terug  begin  verderprepost
[p. 253]

V.

Vaandel en Standaard.

De veldteekens der taktische eenheden, de eersten bij de infanterie, waarbij het regiment of elk bataillon, de laatsten bij de kavallerie, waarbij het regiment, de divisie van 2 eskadrons of elk eskadron er een heeft. De vaandels bestaan in den regel uit een groot vierkant stuk doek met de nationale kleuren en het wapen van het land versierd, somtijds ook met bijzondere opschriften of zinnebeelden, aan een vaandelstok van ongeveer 3 el lengte (zie ook Adelaar), de standaards uit een kleiner stuk doek dan de vaandels, doch eveneens versierd en aan een veel korteren vaandelstok. De man, die het V. of den standaard draagt, heet thans vaandel- of standaarddrager; gewoonlijk is het een sterke onder-officier, dien men vertrouwen kan. Vroeger was bij de infanterie de vaandrig, bij de kavallerie de kornet de vaandeldrager, terwijl tegenwoordig bij sommige legers de vaandrigs en kornets de jongste officieren der kompagnie, bij andere (zoo als bij de Pruissen de portépée-vaandrigs) jonge onder-officieren zijn, die naar den officiersrang dingen.

Bij de Grieksche phalanx voerden de afzonderlijke troepenafdeelingen, die uit zekere burgerlijke afdeelingen ontstaan waren, vaandels en in de latere Macedonische phalanx, elke syntagme (afdeeling van 16 rotten op de gelederen) een vaandel; maar bij de geslotene vechtwijze der phalanx hadden hier de vaandels slechts weinig beteekenis; zij maakten het behouden der rigting gemakkelijk en werden overigens gebruikt tot het seinen van kommando's, die in het geraas van den strijd niet met de stem konden gegeven worden. Toen de Romeinen hunne manipelstelling aannamen verkregen de vaandels eene veel hoogere beteekenis; zij werden hier het zinnebeeld van den zamenhang der afdeeling, waartoe zij behoorden en om welke de manschappen, zoo zij verspreid geraakt waren, zich weder konden verzamelen. In de middeleeuwen voerde ieder contingent een vaandel (zie Baanderheer en Banier). In de 16de eeuw vinden wij de vaandels als heilige zinnebeelden terug; zoo lang zij nog vrolijk wapperen is niets verloren; alles sluit daarbij aan en biedt tegenstand en strijdt om ze te behouden of te heroveren, als zij reeds verloren mogten zijn. Toen maals had elk vaandel of vendel (zie Kompagnie) een V.; indien echter uit verschillende vendels een vierkante hoop werd gevormd, dan bleven de vaandels niet bij hunne kompagniën, maar werden, hetzij in het midden van den hoop vereenigd of ook symetrisch daarin verdeeld. Toen de kompagniën zeer zwak werden, kregen zij niet meer elk een vaandel; bij de Franschen op het laatst der 17de eeuw had het bataillon, dat dikwijls uit 20 kompagniën bestond slechts drie vaandels meer. Eindelijk daalde bij alle mogendheden, gedeeltelijk reeds in de 18de, gedeeltelijk eerst in de 19de eeuw het aantal vaandels tot één per bataillon. Hoewel men reeds in de 17de eeuw de stelling tot op 6 gelederen en in het begin der 18de eeuw de stelling tot op 4 gelederen verminderde, behield men toch de gewoonte om de vaandels van elk bataillon in het midden tusschen het 3e en 4e of tusschen het 5e of 6e gelid bijeen te plaatsen. Ook het gebruik der oude banierwacht is tot op onze dagen blijven bestaan; bij de Zwitsers der 15de eeuw werd het hoofdvaandel van een hoop, altijd met eene wacht van uitgezochte manschappen omringd, waartoe bij voorbeeld elk gild twee man leverde; op dezelfde wijze werden de vaandels der landsknechten in de vierkante hoopen onder de bijzondere bescherming van een aantal dubbelsolders en hellebardiers gesteld. Even zoo vormde men nu op het laatst

[p. 254]

der 17de eeuw uit de vaandels van een bataillon en uit eene bedekking van officieren en onder-officieren een zoogenaamd vaandelpeloton of eene vaandelwacht, die in het midden van het bataillon geplaatst werd, zoo als nog thans gebruikelijk is, hoewel deze vaandelwacht, daar het bataillon niet meer dan één vaandel voert, meestal niet meer dan drie rotten telt. - Veroverde vaandels gelden en golden ten allen tijde als kostbare zegeteekens en daarnaar bepaalt men de grootte eener overwinning. Hierbij mag men niet vergeten, dat het van belang is te weten, hoe groot de afdeelingen van het geslagen leger zijn, die volgens de bepalingen een vaandel voeren. Indien een leger om geen vaandel te verliezen, deze niet mede in het gevecht neemt, maar bij de bagaadje laat medevoeren, zoo is wel is waar de waarschijnlijkheid niet groot, van vaandels in het gevecht te verliezen, maar de kans is zeer groot, dat als het geslagen wordt, het minstens dubbel zoo veel vaandels na het gevecht zal verliezen, als het bij medename daarvan in het gevecht zou verloren hebben.

Zoo als hierboven reeds gezegd is, komt het woord vaandel vroeger ook voor in de beteekenis van kompagnie.

Vaandeljonker.

Zie Jonker.

Vaandrig.

Zie Officieren.

Vaartuig.

In de scheepstaal geeft men in den beperktsten zin van het woord alleen aan de linieschepen den naam van schip (zie Schip), in meer uitgestrekten zin ook aan de grootere oorlogsvaartuigen, fregatten en korvetten, welke drie masten hebben en als fregatten getuigd zijn, terwijl dan de kleinere met minder masten en minder volmaakt tuig als: schooners, brikken, kotters, enz. meer bijzonder vaartuigen genoemd worden. Wij willen hier het woord V. als zeer algemeen beschouwen voor een werktuig, dat een' zekeren last kan opnemen, dat zich in het water beweegt en dat tevens inrigtingen bevat om die beweging voort te brengen. Aan een oorlogsvaartuig onderscheidt men in het algemeen den romp, die tot opneming van den geheelen last bestemd is, de inrigting voor de beweging en de inrigting voor het oorlogsgebruik. De zamenstellende deelen van den romp zijn: de kiel uit eikenhout vervaardigd en wel uit stukken, die aan elkander gelascht en met koperen bouten en stroppen vereenigd zijn. Tegenwoordig bestaat de kiel meestal uit eene vaste kiel en eene buitenkiel, waaronder nog eene looze kiel is aangebragt. De voorsteven, die tot onder den boegspriet opgaat, wordt met het voorste gedeelte van de kiel verbonden door eene knie, stevenknie of brion. De achtersteven staat op het achtereinde der kiel, is niet pennen daarin gelaten en van vingerlingen voorzien, waaraan het roer komt te hangen. Bij schroefschepen heeftmen twee achterstevens, waarvan de achterste roersteven heet en waartusschen de schroef is aangebragt. De slemphouten zijn aanvullingen tusschen den bovenkant der kiel en de stevens. Tegen den voorkant van den voorsteven is de loefhouder geplaatst en daarboven komt de scheg, die tot grondslag van het galjoen verstrekt. Op het vooreinde van de scheg staat het beeld, dat tot sieraad strekt en waarschijnlijk een overblijfsel van vroeger tijden is. De bodem en wanden van het schip worden gevormd door inhouten met eene binnen- en buitenbekleeding voorzien. Voor het grootste gedeelte zijn de inhouten tot spanten vereenigd. De onderste houten der spanten zijn de wrangen, die dwarsscheeps over de kiel en daaraan vast gemaakt zijn. Over de wrangen en slemphouten dus regt boven de kiel ligt het zaadhout, dat met de bijzaadhouten het spoor van den grooten mast draagt. De beide zijden van het schip worden met de voor- en achterstevens verbonden door boeg- en ruinabanden en het geheele zamenstel wordt versterkt door de inwendige langsverbanden, die de dekken dragen en

[p. 255]

somtijds door ijzeren platen. Een voornaam langscheepsverband is het potdeksel, dat boven op de koppen der in houten ligt; daarop staan de verschansingsijzers, die met dun hout worden bekleed, waartusschen de kooijen van het volk geborgen worden. De binnenhuid wordt voornamelijk gevormd door de balkwegers, de buitenhuid door de berghouten. De laatsten zijn bij een linieschip 0,26, de eersten 0,235 el dik. Van hunne dikte, alsmede van die der spanten hangt het weêrstandsvermogen, zoo tegen den wind en de golven als tegen het vijandelijke geschutvuur af. De romp is nu hetzij van boven geheel open, wat alleen plaats heeft bij zeer kleine vaartuigen, als sloepen, jollen, enz. die op zich zelve weinig beteekenis hebben of hij is van een dek voorzien, hetgeen bij alle zeeschepen van eenige beteekenis het geval is; bij de grootere oorlogsvaartuigen is het ruim tusschen de kiel en het bovendek nog in verschillende verdiepingen verdeeld. Naar hun aantal worden de eigenlijke oorlogsschepen benoemd. Indien het vaartuig belast en uitgerust is, dan is het met een groot gedeelte van den romp onder den waterspiegel; dat gedeelte kan natuurlijk niet tot de plaatsing van geschut gebezigd worden. Het draagt den naam van ruim en dient tot berging van victualie, munitie en andere behoeften, soms ook tot logies voor het volk. Het is van het bovenste gedeelte gescheiden door eenen op zware balken rustenden vloer, die men even als de verdieping, welke hij draagt het onderdek of tusschendek noemt; de daaropvolgende verdieping, met het dek dat haar vormt, wordt kuildek genoemd; daarboven heeft men het bovendek, terwijl bij driedekkers tusschen het kuil- en tusschendek nog een ander dek, het middeldek gelegen is. De ruimten opengelaten voor trappen en het doorlaten van licht en lucht worden met zoogenaamde hoofden omgeven en gedekt door luiken, roosters of koekoeken, ook wel lantaarns genoemd; waar de masten en het spil door de dekken komen, zijn versterkingen tusschen de balken gemaakt, die vissingen heeten; in de kokers waardoor de ankerkettingen naar omlaag gaan zijn gegoten ijzeren kettingkokers geplaatst. Zie verder Dek.

De inrigtingen voor de beweging van het schip, moeten in drie soorten verdeeld worden: a. Voor de beweging in eene zekere rigting voor- of achterwaarts. b. Voor de veranderingen van rigting (wendingen); c. voor het doen ophonden der beweging. Sommige inrigtingen dienen slechts voor één van die doeleinden, andere voor meerdere gelijktijdig. Voor de beweging voorwaarts bezigt men de riemen, de zeilen of de stoomkracht en deze weer met gebruikmaking van raders of van de schroef. Het is gemakkelijk in te zien, dat het voor een oorlogsvaartuig van het hoogste belang moet zijn om onafhankelijk van den wind te zijn; dit kan nu verkregen worden door het gebruik van riemen, die door menschen bewogen worden of door de stoomkracht. Een oorlogsvaartuig, dat hoofdzakelijk is ingerigt om door riemen bewogen te worden, draagt den naam van galei; de oude beschaafde volken, de Grieken zoowel als de Romeinen gebruikten tot oorlogsvaartuigen uitsluitend de galeijen. Behalve het voordeel van onafhankelijk van den wind te zijn, hadden deze echter vele voorname nadeelen. Vooral behoorde daartoe het groot aantal menschen, dat alleen voor de beweging van het schip vereischt werd en de groote hoeveelheden proviand, die voor hunne verpleging moesten medegevoerd worden, voorts dat juist de langste zijden der vaartuigen, die men als hunne eigenlijke fronten en sterke plaatsen had moeten beschouwen, voor het oorlogsgebruik zoo goed als nutteloos en tegenover eenen geschikten vijand juist zwakke punten waren. Dit liet zich vooral gevoelen toen de artillerie zich steeds meer ontwikkelde en toen men trachtte ook in den oorlog ter zee daaruit het grootst mogelijk voordeel te trekken. Nu wilde men op de lange zijden van het

[p. 256]

schip, zoo veel mogelijk geschut plaatsen en men kon dit niet zonder de riemen weg te laten, dus zonder tot het uitsluitend gebruik van zeilen (zie Zeilen) over te gaan, die door middel der masten (zie Mast) gedragen werden en die het gebruik der zijden tot andere doeleinden niet verhinderden. Langen tijd waren het echter bijna alleen de noordwestelijke zeevarende volken, Britten en Nederlanders, die zeilschepen bezigden, zoo als ook de bewoners van het tegenwoordige Bretagne reeds in Caesar's tijd de Romeinsche galeijen met zeilschepen bestreden. Daarentegen bleven de galeijen in de Middellandsche zee naast de zeilschepen als oorlogsschepen bestaan tot in de 18de eeuw. Van toen af aan heerschten dan ook de zeilschepen ter zee alleen en de galeijen werden alleen nog gebruikt als kanonneerbooten bij de kustflotilles. Voor deze toch waren onafhankelijkheid van den wind en manoeuvreervaardigheid in de nabijheid der kusten, waar zij gebruikt werden in enge, ondiepe vaarwaters met klippen bezet zoo noodzakelijk, dat elke andere eisch daarbij moest achterstaan, terwijl zij tevens zoo klein waren, dat zij door weinig roeijers konden bestuurd worden. Toen nu in de 19de eeuw het gebruik van stoom tot beweging der schepen beproefd werd, scheen men op eene meer doelmatige wijze dan vroeger, de onafhankelijkheid van den wind verkregen te hebben. Intusschen kende men slechts het gebruik der stoomkracht tot de omdraaijing van twee raderen, welke aan weêrszijden van de boorden van het schip waren aangebragt (raderstoomschepen) en de nieuwe raderstoomschepen bezaten ten minste één hoofdgebrek der galeijen in hoogen mate; door de vernieling van een hunner raderen door het vijandelijke vuur konden zij buiten gevecht gesteld worden en hunne lange zijden werden dus ook zwakke plaatsen; daar tegelijkertijd de raderen ook de plaatsing van geschut zeer beperkten, waren ook vooral de voor- en achterboeg bewapend. De raderstoomschepen konden dus de zeilschepen niet uit de vloten verdringen, veeleer bleven deze de kern en de raderstoomschepen werden daarbij opgenomen even als bijzondere ligte troepen bij de legers, om de veiligheidsdienst te verrigten, berigten in te winnen en den geslagen vijand te vervolgen.

