terug  begin  verderprepost

K.

Kaai.

Gemetselde oeverkant. De kaaijen dienen om in steden, die door wateren doorsneden zijn, ruimte te winnen of bij landingsplaatsen onmiddelijk aan den oever eene grootere waterdiepte te verkrijgen, dan anders het geval zoude zijn.

Kaap.

Voorgebergte. Zie Wateren.

Kaapstander.

Een windas tot voorttrekken of verplaatsen van lasten, voornamelijk bij het gebruik der schrank.

[p. 274]

Kaart.

Figuurlijke voorstelling van een grooter of kleiner gedeelte der aardoppervlakte. De hoofdonderscheiding is die in land- en zeekaarten. Voor militair gebruik onderscheidt men de eerstgenoemden in topographische, chorographische en geographische K. Het onderscheid daartusschen bestaat voornamelijk in de grootere of kleinere schaal en in de voorstellingswijze. Deze laatste kan de voorwerpen, door huune horizontale projectie in hunnen werkelijken omvang, hunne werkelijke gedaante aangeven of zij kan zulks doen door aangenomen teekens. Zoo kan men bij voorbeeld een dorp, al is het cirkelvormig, langwerpig, in het vierkant of hoe ook gebouwd, door een klein kringetje aangeven, enz. Onder topographische kaarten verstaat men de zoodanigen, die op eene schaal van 1/50000 à 1/150000 vervaardigd zijn en waarop alle voorwerpen, zoo naauwkeurig mogelijk in projectie zijn voorgesteld; de chorographische kaarten hebben eene schaal van 1/150000 à 1/1000000 en de voorwerpen zijn daarop gedeeltelijk in projectie, gedeeltelijk door teekens aangeduid; de geographische kaarten eindelijk hebben eene schaal van 1/1000000 of kleiner; alle voorwerpen worden daarop door aangenomen teekens aangegeven. Indien eene kaart op grooter schaal dan die van 1/50000 vervaardigd is, waarbij reeds eene tamelijk naauwkeurige voorstelling tot in kleinigheden toe, mogelijk wordt, dan wordt zij situatiekaart of plan genoemd. Hoe kleiner de schaal eener K. is, des te grooter terrein kan zij bij gelijken omvang bevatten, des te minder voorwerpen kan men er ook op aanduiden en des te algemeener is het overzigt, dat zij geeft. Omgekeerd is de verhouding in het tegengestelde geval. Het is natuurlijk, dat voor het militaire gebruik, kaarten van verschillende schaal noodig zijn; men zoude niet volgens dezelfde kaart een oorlogsplan kunnen beramen, dat half Europa bevat en de dispositie tot een' veldslag of het plan tot den bouw eener vesting kunnen ontwerpen.

Voor het beramen van operatieplannen bezigt men geographische kaarten; voor de regeling van kantonnementen en van marschen zijn gewoonlijk chorographische kaarten op eene schaal van 1/200000 à 1/250000 voldoende, terwijl men voor de dispositiën van veldslagen en groote gevechten, topographische kaarten op 1/100000 of daaromtrent, gebruikt. Het levert meestal een groot gemak op, als een generale staf de kaarten, die in den handel verkrijgbaar zijn, tot het bijzondere militaire gebruik geschikt maakt. Daartoe behoort, dat men om een gemakkelijker overzigt te verkrijgen, sommige terreinvoorwerpen eene bijzondere tint of kleur geeft, bij voorbeeld, aan de hoofdrivieren en bij kaarten op groote schaal aan alle wateren eene blaauwe kleur, aan alle wegen of de hoofdwegen eene roode kleur, aan groote bosschen eene zwarte kleur, enz.; dat men verder op de kaarten ruiten trekt, wier zijden eene bepaalde lengte in marschuren hebben, zoodat men zonder passer of liniaal gemakkelijk de afstanden kan meten, dat men eindelijk voor zekere gewesten de sterkte der bevolking bijschrijft, ten einde gemakkelijker de kantonnementen te kunnen regelen. Men kan al verder statistieke opgaven opnemen op den rand of op den rug der kaart, die daartoe, ten minste voor een gedeelte altijd met papier moet beplakt zijn. Alle kaarten, die officieren tot persoonlijk gebruik medenemen moeten op linnen geplakt en in een gemakkelijk formaat (18 op 10 of 21 op 13 dm.) toegeslagen kunnen worden. Groote geographische of chorographische kaarten, die tot regeling der marschen en tot overzigt van operatiën dienen, worden bij voorkeur niet aan stukken gesneden of toegevouwen. Deze kaarten worden opgerold en in blikken cylindervormige kokers bij het archief van den generalen staf, op de bagaadjekarren medegevoerd Het is gemakkelijk te begrijpen, dat een genoegzaam aantal kaarten voor militair gebruik nuttig, zelfs onontbeerlijk is. Terwijl men ook nog tegenwoordig vaak hoort

[p. 275]

zeggen: ‘Als ik maar eens op het terrein ben, dan zal de zaak wel in order komen’, dan is dit toch inderdaad een weinig beteekenend gezegde. Volgens eene goede en naauwkeurige kaart, kan men in den regel de militaire beschikkingen veel juister en met meer zekerheid nemen, dan op het terrein zelf, alleen reeds om de eenvoudige reden, dat men op de kaart een grooter gedeelte van het terrein gemakkelijker overziet dan in de werkelijkheid en daarop niet zoo gemakkelijk als op het terrein zelf, door enkele bijzonderheden van weinig of geen gewigt, van het meer belangrijke wordt afgetrokken. Daar bij het uitbreken of zelfs bij het dreigen van eenen oorlog, juist de kaarten van het oorlogstooneel, waar men handelen zal, zeer moeijelijk te verkrijgen zouden kunnen zijn, zoo moeten bij alle legers reeds in vredestijd maatregelen genomen zijn om een genoegzaam aantal exemplaren van de kaarten der oorlogstooneelen, waar men mogelijk zoude kunnen optreden, te koopen en op te leggen. Dit geschiedt, hetzij door een afzonderlijk kaartenbureau voor het geheele leger of door bijzondere kaartenbureaux bij de legerkorpsen of bij de divisiën. Uit deze depots worden dan bij het uitbreken van eenen oorlog, de kaarten aan de verschillende staven verstrekt.

Reeds de Ouden erkenden het nut van kaarten voor krijgskundig gebruik. Vegetius prijst de medeneming daarvan aan en een namelooze Byzantijnsche schrijver uit de tijden van Justinianus geeft den raad alle terreinen, waarop men tot strijden zoude kunnen komen, op te nemen. Vóór de uitvinding der boekdrukkunst en der houtgraveerkunst kon intusschen het militair gebruik van kaarten slechts zeer beperkt zijn. Met deze uitvindingen breidde het zich evenwel uit en dat wel meer, naarmate alle takken der boekdrukkunst veelvuldige verbeteringen ondergingen. De keizerlijken maakten reeds in de 16de eeuw eene verzameling van de kaarten hunner landen; in Frankrijk stichtte Lodewijk XIV in 1688 het Dépôt de la guerre, waarin niet alleen bestaande kaarten voor oorlogsgebruik verzameld, maar ook nieuwe vervaardigd werden. Tegenwoordig is aan den generalen staf van elk leger eene inrigting - topographisch bureau - verbonden, waarin ten minste de opmeting en de daarstelling van het eigen land, op eene voor militair gebruik geschikte schaal, plaats heeft. De verbazende vorderingen in den steendruk en in alle kunsten, die betrekking hebben op de vervaardiging van kaarten, hebben ten gevolge, dat men tegenwoordig alle vroegere voortbrengselen van dien aard verre kan overtreffen en dat er bijna geen hinderpalen meer bestaan, voor het meest uitgestrekte krijgsgebruik van kaarten. Het nieuwere oorlogsstelsel - sedert de Fransche omwenteling - maakt dit gebruik echter ook veel noodzakelijker, dan het bij voorbeeld in den 7-jarigen oorlog of in de 18de eeuw in het algemeen was. Bij de verpleging uit de magazijnen moesten en konden de legers meer geconcentreerd blijven, dan bij het requisitiestelsel en eene naauwkeurige berekening van de zamenverking der verschillende onderdeelen volgens tijd en ruimte, was toenmaals veel minder noodig dan thans. Hoewel sedert het einde der 17de eeuw tot aan de Fransche omwenteling, de stellingoorlog, die in een innig verband met het terrein staat, eene belangrijke rol vervuld heeft en hoewel men daarom zoude denken, dat daarbij het gebruik van kaarten onontbeerlijk was, zoo kan toch met het volste regt beweerd worden, dat dit gebruik daarbij veel gemakkelijker kon ontbeerd worden, dan bij den oorlog der groote bewegingen. Deze stellingoorlog hield juist de legers langen tijd op hetzelfde punt bezig, zoodat men zelfs tijd verkreeg tot het opmeten van en het grondig bekend raken, met het terrein op dat punt, iets wat bij snelle bewegingen onmogelijk is; al verder waren de legers meer vereenigd, zoodat het terrein alleen met opzigt tot het gevecht in aanmerking kwam en het tot dat einde veel gemakkelijker in de werkelijk-

[p. 276]

heid te overzien en op te meten is, dan wanneer men marschen ten doel heeft. Het spreekt van zelve, dat het voorhanden zijn van kaarten nutteloos zoude zijn, indien de officieren, die daarvan gebruik moeten maken, ze niet begrepen. De kaarten spreken eene eigene taal, die geleerd moet worden. Dit geschiedt het best door eigen oefening en het opmeten en in kaart brengen van terrein.

Wij laten hier eene opgave der voornaamste kaarten in de Europesche staten volgen, met de schaal waarop zij vervaardigd zijn.

Frankrijk: Carte topographique de la France levée par ordre du gouvernement et dressée au depôt de la guerre op 1/80000 in 258 bladen à 7 francs per blad en Carte de la France op 1/320000 naar de vorige vervaardigd, in 33 bladen tegen denzelfden prijs. Carte topographique de l'île de Corse, dite du Dépôt de la Guerre op 1/100000 in 4 geheele en 4 halve bladen.

Het Pyreneesche schiereiland: D. Francisco Coëlle, Atlas de Espana y sus Posesiones de ultremar, de Europesche provinciën op 1/200000 in 60 bladen à ƒ4,20 per blad; Berghaus, Karte von der iberischen Halbinsel op 1/1500000.

Italië: Carta degli Stali de Sua Maestà Sarda in Terraferma op 1/50000 in 91 bladen à ƒ2,10 per blad (kaart van den Sardinischen generalen staf). Topographische Karte des lombardisch-venetianischen Königreichs und sämmtlichen Staaten Mittelitaliens door het militair-geographische instituut van den K.K. generaalkwartiermeesterstaf op 1/86400; Wörl, Atlas von Centraleuropa (Frankrijk met de Pyreneën, Duitschland, Denemarken, Polen tot Krakau, Hongarije tot Presburg, Italië tot Rome) op 1/500000; Karte von Italien zum Hand- und Reisegebrauch door de litterarisch-artistische vereeniging te Munchen op 1/2000000.

Zwitserland: Topographische Karte der Schweiz (onder opzigt van den generaal Dufour) op 1/100000 in 25 bladen Leuthold, Reisekarte der Schweiz op 1/333333. Afzonderlijke kaarten der kantons Zurich op 1/25000 in 32 bladen à ƒ1,20, op 1/125000 door Ziegler à ƒ2,40, Aargau op 1/50000; St. Gallen op 1/25000, enz.

Groot-Brittanië: Arrowsmith, Map of England and Wales op 1/100000; Ordnance trigonometrical Survey of Great-Brittain and Ireland op 1/63360.

De Nederlanden: Topographische en militaire kaart van het koningrijk der Nederlanden op 1/50000 in 62 bladen à ƒ2,80; Krayenhoff, Choro-topographische kaart der noordelijke provinciën van het koningrijk der Nederlanden 9 bladen.

België: Girard et Van der Maelen, Nouvelle carte topographique de la Belgique op 1/80000 in 25 bladen en Van der Maelen, Carte topographique de la Belgique op 1/20000 in 250 bladen.

Duitschland met de Oostenrijksche landen: Reymann-Oesfeld, Spezialkarte von Deutschland op 1/200000, elk blad à ƒ0,90 (tot 1 Jan. 1859 verschenen 294 bladen); Straszenkarte der österreichischen Monarchie door den K.K. generaalkwartiermeesterstaf op 1/864000. Topographische kaarten van Beijeren, Wurtemberg, Baden, Hessen-Darmstadt en Hessen-Kassel, het koningrijk Saksen en Hannover op 1/50000; Papen, Topographischer Atlas von Hannover uud Braunschweig op 1/100000; topographische kaart van Westphalen en de Rijnprovincie op 1/80000 en van het oostelijke gedeelte der Pruissische monarchie op 1/100000 beiden door den Pruissischen generalen staf; kaarten van het aartshertogdom Oostenrijk, Salzburg, Tyrol, Stiermarken, Moravië, Illyrië en Boheme door den generaalkwartiermeesterstaf op 1/144000 en op 1/288000; Straszen-, übersichts und Militärroutenkarte des Königreichs Böhmen door denzelfden staf op 1/516000; Fallow, Karte des österreichischen Kaiserstaates op 1/864000; Engelhardt, Generalkarte des preuszi-

[p. 277]

schen Staats op 1/600000; Wörl, Atlas von Südwestdeutschland und dem Alpenland op 1/200000 en Atlas von Central Europa (zie onder Italië); Stieler, Atlas von Deutschland op 1/800000.

Denemarken: Topographisk kaart over Kongeriget Danmark med Hertgd. Slesvig udasbegded og udgivet af Generalstaben op 1/80000 in 81 bladen à 1 thaler; Kort i 1/120000 Sund Störrelse over Slesvigs Fastland og Als, enz. door den generalen staf in 6 bladen à 6 thaler.

Zweden: Ljunggren, Atlas van Zweedsche steden op 1/20000.

