Sedert de stichting der monarchie en der staande legers in Europa, noemt men in het algemeen alle bevelhebbers der strijdkrachten van een land zoowel bij de land- als bij de zeemagt officieren. Men verdeelt de gezamenlijke officieren in drie hoofdklassen: 1o. Generaalofficieren, zie Generaal en Admiraal; 1o. Opperofficieren; 3o. Onderofficieren, zie aldaar (ter zee, dek- en onderofficieren). In het bijzonder worden de opperofficieren doorgaans alleen O. genoemd. Bij de landmagt zijn zij weder in twee hoofdklassen verdeeld, namelijk: a. Hoofdofficieren (bij de Franschen officiers supérieurs, bij de Engelschen field-officers, bij de Duitschers Stabsoffiziere) en b. Subalterne officieren. Hier en daar voegt men daartusschen als eene bijzondere klasse nog de kapiteins (ridmeesters, kompagnies- of eskadrons-kommandanten). Men rekent tot de subalterne O. alle degenen wier bevel zich niet verder dan tot eene kompagnie, een eskadron of eene batterij uitstrekt en allen die als adjudanten, officieren van den generalen staf enz. niet bij de korpsen ingedeeld, doch met hen in rang gelijk zijn. De thans bestaande rangsverhoudingen zijn afkomstig van die, welke vóór de oprigting der staande legers bestonden en men moet dus tot gene teruggaan om deze te begrijpen. De (opper) officieren eener kompagnie waren vóór de oprigting der staande legers oorspronkelijk een hopman, hoofdman of kapitein, bij de dragonders, zoo lang die nog bij voorkenr afgezeten gebruikt werden of dat men aan het gronddenkbeeld hechtte, dat zij zoo gebruikt moesten worden, eveneens genoemd; terwijl bij de eigenlijke kavallerie den naam van ridmeester werd toegepast; dan de plaatsvervanger van den kapitein of ridmeester, zijn luitenant, eindelijk de vaandel- of standaarddrager, vaandrig bij de infanterie en dragon-
ders, kornet bij de kavallerie genoemd. De stelling van den luitenant was buitendien nog onbepaald; in verschillende landen werd hij niet eens voortdurend als officier beschouwd, eensdeels omdat hij als zoodanig slechts optrad bij afwezigheid van den kapitein (ridmeester), terwijl hij bij diens daarzijn zich met bijna niets anders dan met de inwendige dienst had te bemoeijen, anderdeels omdat de vaandrigsplaatsen zeer dikwijls bezet werden door jonge lieden van aanzienlijke geboorte, die dan met overspringing van den luitenants- en dikwijls ook van den kapiteinsrang dadelijk de hoogere plaatsen verwierven, terwijl men voor den luitenantsrang oude beproefde soldaten nam, zonder op hooge geboorte te letten en wien al de lasten van de dienst opgeladen werden. Daar bij het kleiner worden der kompagniën en eskadrons, reeds in de 17de eeuw niet meer iedere kompagnie of eskadron een vaandel of standaard voerde, zoo verloor de vaandrig langzamerhand de betrekking van het vaandel te dragen, welke hij trouwens ook in de hierboven genoemde heerschende omstandigheden dikwijls aan een' onderofficier (vaandel-onderofficier) overliet; hij behield evenwel den naam, maar was nu niets anders dan de derde officier der kompagnie. Verschillende omstandigheden droegen er toe bij om in weerwil van het kleiner worden der kompagniën, het aantal O. daarbij boven drie te vermeerderen. De voornaamste daarvan waren wel in de eerste plaats het streven der regerende vorsten, om de door hen opgerigte staande legers tevens tot verzorgingsinrigtingen voor den armen adel te maken en daardoor deze zoowel als hunne rijke bloedverwanten, die op deze wijze de verpleging der arme leden hunner familie, niet meer uit hunnen zak behoefden te betalen aan hunne belangen te verbinden; in de tweede plaats de vermindering in het zedelijk gehalte der soldaten bij de invoering der staande legers, door de werving voor den geheelen leeftijd, eindelijk door de gestadige vermeerdering der legers, waardoor de soldaten slechter bezoldigd, gekleed en onderhouden werden. Daardoor werd het noodig in de legers die klassen van menschen te vermeerderen, die door hoogere drijfveren dan de gewone man, bewogen werden. Zoo kwamen nu bij elke kompagnie (zoowel bij de infanterie als bij de kavallerie) in plaats van den vroegeren éénen luitenant, verschillende luitenants, in Frankrijk het eerst in 1657 bij de Fransche gardes en later bij de regimenten Zwitsers, die betrekkelijk sterke kompagniën hadden. In 1687 voerde Lodewijk XIV dezen maatregel algemeen in bij de infanterie om 900 jonge edellieden, waaraan hij eene militaire opvoeding had laten geven, behoorlijk te kunnen plaatsen. Langzamerhand was het zoodanig gesteld dat elke kompagnie 1 kapitein, 1 eerste luitenant (lieutenant, Ober-lieutenant), 1 tweede luitenant (sous-lieutenant of Unter-lieutenant) en als jongste officier 1 vaandrig telde. Alleen in Engeland en in Rusland is de vaandrig nog officier; bij andere mogendheden heeft hij den rang van tweede luitenant gekregen zonder dezen te verdringen, zoodat dan de kompagnie 1 kapitein, 1 eerste en 2 tweede luitenants (in sommige landen zelfs 3) telt; eveneens is het met het eskadron kavallerie, waarbij de kapitein ridmeester heet en met de batterij of kompagnie artillerie gesteld. Terwijl vroeger in den regel de hoofdman of kapitein van een vaandel of van eene kompagnie, te gelijker tijd de werver daarvan was, zoo verviel dit bij de oprigting der staande legers en bleef daarvan slechts in zoo ver een spoor over, dat men aan de kapiteins het geheele beheer der kompagniën en in meerdere of mindere mate ook de aanwerving daarvoor over liet. De daaruit ontstaande voordeelen, waren bij de geringe bezoldiging, het voornaamste gedeelte van hunne inkomsten. Om deze reden, alsmede uit eene geschiedkundige herinnering kregen ook de hoofdofficieren, kolonels, luitenant-kolonels, enz. kompagniën. Behalve hunne betrekking als bevelhebber van een regiment, van een bataillon, waren zij buitendien kapitein en admi-
nistrateur van kompagniën. Daar zij evenwel onmogelijk te gelijkertijd een geheel regiment konden aanvoeren en eene kompagnie administreren, zoo verkregen zij plaatsvervangers, kapitein-luitenants, tweede kapiteins, kapiteins-kommandanten (in Duitschland Stabs-kapitäns) genoemd, die een' tusschenrang tusschen de eigenlijke kapiteins en de luitenants vormden. Deze rang is vervallen toen de kapiteins hunne kompagniën niet meer verpleegden; daarentegen vindt men nog heden ten dage, dat de kapiteinsrang in twee, bij ons en in Pruissen zelfs in drie klassen verdeeld wordt, welke verschillende tractementen genieten.
De hoofdofficieren van een regiment infanterie of kavallerie waren vóór de oprigting der staande legers de kolonel, de luitenant-kolonel en de sergeant-majoor. De kolonel had als werver alleen eene overeenkomst gesloten met de kapiteins, met betrekking tot de daarstelling der kompagniën en had dus niet regtstreeks zelf eene kompagnie aangeworven, wat ten minste in de 16de eeuw bij de Duitschers en ook bij ons in den regel geschiedde, òf hij had zelf eene kompagnie geworven en koos om die aan te voeren eenen plaatsvervanger; hetgeen sedert de 17de eeuw bijna algemeen plaats had (zie Garde). Hij koos zijnen luitenant-kolonel, ook overste genoemd, uit de kapiteins en deze moest zich dan in het kommando zijner kompagnie door eenen luitenant laten vervangen. Sedert het midden der 16de eeuw heetten bij de Franschen de regiments-kommandanten, welke bij hen reeds zeer vroeg door den koning of den legeraanvoerder uit de kapiteins benoemd werden, kolonel. Deze kolonel werd aldaar door den mestre-de-camp ongeveer op dezelfde wijze bijgestaan, als zulks elders door den luitenant-kolonel geschiedde, terwijl hij daarbij tevens de functiën van den lateren majoor vervulde; in de 17de eeuw droegen bij de Franschen de bevelhebbers der regimenten kavallerie den titel van Mestre de Camp. Bij de Duitschers werd de sergeant-majoor (Oberstwachtmeister) insgelijks door den kolonel uit de kapiteins gekozen, zoodat deze zich in het bevel zijner kompagnie eveneens door eenen luitenant moest laten vervangen; zijne betrekking bestond voornamelijk in het regelen van de inwendige dienst voor het geheele regiment, zoo als de luitenant voor die van zijne kompagnie zorgde, hij moest buitendien de slagorde formeren, om welke reden hij zijne dienst te paard verrigtte, terwijl bij de infanterie de kolonel te voet voor het front geplaatst was. Voor deze diensten kregen de Franschen in de 16de en 17de eeuw twee betrekkingen, die van sergeant de bataille, welke de slagorde regelde en die van majoor die voor de inwendige dienst zorgde; langzamerhand versmolten deze beide rangen in dien van den majoor, welke nu gelijk beteekenend met den sergeant-majoor der Duitschers werd. Bij de Franschen was echter de majoor in nog veel hoogeren graad de pakezel van den kolonel, dan in Duitschland de sergeant-majoor; tegenwoordig is de rang van majoor in alle legers aangenomen; meestal echter zonder de vroegere bijzondere dienstbetrekking tot den regimentskommandant. Die bijzondere betrekking is echter niet geheel verloren gegaan; men vindt haar nog bijv. in de plaatsmajoors en in de brigademajoors van de Engelsche en eenige Noord-Duitsche legers, die de inwendige dienst hunner brigade moeten regelen. Bij de oprigting der staande legers werden de rangen van kolonel, luitenant-kolonel en majoor vaste rangen. Ieder regiment had nu gewoonlijk een generaal tot chef, die te gelijker tijd daarin eene kompagnie in bezit had, welke door een' kapitein-luitenant werd aangevoerd; indien de generaal, chef van het regiment, in oorlogstijd het bevel over verschillende regimenten voerde, dan kommandeerde de kolonel het regiment in zoover dit vereenigd bleef. Toen de regimenten eene vaste indeeling in bataillons kregen, werden de luitenant-kolonels, in Duitschland ook de majoor met het bevel der afzonderlijke bataillons belast. In
Frankrijk verkregen zij na verloop van tijd den titel van chef de bataillon bij de infanterie, terwijl de officieren der andere wapens, die met hen van gelijken rang waren, den titel van chef d'escadrons voerden; bij ieder regiment bleef een majoor, gros-major, uitsluitend met het inwendig beheer belast. De titel van chef de bataillon ontstond in 1793, toen gelijktijdig de titel van kolonel door dien van chef de brigade vervangen werd. De titel van kolonel toch, werd als aristokratisch verworpen, vooral om de knoeijerij, die onder de oude monarchie met de benoeming van colonels en second, colonels par commission, enz. plaats had. Bij de kavallerie der Duitsche mogendheden kommanderen de majoors, indien geen hoofdofficier van hoogeren rang voorhanden is, geheele regimenten of zij zijn den kolonels ter ondersteuning toegevoegd, of wel zij kommanderen divisiën van 2 eskadrons, en slechts in zeer bijzondere gevallen enkele eskadrons. In de vorige eeuw in Pruissen, toen de regimenten ligte kavallerie in 2 bataillons verdeeld waren, werden deze door majoors aangevoerd. Ook aan de militaire ambtenaren, die niet tot de combattanten gerekend worden, aan de intendanten, de officieren van gezondheid, enz. worden titels gegeven, die met de rangen in het leger gelijkgesteld of daaraan geassimileerd zijn.
De zee-officieren zijn: de kapiteins ter zee, gelijkgesteld aan de kolonels der landmagt, de kapitein-luitenants, gelijkstaande met de luitenant-kolonels der landmagt, de luitenants 1e en 2e klasse, gelijkstaande met de kapiteins en le luitenants der landmagt en de adelborsten, wier rang tusschen dien van adjudant-onderofficier en dien van officier gelegen is. In Engeland is de commander een tusschenrang tusschen kapitein-luitenant en luitenant der le klasse.
Zie Geneeskundige dienst. Het personeel der O. v. G. bestaat bij ons te lande tegenwoordig uit 1 inspecteur (kolonel met den personelen rang van generaal-majoor), 2 eerste officieren van gezondheid der le (luitenant-kolonels) en 5 der 2e klasse (majoors), 34 O. v. G. der le klasse (kapiteins), 61 der 2e (le luitenants) en 41 der 3e klasse (2e luitenants).
De O. wordt veelvuldig gebezigd; in het bijzonder de boomolie voor het insmeeren der ijzeren deelen van de wapens om ze tegen den invloed van vochtigheid te bewaren en de goede gang van enkele onderdeelen, bijv. van het geweerslot te bevorderen; lijnolie tot het bestrijken van houten deelen, bijv. geweerladen; in olieverw tot het beschilderen van hout- en ijzerdeelen van het materieel, van ijzeren projectilen, in de vuurwerkerij, enz.
van bewoonde plaatsen, pachthoeven, steden, enz.; de buitenste verdedigingslijn daarvan. Zie Heggen, Heiningen, Muren, Dorp, Versterkingskunst.