Met de invoering van de Archimedische schroef veranderden de zaken echter; hiermede toch werd de bewegingstoestel van de lange zijden naar de achterzijde van het schip verplaatst en hier geheel onder water gezet. Nu kon de stoomkracht de zeilen geheel vervangen, de lange zijden werden vrij voor de opstelling van zoo veel vuurmonden, als het vaartuig dragen kon. Een nadeel bij alle stoomvaartuigen is slechts het groote verbruik van steenkolen, dat zij behoeven en de aanzienlijke ruimte, die door een krachtig stoomwerktuig en den noodigen voorraad aan kolen wordt ingenomen. Een schip van 700 paardenkracht zou bijv. voor 100 dagen als het altijd in beweging bleef en steeds stoom moest gebruiken 7000 tonnen of 7 000 000 pond steenkolen noodig hebben. Door deze groote behoefte aan ruimte voor het werktuig en de kolen wordt echter de ruimte voor het bergen van water en voorraad zeer beperkt; het schip kan slechts voor korteren tijd uitgerust en geapproviandeerd worden, dan het zonder kolen en stoomwerktuig mogelijk was; het is dus voor minder tijd onafhankelijk van het land, waar het alleen nieuwen voorraad kan verkrijgen. Om nu de hieruit ontstaande nadeelen zoo veel mogelijk te verminderen, maakt men de schroefstoomschepen vooreerst doorgaans langer dan de zeilschepen vroeger, een linieschip bijv. 16 el langer, zoodat de boorden ongeveer 84 el lang worden, waarbij men tevens meer front voor de opstelling van geschut verkrijgt; men vergenoegt zich verder met matig sterke stoomwerktuigen; de meeste linieschepen bij voorbeeld hebben ze niet sterker dan van 700 paardenkracht en men daalt tot op 400 paardenkracht; schroefkanonneerbooten worden van 60 tot 160 paarden-

[p. 257]

kracht gebouwd. Eindelijk voorziet men alle schroefstoomschepen van volledige masten en zeilen. Op deze wijze wordt het nu mogelijk, dat deze bij gunstigen wind alleen werken, dus het stoomwerktuig geheel ongebruikt blijft en de kolen gespaard worden of wel om de werking der schroef door den wind te ondersteunen en dan de uitsluitende werking der schroef te bewaren voor de gevallen als de wind geheel ongunstig is of als men in het gevecht wil manoeuvreren, waarbij de zeilen meer of minder hinderlijk zouden zijn. In weerwil van al deze middelen is het toch niet mogelijk een schroefstoomschip voor langer dan drie maanden van water, proviand en munitie te voorzien. - Terwijl riemen, zeilen en raderen ook tot uitvoering der wendingen kunnen worden gebruikt is het roer (zie Roer) uitsluitend daarvoor bestemd. Daar men eindelijk een vaartuig niet kan doen stil blijven, alleen door de bewegingsmiddelen te laten rusten, omdat het nog steeds onderworpen blijft aan de werking van de golven, de strooming en den wind, zoo heeft men nog middelen noodig, om het op de plaats te bevestigen en dit zijn de ankers (zie Anker). Over de uitrusting der oorlogsschepen voor het gevecht zie men de artikelen Schip, Kanonnen, Bemanning.

Vaarwater.

Zie Wateren.

Vacature.

Eene onbezette officiersplaats in eenig korps.

Vadem.

Zie Maten.

Vak.

Zie Mijnen.

Val.

Zie Zeilen.

Valbrug.

Gelijkluidend met ophaalbrug.

Vale paarden.

Zie Gele paarden.

Valhek.

Een poortvormig hek, dat men bij oude versterkingen nog als poortsluiting vindt; het gebruik daarvan vereischt, dat de poort zich in eenen toren bevindt, in welks bovenste verdieping, dan een toestel is aangebragt om het V. te kunnen ophalen en nederlaten. Zie ook Poort.

Valhoek.

Hetzelfde als invallingshoek.

Valk, Valkhaan.

Zie Geschut.

Valscherm.

Zie Vuurpijlen.

Valwind.

Zie Wind.

Vandehandsche paarden.

Zie Bespanning.

Varkenshoofd.

Zie Hoofd.

Vasal.

Leenman, dienstman. Zie Weerstelsel, Kavallerie.

Vechtwijze.

De wijze, waarop de troepen het gevecht, in zijne meest algemeene betrekkingen zonder op bijzondere gevallen te letten, voeren, is hoofdzakelijk afhankelijk zoo van hunne bewapening, uitrusting en andere eigenaardigheden, als van die hunner tegenstanders. Elk wapen heeft diensvolgens zijne eigenaardige vechtwijze, de infanterie, de kavallerie, de artillerie en de schepen. Men kan echter ook van de vechtwijze van verbonden wapens spreken, daar uit die verbinding weder eigenaardige omstandigheden voor het gevecht geboren worden. Elke afzonderlijke wapensoort heeft hare bijzondere geschiedenis, was in verschillende tijdperken zeer verschillend uitgerust, had dus ook in elk dier tijdperken eene andere vechtwijze. Maar het ligt in de menschelijke natuur, dat in een volgend tijdperk dikwijls iets uit een vorig werd bijbehouden, dat evenwel daarin bij de veranderde wapens niet meer paste, terwijl dikwijls even overijld het een of ander verworpen werd, dat in een later tijdperk nog zeer goed had kunnen gebruikt worden. Men kan de geschiedenis der V. dus evenmin zuiver afteekenen als elke andere geschiedenis.

Van de oudste tijden af tot in het begin der 18de eeuw was de infanterie (zie

[p. 258]

Infanterie) meestal in twee soorten onderscheiden, waarvan de eene van blanke, de andere van schietwapens voorzien was; nu eens had de eene, dan weder de andere soort het overwigt, dan weder waren beide in het stelsel der V. in evenwigt. Indien twee afdeelingen infanterie tegenover elkander staan, die enkel van blanke wapens zijn voorzien, dan kunnen zij niet anders in werking treden, dan door het gevecht van man tegen man, hetwelk de beslissing altijd in een kort tijdsbestek aanbrengt. Dit tijdsbestek wordt echter des te korter, naarmate de opstelling vlakker is (zie Formatiën); daar nu elke partij door het verlengen van den strijd kansen op de overwinning denkt te krijgen en daar die partij, welke ten laatste, alleen nog strijders over heeft, als overwinnaar kan beschouwd worden, zoo volgt daaruit, dat deze soort van infanterie steeds in diepe slagorde streed. Een verschil in het begrip dier vechtwijze is alleen in zoo ver denkbaar dat men rekent, hetzij op de persoonlijke dapperheid en bedrevenheid van de afzonderlijke manschappen, hetzij op de kracht, den zamenhang en de doelmatige aanvoering der geheele afdeeling, die dan in zeker opzigt alleen als een werktuig beschouwd wordt. In het eerste geval zijn korte wapens te verkiezen, benevens zoodanige formatiën, waarbij de geheele afdeeling in een aantal kleine, zich vrij bewegende en zelfstandige ligchamen verdeeld wordt, waarin ieder man zijne persoonlijke werkzaamheden behoorlijk kan ontwikkelen; deze formatie merkt men meer of minder duidelijk op in de Romeinsche manipelstelling en in de vechtwijze der Zwitsers van de 14de en 15de eeuw; in het laatste geval moest men aan lange wapens en een zamenhangend ligchaam de voorkeur geven, zoo als de Grieksche phalanx of het vierkante bataillon piekeniers der 15de eeuw.

Twee afdeelingen infanterie, alleen met schietwapens toegerust, die vijandelijk tegenover elkander optreden, kunnen elkander in de verte nadeelen toebrengen en zij hebben er reden toe elkander niet op het lijf te vallen, daar zij niet gewapend zijn voor het gevecht van man tegen man. Hun strijd op eenen afstand zal ontwijfelbaar langer aanhouden dan als zij handgemeen werden. Die afdeeling, welke betere, verder dragende wapenen heeft en van de dekkingen van het terrein gebruik kan maken, terwijl de infanterie met blanke wapens dat niet kan doen, is nu in de mogelijkheid de vijandelijke partij geheel te verdelgen, terwijl zij van hare zijde meer of minder manschappen over houdt, waarmede zij ten slotte vooruitrukt om het slagveld, door de lijken der vijanden bedekt, in bezit te nemen. Onverminderd de langdurigheid van zulk eene handelwijze, die ongeloofelijk kan toenemen, doordien beide partijen behoorlijk gebruik maken van de dekkingen van het terrein is het ook, hoe verder zij van elkander blijven, voor ieder van haar des te moeijelijker te bespeuren of zij de uitkomst welke zij verlangt, welligt reeds verkregen heeft of niet, of in hoeverre zij daartoe genaderd is. Dit is eene der onvolmaaktheden van het vuurgevecht. Wanneer voor het gevecht met de blanke wapens de diepe en gesloten orde te verkiezen is, zoo is de vlakke en opene zulks voor het vuurgevecht; deze toch geeft aan ieder man de volle vrijheid dier stelling aan te nemen, welke hem het gemakkelijkst toeschijnt, vergunt hem gebruik te maken van kleine terreindekkingen en zijne wapens op het juiste oogenblik tegen het gemakkelijkst te bereiken doel te bezigen. Deze formatie maakt echter de leiding moeijelijker en dit is een tweede nadeel van het vuurgevecht. Indien twee afdeelingen even gesloten opgesteld en met een gelijk front tegenover elkander een vuurgevecht beginnen dan kan eene dezer afdeelingen door grootere diepte een grooter aantal schoten tegelijker tijd lossen, diensvolgens meer treffers verkrijgen dan de vijand; bij de grootere digtheid van het doel, dat uit de diepere opstelling voortvloeit, zal zij echter ook meer verliezen lijden en vermeerdert zij nu hare diepte zoodanig, dat de achterste

[p. 259]

gelederen hun vuur niet meer gelijktijdig met de voorste kunnen afgeven, dan blijft alleen nog het laatstgenoemde nadeel over. Vermeerdert zij daarentegen de uitgestrektheid van haar front, niet hare diepte, dan brengt zij werkelijk meer manschappen gelijktijdig in werking; intusschen wordt dit ook spoedig beperkt, door de grenzen van de schootsverheid der wapens. Hoe grooter deze is, des te verder kan eene met die wapens voorziene afdeeling infanterie met voordeel haar front uitbreiden in vergelijking van dat van den vijand, als men eenen gelijken bodem zonder dekkings-middelen als slagveld aanneemt. Daar deze veronderstelling echter niet te maken is, zoo vervalt ook de juistheid der stelling en de schootsverheid der wapens bepaalt volstrekt niet meer alleen de grenzen der voordeelige uitbreiding van het front. Men komt dus ook met eene infanterie van vuurwapens voorzien op een punt, waar men verkiest de diepte der opstelling in plaats van de frontlengte te vergrooten, een gedeelte der manschappen achter te houden, om voor het voortzetten van den strijd in reserve te houden. Men zal hier dit gedeelte zoo ver achterwaarts plaatsen, dat het zich buiten bereik van het vijandelijke vuur bevindt en zoo doende eene tweede linie vormen.