Rusland en Polen: Schubert, Spezialkarte von Russland op 1/420000 en Kriegsstraszenkarte des europäischen Ruszlands und Polen op 1/680000, beiden zonder teekening van terrein; Weiland, Algemeene kaart van Europeesch Rusland op 1/3218000; Chrzanowski, Carte de l'ancienne Pologne op 1/300000; Engelhardt, Uebersichtskarte von Polen op 1/775000; Podrobnaja Karte Rossiiskoii Imperii, enz. bijzondere kaart van het Rijk door den keizerlijken generalen staf, met Russisch schrift op 1/840000. Van deze zoogenaamde honderdbladige kaart is in 1812 een nadruk in het Fransch vervaardigd. Hoewel reeds in 1804 voltooid, behandelt deze kaart Finland, Polen en al het land tot aan den Weichsel toe, even uitvoerig als datgene, dat binnen de toenmalige grenzen gelegen was.

Turkije en Griekenland: Cotta'sche inrigting, Das Osmanische Reich op 1/100000; Carte de la Grèce door het Fransche Dépôt de la guerre op 1/120000.

Kabellengte.

Zie Ankertouw. Zij werd vroeger gerekend op 120 Amsterdamsche vademen, thans op 225 el. Bij de Franschen heeft zij eene lengte van 195 el.

Kabelstelling.

Kabelgat of touwstelling, bergplaats voor de kabels en touwen van een schip.

Kabeltouw.

Zie Ankerketting.

Kader.

Vroeger prima plana genoemd. Hierdoor verstaat men: 1o. de officieren en onderofficieren; 2o. het gedeelte van de troep, die steeds onder de wapenen blijft, terwijl het overige na een' korteren of langeren oefeningstijd met verlof naar zijne haardsteden vertrekt om door nieuw opgeroepen rekruten vervangen te worden; van daar kader- of verlofgangersstelsel, ook reservestelsel, een weerstelsel, waarbij men volgens de juist genoemde grondregels handelt.

Kaderleger.

Zie Weerstelsel.

Kadet.

In de oorspronkelijke beteekenis jongste zoon; bij het stelsel der majoraten waren de jongste zonen van den adel tot een gering jaargeld beperkt, hetwelk hun door de oudere broeders uitbetaald werd. Sedert de 17de eeuw trachtten de vorsten den adel aan hunne dienst te hechten; terwijl in Frankrijk de jongere zonen van den adel eensdeels hun bestaan in den geestelijken stand zochten, lokte Lodewijk XIV ze anderdeels in de krijgsdienst en opdat zij daarin meer zouden kunnen verrigten dan gewoonlijk en buitendien de oudere broeders zoo spoedig mogelijk van huune verzorging ontheven zouden worden en daardoor meer lust tot intrede in de dienst zoude ontstaan, liet hij ze van hunne jeugd af, op kosten van den staat eene militaire opvoeding geven. In den beginne geschiedde dit daardoor, dat de jonge edellieden in groot aantal bij de verschillende regimenten in de grensplaatsen ingedeeld worden; in 1687 traden in ééns 900 op die wijze opgevoede jonge edellieden in Fransche dienst, terwijl opzettelijk voor hen de vroeger reeds bestaande, doch tijdelijk opgeheven tweede luitenants-plaatsen weder ingevoerd werden. Later had de militaire opvoeding der kadetten in afzonderlijke inrigtingen, kadettenhuizen, kadettenkorpsen, plaats. De andere vorsten, vooral de Duitsche volgden dit Fransche stelsel na. Terwijl behalve de adel, die groote bezittingen had, overigens

[p. 278]

een talrijke arme adel bestond, zoo werden niet alleen de jongere zonen des eerstgenoemden adels, maar ook jonge lieden, die geene andere broeders hadden, op dezelfde wijze opgevoed oneigenlijk insgelijks kadetten genoemd. Het woord kadet verkreeg dus de beteekenis van eenen jongeling van goede familie, die in eenig opvoedingsgesticht tot officier gevormd wordt of ook zoo als in Oostenrijk en in Zwitserland, die van eenen adspirant-officier (jonker), die nog geen graad bezit en bij een korps is ingedeeld. Zie Opvoeding.

Kaisson.

De kaissons of munitiekarren dienen tot het het vervoer der munitie bij de batterijen en in de parken. Het bovenstel van den K. draagt eene doelmatig ingerigte kist, door eenen deksel gesloten en die van binnen in verschillende vakken verdeeld is, welke ieder slechts één of wel verschillende schoten bevatten. De kaissons der veldartillerie van 12 en 6 illustratie en van 15 en 12 duim zijn tegenwoordig even als de vuurmonden tot op- en afleggen ingerigt en hebben dus minstens twee kisten ééne op den munitievoorwagen en ééne op het achterstel. In een' kaisson kunnen voor den 6 illustratieer 144, voor den 12 illustratieer 110, voor den houwitser van 15 dm. 92 en voor den van 12 dm. 110 schoten medegevoerd worden. De kaissons voor infanterie- of kavallerie-patronen patroonkaissons genoemd, kunnen naar het gewigt 10 000 à 20 000 patronen vervoeren. Men zie over de eigenschappen der kaissons als voertuig het art. Voertuigen. Tweeraderige munitiekarren komen nog slechts bij de Russen voor, hier en daar ook tot vervoer van de munitie voor scherpschutters, die alleen in kleine afdeelingen moeten optreden.

Kajuit.

De verblijfplaats van den kommandant van een schip. Op de tweedeksfregatten ligt zij onder de kampanje en strekt zich uit tot aan den spiegel. Het voorste gedeelte is door een schot van de eigenlijke kajuit gescheiden en draagt den naam van kerk of voorkajuit. Op gladdeksschepen is de K. onder het opperdek achter de longroom of het verblijf der officieren. Somtijds in zeer bijzondere gevallen is achter op het halfdek eene bovenkajuit getimmerd.

Kalaader.

Burgvoogd of vestingskommandant in Perzie.

Kalf.

Zie Affuit.

Kalfaten.

Hetzelfde als breeuwen. Zie Breeuwen.

Kaliber.

Zie Geschut, Projectiel, Vuurpijlen.

Kalk.

De K. is het hoofdbestanddeel van den kalkmortel en de cementen, die als metselspeciën gebezigd worden. De kalk, die onder water spoedig verhardt, wordt waterkalk of hydraulische K. genoemd. Hij dient tot reparatiën aan den water- of hydraulischen mortel, die bij alle werken onder water gebezigd wordt. Men gebruikt soms kalkwater om mijngalerijen van kruiddamp te zuiveren, door de wanden daarmede te besprenkelen. Dit berust op de eigenschap dat K. zich met koolzuur verbindt; de oplossing in water geschiedt alleen voor de betere verdeeling.

Kalkoenen.

Zie Hoef.

Kam.

Zie Borstwering.

Kamer.

In het algemeen, dat gedeelte van de ziel van eenig vuurwapen, dat bestemd is de lading te bevatten; in het bijzonder wordt dat gedeelte slechts dan kamer genoemd, wanneer het eene verschillende gedaante als het overige deel der ziel of eene kleinere middellijn heeft. Men gebruikt de kamers bij vuurmonden, wier lading in evenredigheid tot het kaliber zeer gering is, ten einde de lading beter bijeen te houden en haar zoodanig te kunnen plaatsen, dat het ontploffende buskruid op het midden van het projectiel werkt, dus bij het worpgeschut, mortieren en houwitsers. Als algemeene regel kan men aannemen, dat vuurmonden geene kamer behoeven, zoodra hunne kardoezen meer dan 1 kaliber lang zijn. De meest gewone

[p. 279]

vormen voor de kamers zijn de cylindrische en de kegelvormige, benevens de paraboloïdevormige. De cylindrische kamers zijn cylinders van minder middellijn dan de ziel, waaraan zij gewoonlijk met een' halven bol aansluiten; de afgeknot kegelvormige kamers worden in twee soorten verdeeld, nl. die waarbij de monding der K. eene gelijke middellijn met de ziel heeft en in die bij welke de middellijn der monding kleiner is dan die der ziel. De mortieren met de eerste soort van kamers worden mortieren à la Gomer genoemd. Vroeger had men kamers van allerlei gedaanten, bolvormige, peervormige, ellipsoïdevormige, enz., waardoor men trachtte de krachtuitwerking der lading aanzienlijk te vergrooten. Hoe kleiner bij gelijken inhoud, het oppervlak en, binnen zekere grenzen, de monding der kamer is, des te grooter is die krachtuitwerking. Bij de meeste stelsels van getrokken kanonnen, die hetzij reeds ingevoerd of nog slechts in beproeving zijn, nl. de stelsels van Wahrendorff, Cavalli en Armstrong heeft men kamers aangebragt. Men is daarbij teruggegaan tot hetzelfde denkbeeld, dat reeds bij de eerste verschijning van vuurwapens toegepast werd en is daartoe gebragt door de groote moeijelijkheid om dit geschut door de monding te laden. Men heeft de schacht uit twee deelen zamengesteld, waarvan het eene het langste, de eigenlijke schacht uitmaakt, het andere, het kortste eene werkelijke kamer tot opname der lading is of slechts een sluitstuk, waarmede men de schacht hecht genoeg kan sluiten, zoodra het projectiel en de lading in de ziel geschoven zijn. In dit laatste geval kan zich in de schacht zelve eene kamer bevinden; hier zal zij echter niet naauwer zijn, dan het overige gedeelte der ziel; daarentegen kan zij met voordeel eene grooter middellijn hebben, waardoor het projectiel en de lading zich gemakkelijk laten inbrengen, terwijl de uitwerking der ontstoken lading het projectiel in de eigenlijke ziel perst en het zoodoende dwingt, de trekken te volgen.

Het kamerlaadstelsel, het stelsel der lading van achteren is nu ook bij de handvuurwapenen toegepast, onder anderen bij het Fransche walgeweer, bij het Noorweegsche en bij het Zweedsche kamerlaadgeweer bij het Pruissische naaldgeweer en bij de Engelsche karabijnen volgens de stelsels van Westley-Richard en Terry. De voordeelen van dit stelsel zullen voornamelijk dan in het oog springen, wanneer, zoo als in de nieuwere vestingen, vuurmonden zoo wel als scherpschutters in enge plaatsen achter schietgaten gesteld worden. Men behoeft dan zijn geweer niet terug te trekken om te laden; evenmin stelt de bedieningsmanschap der vuurmonden zich bloot bij het laden, daar de vuurmond niet teruggebragt behoeft te worden. Daarbij komt nog het voordeel, dat èn geschut èn draagbare vuurwapens veel sneller kunnen geladen worden, terwijl bij de laatsten de laadstok kan ontbeerd worden. Het komt er echter bij de draagbare vuurwapens, als zij in het open veld gebruikt moeten worden, vooral op aan, dat de sluiting van de kulas eenvoudig en zeker zij, voorwaarden waaraan het stelsel Westley-Richard, tot nu toe nog het best schijnt te voldoen. Daarbij wordt de kamer door eene naar boven slaande klep gesloten, waaraan een grendel met koperen kop verbonden is. Bij het sluiten van de kulas, wordt deze grendel van zelve naar voren geduwd. Indien nu de lading ontstoken wordt, dan dringt eene vilten prop, die zich in de achterzijde der patroonhuls bevindt, naar achteren en belet alle gasontsnapping, terwijl zij bij het volgend schot door den kogel naar voren uit den loop wordt gedreven en dezen tevens reinigt.

Men zal gemakkelijk inzien, dat het ook voordeelig zoude zijn, het scheepsgeschut voor kamerlading in te rigten, zooals reeds bij proef bij de Fransche marine geschiedt, volgens het stelsel van den Zweedschen 2den luitenant Engström. De vraag is echter of bij de zeer groote kalibers, die men bij de marine gebruikt, de sluiting wel zoo hecht zal zijn, als zulks wenschelijk is (zie Kanonnen).

[p. 280]

Men kan ook aan getrokken handvuurwapens, die door de monding geladen worden, kamers geven, welke dan echter weder eene kleinere middellijn moeten hebben dan de ziel; zoodanig zijn de wapens van het stelsel Delvigne en Delvigne-Poncharra. Kamerstukken, kamergeweren, kamerbussen, enz. zijn zulke vuurwapens, die van eene kamer voorzien zijn; kamerlaadstukken, kamerlaadgeweren, enz. dezulken die van achteren geladen worden.

Kameraad.

Kamergenoot, krijgsmakker. De kleine genootschappen, die het eerst in de 16de eeuw bij de Spaanscbe legers ontstonden, toen zij gestadig op vreemden bodem streden, werden kameraadschappen genoemd. De deelgenooten van zulk een kameraadschap legerden gezamenlijk onder dezelfde tent, hadden een gemeenschappelijk kwartier in de kantonnementen; de oudere manschappen zorgden voor de opvoeding der jongeren, terwijl allen zich verpligtten elkander bij alle omstandigheden hulp en bijstand te verleenen, elkander in het gevecht, bij verwondingen, bij ziekten, enz. te ondersteunen in zoo ver de dienst zulks slechts eenigzins toeliet. Niet alleen onderofficieren en soldaten, maar ook officieren vormden dergelijke genootschappen; daar zij echter bij een vendel gering in getal waren, versterkten zij zich door de opname van jonge edellieden of van uitstekende krijgslieden die geen graad bezaten en eene dergelijke opname in een officierskameraadschap was bijzonder gezocht. Later veranderden deze kameraadschappen in escouades. Tegenwoordig verstaat men door het woord kameraadschap, de verhouding tusschen de leden van hetzelfde korps of van hetzelfde leger in het algemeen en onderscheidt in dien zin goede en slechte kameraadschap, goede en slechte kameraden.

Kamerwacht.

Zie Kampen en Kwartieren.

Kampanje.

Zie Dek.

Kampement.

Zoo veel als kamp, legerplaats. In Oost-Indië geeft men dien naam in het algemeen aan elke plaats waar de troepen huisvesten, ook aan kazernes, enz.

Kampen en kwartieren.