Eene operatie, waarbij men 's vijands stelling op eene of op beide flanken voorbijgaat (enkele of dubbele omtrekking), om op die wijze zijne verbindingslijnen te bereiken, ten einde hem van zijne voordeelige terugtogts-lijnen af te snijden of hem in den rug aan te tasten. De O. op zich zelve beteekent niets, maar in verband met een daarop volgend overwinnend gevecht kan zij de waarde daarvan aanzienlijk verhoogen. Naarmate de omtrekking op het slagveld of
Men geeft in de versterkingskunst dezen naam in het bijzonder aan het gedeelte terrein, dat bij eenen uitspringenden hoek bevat is tusschen de loodlijnen, die in het hoekpunt op de facen worden opgerigt. Indien men vooronderstelt, dat alle manschappen hun vuur loodregt op de vuurlijn afgeven, vormen deze loodlijnen de uiterste schootslijnen naar de zijde van het hoekpunt. Om de onbestreken ruimte te verminderen kan men het tracé van het werk wijzigen (zie Bestrijken, Bastion, Crémaillère), of in den saillant eenig geschut en barbette plaatsen of den saillant afronden of afsnijden. Even als de onbestreken ruimte tot het tracé behoort, zoo heeft men bij het profiel den dooden hoek. Deze bestaat bij inspringende hoeken en hangt af van de afmetingen der borstwering en van de helling der plongée; de doode hoek begint dáár waar het verlengde der plongée van eene der facen, den grachtsbodem der andere bestrekene face snijdt, ofschoon de hoek slechts volkomen dood is, daar waar de grachtsbodem meer dan manslengte beneden het verlengde der plongée ligt. Bij het gewone profiel der veldwerken strekt de doode hoek zich nagenoeg tot 36, de volkomen doode hoek tot 23 ellen van de binnenkruin der borstwering af gerekend, uit.
De gehoorzaamheid, die de mindere aan den meerdere verschuldigd is; zij is de grondslag van de krijgstucht (zie Krijgstucht). Het tegendeel van de O. is de insubordinatie, die men als de oorzaak van het grootste gedeelte der militaire misdrijven (zie Misdrijf) en overtredingen kan beschouwen.
Zie Officieren. De onderofficieren vormen den overgang tusschen de officieren en de soldaten, hebben in alle omstandigheden het onmiddelijke opzigt over de laatsten en moeten de eersten in alle omstandigheden van de dienst bijstaan, terwijl hun somtijds het bevel over kleinere detachementen wordt opgedragen. Volgens hunnen dienstouderdom worden de onderofficieren in verschillende klassen verdeeld, waarvan de ouderen in den regel eene hooger soldij ontvangen en bij vele legers door uiterlijke teekenen onderscheiden worden. De oudste onderofficieren van eene kompagnie (zie Kompagnie) is de sergeant-majoor, bij de kavallerie opperwachtmeester genoemd. De meest gebruikelijke naam voor de volgende klasse van onderofficieren is die van sergeant, bij de kavallerie wachtmeester,
welke laatste benaming ook bij de infanterie van sommige legers gebruikelijk is; de jongere onderofficieren dragen in den regel den naam van korporaals (bij de Fransche kavallerie en vroeger ook bij ons brigadiers). Men zie ook Korporaal, Vaandrig. Bij ons kommanderen de korporaals, de escouades, de sergeanten de sectiën van eene kompagnie of van een eskadron. Naar de verschillende betrekkingen, die zij vervullen dragen de onderofficieren ook nog andere namen zoo als fourier, kwartiermeester, kapitein d'armes, enz. Bij sommige artilleriën dragen de oudste onderofficieren den naam van oppervuurwerkers, de jongste dien van vuurwerkers, de korporaals dien van bombardiers. Tusschen de sergeant-majoors en de officieren heeft men bij sommige legers ook nog adjudanten-onder-officier (zie Adjudant) en daarmede gelijkstaande fortificatie-opzigters.
Hoewel een jong mensch, die officier wil worden, in den regel eenigen tijd in den graad van onderofficier moet dienen, zoo wordt toch slechts bij weinige legers, het onderofficierschap uit dien stand aangevuld. Waar dit niet het geval is en de eerzucht der O. dus spoedig eene onoverkomelijke hinderpaal vindt, heeft men hen, om toch goede O. te krijgen, na zekeren diensttijd bij voorkeur aanspraak op sommige burgerlijke betrekkingen gegeven.
De O. van de zeemagt voeren den naam van dek- en onderofficieren; daartoe behooren de opperschipper, de opperkonstabel, de opperstuurman, de eerste timmerman, die meer bepaald met den naam van dek-officieren aangewezen worden. Verder de bootsman, de schieman, de konstabel, de provoost, de 2e en 3e stuurman, de 2e timmerman, de 1e en 2e zeilmaker, de 1e smid, de hofmeester, de kok, de bottelier, de kuiper, terwijl de bootmansmaats en bootmansleerlingen, de schiemansmaats, de kwartiermeester, de konstabelmaats, de stuurmansleerlingen, de 3e en 4e timmerman, de 3e en 4e zeilmaker, de 2e smid, de botteliermaats, de 2e kuiper, de 2e ziekenoppasser, de kok en koksmaat, bakkers, schilders-, schoenen kleermakers en muzijkantcn gelijkgesteld zijn met de rang van korporaal.
Deze dienen om de rangen en graden der officieren uiterlijk aan te duiden. De meest gebruikelijke O. voor officieren zijn nog epauletten of schouderkwasten, voor onderofficieren galons of lissen op de kraag of strepen op de mouwen (chevrons); de Oostenrijkers hebben als O. voor hunne officieren en onderofficieren sterretjes op de kraag, volgens den graad in grooter of kleiner aantal, in verband met galons aangenomen. De epauletten der officieren zijn voor de hoogste rangen met bouillons, voor de mindere met troetels of ook geheel glad (contra epaulet); tot meer bijzondere onderscheiding geeft men aan den eenen graad twee gelijke, aan den anderen twee ongelijke (bijv. eene met bouillons of troetels, de andere glad) of men brengt op het blad der epauletten strepen, sterretjes, enz. in verschillend aantal aan.
Onderschepte brieven of rapporten geven den veldheer dikwijls kostbare inlichtingen omtrent de bedoelingen des vijands en zijnen toestand; patrouilles en detachementen moeten dus altijd als zij belangrijke gevangenen maken, deze visiteren en er op letten, dat zij geene papieren vernietigen. Aan den andeven kant moet men bij het afzenden van rapporten, die voor den vijand waarde kunnen hebben, er voor zorgen dat de brengers daarvan niet in handen des vijands vallen of, als dit toch geschiedt, dat de vijand ze niet kan begrijpen. Het gebruik van geheim schrift, het verbergen der brieven in de kleedingstukken, den last aan de brengers hunne depêches, die natuurlijk op geene groote vellen papier behoeven geschreven te worden, in te slikken als zij gevangen gemaakt worden, zijn middelen
die hier toegepast kunnen worden. Reeds de ouden waren in het gebruik daarvan volleerd en bij den oudsten bekenden Griekschen militairen schrijver, Aeneas vindt men eene geheele reeks nuttige voorschriften daaromtrent. Toen Alvinzy zich gereed maakte ten tweeden male Mantua te ontzetten, zond hij eenen bode aan Wurmser, wien hij zijne depêche in een stukje lak bevat, medegaf. In geval van nood moest de bode dit lak inslikken. Hij viel werkelijk in handen van de Fransche voorposten voor Mantua, slikte het lak in maar werd door de Franschen met een laxeermiddel gedwongen, het op de natuurlijkste wijze weder te geven, zoodat de depêche van Alvinzy weder gevonden werd.
Afzonderlijke troepen, die uit volkswapeningen ontstaan, en die met de geregelde troepen in kleeding, oefening, krijgstucht, enz. niet op eene lijn kunnen staan. Bij de Russen verstaat men nog heden de Kozakken, Baschkiren, Tscherkessen, enz. onder den naam van O. eigenlijk ten onregte, daar zij eene volmaakte militaire organisatie bezitten.
Ten allen tijde heeft men niet elken man, hetzij dat hij vrijwillig of bij loting in dienst kwam geheel geschikt geoordeeld, om zijne pligten als soldaat te vervullen. Een man kan zoowel geestig, als ligchamelijk O. voor de dienst zijn. Volslagen zwakheid van geest sluit hem natuurlijk uit. Men heeft zich vooral bezig gehouden met de vaststelling van die gebreken, welke den man O. maken, en, sedert de conscriptie bijna overal ingevoerd is, de gebreken aangegeven, die van de dienst vrijstellen. Met sommige dier gebreken is het zeer bijzonder gesteld. Daartoe behoort bij voorbeeld het gebrek aan eene zekere lengte, waarover, dit zij ter loops gezegd, de meeningen zeer uiteenloopend zijn, en die een man van 20 jaar, welke loot nog niet bezit, doch naderhand nog bereiken kan. Bijziendheid stelt eveneens vrij, terwijl dit gebrek door het opzetten van een bril, geheel weggenomen kan worden, enz. In nieuwere tijden is de klagte algemeen, dat de ligtingen naauwelijks de noodige geschikte manschappen opleveren, terwijl men jaarlijks niet veel meer dan het derde of vierde gedeelte der dienstpligtige manschappen behoeft op te roepen om de regimenten aan te vullen. De reden daarvan is vooral daarin te zoeken, dat men er zich eensdeels aan gewend heeft, noodeloos hooge eischen aan de ligchamelijke geschiktheid van eenen soldaat te stellen, terwijl men vroeger bij den bestaanden overvloed van geschikte manschappen, de conscriptiewetten zeer streng handhaafde en zich veroorloofde overal gebreken te vinden. Overigens zoude het niet overbodig zijn, de vraag te doen, hoeveel de industrie voor de verbetering van de ligchamelijke gesteldheid der bevolking zoude kunnen doen, door inrigtingen, die de jeugd der groote steden tot ligchaamsoefeningen en het bezoeken van scholen aanhielden en als men benevens de sterke en krachtige, ook juist zwakke en ligchamelijk verwaarloosde menschen tot dienstverrigting opriep.
De O. van het buskruid kan op verschillende wijzen voortgebragt worden, zeer gemakkelijk door glimmende kool en staalvonken, het snelste echter door de vlam van buskruid, slagkruid of sassen. Zoodra een brandende kool, enz. met buskruid in aanraking komt, ontvonkt de houtskool, deelt het vuur aan den zwavel mede en de hitte daardoor veroorzaakt, bewerkt de ontleding van het salpeter. Ontploft daarentegen het buskruid ten gevolge eener langzame verhitting, dan ontbrandt de zwavel het eerst en moet dan eerst nog de houtskool doen ontbranden, alvorens het salpeter kan worden ontleed. De straal van den werkkring van een' enkelen korrel is bijna gelijk aan achtmaal de middellijn van den korrel. Elke kub. duim buskruid ontwikkelt ongeveer 300 kub. duimen gas van 0o C.
De veerkrachtige vloeistoffen, welke zich bij de ontbranding van het buskruid ontwikkelen, brengen door hare botsing met de luchtdeeltjes eene O. te weeg; deze wordt sterker naarmate de botsing sneller is of naarmate door eene vastere insluiting, de veerkrachtige vloeistoffen meer gespannen worden.
Het buskruid of de zelfstandigheid, waardoor het vervangen wordt, moeten ontstoken worden om hunne uitwerking te verrigten, naar de verschillende wijzen echter, waarop het buskrnid gebezigd wordt en de omstandigheden, die zich daarbij voordoen, kan en moet gedeeltelijk de ontsteking verschillend plaats hebben. Men onderscheidt daarbij:
a. De ontsteking van de lading der vuurmonden. Deze heeft plaats door middel van: 1o. de lont. De lont bestaat uit drie strengen los gedraaid touw van goed en zacht werk van 0,013 el dikte, dat in eene loog van houtasch en ongebluschte kalk of in eene oplossing van loodsuiker en regenwater geweekt of gekookt en daarna gedroogd wordt. Goede lont moet gemakkelijk vuur vatten en moeijelijk uit te dooven zijn, gelijkmatig afbranden en eene vaste, spitse kool vormen. Een eind lont van 0,13 el moet ongeveer een uur branden. De lont wordt in bossen van 18,8 el opgewonden, die doorgaans 1,173 pond wegen. 2o. gezwinde lont, katoen van één, twee of drie draden geweekt in een mengsel van 1 pond meelpulver, 31 wigtjes Arabische gom en 1,25 kan brandewijn; de draden met deze sas omgeven, worden op eenen haspel gedroogd en daarna tot gelijke stukken van 0,942 el lengte gesneden. Gezwinde lont moet zeer gemakkelijk vuur vatten en spoedig verbranden. Zij dient tot het ontsteken der gezwindpijpjes voor de vuurmonden, op hooge affuiten geplaatst tot het ontstekeu der lading door de monding bij vernagelde vuurmonden, bij mijnontsteking, bij het verbinden der deelen van een vuurwerk (communiceren). In een papieren hulsje geplaatst, brandt de gezwinde lont veel sneller dan open. 3o. gezwindpijpjes, die zijn hulsje van blik, riet, hout of papier of penneschachten, die in het zundgat passen, nagenoeg een palm lang, en om een doorn geplaatst, met half gebroken buskruid gevuld zijn; ook kunnen zij met eene sas van meelpulver en brandewijn gevuld en daarna met eene naald doorstoken worden. Opdat zij niet door het zundgat zouden vallen, zijn zij voorzien van een kopje, zamengesteld uit meelpulver en brandewijn of uit een eind gezwinde lont.
