Nederlandschen vrijheidsoorlog tegen Spanje komen dikwijls drijvende B. voor, bijv. bij de belegeringen van Leiden (1574), Venlo (1579), Antwerpen (1585), Ostende (1601-1604), enz. Bij eerstgenoemd beleg was als zoodanig vooral de ark van Delft bekend, die met raderen bewogen werd.

g. In de versterkingskunst verstaat men in het algemeen onder B. eene kunstmatig daargestelde geschutstelling, onverschillig of zij reeds geschut bevat of niet; men veronderstelt echter altijd, dat zij tot opname van verschillende stukken ingerigt is. Zulke B. zijn meestal aarden werken, uit eenvoudige borstweringen bestaande, waarin schietgaten ingesneden of waarachter barbetten zijn aangelegd; - of aarden werken, waarbij men hout te baat heeft genomen, om ze tegen vijandelijk worpgeschut te dekken, bedekte geschutstellingen, - of eindelijk gemetselde en dan gewoonlijk geblindeerde of overwelfde B., gekazematteerde B. Bij belegeringen kan men meestal slechts aarden B. gebruiken, tot wier bekleeding men verschillende soorten van houtwerk bezigt; de artillerie moet in den regel zelf de belegeringsbatterijen daarstellen, zoodat zij in den batterijbouw geoefend moet zijn. Naarmate de stukken in de aarden batterijen op het maaiveld, daarboven of daaronder staan, noemt men ze horizontale, verhoogde of ingezonken batterijen. De gekazematteerde B. in de duurzame versterkingskunst worden deels voor mortieren, deels voor kanons ingerigt; die voor kanons zijn enkele, als alle stukken in dezelfde rigting moeten vuren, dubbele als zij naar verschillende, meestal tegenovergestelde zijden front maken. Tot

[p. 43]

de eersten behooren in de nieuwere versterkingskunst de flankbatterijen, die gewoonlijk op den bodem der gracht voor de flanken der bastions of van andere dergelijke werken liggen, om de facen der nevenliggende werken te bestrijken; tot de laatsten de contrabatterijen, die men in den saillant van zeer vooruitspringende bastions aanlegt, van waar zij regts en links de werkzaamheden des vijands op het glacis met vrucht kunnen bestoken. De gekazematteerde B. hebben eene of meer verdiepingen.

h. Op een oorlogsschip noemt men batterij het geheele aantal stukken, op hetzelfde dek geplaatst; zij wordt in twee halve B. verdeeld, waarvan de eene zich aan stuurboord, de andere aan bakboord bevindt. Ieder dezer halve B. wordt laag genoemd.

Batterijgeschut.

Benaming welke men somtijds aan het vesting- en belegeringsgeschut in tegenstelling van het veldgeschut geeft.

Batterijmagazijnen.

Kruidmagazijntjes, die in of in de onmiddelijke nabijheid der belegerings- en vestingbatterijen aangelegd worden, om de munitie, voor dagelijksch gebruik bestemd te bergen en tegen het onweder, brand of vijandelijk worpgeschut te dekken. Tot hunnen aanleg wordt een kuil van omtrent 1,40 el diepte gegraven, van een' omvang, welke zich regelt naar de hoeveelheid der te bevatten munitie; in de hoeken daarvan worden sterke palen, die minstens 2 el boven den bodem des kuils uitsteken, ingeslagen; deze worden met dikke planken bekleed om de wanden te vormen, van boven met dwarshouten voorzien, en daarover eene laag blinderingbalken, fascines en aarde gelegd. Het geheel vormt zoo eene traverse en kan ook als zoodanig gebruikt worden. Men moet in het magazijn eene opening aan den minst blootgestelden kant laten, om tot ingang te dienen; de grond in het magazijntje is met eene vloer van ribben en daarover gelegde dikke planken voorzien of alleen met horden belegd, opdat de munitie niet op den vochtigen grond zoude staan.

Bazis.

Operatiebazis. Zie Operatiën.

Bed of Bedding

van een water noemt men de diepte, welke door de oevers ingesloten wordt.

Bedding.

1o. Zie onder Geschutstellingen. 2o. Zie Bed.

Bedekking.

Elke troepenafdeeling, bestemd tot bescherming van een andere troep, welke geen genoegzaam verdedigingsvermogen heeft of van een transport, van welken aard ook. Gewoonlijk moeten transporten wagens door daarbij gevoegde bedekkingen beschermd worden; men moet dan de bedekking van het geleide onderscheiden. Dit laatste heeft een technisch doel; het moet zorgen voor het goede onderhoud der voertuigen en der goederen, waarmede zij beladen zijn, zonder zich met den vijand te bemoeijen, terwijl de B. de aanvallen des vijands moet afslaan. Daartoe zijn vooral noodig goede veiligheidsmaatregelen (zie Veiligheidsdienst), het bijeenhouden van ééne of meerdere kleine reserven, waarmede men op het juiste oogenblik ter gewilder plaatse kan optreden, terwijl men steeds het behoud van het transport als het hoofddoel in het oog moet houden; het komt er gewoonlijk op aan, den vijand tegen te houden en aan het transport tijd te doen winnen. Is dit niet meer mogelijk en kan men gedurende den loop van het gevecht, het transport niet op eene veilige plaats opstellen, dan vormt men er eene wagenburgt van, om daardoor eene soort van borstwering te verkrijgen. In het algemeen kan men beweren, dat de dekking van een transport, als het werkelijk door den vijand aangevallen wordt, eene der moeijelijkste handelingen van den oorlog is, daar de B. in verhouding tot de grootte van het transport gewoonlijk zeer zwak is. Men moet er dus altijd op bedacht zijn, door het geheim houden der marschen, de keuze der wegen enz., het transport aan de aanvallen des vijands te onttrekken.

De artillerie is alleen voor het vuurgevecht geschikt en zal altijd in eenen neteli-

[p. 44]