Men kan nu de beide soorten van infanterie, die met blanke wapens - piekeniers - en die met vuurwapens - schutters - met elkander verbinden. De werkkring is dan op de natuurlijkste wijze afgescheiden; de schutters moeten op verren afstand den vijand nadeelen toebrengen en openingen in zijne gelederen daarstellen, daarna moeten de piekeniers vooruitrukken en in die openingen doordringen. Het is natuurlijk, dat daarbij de schutters vooraan gesteld, de piekeniers achter gehouden worden en wel zoo ver dat de vijandelijke schutters hun geen nadeel kunnen toebrengen, tot dat de eigene schutters hunne taak volbragt en den zamenhang der vijandelijke slagorde aanzienlijk of voldoende verstrooid hebben. Elke der beide infanteriesoorten zal daartoe de voor haar geschikte formatie behouden, de schutters staan dus geopend of gesloten in eene vlakke, uitgebreide stelling, de piekeniers in diepe gesloten orde, die hun op het juiste oogenblik, ook het vooruitrukken gemakkelijk en mogelijk maakt. Kan de vijand ons alleen piekeniers overstellen, dan kunnen onze schutters deze eerst op eenen zoo korten afstand naderen, dat zij hen onder schot hebben en de vijandelijke orde verstoren; de vijandelijke piekeniers kunnen niets anders doen dan vooruitrukken om handgemeen te worden, maar onze schutters wijken voor hen terug en onze piekeniers gaan hen nu te gemoet, onder klaarblijkelijk gunstige omstandigheden, daar zij niet zoo als hunne tegenstanders, reeds door het vijandelijke vuur geleden hebben. Zoo de vijand aan onze verbondene wapens alleen schutters kan overstellen, dan zouden onze schutters eerst deze bestrijden en zoodra men eene eenigzins gunstige uitkomst verkregen heeft, zouden onze piekeniers vooruitrukken om handgemeen te worden, terwijl onze schutters hun vuur gelijktijdig zoo lang mogelijk voortzetten. De vijandelijke schutters, die niet berekend zijn voor het gevecht van man tegen man, zouden dan moeten terugtrekken en konden slechts in één enkel geval standhouden, als zij achter eene moeijelijk te beklimmen borstwering of eenig dergelijk dekkingsmiddel staan. Hebben beide partijen verbonden wapens, dan is het natuurlijk, dat elke partij hare schutters vooruitzendt en hare piekeniers daarachter buiten het bereik van het vuur houdt. Hierdoor wordt echter het doel van het vuurgevecht grootendeels verijdeld; terwijl het er voor elke partij namelijk om te doen is de vijandelijke piekeniers door hare schutters aan het wankelen te brengen, om daardoor den beslissenden schok van hare eigene piekeniers zoo voordeelig mogelijk voor te bereiden, wordt dat door de wederzijdsche verhouding geheel onmogelijk gemaakt: slechts de schutters zijn

[p. 260]

van weerskanten in een vuurgevecht begrepen en als beiden ongeveer gelijke kansen hebben, is hieraan eindelijk geen einde te voorzien. Vooronderstelt men nu dat de eene partij er een bijzonder belang bij heeft om de beslissing zoo spoedig mogelijk daar te stellen, dan blijft haar verder niets overig, dan hare piekeniers vooruit te doen rukken, om te trachten handgemeen te worden; neemt men al verder aan, dat de schutters der tegenpartij door eene belangrijke terreinhindernis gedekt zijn, dan zouden deze niet dadelijk behoeven te wijken, zij zouden dus nu handelend tegen de piekeniers kunnen optreden, deze aan het wankelen brengen en onze piekeniers zouden dan tegen de vijandelijke, die buitendien door het overtrekken van de terreinhindernis in verwarring geraakt zijn, eene gemakkelijke taak te vervullen hebben. Dit is de reden waarom eene, op de hierboven gezegde wijze zamengestelde infanterie liever verdedigenderwijze optreedt, zich liever laat aanvallen dan zelf aanvalt en zich daarenboven te gelijkertijd gaarne achter terreinhindernissen opstelt. Daarbij komt nog, dat eene dergelijke terreinhindernis een front bepaalt, waardoor zamenhang en orde in de linie der schutters wordt daargesteld, welke deze in haren doelmatigsten gevechtsvorm, de verspreide orde, niet bezit. Wij hebben hier de meest gewone vechtwijze van de infanterie der 16de eeuw beschreven. Wanneer wij deze als grondslag aannemen, kunnen wij daaruit gemakkelijk de veranderingen, die daarin later gemaakt zijn nagaan. Vooreerst kon men zich altijd laten aanvallen, men zocht daarom naar voordeelige aanvalsvormen voor de verbonden infanterie, men vond ze in eene innige verbinding der schutters met de piekeniers, terwijl men de eerste ook in gesloten orde opstelde en bij de gesloten afdeelingen piekeniers voegde; daardoor werkte men in het voordeel van den bevelhebber, aan wiens hand de leiding der in verstrooide orde strijdende schutters geheel dreigde te ontgaan, omdat deze steeds in aantal toenamen; te gelijkertijd gaf men zekerheid aan de schutters, door onder de pieken der piekeniers een toevlugtsoord voor hen daar te stellen, tegen de aanvallen der ruiterij, die zij op zich zelven staande, in het geheel niet in staat waren weerstand te bieden. Al spoedig was dit de eenige taak, die voor de piekeniers overbleef (zie Bataillon, Infanterie). Er bestaat verschil in schieten. Hoe volmaakter het schietgeweer werd en hoe meer vorderingen men door de taktische formatiën in de kunst maakte om alle voordeelen uit de werking van dat geweer te trekken, des te onweerstaanbaarder werd het. Terwijl men door een langzaam, slecht onderhouden, weinig werkzaam vuur nooit kon verwachten, den vijand uit zijne stellingen te verdrijven, veranderden de zaken aanmerkelijk, toen in plaats daarvan een goed onderhouden, krachtig en werkzaam vuur kwam. Terwijl men in het eerste geval ten laatste altijd zijne toevlugt tot de reserve der piekeniers moest nemen, om met de vernieling te bedreigen of deze te volvoeren en bezit te nemen van het terrein, dat door den vijand betwist werd, was dit in het laatste geval niet meer noodig. Als de vijand reeds voor het vuur der hem naderende schutters terugdeinsde, konden deze ook zelfs ten slotte het terrein in bezit nemen en de piekeniers werden voor deze taak overtollig. Intusschen moesten de schutters, wilden zij een aanvalstroep zijn, toch ook vooruitrukken al voerde dat vooruitrukken tot geen strijd van man tegen man. En om hen gedurende dat vooruitrukken tegen aanvallen der vijandelijke ruiterij te verzekeren liet men de piekeniers gelijktijdig met hen voorwaarts gaan. Deze konden als men in weerwil van alle waarschijnlijkheid bij het doel toch handgemeen werd, dan tevens den strijd opnemen.

Door de verbinding van piekeniers en schutters in dezelfde gesloten afdeelingen, verviel de oude opvolging van het infanterie-gevecht, welks verdeeling in voorbereiding en beslissing zoo als die bestaan had, toen de schutters schermutselend den strijd

[p. 261]

openden, de piekeniers hem in gesloten massas beslisten, opgeheven. De liniën der infanterie werden nu in mechanisch beweegbare schietwerktuigen veranderd. Deze verhouding bleef onveranderd onder den invloed van het monarchale beginsel toen het bajonetgeweer de piek geheel overtollig maakte en elke infanterist, piekenier en schutter in één persoon werd.

De infanterie streed nu doorgaans gesloten, zoo als vroeger alleen de piekeniers en vuurde op kommando. Doordien de 18de eeuw het denkbeeld koesterde, dat het vuurgevecht, dat van man tegen man geheel vervangen moest verviel zij in velerlei tegenstrijdigheden, daar namelijk het vuur werkzamer moet zijn als het stilstaande wordt uitgevoerd, dan wanneer zulks gedurende de beweging geschiedt en men het voorwaarts rukken bij den aanval niet kon missen, al kon ook het gevecht van man tegen man ontbeerd worden, terwijl men al verder zich niet altijd kan laten aanvallen maar ook door de algemeene omstandigheden gedwongen kan worden zelf aan te vallen. Deze tegenstrijdigheden bleven zoo lang onopgelost, tot dat de Fransche omwenteling, niettegenstaande de algemeen gelijke bewapening tot de vroegere verdeeling van het infanterie-govecht terugkeerde; zij verdeelde de bataillons weder in zwermen tirailleurs en in kolonnen, die tot elkander dezelfde verhouding van voorbereiding en beslissing aannamen, welke vroeger tusschen de schutters en de piekeniers bestaan had.

Hoewel de scheiding der infanterie in piekeniers en schutters voor de gereedelijke indeeling van het gevecht voordeelig was geweest, had zij toch ook hare onvolmaaktheden. Indien wij aannemen, dat onze schutters in de vijandelijke slagorde werkelijk openingen hebben daargesteld, die nu door onze piekeniers moeten gebruikt worden, dan moeten de laatsten uit hunne achterwaartsche stelling vooruit worden gebragt. Daarmede gaat echter tijd verloren, de vijand die doorbroken moet worden, komt tot bezinning, vult de gemaakte openingen aan en herstelt in het algemeen gesproken de orde. De toestand is voordeeliger als men na de voorbereiding onmiddellijk voorwaarts kan rukken. Daarbij moet men echter vooronderstellen, dat dezelfde infanterie met vuurwapens en met blanke wapens voorzien is, om eer zij vuurt den vijand zoo digt te kunnen naderen, dat zij na het vuur oogenblikkelijk kan aanvallen. Men heeft zeer dikwijls getracht eene dergelijke infanterie daar te stellen: wij vinden ze bij de Romeinsche krijgslieden met het pilum en het zwaard bewapend, zoo als reeds vroeger bij de peltasten van Iphicrates, later bij de Engelsche dragonders - boogschutters der middeleeuwen en eindelijk in onze tegenwoordige linie-infanterie met het bajonetgeweer. Het behoeft geen betoog, dat men ook het gevecht dezer algemeene infanterie met een voorbereidend gevecht van bepaalde scherpschutters, kan verbinden. Deze schutters nemen dan de algemeene voorbereiding van den aanval op zich; zij bestoken de geheele vijandelijke linie; de linie-infanterie bereidt dan door haar salvo den aanval voor, in het bijzonder op het punt der vijandelijke linie, waar zij hem onmiddellijk daarna wil volbrengen. Het is nuttig naast de linie-infanterie op de voormelde wijze nog scherpschutters voor het algemeene voorbereidende vuurgevecht daar te stellen, als de vuurwapens der linie-infanterie in een of ander opzigt onvolkomen zijn, eene zeer geringe schootsverheid hebben, zoo als bijv. het Romeinsche zware pilum; het is daarentegen geheel overbodig, als het schietgeweer zoo als dat van onze hedendaagsche infanterie eene aanzienlijke schootsverheid bezit en dus even goed op groote als op kleine afstanden kan gebezigd worden. In dit laatste geval kan de linie-infanterie ook het algemeene voorbereidings-gevecht voeren, wordt dus ook geheel eene algemeene infanterie. Maar hoewel dezelfde infanterie nu werkelijk elke taak kan volvoeren, zoo zijn toch de eischen aan

[p. 262]

welke zij bij het gebruik in de beide verschillende gevallen, namelijk voor het algemeen voorbereidende vuurgevecht en voor het bijzonder voorbereidende vuurgevecht, waarmede men zich het gevecht van man tegen man steeds innig verbonden moet denken, verschillend en verlangen verschillende formatiën; de vlakke meer of minder geopende voor het eerste, de diepe meer of minder geslotene voor het laatste. Men moet dus elke afdeeling van deze infanterie, die een volkomen gevecht moet voeren, in twee afdeelingen splitsen, die zich wel niet meer door bewapening, maar door hare formatie onderscheiden.