De ontsteking der pijpjes geschiedt door middel van de lont of van zunders. Zij moeten door vierdubbel gevouwen saai heenslaan en het daaronder geplaatste buskruid doen ontbranden. 4o. slagpijpjes. De slagpijpjes, zoo als die bij ons gebruikelijk zijn, bestaan uit een papieren gezwindpijpje, dat door middel van mastiek met een geelkoperen schoorsteentje verbonden is, waarop een gewoon slaghoedje geplaatst wordt. Dit slaghoedje ontploft door de werking van den slaghamer. Bij de Engelsche artillerie heeft men eene gevulde pennenschacht, waaraan van boven het slagzout regthoekig is aangebragt; de ontsteking daarvan geschiedt insgelijks met eenen hamer, die door middel van een riem op het slagzout nedergetrokken wordt. 5o. Bij de wrijvingspijpjes wordt het slagkruid ten gevolge eener sterke wrijving ontstoken. De bij ons gebruikelijke bestaan uit eene koperen buitenhuls met een kop, die gevormd wordt door 4 regthoekig omgezette vleugeltjes, een houten stopje, volgens de as doorboord, dat in de buitenhuls past en in haar boveneinde wordt vastgewurgd, een koperen binnenhulsje, dat van onder tegen den stop sluit en waarvan het bovenste gedeelte met wrijvingssas gevuld is, eindelijk een geelkoperen wrijvingsdraad. Het oog van dien draad wordt door middel van eenen trekhaak met touw met een' sterken ruk afgetrokken en doet de wrijvingssas ontvlammen. Een vereenvoudigd model is thans in beproeving. 6o. Bij de Zweden is het Callerströmsche pijpje in gebruik. Het bestaat uit een dun koperen hulsje met halfgebroken buskruid gevuld, dat doorboord is en waarin van boven een klein glazen buisje met zwavelzuur gevuld, geplaatst wordt. Dit buisje is omwikkeld met een mengsel van katoen en slagkruid. Wanneer nu dit pijpje door middel van eenen haak omgebogen wordt, dan breekt het buisje en het slagkruid wordt door het uitvloeijende zwavelzuur ontstoken. 7o. Zunders, papieren hulzen van 0,28 el lengte en vast opgevuld met eene vrij langzaam brandende sas uit salpeter, meelpulver, zwavel en lijnolie bestaande, welke zelfs onder water brandt. Nieuw zijnde branden zij 5 à 6 minuten, eenige dagen gelegen hebbende 8 en ouder geworden 10 à 12 minuten. Bij het ontsteken van het geschut wordt de zunder in eenen zunderstok geklemd. Aan boord der schepen worden de zunders, wier spuitend vuur gevaarlijk zoude kunnen zijn, vervangen door blusstangen, bestaande uit vast ineegnerold kardoespapier, dat in eene salpeter-oplossing geweekt is. De zunders werden vóór de invoering der slag- en wrijvingspijpjes gebezigd, als de lont bij regenweder niet wilde branden. De Engelsche artillerie maakte er vroeger meestal gebruik van. - Al de genoemde ontstekingsmiddelen knnnen even goed voor de ontsteking der vuurmonden, als voor die der oorlogsvuurpijlen dienen.
b. De ontsteking van de springlading der holle projectilen geschiedt door buizen, welke in het buisgat geslagen worden. 1o. de gewone buizen voor bommen en granaten zijn afgeknotte kegels van esschenhout, juist in het buisgat passende, cijlindervormig uitgeboorden van boven van een' bolvormigen ketel voorzien. In de uitboring, brandgat geheeten, wordt eene hevig en zeer regelmatig brandende sas zeer vast ineengedreven tot op 3/4 der geheele lengte; daarna wordt in het bovenste gedeelte de gezwinde lont aangebragt, welke in het keteltje rondgelegd en met meelpulver bedekt wordt, waarna men de buis verkapt en deze verkapping in een verkitsel doopt en in zaagmeel rondwentelt. De buizensas bestaat uit 4 deelen salpeter, 2 deelen zwavel en 8, 7 of 6 deelen meelpulver (8 voor 29 dm., 7 voor 22, 20 en 15 dm. en 6 voor kleinere kalibers). Zij verbrandt met eenen vrij sterken vuurstraal, hetgeen des nachts vele nadeelen heeft, zoodat men nog twee niet vlammende sassen bezigt, die evenwel veel langzamer verbranden, onder water niet branden en bij den val van het projectiel op den grond, dikwijls uitgedoofd worden. Eer men de buis in het projectiel drijft, wordt zij afgesneden op
eene lengte, geëvenredigd aan den tijd benoodigd tot het beschrijven der baan, welke tijd bij gegeven lading en elevatie moet afgeleid worden uit den afstand van de plaats, waar men het projectiel wil doen springen. Dit afsnijden der buis noemt men tempeeren (zie Tempeeren). 2o. De buizen voor granaatkartetsen (zie Kogelbaan en Projectilen) vereischen eene bijzondere opmerkzaamheid. Aanvankelijk bezigde men daarvoor gewone buizen; men voerde slechts meer verschillende soorten mede, om eene ruimere keuze te hebben en bragt ze dan nog op de behoorlijke lengte door uitboring der sas of door afsnijding van de buis. Dit stelsel liet intusschen veel te wenschen overig. Terwijl het bij eene gewone bom of granaat weinig verschil gaf, of het projectiel onmiddelijk na het nedervallen of eenige seconden later sprong, was dit bij de granaatkartetsen geheel anders, want hunne uitwerking gaat bijna geheel verloren indien zij niet op de juiste springhoogte en den juisten springafstand springen. De artilleristen scherpten dus hun vernuft om eene buis te vinden, die reeds in het buisgat bevestigd, met de grootste naauwkeurigheid en gemakkelijkheid op den juisten brandtijd kon gebragt worden en overal sedert in 1835 de Belgische kolonel Bormann zijne buis vervaardigde, zijn zoo vele springbuizen ontdekt en voorgesteld geworden, dat men om het onderwerp geheel uit te putten, een afzonderlijk werk zoude behoeven. Wij bepalen ons hier tot de opgave der hoofdpunten. De buis van Bormann uit eene schijf van tin en lood bestaande, heeft van onderen eenige schroefdraden en wordt in het buisgat, dat als moer dient, zoodanig ingeschroefd, dat hare oppervlakte niet boven den rand uitsteekt. Op de oppervlakte der schijf loopt langs den omtrek eene kanaalvormige uitholling, die met sterk zamengeperst meelpulver gevuld wordt. Dit meelpulver is met een gesoldeerd plaatje bedekt, waarop eene schaal is ingedrukt voor 1/4, 1/2 en geheele seconden brandtijd. De geheele ring is voldoende voor 7 seconden. Het eene einde van de genoemde uitholling staat door een benedenwaarts gaand zundgat in verbinding met de onderholte der buis, die met korrelkruid gevuld is. De sasring loopt niet langs den geheelen omtrek; dáár waar hij eindigt bevindt zich een zundgat met eene holte, waarin gezwinde lont gelegd is. Weet men nu bijvoorbeeld, dat de buis 3 1/2 seconden moet branden, eer de springlading ontstoken wordt, dan steekt men door middel van een scherp werktuig het plaatje door, dat den sasring bedekt en wel ter plaatse, waar de schaal 3 1/2 seconden aangeeft, terwijl men in deze opening het eene einde van de genoemde lont steekt. Hier zal dus de sas beginnen te branden en het zal nu 3 1/2 seconden duren, tot dat het kanaaltje uitgebrand is en het in de holte aanwezige korrelkruid en daardoor ook de springlading ontstoken wordt. Bormann heeft later zijne buis nog daardoor verbeterd, dat hij het plaatje, dat den sasring bedekt, ter plaatse waar de getallen der schaal staan, dunner liet maken, om het doorsteken gemakkelijk te kunnen verrigten. De buis van den Hannoverschen kapitein der artillerie Siemens heeft nagenoeg dezelfde zamenstelling, Voor het tempeeren van de buis had men bij dit stelsel door het doorsteken 40 à 60 seconden noodig. Om dezen tijd korter te maken sloot de Hessische kapitein Breithaupt den sasring met een metalen plaatje, dat om zijne as kon bewogen worden en op eéne plaats van eene regthoekige insnijding voorzien was. Men draait dit plaatje zoo ver tot dat de insnijding boven het vereischte punt der schaal staat, terwijl daardoor de sas bloot ligt, zonder dat men haar behoeft door te steken. De benoodigde tijd voor het tempeeren wordt hij dit stelsel op 8 à 10 seconden verminderd. De buis van den Belgischen kapitein der artillerie Splingard in 1846 voorgeslagen, bestaat uit eene gewone houten buis, waarin van boven een doorboorde kurk steekt. Men neemt nu koperen buisjes met buizensas gevuld, van verschillende lengte, dus verschillenden brandtijd, mede en steekt het passende door
de uitboring van den kurk. Hiermede heeft de buis van den Nederlandschen kolonel De Bruijn en die van den Zweedschen generaal Von Hellwig veel overeenkomst. Bij den laatsten worden de koperen buisjes, door papieren vervangen. Ook de buizen van Sarrai, die in Sardinië gebezigd worden, behooren tot hetzelfde stelsel; hier zijn echter de buizen en de zundbuisjes beiden van metaal. De Franschen hebben eene metalen buis, waardoor drie loodregte saskanalen geboord zijn. Elk dier kanalen is op verschillende lengte, dus ook op verschillenden brandtijd, met sas gevuld. De twee kortsten zijn van boven door eene lederen prop gesloten; wil men nu den langsten brandtijd bezigen, dan blijven die lederen proppen zitten, wil men den middelsten brandtijd, dan wordt de prop van het middelste kanaal weggenomen en zoo men den kortsten brandtijd verlangt, dan wordt de prop van het kortste kanaal verwijderd. 3o Onder zekere omstandigheid kan men voor de holle projectilen nog buizen ge. bruiken, welke niet door de ontbranding der lading, maar eerst bij het treffen van het doel door percussie ontstoken worden en het springen van het projectiel veroorzaken. Men noemt projectilen, die op deze wijze zijn ingerigt percussie projectilen, als zij echter vóór het springen, nog den tijd moeten hebben in het doel te dringen, dan noemt men ze concussie projectilen, terwijl de overeenkomstige buizen insgelijks percussie- of concussiebuizen genoemd worden. Het onderscheid tusschen die projectilen en buizen is overigens meer ingebeeld dan werkelijk; indien een projectiel met eene percussiebuis, een doel bereikt, waarin het kan doordringen naar den aard van het doel en de overige omstandigheden, zal elke percussiebuis vóór het springen, daartoe den tijd laten. Eene percussiebuis ontstaat daardoor, dat men aan eene gewone buis een schoorsteentje aanbrengt en daarop een slaghoedje plaatst of als in de buis gedeeltelijk met slagkruid gevuld, een glazen buisje met zwavelzuur, volgens het stelsel van Callerström wordt aangebragt. In het eerste geval moet het projectiel om te kunnen springen, noodzakelijk met de buis aanslaan, hetgeen bij ronde projectilen, door hunne omwenteling slechts in bijzondere gevallen zal plaats hebben. Tegen vertikale doelen echter zijn dergelijke buizen slechts met holle verlengde projectilen te gebruiken. In het tweede geval is het aanslaan met de buis geene noodzakelijkheid, daar het glazen buisje zeer breekbaar is; maar men loopt daarbij het gevaar, dat de projectilen reeds in de ziel of kort daarvoor springen. De percussiebuis van Splingard (1850) bestaat uit eene houten cylindrische buis, van onderen van eene bolvormige uitboring voorzien; in die buis sluit een papieren hulsje in hetwelk boven de uitboring een klein, van boven gesloten buisje van gips geplaatst is; daaromheen en daarboven is de huls met sas volgeslagen; het gedeelte van de sas, die van boven snel brandend is zal nu uitgebrand zijn, als de bom na eenen gemiddelden vlugttijd het doel bereikt; daardoor ligt het bovenste gedeelte van het gipscylindertje bloot en dit breekt bij het nedervallen van de bom, zoodat nu het onderste gedeelte der sas, die uit langzaam brandende bestaat, haar vuurstraal aan de springlading kan mededeelen. - Volgens hetzelfde beginsel is de metalen (eene legering van lood en tin) percussiebuis van den tegenwoordigen Nederlandschen majoor Schönstedt ingerigt. De bommen die Orsini en zijne makkers in Januarij 1858 bij hunnen aanslag op Napoleon III bezigden, waren percussiebommen van peervormige gedaante, zoodat zij op hun zwaarste gedeelte nedervielen. Zij waren met slagkruid gevuld en hadden verschillende slaghoedjes om onder alle omstandigheden te kunnen springen. De schokbuizcn van den Nederlandschen kapitein Snoeck zijn vervaardigd uit een metaal, dat door de hitte bros wordt en dus in het projectiel afbreekt, als het schokt. - Men zie over de verschillende soorten van buizen L. Delobel. Revue de technologie militaire.