De wijze, waarop voor het verblijf der troepen gezorgd wordt, is zeer verschillend, naarmate van de wijze, waarop zij werkzaam zijn en den graad van rust, dien men hen kan laten genieten. In vredestijd zijn tegenwoordig de troepen in de verschillende steden van het land verdeeld, de infanterie en artillerie gewoonlijk in de grootere steden en vestingen, de kavallerie in de kleinere steden. De troepen zijn dan in hunne garnizoensplaatsen met ééne of meer taktische eenheden, hetzij in militaire woningen, kazernes vereenigd of wel de manschappen zijn afzonderlijk of met eenigen te zamen bij de burgers ingekwartierd. Militairen, wier dienst medebrengt, dat zij op bepaalde plaatsen der stad of vesting wonen, zoo als bijv. de plaatselijke kommandanten, magazijnmeesters, directeurs van andere militaire inrigtingen, benevens hunne helpers, verkrijgen geschikte en op de bepaalde plaats gelegene dienstwoningen. Officieren en soldaten, die niet verpligt zijn in kazernes te wonen en wien geene woning aangewezen wordt, verkrijgen daarvoor in de meeste legers eene geldelijke vergoeding (serviesgeld), terwijl ook de gekazerneerde officieren, eene toelage bekomen tot het meubelen hunner woning. Bij ons te lande, maakt men echter hierop eene van ons standpunt gezien, hoogst onaangename uitzondering. De paarden worden in kazernestallen of in zoo groot mogelijk gehuurde stallen (zie Stallen) onder dak gebragt. De reglementen van alle legers bevatten voorschriften omtrent de ruimte, waarop de verschillende rangen zoo in kazernes, als in burgerwoningen aanspraak kunnen maken, hoe deze verblijven met meubels, bedden en beddegoed moeten voorzien zijn en welke aanspraken de ingekwartierde buitendien nog kan maken, zoo

[p. 281]

op brand en verlichting als op voeding. Ongehuwde onderofficieren en soldaten worden in kazernes meestal tot 4, 8 tot 16, bij ons zelfs met geheele kompagniën in eene groote kamer (chambrée) te zamen gelegd. Als regel geldt daarbij, dat elk man 8 kubieke el ruimte moet bekomen. Ook bij inkwartiering handelt men zoo veel mogelijk op dezelfde wijze. Een man (kamerwacht) is voor elke kamer dagelijks met de zorg voor de zindelijkheid en de orde belast.

De kazernering bestaat zoo lang als de staande legers. De Romeinsche praetorianen hadden in Rome volmaakte kazernes en de vaste legerkampen, die de legioenen aan de grenzen hadden, kunnen eveneens als groote kazernes beschouwd worden. In de 17de eeuw werden de staande troepen, vooral de kavallerie, op het platte land en in kleine plaatsjes verdeeld. De garnizoensplaatsen en de burgers, die inkwartiering hadden, moesten meestal ook voor de verpleging zorgen; dit werd een buitengewoon drukkende last, vooral daar bevelhebbers en soldaten zich niet altijd tot het noodzakelijke en het bij voorschriften vastgestelde, bepaalden, doch veel meer vorderden en afpersten. Deze last werd te drukkender, naar gelang de staande legers grooter werden. De klagten daarover aangeheven, het afkoopen van den last door kleine gemeenten, de wensch der regeringen om de lasten der burgers te verminderen en tegelijk door de verandering van deze opbrengsten in natura in geldelijke bijdragen, die daardoor des te zekerder en met meer nut in hunne handen zouden komen, gaven aanleiding, dat op het laatst der 17de en in het begin der 18de eeuw de troepen in grootere afdeelingen in de groote steden zamengetrokken en spoedig daarna gekazerneerd werden Het is duidelijk, dat men in kazernes de krijgstucht gemakkelijker kan handhaven, dan bij de verbrokkeling in kwartieren, dat voor de troepen ook de dienst gemakkelijker wordt, daar zij in allen gevalle den weg uitsparen, dien zij voor elke dienstverrigting van hunne woning naar de verzamelplaats moeten afleggen. In de 18de eeuw was de vrees voor deserteren nog een prikkel te meer om aan de kazernering de voorkeur te verschaffen. In vestingen trachtte men door het bouwen van defensieve kazernes tegelijkertijd voor het verblijf der troepen en de verdediging te zorgen.

In oorlogstijd worden deze wijzen van troepen te logeren belangrijk gewijzigd; alleen in vestingen kunnen zij even als in vredestijd in kazernes onder dak gebragt worden; alleen in zooverre ontstaat hierin eene wijziging, dat de troepen, die tot nu ingekwartierd of niet in defensieve kazernes gelogeerd waren, nu in die kazernes of ook in de kazematten onder de wallen, die meer of minder volkomen tot woonplaatsen zijn ingerigt, geplaatst worden; men moet daarbij, deels wegens de versterking van het garnizoen met betrekking tot den voet van vrede, deels omdat niet meer zoo veel ruimte beschikbaar is, zeer spaarzaam te werk gaan. Men rekent dan ook voor het verblijf in bedekte ruimten voor ieder man op niet meer dan 4 kubieke ellen. Ook het logies der zeelieden op de vloten is in oorlogstijd hetzelfde als in vredestijd; maar geheel anders is het gesteld met de troepen van het actieve operatieleger, die in het vrije veld moeten strijden. Hier zijn de wijzen van legering onderscheiden in: a. kantonnementen of kantonneringen en b. kampen of legerplaatsen.

De troepen betrekken kantonnementen als zij in de steden en dorpen van het land verdeeld en hier bij burgers ingekwartierd worden, terwijl zij geheel of gedeeltelijk uit de magazijnen, door de burgers of door de gemeenten verpleegd worden. De kantonnementen onderscheiden zich van de gewone, hierboven vermelde inkwartiering, hoofdzakelijk doordien de manschappen meer vereenigd gehouden worden, doordien men minder op ruimte en gemak let en door eene andere wijze van ver-

[p. 282]

pleging. Volgens den tijd waarin eene troepenafdeeling in dezelfde kantonnementen blijft noemt men ze kantonneringskwartieren (vaste kantonnementen, standkwartieren) en nachtkwartieren of marschkantonnementen; bij deze laatste blijft de troep slechts ééne nacht of twee nachten en één dag (rustdag) in het kwartier om daarna weder verder te marcheren; bij de eersten genieten de troepen eenigen tijd, meestal onbepaald, rust. Naarmate de troepen in de kantonnementen digter bij of verder van elkander liggen, noemt men ze enge of uitgebreide kantonnementen. Het kantonnement is uitgebreid, indien op 4 of 5 inwoners van de landstreek (gemiddelde sterkte van een huisgezin of van de bezitters eener haardstede) hoogstens 1 soldaat gerekend wordt, eng wanneer op datzelfde getal inwoners het aantal soldaten grooter is. Men rekent niet gaarne meer dan 1 soldaat op 1 of 1 1/2 inwoner; maar in buitengewone gevallen is het zelfs mogelijk, dat getal nog grooter te maken, vooral als de troepen gedeeltelijk uit de magazijnen gevoed worden of slechts zeer korten tijd in de kantonnementen zullen blijven. De verdeeling der troepen in de verschillende kantonnementen wordt hunne dislocatie (zie Dislocatie) genoemd.

Een troep betrekt een kamp (legerplaats) of bivouac als de soldaten buiten bewoonde plaatsen in het open veld rusten en zich hier militairement inrigten. De kampen worden onderscheiden naar de wijze van zamenstelling in huttenlegerkampen en tentenlegerkampen. Over de bivouacs zie men het artikel Bivouac. De kampen of bivouacs veroorloven altijd eene engere zamentrekking dan zelfs de engste kantonnementen. Men onderscheidt even als bij de kantonnementen marschlegerplaatsen en standlegerplaatsen.

Bij de keuze van alle kampen of kantonnementen, moet men altijd drie zaken in aanmerking nemen: het gemak der troepen, het gemak der inwoners of hunne zoo gering mogelijke belasting (welke zeker zeer dikwijls moeijelijk over een te brengen zijn) en de mogelijkheid om de troepen op de doelmatigste en gemakkelijkste wijze in werking te stellen. Het eerste punt verlangt in den regel eene uitgebreide verdeeling, waarop het verblijf in standlegerplaatsen onder hutten of in barakken eene uitzondering maakt: het laatste punt eene zoo digt mogelijke bijeentrekking. Aan het tweede punt zou volkomen voldaan worden, als men de troepen nooit inkwartierde en als deze al hunne benoodigdheden medevoerden. Het stelsel der 18de eeuw kwam dit ideaal het meest nabij. De legers voerden tenten mede, die voor elk nachtkwartier werden opgerigt, buitendien beweegbare magazijnen, bakkerijen, enz. Tegenwoordig nu in den regel geene tenten medegevoerd worden, kan men alleen iets dergelijks bereiken door een huttenkamp te betrekken en magazijnen op te slaan. De bivouacs zijn hoegenaamd niet verschoonend voor eene landstreek, omdat de soldaten, als het slechts eenigzins mogelijk is, legstroo en brandhout gebruiken en deze voorwerpen (legerbehoeften) ten minste, altijd in de onmiddelijke nabijheid van het bivouac weghalen, terwijl daarbij nog meestal plaats heeft, dat de troep uit die landstreek zich op nieuw van allerlei behoeften voorziet en genoodzaakt is haar op eene vrij ruwe wijze, nagenoeg uit te plunderen. Men ontziet bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoeren de landstreek, de inwoners, het meest door het betrekken van uitgebreide kantonnementen. Hoe verder men van den vijand verwijderd is of hoe meer de toestand, dien van vrede nadert, zoo als bijv. gedurende eenen langen wapenstilstand, des te meer kan men de beide hierboven eerstgenoemde punten, namelijk het gemak der troepen en dat der inwoners in acht nemen, des te meer kan men het laatste punt verwaarloozen en omgekeerd. Hieruit volgt, dat in den tegenwoordigen tijd de uitgebreide kantonnementen kunnen betrokken worden bij de eerste

[p. 283]

zamentrekking van een leger vóór het beginnen der vijandelijkheden, gedurende wapenstilstanden, die waarschijnlijkheid van langen duur zullen zijn en als de weêrsgesteldheid eenen langeren stilstand der operatiën noodzakelijk maakt (winterkwartieren); enge kantonnementen kunnen betrokken worden onmiddelijk voor dat het leger de operatiën zal beginnen en gedurende deze operatiën, zoo lang men nog minstens 4 marschdagen van den vijand verwijderd is (marschkantonnementen). Men zal somtijds gedwongen zijn, ze in winterveldtogten te bezigen, om het leger niet te veel uit te putten. Hier zijn zij louter als eene vervanging der bivouacs te beschouwen en moeten dus zoo eng mogelijk genomen worden. Voor belegerde vestingen kan het gros van het belegeringskorps, dat niet in dagelijksche dienst is, insgelijks enge kantonnementen (blokkadekantonnementen) betrekken. Bivouacs worden gebezigd gedurende de operatien tegen den vijand, zoodra men in diens bereik gekomen is, niet meer dan 4 marschdagen van hem verwijderd is en als een kortstondige wapenstilstand gesloten wordt. Deze bivouacs worden van zelf huttenkampen als men langer dan eenige dagen daarin verblijft; buitendien worden die kampen gebruikt als men enkele divisïën of brigades in eene landstreek, die geene voldoende verblijfmiddelen aanbiedt, geconcentreerd wil houden; evenzoo kunnen zij bij belegeringen in plaats van de blokkadekantonnementen gebezigd worden. Tentlegerkampen worden tegenwoordig in den regel slechts dan opgeslagen, als grootere troepenafdeelingen tot vredesoefeningen bijeengetrokken worden. De ruimte, welke eene kantonnerende troepenafdeeling bij eene gegeven engte der kantonnering inneemt, is geheel afhankelijk van de digtheid der bevolking. Heeft eene landstreek 4000 inwoners op eene vierkante mijl, dan beslaat eene divisie van 12000 man voor uitgebreide kantonnementen 12 à 15, bij enge, kantonnementen slechts 3 à 5 vierkante mijlen. Maar al bivouacqueert men, dan is toch hoewel men, oppervlakkig beschouwd, het tegendeel zou beweren, de ruimte niet geheel onafhankelijk van de digtheid der bevolking, om de eenvoudige reden, dat men de legerbehoeften van de bevolking moet verkrijgen en het wel te veronderstellen is, dat de voorraad daarvan evenredig is aan de digtheid der bevolking. Wel is waar zal eene bivouacquerende divisie niet meer dan hoogstens 1/120 vierkante mijl legerruimte noodig hebben, maar men kan ook moeijelijk meer dan ééne divisie in hetzelfde bivouac plaatsen; heeft men er nu meerdere, dan moet men ten minste aan elke divisie hare plaats bij een ander dorp aanwijzen en zoodoende is de onderlinge afstand der divisiën, bijgevolg de geheele legerruimte afhankelijk van den afstand, waarop de bewoonde plaatsen van elkander verwijderd zijn, bijgevolg van de digtheid der bevolking. Aan de andere zijde vloeit hieruit voort, dat in het algemeen zelfs bij zeer uitgebreide katonnementen in een sterk bevolkt land, de troepen veel meer geconcentreerd kunnen gehouden worden, dan in een zwak bevolkt land, dat echter ook daarin eene zeer naauwe concentratie kan verkregen worden, als men de groote steden tot kantonnementen bezigt, waarin de bevolking van eene uitgebreide landstreek zich ophoopt, terwijl zij op het platte land des te geringer wordt.