Wanneer op die wijze de aard der vuurwapens eener algemeene infanterie bij de vechtwijze in aanmerking komt, zoo heeft de aard harer blanke wapens en hunne verbinding met de vuurwapens daarop niet minder invloed. Hierbij kan men weder twee gevallen onderscheiden; het vuurwapen en het blanke wapen, dat elke man voert zijn òf van elkander gescheiden, òf in hetzelfde ligchaam met elkander verbonden. Dit laatste is het geval met het geweer der nieuwere infanterie sedert de invoering van het bajonetgeweer, het eerste had plaats bij alle vroegere infanteriën van dezen aard. Zijn het schietgeweer en het blanke wapen in hetzelfde ligchaam met elkander verbonden, dan zal het vereenigde wapen altijd kort zijn; zijn echter beiden niet in hetzelfde ligchaam met elkander vereenigd, dan kan het blanke wapen, wat ook het schietwapen moge zijn, lang of kort zijn. Korte wapens van dien aard zijn in het algemeen beter geschikt voor den aanval dan voor de verdediging, lange beter voor de verdediging dan voor den aanval; gene zijn handelbaarder, hinderen niet in het gebruik van het vuurwapen, terwijl het bij de laatsten somtijds geheel onmogelijk kan zijn, ze zelf ook maar vast te houden, terwijl men het vuurwapen gebruikt. Daaruit kan men afleiden, dat eene algemeene infanterie, die tegelijk vuur- en blanke wapens voert, welke niet in een ligchaam vereenigd zijn, geschikter voor den aanval, voor de beweging is, als hare blanke wapens kort, geschikter voor de verdediging, voor het staande gevecht als zij lang zijn. De geschiedenis bevestigt dit ook; de oud-Romeinsche infanterie met pilum en zwaard bewapend viel altijd aan; de latere Romeinsche en Byzantynsche infanterie met boog en piek bewapend, stelde zich altijd op, vormde uit hare pieken en schilden eene heg en schoot van daar hare bogen af.

Uit deze beschouwingen kan men nu voor het gevecht der hedendaagsche infanterie gewigtige gevolgen afleiden, als men in aanmerking neemt, dat zij met betreklijk zeer ver dragende geweren, die met de vroegere vergeleken ook eene betrekkelijk veel grooter uitwerking hebben, bewapend is, dat deze geweren even goed geschikt zijn zoowel om op verren afstand in het algemeen als op korten afstand in het bijzonder den aanval voor te bereiden en eindelijk daarmede den aanval te volvoeren. Geheel algemeen volgt daaruit, dat het volkomene infanterie-gevecht steeds eene opvolging der drie genoemde tijdperken moet zijn; dat dien ten gevolge elke zelfstandige afdeeling van onze infanterie minstens in twee afdeelingen moet gescheiden worden, die niet meer in bewapening, maar wel in formatie van elkander verschillen. Daarentegen is het vuur der juistheidswapenen vooral op korten afstand zoo werkzaam, dat het laatste tijdperk, de aanval met de blanke wapenen noodzakelijk zeldzamer moet worden en in de meeste gevallen door het vuur van gesloten afdeelingen op korten afstand kan vervangen worden. Het vooruitrukken uit de eerste opstelling, waarop het vuur geopend wordt, blijft dus tegenwoordig even onvermijdelijk als het vroeger was. Dit vooruitrukken moet volgens hetgeen daar even gezegd is, met gesloten afdeelingen plaats hebben; maar dewijl deze niet door het gevecht van man tegen man, maar alleen door haar vuur werkzaam moeten zijn, zoude men ze in vlakke orde kunnen scharen. Dit zoude men ten minste oogenschijnlijk zeggen, maar de

[p. 263]

schijn bedriegt hier. Hoe vlakker de opstelling is, des te langer wordt haar front, des te meer hinderpalen ontmoet zij voor hare beweging, des te moeijelijker en langzamer kan zij vooruitrukken; zij biedt ook een te groot doel aan en bij de vele verliezen, die de tegenwoordige wapens zullen berokkenen, verliest zij haren zamenhang. Zij moet echter en wel snel en indrukwekkend vooruitrukken. Daarom moet men de diepe stelling met geringe frontbreedte verkiezen. Het terrein buiten rekening latende, ontmoet onze infanterie in het vooruitgaan nog andere hinderpalen en wel juist daar, waar die van het terrein ophouden, namelijk door de aanvallen der vijandelijke ruiterij. Daartegen kan de infanterie zich met de blanke wapenen verdedigen en wij hebben gezien hoe in de 17de eeuw alleen daarom de piekeniers met de muskettiers gelijktijdig tot den aanval oprukten; zij kan het ook door haar vuur. Hoe werkzamer dit nu naar den aard der wapenen is, des te meer staat kan men er op maken; dit zal dus tegenwoordig geschieden. Het is evenwel noodig, dat de infanterie om aan de kavallerie weêrstand te bieden, geene flanken en geen rug heeft; had zij deze, dan zoude het krachtigste vuur naar ééne frontzijde nutteloos zijn. Zij moet dus als zij door kavallerie aangetast wordt naar alle zijden front maken, dat is een carré vormen; alle carréformatiën zijn onder alle omstandigheden gemakkelijker uit de diepe dan uit de vlakke opstelling te volvoeren. Dit is eene tweede reden voor de diepe opstelling der geslotene afdeelingen van de aanvallende infanterie. Het verband tusschen een algemeen voorbereidend vuur, door het gevecht der schutters in verspreide orde en tusschen het vooruitrukken van gesloten afdeelingen, moet tegenwoordig uit eene gemakkelijk te begrijpen oorzaak nog veel strenger en veel scherper begrepen worden dan vroeger. Dit volgt namelijk uit de groote schootsverheid van onze hedendaagsche handvuurwapens. Daardoor is het mogelijk het algemeene voorbereidende vuurgevecht op zeer groote afstanden te beginnen; hoe grooter deze afstand is, des te minder ziet men de uitkomst van dat gevecht, de uitwerking die het op den vijand heeft; des te minder is dus de strekking voorhanden, om door den aanval partij van deze uitkomst te trekken. Men moet deze strekking dus kunstmatig daarstellen, dit doet men door de opstelling van gesloten troepenafdeelingen achter de troepen, die voor het algemeene voorbereidende gevecht zijn opgelost, van afdeelingen, die door hunne formatie en hunne opstelling bestemd zijn om vooruit te rukken, om den aanval te volvoeren, die tegelijkertijd door hunne formatie in staat zijn dien aanval zonder oogenschijnlijk gevaar voor zich zelve te verrigten en de schutters mede vooruit te drijven, daar zij hun steeds een bewegelijk ondersteuningspunt aanbieden. Men ziet ook gemakkelijk in, dat de schutters in zekeren zin afhankelijk van deze gesloten afdeelingen moeten gemaakt worden, zoodanig dat zij hun werkkring, die geen beslissende kan zijn ook niet als zoodanig maar als een ondergeschikte beschouwen. Deze afhankelijkheid is echter ongelukkigerwijze niet anders daar te stellen, dan door de invoering van eene geschikte getalsverhouding, door aan de verspreide afdeelingen eene geringere getalsterkte dan aan de gesloten afdeelingen te geven en daardoor dat ook de gesloten afdeelingen, ook volstrekt beschouwd (zie Eenheid) eene juiste sterkte verkrijgen, die hen nog voor verdeeling vatbaar maakt. Als wij hier alleen den aanval beschouwd hebben, geschiedt dit uit twee oorzaken: vooreerst omdat men nooit kan zeggen ik wil aangevallen worden, maar wel ik wil aanvallen, en ten tweede omdat eene goede verdediging (zie Gevecht) er altijd naar trachten moet zelf aanval te worden, diensvolgens ook grondstoffen voor den aanval moet bevatten. Uit het hierboven gezegde blijkt evenwel, dat hoe meer kracht en hoe meer uitbreiding het vuurwapen verkrijgt, des te meer de strekking geboren wordt, een staand vuurgevecht te leveren, verdedigenderwijze te handelen. Dit is ten allen tijde zoo geweest

[p. 264]

en diensvolgens tegenwoordig volstrekt geene nieuwe uitvinding. Die strekking op zich zelve beschouwd, is ook volstrekt niet onverstandig, veeleer zeer natuurlijk. Het komt er echter op aan, ze niet onvoorwaardelijk aan te kleven, maar haar in juiste grenzen te beperken, zich niet voor te stellen dat men door haar te verkondigen en aan te bevelen een uitvinder en een man van vooruitgang is, maar hare gevaren in te zien. Daarbij moet men evenwel niet uit het oog verliezen, dat de bewapening slechts ééne der voorwaarden voor den aard der oorlogshandelingen is, die buitendien eerst dan in aanmerking genomen wordt, als die in het algemeen, meestal zonder daarop te letten, reeds vastgesteld zijn. In de meeste gevallen komt het er slechts op aan, als bepaald is wat er geschieden moet, met de gegeven wapens de grootst mogelijke uitwerking te verkrijgen en diegene, die dan de beste wapens heeft zal ook de grootste waarschijnlijkheid voor eenen gunstigen uitslag voor zich hebben; het geval is evenwel zeer goed denkbaar, dat door verkeerde maatregelen in het algemeen, door eene verkeerde keuze van het beoogde nagejaagde doel, door eene verkeerde keuze der wegen om daartoe te geraken, zelfs bij de best mogelijke wapens volstrekt niets bereikt wordt. De gevaren der heerschende strekking, zijn daarin gelegen, dat men: 1o. ook daar verdedigende gevechten wil leveren, waar volgens den algemeenen toestand der zaken, slechts een aanvallend gevecht het doel kan doen bereiken; 2o. dat men bij het verdedigende gevecht vergeet, hoe daarin, als het werkelijk tot eene gunstige uitkomst moet voeren, de aanvallende grondstoffen nooit mogen ontbreken, dat men dus de waarde der reserven in het groot en in het klein over het hoofd ziet, zich tot eene zuivere plaatselijke verdediging bepaalt en daarin weder de troepen zoo veel mogelijk versnippert, ten einde een groot aantal afzonderlijke beslissingen te verkrijgen, zonder daarbij op de algemeene uitkomst te letten, die niet door de willekeurig maar wel door de doelmatig verkregen afzonderlijke uitkomsten, verkregen wordt (zie Gevecht). Deze bijzondere vorm van de op zich zelven natuurlijke strekking is het, die de kompagnies-kolonnen als taktische eenheden boven de bataillons doet verkiezen, die op deze wijze invloed op deformatie als blijvende beschikking voor het infanterie-gevecht tracht te verkrijgen en dan weder als zij deze verkregen heeft, op eene nadeelige wijze op de vechtwijze, die natuurlijk mede van de formatie afhankelijk is, dat is op de algemeene leiding van het gevecht, werkt.

De kavallerie kan voornamelijk op twee wijzen strijden, hetzij te voet of te paard. In het eerste geval heeft hare eigenaardigheid als kavallerie alleen invloed gehad op de plaats, waar het gevecht geleverd wordt, in zoo ver als zij eene plaats, waar een gevecht moest geleverd worden, vroegtijdig genoeg kon bereiken, terwijl eene zich langzamer bewegende afdeeling infanterie dit gevecht op eene andere plaats zoude geleverd hebben. In de vechtwijze moet nu de kavallerie die der infanterie geheel volgen en het is te voorzien, dat zij hierin minder volmaakt zijn zal dan deze. Dit minder volmaakte kan echter volgens de bestaande omstandigheden volkomen voldoende zijn en het kavalleriegevecht zal dan meer waarde hebben dan het infanterie-gevecht als het oogenblik, waarop het geleverd wordt, beslissend was. Men kan echter alleen van eene vechtwijze der kavallerie spreken, als men haar zich daarbij te paard voorstelt. Aan den ruiter zijn nu tot bewegingsmiddel de vier krachtige voeten van een paard gegeven, zoodat hij zich veel sneller dan een soldaat te voet bewegen kan. Het karakter van het kavalleriegevecht moet dus in de snelheid van beweging, in de beweging in het algemeen gelegen zijn. Hoe minder afhankelijk een vuurwapen van een bewegelijk onderstel is, des te meer waarde verkrijgt het als zoodanig; in dit opzigt heeft het geschut een groot voordeel boven de handvuurwa-

[p. 265]

pens en deze zijn weder in de hand des infanteristen oneindig meer waard dan in die des ruiters, daar zij afhankelijk zijn zoowel van zijne bewegingen, als van die van zijn paard. De eigenlijke wapens van den kavallerist zijn dan zijn paard, welks uitwerking op den vijand uit massa en snelheid voortvloeit en de blanke wapens; de vechtwijze der kavallerie moet dus een gevecht van man tegen man zijn, en zij moet trachten daartoe door den aanval te geraken. Deze vechtwijze heeft dus veel overeenkomst met die der piekeniers en het is eenigermate veroorloofd deze door kavallerie te vervangen en haar gevecht met dat der schutters te voet te verbinden. In de 16de eeuw vinden wij daarvan menigvuldige voorbeelden en in den Schmalkaldischen oorlog onder anderen, vervingen de ruiters doorgaans de piekeniers, zoo dat deze bijna in het geheel niet meer in het gevecht betrokken waren en eene nuttelooze grondstof der legers werden; alleen omdat de piekeniers, in weerwil dat zij niet gebruikt worden, hier de hoofdmagt van het leger uitmaakten, bleven alle dergelijke gevechten zonder gevolgen.