Toen het buskruid nog slecht vervaardigd werd, ontstak de vuurstraal der lading
de buis slechts zelden, indien men deze naar de monding toekeerde of het projectiel werd dikwijls in de ziel verbrijzeld, als men de buis naar de lading keerde. Men wierp daarom in de 17de eeuw de bommen in den regel met twee vuren; de bom werd door eene zoden prop van de lading gescheiden; men ontstak dan eerst de buis door de monding en daarna de lading door het zundgat of men bezigde een werktuig, waarbij men die twee bewerkingen gelijktijdig kon verrigten; later, nog in de 18e eeuw stelde men de buis, die naar de monding gekeerd was, door een eind gezwinde lont, dat naar achteren liep in gemeenschap met de lading. Zie ook Lading. 4o De ontsteking van de lading der vuurpijlen of van de springlading der holle projectilen, die door vuurpijlen gedragen worden heeft plaats door het uitbranden der tering.
c. De ontsteking van de lading der draagbare vuurwapens geschiedt door het slot. Zie Slot en Handvuurwapens.
d. De ontsteking der mijnen. 1o. De eenvoudigste en oudste wijze was die met de kruidworst. Een linnen zak van 2 à 3 duim middellijn met buskruid gevuld werd van den mijnhaard af tot in de kruidkist geleid. Om deze worst tegen drukkingen, enz. te verzekeren en ook voor vochtigheid te bewaren, sloot men haar in eenen houten koker of goot, die door een passend gat in de kruidkist uitkwam. Deze goot moest gepekt worden om de worst gedurende langen tijd tegen vochtigheid te bewaren. Men bezigde deze goten zoowel in galerijen, waar zij hetzij langs den grond, hetzij langs de zoldering liepen, als om de worst door den grond, zonder galerij naar voorliggende fladdermijnen onder het glacis te geleiden. In dit geval moest echter de goot steeds ten minste 1 el onder den grond liggen, om zoowel tegen vijandelijke, als tegen de eigene granaten verzekerd te zijn; men moest dus eene vrij aanzienlijke gracht uitgraven. In den mijnhaard ontstak men nu de lont met een of ander der hierboven aangegeven O. of men bezigde de schuifdoos of muizenval, of den monnik. De eerste is eene doos van 50 duimen hoogte en 15 duimen breedte. Van onderen is zij gesloten en daarin komt in een der wanden de kruidworst uit. Van boven is een schuifje aangebragt, dat door middel van een touw bewogen kan worden. Nadat deze doos goed bevestigd en de kruidworst daarin gestoken, opengesneden en met meelpulver bedekt is, wordt op het schuifje eene brandende lontster gelegd en op het gegeven teeken, de schuif weggetrokken, waardoor de ster op het meelpulver valt en de mijn ontsteekt. Bij de ontsteking met den monnik wordt de kruidworst opengesneden en op een stuk papier gelegd; hierop strooit men eene hoeveelheid goed droog meelpulver en dekt dit met een ander stuk papier, dat in het midden van een gat voorzien is. In dit gat wordt de monnik gestoken, zijnde eene pyramide of kegel van drooge zwam van eenige duimen hoogte, die van boven aangestoken wordt. Gelijkertijd ontsteekt men een tweede zwamkegel van gelijke grootte en vorm, die getuige genoemd wordt en die men mede neemt, om te zien wanneer het vuur het meelpulver zal hebben bereikt en dus als alles in orde is, de mijn hare uitwerking moet doen. 2o. Het onvermijdelijk gebruik van den koker, deed spoedig andere middelen beproeven; daartoe behoort vooreerst het vervangen der kruidworst door een eind gezwinde lont, voorts 3o. de vuurmuis van Rugy. Dit is een stuk lont, bevestigd aan een koord of dunne ketting zonder eind, dat door middel van eenen van binnen goed glad gemaakten koker langs de mijnkamer getrokken wordt. Dit middel is zeer blootgesteld aan het gevaar van te mislukken en dus geheel in onbruik geraakt. Latere proeven waarbij men de lont door een stuk zunder verving, voldeden beter. 4o. De vuurpijlen of zwermers, een middel waarop reeds in 1701 door Coehoorn te Bergen-op-Zoom gewezen werd. De vuurpijl wordt bij den haard in den koker gelegd met de
monding naar buiten; men ontsteekt hem en hij loopt met eene zeer groote snelheid door de goot naar de kruidkist, waar hij de lading ontsteekt. Is de goot niet regtlijnig, maar maakt hij eenen hoek, dan zou de vuurpijl hier blijven vastzitten en dus geene uitbarsting volgen; men voorziet hierin, door het maken van eenen goed glad geschaafden boog, of wel men brengt in den hoek een' tweeden vuurpijl aan, onder welks monding meelpulver gestrooid wordt. De eerste vuurpijl wordt door eene ringvormige vernaauwing van den koker daar ter plaatse opgehouden en ontsteekt den tweeden. Dit ontstekingsmiddel is zeer eenvoudig en zeker, maar de pijlen moeten met zorg gemaakt worden, zoodat zij niet springen eer zij de mijnkamer bereiken en de kokers moeten glad geschaafd en zorgvuldig zijn zamengesteld. 5o. De ontsteking met phosphorus; men plaatst boven de kruidkist eene soort van schoorsteen, een verticaal staand stuk goot; dit is van onderen door eenen rooster gesloten, waarop een fleschje phosphorus ligt; daarboven is eene horizontale schuif, waarop een zwaar stuk ijzer ligt, en die door een touw, dat naar den mijnhaard loopt, kan weggetrokken worden, waardoor het ijzer op het fleschje valt, het verbrijzelt en op die wijze de ontsteking doet volgen. 6o. Op dezelfde wijze kan men ook Callerströmsche pijpjes bezigen. 7o. Eindelijk kan men de mijnlading ontsteken door percussie-toestellen of ook wel door een eenvoudig geweerslot dat door een touw wordt afgetrokken.
Men zal gemakkelijk inzien, dat al deze O. veel te wenschen overig lieten. De vuurpijlen eischen zeer glad geschaafde kokers en de verwijdering van het kleinste beletsel, dat hunnen gang zoude kunnen belemmeren; ditzelfde is het geval met alle O. waarbij een aftrektouw gebezigd wordt. Loopt het leivuur niet regtlijnig, wat bij mijnstelsels zelden het geval zijn zal, dan ontstaan groote moeijelijkheden en de grootst mogelijke naauwkeurigheid in het aanbrengen der leivuren, levert nog geene genoegzame waarborgen voor eenen goeden uitslag. De kruidworst schijnt nog het zekerste middel te zijn; intusschen kan zelfs als zij naauwkeurig gevuld is, het vulsel zich verschuiven en daarin, afwisselend open plaatsen en ophoopingen ontstaan; moet zij gedurende langen tijd in eenen vochtigen grond liggen, dan bederft zij en ontbrandt eindelijk niet meer; hare verbranding in naauwe gangen en galerijen vult deze met eenen stikken den damp; zijn zij zonder galerij slechts op geringe diepte ingegraven, dan zijn zij er zeer aan blootgesteld om door den vijand gevonden of door invallende projectilen beschadigd te worden; het leggen van lange kokers is zeer moeijelijk, indien het niet in galerijen plaats vindt; eindelijk ontstaan bij alle opgegeven O. groote moeijelijkheden om verschillende mijnen gelijktijdig door middel van een leivuur te laten springen; alleen de kruidworst en de vuurpijlen zijn daartoe geschikt. Om twee mijnen gelijktijdig te ontsteken verbindt men die door de kruidworst langs den kortst mogelijken weg met elkander, in het midden van dien koker bevestigt men den koker, die naar den mijnhaard loopt. Het is naar dezen T-vorm der leivuren, dat men dergelijke mijnen wel eens den naam van T-mijnen geeft. Met drie mijnen zoekt men eerst volgens het bovenstaande het midden tusschen twee hunner. Dit midden vereenigt men dan op de kortste wijze met de derde mijn en zoekt dan het midden tusschen die mijn en eene der vorige, aan welk midden men den voornaamsten koker bevestigt; zulke mijnen worden klaverbladsmijnen genoemd. De oude mineurs noemden die inrigting om verschillende mijnen gelijktijdig te doen springen het afpassen der vuren (Compassement des feux). Een groot nadeel bij alle genoemde O. is, dat als zelfs de uitbarsting niet dadelijk volgt, men toch nog niet zeker is of die nog later zal volgen; men weet niet of de kruidworst ook doorbrandt, of niet een vonk van de muis verloren is gegaan, die toch
later het meelpulver zal ontsteken, enz., zoodat men niet dadelijk de opstopping en de lading kan onderzoeken, om de bestaande gebreken te verhelpen. Voor de ontsteking der mijnen en zelfs voor de geheele mineurkunst ontstond een nieuw leven door de toepassing van de electriciteit of van het galvanismus. Om mijnen galvanisch te ontsteken, gebruikt men tegenwoordig de Voltasche batterij met koperen zinkelementen, hetzij in eenvoudige trogtoestellen of ook in zamengestelde toestellen. Men verbindt de beide polen der batterij, die in den mijnhaard geplaatst wordt, door twee evenwijdige, van elkander geïsoleerde geleidraden, die met de draden van eene patroon, die zich in de kruidkist bevindt in elkander gedraaid zijn. De patroon is van hout of bordpapier, wordt met meelpulver gevuld en daarin komen de patroondraden uit, die door een klein stukje fijne platina- of staaldraad met elkander verbonden zijn; om de patroondraden buiten de kist te brengen, boort men in eene zijwand twee gaten, waardoor die draden geleid en daar buiten met de geleidraden verbonden worden. De ontsteking geschiedt nu door de elementen der batterij, nadat men de geleidraden met de patroondraden verbonden heeft in den met eenig zuur gevulden trog te dompelen of door eerst die elementen in te dompelen en daarna de geleidraden in den mijnhaard met de polen der batterij te verbinden. Daardoor ontstaat een electrische stroom, die naarmate van zijne meerdere of mindere kracht, eene grootere of kleinere warmte ontwikkelt. De opgewekte warmte is op ieder punt der geleidraden, het kleine stukje platina in de patrooon daaronder begrepen, even groot; deze warmte is niet voldoende om den geleidraad, die betrekkelijk vrij dik is, merkbaar te verhitten, veel minder om hem te doen gloeijen en smelten, maar zij is voldoende om het platinadraadje gloeijend te maken en te smelten; dit ontsteekt nu het meelpulver in de patroon en daardoor ook de mijnlading. De eerste toepassing van den galvanischen stroom tot ontsteking van kruidladingen werd reeds in het tweede tiental jaren van onze eeuw door Dr. Hare in Noord-Amerika bewerkstelligd, bij het doen springen van rotsen. Van het jaar 1836 af hebben de mineurkorpsen in Rusland, Engeland, de Nederlanden, Pruissen, Frankrijk en Oostenrijk talrijke proeven gedaan omtrent de galvanische mijnontsteking. Deze hadden zulke gunstige uitkomsten, dat zij nu overal, waar dit slechts mogelijk is, gebezigd wordt. De kracht van den stroom, dat is de afstand, waarop men eenen platinadraad van gegeven dikte nog kan doen gloeijen, hangt af van de kracht der batterij, welke bepaald wordt door het aantal en de inrigting der elementen, door hunnen onderlingen afstand, door de keuze der zuren, waarin de elementen gedompeld worden, door de keuze der elementen - kool en zink bijv. leveren krachtiger elementen dan koper en zink -, voorts door de dikte der geleidraden, door hunnen aard - koperen draden geleiden bij gelijke dikte beter dan ijzeren - en door hunne isolering. Het schijnt, dat voor het praktische gebruik van den mineur de volgende zaken voldoende zijn: a. koper- en zinkbatterijen van 24 tot 30 elementen, de platen van 0,017 tot 0,024 □ el, waarbij men als zuur een mengsel van 35 deelen water, 3 deelen salpeterzuur en 2 deelen zwavelzuur bezigt; b. als geleidraden koperdraden van 1 tot 3 streep (voor groote afstanden) middellijn; met de laatsten zal men de lading 3 maal verder kunnen ontsteken dan met de eersten; c. een platinadraad van 0,045 à 0,052 streep middellijn en van zoodanige lengte, dat de patroondraden in de patroon op 0,0156 el van elkander staan en de platinadraad nog gemakkelijk daarmede verbonden kan worden. - In de galerijmijnen brengt men de geleidraden zonder meer omslag aan, de eene langs den eenen, de tweede langs den anderen zijwand, om ze te isoleren waarbij zij door de bovenleggers of door de wiggen gedragen worden. Heeft men geen galerijen dan graaft men van