gen toestand komen, als zij met den vijand handgemeen wordt; dit kan echter met de veldartillerie in het gevecht zeer dikwijls plaats hebben. Hoewel nu de verschillende wapens elkander in het gevecht wederkeerig moeten ondersteunen, zoo zoude toch een groot gedeelte van de werkzaamheid der artillerie verloren gaan, als zij zich angstvallig aan de andere wapens moest hechten, als zij alleen tusschen de bataillons en de eskadrons kon vooruit gaan en zoo doende alle zelfstandigheid in de keuze harer stellingen verloor. Om dit nu te voorkomen, voegt men bij elke batterij eene halve of geheele kompagnie infanterie, een half of geheel eskadron kavallerie, die haar zoo op marsch als in het gevecht gestadig volgt, met haar kantonneert of bivouacqueert en uitsluitend tot bescherming der batterij dient. Deze troepenafdeeling wordt dan bedekking der batterij genoemd. De B. moet zich in het gevecht zoodanig opstellen, dat zij zelve zooveel mogelijk gedekt is, alles kan gadeslaan, wat voor de batterij gevaarlijk zou kunnen worden en haar dadelijk ter hulp kan snellen. Hieruit blijkt, dat het niet noodig is, dat zij zich altijd onmiddelijk bij de batterij bevindt. In het algemeen schijnt kavallerie beter tot B. geschikt dan infanterie, omdat zij eensdeels beter alle bewegingen der artillerie kan volgen en anderdeels verrassende aanvallen der kavallerie voor de artillerie het gevaarlijkst zijn. In den jongsten tijd echter, sedert de algemeene invoering der getrokken vuurwapens of de strekking daartoe, is de infanterie veel gevaarlijker voor de artillerie geworden dan vroeger; een aantal goede schutters, die zich op 400 à 600 passen van eene batterij nestelen, kunnen in korten tijd haar geheele personeel wegschieten en men heeft daarom den wensch geopperd, aan de artillerie eene gelijksoortige bescherming te verschaffen. Hiertoe geraakt men nu door scherpschutters bij de batterijen te voegen. Indien de batterij zich open heeft moeten opstellen en de vijandelijke scherpschutters in eene bedekte stelling staan, dan zullen zij hun doel slechts zeer onvolkomen bereiken; zij moeten dan den vijand opzoeken en hem verdrijven. Voor de artillerie zelve is in deze verhouding een prikkel gelegen, door de verandering van haar materieel de verloren meerderheid in schootsverheid te herkrijgen, en in zoover het kartetsschot betreft, levert het gebruik der granaatkartetsen haar daartoe reeds het middel. Intusschen wordt hierdoor het nadeel nog niet verholpen, dat een honderdtal scherpschutters in hare nabijheid vastgenesteld, de artillerie kan beletten hare hoofdtaak te vervullen, namelijk haar vuur bij voorkeur te rigten op de vijandelijke massa's, die de beslissing moeten aanbrengen. Een gedeelte der bediening zoude de taak kunnen opnemen het vuur der scherpschutters te beantwoorden, indien men aan elke batterij eenige getrokken wapens van groot kaliber en groote dragt, als revolvers ingerigt, medegaf, terwijl men dan, als het eenigzins mogelijk is, de bedekking uit kavallerie zamenstelde. - Aan een transport vaartuigen ter zee, moet men als bedekking of konvooi altijd eenige ligte oorlogsvaartuigen medegeven, die in het wezenlijke dezelfde dienst te verrigten hebben als de bedekkingen van transporten te lande.

Bedekte Weg

of gedekte weg, bij de oude Duitsche ingenieurs ook wel loop en loopgracht genoemd, een weg van omstreeks 10 ellen breedte, die de gracht eener vesting omgeeft en door het glacis, zijnde eene borstwering, die zich onder eene zeer flaauwe helling in het veld verliest, gedekt is. De B.W. en het glacis vormen dus, de voorwerken buiten rekening gelaten, de eerste verdedigingslijn eener vesting, terwijl de B.W. tevens het doen van uitvallen gemakkelijker maakt en dier terugtogt begunstigt. Men verhaalt, dat bij de belegering van Weenen in 1529, de troepen, die eenen uitval gedaan hadden, door den oprukkenden vijand, tot aan den rand der gracht teruggedreven werden en daardoor in eenen zeer neteligen toe-

[p. 45]

stand geraakten, welke omstandigheid aanleiding tot het aanleggen van eenen B.W. zoude gegeven hebben. De eerste B.W. zoude om het kasteel van Milaan aangelegd zijn. Daar het tracé van den B.W. omtrent evenwijdig met het beloop der contrescarp is, zoo bestaat het uit afwisselende in- en uitspringende hoeken. Deze gedeelten van den B.W. worden vergroot, doordien men aan de uitspringende hoeken de contrescarp afrondt en in de inspringende hoeken, uitspringende inlascht. Op deze wijze ontstaan de zoogenaamde wapenplaatsen. Zij vormen de vaste punten van den geheelen B.W. en zoo lang men zich daarin kan staande houden, kan deze niet als verloren beschouwd worden. De wapenplaatsen, die door het glacis in front gedekt zijn, worden meestal in hare flanken door traversen en palissaderingen afgesloten; zij worden voorts van reduits voorzien, die permanent en dan gemetseld en geblindeerd zijn of ook wel eerst bij het armement daargesteld worden en dan eigenlijke blokhuizen zijn. De lange zijden van den B.W. worden door traversen, die van afstand tot afstand aangelegd zijn, tegen ricocheten enfileerschoten gedekt; ook worden ze wel eens met hetzelfde doel en cremaillère aangelegd. De wapenplaatsen leveren de noodige ruimte op tot het verzamelen der troepen, die eenen uitval moeten maken. Om het deboucheren gemakkelijk te maken, moeten op sommige plaatsen uitgangen in het glacis ingesneden zijn, afgesloten door barrières in de palissadering, welke bij het armement der vesting langs het banket van het geheele glacis gesteld wordt.

Bedekte Sappe.

Zie Sappe.

Bediening

der vuurmonden. 1o. De behandeling der vuurmonden, om ze werkzaam te doen zijn. 2o. De hiertoe benoodigde manschappen. De enkele verrigtingen, die tot de bediening van het geschut behooren, zijn: a. het op- en afleggen der affuit (hetwelk slechts bij de veld-artillerie van belang is), b. het laden, aanzetten en uitwisschen, c. het rigten, d. het afvuren, e. het aanvoeren van munitie uit den voorwagen of uit den kaisson. Enkele dezer verrigtingen zoo als bijv. het op- en afleggen der affuit vorderen de zamenwerking van een aantal manschappen, voor andere is één man voldoende. De veldstukken worden doorgaans alleen door kanonniers bediend, waarvan men er volgens het kaliber en met inbegrip van den tot den vuurmond behoorenden kaisson, 8 à 10 per vuurmond rekent; voor vesting- en belegeringsgeschut rekent men voor elk stuk slechts op 2 a 4 kanonniers voor het laden en rigten, terwijl de B. verder uit handlangers van de infanterie aangevuld wordt. De enkele verrigtingen worden over de enkele manschappen der bediening verdeeld, welke in nummers afgedeeld, het tot volvoering hunner taak benoodigde werktuig bekomen en wien eene vaste plaats bij den vuurmond, zoowel in batterij als in bataille, aangewezen is.

Bedriegen.

Eene flank, eene verbindingslijn des vijands B. Zie Demonstratie.

Beek.

Zie Wateren.

Beer.

Gemetselde dam, welke dwars door eene vestingsgracht is aangelegd om het water daarin op te stuwen en op eene bepaalde hoogte te houden; ten einde het water geheel of gedeeltelijk weg te laten stroomen, moet zich in den B. eene sluis of duiker bevinden. Men bereikt de schuiven of deuren, waardoor deze sluis gesloten wordt, door middel van eenen onbedekten gang of ook wel door eene gallerij, welke boven den hoogsten waterspiegel of gedeeltelijk daaronder, in den B. is aangelegd. Wordt eene zoodanige gallerij van schietgaten voorzien, dan kan men ze tevens als grachtsverdediging gebruiken. Het verschil in waterstand aan beide zijden van den B. is somtijds zeer groot en de sterkte van den B. moet daartegen bestand zijn. De kap van den B. wordt met eenen ezelsrug gemetseld, waarop ijzeren scheurbroeken of ook wel een gemetseld torentje geplaatst is, ten einde het overloopen te beletten.