Terwijl men aan de eene zijde een aantal punten van vergelijking tusschen het gevecht der kavallerie en dat der piekeniers te voet kan vinden, mag men toch de verschillen niet buiten beschouwing laten, die bij eenig nadenken over den aard der wapens gemakkelijk te ontdekken zijn. Vooreerst is de beweeglijkheid en diensvolgens de strekking tot beweging veel geringer bij de piekeniers te voet, dan bij de ruiters. Indien twee afdeelingen piekeniers van behoorlijke diepte elkander ontmoeten, dan kunnen wij ons voorstellen, dat zij zich wederkeerig onder elkander mengen; ontmoeten echter twee afdeelingen kavallerie elkander, dan is dit naauwelijks denkbaar; hadden zij eene belangrijk diepe formatie, dan zouden zij zich door den invloed van de gestadige zucht naar beweging op de eene of andere wijze zijwaarts uitbreiden en degene, die nu toevallig meer gesloten bleef, zoude de tegenpartij op zeker punt doorbreken of zij doorbreken elkander wederkeerig op verschillende punten, daar de eene hier, de andere daar, hare diepte verminderd heeft, terwijl bij den vijand op die plaatsen - niet overal - juist het tegengestelde het geval was. Ten tweede komen juist door de zucht naar beweging en daar de grondstof der kavallerie, - ruiters en paarden - zamengestelder is dan die der infanterie, - infanteristen - juist afdeelingen kavallerie veel gemakkelijker in wanorde dan afdeelingen infanterie en dit wel des te meer, naarmate zij dieper zijn; dit is te meer waar, omdat de ruiter alleen het geheele bestanddeel, niet alleen zich zelven maar ook zijn paard, doelmatig moet geleiden. Ten derde daar de overwinning der ruiterij, grootendeels uit de snelheid van beweging voortvloeit, meer in een snel doorbreken dan in iets anders bestaat, zoo zal zij, als dit doorbreken niet dadelijk gelukt, door het gevaar der steeds toenemende wanorde, dadelijk zeer onwaarschijnlijk worden; gelukt dit doorbreken echter, dan is toch de overwinning veel minder gevolgrijk dan die der infanterie, omdat alles met groote snelheid geschiedt en behalve het overrijden op het punt van doorbreking, hoogstens nog eenige sabelhouwen regts en links uitgedeeld en grootendeels gevaarloos, iets tot hare voltooijing bijdragen, na de overwinning is evenwel de overwinnende afdeeling meestal in dezelfde verwarring als de geslagene en evenmin in de hand des aanvoerders. Daaruit volgt nu, dat voor de vechtwijze der kavallerie diepe formatiën niet hetzelfde voordeel kunnen hebben als voor die der piekeniers te voet, dat evenwel de ruiterij bij hare aanvallen nog meer behoefte aan reserve heeft dan de piekeniers. Terwijl echter bij de piekeniers het gevecht zich doorgaans zeer langzaam ontwikkelt, kunnen bij hen de reserven in dezelfde massa opgenomen worden, waarin ook de manschappen voor den eersten schok bestemd, zijn opgenomen, zoodat gene de laatste, deze de eerste ge-

[p. 266]

lederen van denzelfden slaghoop uitmaken. Dit beginsel is zoo als onmiddellijk uit het bovenstaande volgt, bij de ruiterij niet toepasselijk. Eene aanvallende ruiterschaar moet veeleer in verschillende zelfstandige afdeelingen verdeeld worden, waarvan elke volgende zich op eenen niet te geringen afstand van de voorgaande beweegt. Gelukt de doorbreking reeds aan de voorste, dan volgt de tweede haar om den doorgebroken vijand niet tot bezinning of verademing te laten komen en om aan de eerste afdeeling den tijd te schenken, zich te herzamelen; de derde afdeeling volgt om vijandelijke afdeelingen, die onze aanvallende kavallerie in de flank zouden willen aantasten, af te weren. Is echter de doorbreking aan de eerste afdeeling mislukt, dan heeft zij toch welligt door haren aanval den vijand, zoo die uit infanterie bestond, verleid om zijn vuur af te geven, bestond hij uit kavallerie, deze bij den schok in verwarring gebragt en de tweede afdeeling volbrengt dan wat de eerste heeft voorbereid. Zoo is het bij de kavallerie van belang niet dat de afzonderlijke afdeelingen in diepe orde geschaard zijn, maar wel dat verschillende afdeelingen achter en na elkander in werking gebragt worden.

De Fransche ruiterij, die sedert de 15de eeuw in de kompagniën van ordonnantie georganiseerd was, streed tot aan het einde der 16de eeuw bijna uitsluitend in linie (en haye); de gensdarmes vormden daarbij een enkel gelid, de schildknapen op 30 passen afstands daarachter een tweede gelid; de Duitsche kavallerie, welke haar in de 16de eeuw bestreed, was van oudsher in diepe eskadrons opgesteld (zie Eskadron), hoewel deze niet in verschillende opvolgende afdeelingen verdeeld waren, doorbraken zij bijna regelmatig de Franschen en behaalden diensvolgens de overwinning. Dit was echter niet het gevolg der geringe diepte van hunne opstelling, maar van de omstandigheid, dat de Franschen in ééne enkele linie geschaard waren, want de knapen, alleen bestemd om hunne gensdarmes te volgen, konden niet als eene tweede zelfstandige linie beschouwd worden, verdwenen overigens in de 16de eeuw geheel en nu stelden de Fransche gensdarmes, zich even als de zoogenaamde ligte kavallerie, in de ware beteekenis van het woord in één gelid; bij de groote uitgestrektheid van dat gelid was het moeijelijk te geleiden, te overzien, moeijelijk daaruit eene afdeeling tot ondersteuning eener andere afdeeling te bezigen; de Duitsche eskadrons kozen tot doorbrekingspunt de plaatsen, waar zich de standaarden bevonden, reden deze met de daarbij staande gensdarmes en officieren overhoop en bragten zoodoende de geheele linie in wanorde. De Nederlanders voerden het eerst, gedurende hunne onafhankelijkheidsoorlogen een doelmatig stelsel in, doordien zij ook in eskadrons, maar in kleinere van geringer diepte en en échelon opgesteld streden. Gustaaf Adolf volmaakte dit stelsel door de daarstelling van reserven voor elke afzonderlijke linie kavallerie en nadat het in de laatste helft der 17de eeuw weder in verval geraakt was, werd het andermaal door Frederik den Grooten met goeden uitslag in werking gebragt. Indien men iets groots en belangrijks tot stand wil brengen, dan zal men voor de kavallerie steeds op deze vechtwijze in échelon of in verschillende achter elkander opgestelde liniën moeten terugkomen, waarbij genoegzame tusschenruimten of eenige andere doelmatige regeling, de ondersteuning van de eene door de andere mogelijk maken. Het zamenstellen van digte ruiterscharen is voor het gevecht hoegenaamd niet geschikt, zelfs niet eens voor de voorbereidende opstelling voor het gevecht, daar het eene spoedige ontwikkeling belemmert en daaruit is het misschien te verklaren, dat als in de oorlogen van Napoleon de ruiterij iets belangrijks verrigtte, zulks steeds door betrekkelijk kleine afdeelingen geschiedde, terwijl de groote massa's, die men vermeende in digte hoopen opeen te moeten stellen, doorgaans zelden of nooit aan de verwachting voldeden.

[p. 267]

Het spreekt van zelve dat kavallerie altijd moet aanvallen en zich nooit moet laten aanvallen; daarvoor zit zij te paard; blijft zij echter stilstaan, dan doet zij atstand van een der hoofdbestanddeelen harer uitwerking, van de snelheid der beweging. Gustaaf Adolf oefende daarom zijne kavallerie in den aanval en het eerste aan haar gerigte bevel van Frederik den Grooten was, dat zij zich nooit moest laten aanvallen, terwijl dit gedurende twee menschenleeftijden lang bijna geheel in vergetelheid geraakt was.

In hoe ver de kavallerie opgezeten, dat is als werkelijke kavallerie van vuurwapens gebruik kan maken, daarover zijn de denkbeelden in verschillende tijdperken ook zeer verschillend geweest. Toen de handvuurwapens in de 16de eeuw ontwikkeld werden, bewapenden de Duitschers hunne eigenlijke kavallerie, de kurassiers behalve met den degen en in plaats van de lans, die zij tot daartoe gevoerd hadden, met pistolen, omdat zij in eskadrons streden en daarbij toch alleen het eerste gelid gebruik van de lans konde maken. De pistolen konden daarentegen gebezigd worden, deels om vóór den schok, den lateren aanval met den degen in de vuist door een salvo voor te bereiden, deels om in het gevecht van man tegen man, regts en links te vuren. De overige natiën, Franschen, Nederlanders, volgden dat gebruik spoedig na. Het oorspronkelijke gronddenkbeeld ging daarbij echter spoedig verloren; de eskadrons kurassiers volgden hetzij het voorbeeld der haakbusschutters te paard, die van langere vuurwapens - mousquetons of karabijnen - voorzien, gelidsgewijze, doch niet te digt den vijand naderden, dan gelidsgewijze vuurden, waarop ieder gelid dat zijn schot gelost had, eene zwenking maakte (caracoleerde) en zich weder achter aan het eskadron aanhaakte, vechtwijze waarbij de aanval met de blanke wapens geheel achterwege bleef of zij vuurden reeds op grooten afstand en het geheele eskadron gelijktijdig, waarbij zij gewoonlijk niets raakten, zoodat vooral op infanterie, die aangevallen moest worden, volstrekt geen indruk werd te weeg gebragt en het eigenlijke doel van dit vuur, voorbereiding tot den aanval met de blanke wapens, in het geheel niet meer bestond. Gustaaf Adolf maakte hieraan een einde en beperkte het gebruik der pistolen bij den opmarsch tot de onmiddellijke voorbereiding van den aanval met den degen, terwijl zij dan na de charge in het gevecht van man tegen man verder konden gebezigd worden; reeds op het einde der 17de eeuw volgde men deze uitstekende bepalingen al niet meer en de kavallerie vuurde van nu af aan zeer dikwijls stilstaande, tot dat eindelijk nadat hier en daar wel eens een doelmatig gebruik van de kavallerie in de oorlogen van Lodewijk XIV en in den Spaanschen successie-oorlog was voorgekomen, Frederik de Groote het vuren der kavallerie geheel en al verbood en aan de ruiterij hare wezenlijke kracht, de snelheid der beweging bij den aanval teruggaf, met zulk een goed gevolg, dat deze met juistheid toegepast alles verving, het vuur der kavallerie eensdeels geheel ontbeerd, anderdeels ook niet goed toegepast konde worden. De grondslagen van Frederik den Grooten voor de vechtwijze der kavallerie, worden nog tot heden toe vrij algemeen erkend en nagevolgd, hoewel men in hunne toepassing niet altijd gelukkig geweest is en zich hier en daar de strekking vertoont ook aan het schietgeweer bij de kavallerie het burgerregt te verleenen (zie Formatiën).

De artillerie kan den vijand slechts op ééne wijze bestrijden, namelijk door haar vuur op grooteren of kleineren afstand; zij stelt zich daartoe altijd in eene linie op; deze linie kan echter op twee verschillende wijzen zamengesteld worden, hetzij men namelijk iedere afzonderlijke sectie als taktische eenheid beschouwt of verschillende vuurmonden tot eene batterij vereenigt. Deze omstandigheid heeft eenen zeer beslissenden invloed op de vechtwijze der artillerie, buitendien eene