den mijnhaard, tot aan de mijnkamer eene kleine geul uit van 2 à 3 palm breedte en welks diepte zich alleen regelt naar de vrees, die men voor beschadiging of opspeuring door den vijand heeft. Bestond deze vrees niet, dan behoefde men in het geheel geene uitgraving, en zouden de draden op den grond kunnen leggen. Anders legt men ze in de uitgraving, de eene langs de eene, de tweede langs de andere zijde, houdt hen door ingeslagen piketpalen in dien stand en vult ten slotte de uitgraving weder. Men kan ook gemakkelijk de draden op den bodem van eene rivier, van een meer of door een moeras leggen, waarbij men ze alleen met steenen bezwaart en zoodanig laat zinken, dat zij elkander niet aanraken of waarbij men ze met staken in de grond drukt. Hierbij moet men echter bedenken, dat het water in vergelijking van den grond een veel betere geleider is en daardoor de kracht van den galvanischen stroom zeer vermindert. Dit kan zelfs zoo ver gaan, dat als men met eene bepaalde batterij en gegeven draden, die in eenen droogen grond niet geïsoleerd liggen, eene mijn op 1000 el afstands kan ontsteken, men het met dezelfde batterij en dezelfde draden slechts op 330 el kan doen als de draden door water gevoerd worden. Daarom handelt men verstandig als men de geleidraden, die door water, moeras of vochtigen grond gelegd moeten worden, op eene bijzondere wijze isoleert. Daartoe bestrijkt men iederen draad met een harsachtig mengsel, bijv. een mengsel van pek en teer, omwikkelt hen dan met touw of garen en bestrijkt die omwoeling voorts met hetzelfde mengsel. Men kan dan beide draden, zonder vrees dat zij elkander zullen aanraken, tot een koord vereenigen, wat voor de behandeling zeer gemakkelijk is. In plaats daarvan kan men ook elken draad in eene strook van eenige duimen breedte naaijen en voorts met teer en pek bestrijken. Ook heeft men wel eens een dik touw genomen, aan weerskanten daarvan, de omwoelde en bepekte draden bevestigd, dan het geheel nogmaals omwoeld en bepekt. Bij deze handelwijze is de leiding moegelijk te behandelen; zij is echter aanbevelenswaardig als de geleidraden langen tijd onder water moeten liggen, omdat zij ze beter beschut dan eenige der andere genoemde handelwijzen. Bij het gebruik van galvanische stroomen is niets gemakkelijker dan het gelijktijdig ontsteken van twee, drie of meer mijnen. Men voert den hoofddraad naar een der mijnen, van daar af maakt men op behoorlijke punten vertakkingen, door de beide draden der vertakking elk aan een der hoofddraden te verbinden; een dezer zijdraden moet daarbij altijd een der hoofddraden kruisen en men moet hen daarvan door stukken hout of zoden isoleren, dewijl anders eene ontsteking der mijnen onmogelijk wordt. De galvanische stroom, die door de batterij wordt opgewekt, verdeelt zich in alle vertakkingen, is dus zwakker dan hij anders bij gelijke omstandigheden in ééne leiding zoude zijn. Verlangde men nu eene juist gelijktijdige ontsteking van alle mijnen, dan zou men bij een samengesteld stelsel van verbindingen, dikwijls eene zeer sterke batterij moeten hebben. Dit is echter onverschillig. Indien de stroom slechts voorloopig in een der vertakkingen sterk genoeg is om de nevenmijn te ontsteken, dan is door haar springen deze leiding verbroken, het stelsel is vereenvoudigd, de stroom krijgt eene andere verdeeling, wordt weder in eene andere vertakking sterk genoeg, enz. tot dat alle verbonden mijnen ontstoken zijn. Dit alles volgt echter zoo spoedig, dat voor het oog en het oor, alle mijnen gelijktijdig springen, hoewel dit daadwerkelijk het geval niet is. Bij eene doelmatige inrigting der vertakkingen, is het mogelijk zelfs op groote afstanden met zeer gematigd sterke batterijen en geleidraden vele mijnen gelijktijdig te doen springen. Met eene doelmatig zamengestelde batterij, zoo als die boven beschreven is, kan men bij het gebruik van een' koperdraad van 0,001 el middellijn eene gewone mijn op 300 el en bij 0,003 middellijn op 900 el en verder
ontsteken. De galvanische mijn ontsteking is dus aanbevelenswaardig door het gemak, waarmede zij onder alle omstandigheden, zelfs op groote afstanden, bij het ongunstigste terrein (water) en bij de gelijktijdige ontsteking van verschillende ladingen kan toegepast worden. De behandeling is hoogst eenvoudig en indien men de geleidraden maar eenigzins zorgvuldig plaatst, volgt de ontsteking zeer zeker. Men kan zich buitendien als de opstopping reeds geschied is, nog elk oogenblik overtuigen of de uitbarsting zal plaats hebben. Indien men in den mijnhaard een galvanometer, in plaats van de batterij inlascht, kan men zonder het minste gevaar dadelijk zien of de keten in order is. Deze galvanometer bestaat uit eene eenvoudige magneetnaald, die zich vrij boven eene draadrol beweegt en een enkel galvanisch element. De stroom is nu niet sterk genoeg om de platinadraden in de patroon te doen gloeijen, maar wel om de magneetnaald te doen afwijken. Wijkt de magneetnaald bij inlassching van den galvanometer in den stroom niet af, dan is dit een teeken, dat de leiding ergens afgebroken is. Door een proeftoestel overtuigt men zich of de batterij in goeden toestand is en of zij op den gevraagden afstand kracht genoeg bezit. In dezen toestel bevinden zich goed geïsoleerde op klossen opgewonden geleidraden van eene gegeven middellijn, die om ruimte te sparen slechts de halve middellijn der geleidraden bezitten en uit een slechter geleidend metaal bestaan. Indien men nu een of meer dezer klossen onderling met de batterij en met een platinadraadje verbindt en dit laatste gloeijend wordt, dan weet men zeer bepaald, dat ook de mijnlading zal ontstoken worden. Indien eene uitbarsting niet dadelijk volgt, dan heeft zij ook later geen plaats en men kan nu zonder gevaar de mijn oogenblikkelijk naderen. Ook moet men opmerken, dat bij het gebruik der galvanische ontsteking de galerijen niet zoo met kruiddamp gevuld worden, als bij dat der kruidworst.
In lateren tijd heeft men de batterijen vervangen door magneto-electrische toestellen; het vervallen van zuren, enz. geeft hierbij groote voordeelen. Nog bezigt men ook veelvuldig de inductie stroom van Rhumkorff'sche klossen. Deze stroom kan door zijne spanning zeer ver gebragt worden, vereischt slechts een paar elementen en geeft bovendien het voordeel, dat de vonk de lading ontsteekt en de draadgloeijing dus niet meer noodig is. Zie hierover Natuurkundige Stellingen van Wenckebach, 4e druk, blz. 435.
Even als reeds in 1823 Harris te Plymouth de gewone electriseermachine bezigde om mijnen te ontsteken, hebben ook de Oostenrijkers in den nieuweren tijd de wrijvingselectriciteit in plaats van den galvanischen stroom voor de mijnontsteking toegepast. De Oostenrijksche kapitein der genie Ebner opperde hiertoe het eerste denkbeeld en in het kamp van Olmütz van 1853 werd de eerste gelukte proef van dien aard in het groot genomen. Weinig tijds later hadden dergelijke proeven in Spanje plaats.
Men zie over de proeven, die hier te lande met galvanische mijnontsteking zijn genomen de: Militaire Spectator, jaargang 1838.
De geschiktheid om afstanden en hoeken op het terrein juist te schatten (zie Opmeten); verder de gesteldheid van het terrein en der troepen onderling juist en snel te begrijpen en te beoordeelen. Behalve door natuurlijken aanleg wordt de O. door oefening verkregen en verbeterd. Om eenen afstand juist te schatten kan men als hulpmiddel nagaan, welke bijzonderheden men van de voorwerpen, wier afstand geschat moet worden, opmerkt, bij voorbeeld of men van een huis alleen
de ramen en deuren of ook de vensterkruizen, de afzonderlijke pannen van het dak enz. kan zien. Scharnhorst heeft een tafeltje vervaardigd tot beoordeeling van den afstand van troepen, volgens de bijzonderheden die men daarvan ziet; bijv. de troep is 2000 pas verwijderd, als men het blinken der geweren en de beweging van massa's ziet, 1500 pas als men infanterie van kavallerie onderscheidt, enz. Al dergelijke opgaven gelden echter alleen voor een bepaald oog - men kan niet zeggen voor elk gezond oog - en voor eene bepaalde weersgesteldheid. Slechts door langdurige oefening kan een ieder voor zichzelven dergelijke kenteekens bepalen, die dan alleen voor hem, niet voor anderen dienen. Het naauwkeurig schatten van afstanden heeft in den tegenwoordigen tijd een groot gewigt voor de geheele infanterie gekregen, daar de geweren eene aanzienlijke dragt hebben en met vizieren voor verschillende afstanden voorzien zijn, die echter natuurlijkerwijze al hunne waarde verliezen, als de afstanden niet juist geschat worden. In stellingen kan men de gebrekkige O. wel eenigzins daardoor verhelpen, dat men bepaalde punten op het voorliggende terrein vóór het gevecht afpast of door afstandmeters, welke de officieren medevoeren, maar deze hulpmiddelen verliezen hunne waarde geheel of grootendeels, zoodra de troepen zich in beweging stellen. De moeijelijkheid om afstanden van eenige honderd passen, zelfs tot op 50 pas na, juist te schatten is eene der hoofdredenen, waarom men zijne verwachtingen van de oneindig vermeerderde uitwerking der verbeterde vuurwapens van de infanterie, aanzienlijk moet matigen. Men zie daarover Trotha. Beitrag zur Erörterung der Frage: welchen nothwendigen Einflusz haben die jetzt gebräuchlichen weittragenden Handfeuerwaffen auf das Gefecht der Infanterie? 1857.
Indien twee of meer staten onderling verschil krijgen over hunne wederzijdsche belangen of vermeende regten en het verschil kan niet door verdragen (waartoe conferentiën het middel zijn) vereffend worden, dan ontstaat er oorlog; dit is de eenige mogelijke uitweg. Het is dus een uitvloeisel en eene voortzetting van de staatkunde, waarbij in plaats van diplomatische nota's, kogels gewisseld worden. De O. neemt dus altijd een staatkundig karakter aan; nu eens is hij even als de staatkunde verheven, dan weder vreesachtig, want hij is eigenlijk slechts een werktuig van de staatkunde, die hem nu eens als een slagzwaard, dan weder als eenen schermdegen beschouwt en die er nu eens beslissende slagen mede toebrengt, dan weder er slechts schijnstooten en parades mede maakt.
Er kan hier geen spraak zijn van een' voordeeligen of nadeeligen invloed van den oorlog op de beschaving der volken; echter mag men niet onopgemerkt laten, dat de O. het eenige middel is om verwijderde volkeren met elkander in aanraking te brengen, waarom hij ook door sommige verlichte wijsgeeren: ‘de grootste school van het menschdom’ genoemd is, waarin zich de verhevenste deugden, zoowel als de schandelijkste ondeugden ontwikkelen. De O. zal zoo lang blijven bestaan, als de volken door hunne hartstogten geregeerd worden en verschillende belangen hebben, dat zal wel zijn zoo lang als het menschdom bestaat. De staten moeten dus op den O. voorbereid zijn.
Het is vooral van gewigt, dat men den aard van den oorlog doorgronde, omdat eene valsche beschouwing daaromtrent noodzakelijkerwijze verkeerde maatregelen ten gevolge zal hebben. Sommige theoretici hebben diensvolgens de oorlogen in nationale-, godsdienst-, interventieoorloogen, enz. onderscheiden, maar dit veroorzaakt verwarring van denkbeelden. Er bestaan slechts twee soorten van O. Bij de eerste heeft men ten doel zijnen tegenstander volkomen te overwinnen, hetzij om hem staatkundig te vernielen, hetzij om hem tot eenen nadeeligen vrede te
dwingen. Bij de tweede soort van O. wil men aan de grenzen van zijn rijk slechts eenige veroveringen maken, hetzij om er zijn rijk mede te vergrooten, hetzij om ze bij de vredesonderhandelingen als ruilmiddel aan te bieden. Het staatkundige doel moet dus het oorlogsdoel bepalen.
Uit een krijgskundig oogpunt is de vernieling des vijands het doel, het ruwe geweld het middel van den oorlog. Het doelmatig gebruik van het ruwe geweld moet echter door het verstand geleid worden.
Bij de uiterste inspanning der krachten komen twee zaken in aanmerking. De grootte van de voorhandene middelen des vijands en de sterkte zijner geestkracht. De eerste kan bij benadering berekend worden; voor de tweede heeft men geen formules, waarom dan ook alle berekeningen van den te verwachten tegenstand op gissingen gegrond zijn.
De oorlogshandeling bestaat niet uit eenen enkelen beslissenden slag; zij is veeleer een langzaam afmatten van de strijdkrachten, een gestadig afwisselen tusschen gelijkheid en overwigt op een of ander gedeelte van het oorlogstooneel. Dit kan men daardoor verklaren, dat niet alle strijdkrachten in eens in werking gebragt kunnen worden; vele daarvan komen eerst later in werking, zoo als bijv. de bondgenooten en brengen dan toch de beslissing aan. Al schijnen dan ook de strijdkrachten van eene partij in den aanvang ontoereikend, zoo kunnen zij na verloop van langen tijd zoodanig aangroeijen, dat daaruit zelfs een overwigt ontstaat.
Deze omstandigheid heeft zeer veel invloed op de oorlogvoering. Men zoude zich voorstellen, dat in de oorlogshandeling geen stilstand kon plaats hebben, eer het oorlogsdoel bereikt is; maar de onvolledige kennis van de krachten en den toestand der tegenpartij; de natuurlijke vrees en besluiteloosheid van den menschelijken geest, gepaard met schroom voor verantwoordelijkheid; het jaargetijde, dat de operatiën dikwijls stremt; de sterkte eener goede verdedigde stelling, die den aanvaller ontzag inboezemt, dit alles zijn redenen, waarom een stilstand in de oorlogshandelingen slechts al te dikwijls voorkomt.