Met het oog op het laatste punt, namelijk de gemakkelijke overgang tot operatiën van allerlei aard, moeten de troepen in slagorde kamperen of kantonneren. Met betrekking tot de kantonnementen kan men uit dezen regel alleen afleiden, dat aan elk der grootere legerafdeelingen, der groote strategische eenheden een afzonderlijke landstreek als kantonneringsgebied moet aangewezen worden, afgescheiden van de andere, zoodat de troepenafdeelingen der verschillende strategische eenheden niet door elkander gemengd worden en elke aanvoerder daarvan, op zijn gebied met volkomen vrijheid en zekerheid kan handelen, dat binnen het geheele kantonnementsgebied van

[p. 284]

het leger de afzonderlijke kantonneringsdistricten zoodanig naast elkander geplaatst worden, als men de daar geplaatste troepen gelijktijdig en achtervolgens in werking wil stellen, dat bijv. op die wijze in eerste linie ligte troepen en genoegzame kavallerie aanwezig is, terwijl het gedeelte der reserve-artillerie, der reserve-kavallerie en der parken, die tot het laatste oogenblik ter beschikking van den opperbevelhebber moeten blijven, het verst van den vijand verwijderd blijven en in de betrekkelijk zekerste kantonnementen geplaatst worden. Ook is het natuurlijk, dat zware artillerie en parken zoo mogelijk nabij begaanbare wegen moeten geplaatst worden, van waar zij in elke noodzakelijke rigting in beweging kunnen gesteld worden. Wat nu van de verdeeling der kantonnementsdistricten in het geheele gebied gezegd is, dat wordt ook bij de verdeeling der troepenafdeelingen (brigades, bataillons, enz.) in de verschillende gemeenten (kantonneringskwartieren) van het kantonnementsdistrict eener strategische eenheid toegepast. Ook hier moet men het vermijden, afdeelingen van verschillende taktische eenheden in dezelfde plaats door elkander te leggen; ook hier zijn de troepensoorten en troepenafdeelingen, die men het eerst gebruiken wil, het digtst bij den vijand, de andere meer verwijderd daarvan geplaatst. In de afzonderlijke bewoonde plaatsen moet men, als er meerdere taktische eenheden gelegerd zijn, er op letten, dat elk daarvan eene afzonderlijk wijk wordt aangewezen en hetzelfde stelsel wordt dan ook weder met voordeel bij de onderafdeelingen der taktische eenheden toegepast, waarbij men natuurlijk de omstandigheden in aanmerking moet nemen en zich niet aan eene even nuttelooze als dwaze overdrijving moet schuldig maken.

Bij de kampen kan men in dit opzigt nog verder gaan dan bij kantonneringen en men moet zulks hierbij zelfs doen. De algemeene regels daarbij zijn: a. dat artillerie en kavallerie zoo mogelijk gekantonneerd moeten worden, zelfs als de infanterie kampeert en dat wel voor eene betere verpleging en verzorging der paarden; b. in het kamp worden de afzonderlijke taktische eenheden gewoonlijk naast elkander gelegerd, dus het geheel in ééne linie: twee linien worden alleen dan gevormd, als de noodige frontbreedte niet aanwezig is; c. voor elk kamp wordt eene frontlijn op 100 à 150 passen voor de eerste rij tenten of hutten aangewezen (front de bandière); de ruimte tusschen die lijn en de legerplaats is bestemd voor het aantreden der troepen; d. voor elke taktische eenheid rekent men zoo het eenigzins mogelijk is op zooveel froutbreedte als zij in linie opgesteld beslaat; is die ruimte niet voorhanden, dan rekent men toch op het allerminst op de helft dier breedte.

De kampen van tenten en van hutten, kunnen op twee verschillende wijzen opgeslagen worden. Op de eene wijze worden de tenten van elke kompagnie evenwijdig aan de frontlijn in zoo veel rijen geplaatst als het reglementaire aantal gelederen bedraagt, terwijl de verschillende kompagniën naast elkander gelegerd zijn. De tenten der officieren staan dan in eene derde of vierde rij, die der hoofdofficieren in eene vierde of vijfde rij. Bij de tweede wijze staan de tenten van elke kompagnie op twee rijen loodregt op de frontlijn, eene straat, kompagniesstraat vormende. De kompagnien staan naast elkander, de tenten van den kleinen staf, van de officieren en hoofdofficieren vormen afzonderlijke rijen, achter de respectieve kompagnien; gewoonlijk worden de soldatententen van die der officieren, door de groote kampstraat gescheiden. Bij de kavallerie en artillerie worden de paarden in de kompagniesstraten geplaatst. Men slaat namelijk op eenen behoorlijken afstand van de rijen tenten van 2 tot 3 passen piketpalen, verbindt deze door piketkoorden (de gewone fourragestrikken) en sluit den stal op 4 1/2 pas achter de lijn der piketpalen door lijnen.

De keukens of kookgaten, de pompen of putten, de latrines, enz. liggen allen in

[p. 285]

verschillende rijen, nu eens hier, dan weder ginds, zonder dat daarvoor echter bepaalde plaatsen bestemd zijn. Hetzelfde wat hier van tentenkampen gezegd is, blijft van toepassing voor huttenkampen. Bij bivouacs komen eenige afwijkingen voor. Een bataillon infanterie stelt zich hetzij in linie op, evenwijdig aan het front, stelt de geweren aan rotten, hangt den sabel en het ledergoed benevens het hoofddeksel daaraan, gaat dan een pelotons afstand achterwaarts, zwenkt met pelotons regts of links, zoodat het in open kolonne staat, neemt voorts behoorlijke afstand tusschen de gelederen en de rotten, opdat de manschappen gemakkelijk zouden kunnen liggen en leggen op den vleugel, die het verst van de geweren verwijderd is, hunne bivouacvuren en kookgaten aan; òf wel het bataillon zet, in kolonne geformeerd, de geweren aan rotten en de kompagnien legeren zich even als hierboven gezegd is, zij- of achterwaarts van de oorspronkelijke stelling. Een regiment kavallerie bivouacqueert in linie op twee gelederen in zeer geopende stelling waarbij het 2de gelid 30 pas afstand van het eerste neemt of op dezelfde wijze met eskadrons in kolonne; de artillerie bivouacqueert zooals hierboven gezegd is, de stukken en voertuigen worden in veschillende rijen vóór het front opgereden (geparkeerd), de stukken in de eerste rij, hetgeen ook het geval is in hutten- of tentenkampen. - De veiligheidsen de politiedienst in legerplaatsen van allerlei aard, worden door de daartoe opgestelde wachten (zie Veiligheidsdienst), door de officieren, die daarover het toezigt houden (generaals, hoofdofficieren du jour) en door afzonderlijke korpsen politie (zie Gensdarmes) verrigt. - De geregelde kampdienst wordt door een tableau geregeld, dat het uur van de reveille, van de taptoe, van de fourrageringen en distributien, van de etensuren, enz. benevens de inrigting van de wachtdienst en van de overige diensten vermeldt.

Terwijl onze legerplaatsen steeds eene zeer groote frondbreedte hebben, was dit met de Romeinsche kampen volstrekt het geval niet; zij werden steeds in eene ruimte omsloten, die een vierkant of eenen regthoek, waarvan de zijden 2 en 3 waren, vormde en waarin aan elk troepengedeelte, aan elk depot, aan elken bevelhebber eene vaste plaats was aangewezen. Hoewel men niet kan nagaan, in welk tijdstip de Romeinen hunne legerkunst volmaakten en of zij werkelijk de uitvinders daarvan zijn, zoo is dit laatste toch zeer waarschijnlijk, daar men bijv. bij de Grieken slechts zeer zwakke sporen van eene vaste wijze van legeren vindt. Volgens getuigenis van Polybius was de Romeinsche legerkunst reeds in den tweeden Punischen oorlog geheel ontwikkeld, even als uit Hyginus en andere schrijvers te zien is, dat zij hoewel, met vele veranderingen en bijzonderheden, toch nog in de hoofdzaken tot in de latere keizertijden bestond.

Er bestaan geene berigten over de legerkunst der middeleeuwen. De legers van de landsknechten in de 16de en in het begin der 17de eeuw, kampeerden op dezelfde wijze als de Romeinen in een vierkant of eenen weinig daarmede verschillenden regthoek; hunne wijze van legeren was alleen van die der Romeinen onderscheiden, doordien eene vast bepaalde regeling ontbrak. De Romeinen hadden lederen tenten medegevoerd, de landsknechten hadden ze van linnen. In de oorlogen tegen de Turken zijn door de Keizerlijken somtijds cirkelvormige kampen aangelegd geworden, die door eene wagenburgt verschanst werden. Toen in de laatste helft der 17de eeuw, de uitgebreide stelling in Europa algemeen werd, kwamen de thans gebruikelijke kampen in zwang. Daarbij werd echter in twee linien gekampeerd; even als de bataillons en eskadrons in slagorde in twee liniën naast en achter elkander opmarcheerden, zoo sloegen zij ook hunne tenten op. De Fransche omwenteling stelde de tenten buiten gebruik en deed de bivouacs meer algemeen worden, in alle gevallen, waarin men

[p. 286]

niet kantonneren kon. In bijzondere omstandigheden, zoo als bij voorbeeld in den veldtogt in de Krim en overal waar dagelijks groote verschillen van temperatuur heerschen, zal men wel doen ook thans nog tenten mede te voeren, vooral in streken, die arm aan hout en stroo zijn. Indien de soldaten hout en stroo vinden, dan maken zij ook in ieder bivouac in zeer korten tijd ten minste zoogenaamde afdaken, uit eenige latten bestaande, waartusschen stroo of rijswerk gevlochten wordt, die dakvormig tegen den wind in gesteld en door een paar steilen of latten in die rigting gehouden worden; uit deze afdaken komen dan bij een langer verblijf van zelve hutten te voorschijn, die aan alle zijden gesloten zijn en ten minste ruimte genoeg bevatten, om er bij slecht weder onder te kruipen.

Tegen het medevoeren van tenten, pleit het meest de daardoor onvermijdelijke vergrooting van den nasleep. De uitvindingsgeest heeft zich dus reeds vroeger en in den nieuweren tijd weder beijverd, middelen uit te vinden, waardoor de soldaten zelf het linnen hunner tenten in afzonderlijke stukken konden medevoeren en dan met behulp hunner wapens (geweren, lansen, laadstokken) daarvan tenten konden zamenstellen. Vooral de Franschen hebben in Afrika en elders veel gebruik gemaakt van dergelijke tenten (tente-abri). Over verschanste kampen zie men Stellingen, en Verschansing. Bronnen voor de legerkunst ook castrametatie of stratopedica genoemd, zijn vervat in de dienstreglementen en de meeste werken over taktiek. Ook zie men: Reichlin Meldegg, über Lagerstellungen und einige damit in Verbindung stehende Bewegungen; v. St. Ueber Biwaks und Lager der Infanterie im Felde.

Kan.

Zie Maten.

Kanaal.

1o. Een geheel of grootendeels door kunst daargestelde waterloop, die twee rivieren op eene korte en doelmatige wijze vereenigt; meestal moet daarom een kanaal waterscheidingen doorsnijden, waartoe dan om de schepen daarover heen te voeren, schutsluizen zijn aangebragt. 2o. Een doortogt van aanmerkelijke breedte van de zee tusschen twee landen. In het bijzonder het gedeelte van den Atlantischen Oceaan tusschen Engeland en Frankrijk het kanaal (la Manche) genoemd. Dewijl aan deze zeeëngten drie zeemogendheden, Frankrijk, Engeland en de Nederlanden grenzen, daar zij door hare geringe breedte gemakkelijk kan overgestoken worden, landingen gemakkelijk maakt en den zeeman door eb en vloed en verschillende stroomingen, gelegenheid geeft al zijne hulpmiddelen te gebruiken, is het Kanaal, ten alle tijde het schouwtooneel van bijna tallooze zeegevechten geweest.

Kandelaar.

Zie Sappe.

Kanonnen.

Hierdoor verstaat men die vuurmonden, welke de grootste lengte hebben en bestemd zijn om kogels te schieten; vroeger kon men hier bijvoegen, vuurmonden, die van geene kamer voorzien zijn; tegenwoordig is dit echter niet meer waar, zoodat hier dan ook de kanonnen, de houwitsers en alle tusschensoorten zullen behandeld worden. De eigenlijke kanonnen hebben nog tegenwoordig geene kamer; de meest gebruikelijke kalibers (zie ook Projectilen) zijn: 36 illustratie, 24 illustratie, 12 illustratie, 8 illustratie, 6 illustratie; buitendien 18 illustratie, 16 illustratie, 3 illustratie. Volgens hun gebruik worden zij verdeeld in veld-, belegerings-, vestings- en scheepskanonnen. Hunne schachten worden van brons (metaal, geschutmetaal), gegoten ijzer en in den laatsten tijd ook van gegoten staal vervaardigd. Men heeft voor de doelmatigste lengte voor de schacht der veldkanonnen, die van 16 à 18 kalibers erkend; belegerings- en vestingskanonnen, moeten zoo lang zijn, dat zij ver genoeg in de embrasures reiken, waarachter zij gebezigd worden; daartoe is bij de zwaardere kanonnen eene lengte der ziel van 20 kalibers, bij ligtere van 22 tot 24 kalibers voldoende. De dikte der wanden

[p. 287]

wordt metaaldikte genoemd; zij is bij alle gedeelten van de schacht niet gelijk; zij wordt het grootst bij de kamer, waar de ontbranding van het buskruid plaats grijpt en neemt langzamerhand naar de monding af. De uitwendige gedaante van de schacht is een gevolg van de metaaldikte. Men verdeelt de schacht uiterlijk van achteren naar voren in verschillende deelen; het gedeelte van het metaal, dat de schacht van achteren sluit wordt stootbodem of kulas genoemd, verder heeft men het bodemstuk, het midden- of tappenstuk, en het mondstuk, verdeeld in het langeveld en den kop; deze afzonderlijke stukken zijn uitwendig door sieraadsbanden van elkander gescheiden. De metaaldikte aan den bodem is gewoonlijk 3/4 à 1 kaliber, aan den kop nagenoeg de helft; de kop heeft meestal van zijn aanrakingsvlak met het langeveld af, eene tulpsgewijze verhooging, waardoor het vooreinde van het kanon eene meerdere sterkte verkrijgt. Om de kanonnen op de affuiten te doen rusten, zijn aan het middenstuk twee cylindervormige stukken, tappen aangezet, welke door de tapborsten versterkt zijn, die aan den vuurmond eene vastere ligging geven. Het midden van de as der tappen moet voor het zwaartepunt van den vuurmond liggen, waardoor de zoogenaamde broekzwaarte ontstaat, die noodig is opdat het achterdeel van den vuurmond op het rigttoestel zoude rusten, waardoor de elevatie gemakkelijk kan gegeven worden. Ten einde de schachten gemakkelijker te kunnen behandelen, verkrijgen zij vooreerst aan het tappenstuk twee ooren, met hun midden juist boven het zwaartepunt van den vuurmond geplaatst en die ongeveer de gedaante van halve ringen hebben; dan heeft men aan het bodemstuk de druif, met druifhais en kulasversterking. De bolvormige druif wordt doelmatiger vervangen door een plat druifoog, waardoor een touw of speek kan getrokken worden. Bij de schachten der ijzeren kanonnen, moet wegens den geringen wederstand van het gegoten ijzer, vooral het bodemstuk veel sterker gemaakt worden dan bij de bronzen; men rekent dat de ijzerdikte ongeveer 1/4 à 1/6 grooter moet zijn; ten einde het gieten gemakkelijker en eenvoudiger te maken, laat men bij ijzeren schachten alle sieraadsbanden weg, even zoo de ooren, in plaats waarvan zij dan dikwijls een breed en sterk aangietsel, met een oog verkrijgen, waardoor eene ijzeren bout kan gestoken worden, Hierdoor ontstaat de eenigzins verschillende gedaante der bronzen en ijzeren kanonnen. Vesting-, belegerings- en scheepskanonnen, worden overal, ten minste gedeeltelijk van ijzer vervaardigd; alleen de Zweden (en van 1848 tot 1850 ook de Sleeswijk-Holsteiners) gebruiken ook ijzeren veldkanonnen. Men neemt nog steeds proeven omtrent het gebruik van gegoten staal tot kanonnen, en het is waarschijnlijk, dat dit gebruik spoedig veld zal winnen. De kanonnen, bij ons te lande aangenomen, zijn. Bij het leger: Bronzen kanonnen: lange van 80 illustratie (eigenlijk granaat- of bomkanonnen) van 24, 18, 12 en 6 illustratie benevens korte van 12 en 6 illustratie (zware en ligte) en getrokken kanonnen van 4 illustratie. IJzeren kanonnen van 80 illustratie en 60 illustratie (lange en korte); van 36 illustratie; van 24 illustratie (zware en ligte) van 18, 12 en 6 illustratie. Bij de zeemagt: Bronzen kanonnen van 3 illustratie. IJzeren kanonnen van 60 illustratie; van 30 illustratie en van 18 illustratie (lange en middelbare) en van 12 illustratie; terwijl men bij de marine nog gebruikt ijzeren 36 en 8 illustratieers en bronzen 18 illustratieers, welke kalibers echter niet meer aangemaakt worden.