[p. 268]

tweede, namelijk hare manoeuvreervaardigheid. Deze dient bij de artillerie, even als bij elk ander wapen, daartoe, om de punten, waarop zij werkzaam kan zijn, snel en in eene doelmatige formatie te bereiken; hoewel nu het eene vereischte der manoeuvreervaardigheid, de snelheid van beweging is, is toch het andere de indeeling in batterijen. Eene artillerie, die in het geheel niet in batterijen ingedeeld was, zoude onmogelijk kunnen manoeuvreren. Toen de artillerie op het einde der 15de eeuw voor het eerst een aanzienlijk gewigt in de uitkomst der veldslagen kreeg, werden toch de zware onhandelbare vuurmonden niet anders beschouwd dan de zware werktuigen of de olifanten van andere tijdperken bij de oude volken, de artillerie stond alleen in afzonderlijke vuurmonden verdeeld, voor de slaglijn, vuurde ééns om den aanval voor te bereiden of den aanvaller te ontvangen en liet dan aan de andere wapens de handen vrij. Met de volmaking harer beweeglijkheid vinden wij haar ook spoedig, ten minste gedurende de veldslagen, in batterijen vereenigd en de artillerie van het Protestantsche leger in den Schmalkaldischen oorlog manoeuvreerde gestadig met batterijen en het schijnt zelfs dat zij voortdurend op die wijze ingedeeld was. Overal waar eeae talrijke artillerie optreedt, strijdt zij van dien tijd af ook in batterijen, bij voorbeeld in den dertig-jarigen oorlog, zoowel bij de Keizerlijken als bij de Zweden. Wel is waar zijn dit meestal enkele groote batterijen en Gustaaf Adolf veranderde in dit opzigt in de verdeeling zijner artillerie slechts in zoo ver iets, dat hij zijne regiments-artillerie over de geheele linie bij de afzonderlijke brigaden verdeelde. Montecuccoli verhief zich op het laatst der 17de eeuw tegen de vereeniging van een groot aantal vuurmonden op enkele punten, om de zonderlinge reden, dat men geen gevaar zoude loopen, haar op eens gezamenlijk te verliezen. Maar in de hoofdzaak werd het door Gustaaf Adolf daargestelde grondbeginsel voor het gebruik der artillerie, van de 18de eeuw af tot op onzen tijd door alle groote veldheeren en bij alle goed zamengestelde legers nagevolgd, namelijk dat men het gebruik van artillerie-massa's op enkele plaatsen moet verbinden met het gedeeltelijk gebruik over het geheele front der slaglijn. Alleen de verschillende graden van beweeglijkheid, de manoeuvreervaardigheid der artillerie en de verschillende organisatiën der andere wapens, benevens hunne opstelling in verschillende tijdperken, bragten hierin eenige naauwelijks noemenswaardige veranderingen te weeg. Wij vinden hetzelfde beginsel terug in de talrijke vuurmonden, die Frederik de Groote aan de eene zijde in eene of meer batterijen gewoonlijk in verband met eene voorhoede grenadiers op zijnen aanvallenden vleugel vereenigde en aan de andere zijde de brigadebatterijen en de regiments-artillerie, die hij over de geheele frontlijn zijner infanterie verdeelde, even als in de groote batterijen van Napoleon bij Eilau en bij Wagram eenerzijds en zijne divisie-batterijen anderzijds, die met de afzonderlijke divisiën vereenigd optreden. Hoe grooter de beweeglijkheid der artillerie wordt, des te minder behoeft men zich aan de wijze te houden, waarop zij oorspronkelijk gebruikt werd, namelijk over het geheele front verdeeld, om ééns of een paar malen te vuren; op welke wijze dat echter geschiedt, wordt zeer afhankelijk van de vechtwijze der overige troepen, zoo als die in een of ander tijdperk gebruikelijk is. Daar, waar men geen eigenlijk inleidingsgevecht der infanterie kent, zoo als dit in het grootste gedeelte der 17de en 18de eeuw het geval was en waartoe eerst het bezigen van de tirailleurliniën weder de mogelijkheid heeft daargesteld, waar het aanvallende gevecht der infanterie voornamelijk daarin bestaat, door achtereenvolgende bewegingen en vuren den vijand te naderen, kwam men het eerst op de gedachte de verkregen grootere beweeglijkheid der artillerie daartoe te gebruiken, om ze in verbinding met de infanterie, onder een even gestadig vuur vooruit te laten rukken. Dit stelsel vin-

[p. 269]

den wij bij voorbeeld bij de Pruissen in de 18de eeuw volkomen toegepast en Gustaaf Adolf had daar eveneens het eerst duidelijk toe aangespoord. Later werd dit denkbeeld door een ander vervangen; men begreep namelijk, dat beweging en een doelmatig vuur met elkander in tegenspraak zijn, men verlangde dat de artillerie als zij eene gunstige opstelling had, deze zoo lang mogelijk bezet hield, dat is te zeggen, zoo lang zij nog werkzaam kon zijn, dat zij voorts hare grootere beweeglijkheid gebruikte om zoo spoedig mogelijk eene nieuwe gunstige stelling te bezetten, waarin zij dan weder langen tijd werkzaam konde zijn. Indien men het stelsel wil gebruiken moet vooreerst de artillerie niet in zeer kleine afdeelingen verbrokkeld, op de vleugels van alle bataillons eener lange linie verdeeld zijn. Ten anderen moeten daartoe de infanterie en kavallerie zelf niet in lange zamenhangende liniën opgesteld, maar in meer of minder groote zelfstandige afdeelingen verdeeld zijn, welke door groote tusschenruimten van elkander gescheiden kunnen zijn, in welke tusschenruimten de artillerie zich dan vrijelijk bewegen kan, zonder de bewegingen der andere wapens elk oogenblik te belemmeren. Ten derde moet dan de artillerie door de opstelling der andere wapens in een gevecht, dat zij gedurende langen tijd voornamelijk voeren moet, doelmatig door die wapens kunnen ondersteund worden, zonder dat deze daarom overmatig behoeven te worden blootgesteld. Eindelijk volgt dan ook het bovengezegde, dat de artillerie die over de slaglinie verdeeld is, volstrekt niet te talrijk mag zijn. Van zelve doet zich nu de gedachte op, niet de geheele artillerie in de slaglijn tot normale ondersteuning der andere wapens te verdeelen, maar een meer of minder aanzienlijk gedeelte daarvan, de reserve-artillerie, achter te houden en deze nu tijdelijk en juist op de punten te brengen, waar eene beheerschende uitwerking der artillerie vooral noodzakelijk schijnt of groote voordeelen belooft op te leveren. Deze reserve-artillerie zoude weder eveneens zonder nut blijven, als de artillerie in het algemeen niet zeer beweeglijk was, zoodat zij uit hare achterwaartsche stelling met grooten spoed op het beslissende punt in de slagorde kan gebragt worden, als deze artillerie geene gemakkelijke manoeuvreervormen had, om door de andere troepen, zonder dier formatie te verstoren, voorwaarts of achterwaarts te kunnen rukken en als die andere troepen zelf in zamenhangende, zware liniën opgesteld waren en daarin streden. Hieruit volgt dat men eerst sedert de Fransche omwenteling weder een goed en doelmatig gebruik van de reserve-artillerie heeft kunnen maken; men moet echter het gebruik der reserve-artillerie in den hier vooronderstelden zin, wel onderscheiden van het gebruik der groote batterijen, gebruik dat altijd mogelijk is geweest.

De artillerie kan nu in het gevecht in de volgende omstandigheden werkzaam zijn: 1o. Zij moet de ontwikkeling, den opmarsch der vijandelijke kolonnen belemmeren, hetgeen somtijds met zulk een gunstig gevolg geschieden kan, dat die ontwikkeling geheel onmogelijk wordt. Moet de vijand bij zijnen opmarsch lange defilés doortrekken, dan kan de artillerie met groot voordeel gebruik maken van de granaatkartetsen als de défilés wijd zijn, anders liever van kogels of granaten. 2o. Bij den aanval moet zij de vijandelijke positiebatterijen uit hare gunstige stellingen verdrijven, een concentrisch vuur rigten op die punten der vijandelijke slagorde, die op het oogenblik bijzonder gevaarlijk zijn of het kunnen worden of welker vermeestering men zich voornamelijk ten doel heeft gesteld. Tot dit einde opent zij haar vuur met kogels op 800 à 1000 passen tegen de vijandelijke liniën, tegen artillerie, met granaatkartetsen tegen kavallerie- en infanterie-kolonnen; zij moet altijd een krachtig concentrisch vuur onderhouden tegen de uitgangen van défilés, die wij zelf moeten bemagtigen, van welken aard die ook mogen zijn, tegen het front met kogels en granaten om daar dekkingen en communicatiën voor de vijandelijke

[p. 270]

reserven te vernielen, tegen de flanken en den rug der vijandelijke stelling om te beletten, dat zij door oprukkende troepen ondersteund wordt. 3o. De invoering der vuurpijlen maakt tegenwoordig bij omtrekkingen van den vijand de medewerking der artillerie mogelijk, op een terrein, dat vroeger als onbegaanbaar voor haar beschouwd werd. 4o. Zoodra de infanterie en de kavallerie tot den aanval vooruitrukken, moet de artillerie in hare stelling op 4 à 600 passen van den vijand blijven en door haar vuur hoofdzakelijk de flanken der vooruitukkende kolonnen tegen aanvallen van den vijand dekken; mislukt de aanval dier kolonnen, dan moet de artillerie haar opnemen. 5o. Alleen de ligte artillerie mag zelf in de reeds veroverde stellingen doordringen om den geslagen vijand met haar vuur te vervolgen; zij moet met stoutheid de flanken en den rug des vijands trachten te bereiken en hem den terugtogt zoo moeijelijk mogelijk maken. 6o. De verdediger zal in zijne stellingen in eerste linie reeds van den beginne af aan, eene grootere hoeveelheid artillerie ontwikkelen dan de aanvaller; zijne artillerie moet de ontwikkeling en den opmarsch des vijands belemmeren, hem in défilés in front tegenhouden, hem als hij daaruit deboucheert in de flank bestoken, zoodoende den aanval op het front der stelling moeijelijk maken; de reserve-artillerie van den verdediger moet hoofdzakelijk den vijand beletten zich in de reeds half veroverde stellingen uit te breiden en te ontwikkelen, medewerken om hem daaruit te verdrijven, eindelijk den eigen terugtogt door goede achtervolgens genomen stellingen dekken. Alle bekwame, ondervindingrijke artilleristen zijn het daarover eens, dat het artillerievuur op groote afstanden minder werkzaam is, weinig uitkomsten oplevert, dat de uitwerking betrekkelijk veel meer toeneemt dan de afstand vermindert, dat artillerie, welke kleine kalibers heeft, alleen daardoor het daaruit ontstaande nadeel moet en werkelijk kan opheffen, dat zij zich zeer nabij de vijandelijke batterijen opstelt, dat vooral bij de tegenwoordige vèrdragende geweren der infanterie, de artillerie dubbel aanleiding heeft de groote afstanden te vermijden, zoodra de inleiding van het gevecht heeft plaats gehad en het zamenwerken van alle wapens het streven naar de beslissing kenbaar maakt. Elke beweging der artillerie gaat met het staken van haar vuur gepaard; de tusschenpoozingen van het vuur mogen echter nooit volkomen zijn. Terwijl men dit vroeger trachtte te vermijden door de vuurmonden gedurende hunne beweging in het gevecht, welke door manschappen plaats had, te laten laden en hen telkens halt liet maken om te vuren, laat men tegenwoordig sommige batterijen uit de oude stellingen haar vuur voortzetten, terwijl anderen nieuwe stellingen vóór- of achterwaarts gaan innemen. Hebben deze dan die stellingen bezet en kunnen zij haar vuur openen, dan begeven zich ook de achtergebleven derwaarts. Elke vuurmond in eene afzonderlijke batterij vuurt op kommando van den sectiekommandant opvolgend en bij gelijke tusschenpoozen, (stukkenvuur) of wel elke sectie vuurt op zich zelve op bevel van den sectiekommandant, welke zorg draagt, van vuur te kommanderen als no. 1 van het andere stuk na het wisschen der wisscher omzwaait, (sectievuur) of wel elk stuk vuurt zoodra het geladen en gerigt is (snelvuur). Dit laatste heeft meestal plaats als de batterij in hare positie wil blijven, den vijand zoo digt laat naderen als hij kan, in de hoop dat men hem door het vuur toch eindelijk zal terugdrijven en dat elke pas die hij nadert, alleen zijne verliezen kan vermeerderen; eene laatste wijze van vuren is het batterijvuur, waarbij alle vuurmonden te gelijkertijd, op kommando van den batterijskommandant worden afgeschoten; de gevallen waarin dit nut kan aanbrengen, zijn zeldzaam en redelijkerwijze gesproken bijna niet denkbaar.