Men ontmoet bijv. zulk eenen sterken tegenstand, dat men vreest hem met de beschikbare strijdkrachten niet te kunnen overwinnen en wacht nu, hetzij op versterkingen, hetzij op de uitwerking van demonstratiën en diversiën. Een dikwijls terugkeerende stilstand in de oorlogshandeling is echter altijd een bewijs van gebrek aan krachten of van gebrek aan inzigten, als het niet zelfs een gebrek aan moed is. Deze eigenaardigheid van den O. maakt hem meer tot kansrekening en geeft aan het toeval eene groote speelruimte; met het toeval krijgt echter ook het geluk een aandeel in den uitslag van den oorlog.
Hieruit kan men de dwaling afleiden van hen, die den oorlog als iets absoluuts beschouwen en de oorlogvoering tot eene afgetrokkene wetenschap willen maken. Het absolute, het zoogenaamde wiskunstige, is in de berekeningen der krijgskunde nergens gegrond, omdat reeds van den beginne af aan, mogelijkheid en waarschijnlijkheid, geluk en ongeluk in het spel komen en in alle groote en kleine voorvallen van den O. zigtbaar zijn. In het algemeen bevalt deze beschouwing van den O. den menschelijken geest het meest. Het verstand wel is waar verlangt duidelijkheid en zekerheid, maar de geest wordt dikwijls door onzekerheid aangetrokken; hij dwaalt liever in het rijk van het toeval en het geluk. Buitendien is het gevaar het element, waarin de krijgshandeling verkeert, en de voornaamste zielskracht in het gevaar is de moed. De theorie moet ook acht slaan op den menschelijken aard en dus aan den moed, de stoutheid, zelfs aan de roekeloosheid de plaats, die haar toekomen schenken. De krijgskunst heeft vooral met levende en zedelijke krachten te doen.
Het doel van den oorlog is even veranderlijk als het staatkundige doel, omdat de oorlog in de werkelijkheid zeer dikwijls verre afwijkt van zijn oorspronkelijk begrip, de vernieling van den vijand. Zoo kan bij voorbeeld de krijgsmagt van den vijand vernield zijn land veroverd zijn, maar zijne vijandige gezindheid, zijn volk zijn niet onderworpen. De onderdrukte staat ziet in zijne nederlaag slechts een voorbijgaand ongeluk en wacht van den tijd en de staatkundige veranderingen, hulp of herstel.
Het vernielen van den vijand is echter ook geene noodzakelijke voorwaarde voor den vrede. Er bestaan daarvoor twee andere oorzaken: de onwaarschijnlijkheid van de volkomen onderwerping des vijands en de hooge prijs van de overwinning.
Hoe minder gespannen de vijandige verhouding der beide partijen is, des te gemakkelijker kan men een voorwendsel tot den vrede vinden en niet altijd is de vernieling, ja zelfs niet eens de verovering daartoe noodig.
Somtijds is het voldoende de vijandelijke strijdkrachten en den vijandelijken wil af te matten, de hulpbronnen van den vijand te vernielen, zijne bondgenooten van hem af te trekken of te paraliseren.
Alle oorlogshandelingen moeten op den strijd gegrond zijn; want hoewel menig doel zonder strijd bereikt wordt, bestaat toch daarbij de gedachte aan het gevaar van eenen ongelijken strijd. Dit begrip is van het hoogste gewigt. Men heeft echter dikwijls het tegendeel geloofd en aan de strategische manoeuvres eene geheimzinnige magt toegeschreven, die op valsche denkbeelden gegrond was. Alleen van den strijd gaan de oorlogshandelingen uit, nooit van de voorafgaande bewegingen; eene demonstratie baart slechts vrees, omdat zij het nevendenkbeeld van eenen strijd bevat, dien men tracht te ontwijken, als men zich niet sterk genoeg gevoelt. De vernieling van den vijand, of van zijne strijdvaardigheid is dus ook het eenige middel om het strategische doel van het gevecht te bereiken. Bij de zamengestelde inrigting van een leger en bij de menigte voorwerpen, waarvan zijne volle werkzaamheid afhangt, kan echter de vernieling des vijands somtijds bijzaak worden, bijv. bij de vernieling van een konvooi; hier is de vernieling van het konvooi voldoende en de vernieling of de vlugt van de bedekking is in dat geval onverschillig voor het doel. In weerwil daarvan blijft het gevecht het voornaamste middel van den oorlog.
Indien de beslissing door de wapenen de grondslag van alle oorlogshandelingen is, dan volgt daaruit, dat de tegenpartij elke dier handelingen door een gelukkig gevecht werkeloos kan maken. Dit is niet alleen het geval met het gevecht, dat de handeling, welke men juist volbragt, belet, maar ook met ieder ander, als het slechts genoegzame beteekenis heeft, want elke vernieling van strijdkrachten, werkt ook op het ongeschonden gedeelte terug. Zoo verminderde bijv. de overwinning der Bondgenooten bij Gross-Beeren en aan de Katzbach, Napoleon's overwinning bij Dresden meer dan de nederlaag van Vandamme bij Kulm.
Hierdoor krijgen de gevechten een verschillend gewigt, zoo wel ten opzigte van het voorgestelde doel, als ten opzigte van de werkelijke voordeelen.
Het is echter niet altijd noodzakelijk de strijdkrachten des vijands te vernielen, men kan zich dikwijls reeds met zijne morele vernietiging, dat is met de moedeloosheid des vijands vergenoegen, want het morele element werkt het snelst, zoo als de veldslagen bij Jena en Aueratädt bewezen hebben.
Buitendien zijn er nog verschillende wijzen om het doel te bereiken, zonder den vijand te vernielen, bijv. de verovering of bezetting van vijandelijke gewesten, invallen daarin, waarbij men slechts het voornemen heeft den vijand in het algemeen schade toe te brengen; verder ondernemingen, die regtstreeks op de omverwerping der staatkundige verhouding werken; eindelijk een lijdelijk afwachten van 's vijands
handelingen. Dat alles zijn middelen, die elk voor zich zelven gebruikt kunnen worden om den vijand te overwinnen, naarmate het bijzondere geval meer vruchten belooft van het eene of andere dier middelen.
Deze ingewikkelde aard van den O. vereischt, dat voor de ondernemingen een bepaald plan tot grondslag strekt en dat de O. met meerder of minder kunst gevoerd wordt, waartoe bijzondere aanleg van het verstand en het karakter noodig zijn. Zoo deze in eenen hoogen graad aanwezig zijn en door buitengewone handelingen kenbaar worden, dan noemt men dat: krijgsgenie. Dit mag den veldheer niet ontbreken en alleen daardoor verdient hij werkelijk den bevelhebberstaf te voeren.
De middelen, waarvan hij zich bedient om het vraagstuk op te lossen, dat hem door de staatkunde is opgegeven, zijn marschen, manoeuvres, veldslagen, gevechten, belegeringen, overvallingen, enz. De wijze waarop hij ze gebruikt, vloeit voort uit de oorlogvoering, die daardoor een bijzonder karakter verkrijgt, zoodat men kan zeggen, dat elke veldheer zijne eigenaardige krijgskunst bezit, die dikwijls niets anders is, dan eene oorlogsmethode, d.i. een dikwijls terugkeerende vorm van handeling. Ten opzigte van de grootte der middelen, heeft men in den jongsten tijd veel over grooten en kleinen oorlog gesproken, men had echter eerder behooren te zeggen, dat de O. in het groot of in het klein gevoerd was, naarmate dat de partijen er op uit waren hun doel door eenigs spoedig beslissende veldslagen of door eene reeks van kleine, meestal verrassende gevechten te bereiken. Daar in het eerste geval het geweld, in het tweede de list het overwegende grondbeginsel is, zoo kan alleen de sterkere den O. in het groot voeren, terwijl het den zwakkere alleen veroorloofd is de strijdkrachten van zijne tegenpartij met de meest mogelijke verschooning van zijne eigene krachten, langzamerhand te verzwakken, tot dat daaruit eene soort van evenwigt ontstaat. Is echter de sterkere nalatig of ligtzinnig in het gebruik zijner overmagt, dan kan de andere den meer schitterenden weg volgen om zijne geringe krachten te verhelpen door grootere werkzaamheid en stoutheid. De zwakkere is dus geenszins tot de verdediging of tot den oorlog in het klein beperkt.
Zie Operatiën. Jomini onderscheidt het O. als het geheele grondgebied, waarop twee vijandelijke magten elkander kunnen ontmoeten, van het operatietooneel, als dat gedeelte van het O., dat de vijandelijke legers voor hunne ontmoeting uitzoeken. Wanneer op dit operatietooneel verschillende legers van elke partij, ieder met zekere zelfstandigheid optreden, noemt hij het gedeelte, dat aan elk daarvan is aangewezen de operatiezone.
Een beleg O., het niet verder voortzetten. Aanleidingen daartoe zijn dat men de nutteloosheid daarvan inziet of begrijpt dat het verder voortzetten daarvan te veel zoude kosten, dat het invallen van ongunstig weder het vervolgen der belegeringswerkzaamaeden onmogelijk maakt, eindelijk, dat een ontzet opdaagt, hetwelk zoo sterk is, dat men het niet tegelijkertijd het hoofd bieden en het beleg
voortzetten kan. Het beroemdste voorbeeld van dit laatste geval is in de nieuwere krijgsgeschiedenis, het O. van het beleg van Mantua door Bonaparte in 1796 bij de nadering van Wurmser. In het tweede geval behoeft men het beleg niet geheel op de te breken, maar alleen met het voornemen het bij invallen van gunstiger weersgesteldheid, te hervatten, waarbij men dan de belegerde vesting blijft insluiten. Dit geval deed zich onder de merkwaardigste omstandigheden voor bij het beleg van Sebastopol in den winter van 1854 op 1855. Het O. van een beleg als het geregeld moet plaats hebben, vordert niet minder tijd dan het beginnen; het wegvoeren van het geschut, het in zekerheid brengen van het materieel is niet spoedig gedaan, dewijl eene goed aangevoerde bezetting, het vooral door uitvallen aanzienlijk vertragen kan. Indien nu een sterk ontzettingsleger opdaagt en de belegeraar kan niet daaraan en aan de bezetting te gelijk het hoofd bieden, dan moet hij het ontzet te gemoet rukken; heeft hij dan echter geen tijd om het beleg geregeld op te breken, dan is hij wel genoodzaakt een groot gedeelte van het belegeringsmaterieel op te offeren, zoo als Bonaparte voor Mantua deed. Het ondernemen van een beleg is dus eene zaak, die eene groote belemmering en verlamming in de krijgsoperatiën zelfs op verwijderde tooneelen kan te weeg brengen.
1o. Een post opbrengen. De posten of schildwachten door eene wacht uitgesteld, worden door eenen korporaal daarheen geleid, die hen daar op de plaats de consignes geeft; dit geschiedt eveneens bij de aflossingen, waarbij de korporaal moet zorgen, dat de oude schildwacht aan den nieuwen de consignes behoorlijk overgeeft en zoo noodig nieuw verkregen bevelen mededeelt. Zie Wacht. 2o. Een schip opbrengen, een veroverd vaartuig (prijs) in eene haven binnen brengen.
Zie Strategie en Taktiek. Het oorlogstooneel is het veld voor de operatiën van een leger. Dit oorlogstooneel kan even goed eene uitgestrekte ruimte bevatten als binnen zeer enge grenzen besloten zijn en even als op een algemeen oorlogstooneel, verschillende bijzondere kunnen onderscheiden worden, zoude men ook in het operatiestelsel van een groot leger verschillende bijzondere operatiestelsels kunnen onderscheiden. De krijgskundige staatsman, die vóór het beginnen van eenen oorlog het plan daartoe ontwerpt, omvat met zijnen blik natuurlijkerwijze het geheele grondgebied van den eigen en van den vijandelijken staat, benevens het grondgebied van alle mogelijke bondgenooten, zoowel op de eene als op de andere zijde, de zeeën, welke deze landen van elkander scheiden of ze met elkander verbinden. Voor den veldheer wordt dit gebied der O. gedurende den loop des oorlogs en in het gezigt van het vijandelijke leger zeer beperkt. Vóór en bij het begin van den oorlog is alles meer uitgebreid, gedurende den loop daarvan wordt alles beperkter, ginds zijn veel meer omstandigheden mogelijk, hier hebben zich de werkelijke reeds daarvan afgescheiden en eenen bepaalden vorm aangenomen. Om een overzigt over de theorie der operatiën te verkrijgen, moet men de operatiën te land, van de operatiën ter zee scheiden en in elk van beide de aanvals- en verdedigings-operatiën beschouwen; men kan dan weder de O. zoo te land als ter zee met elkander in verbinding brengen en zal steeds gedwongen zijn het natuurlijke verband tusschen aanvals- en verdedigings-operatiën in het oog te houden.