De eigenlijke houwitsers onderscheiden zich van de kanonnen door hunne mindere lengte, welke 5 à 8 kalibers bedraagt en bij velen door eene kamer (zie Kamer); de houwitsers worden even als de kanonnen in drie hoofddeelen bodemstuk, middenstuk en mondstuk verdeeld, hunne metaaldikte is niet zoo groot als die der kanonnen en bedraagt omtrent de helft daarvan. Bij ons leger bezigt men houwitsers van 20 dm., van 15 dm. (lange en korte) en van 12 dm., bij de zeemagt, die

[p. 288]

van 12 dm. Reeds lang had men lange en korte houwitsers onderscheiden en in het algemeen aan de lange voor het gebruik te velde de voorkeur gegeven, omdat men eensdeels de hier benoodigde hoogste elevatiën voor het werpen nog nemen kon, terwijl men daaruit met meer voordeel dan uit korte, kon schieten. Onlangs heeft men nog een aantal vuurmonden tusschen kanonnen en houwitsers in gekregen, zoodat men naauwelijks meer zeggen kan, bij welke lengte van vuurmond de houwitser eindigt, bij welke het kanon begint, terwijl men ook de kamer niet meer als kenmerkend teeken van den houwitser kan opgeven. Al dit tusschengeschut draagt den naam van granaat- of bomkanonnen, de eerste voor de kleinere, de laatste voor de grootere kalibers. In 1819 stelde Paixhans in Frankrijk de vervaardiging der bomkanonnen voor, van gegoten ijzer of brons; zij zouden zeer groote kalibers en omtrent 10 kalibers lengte verkrijgen en moesten bommen op groote afstanden schieten.

Deze bomkanonnen zijn vooral bij de scheeps- en kustartillerie, maar ook bij de belegerings- en de eigenlijke vestingartillerie aangenomen. De Engelschen bewapenen tegenwoordig hunne zware fregatten, dikwijls op elke batterij met 28 à 30 bomkanonnen van 8 duim; op de linieschepen bezigen zij behalve de 16 kalibers lange eigenlijke kanonnen van 32 illustratie, ook nog 2 à 8 kanonnen van 8 Engelsche duimen, (20, 32 dm. Ned.) bij voorkeur als jagtstukken; de Franschen gebruiken hunne bomkanonnen van 10 en 6 duim (27,40 en 22,30 dm. Ned.) op dezelfde wijze. De Pruissen hebben bomkanonnen van 50 en 25 illustratie (steen) (28,38 en 22,62 dm. Ned.) voor kust-, belegerings- en vestingartillerie; de Beijeren lange 25 illustratieer houwitser is een bomkanon; eveneens de Oostenrijkers 30 illustratieer. De Fransche marine heeft sedert 1849 een bomkanon van 19 dm. (50 illustratie) van 16 kalibers lengte en zonder kamer.

De Nederlandsche kanonnen van 80 en 60 illustratie (22,33 en 20,14 dm.) en de bij de Nederlandsche zeemagt in gebruik zijnde granaatkanonnen van 22 en 20 dm. zijn insgelijks eigenlijk bomkanonnen.

Reeds vroeger kon men eenige vuurmonden tot de granaatkanonnen rekenen, zoo als bijvoorbeeld de Russische eenhoorns (zie Eenhoorn) en het Pruissische kanon van 24 illustratie (met het kaliber van den 7 illustratie houwitsers) zonder kamer, eindelijk de vroegere granaatstukken der Saksen en ook wel de caronnades van kleiner kaliber (zie Caronnades). Sedert de voorstellen van Keizer Napoleon III er op doelen, eene volkomen eenheid in de veldartillerie daar te stellen, door het invoeren van één enkel veldgeschut, dat alle overige vervangen kan, verschijnen de granaatkanonnen in een geheel nieuw licht. Deze vuurmond moest natuurlijk een tusschenstuk, tusschen het kanon en den houwitser zijn en de Keizer bestemde daarvoor het lange granaatkanon, (canon-obusier) dat eene ziel van 14,6 kalibers lengte, het kaliber van het kanon van 12 illustratie en geene kamer had en met de gewone affuit van het kanon van 8 illustratie zoude gebezigd worden. Deze vuurmond moet volle kogels met 1/4 kogelzware lading, kartetsen, granaten, granaatkartetsen schieten of onder kleine elevatiën, - de grootste elevatiehoek bedraagt 14o - werpen. De Saksen hebben sedert 1855 bij hunne artillerie eveneens een granaatkanon ingevoerd van 12 illustratie, dat uiterlijk 12 3/4 kalibers lang is en in de affuit van het kanon van 6 illustratie kan gelegd worden, dat evenwel een elevatiehoek van 22 3/4o kan verkrijgen zoodat het voor het werpen veel doelmatiger dan het Fransche is en voor het schieten daarbij niet beduidend achterstaat. Overigens wordt hier door dit granaatkanon, noch de lange 12 illustratieer, noch de korte 7 1/2 illustratieer houwitser verdrongen. Ook de Franschen zijn op het volstrekte doordrijven van hun eenheidsstelsel teruggekomen. In het buitenland is men van gedachte, dat het Fransche granaatkanon voor het gebruik te velde, veel te weinig geschikt is voor het

[p. 289]

werpen, om als eenheidsvuurmond te dienen; men berispt daarenboven, voornamelijk de uitrusting aan munitie van dezen vuurmond en wel hoofdzakelijk omdat hij bij een betrekkelijk groot aantal granaten, slechts een zeer gering aantal granaatkartetsen (Shrapnell's) medevoert. Men beweert, dat het voornaamste projectiel van een granaatkanon de granaatkartets moet zijn en dat wel te meer, naarmate de vuurmond minder voor het werpen is ingerigt. Te velde zijn de gevallen waarin geschoten granaten veel uitwerking kunnen doen, niet zeer talrijk; men moet daar niet zulke aanzienlijke hinderpalen overwinnen, dat men er op rekenen moet ze door springgranaten te vernielen; schiet men granaten tegen troepen dan zullen zij op weinig uitzonderingen na, geene andere uitwerking hebben dan een volle kogel; alleen dan, als zij bij de troepen springen en niet vóór of na dien tijd. Het werpen van granaten kan nuttig zijn tegen gedekt staande troepen. Hier blijft de granaat, die over de dekking geworpen is, liggen, springt dan en doet zoo hare uitwerking. Bij het schieten daarentegen moet men een hol projectiel bezigen, dat bij het doel aan stukken springt, terwijl deze dan eerst hare uitwerking doen, of kort vóór het doel zoo als bij de granaatkartets plaats heeft. Indien deze men onwederlegbare ondervindingen overweegt, is het geoorloofd er aan te twijfelen of de voordeelen van het Fransche eenheidsstelsel wel groot genoeg zijn, om tegen de nadeelen op te wegen.

Bij de reeds opgenoemde soorten van kanonnen, moet men nog het getrokken geschut voegen, welks vervaardiging en invoering in den laatsten tijd eene hooge vlugt genomen heeft, doch dat nog in eenen staat van ontwikkeling verkeert, waaromtrent men geen beslissend oordeel kan vellen. Wij zullen hier eene korte beschrijving geven van de voornaamste stelsels van getrokken vuurmonden, terwijl wij voor de daarbij behoorende verlengde projectilen naar het artikel Projectilen verwijzen.

1o. Het stelsel van Cavalli. De majoor der Sardinische artillerie Cavalli vervaardigde in 1846 eenen getrokken ijzeren 30 illustratieer, voorzien van twee scherp afgekante, van binnen bolvormig bijgeronde trekken, die diametraal tegenover elkander stonden en een' halven omgang in de ziel maakten. De ziel was geheel doorboord en de sluiting geschiedde door eene ijzeren wig, van handvatten voorzien en met eenen ketting aan het stuk bevestigd. De lading in den vuurmond gebragt zijnde, wordt een ijzeren klos of cylinder, die den eigenlijken stootbodem vormt, door eene aangeschroefde stang tegen de kardoes gesteld, de stang wordt dan weder uitgeschroefd en daarop de wig ingebragt. Na ieder schot moet de stang weder in den cylinder geschroefd worden om hem er uit te halen. De ziel is van achteren eenigzins wijder uitgeboord, zoodat de cylinder sterk tegen de wanden drukt. De geheele vuurmond met sluitstuk is 2,678 el lang en weegt 3350 pond.

2o. Het stelsel van Wahrendorff. Reeds in 1843 had de Zweedsche ijzerfabrikant Wahrendorff een' getrokken vuurmond vervaardigd, voerde echter eerst in 1851 een puntkogel daarvoor in. Zijn vuurmond heeft 6 breede en ondiepe trekken, met eene geringe helling van de monding tot de kamer doorloopende, terwijl de kamer glad geboord en iets wijder dan de ziel is. Het gewijzigde sluitstuk bestaat uit eenen cylinder, die van achteren in de geheel doorboorde ziel gestoken wordt en die aan het vooreinde voorzien is van eenen kegelvormigen tap, die met zijn kleinste vlak tot tegen den cylinder reikt. Dere tap is door eenen ogiefvormigen stalen ring omgeven, die in de verdieping tusschen den tap en den cylinder sluit. Door dien cylinder en den vuurmond gaat een tweede dwarscylinder, die den onbewegelijken stand van den eersten verzekert. Dit stelsel heeft met eene wijziging zijne toepassing gevonden bij het Pruissische veldgeschut, dat op een kaliber van 6 illustratie ge-

[p. 290]

bragt is. De wijziging bestaat in het aanbrengen van een' arm met spiraalveer, die het zundgat sluit en slechts opent als de bodem goed is ingesteld.

3o. Het stelsel van Armstrong. De Engelsche ingenieur Armstrong vervaardigde insgelijks een kanon met kulaslading, waarmede hij in 1854 zijne eerste proeven nam. Het is in Engeland ingevoerd, doch heeft op het vaste land van Europa nog geene navolging gevonden. Het kanon bestaat uit eene stalen kern van 0,065 el (2 1/2 Eng. duim) middellijn, waaromheen spiraalvormig gesmeedde ijzeren staven van 0,05 el breedte en 0,914 el (3 Eng. voet) lengte gelegd worden. Indien de eerste rij dier staven om de kern gewonden is, laat men deze koud worden en legt dan eene tweede rij daarover heen met den spiraalgang omgekeerd, zoodat de beide rijen elkander kruisen. Op gelijke wijze wordt daarover eene derde en vierde rij gelegd en daarna het geheel nog eens gegloeid en met den stoomhamer aaneengeweld. Eindelijk worden over de voegen der staven nog dikkere ijzeren ringen gesmeed. De ziel is van 44 smalle, digt naast elkander liggende trekken voorzien, die ééne omwenteling op de lengte der ziel maken. Deze is van achteren een weinig verwijd. Het oorspronkelijke sluitstuk, dat vrij omslagtig was en moeijelijk in- en uitgenomen kon worden is nu kortelings vervangen door eene van binnen uitgeholde schroef, eene staartschroef, die door middel van een schuiftoestel uit- en ingeschroefd kan worden. Door deze uitholling wordt de lading met behulp van eenen laadstok in de ziel gebragt. Kanonnen van dit stelsel zijn in Engeland zoowel voor veld- en belegeringsgeschut als voor scheepsgeschut ingevoerd. Voor het veldgebruik heeft men een 12 illustratieer die 406,8 pond weegt.

4o. Het stelsel van Eastman. Dit bestond uit een kanon met vijf trekken, die eene gelijke breedte als de velden hadden. De sluiting van de kulas had plaats door eene patentschroef met kamers, die door eene eenvoudige inrigting uit- en ingeschroefd kan worden. Nog andere getrokken kamerlaadkanonnen werden voorgesteld. Onder anderen die van den Engelschman Church, van den Belg Montigny, van den Napelschen majoor Muratti, enz.

5o. Het Fransche stelsel hebbende den 4 illustratieer als eenheid voor het veld-, den 12 illustratieer als eenheid voor het vestinggeschut. De kanonnen van dit stelsel worden door de monding geladen; de 4 illustratieer is voorzien van 6 trekken, die 3/4 omwenteling maken. Zij zijn op een kaliber van 0,0855 el uitgeboord; de speelruimte bedraagt 0,001 el, de trekken zijn 0,016 el breed en 0,005 el diep. In Oostenrijk, Sardinië, Rusland, Wurtemberg, Baden, Hessen, Spanje, Portugal en Nederland is deze vuurmond, behoudens eenige wijzigingen als veldgeschut ingevoerd.