De denkbeelden over de vechtwijze der verbonden wapens zijn duidelijk af te leiden uit de slagorde (zie Slagorde) en wel uit de normaalstelling van een

[p. 271]

tijdperk. In ieder zamengesteld ligchaam, dat uit verschillende organen bestaat, moet een dezer organen het voornaamste, het beheerschende zijn en aan de werking daarvan moeten alle overigen ondergeschikt zijn, hetzij om die voor te bereiden, te volmaken of te verzekeren; dit hoofdorgaan moet dan ook eenen bepaalden invloed op de krachtsuiting van het geheele ligchaam uitoefenen. Het hoofdorgaan is echter niet altijd daaraan te erkennen, dat het de grootste massa van het geheele ligchaam vormt. In de middeleeuwen bij voorbeeld vindt men zeer dikwijls groote legers, waarbij het voetvolk in getalsterkte, de ruiterij of de bereden manschap verre overtrof, terwijl toch de laatste het hoofdwapen was. In de hedendaagsche legers is evenwel de infanterie niet alleen door hare getalsterkte, maar ook daadwerkelijk het hoofdwapen. Zij moet dus ook den grondslag der slagorde vormen en den grondtoon voor de vechtwijze der verbonden wapens aangeven. De vechtwijze der verbonden wapens moet dus tegenwoordig daarop gegrond zijn, dat de infanterie werkelijk in gevecht komt; eene normaalstelling, die dit normaal onmogelijk maakt, zoude eene slechte normaalstelling zijn, hoewel hieruit volstrekt niet volgt, dat de infanterie telkens werkelijk in gevecht moet komen. Dit kan bij voorbeeld belet worden, als de voorbereidende werking der andere wapens tegen eenen weinig standvastigen vijand, reeds alles beslist. De wijze waarop men de andere wapens met de infanterie verbindt, kan nu hoofdzakelijk tweeledig zijn. Men kan namelijk aan het ligchaam der infanterie van het geheele leger, eenerzijds de kavallerie van het geheele leger in ééne of eenige massa's vereenigd en anderzijds de artillerie even zoo in verschillende groote ligchamen of wel men kan de infanterie in verschillende groote afdeelingen, divisiën verdeelen en aan deze eene grootere zelfstandigheid geven, door daarbij een passend gedeelte van de kavallerie en de artillerie in te deelen. Het eerste stelsel is dat der massa-taktiek, het laatste dat der divisie-taktiek (zie Taktiek). Men kan ten voordeele van het eerstgenoemde stelsel aanhalen, dat elk wapen zich in zijne eigenaardigheid, diensvolgens ook in zijne eigenaardige kracht des te beter kan ontwikkelen, in hoe grooter ligchaam het werkzaam is, met hoe meer zelfstandigheid het optreedt; ten voordeele van het tweede stelsel kan men zeggen, dat de wederkeerige ondersteuning der wapens daarbij inniger, doortastender zal zijn, dan bij het eerste. Het stelsel der massa-taktiek kan onvoorwaardelijk toegepast worden bij kleine legers en diepe opstellingen waaruit natuurlijkerwijze kleine frontbreedten voortvloeijen, want bij geringe fronten zal, al worden ook de artillerie, de kavallerie en de infanterie naast elkander elk op zich zelven gerangschikt, toch geen wapen de ondersteuning van de andere wapens ontberen; bij zeer uitgestrekte frontbreedten zoude bij de toepassing van dit stelsel eene onderlinge ondersteuning geheel onmogelijk worden; hier nu kan zij verkregen worden door het stelsel der diviste-taktiek, door de verdeeling van het groote leger in een aantal kleine legers, die nu elk voor zich weder het stelsel van massa-taktiek, in de beteekenis welke wij hierboven aan dat woord gehecht hebben, kunnen toepassen. Al spoedig valt het in het oog, dat het stelsel der divisie-taktiek de artillerie en de kavallerie, zoo deze slechts eene geringe sterkte bezitten, verbrokkelt, en zoo doende de ontwikkeling van hunne eigenaardige kracht volstrekt onmogelijk maakt. Daaruit volgt dan overtuigend, dat bij de hedendaagsche verhouding der wapens tot elkander, massa-taktiek en divisie-taktiek met elkander hand aan hand moeten gaan, zoo men beslissende uitkomsten wil verkrijgen. Reeds in de taktiek der Nederlanders op het einde der 16de en in het begin der 17de eeuw zien wij dit verband bestaan, terwijl het door Gustaaf Adolf volmaakt werd. Men kan door den invloed daarvan op de hedendaagsche vechtwijze der verbonden wapens, de volgende stellingen verkondigen. 1o. De infanterie is in divisiën of leger-

[p. 272]

korpsen verdeeld, die, volgens de keerpunten van het gevecht nu eens gelijktijdig, dan weder achtereenvolgend moeten optreden; zij worden deels naast, deels achter elkander opgesteld en komen dus gelijktijdig of achtereenvolgend in werking. 2o. Een gedeelte van de geheele kavallerie en even zoo een gedeelte der geheele artillerie van het leger wordt gebruikt om daarvan bij iedere divisie of bij ieder legerkorps iets te kunnen voegen. In het legerkorps of de divisie speelt de infanterie de hoofdrol, daarbij worden de kavallerie en de artillerie slechts als hulpwapens beschouwd en hunne werking moet geheel door deze verhouding geregeld worden. 3o. Een ander gedeelte van de geheele kavallerie en van de geheele artillerie van het leger worden in massa bijeengehouden als kavallerie-reserve (reserve-kavallerie) en artillerie-reserve (reserve-artillerie) om ze op die punten van het slagveld en in die oogenblikken van den veldslag zelfstandig te laten optreden, als hunne eigenaardigheid zich geheel kan ontwikkelen of als die ontwikkeling voor de volbrenging der vervolgde taak onontbeerlijk is. 4o. Overal waar deze kavallerie-reserve of artillerie-reserve op die wijze optreedt en voor den tijd, waarop zij zoodanig werkzaam is, geeft zij den toon aan, speelt zij de hoofdrol en de infanterie en het andere der opgenoemde wapenen blijft daarbij op den achtergrond. - Men kan dus zeggen: het geheele leger van den tegenwoordigen tijd is in drie groote massa's verdeeld: de artillerie-reserve, de kavallerie-reserve en de divisiën, waarbij de infanterie het hoofdwapen is; elk van deze laatsten stelt weder een geheel leger voor, terwijl zij behalve de infanterie ook nog kavallerie en artillerie bevat. Voor elke afzonderlijke divisie verdeelt zich het gevecht in inleiding, voortzetting en beslissing; even zoo voor het geheele leger. De artillerie is vooreerst het wapen der voorbereiding, ten tweede treedt zij bij de beslissing ondersteunend op. De artillerie van eene afzonderlijke divisie vervult deze beide rollen ten opzigte van hare divisie, de artillerie van het geheele leger, de reserve-artillerie doet zulks ten opzigte van het geheele leger. Hieruit volgt nu, dat het een zeer verkeerd denkbeeld zoude zijn, als men meende dat de reserve-artillerie eerst moest optreden, wanneer de divisiën hare taak reeds grootendeels volbragt hebben. Zij is veeleer een troep ter beschikking van den veldheer, waarover deze in alle gevallen kan beschikken als de aanwending van artillerie-massa's noodzakelijk schijnt. Deze is echter juist zeer noodzakelijk ter voorbereiding van den hoofdaanval op het hoofdaanvalspunt, waaruit volgt, dat een gedeelte der reserve-artillerie in den regel reeds na het eerste ontwikkelingsgevecht tot werking moet komen; dit gedeelte is juist de de zware reserve-artillerie, die alle hindernissen moet opruimen, welke de infanterie, die voor den hoofdaanval bestemd is, in haren weg zouden kunnen belemmeren. Dezelfde artillerie-massa zal echter slechts moeijelijk bij de beslissing kunnen medewerken; gedeeltelijk kan dit de divisie-artillerie, gedeeltelijk dat gedeelte der reserve-artillerie, dat nog achter gehouden is. Dit moet bij voorkeur de ligte zijn, die beter dan de zware geschikt is, om stellingen te nemen op de flanken der infanterie-divisiën, die den beslissenden strijd moeten voeren en die van daar den vijand het meeste nadeel kan toebrengen, zonder de handelingen der infanterie, waarmede zij gelijktijdig werkzaam is, te belemmeren. Daaruit volgt, dat het doelmatig is de reserve-artillerie weder in twee hoofddeelen te verdeelen, een gedeelte voor de voorbereiding, een gedeelte om de beslissing te ondersteunen. De kavallerie is voornamelijk het wapen voor de vervolging en kan met de artillerie verbonden, op eene doelmatige wijze de slechte gevolgen eener nederlaag afweren. Het is altijd doelmatig eene groote artillerie-reserve te hebben, als zij namelijk niet naar geheel valsche inzigten gebruikt wordt; het schijnt daarentegen bij de hedendaagsche verhouding der legers en bij de gesteldheid van den aanbouw, niet voordeelig, groote kavallerie-reserven te hebben;

[p. 273]

vooreerst ontnemen zij aan de divisiën de noodzakelijke ruiterij, welke deze in zulke veelvuldige gevallen, als zij in matige hoeveelheden voorhanden is, met groot voordeel kan gebruiken; ten tweede zijn gematigd groote kavallerie-reserven reeds voldoende tegenover troepen, die aan het wankelen gebragt zijn; ten derde komt men met al te groote kavallerie-reserven in een bebouwd en doorsneden land, ligtelijk tot een ophoopen der kavallerie, ophooping die regtstreeks in tegenspraak met haar karakter is en in de meeste gevallen regelregt tot verspilling voert. - In het groot beschouwd, komen in het gevecht der verbonden wapens, deze op de volgende wijze na elkander in werking: artillerie, infanterie, kavallerie. Dit is waar voor het geheele gevecht, even als het waar is voor elke der afzonderlijke gevechten, waarin het geheele gevecht verdeeld is. Men zoude dus, altijd slechts in groote trekken beschouwd, de troepen ook op die wijze achter elkander kunnen stellen, zoowel in elke afzonderlijke divisie, als bij de reserve van het geheele leger; afwijkingen van den regel zijn inderdaad dan ook slechts het gevolg van het voornemen om reserven van alle wapens achter te houden. Als men de wapens achter elkander opstelt, moet toch altijd de noodige ruimte voorhanden zijn, dat zij zich naast elkander kunnen ontwikkelen; de oorzaak hiervan is, dat al kan men in het afgetrokkene elk geheel even als elk gedeeltelijk gevecht in drie in tijd op elkander volgende tijdperken verdeeld beschouwen, van welke elk aan een ander wapen toekomt, toch in de werkelijkheid die tijdperken dikwijls zoo spoedig op elkander moeten volgen, dat de werking der drie wapens gelijktijdig schijnt te zijn, terwijl verder de snelheid en de vechtwijze der verschillende wapens geheel verschillend zijn. De artillerie eener divisie moet bij voorbeeld den aanval dier divisie voorbereiden; zij moet echter deze voorbereiding zoo lang voortzetten, tot dat de infanterie werkelijk in gevecht komt, zij moet dus den overgang daartoe niet belemmeren, de eene werking moet den overgang tot de andere niet uitsluiten; aan deze voorwaarde kan echter alleen voldaan worden als de artillerie op de flanken der infanterie vooruitrukt. Moet door een aanzienlijk gedeelte der artillerie-reserve de aanval op eene gewelddadige wijze voorbereid worden, dan zal deze zich wel is waar slechts zelden in hare geheele sterkte op de flanken eener divisie kunnen ontwikkelen; zij zal voor het front der infanterie stelling moeten nemen, maar nu is juist dit gedeelte der reserve-artillerie voor den duur zijner werking het hoofdwapen; het komt buiten werking zoodra de infanterie begint vooruit te rukken en alleen de artillerie, die haar op de flanken vergezelt, kan de voorbereiding tot op het beslissende oogenblik vervolgen. Geheel gelijksoortige omstandigheden komen voor de kavallerie voor; zij kan achter de infanterie vooruitrukken; maar enkele eskadrons buiten rekening gelaten, moet zij tot de vervolging langs de flanken der infanterie voorkomen en in de gevallen, waarin de kavallerie vóór de infanterie in werking komt, moet zij als zij teruggeslagen wordt, langs de flanken der infanterie terugtrekken, ten einde deze niet in hare vlugt mede te slepen. Daaruit vloeit de regel voort, dat al worden de wapens eener divisie in den beginne ook al meer of minder achter elkander gedeploijeerd, het front der infanterie toch van dat der naburige divisiën door toereikende tusschenruimten moet gescheiden zijn, in welke tusschenruimten de overige wapens, al is het dan niet dadelijk eene plaats ter opstelling, dan toch in den loop van het gevecht eene plaats tot werking vinden. - De laatste regel voor de vechtwijze van verbondene wapens is, dat men ter juister tijd het een of het andere wapen buiten werking moet weten te laten en niet elk oogenblik en op elk punt van alle gelijktijdig gebruik moet willen maken.

Vedel.

Zie Straffen.

Vedet.

Schildwacht der kavallerie. Zie Veiligheidsdienst.

[p. 274]

Vee.

Het woord wordt in militairen zin voor alle viervoetige dieren, in den regel met uitzondering van de paarden gebruikt. Men onderscheidt trekvee ezels, muildieren, enz. en slagtvee, naarmate de dieren gebruikt worden tot het vervoeren van lasten of tot voeding.

Veen.

Zie Broekland.

Veer.

Elastische metalen onderdeelen van werktuigen, gewoonlijk van staal in verschillende gedaanten, eenvoudig, tweearmig, zoo als de veren aan het gewone geweerslot, spiraalvormig, zoo als de veer van het Pruissische naaldgeweer; de veerhaak dient tot het zamendrukken en vasthouden van de slag- en stangveer, bij het uiteennemen van het geweerslot.

Veerpont.

Een vaartuig tot het overzetten van wateren, hetzij eenvoudig of uit verschillende gekoppelde kleine vaartuigen bestaande en van een dek voorzien. Zie Gierbrug, Rivierovergang, Wateren.

Veiligheidsbuis.

Zie Espingolen.

Veiligheidsdienst.