Aanvalsoperatiën. Wanneer men vóór het uitbreken des oorlogs, het stelsel der aanvalsoperatiën in oogenschouw neemt, om datgene, wat men volgen wil, te bepalen, dan moet men allereerst het aanvalspunt uitkiezen; dit is echter op deze
uitgebreide schaal niets anders dan de bepaling van het oorlogatooneel. Indien Rusland er bij voorbeeld aan dacht eenen aanvallenden oorlog tegen Duitschland, waartoe wij Oostenrijk met de niet-Duitsche landen willen rekenen, te voeren, dan zoude het zijne wapenen te land tegen Zevenbergen, Hongarije, Moravië, Silezië, Posen, Westpruissen, Oostpruissen, kunnen wenden; door zijne vloten zoude het de Duitsche Oostzeelanden en had het eene vloot in de Zwarte zee en de vrije vaart door de Dardanellen, ook het Venetiaansche kunnen bedreigen; als in de beide laatste gevallen Duitschland hier tegenover eene vloot konde stellen, zou dan een zeeoorlog ontstaan. Rusland zoude op al deze punten te gelijkertijd kunnen aanvallen of het zoude daaruit een of meer punten tot den aanval kunnen uitkiezen, terwijl het op de andere punten verdedigenderwijze handelde. Dit laatste is klaarblijkelijk het doelmatigste; als men op één punt zijne krachten bespaart, dan kan men daarvoor op een ander punt des te meer krachten ontwikkelen, dan heeft men dien ten gevolge des te meer kansen om te slagen.
Het uitgekozen oorlogstooneel moet, om doelmatig gekozen te zijn, beslissend zijn ten opzigte van het bijzondere geval. Wilde Rusland, Hongarije voor goed veroveren, dan zoude het Hongarije tot oorlogstooneel moeten uitkiezen; was daarentegen het doel van den oorlog, niet de verovering van een land, maar een geschil over handelszaken, over de godsdienst, over eene dier onbepaalde vragen der Europesche staatkunde, die in het algemeene gebied der interventie vallen, als zij werkelijk tot den oorlog voeren, dan zoude die keuze van het oorlogstooneel nog van andere zaken afhangen. Was het doel bij voorbeeld slechts een' algemeenen indruk op Oostenrijk te maken, terwijl Rusland de hoop kon koesteren, Pruissen en daarmede geheel noordelijk Duitschland alleen op diplomatischen weg door onderhandelingen, zonder de minste krachtsontwikkeling, bezig te houden, dan zoude Hongarije weder het aanvalspunt moeten zijn, daar het het verst verwijderd is van noordelijk Duitschland en daar Rusland zou kunnen hopen, hier het gemakkelijkst de genegenheid der bevolkingte verkrijgen.
Heeft men nu het oorlogstooneel uitgekozen, waar de aanval zal plaats vinden, dan moet hiervoor een hoofdleger te velde gebragt worden; voor alle overige oorlogstooneelen, waar men geen volstrekt doel heeft, waarop echter door de handelingen des vijands de oorlog kan ontstaan, moet men andere legers bijeenbrengen; hoe minder strijdkrachten men daarvoor behoeft te bezigen, des te voordeeliger; het voordeeligst zal dus zijn, als men ze daar geheel ontberen kan en door eenige diplomaten kan vervangen. Het zal dus insgelijks voordeelig zijn, als men op die nevenoorlogstooneelen met geringe krachtsontwikkeling door den bijstand der bevolking der vijandelijke provinciën, door de gesteldheid van haar terrein of door andere omstandigheden, bij den aanval zeker van de overmagt is, of bij de verdediging de overtuiging heeft, dat men hier den vijand met eene geringe magt zoo lang het hoofd kan bieden, totdat men op het beslissende oorlogstooneel zijn doel bereikt, en daardoor ook op alle andere punten, wat daar ook moge voorgevallen zijn, tevens de beslissing verkregen heeft. Het onvoordeeligste geval zal zijn als geene van die omstandigheden plaats heeft, als men ook op de nevenoorlogstooneelen, waar men geen volstrekt doel wil vervolgen, eene strijdkracht moet ontwikkelen, die buiten verhouding is met de voordeelen, welke men daar kan verkrijgen, Waar dergelijke omstandigheden plaats hebben, zal men het best handelen door geheel van den voorgenomen aanvallenden oorlog af te zien en dien uit te stellen, tot dat de omstandigheden veranderd zijn.
Met de keuze van het oorlogstooneel voor den aanval bestemd, is de rigting waarin deze plaats moet hebben, slechts zeer oppervlakkig bepaald. Hadden bij voorbeeld in het hierboven vooronderstelde geval, de Russen Hongarije tot oorlogstooneel verko-
zen, dan zouden zij uit Polen daarin van het noorden naar het zuiden, of uit Podolië van het oosten naar het westen kunnen doordringen. Hier zouden zij het verst van de Duitsche gewesten verwijderd, ginds het digtst daarbij zijn.
In dit geval oefenen verschillende punten van overweging hunnen invloed op de keuze uit; de gedachte of door het ver afblijven, de bondgenooten der aangevallenen daardoor buiten het spel zullen blijven, of integendeel daardoor aangewakkerd zullen worden krachtdadiger op te treden; het bijzonder doel van den aanval, de meer of mindere waarschijnlijkheid der verrassing, de mogelijkheid om de geheele magt bij elkander te houden, om haar volgens de voorkomende omstandigheden in deze of gene rigting te kunnen gebruiken. Indien bijv. in het aangehaalde geval Rusland niet volkomen zeker was van Pruissen, dan zoude het door de opstelling van een afzonderlijk observatieleger in Polen, zijne magt veel meer moeten verzwakken, dan wanneer het den aanval op Hongarije uit Podolië in plaats van uit Polen begon.
Heeft men het gewest bepaald, van waar de aanval zal begonnen worden, dan is daardoor ook de operatiebazis bekend. Het is dan dat gewest. Daarin verzamelt nu de aanvaller zijne troepen, daar brengt hij al den voorraad bij elkander, dien hij tot het volhouden en voortzetten van den oorlog noodig heeft en daarmede moet hij gedurende den geheelen oorlog in verbinding blijven, zoo lang hij haar niet door eene andere bazis vervangen heeft. Het is voor den aanvaller altijd een voordeel als hij tegen het land, dat hij wil aanvallen, verschillende operatiebazissen kan uitkiezen en niet noodzakelijkerwijze tot ééne bepaald is; want dit beteekent, dat ook de verdediger van verschillende zijden kan aangevallen worden, dat hij diensvolgens, daar hij 's vijands handelingen wil afwachten, genoodzaakt is zijne aandacht en dus ook zijne krachten te verdeelen. Men mag de gezamenlijke verschillende operatiebazissen, die de aanvaller tegen een vijandelijk land kan aannemen, ook als één geheel beschouwen; dit geschiedt dikwijls en men noemt dan ook dit geheel de operatiebazis. Men zoude dus geheel zuidelijk Polen, Wolhynië, Podolië en Bessarabië, de operatiebazis van Rusland tegen Hongarije kunnen noemen en daarin de afzonderlijke landen zuidelijk Polen of Wolhynië, enz. als de verschillende bazissen onderscheiden. De grenslijn, die de algemeene bazis van den aanvaller van het aan te vallen land scheidt, heeft nu eene bepaalde lengte en eene bepaalde gedaante, en daaruit kunnen bijzondere voor- of nadeelen voor den aanvaller voortvloeijen. In het algemeen is die grenslijn eene regte lijn of zij vormt eenen boog; deze boog sluit dan het aan te vullen land in of wordt daardoor ingesloten. De geheele grenslijn heeft, welke ook hare gedaante zij, eene aanzienlijke lengte of niet. De geheele bazis van Rusland tegen Hongarije sluit bijv. dat land in; daarentegen wordt het Russische koningrijk Polen door den boog der Pruissische provinciën, Silezië, Posen en Pruissen ingesloten; de zuidelijke grenslanden van Oostenrijk zijn door eene nagenoeg regte lijn van Turkije gescheiden, als men Dalmatië buiten rekening laat. Deze lijn heeft eene aanzienlijke lengte, daarentegen zoude Rusland, indien het de Krim niet bezat en slechts te land konde oorlog voeren, tegen dat schiereiland in dezen zin eene zeer korte operatiebazis hebben; het zoude alleen door de landengte van Perekop in dat schiereiland kunnen binnen dringen. Door eene zeer lange bazis zoude de aanvaller volstrekt geen beslissend voordeel op den verdediger verkrijgen, als hij even als van dezen voorondersteld wordt, zijne strijdkrachten over die geheele lijn wilde verdeelen; maar daar de aanvaller het initiatief neemt, niet eerst wil afwachten wat de vijand doet, zoo is het hem zeer gemakkelijk zijne krachten op één punt, dat is een betrekkelijk zeer kort gedeelte der geheele lijn, te concentreren. Daar de verdediger dit concentreringspunt nu niet van te voren behoeft te kennen, kan de aanvaller daar met over-
magt optreden. Nu verkrijgt hij door de grootere bazis het voordeel, dat hij waarschijnlijk de krachten van den vijand verdeelt, terwijl hij de zijne vereenigd houdt, dat hij achter zich eene uitgestrekte landstreek laat, waaruit hij zijne benoodigdheden in verschillende rigtingen kan bekomen, dat hij, als de uitslag zijner aanvallende beweging niet aan de verwachting beantwoordt, niet genoodzaakt is zijnen terugtogt op eene enkele, geheel beperkte linie te volvoeren, maar volgens de einden van het bijzondere geval hier eene ruime keuze heeft. Wanneer nu volgens het hier gezegde eene lange bazis de voorkeur boven eene kortere verdient, dan is de insluitende beter dan de regte lijn en deze weder beter dan de ingeslotene. Indien de Oostenrijkers de oostelijke en noordelijke grenzen van Hongarije bezet hadden en de Russen uit zuidelijk Polen in dat land doordrongen, dan zouden zij het in zekeren zin van het overige gedeelte der Oostenrijksche monarchie afsnijden. Zij zouden vooreerst slechts de bezetting der noordelijke grens te bestrijden hebben en deze waarschijnlijk overwinnen; de Oostenrijksche bezetting der oostelijke grens, zoude nu waarschijnlijk westwaarts trekken, zoude op deze wijze op de Russen kunnen stooten en door hen overwonnen worden. Drongen de Russen daarentegen uit de ingesloten bazis Polen en Posen door, dan zoude een Pruissisch leger uit de provincie Pruissen langs den Weichsel voortrukkende, Polen in den rug der Russen kunnen veroveren en hunne verbinding met dat land afsnijden.
Zoo levert de algemeene gedaante der grenzen algemeene voor- en nadeelen op, maar het is klaarblijkelijk dat deze meetkunstige gegevens alleen, de keuze van deze of gene bijzondere bazis niet kunnen bepalen en dat zij evenmin alle mogelijke vooren nadeelen bevatten. Zoo zoude Rusland bij zijne O. tegen Hongarije, om Pruissen buiten het spel te houden, in zekere omstandigheden zeer verstandig handelen, als het de overigens zoo voordeelige rigting uit zuidelijk Polen niet volgde en den aanval uit eene meer oostelijk gelegene grensprovincie begon. De operatiebazis op zich zelve beduidt overigens niets; men moet haar in het innigste verband met de operatielijn beschouwen en zij oefent op de keuze daarvan eenen grooten invloed uit; nu zoude de bijzondere operatiebazis, wiskunstig beschouwd, zoo voordeelig mogelijk gelegen kunnen zijn en men zoude haar toch niet verkiezen, indien op de operatielijnen, welke alleen van haar uit kunnen gekozen worden, grootere hindernissen van het terrein, van de vijandelijke magt, enz. te verwachten waren dan op andere operatielijnen. Buitendien is de vraag in hoeveel tijd men op deze of gene operatiebazis zijne strijdkrachten kan zamentrekken; somtijds is het van veel meer belang spoedig handelend te kunnen optreden, dan andere voordeelen te verkrijgen; ook moet men letten op het gemak, dat deze of gene operatiebazis voor de verpleging gedurende den tijd der zamentrekking en voor het begin der O., oplevert. Dit alles te zamen genomen moet de keuze beslissen, maar men mag ook geen voordeel verwaarloozen en het is even bespottelijk alle waarde aan de gewigtige meetkunstige gesteldheid der grenzen te willen ontzeggen, als die waarde alleen daarin te zoeken.
Uit eene uitgekozen bazis - hetzij men hieronder een geheel stelsel van grenslanden of een bijzonder grensgewest verstaat, waarin men zijne hoofdmagt vóór het begin der O. wil concentreren - kan men verschillende operatielijnen kiezen. Onder operatielijn verstaat men de lijn, langs welke het leger des aanvallers in het aangetaste land doordringt, waarop het dan ook al hetgeen het voor de verpleging behoeft, alle munitie, alle aanvullingstroepen, ontvangt, waarop het in geval van mislukking het liefst terugtrekt, hoewel het niet volstrekt verpligt is langs die lijn terug te gaan. Onder de operatielijn moet men zich geene wiskunstige lijn, ook niet een enkele weg, straatweg of spoorweg voorstellen. Tegenwoordig kan men dat
in het geheel niet meer doen, daar in alle oorlogen, die steeds een groot gedeelte der Europesche staten medeslepen, altijd zeer groote legers optreden en deze deels uit noodzakelijkheid, deels naar de aangenomen gebruiken in verschillende kolonnen marcheren. De operatielijn is dus altijd eene strook lands, waarvan de breedte, wel is waar, altijd minder groot dan de lengte is, in den regel toch ook verschillende dagmarschen bedraagt.