Wij dienen ten slotte nog met een enkel woord van de Lancaster- en Whitworth-kanonnen te gewagen. De eerstgenoemden, die naar den wapenfabrikant Lancaster benoemd zijn, hebben eene ziel van elliptischen vorm, zoodanig dat de assen der ellipsen bij elke doorsnede niet denzelfden stand behouden, maar de groote as der ellips aan den stootbodem loodregt en aan de monding horizontaal staat. Dientengevolge vormt de ziel eene schroeflijn om hare as. Verschillende vuurmonden van dit stelsel van het kaliber der 68 illustratie carronnades, werden door de Engelschen in 1854 en 1855 voor Sebastopol gebezigd, doch voldeden volstrekt niet aan de verwachting. In Baden werden daarentegen voordeelige uitkomsten verkregen.

Het Whitworthkanon behoort nog niet tot de aangenomen stelsels, doch er hebben daarmede reeds vele officiële proeven plaats gehad zoo met den 12 als met den 80 illustratieer, waarbij zoowel door den kulas als door de monding geladen werd. Het kanon wordt vervaardigd uit eene gegoten staaf, die uitwendig volkomen rond afgedraaid en tweemaal uitgeboord is. De grootere kalibers worden zeer dun gemaakt en

[p. 291]

daarna bedekt met een aantal ringen van 0,60958 el (2 Eng. voet) breedte. Deze ringen sluiten volmaakt op de oppervlakte van de gepolijste kern, waarover zij verwarmd zijnde, door middel van zware hydraulische persing gewrongen worden, tot zij onderling met de kern ééne metaalmassa vormen. De tappen worden zamengewerkt met een der omsluitringen en aan de kulas bevindt zich een andere ring, die een weinig achter het einde der binnenste buis uitsteekt. De doorsnede van de ziel is zeshoekig, de wanden zijn schroefvlakken en de geheele binnenruimte eene zeshoekige schroefmoer, waarvan de spoed, waardoor men de hoogte van den schroefgang verstaat, afhankelijk is van het kaliber. Zoo is het kaliber van den 12 illustratieer 0,0125 el (3 1/4 dm.), zijn gewigt 362,80 pond (800 illustratie Eng.) de lengte 2,1564 el (7 voet 9 dm.), terwijl ééne omwenteling op 1,5234 el (5 voet) gemaakt wordt. De stukken zijn voor kulaslading ingerigt. De kulas wordt door eene staartschroef gesloten, die buiten op het stuk wordt vastgeschroefd. Deze staartschroef blijft altijd in verbinding met het stuk en draait en speelt in een' ijzeren ring, die met een uitsteeksel op zijde van den kulas verbonden is en achterwaarts geschoven zijnde, met een scharnier zijwaarts openslaat. Door een handvat, dat aan de staartschroef verbonden is wordt deze losgeschroefd, naar achteren gebragt en kan dan opengeslagen worden. Het projectiel wordt dan in de geopende schacht gebragt, de kardoes er achter geplaatst, het deksel gesloten en door 3 slagen op het stuk vastgeschroefd. Het zundgat is in het midden van de staartschroef in de rigting van de as der ziel aangebragt. Er bestaan kalibers van 3, 12, 18, 70 en 80 illustratie. Men zie over het getrokken geschut: A.G. Kempers; Bijdragen tot de kennis van het getrokken geschut naar Schmoelzl, Von Feilitzen en Maiewsky en anderen.

Kanonaffuit.

Zie Affuiten. Kanonbank. Hetzelfde als barbet. Zie Geschutstellingen. Kanonkelder. Gelijkluidend met kazemat.

Kanonnade.

Hevig en aanhoudend geschutvuur. Men bezigt deze uitdrukking zeer dikwijls voor eenen veldslag, die om de eene of andere reden, kort na het begin wordt afgebroken, waarbij aldus de artillerie alleen in gevecht kwam. De K. van Valmy in 1792 tegen het Fransche leger had niet de gewenschte gevolgen; in de nieuwste krijgsgeschiedenis is het merkwaardigste voorbeeld eener kanonnade de zoogenaamde slag van Temeswar, den 9 Augustus 1849; de beslissing was echter niet het gevolg van de K. maar wel van het verschijnen van een Oostenrijksch korps in de regterflank der Hongaren. Uit de omstandigheid, dat eene K. op zich zelve nog nooit iets beslist heeft, kan men de gevolgtrekking maken hoe weinig gegrond de geestdrift voor het uitsluitende gebruik der vèrdragende infanteriegeweren is.

Kanonneerbooten.

Vaartuigen van weinig diepgang met 1, 2 à 4 vuurmonden bewapend, die vroeger uitsluitend op het dek stonden, terwijl men in nieuweren tijd begonnen is, ze onder het dek te plaatsen. In vroeger tijd waren de K. van zeilen en riemen voorzien; zij waren er niet op ingerigt zee te bouwen, dus eigenlijk slechts voor de kustverdediging bestemd. In den nieuweren tijd sedert de invoering der schroef als voortstuwer, worden de K. zoodanig gebouwd, dat zij de open zee kunnen houden, dat men ze bijgevolg ook kan bezigen tot den aanval op vijandelijke oorlogshavens, waar de groote schepen met veel diepgang alle voordeelige punten niet genoeg kunnen naderen. De K. worden voornamelijk met zware bomkanonnen bewapend, één voor en één achter. Bij onze marine zijn de nieuw model kanonneerbooten (groot model) der 1ste klasse bewapend met 2 granaatkanonnen van 20 dm. No. 1, 1 mortier van 20 dm. en 1 mortier van 12 dm., die der 2de klasse met 2 lange kanonnen van 36 illustratie, 1 mortier van 20 dm. en 1 mortier van 12 dm.; die van klein model, die voor de binnenlandsche verdediging bestemd

[p. 292]

zijn en nederslaande masten hebben zijn bewapend met 2 lange kanonnen van 12 illustratie, 2 carronades van 12 illustratie en 2 mortieren van 12 dm. Het aantal koppen bedraagt voor de grootste soort in oorlogstijd 36. Zie ook Vaartuig, Batterij (drijvende), Bombardeergaljoot.

Kanonnier.

Soldaat bij het wapen der artillerie.

Kanonspijs.

Gelijkluidend met brons.

Kanonwagen.

Een voertuig bestemd tot het vervoer van belegeringskanonnen op groote afstanden, alsmede voor kleinere mortieren met hunne stoelen. Het kanon wordt tusschen tapklossen gelegd, zoodanig dat het mondstuk op het uitgeholde achterdekstuk en het bodemstuk op het uitgeholde bovenpenkussen van het voorstel rust. Dit voertuig zal door den lastwagen vervangen worden.

Kans van treffen.

Zie Schieten en Werpen.

Kanton.

Een zeker district. Kantonstelsel. Zie Weerstelsel.

Kantonnement, kantonneren.

Zie Kampen en Kwartieren.

Kapel.

Houten deksel, tot bedekking van het zundgat dienende.

Kapers.

Vaartuigen, die in oorlogstijd door bijzondere personen of door gezelschappen worden uitgerust om op eigen hand ter zee den kleinen oorlog tegen de vijandelijke vloten en schepen te voeren. Daartoe hebben zij eene magtiging hunner regering noodig, die zij door den zoogenaamden kaperbrief verkrijgen, welke gewoonlijk tevens aangeeft, hoedanig men met de gemaakte prijzen moet handelen. De Parijsche conferentie van 1856 heeft om het vredewerk te bekroonen, besloten de kaperij af te schaffen en alle staten uit te noodigen tot dat besluit toe te treden. Het is duidelijk dat staten, die geene aanzienlijke oorlogsmarine bezitten, daarentegen werkzame, met de zee vertrouwde kustbewoners, zich zelven een groot nadeel zouden toebrengen, indien zij van dit middel afzagen, dat hen voornamelijk bij eenen verdedigenden oorlog zulke gewigtige diensten kan bewijzen en waardoor zij eenigermate het evenwigt kunnen herstellen.

Kapitaal.

De denkbeeldige lijn, die den uitspringenden hoek van een werk bijv., dien van een bastion midden door deelt.

Kapitein.

Bij de kavallerie gewoonlijk ridmeester genoemd. Zie Officieren, Kompagnie. Kapitein d'armes. Zie Kompagnie, Rustkamer. Kapitein-generaal wordt bij de Spanjaarden de militaire gouverneur van eene provincie of de opperbevelhebber der troepen op eenig oorlogstooneel genoemd. Bij ons te lande droeg onder de republiek de opperbevelhebber van de krijgsmagt der Unie, gewoonlijk de Stadhouder, dienzelfden titel. Kapitein-ter-zee, gelijkstaande met kolonel bij de landmagt. Zie Officieren.

Kapitulatie.

1o. Een verdrag, bij hetwelk eene vesting aan den vijand overgegeven wordt of wel een leger zich aan den vijand gevangen geeft of eenige andere voorwaarden van hem aanneemt. Er bestaan bijna bij elk leger vaste bepalingen omtrent de voorwaarden, waaronder eene vesting mag kapituleren, dat is waaronder de kommandant dier vesting haar mag overgeven; deze bepalingen hebben natuurlijkerwijze zeer uitgestrekte grenzen. Het kapituleren eener vesting bij volslagen gebrek aan levensmiddelen of aan munitie is en kan ook nergens schandelijk wezen. Buiten deze grenzen wordt de zaak al twijfelachtig. Volgens de verschillende denkbeelden, die over de verdedigingswijze van vestingen heerschen, meenen de bevelhebbers nu eens, dat zij haar voorwaardeloos mogen overgeven, als de contrescarpe, dat is de bedekte weg in 's vijands handen is, dan weder denken zij, dat zij hunne eer niets te kort doen, als zij onderhandelingen aanknoopen, zoodra de vijand eene bruikbare bres heeft daargesteld, eindelijk, echter zeldzaam, zijn zij van gedachte,

[p. 293]

dat zij al hunne verdedigingsmiddelen eerst dan goed kunnen bezigen, als de vijand hen digt op het lijf zit, als hij de bedekte weg reeds genomen heeft. Men kan echter in wettelijke bepalingen op al deze zaken niet letten, daar ieder geval alsdan voor honderderlei uitleggingen vatbaar zoude zijn. Het komt er veel op aan, in welken toestand de bezetting zich bevindt, op het oogenblik, dat de onderhandelingen geopend worden; veel op de voorwaarden, die de vijand stelt of toestaat; veel ook op de waarde, die het behoud van de vesting of van de bezetting voor het land of het leger heeft. Men baant echter den weg aan kleinmoedigheid als de wetten des lands het al of niet noodzakelijke eener kapitulatie doen afhangen van de uitspraak van eenen krijgsraad, in plaats van het enkele besluit des bevelhebbers, zoodat aan dezen de verantwoordelijkheid voor de gevolgen niet alleen ontnomen, maar de verantwoordelijkheid zelfs op verschillende personen geladen wordt. Daar vestingen slechts in zoo verre van waarde zijn, voor de operatiën van een leger, zoo lang dit hen als vaste punten op hun oorlogstooneel kan beschouwen, zoo moest het wettelijk aan den kommandant alleen dan vergund zijn te kapituleren, als hij volslagen gebrek aan levensmiddelen of munitie heeft. Bij enkele uitzonderingen, die steeds ter verantwoording van den kommandant moesten zijn, konde dan telkens een krijgsraad beslissen. Indien de bezetting van eene vesting of van eenigen post wil onderhandelen geeft zij dit door eenig teeken te kennen, bij voorbeeld door het slaan der chamade, het uitsteken eener witte vlag of de afzending van eenen parlementair. In den regel wordt een wapenstilstand gesloten om de onderhandelingen te voeren; deze worden geleid door zendelingen van beide opperbevelhebbers, moeten echter later door deze erkend worden; van regtswege moest men de K. niet van eene ratificatie der regeringen doen afhangen; dit is slechts al te dikwijls de dekmantel voor onregtvaardigheden. Door de kapitulatie geeft de vesting zich aan den belegeraar over, hetzij: a. op genade of ongenade, een afschuwelijke vorm, waaraan zich nooit een bevelhebber moest onderwerpen, of b. zoodanig, dat de bezetting krijgsgevangen wordt, waarbij zij dan hetzij met wapenen en militaire eer uitrukt en de wapenen eerst op het glacis nederlegt of zonder wapenen; de gevangenen worden hetzij ontslagen tot aan hunne uitwisseling of wel naar het land des overwinnaars vervoerd (zie Krijgsgevangenen) eindelijk c. met vrijen aftogt met behoud van wapenen, het medenemen van eenig geschut en van eenig materieel, onder de voorwaarde, dat de troepen gedurende eenigen tijd niet tegen de overwinnaars mogen dienen of in het gunstigste geval zelfs zonder die voorwaarde. - Kapitulatiën van legerkorpsen of legers in het open veld komen slechts zeer zelden voor en dan nog onder de meest verschillende omstandigheden. Eenige der merkwaardigste gevallen zijn: Hillingen voor Verona in 1805, Hohenlohe bij Prenzlau en Blücher bij Ratkau in 1806, Dupont bij Baylen in 1808, Görgey bij Villagos in 1849.

Kapluifel.

Een vrijstaand afdak tot plaatsing der batterijkisten op de wallen dienende. De opening is steeds van de vuurmonden afgekeerd.

Kapmes.

Het K. of hakmes behoort tot de artillerie- en pionniersgereedschappen en is van een menigvuldig gebruik bij het maken van fascines, schanskorven, horden, enz.

Kapot.

Zie Mantel.

Kapudan Pascha.

De titel van den minister van marine, tegelijk groot-admiraal der Turksche vloot.

Karabijn.