[p. 46]

Begaanbaarheid

van het terrein. Zij is van twee zaken afhankelijk, namelijk van de vastheid en het draagvermogen van den bodem en van de grootte der hellingen, bij afwisseling van hoogten en diepten. Een terrein kan voor het eene wapen onbegaanbaar zijn, zonder zulks ook daarom voor het andere te wezen; het kan voor een wapen in zekere formatie begaanbaar zijn en niet in eene andere formatie. Eene zwakke ijskorst bijv. kan door eene afdeeling infanterie overgetrokken worden, zonder dat de artillerie haar begaan kan; weeke moerassige grond kan door eene afdeeling infanterie en tirailleur overgetrokken worden, terwijl haar zulks in gesloten orde onmogelijk is. Men kan eene zwakke ijskorst versterken, indien tijd en de noodige koude voorhanden zijn, wanneer men haar over zekere breedte met eene laag stroo bedekt en die met water begiet; dit kan verscheidene malen herhaald worden. Week land en moerassige grond kunnen door middel van moeras- of modderbruggen overgetrokken worden; deze bestaan eenvoudig uit van afstand tot afstand nedergelegde balken, die de plaats van schragen of pontons bij andere bruggen vervangen en in de lengte met ribben belegd worden, waarop dan weder een dek rust. Voor het beklimmen eener helling of het nederdalen daar langs, zijn volgens de meerdere of mindere steilte de volgende opgaven van kracht: bij eenen hellingshoek van 5o of minder is eene helling voor elk wapen in elke formatie op- en nederwaarts begaanbaar; bij 10o marcheert geslotene infanterie nog gemakkelijk bergopwaarts, moeijelijker bergafwaarts, voertuigen en geschut kunnen nog met moeite opwaarts komen en moeten afdalende geremd worden; bij 18o kan infanterie nog gesloten opwaarts marcheren, kavallerie niet; bij 26o eindigt de gesloten beweging der infanterie geheel en al, enkele ruiters kunnen nog moeijelijk die helling beklimmen; bij 34o kunnen de tirailleurs der infanterie zich nog bewegen; bij 45o kunnen slechts geoefende manschappen, die zich van handen en voeten bedienen, op- en afklimmen. De hoogte der helling oefent hier eveneens veel invloed uit; wat bij eene geringe hoogte nog mogelijk is, wordt bij grootere hoogte onmogelijk. Bij het beschouwen der B. moet men steeds het bijzondere doel in aanmerking nemen. Een land van goede wegen voorzien, dat overigens een zeer doorsneden, door sloten en moerassen verdeeld, met gebergte bedekt terrein, bezit, kan voor groote legerbewegingen zeer begaanbaar zijn, terwijl elk van zijne afzonderlijke deelen met betrekking tot een gevecht, dat daar geleverd moet worden, zeer onbegaanbaar zoude zijn - en omgekeerd.

Beheerschen

(Domineren). Men beheerscht een terrein zoo lang men daarop vrij kan handelen en manoeuvreren en niet verpligt is, het den vijand in vrij gebruik over te laten; men beheerscht eene rivier, zoo lang men met zijne strijdkrachten naar willekeur op beide oevers werkzaam kan zijn, hetgeen de veronderstelling insluit, dat men ten minste één overgangspunt over die rivier heeft, waarover de vijand niet beschikken kan. Men kan dus eene rivier beheerschen, zonder dat men hoegenaamd ook in staat is, den vijand den overtogt daarover te betwisten. Men kan een bergpas, een rivierovergang beheerschen, zonder dat men in staat is hem af te sluiten, d.i. den vijand het gebruik daarvan regelregt te ontzeggen, zonder dus aan dien pas of overgang opgesteld te zijn. Het B. heeft met de hoogteverhouding niets te maken. Maar bijzonder in het gevecht zijn die hoogteverhoudingen somtijds beslissend op het B. Degene, die op den top eener hoogte geplaatst is, heeft meestal een ruimer overzigt, beheerscht met het gezigt een grooter terrein dan hij, die aan den voet dier hoogte staat; de eerste kan ook meestal zijn vuur veel beter aanbrengen en moet nu de laatste, om zijn doel te bereiken, daarenboven de hoogte beklimmen, dan heeft hij daarbij nog grootere moeijelijkheden te overwinnen. Zoo doende levert de

[p. 47]

opstelling op eene hoogte voordeelen voor het gevecht op, en met het oog daarop, verstaat men veeltijds onder beheerschende punten, de hoogste; zoo zegt men ook dat eene verschansing door eene hoogte, welke binnen bereik van het werkzame vuur ligt, beheerscht of gedomineerd wordt.

Men heeft datgene wat bij deze kleinere verhoudingen werkelijk van kracht is, ook zeer valschelijk op grootere toegepast, waarbij het volstrekt niet meer waar is. Toen de nieuwe krijgswetenschap zich in de 17de en 18de eeuw begon te ontwikkelen en naar algemeen geldige grondstellingen zocht, rustte zij met welbehagen op het verband, dat oogenschijnlijk tusschen handelende troepen en het terrein, waarop zij handelen bestaat. De gedaante van den bodem zoude de grondslag van alle regels worden en zoo als men voor het gevecht den regel vaststelde, dat men moest trachten hooger te staan dan de vijand, zoo paste men dien regel ook toe op de oorlogvoering, op de operatiën en onderwees: bemagtig het hoogste punt van het land en gij beheerscht het. Om de valschheid dier stelling in te zien, behoeft men alleen maar op te merken, dat de hoogste punten van het land (gebergten) gewoonlijk de armste en het minst geschikt voor het onderhoud van troepen zijn.

In de versterkingskunst onderscheidt men nog van het beheerschen, het kommanderen. Als namelijk twee versterkte liniën achter elkander aangelegd worden, waarvan de achterste nog verdedigd moet worden, indien de voorste reeds in handen des vijands is, dan moet de achterste hooger dan de voorste zijn, wil zij door deze niet beheerscht worden. Het verschil dier hoogten nu, dat in het algemeen nagenoeg 2 ellen bedraagt, wordt het kommandement der achterste linie boven de voorste genoemd. Zoo ook verstaat men door het kommandement van een werk boven den beganen grond de hoogte van dat werk.

Bekkens.

1o. Een muzijkinstrument, uit het Oosten afkomstig en in elk zoogenaamd Turksch muzijk aanwezig. 2o. Diepten, welke aan alle of bijna alle zijden door hoogten ingesloten zijn; de groote B. der aardoppervlakte zijn geheel of ten minste in hunne diepste gedeelten met zeeën en meren gevuld.