In de landstreek van waar de aanval uitgaat moet voor de operatielijn een aanvangspunt, in de landstreek, die aangevallen zal worden een eindpunt gekozen worden. Men stelt zich gewoonlijk voor, dat voor het begin van den aanval het aanvallend leger bij de eene of andere stad, vesting, enz. in de operatiebazis geconcentreerd wordt, hoewel dit in de werkelijkheid niet altijd het geval zal zijn en eene zuivere vooronderstelling kan blijven. In den regel neemt men nu ook aan, dat dit aanvangspunt, het subject der operatie de voornaamste behoeften, die het leger moeten volgen, benevens de noodzakelijkste transportmiddelen opneemt en zoo doende eene magazijns- of depôtplaats wordt. Als eindpunt der operatie, object, zoude men gevoegelijk de opstelling van het vijandelijke leger in het aangetaste land moeten aannemen. Want met de vernietiging van dat leger zal waarschijnlijk het voornaamste gedeelte van het doel bereikt zijn, terwijl men zonder haar niets verkregen heeft, al had men ook zijne bezettingen in het geheele vijandelijke land. Bij het onbepaalde van den stand der zaken, eer de oorlog begonnen is, kan men moeijelijk de stelling van het vijandelijke leger vooruit bepalen. Het is echter waarschijnlijk, dat de aanvaller zijn hoofddoel, de ontmoeting met het vijandelijke leger zal bereiken, als hij tot voorloopig object een belangrijk punt van het vijandelijke land, de hoofdstad of eenige andere voorname stad, eene belangrijke vesting, enz. uitkiest, welks behoud voor den vijand van gewigt is, dat hij diensvolgens zal willen dekken. In het door ons gekozen voorbeeld zoude Weenen zelfs, vervolgens Ofen-Pesth zulke punten opleveren.
Men kan steeds uit eene bazis van aanzienlijke lengte, verschillende operatielijnen naar het ééne gekozen object volgen. Zoo kan men van de Russisch-Oostenrijksche grenzen over Krakau, over Sandomir, over Lemberg, over Tarnapol of over Chotim op Ofen rukken. De aanvaller kan nu zijne hoofdmagt op ééne lijn vereenigd houden of hij kan zijne magt op verschillende lijnen, zelfs op alle mogelijke verdeelen en met afzonderlijke korpsen langs allen te gelijk vooruitrukken; hij kan eindelijk zijne geheele magt bij één subject vereenigen en van daar langs verschillende divergerende lijnen in het vijandelijke land doordringen. Men noemt O. op ééne operatielijn eenvoudige, op verschillende operatielijnen zamengestelde O. De operatielijnen verkrijgen verschillende benamingen naarmate van hare ligging ten opzigte van het vijandelijke leger, dat is namelijk voor de beschouwingen vóór het begin van den oorlog naarmate harer ligging ten opzigte van het vijandelijke land, waarin men veronderstelt, dat het vijandelijke leger zich geconcentreerd of verdeeld ophoudt. Eene operatielijn, welke in de flank van een land voert, wordt buitenlijn genoemd. Zoo zoude de operatielijn der Russen over Krakau met betrekking tot Hongarije eene buitenlijn zijn; evenzoo die over Chotim. Tusschen deze beide lijnen merkt men echter al spoedig een groot onderscheid op. Vooronderstellen wij dat de Oostenrijksche krijgsmagt in Hongarije ongeveer langs de lijn der Karpathen verdeeld is, met het front naar het noorden, terwijl de Russen over Chotim aanvallen. De troepen der Oostenrijkers, die het meest oostwaarts geplaatst zijn, kunnen dan achtervolgens in westelijke rigting terug trekken, de meest westwaarts geplaatste kunnen oostwaarts marcheren en op die wijze de geheele Oostenrijksche krijgsmagt vereenigd worden. Zij kan nu den Russen slag leveren en houdt, zelfs als zij geslagen wordt
den terugtogt naar het westen open en blijft in verbinding met al hare hulpbronnen. Geheel anders is het gelegen als de Russen over Krakau aanvallen en de daar geplaatste Oostenrijksche troepen oostwaarts trekken, om zich niet de daar opgestelde afdeelingen te vereenigen. Indien zij eindelijk slag leveren, hebben zij den rug naar Rusland gekeerd en worden zij geslagen, dan worden zij door de vervolging der Russen tot den terugtogt in de allerongunstigste rigting gedwongen, Men zoude dan kunnen aannemen, dat zoo de Russen deze operatielijn volgen, de meest westelijk geplaatste Oostenrijksche troepen zouden trachten stand te houden om voor het overige van het leger een gunstiger verzamelingspunt, bijv. aan den Donau tusschen Ofen en Presburg te bewaren; daarmede zoude voor de Russen de waarschijnlijkheid vermeerderen van de Oostenrijkers afzonderlijk te slaan, eerst degene die tegenover hen staan, voorts degene, die achtervolgens van het oosten af oprukken. Beide operatiën zijn eenvoudige, dewijl daarbij telkens de magt der Russen op ééne lijn vereenigd is; beide zijn flankaanvallen, dewijl zij beiden op buitenlijnen plaats hebben; die over Krakau is echter op de verbinding der Oostenrijkers in Hongarije met hunne hulpbronnen, alzoo op hunne natuurlijke terugtogtslijn gerigt, die over Chotim niet; gene is gunstiger dan deze, en belooft grooter uitkomsten als het gelukt den vijand te slaan. Eene operatie zoo als die over Krakau wordt strategisehe omtrekking genoemd. Eene operatielijn, die midden in het vijandelijke land, bijgevolg volgens de vooronderstelling ook midden tusschen de daarin verdeelde vijandelijke strijdkrachten voert, wordt binnenlijn genoemd. Zoo zouden bijv. met betrekking op Hongarije de lijn van Lemberg of Sandomir over Kaschau eene binnenlijn zijn. Bij eene operatie van dezen aard op de binnenlijn, die strategische doorbreking genoemd wordt, rekent men er op, dat men zich, zoodra men tusschen de verschillende vijandelijke korpsen staat, eerst regts tegen het eene gedeelte wendt, eer het zich met het overige gedeelte vereenigen kan, daarna links tegen het andere en zoo beide gedeelten afzonderlijk en achtervolgens zal slaan. Indien eene operatie op de buitenlijn tegen eene geconcentreerde vijandelijke magt, dus bijv. altijd tegen een klein land te verkiezen is, zoo belooft daarentegen eene operatie op de binnenlijn grootere uitkomsten tegen eenen vijand, die uitgestrekte landstreken bezet houdt. Beschouwt men de zaak uit een meer verheven standpunt, dan komt men tot het besluit, dat eene binnenlijn te verkiezen is tegen een land van zeer uitgestrekte grootte en met uitgestrekte grenzen, een land dat den vijand noopt zijne strijdkrachten te verdeelen en vooral tegen verbonden vijanden, in welker bondgenootschap zich verschillende staatkundige en militaire belangen voordoen (een der meest gewone is, dat elke magt hare hoofdstad door hare troepen wil dekken), waarbij men diensvolgens geene krachtige zamenwerking behoeft te vreezen.
Op zich zelve beschouwd, zoude eene eenvoudige operatie altijd boven eene zamengestelde te verkiezen zijn, omdat men bij de eerste zijne magt vereenigd houdt, dus ook als de vijand geconcentreerd is, de meeste kans heeft hem bij de ontmoeting in den veldslag te overwinnen, des te meer kans nog zoo hij verdeeld mogt zijn. Zamengestelde O. kunnen echter ook voordeelen opleveren. De beschouwing der O. op twee lijnen zal toonen, in hoever dit juist is. Men kan eene zamengestelde operatie uitvoeren 1o. op twee buitenlijnen, de Russen bij voorbeeld over Krakau en over Chotim; daarbij zouden de Russen verschillende voornemens kunnen hebben: a. zij willen met gelijke magt op beide lijnen te gelijk voortrukken om zich in het binnenste van Hongarije te vereenigen. Hier komt dadelijk de vraag op; waarom zij dan niet dadelijk vereenigd voortrukken? Het eenige geldige antwoord daarop zoude zijn: omdat de vereeniging van het leger op één punt, bijv. bij Kra-
kan vóór het begin der opevatiën te veel tijd zoude vorderen. Deze omstandigheid kan zulk een operatie, concentrische strategische aanval genoemd, regtvaardigen. Zij blijft echter zeer gevaarlijk. Het gevaar is namelijk daarin gelegen, dat de vijand zijne magt mogelijk bijeenhoudt, dus tegenover den concentrischen aanval op de binnenlijn manoeuvreert, zich met zijne geheele magt eerst tegen de eene helft des vijands wendt en na haar geslagen te hebben ook de andere aanvalt. Dit gevaar wordt grooter naarmate de subjecten der beide operatielijnen verder van elkander verwijderd zijn en het voorgenomen vereenigingspunt verder in het vijandelijke land ligt, hoe meer men dus te voren beschikt over een eigendom, dat men nog in het geheel niet heeft; het wordt grooter naarmate de geheele magt des aanvallers minder overmagtig is dan de geheele magt, die de vijand hem tegenover kan stellen. b. De Russen kunnen hunne hoofdmagt bij Krakau concentreren en bij Chotim slechts een kleiner zijkorps opstellen, dat alleen ten doel heeft de Oostenrijkers die in oostelijk Gallicië zijn opgesteld, bezig te houden. Op de linie van Chotim zal nu volstrekt niets beslissends geschieden, ja het korps, dat daar werkzaam is mag zelfs naar Podolië terugtrekken en zich door de Oostenrijkers laten vervolgen, zonder zijne bestemming te missen. Het heeft eene ondergeschikte bestemming en het moet alleen dienen om de voordeden, welke men op de lijn van Krakau kan behalen des te zekerder te maken. Men heeft hier nog wel eene zamengestelde operatie, maar men kan haar niet meer concentrische aanval noemen, daar de beide operatielijnen geene gelijke waarde meer bezitten en niet meer op dezelfde wijze van elkander afhankelijk zijn. Zulk eene operatie kan men niet veroordeelen; zij is zelfs in de meeste gevallen noodzakelijk, om de overwinning te verzekeren. c. De Russen kunnen op elke hunner operatielijnen een afzonderlijk object aannemen; bijv. van Krakau op Weenen, van Chotim over Herrmannstadt en Zevenbergen marcheren. Dit is het ongelukkigste wat men doen kan; de operatielijnen divergeren uit een zedelijk oogpunt beschouwd altijd, omdat de veldheer twee verschillende voornemens heeft, meestal divergeren zij echter ook in meetkunstigen zin. De verbrokkeling der strijdmagt wordt hier zeer duidelijk. 2o. Men kan eene zamengestelde operatie verrigten op twee binnenlijnen, bijv. van Sandomir aan de eene zijde over Lemberg, aan de andere zijde zuidwaarts naar het binnenste van Hongarije. Hier kunnen eveneens de drie bovengenoemde gevallen voorkomen. Het voornaamste doel is echter altijd om met de beide operatielijnen tusschen de afdeelingen der vijandelijke magt in te dringen, hier bijv. het oostelijk van het westelijk gedeelte van Hongarije te scheiden en terwijl men nu met het korps, dat zich op ééne operatielijn bevindt, het ééne gedeelte van 's vijands magt in bedwang houdt, tracht men met het korps op de andere operatielijn het andere gedeelte van de vijandelijke magt beslissend te slaan. Twee binnenlijnen liggen natuurlijkerwijze digter bij elkander dan twee buitenlijnen; men kan daarom hier zeer gevoegelijk op elke der beide lijnen de helft van het leger laten marcheren, met dien verstande evenwel, dat zoodra de omstandigheden duidelijk worden men op de eene slechts eene zwakke afdeeling achterlaat, terwijl op de andere de hoofdmagt geconcentreerd wordt om eene beslissende overwinning te behalen. Men kan met des te meer vertrouwen den gunstigen uitslag dezer operatie te gemoet zien, als de beide operatielijnen spoedig naar één object zamenloopen. 2o. Men kan al verder eene zamengestelde operatie verrigten op ééne buiten - en ééne binnenlijn; al naarmate de hoofdoperatie op deze of gene plaats heeft, komt de stand van zaken het tweede of eerste geval meer nabij. Boven het eerste geval heeft men het voordeel, dat de beide operatielijnen digter bij elkander liggen, boven het laatste dat men meer kans heeft den vijand gedurende langen tijd en op grooten afstand te verdeelen.
Men kan nu even goed drie of meer operatielijnen met elkander in verband brengen; de gesteldheid van zaken daarbij is gemakkelijk uit het voorgaande af te leiden of kan in de hoofdzaken daartoe terug gebragt worden.
Wanneer nu de veldheer volgens de algemeene bepalingen, welke hier boven verklaard zijn, tot den aanval overgaat, dan herhalen zich dezelfde beschouwingen telken reize weder voor hem; het voorname onderscheid bestaat daarin, dat, terwijl bij de bepaling van het algemeene aanvalsplan de gesteldheid van het aan te vallen land, waaruit de waarschijnlijke verdeeling der vijandelijke strijdkrachten werd afgeleid, de hoofdgrondslag was, hier bij de uitvoering het vijandelijke leger steeds meer gewigt verkrijgt en het eigenlijke object wordt, terwijl alleen de gedeelten der operatielijnen, waarop men voortrukt, die het digtst tusschen en achter de beide legers gelegen zijn, in hunne wederkeerige betrekking, hunnen afstand en hunne ligging ten opzigte van elkander het overwegende belang krijgen. Maar even als een vijandelijk land, kan men klaarblijkelijk een vijandelijk leger op ééne binnen- of buitenlijn, op twee binnen- of buitenlijnen of op é&eac