Glad of getrokken kort handvuurwapen (zie Handvuurwapens); de Fransche geven eigenlijk alleen dien naam aan onze bus, dus aan het getrokken korte geweer (carabine); onze gladde karabijn noemen zij daarentegen mousqueton, hoewel hierin reeds tegenwoordig verandering komt en men ook voor gendarmerie

[p. 294]

en kavallerie daar te lande getrokken mousquetons heeft. Karabinier is een soldaat van dit wapen voorzien. De naamsafleiding dezer woorden, heeft aanleiding gegeven tot de zonderlingste uitleggingen; de meest waarschijnlijke is die, dat het wapen zijnen naam heeft gekregen van de karabijnhaak in het Italiaansch corvino, in het Spaansch corbino, genoemd en dat de karabiniers hunnen naam van het wapen ontleend hebben. In de 17de eeuw komt de karabijn als wapen van de kavallerie te voorschijn; zij is echter wezenlijk van de haakbus of de musket, die overigens door bereden schutters gevoerd werden (zie Dragonders), onderscheiden, doordien zij niet zoo als deze wapens en bandoulière, maar door middel van eenen haak aan de regterzijde, aan den koppel, gedragen werd. Elke troepenafdeeling met de K. bewapend, kan karabiniers genoemd worden; dit is nu ook inderdaad de Fransche benaming voor scherpschutters. Over de karabiniers te paard zie men Kavallerie. De draagstang is eene dunne ijzeren stang aan de linkerzijde der karabijn (van de kavallerie) waaraan een draagstangring vrij heen- en weder kan bewogen worden; deze ring vat gemakkelijk in eenen karabijnhaak, die zich aan den karabijnriem bevindt. Door eene bijzondere inrigting behoeft de ruiter de ingehaakte karabijn, nadat hij zijn schot gelost heeft, alleen naar de regterzijde te laten afvallen.

Karabinier.

Zie Kavallerie, Karabijn.

Kardeel.

Zie Zeilen.

Kardoes.

Artilleriepatroon. Zie Patroon.

Karel III (orde van).

Spaansche militaire orde in 1771 gesticht, in 1804 vernieuwd, in 1808 opgeheven en in 1814 hersteld. Zij bestaat uit twee klassen.

Karel-Frederiksorde van verdienste.

Militaire orde in 1807 door den groothertog Karel Frederik van Baden gesticht. Zij telt drie klassen, terwijl alle leden der orde jaarlijks pensioenen genieten.

Karkas.

Zie Projectilen.

Kartets.

Granaatkartets. Zie Projectilen.

Kartetsschot.

Zie Schot.

Kartouw.

Zie Geschut.

Kast.

Zie Geschutstelling.

Kasteel.

1o. Fort of citadel. 2o. Vóór- en achterkasteel gelijkluidend met bak en halfdek. Zie Dek.

Kat.

Cavalier, een verhoogd gedeelte van den hoofdwal, is in dien wal zelve gelegen of vormt een afzonderlijk geheel daarachter, dat den wal echter altijd beheerscht. Hij dient hoofdzakelijk om van enkele punten een ruim uitzigt en eene werking op grooter afstand in den omtrek te verkrijgen; de cavaliers in de bastions hebben daarenboven de bestemming van afsnijdingen of reduits. In de nieuwere versterkingskunst heeft men dien naam ook gegeven aan vooruitspringende gedeelten van den hoofdwal in den vorm van bastions, die evenwel niet hooger zijn dan het overige der enceinte; die benaming dient alleen om ze van de gewone gedetacheerde bastions te onderscheiden. De flanken dezer zoogenaamde cavaliers worden gebezigd tot den aanleg van gekazematteerde flankbatterijen, die de grachten voor de facen der gedetacheerde bastions bestrijken. In sommige oude vestingen o. a. in Breda vindt men nog katten, die tot dekking van achterliggende gebouwen, als aarddepôts, enz. van groot nut kunnen zijn. Over loopgraafkatten of cavaliers de trancheé zie men Vestingoorlog.

Katanker.

Zie Anker.

Katoen.

Zie Schietkatoen, Collodium.

Katrol.

Eene schijf, welke om eene, door haar midden gaande as kan rondge-

[p. 295]

draaid worden, zonder dat deze spil mededraait. Zij is een der voornaamste werktuigen, welke bij het bewegen van lasten gebezigd worden.

Kavallerie.

Ruiterij, het beweegbaarste wapen. Bij het gebruik der kavallerie kan men alleen hare snelheid willen aanwenden of wel hare massa gepaard met de snelheid of de uitwerking harer wapens en hare snelheid in gelijken mate. Hierop steunt de indeeling der K. Zij vervalt natuurlijkerwijze in ordonnanceruiterij en in gevechtsruiterij. De eerste (guides, stafdragonders) heeft tot hoofdbestemming de gemeenschap tusschen de verschillende korpsen en hunne bevelhebbers op eene snellere wijze daar te stellen, dan zulks door voetgangers mogelijk is, bevelen, berigten en rapporten over te brengen, die niet zoo gewigtig zijn, dat zij volstrekt door officieren moeten overgebragt worden, kortom in de correspondentiedienst te voorzien in zoover daarvoor geene andere middelen voorhanden zijn of moeten gebezigd worden. Daar deze ordonnanceruiterij ten gevolge harer bestemming bij de hoofdkwartieren moet ingedeeld zijn, zoo kan zij ook met vrucht daarbij gebezigd worden; zij begeleidt ze alsmede hun materieel, begeleidt officieren bij verkenningen of indien zij bevelen en berigten moeten overbrengen, verrigt de policie- en wachtdienst bij de hoofdkwartieren, somtijds zelfs die van het geheele leger of van een deel daarvan. Alleen Zwitserland bezit in zijne guides een eigenlijk korps, dat voor de genoemde dienst toereikend en er bijzonder voor georganiseerd is. De staande legers vormen hunne ordonnanceruiterij meestal eerst in den oorlog zelf, uit afdeelingen ruiters van de verschillende regimenten, die daartoe bijzonder geschikt schijnen of wel zij hebben in vredestijd eene kern van ordonnanceruiters zoo als men bij de Pruissische lijfgendarmen kan zien, die dan in oorlogstijd door gedetacheerden aanzienlijk vermeerderd moet worden. Zoo als van zelve spreekt, kan men de wapenuitwerking der ordonnancekavallerie niet geheel verwaarloozen, maar zij is hier slechts bijzaak, wordt eerst noodzakelijk gemaakt door toevallige omstandigheden, welke bij de uitvoering harer verpligtingen kunnen voorkomen, terwijl bij hare oorspronkelijke bestemming vooreerst en vooral op de snelheid moet gelet worden.

De gevechtsruiterij wordt overal of toch bijna overal in verschillende soorten ingedeeld. De Franschen zijn hierin het verst gegaan, zij verdeelen haar in: ligte kavallerie, liniekavallerie en zware of reservekavallerie, terwijl men in de meest overige legers zich met de scheiding in ligte en zware K. vergenoegd heeft, naar de zwaarte der paarden en menschen, waaruit beide soorten zijn zamengesteld. De bestemming der zware K. is overal, de kern van grootere zelfstandige kavalleriekorpsen te vormen, die de veldheer als groote reserves bespaart of waaraan hij een gedeelte van het oorlogstooneel toevertrouwt, waar het minder van belang is met welk wapen men er verschijnt, zoo men er slechts krachten op ontwikkelt. De ligte K. moet het oog en het oor der legers zijn; zij wordt deels bij de infanteriekorpsen verdeeld om daarbij een gedeelte van de veiligheidsdienst te vervullen; zij kan met een gedeelte der liniekavallerie (waar deze bestaat) tot kavalleriekorpsen zamengesteld worden, die de veiligheidsdienst van geheele legers waarnemen, zij wordt eindelijk met hetzelfde doel, waarmede zij bij de infanteriekorpsen gevoegd wordt, aan kavalleriekorpsen toegevoegd, wier kern uit zware K. bestaat. Hoofdvereischten voor de ligte K. zijn het verrassend verschijnen, de mogelijkheid eenen strijd te ontduiken, dien zij onder de gegeven omstandigheden niet met voordeel kan aannemen of ten gevolge van haar verrassend optreden eenen strijd aan te gaan, dien zij onder andere omstandigheden niet zoude aannemen. Haar werkkring is onophoudelijke beweging, zij moet groote uitgestrektheden beheerschen om het terrein van het oorlogstooneel voor de andere wapens te éclaireren en het terrein

[p. 296]

zeker te maken, waarop deze regt op hun doel willen afgaan. Deze rustelooze beweging echter is de ondergang van paarden en menschen, zoodat ligte kavallerie, welke haar doel volkomen vervult, op het slagveld meestal met zwakke onvoldoende strijdkrachten verschijnen zal. Hier nu treedt de zware K. op, welke in reserve de bewegingen van de groote legermassa gevolgd heeft, de krachten van paarden en menschen gespaard heeft en op de beperkte ruimte van het slagveld in vergelijking tot die van een oorlogstooneel, niettegenstaande de zwaarte van de paarden en van de bewapening der manschappen, de noodige snelheid kan ontwikkelen en tevens door het zekere en het geslotene van haar verschijnen, geschikt schijnt te zijn om den vijand ontzag in te boezemen.

De liniekavallerie, waar deze bijzonder afgescheiden is, moet zoo wel als zware als ligte K. gebezigd kunnen worden; aan de legerkorpsen toegedeeld, wier hoofdmagt uit infanterie bestaat, moet zij nu eens als ligte K. in de veiligheidsdienst voorzien, dan weder als zware kavallerie het voetvolk ondersteunen. De kavallerie wordt thans in de meeste staten in regimenten ingedeeld, die elk een zeker aantal eskadrons bevatten, hier en daar bestaat het eskadron nog uit twee kompagniën; verschillende regimenten 2 of 3, hetzij van dezelfde of ook van verschillende soort, vormen eene brigade; in Zwitserland noemt men de vereeniging van verschillende eskadrons, brigade. Behalve de hierboven genoemde hoofdsoorten van kavallerie, wordt deze nog in een aantal soorten onderscheiden. De Pruissen hebben kurassiers en ulanen als zware, dragonders en huzaren als ligte kavallerie, de Beijeren kurassiers als zware, chevauxlegers als ligte, de Oostenrijkers kurassiers en dragonders als zware, huzaren en ulanen als ligte; de Franschen karabiniers en kurassiers als zware, dragonders en lansiers als linie-, jagers te paard, huzaren, guides, spahis als ligte kavallerie, de Engelsche kavallerie bestaat uit de zware regimenten grenadiers te paard, lijfgarde en zware dragonders en uit de ligte regimenten ligte dragonders, waarvan sommigen als huzaren, anderen als lansiers zijn uitgerust. De Russen hebben kurassiers als zware, huzaren, ulanen en kozakken als ligte kavallerie, buitendien dragonders. Bij ons te lande heeft men niets dan dragonders, die eene soort van liniekavallerie uitmaken. Uit deze zamenstelling volgt reeds dat de indeeling dezer verschillende soorten, zeer verschillend is en dat men zich met het woord dragonder, huzaar, lansier volstrekt geene vaste indeeling in zekere hoofdsoort kan voorstellen. Het aantal dezer soorten wordt nog aanzienlijk grooter als men de geschiedenis nagaat en de onzekerheid wat zware en wat ligte kavallerie is, neemt toe als men deze begrippen voor alle tijden wilde vaststellen. Onze tegenwoordige allerzwaarste kavallerie, bij voorbeeld zoude in de 16de eeuw tot de allerligtste behoord hebben. De verschillende benamingen voor de kavallerie zijn van een' zuiver geschiedkundigen oorsprong en wij zullen in een kort overzigt hun eigenaardig kenmerk, in zoo ver zulks mogelijk is, opvatten.

Wat de oudste geschiedenis der kavallerie betreft, zoo schijnt zij met tamelijke zekerheid tot de Egyptenaars op te klimmen. Gedenkteekenen, die minstens van de 14de eeuw vóór Christus dagteekenen, toonen naast de strijdwagens ook werkelijke ruiterij; spoedig daarop verschijnt deze ook ontwijfelbaar in het Assyrische rijk en van daar overal in Azië, hoewel enkele volksstammen volstrekt onbekend met ruiterij waren; bij de Israëliten voerde waarschijnlijk reeds David de ruiterij nevens de strijdwagens in, zeker ten minste Salomon, die strijdwagens, trek- en rijpaarden uit Egypte trok; waarschijnlijk nog veel later dan de Joden hebben de Perzen eene eigenlijke ruiterij leeren kennen, namelijk ongeveer in de 6de eeuw. De oude Aziatische ruiterij komt als ligte voor; zij bestaat grootendeels uit boogschutters te

[p. 297]

paard; het leger, dat Darius tot anderwerping van Griekenland naar Europa voerde, telde o.a. ook eene afdeeling Sagartische kavallerie, wier hoofdwapen de lasso was. De Grieken hadden ten tijde van den Trojaanschen oorlog nog volstrekt geene ruiterij en waarschijnlijk bleef zulks nog menige eeuw daarna het geval, hoewel de rijkunst hen niet onbekend was; de strijdwagens vervingen de plaats van kavallerie. Zelfs in de Perzische oorlogen in het begin der 5de eeuw, treden geene Grieksche ruiterafdeelingen op, alleen enkele ruiters, die berigten of bevelen overbrengen, bijgevolg als ordonnancekavallerie gebruikt worden. Van toen af echter veranderen de zaken; in den Pelopponesischen oorlog speelt de Grieksche ruiterij reeds eene aanzienlijke rol en niet alleen de bewoners van Hellas, Atheners en Böeotiers, wien de buurt van het paardenrijk Thessalië met zijne ruiters daartoe aanleiding gaf, maar ook de volken van den Pelopponesus rigten ruiterscharen op. De nationale Grieksche ruiters (cataphracten) zijn eene zware ruiterij, geharnast even als de zware infanterie, slechts met de verschillen, die de verschillende dienst noodzakelijk maakt; daarbij is vooral gelet op de dekking van de hand, waarin de teugels gehouden worden, zonder dat daarom de leiding door de teugels onmogelijk gemaakt wordt en de mogelijkheid van een' vasten zit, die door een te stijf aansluiten der dijen en scheenbeenen verhinderd wordt. Het voornaamste aanvalswapen was de lans; van de 4de eeuw af aan, hechtte men eene bijzondere waarde aan het gebruik van dit wapen als werpwapen, hetgeen reeds vroeger het geval geweest was, daar men er ook van de strijdwagens af, een dergelijk gebruik van maakte. Het paard van den zwaren ruiter, was even als hij zelf geharnast. Behalve de zware ruiterij komt nu ook bij de Grieken ligte te voorschijn - boogschutters te paard, welke echter niet uit de ligtingen getrokken, maar in vreemde landen vooral in Scythië, in het tegenwoordige Bulgarijë en Rumelië, geworven worden.