Bekleeding

van wallen en borstweringen. Indien men aarden wallen of borstweringen onder grootere hellingen wil opzetten, dan de aarde natuurlijk zoude aannemen, dan moet men ze door eene wand van steviger stof bevestigen en het inzakken daarvan verhinderen; dit noemt men de wallen of borstweringen bekleeden of reveteren. Voor aarden wallen, die eene helling verkrijgen, nagenoeg gelijk aan de natuurlijke helling, bedient men zich zoowel in de veldverschansing als in de duurzame versterkingskunst van plakzoden, somtijds van dekzoden, voor steilere hellingen gebruikt men in de veldverschansing fascines, horden, planken, schanskorven, blokzoden (zie die woorden), in de duurzame versterkingskunst echter muren. Zie Dechargerevetementen, Revetementsmuren.

Bekrachtiging.

Ratificatie van een verdrag, een' wapenstilstand, eene capitulatie. Zie Volkenregt.

Bekroonen.

In het algemeen aan eenige onderlaag een bovenstuk geven; in militairen zin wordt het woord bijv. in de volgende verbindingen gebezigd: eene hoogte met troepen B., - een mijntrechter B. Zie Mijnen - den bedekten weg B. Zie Vestingoorlog - de bres B. Zie Vestingoorlog - eene rij schanskorven B. Zie Sappe enz.

Bekrooning

van den bedekten weg. Zie Vestingoorlog.

Beladdering of Escalade.

Beklimming der muren en wallen eener vesting door middel van ladders, meestal gepaard met eene overvalling der vesting. In lateren tijd zijn de beladderingen zeldzaam geworden; vroeger, toen bijna elke stad eene

[p. 48]

vesting was, de versterkingen echter zeer onvolkomen en de aanvallers gewoonlijk arm aan zwaar geschut waren, waren zij zeer algemeen. De dertigjarige oorlog vooral is zeer rijk aan beladderingen.

Beleg, Belegeren, Belegeringskunst.

Zie Vestingoorlog.

Beleg (staat van).

Indien eene vesting met eenen vijandelijken aanval bedreigd wordt, moet haar bevelhebber de onbepaaldste magt niet alleen over het garnizoen, maar ook over de overige inwoners verkrijgen; indien hij hunne handelingen niet kon bewaken en geene magt over hen had, zoude hij buiten staat zijn de noodige voorzorgsmaatregelen tegen verrassingen enz. te nemen. De gewone burgerlijke wetten moeten dus van nu af aan vervallen of hare toepassing binnen zekere grenzen bepaald worden, zoo als het best met de eischen eener krachtige verdediging overeenkomt; evenzoo moet het verkeer der inwoners onderling en buiten de vesting, volgens de behoeften der verdediging beperkt worden. Deze toestand noemt men staat van beleg en als deze verklaard is, zegt men dat eene vesting in staat van beleg is. In de jaren 1848 en 1849 werden zeer dikwijls oproerig gezinde steden, al waren het geene vestingen, ja zelfs geheele districten in staat van beleg verklaard, om hen schrik aan te jagen, de aanstokers van den opstand voorzigtig te maken en aan de militaire magt de volste vrijheid te geven, zulke maatregelen te nemen, die haar tot bewaring van de openbare rust, noodzakelijk toeschenen.

Belegeringsaffuit.

Zie Affuiten.

Belegeringsartillerie.

Zie Artillerie.

Belegeringsbatterij.

Zie Batterij.

Belegeringsgeschut.

Zie Artillerie, Geschut, Houwitsers, Kanonnen, Mortieren.

Belegeringspark.

Zie Park, Vestingoorlog.

Belegeringsvoorwagen.

Zie Voorwagen.

Beletsels

of hindernissen. Alle natuurlijke of kunstmatige terreinvoorwerpen, die de bewegingen der troepen geheel beletten of ten minste vertragen. De kunstmatige B. behooren tot de versterkingskunst; de voornaamste daarvan zijn de grachten der werken, die er evenwel niet onder gerekend worden; want, in het algemeen noemt men B. slechts die voorwerpen, welke vóór de gracht, hetzij voor verschanste liniën of tusschen twee naast elkander gelegen afzonderlijke werken liggen. Men rekent onder de B. de voorgrachten, wolfskuilen, piketteringen, inundatiën, onderwaterzettingen, opstoppingen, fladdermijnen, palissaden, fraiseringen, Friesche ruiters, verhakkingen, eggen, voetangels, enz. Men kan rekenen dat de B. goed aangelegd zijn, indien zij door het vijandelijke vuur niet op eenen afstand kunnen opgeruimd worden, indien zij het uitzigt der achtergelegen werken niet belemmeren en krachtdadig door hun vuur kunnen beschoten worden; de B. toch, zijn op weinig uitzonderingen na, geene onoverkomelijke hinderpalen en dienen meer om den vijand gedurende eenigen tijd onder het werkzame vuur der verdedigers op te houden. Zij mogen dus niet verder van de achtergelegen werken verwijderd zijn dan op geweerschotsafstand en moeten, indien zulks eenigzins mogelijk is, door flankvuur over hunne geheele lengte bestreken worden.

Belooning.

De soldaat heeft pligten te vervullen, die hij niet verzuimen mag zonder zich aan straffen bloot te stellen. In den oorlog echter is het volstrekt niet voldoende, dat ieder slechts zijn pligt vervulle in zooverre hem deze artikelsgewijze kan voorgeschreven worden; het is veeleer eene dringende noodzakelijkheid, dat ten minste enkelen veel meer dan dien pligt vervullen, en toen Nelson vóór den slag van Trafalgar liet seinen: Engeland verwacht dat ieder man zijn pligt doe, zoo wilde dat, zoo als in andere dergelijke gevallen eigenlijk zeggen: dat men van iedereen

[p. 49]