In het leger van Alexander den Grooten vindt men naast de op Grieksche wijze uitgeruste Macedonische ridderschap nog verschillende soorten van ligte kavallerie, Odrysische, Thrakers, die misschien met werpspiesen bewapend waren en de Sarissophoren met lange lansen, eenige overeenkomst met de kozakken hebbende. Gedurende den veroveringstogt in Azië voegden zich daarbij verschillende ligte ruiterijen van onderscheidene natiën, werpschutters (hippakontisten) en boogschutters (hippotoxoten) te paard. - De Romeinsche ruiterij, eques die bij de legioenen gevoegd was, was aanvankelijk ligte ruiterij en werd toen Celeren genoemd; zij streed meer te voet dan te paard, gebruikte het paard dus bij voorkeur als vervoermiddel, zoo als de dragonders van een later tijdvak; hare uitrusting was dus vooral voor het op- en afstijgen ingerigt. Eerst gedurende den tweeden Punischen oorlog nam de Romeinsche ruiterij, volgens het voorbeeld der Grieken de zware wapenrusting aan en streed van toen af te paard. Maar reeds 100 jaren vóór Christus verdwijnt de nationale ruiterij geheel uit de legers der Romeinen, die daarna hunne kavallerie geheel door hunne bondgenooten verkrijgen of bij vreemde volken aanwerven. Volgens de natie waarvan deze ruiterij afkomstig is, is het dan ligte of zware, nu eens met deze, dan weder met gene aanvalswapenen uitgerust. Galliërs, Germanen (onder hen ook Batavieren), Numidiërs strijden als ruiters in de Romeinsche legers. Ook later onder de Romeinsche keizers en in het begin der middeleeuwen verschilt de ruiterij volgens de natie. Een volksstam die ruiterij bezit, heeft zware of ligte, een verbonden leger toont meesttijds beide soorten, terwijl menigvuldige soorten van ruiterij zich bij eenen staat vertoonen, die haar bij voorkeur door werving bij verschillende volken verkrijgt. De ontwikkeling van het ridderwezen in Europa vormt een gewigtig tijdperk in de geschiedenis der kavallerie; hare nieuwere geschiedenis moet altijd van hier uitgaan.

[p. 298]

De ridders vormden in alle landen van Europa eene zware kavallerie, die intusschen in meerdere of mindere mate door eene ligte, verschillend uitgerust, begeleid was; deze laatste bestond uit het gevolg en was des te talrijker, naarmate de adel, die het leger vormde, meer bemiddeld was. De zware ruiter werd bij de Franschen homme d'armes genoemd, bij de Italianen cavaliere di corredo. Hij was even als zijn paard geharnast en voerde als hoofdwapen de lans (zie Lans), van 6 of meer el lengte, aan het benedeneinde zeer sterk en zwaar om met eene hand behandeld en geveld te kunnen worden; de ligte ruiterij vormde zich op zeer verschillende wijzen, naarmate van de landen en hunne zeden; bij de Engelschen en Franschen van de 14de eeuw waren het hoofdzakelijk boogschutters (archers), werkelijk met handbogen, bij de Franschen voor een klein gedeelte met kruisbogen bewapend (arbaletriers, cranequiniers). Deze boogschutters streden meest te voet, als dragonders; hunne paarden waren slechts middelen van vervoer. Uit deze ridderschap of leenruiterij en naar hun voorbeeld ontstonden in Frankrijk de ordonnancekompagniën (zie aldaar), waarvan het kleinste gedeelte met de lans bewapend was en die eveneens uit gensdarmes en uit een zeker aantal archers werden zamengesteld. De verdere ontwikkeling der vuurwapens in verband met het toenemen van het voetvolk vernietigde ook deze instelling. In Duitschland onderscheidde men in de eerste helft der 16de eeuw, drie soorten van K., de kurassiers, de speerruiters en de schutters te paard (de laatste ook zwarte ruiters en door de Franschen met en tegen welke zij in de godsdienstoorlogen streden -reîtres genoemd). De kurassiers en de speerruiters voerden de lans; de kurassier onderscheidde zich van den speerruiter daardoor, dat hij en zijn paard van eene volledige wapenrusting voorzien waren, terwijl bij den speerruiter het paard in het geheel niet en de ruiter slechts gedeeltelijk geharnast waren. De schutter te paard had in het geheel geene of slechts eene ligte wapenrusting (kuras), een stormhoed, een vuurroer (karabijn) van matige lengte, daarenboven een korte speer. In een regiment Duitsche ruiterij had men op de 1500 speerruiters, 100 kurassiers, bestemd om de eerste gelederen en de flanken der groote eskadrons uit te maken en 400 schutters. In het begin der 16de eeuw namen de Franschen stradioten (zie Albanezen) als ligte ruiterij in dienst, die een kuras en een pantserhemd benevens stormhoeden (salades) als verdedigende, eene lans van 10 à 12 voet lengte (zagaye of arzegaye) eenen breeden degen en eene knods als aanvallende wapens hadden. De archers, die bij de geheel veranderde militaire instellingen der 16de eeuw onmogelijk hunne dienst op de oude wijze konden vervullen, wierpen voor en na hunne bogen en handbogen weg en reeds in 1530 bepaalde Frans I dat zij als chevauxlegers zouden uitgerust worden. Deze chevauxlegers (ligte kavallerie, ligte paarden) waren volgens onze denkbeelden eene uiterst zware kavallerie, zij droegen kuras en stormhoed, gedeeltelijk zelfs dijstukken tot onder de knie, een ringkraag, groote schouderstukken en dekstukken voor den boven- en onderarm en de hand (brasselet en gantelet); slechts hunne paarden waren ongeharnast. Als aanvalswapen voerden zij even als de gensdarmes de lans. Zij stonden dus ongeveer op ééne lijn met de Duitsche speerruiters. Reeds in het tweede vierde gedeelte der 16de eeuw werden bij de Franschen dergelijke afzonderlijke kompagniën chevauxlegers opgerigt, terwijl degenen die bij de ordonnancekompagniën ingedeeld waren, hoewel op dezelfde wijze uitgerust, nog eenigen tijd den naam van archers behielden, tot dat zij omstreeks de helft der 16de eeuw, nu ook den naam van chevauxlegers kregen en geheel en al van de ordonnancekompagniën gescheiden werden, die van nu af uitsluitend uit gensdarmes bestonden.

De vuurwapens werden in de laatste helft der 16de eeuw, na de uitvinding en

[p. 299]

volmaking van het radslot algemeen ingevoerd; alle lansruiters werden van pistolen voorzien. Even als sedert den Schmalkalderschen oorlog de Duitsche schutters te paard en te voet streden, rigtten de Franschen in het midden der 16de eeuw in de Italiaansche oorlogen haakbusschutters (arquebusiers) te paard op, met haakbussen bewapend, die door hen dragonders genoemd en vooral tot het gevecht te voet bestemd werden. Alva voerde in 1567 eenige van die kompagniën haakbusschutters, welke hij tot dat einde had opgerigt mede naar de Nederlanden. In de Fransche godsdienstoorlogen vertoonden zich verschillende ruiterafdeelingen van dien aard onder verschillende benamingen, als argoulets, bandouliers.

De lans begon als wapen der kavallerie langzamerhand te verdwijnen. Hare behandeling was moeijelijk, haar gebruik vorderde een zeer geoefend man, zoo als men ze wel vond in de tijden der ridders, die in alle ridderlijke oefeningen te huis waren, niet echter onder de aangenomen boeren en burgers, en, een uitmuntend paard. Vele lansen werden gebroken of verloren en somtijds bestond eene kompagnie speerruiters, welken naam zij ook droegen, kurassiers, speerruiters, gensdarmes of chevauxlegers, naauwelijks nog voor de helft, werkelijk uit lansruiters. Hetgeen nu in de werkelijkheid gebeurde, werd wettelijk gemaakt. In de Nederlanden werd daarmede een begin gemaakt, waartoe het doorsneden terrein van het oorlogstooneel, dat het voordeelige gebruik der speerruiters toch meestal onmogelijk maakte, eene aanleiding te meer werd. Zoo scheidde de K. die tot hiertoe algemeen van lansen voorzien was geweest, zich in twee gedeelten waarvan het eene de lans behield en den naam lansruiters, lansiers bleef voeren, terwijl het andere met twee pistolen en eenen degen, zonder lans bewapend van nu af aan kurassiers genoemd werd, welke wel van de vroegere kurassiers der Duitschers moet onderscheiden worden.

Deze kurassiers werden in het begin van de 17de eeuw doorgaans als zware ruiterij beschouwd, zij hadden een' helm met vizier, kogelvrij borst- en rugharnas, heup- en dijstukken tot over de knie als verdedigende wapenen; de lansiers werden slechts gedeeltelijk als zware (gensdarmerie), gedeeltelijk ook als ligte K. (chevauxlegers, cavalleria leggiera) beschouwd. De ligte lansruiters voerden helm met vizier, eenvoudig borst en rugharnas en heupstuk; in plaats der ijzeren dijstukken hadden zij eene lederen bovenbroek tot aan de knie; de zware lansruiter had daarenboven een tweede borststuk en ijzeren dijstukken. Prins Maurits van Oranje schafte om al de bovengenoemde redenen, waarbij nog de moeijelijkheid komt van de aanschaffing van goede paarden en het strepen de veel hoogere soldij der lansruiters te besparen, de lansruiters in de Nederlanden geheel af, zoodat hem van de beide bovengenoemde soorten alleen de kurassiers overbleven; hetzelfde had later in Zweden en vervolgens bij alle overige mogendheden plaats, zoodat de lans gedurende den dertigjarigen oorlog geheel verdween.

Bij de beide reeds genoemde soorten van ruiters kwamen nu nog in het begin der 17de eeuw de haakbusschutters te paard ook roerruiters, karabiniers, bandelierruiters genoemd; zij droegen regts een korter vuurwapen dan de muskettiers (te voet), met eene karabijnstang voorzien aan een' bandelier, die over den linkerschouder hing. De bandelier was gelijk aan die der muskettiers, maar zonder daaraan hangende afgemeten ladingen; omstreeks dezen tijd begonnen zij uitsluitend te paard te strijden, hoewel men hen nog somtijds bij het voetgevecht aantreft. Tot deze soort van ruiters behooren ook nog de croaten, die in den dertigjarigen oorlog in de keizerlijke legers optreden. Daarentegen werd nu de dienst van bereden infanterie, ten minste bij de Duitschers aan de zoogenaamde dragonders (zie Dragonder) overgelaten, die reeds vóór den dertigjarigen oorlog op deze wijze als te

[p. 300]

paard geplaatste muskettiers (met hun musket en bandoulière en niet als de roerruiters aan de zijde) en speerruiters genoemd worden. - Na den dertigjarigen oorlog vereenvoudigde de zaak zich nog meer bij de meeste mogendheden. Zondert men de schutters te paard en de dragonders uit, dan bestaat er nu eigenlijk slechts eene soort van kavallerie meer, namelijk kurassiers. Wel is waar, ziet men deze bij de Franschen, volgens de zwaarte der wapenrusting nog in zware en ligte (gensdarmes en chevauxlegers) onderscheiden; maar dit onderscheid ging hoe langer hoe meer verloren, daar beide soorten door het afschaffen van het eene stuk na het andere, meer gelijk werden. Het eenige wat de ruiters behielden is de helm zonder vizier, een eigenlijke stormhoed, die intusschen op het einde der 17de en in het begin der 18de eeuw nog meerendeels door den hoed vervangen werd, het stalen kuras, meestal alleen het borststuk en de kaplaarzen tot aan en soms hooger dan de knie. Als er in dien tijd van regimenten kavallerie spraak is, dan zijn het de juistgenoemde ruiters (tegenwoordig zware K.), somtijds alleen kurassiers genoemd. In het algemeen is toen ruiter en kurassier gelijkluidend. Daarnevens heeft men nu eerst de dragonders; zij bestaan echter na den dertigjarigen oorlog in het geheel niet meer uit speerruiters en muskettiers, maar alleen uit laatstgenoemden. Zij dragen tot in de 18de eeuw het geweer nog steeds over den schouder, strijden echter hoe langer hoe meer te paard, het geweer wordt steeds ligter en korter, wordt meer en meer sieraad en herinnering aan het verledene, tot dat het geheel verdwijnt. Verder heeft men de karabiniers, de erkende opvolgers der oude haakbusschutters te paard, zij dragen hun vuurwapen even als deze. Bij de regeling van het staande leger in Frankrijk kreeg omstreeks 1670 iedere kompagnie kavallerie twee zoogenaamde karabiniers met een half lang getrokken vuurwapen, met tweederlei kogels (pas- en rolkogels); uit deze lieden werd in 1690 voor ieder regiment eene kompagnie zamengesteld, die in de regimenten kavallerie even zoo beschouwd werden als de grenadiers bij de infanterie. Andere staten volgden dit voorbeeld, zoo ook de keizerlijken. Bij de Franschen werden echter in 1691 reeds de gezamenlijke karabiniers tot eene brigade vereenigd, die naderhand in een regiment werd veranderd. - Terwijl men in het begin der 17de eeuw de verdedigingswapens nog gedeeltelijk behouden had, een kuras of ten minste een borststuk en een' stormhoed, zoo vervielen deze spoedig voor de schutters te paard van allerlei aard (de stormboed verviel en werd door den hoed vervangen) of werden ten minste door een' lederen kolder vervangen. Behalve dit verdwijnen der verdegingswapens waren er nog vele andere redenen, die het oorspronkelijke onderscheid in de soorten van ruiterij deden opheffen. Daartoe behoort, dat men ook begon de eigenlijke ruiterij, die eerst slechts eenen degen en een of twee pistolen als aanvalswapens gevoerd had, vuurwapens van grootere lengte dan de pistolen te geven. Enkele dezer troepen, die bijv. tot lijfwachten der vorsten gevormd werden, kregen daarbij nog bijzondere benamingen, als grenadiers te paard, mousquetaires, enz. Indien nu toevallig de dragonders en karabiniers nog zoo veel gedeelten van hunne wapenrusting