verwachtte, dat hij meer dan zijn pligt doen zoude. Als men nu door bedreiging met straffen tot vervulling der pligten kan aanhouden, zoo moet men door de belofte van belooningen tot die uitstekende daden aansporen, die veel meer dan pligtsvervulling vereischen. Tot belooningen kunnen dienen: eereteekens, bevorderingen bij keuze, eervolle melding en geld. Deze belooningen kunnen aan enkele personen en aan geheele troepenkorpsen ten deel vallen. De tegenwoordig meest algemeene belooningen voor enkele personen zijn eereteekens, veelal ridderorden genoemd; decoratiën van geringe stoffelijke waarde kosten der regeringen zoo goed als niets en worden toch door velen als blijvende teekens gewenscht; slechts zeer weinige der thans bestaande ridderorden zijn voor de daarmede begiftigden met eene jaarlijksche rente verbonden. Om hunne waarde te behouden, moeten zij intusschen niet ligtzinnig en in grooten getale weggeworpen worden, eene uitstekende krijgsdaad niet met dezelfde ridderorde als een onbeduidende hofdienst beloond worden. Onze tegenwoordige ridderorden zijn hetzelfde wat bij de Grieken en Romeinen de kransen of zoogenaamde kroonen waren, die, aanvankelijk zonder de minste innerlijke waarde, in den lateren Romeinschen keizertijd, toen de onderscheiding op zich zelve niet meer aanlokte, eene meer stoffelijke waarde verkregen, uit goud en zilver vervaardigd en somtijds door gouden en zilveren eereketens vervangen werden. - Bevorderingen bij keuze kunnen niet zonder onderscheid als B. gebezigd worden; want een man kan een uitstekend soldaat zijn en als zoodanig eene uitstekende daad verrigt hebben, zonder dat hij daarom zelfs meer dan een middelmatig officier zoude zijn. Waar gardes en keurtroepen bestaan, bij welke het als eene onderscheiding beschouwd wordt te dienen, is de overplaatsing daarbij eene goede B. voor den soldaat, die ze verdiend heeft, zonder voor bevordering geschikt te zijn. Belooningen met geld, hoewel men ze hier en daar als iets onbetamelijks beschouwt, zijn toch ten allen tijde meer voorgekomen en komen nog heden veel meer voor, dan men wel denkt. In de werkelijkheid toch werden de soldaten van den ouden tijd, de middeleeuwen en den nieuweren tijd met geld beloond, wanneer hen na eene bestorming of na een' gewonnen veldslag de buit, aan den vijand ontnomen ten deel viel; eene belooning in geld was de storm- of slagsoldij, die na eene bestorming of eenen slag aan de landsknechten werd uitbetaald. Het is strikt genomen, eene geldelijke belooning, dat aan een' hoogeren rang een hooger inkomen verbonden is, dat het bedrag van het pensioen verhoogt, naarmate de officier of de soldaat langeren tijd in werkelijke dienst heeft doorgebragt en dat zijne veldtogten daarbij dubbel tellen. Bij de Spanjaarden bestond in de 16de en 17de eeuw een geheel stelsel van geldelijke belooningen en men verzekert, dat het den heilrijksten invloed op het gedrag der Spaansche soldaten uitoefende. Waar in een korps een levendig eergevoel heerscht, kunnen eervolle meldingen mondeling voor het front der troep of schriftelijk op de dagorder, vele B. van een' anderen aard vervangen. De triomf of zegepraal, die aan den terugkeerenden overwinnenden Romeinschen veldheer verleend werd, was eigenlijk slechts eene eervolle melding op groote schaal. Welke soort van B. men ook wil toekennen, zoo geldt voor allen, dat zij nooit zoo weggeworpen moeten worden, dat zij hare waarde verliezen of dat men ze zoo karig uitdeelt, dat de meesten de hoop begeeft ze ooit te kunnen verdienen, dat ze nooit aan onwaardigen moeten verleend worden en dat hij, die ze verdient, ze ook bekome. De bevelhebber, die zulke maatregelen genomen heeft, dat hij zich bij het uitdeelen der B. naar het oordeel zijner onderhebbenden kan schikken, zal het best vermijden vergissingen te begaan, die ontevredenheid en afgunst in plaats van eenen heilzamen naijver doen ontstaan. Geheele troepenafdeelingen worden beloond door het opnemen in de garde, door uitdeeling van vaandels met bijzondere zinne-

[p. 50]

beelden, die hare dappere daden in herinnering houden, door uitdeeling van dergelijke regimentswapens, door onderscheidingsteekenen aan de wapens, door geld, zoo als hierboven reeds gezegd is, door eervolle meldingen, eindelijk door gedenkpenningen of medailles, die elk soldaat verkrijgt, welke bij eene uitstekende daad tegenwoordig was en zich niet volstrekt onwaardig gedragen heeft.

Beluisteren.

Zie Mijnenoorlog.

Bemannen.

Een vaartuig, een boot B. - Ze van bemanning voorzien.

Bemanning.

De B. van een oorlogsschip bestaat uit de zeelieden en de marine-soldaten of mariniers. Tot de zeelieden behooren, behalve de kommandant en de overige zeeofficieren, de dek- en onder-officieren, de matrozen, wier getal naar het aantal vuurmonden van het schip, 8 à 10 voor iederen vuurmond, bepaald wordt, de ligt-matrozen en de scheepsjongens. De mariniers zijn eene soort van infanterie, die in betrekkelijk klein aantal onder hunne eigene officieren op ieder oorlogsschip voorhanden zijn, om behalve enkele scheepsdiensten, de wachtdienst aan de luiken, aan de kruid- en voorraadkamers, enz. te verrigten, in eenen zeeslag werkzaam te zijn en vooral bij landingen gebezigd te worden. Op alle stoomschepen moet men nog den machinist en de vuurstokers tot de bemanning rekenen. Om een juist denkbeeld van de zamenstelling der bemanning van een oorlogsschip te geven, laten wij hier, die van een Nederlandsch stoomfregat van 500 koppen volgen: 1 kapitein ter zee, kommandant; 1 kapitein-luitenant, eerste officier; 2 luitenants ter zee van de 1e en 4 van de 2e klasse; 7 adelborsten 1e klasse; 1 officier van gezondheid der 1e, 1 der 2e en 1 der 3e klasse; 1 officier van administratie der 1e klasse, 1 adjunct-administrateur en 2 scheepsklerken; 1 opperschipper; 1 bootsman, 3 bootsmansmaats en 4 bootsmansleerlingen; 1 schieman en 3 schiemansmaats; 5 kwartiermeesters; 1 opperkonstabel, 1 konstabel en 3 konstabelmaats; 1 provoost; 1 opperstuurman, 1 3e stuurman en 2 stuurmansleerlingen; 2 timmerlieden, 2 zeilmakers, 1 smid (geweermaker), 1 bottelier, 1 botteliersmaat, 1 kuiper, 2 ziekenoppassers, 2 schoolmeesters, 2 hofmeesters, 3 koks, 2 koksmaats, 1 bakker, 1 schilder, 1 kleermaker, 1 schoenmaker en 5 scheerders; 60 matrozen der 1e, 100 der 2e, 75 der 3e klasse, 40 ligt-matrozen, 24 jongens.

1 kapitein, 1 luitenant, 2 sergeanten, 6 korporaals, 2 tamboers, 1 pijper en 80 mariniers.

1 officier-machinist of machinist der 1e klasse, 3 machinisten der 2e en 3e klasse, 4 machinist-leerlingen en 16 vuurstokers.

Benoeming.

Hetzelfde als aanstelling.

Benting.

Naam van versterkingen of veldwerken der inboorlingen in den Indischen archipel.

Bepakking

van den soldaat. De voorraad van levensmiddelen, kleedingstukken enz. die hij zelf medevoert. Het grootste gedeelte van de B. wordt door den infanterist in den ransel medegevoerd, die gewoonlijk van kalfsleder of gewast linnen vervaardigd is. Bij de Zwitsers heette de ransel vroeger Habersack, van waar het Fransche hâvre-sac is afgeleid, bij de Duitschers heet hij Tornister, behalve bij de Oostenrijkers, alwaar hij denzelfden naam als bij ons draagt. Door de draagwijze der B. verstaat men bij voorkeur de draagwijze van den ransel, in verband met de overige uitrusting. In de vorige eeuw had de ransel der infanterie meer den vorm eener weitasch, en werd aan eenen riem over den regterschouder gedragen, zoodat hij links, even als de patroontasch regts hing. De soldaat was echter zeer spaarzaam uitgerust, eenen mantel had hij niet; in plaats daarvan werden tenten en dekens medegenomen, die even als het kookgereedschap op wagens en pakpaarden vervoerd werden. De hervor-

[p. 51]

ming der legers, een gevolg der Fransche omwentelingsoorlogen, bragt hierin verandering; de soldaten werden beter uitgerust, tenten enz. daarentegen afgeschaft, en men legde er zich op toe, den man zoo veel als mogelijk van zijne uitrusting te laten dragen, waardoor de nasleep verminderd konde worden. Dien ten gevolge werd de ransel der soldaten grooter gemaakt en van nu af aan door middel van twee riemen, die op de borst nog door eenen borstriem verbonden waren, op den rug gedragen. Deze draagwijze voldeed echter nog geenszins; reeds in 1811 viel Rogniat haar als ondoelmatig aan in zijne: Considérations sur l'art de la guerre; verschillende officieren hielden zich met dit punt bezig, Fraiche in Frankrijk, Heyse in Hannover, Virchow in Pruissen; men stelde zich voor, dat de draagwijze der B. in overeenstemming met het ligchaam moest zijn, dat door het evenwigt van alle te dragen voorwerpen, het dragen gemakkelijk gemaakt, de soldaat niet op de borst beklemd moest worden en de ransel niet in de lendenen mogt stooten. Na veelvuldige proeven loste Virchow dit vraagstuk op de volgende wijze op: De ransel is zoodanig ingerigt, dat hij geheel uit elkander geslagen, en door den soldaat met het uiterste gemak gepakt kan worden; het kookgereedschap komt op de bovenklep te liggen; de ransel hangt aan twee draagriemen, die ongeveer 1 1/2 duim breed zijn; door eene naald aan het achterstuk van den ransel bevestigd, loopen zij over de schouders en vatten met twee aan hunne einden aangebragte koperen haken onder den koppel, die het zijdgeweer draagt en waaraan door middel van schuiven twee kleine patroontasschen, de eene regts, de andere links van het slot van den gordel beweegbaar zijn. Van elk der draagriemen gaat onder den arm een smalle hulpriem naar beneden, die aan het einde voorzien is van een' ring, waarmede die riem aan eenen haak, onder den ransel aangebragt, bevestigd wordt en dezen zoo helpt dragen. Het ondereinde van den ransel kan door twee riemen aan den koppel gegespt worden. Hierdoor zijn de ransel, het zijdgeweer en de patroontasschen tot één geheel verbonden, hetwelk door het openen van het slot van den koppel in eens afgehangen kan worden, - een groot voordeel op bivouac. De beide patroontasschen gevuld zijnde, moeten een tegenwigt tegen den ransel vormen, terwijl aan den anderen kant deze den druk van den koppel op de heupen vermindert. Sedert 1833 werden met deze B. in Duitschland veelvuldige proeven genomen; zij werd toen het eerst door de Oldenburgers in 1837 aangenomen, later door de Pruissen, die door de meeste Duitsche contingenten nagevolgd werden. Eveneens hebben de meeste overige Europesche staten dergelijke verbeteringen ingevoerd. Men verwijt aan de hierboven beschreven B. dat de beide patroontasschen op het onderlijf niet doelmatig geplaatst zijn, omdat daardoor zweet en naderhand koude ontstaat en ook het nemen der patronen bij het vuren in liggende houding zeer moeijelijk wordt, vooral met de kleine tasschen, die naauwelijks het inbrengen eener groote hand veroorlooven. Bij eenige legers heeft men bij het aannemen dezer B. toch de twee kleine tasschen, door eene grootere vervangen, die gewoonlijk achter aan den koppel hangt en bij het vuren naar de regterzijde geschoven wordt. Bij de groote lengte van den ransel van Virchow kan de mantel geheel onder de klep geborgen worden en is zoo doende voor stof en nat bewaard. Een groot voordeel van deze B. is het geheel vrij blijven van de borst der soldaten; de tegenstanders daarvan zeggen dat het vroeger op de borst gekruiste ledergoed een soort van harnas vormde, dat menig schot afweerde; zij vergeten echter, dat indien al door dat ledergoed eenige manschappen minder gekwetst werden, daardoor echter veel meer lieden aan vermoeijenis bezweken. Voor de B. der bereden troepen gelden ten opzigte van het paard, dezelfde algemeene regels, als bij de troepen te voet ten opzigte van den man. Zie Paardentuig.

[p. 52]

Beplakken.

Eene helling B., haar met plakwerk of plakzoden beleggen.

Beplanting van het glacis.

Zie Armement.

Beproeven,

1o. van het buskruid, Buskruidproef, Proefmortier enz. Zie Buskruid; 2o. van de vuurmonden. Dit geschiedt gewoonlijk met sterkere ladingen, dan die bij gewoon gebruik gebezigd worden, somtijds met twee kogels, proppen enz. Het aantal schoten, dat men voldoende acht om eene beslissende uitkomst te verkrijgen, is zeer verschillend. Na de vuurproef worden de vuurmonden aan de waterproef onderworpen; daartoe wordt het zundgat waterdigt gesloten, de ziel met water gevuld en dit door middel van eenen aanzetterklos, waarover eene met vet besmeerde linnen zak getrokken is, sterk aangeperst; dit water blijft minstens 8 uren in de ziel en men onderzoekt dan of ook eenig water, voornamelijk om den zundgatstap, naar buiten is gedrongen, in welk geval de vuurmond dadelijk afgekeurd wordt, als het gebrek niet te verhelpen is; 3o. van de handvuurwapens; deze ondergaan eveneens de vuurproef, op de wijze als hierboven voor de vuurmonden is gezegd en daarna de zweetproef, welke daarin bestaat, dat men de loopen gedurende 14 dagen in eenen vochtigen kelder doet verblijven en daarna onderzoekt of door den roest ook kleine scheurtjes of barstjes zigtbaar worden; 4o. van de bruikbaarheid van enkele voorwerpen, zoo als bijv. van nieuw in te voeren artillerie- of treinmaterieel, van bepakking, van zadels, enz.; dit kan alleen plaats hebben door proefmarschen van genoegzame uitgestrektheid op moeijelijk terrein en met inachtneming van alle omstandigheden, die zich te velde kunnen voordoen.

Bereik

van het geschut, van het kleingeweer. Alles wat in den cirkel ligt, die met de schootsverheid van het wapen als straal, daarom heen getrokken wordt, ligt onder het bereik van dat wapen.

Berennen.

Eene vesting B., haar insluiten, vroeger noemde men het: berijden of bestallen. Zie Vestingoorlog.

Berg.

Eene afzonderlijk liggende aanzienlijke hoogte op de oppervlakte der aarde. Het bovenste gedeelte van den B. noemt men top; vormt deze eene vlakte dan noemt men het een platte top, heeft de B. daarbij steile wanden, dan is het een tafelberg. Is de top geheel rond, dan heet hij kop, is hij lang en smal, rug, is hij kegelvormig, spits en is de rug ruw en rotsachtig, dan draagt hij den naam van kam en berggraat. De omtrek van het laagste gedeelte noemt men den voet, en deze wordt met den top verbonden door de zijden, wanden, glooijingen of hellingen. De hoogte van den top boven het horizontale vlak, dat door het laagste punt van den voet gaat is de betrekkelijke (relative), de verheffing boven de oppervlakte der zee de volstrekte (absolute) hoogte des bergs.

Eenige bergen, die eenen doorgaanden rug vormen, welke in verhouding tot de breedte eene groote lengte-uitgestrektheid heeft, noemt men bergketen, is de uitgestrektheid in lengte en breedte nagenoeg gelijk, dan is het eene bergmassa, of bij zeer grooten omvang een bergland. De enkele bergen van eene massa of keten zijn op verschillende wijzen van elkander gescheiden; zijn de diepten daartusschen naauw, dan noemt men ze sleuven; zijn zij breeder - dalen of valleijen; hebben de aangrenzende hoogten steile wanden dan zijn het spleten. Zijn de wanden te gelijker tijd steil en hoog - afgronden; worden de diepten aan alle of bijna alle zijden door hoogten omgeven, dan noemt men ze bekkens of ketels. Meestal vindt men in die diepten beken of bergstroomen.

Verscheidene bergen, die met elkander verbonden zijn, bepaalde grenzen hebben en onder eenen algemeenen naam een afzonderlijk geheel vormen noemt men gebergte (zie Gebergte). De enkele bergen zijn krijgskundig van gewigt als punten, van waar

[p. 53]

men een ruim uitzigt heeft, tot plaatsing van waarnemingsposten; als beheerschende punten zijn zij in het gevecht gedeeltelijk geschikt tot artillerie-stellingen, echter niet altijd door de moeijelijkheid om ze met artillerie te beklimmen en doordien ze veelal met bosschen bedekt zijn, die het uitzigt belemmeren, terwijl als zij eene aanmerkelijke hoogte hebben, de schoten borend en onzeker worden. Als bepaalde punten in het front eener stelling, trekken zij de opmerkzaamheid des vijands tot zich en worden dikwijls door hem tot aanvalspunten gekozen, ook dan als zij geene belangrijke gedeelten der stelling beheerschen. Bergketens of de randen van bergmassa's vormen betere frontlijnen voor gevechtsstellingen, indien zij volgens hunne ligging, met de algemeene verhoudingen overeenkomen, terwijl daarbij altijd nog hunne innerlijke gedaante en hunne geschiktheid voor den terugtogt in aanmerking moeten genomen worden.

Bergaffuit.

Zie Affuiten.

Bergartillerie.

Zie Artillerie.

Bergbatterij.

Zie Batterij.

Berggeschut.

Zie Geschut.

Berghouten, Berkhouten of Barkhouten.

In de buitenste bekleeding der scheepswanden, de enkele sterkere planken, die boven de andere naar buiten uitsteken. Zij dienen deels tot versterking van het geheel, deels tot versiering van het uitwendige.

Bergpost.

Zie Post.

Bergstorting.

Een gewoonlijk door de werking van het water of ook ten gevolge eener aardbeving afgescheurd gedeelte van eenen steilen bergwand, in het nevenliggende dal nedergestort; de stukken der massa bedekken het dal en kunnen somtijds de geheele gemeenschap daardoor versperren.

Bergteekening.

Zie Teekenen.

Bergvesting.

Zie Vesting.

Berigten.

De grondslagen der kennis, even als deze de grondslag van elk plan en van elk besluit is. Ieder aanvoerder, onverschillig of zijne afdeeling groot of klein zij, die in het geval komt zelfstandig een besluit te nemen en voor den vijand bevelen te moeten geven, moet bekend zijn met den toestand en de stelling, zoo wel van zijne eigene als van de vijandelijke troepen, benevens met het terrein, waarop hij moet handelen. De kennis van den eigen toestand wordt verkregen door de berigten der onderbevelhebbers, die van het terrein door verkenningen, welke de opperbevelhebber, of zelf verrigt of door anderen laat doen waarvan hij dan rapport ontvangt, of wel door plannen, kaarten, aardrijkskundige en statistieke werken. De kennis van den vijand eindelijk kan men verkrijgen door het uitzenden van kondschappers, spionnen, door de regeling van de veiligheidsdienst en door eigen waarnemingen. Vóór het gevecht kan men alleen ongehinderd eene naauwkeurige kennis van het terrein verkrijgen, als men het bezet heeft of als ten minste de vijand er zich niet op bevindt; in dit opzigt is de aanvaller eener vesting zigtbaar in het nadeel tegenover den verdediger. Waar men buiten de mogelijkheid is naauwkeurige berigten te verkrijgen, wordt het van belang, dat men de minder juiste, goed wete te gebruiken. Het is evenwel van zelve duidelijk, dat hoe grootscher de ontwerpen zijn, men zich des te minder met nevenomstandigheden zal bezig houden, daar men toch te voren onmogelijk weten kan, welken invloed zij op de handelingen zullen uitoefenen. Zoo staat het grootsche met het eenvoudige in een naauw verband. Wat van de kennis des terreins gezegd is, is eveneens van toepassing op die des vijands. Spionnen dienen, hetzij voor geld, hetzij uit liefde voor

[p. 54]

de zaak, welke zij omhelzen; daar zij volgens algemeene overeenkomst buiten de wet gesteld zijn en weten dat de galg hen wacht, als zij door den vijand gevangen genomen worden, zoo laten zich als spionnen voor geld, slechts lieden uit de heffe des volks gebruiken, wier oordeel gewoonlijk niet zeer ontwikkeld is, of wel om beschaafde en verstandige lieden te winnen en dus berigten van waarde te krijgen moet men over zeer groote sommen kunnen beschikken. Lieden, die zich uit geestdrift tot spionneren zouden kunnen laten gebruiken, zullen daar de gewoonte die handeling gebrandmerkt heeft, wel verkiezen den vijand met de wapens te bestrijden. Diplomatische onderhandelaars en parlementairen kunnen met hunne openlijke zending gedurende den oorlog zelf, slechts in zeer buitengewone gevallen spiondiensten verbinden, waaruit men nut zoude kunnen trekken; vóór het uitbreken van den oorlog kunnen zij daarentegen des te meer diensten bewijzen. Men kan van spionnen, die men voor geld geworven heeft, ook verwachten, dat zij beide partijen dienen, zoogenaamde dubbele spionnen zijn. Zij zijn niet meer gevaarlijk zoodra men ze als zoodanig kent, doch leveren dan ook weinig nut op, daar men hunne B. niet vertrouwen kan en men er slechts met voordeel partij van kan trekken, om den vijand verkeerde B. omtrent den eigen toestand, in handen te spelen, zonder dat zulks met opzet schijnt gedaan te zijn. B. van spionnen kunnen opheldering geven, omtrent de plaatsing en verdeeling der vijandelijke strijdkrachten, hunne sterkte op deze of gene plaats (het aantal bataillons, vuurmonden, enz.), den toestand der verpleging en den gezondheidstoestand, de namen der generaals, de stemming der troepen. Bij de tegenwoordige levendigheid van het verkeer door de drukpers, kan men uit de nieuwspapieren al deze punten tamelijk naauwkeurig weten, vooral als de oorlog lang op een klein oorlogstooneel beperkt is en geen van beide partijen met groote levendigheid te werk gaat. Bij eenen oorlog op grooter schaal, is dit niet meer mogelijk, daar men de meeste berigten eerst dan krijgt, als ze niet meer nuttig zijn. Maar bij snellen voortgang van den oorlog zullen ook dikwijls de berigten der spionnen te laat komen. Het is echter volstrekt noodig, om ieder berigt uit nieuwsbladen of van spionnen, zelfs het onbeduidendste, juist te kunnen opvatten en beoordeelen, dat men reeds vóór het uitbreken van den oorlog, eene juiste kennis hebbe omtrent de organisatie van het vijandelijke leger in het algemeen en van 's vijands operatieleger in het bijzonder. Vooral moet men de namen en den rang der generaals kennen, daar men uit die namen, zoo ze later genoemd worden, ook dadelijk tot de sterkte der korpsen, welke zij aanvoeren en die dus op het een of ander punt vergaderd zijn, kan besluiten. Bij verschillende groote staten is daarom eene bijzondere afdeeling van het ministerie van oorlog of van den generalen staf bestemd, om de naauwkeurigste berigten over de veranderingen in de organisatie, in het personeel en materieel der overige legers in te winnen en te verzamelen. Bij andere legers wordt de generale staf gedurende den vrede in verschillende afdeelingen verdeeld, aan elk waarvan een oorlogstooneel, d.i. een gedeelte van het eigen land met de daaraan grenzende landen, is toegewezen. Die afdeeling moet dan ten opzigte van haar gedeelte de berigten inwinnen, welke daarop betrekking hebben. - Berigten over den vijand, zoo als men ze gewoonlijk door spionnen verkrijgt, kunnen somtijds, doch zeer zelden door krijgsgevangenen en deserteurs gegeven worden; gewoonlijk echter willen gene niets of niets waars mededeelen, terwijl deze weinig of niets van den algemeenen toestand der zaken weten. Het zoude voor eenen bevelhebber zeer wenschelijk en zeer nuttig zijn, de voornemens zijner tegenpartij naauwkeurig te kennen. Door spionnen, deserteurs, krijgsgevangenen zal men daarover zeer zelden iets belangrijks vernemen; hunne berigten over daadzaken, kunnen slechts dienen om daaruit af te leiden, wat verder

[p. 55]

geschieden zal. Onderschepte brieven (zie Onderscheppen) kunnen soms van meer nut zijn, maar alleen dan, als men bepaald weet of kan aannemen, dat ze ons niet met opzet, om ons op het dwaalspoor te brengen, in handen gespeeld zijn. Uit al het hierboven gezegde volgt, dat de berigten over den vijand, die een veldheer gedurende den loop van den oorlog, doch voor dat men slaags geweest is, ontvangt, hem slechts zeer geringe diensten bewijzen. Waar hij meer nut van zal hebben, is van eene naauwkeurige kennis van den algemeenen toestand des vijands, van de persoonlijkheid des vijandelijken aanvoerders, eene kennis, die reeds voor het uitbreken van den oorlog gewoonlijk zeer gemakkelijk en voldoende te verkrijgen is. Wat nog meer afdoet, is de vaste overtuiging, dat de oorlog eene waarschijnlijkheidsrekening is, bijgevolg van het toeval afhangt, dat men daarom moet zoeken door krachtdadig te handelen den vijand de wet voor te schrijven, hem zoo ver te brengen, dat het voor hem van groot gewigt wordt onze voornemens te kennen, opdat het voor ons van des te minder gewigt worde, zijne voornemens één voor één te leeren kennen. Deze meerderheid wordt verkregen, door al zijne gedachten en bijgevolg de hoofdaanwending zijner krachten op één punt te rigten, door groote eenvoudigheid van het oorlogsplan, door verrassend te handelen, door den vijand voor te komen, hetgeen in het groot slechts kan geschieden door aanvallenderwijze te werk te gaan. Dit gronddenkbeeld moet ook dan blijven heerschen, als men met den vijand slaags raakt, waar men met eigen oogen ten minste gedeeltelijk zijne sterkte, de verdeeling zijner krachten kan waarnemen en uit hetgeen hij doet, kan afleiden wat hij nog doen zal. Bij een verkenningsgevecht moet men het dus slechts als een zijner oogmerken beschouwen, berigten van den vijand in te winnen; een ander oogmerk moet hierbij altijd zijn, den vijand omtrent onze eigene voornemens te misleiden. Het zoude echter geheel valsch zijn, als men zich voorstelde, dat elke veldslag door een verkenningsgevecht moest voorafgegaan worden. Dit wordt geheel overtollig indien men de stelling des vijands volgens het terrein en de zamenstelling der troepen zoo naauwkeurig kent, als bijv. de Russische generaal Gortschakoff ze kennen moest, toen hij den 16den Augustus 1855 de Bondgenooten aan de Tschernaïa aanviel; men kan dan snel en krachtig handelen en moet dat voordeel niet verzuimen.

Tot de B. in het algemeen behooren ook alle orders, want deze zijn eigenlijk niets anders dan B. welke de opperbevelhebber aan zijne onderbevelhebbers over zijne oogmerken geeft. De leiding van de dienst, ingerigt om B. in te winnen en ze ter behoorlijker plaatse te bezorgen, is aan den generalen staf overgelaten. Daartoe behoort: dat men officieren benoemt, welke spionnen werven, deze, de krijgsgevangenen en de deserteurs uithooren, uittreksels uit nieuwsbladen maken en over dat alles verslag aan den opperbevelhebber doen, andere officieren, die alle verkenningen van het terrein en van de hulpbronnen van het land moeten verrigten, plannen, kaarten, tabellen, boeken tot dat einde moeten verzamelen, ze moeten bewaren, voor een gemakkelijk en doelmatig gebruik inrigten en uittreksels daaruit maken; andere eindelijk die het verzenden van bevelen en berigten bewaken en ten deele zelf bezorgen. De dagelijksche of wekelijksche gewone rapporten, worden door ordonnancen van de korpsen, die ze in moeten zenden, naar het hoofdkwartier gebragt, waar ze bezorgd moeten worden; de gewone bevelen worden door diezelfde ordonnancen terug bezorgd. Men kan de ordonnancen van onbereden troepen van alle gewone vervoermiddelen, posten, spoorwegen enz. gebruik laten maken. Zijn de troepen niet gekantonneerd, maar op marsch, diensvolgens de hoofdkwartieren niet vast, dan moet het verzenden dier B. tot het allernoodzakelijkste beperkt worden en door ruiters, ordonnancen te paard, bezorgd worden. Om buitengewone bevelen en berig-

[p. 56]

ten te verzenden, kan men, zoo lang een leger gekantonneerd is, van de electrische telegrafen gebruik maken. Wil men daarbij het gewone telegrafische verkeer niet stremmen, waartoe men slechts in de uiterste noodzakelijkheid overgaat, dan moet men toch maatregelen nemen, waardoor de particuliere berigten door militairen bewaakt en aan de dienstberigten de voorkeur verzekerd wordt. Daar niets gemakkelijker is, dan eene telegrafische verbinding te vernietigen en dit juist dan het gemakkelijkst is, als men haar het meest