Het is onmogelijk, dat eene troepenafdeeling, die zich hetzij in kampen of kantonnementen of op marsch bevindt altijd geheel slagvaardig zij; haar hoofddoel in dien toestand is het gevecht niet; in het eene geval, wil zij uitrusten, in het andere eene bepaalde plaats bereiken. Het is echter nooit alleen van haar afhankelijk, of een slag zal geleverd worden, ja dan neen; zoodra zij in de werkzame nabijheid van den vijand is, hangt het ook van dezen af. Wil nu de vijand het gevecht, dan moet die troepenafdeeling eerst uit den staat van rust of van beweging tot dien van slagvaardigheid overgaan en daartoe heeft zij tijd noodig; die tijd moet gezocht worden. Dit kan geschieden, gedeeltelijk doordien men vroegtijdig berigt krijgt van de nadering des vijands, zoodat men zich geheel slagvaardig kan maken, alvorens met hem in aanraking te komen, gedeeltelijk doordien men den vijand beletselen in den weg legt, die zijnen voortgang stuiten en die hem langer ophouden, dan wanneer die beletselen niet voorhanden waren. Indien men aan den anderen kant zelf den vijand opzoekt om hem slag te leveren, dan is het volstrekt niet onverschillig op welke wijze men zich tot het voorgenomen gevecht ontwikkelt; de doelmatigste wijze waarop dit geschieden kan, is evenwel grootendeels afhankelijk van de voornemens en de toebereidselen des vijands en het is dus van groot belang deze bij tijds te leeren kennen, eer men werkelijk met hem in aanraking komt en het voorgenomen gevecht beginnen moet. Voor deze verschillende doeleinden, zondert men van de hoofdmagt een gedeelte af, dat zich digter bij den vijand moet ophouden dan de hoofdmagt; dit gedeelte heeft de bestemming elke verrassende aanraking van den vijand met de hoofdmagt, welke deze onvoorbereid zoude vinden, te verhinderen en wordt daarom veiligheidstroep, voorhoede, enz., de dienstverrigtingen daarvan veiligheidsdienst of voorpostendienst genoemd. Daar een marcherende troep in andere omstandigheden verkeert, als een troep in staat van rust en in het eene geval andere maatregelen voor de veiligheidsdienst noodig zijn als in het andere, zoo onderscheidt men de voorpostendienst in staat van rust en de voorpostendienst in staat van beweging.

Voorpostendienst in staat van rust.

Een leger dat stilstaat in een kamp, bivouac of kantonnement en zich tegen eene overvalling wil verzekeren, zendt naar de zijde van den vijand eene troepenafdeeling vooruit, die den naam van voorhoede draagt. Deze blijft niet geheel vereenigd, maar stelt op de voornaamste wegen, die naar den vijand geleiden, sterke afdeelingen, die voorposten-detachementen genoemd worden en die zich op hunne beurt naar de zijde des vijands met eene reeks van wachten, veldwachten geheeten, omringen; de veldwachten eindelijk

[p. 275]

stellen eene keten van posten uit, schildwachten genoemd als zij uit infanterie, vedetten als zij uit kavallerie bestaan. Men kan geene bepaalde regels opgeven noch voor de sterkte der voorhoede, noch voor den afstand, waarop hare verschillende deelen van de hoofdmagt of onderling moeten staan. Wat het eerste punt betreft, moet men allijd in het oog houden, dat de voorhoede den vijand zoo lang moet tegenhouden, tot dat het leger den tijd heeft gehad om zich zamen te trekken. Hoe meer dus het rustende leger verspreid is, des te langer moet de voorhoede den vijand tegenhouden, des te verder moet zij dus vooruit gebragt worden en des te sterker moet zij zijn, om niet geheel verslagen te worden. Voegt men daarbij nog de gesteldheid van het terrein, die zoowel voor- als nadeelig kan zijn voor de verdediging, dan zal men het onmogelijke van vaste bepalingen duidelijk inzien. Wij willen echter als leiddraad eenige algemeene opgaven laten volgen, die echter volstrekt niet als regel moeten beschouwd worden. Voor een detachement van 100 man kan men nemen 1/3, voor 1000 man 1/4, voor 10000 1/5 à 1/6, voor nog grooter magt 1/7 à 1/8. Voor een leger van 4 divisiën zou men eene voorhoede van hoogstens eene divisie, minstens eene brigade kunnen nemen, terwijl zij in allen gevalle uit de drie wapens moet bestaan; zij zou op 2 à 3 uren of meer of minder vóór het leger kunnen staan, terwijl men voor hare plaatsing een terrein uitkiest, dat voordeelen ter verdediging en goede terugtogtswegen oplevert.

Het gros der voorhoede zou daar opgesteld worden, doch 1/3 van hare magt in voorposten-detachementen oplossen. Deze worden geplaatst op alle hoofdwegen, die van den vijand naar het leger voeren en moeten tevens de flanken daarvan verzekeren. Zij bestaan gewoonlijk uit de drie wapens en moeten in eene geschikte verdedigende stelling geplaatst worden, op 1/2 of 1 uur van de voorhoede, altijd met in achtneming van de reeds boven aangeduide wijzigingen. De veldwachten, welke van die voorposten-detachementen uitgezonden worden, moeten eene zamenhangende keten uitmaken, zoodat die van het eene detachement in verband staan met die van het volgende en evenzoo moeten de schildwachten en vedetten met elkander in verband staan. Kavallerie-veldwachten kunnen op 2000 à 3000 passen vóór de detachementen staan, zij kunnen 2500 passen onderlingen afstand hebben en hare vedetten 1500 passen vooruit schuiven; infanterie-veldwachten kunnen 1500 passen vóór de detachementen staan, onderling 600 pas verwijderd zijn en hare schildwachten 300 à 500 passen vooruit stellen. Bij de plaatsing der voorposten, moet men zoo veel mogelijk de volgende hoofdregelen in acht nemen: De naast elkander staande schildwachten moeten elkander zien en door de veldwacht gezien worden; het terrein naar 's vijands zijde moet geheel kunnen worden gadegeslagen; de veldwachten moeten alle wegen afsluiten, die van den vijand naar het eigen leger voeren en de afstand van de verschillende deelen van de voorpostenketen onderling en van het leger, mag niet zóó klein zijn, dat men daardoor gevaar loopt, dat de vijand spoedig tot het leger doordringt en niet zóó groot, dat de terugtogt van sommige deelen der voorpostenketen in gevaar zou kunnen komen.

In het algemeen is de taak der voorposten niet om het terrein waarop zij staan te bezetten, maar wel om zich daarvan te bedienen ten einde den vijand tegen te houden en tijd te doen verliezen. Zij moeten bij eenen ernstigen aanval langzaam en strijdende terug trekken, zich hoe langer hoe meer concentreren en eerst dan eenen krachtigen weerstand bieden, als zij vereenigd en in eene goede stelling staan en geen gevaar meer loopen van afgesneden te worden.

Eene veldwacht kan bestaan uit infanterie en kavallerie, somtijds uit beide wapens, hetgeen vooral van de terreinsgesteldheid zal afhangen. Hare sterkte hangt

[p. 276]

af van het aantal posten, dat zij moet uitzetten; ieder man van de veldwacht moet niet meer dan 8 uur van de 24 op schildwacht staan, zoodat de sterkte eener veldwacht, minstens 3 maal het aantal schildwachten moet bedragen, waarbij nog eenige manschappen gevoegd worden voor het doen van patrouillen en andere diensten. De plaats der veldwacht wordt meestal door den staf aangewezen, zoo veel mogelijk nabij, maar nooit op eenen weg, liever achter dan voor een défilé en steeds zoo bedekt mogelijk. Slechts zelden zal zij zich verschansen, alleen dan wanneer zij zich achter een défilé bevindt, waardoor de vijand volstrekt moet komen. De schildwachten worden zoodanig geplaatst, dat zij bedekt staan voor den vijand, maar gezien kunnen worden door de schildwacht voor het geweer bij de veldwachten of door tusschenposten. Op de gevaarlijke punten of op de punten waar men den vijand zeer naauwkeurig bewaken moet, worden dubbele posten geplaatst. De posten moeten onafgebroken opmerkzaam zijn en al hetgeen zij opmerken aan de veldwacht mededeelen, hetzij door signalen, door mondelinge rapporten of zoo daartoe de tijd ontbreekt, door losbranding van het geweer.

Tot het verkennen van alle aankomende personen wordt een examineertroep (zie Examineertroep) bestemd.

Eene veldwacht moet hare veiligheid vooral verzekeren door kleine patrouillen, visiteerpatrouillen om langs de postenketen te gaan, ten einde zich van de waakzaamheid der schildwachten te overtuigen; doorzoekings-patrouillen om het bedekt terrein vóór de voorpostenketen te doorzoeken; verkennings-patrouillen, die in de rigting vooruitgaan, waar men den vijand vermoedt; sluip-patrouillen, die uit 1 of 2 man bestaan, welke in de grootste stilte tot digt bij een post of stelling des vijands sluipen, om die te leeren kennen. In het algemeen dienen alle patrouillen tot het opsporen en verkennen des vijands, het doorzoeken van het terrein en het inwinnen van berigten van allerlei aard en moeten zij dat doel zooveel mogelijk zonder gevecht bereiken.

Op dezelfde wijze moet elke veldwacht door kleine patrouillen de gemeenschap met de naburige veldwachten en de achterstaande soutiens of voorposten-detachementen onderhouden.

In het stelsel der veldwachten bestaan bij verschillende legers groote verschillen; bij de Franschen bijv. schuift de veldwacht op ongeveer 200 passen, kleine posten van 1 korporaal en 4 man vooruit, die elk eene schildwacht uitzetten, welke om het uur wordt afgelost; bij de Oostenrijkers en Zwitsers worden van elke veldwacht eenige kleinere veldwachten, zoogenaamde voorwachten vooruitgezonden, welke ieder 2 of 3 schildwachten stellen en aflossen; de veldwacht is dan alleen de reserve der voorwachten en bepaalt zich tot het uitzenden van patrouillen.

Welk stelsel men nu ook moge volgen, zoo zal bij eene gebrekkige regeling steeds een groot aantal manschappen voor de V. moeten gebruikt worden, terwijl men alle reden heeft om daarmede hoogst spaarzaam te werk te gaan. Daartoe kan men nu bijv. geraken door niet den geheelen omvang der legerplaats, maar alleen een gedeelte daarvan door schildwachten te dekken. In den regel is dit mogelijk; want indien geregelde troepen tegenover elkander staan, heeft elke partij een bepaald front, bepaalde voornemens en de tegenpartij zal tamelijk naauwkeurig kunnen nagaan, in welke rigting zij iets te vreezen heeft. Zij vormt dus ook slechts voor haar front en in hare flanken eene geregelde postenketen, met daarachter staande veldwachten, vergenoegt zich in den rug slechts met zwakke politiewachten, die in kampen en bivouacs gewoonlijk brandwachten genoemd worden. De flanken kunnen gedekt worden door de postenketen haaksgewijze naar achteren om te buigen of door

[p. 277]

de postenketen in het front doelmatig te verlengen. Men bezigt bij kampen en bivouacs gewoonlijk het eerste stelsel en noemt hier de veldwachten, welke het front dekken frontwachten, die in de flanken flankwachten.

Bij eenen vijandelijken aanval moet de veldwacht stand houden, indien het niet ernstig maar slechts eene alarmering blijkt te zijn. Is de aanval ernstig dan trekt de veldwacht bij dag en tirailleur terug, waarbij de versterkte schildwachtenketen de tirailleurlinie, het overige het soutien uitmaakt. Die terugtogt geschiedt langs eenen omweg op den naastbijzijnden ondersteuningstroep. Bij nacht trekt de veldwacht in gesloten orde langs de hoofdwegen terug, houdt van tijd tot tijd stand en kan zelfs tegenaanvallen doen. De soutiens, replis of piketten worden geplaatst dáár waar de veldwacht te ver van het voorpostendetachement verwijderd is of waar zich tusschen beiden een défilé bevindt, dat men bezetten wil, om den terugtogt te verzekeren. Zij onderhouden door gedurig patrouilleren gemeenschap met de voorliggende veldwachten en het achterstaande voorposten-detachement. Worden de veldwachten aangevallen, dan moet de soutien, naar gelang der ontvangene bevelen, die veldwachten ter hulp snellen of ze opnemen, in welk geval de plaats waar de soutien staat, zooveel mogelijk versterkt moet worden.

De voorposten-detachementen zijn gewoonlijk geplaatst achter het midden der vooruitgeplaatste veldwachten; zij zijn bestemd om langer weerstand te bieden, bestaan daartoe meest uit de drie wapenen en bezetten eene gunstige stelling op of nabij de hoofdwegen, die naar het leger voeren. De voorhoede eindelijk moet den vijand zelfs ten koste van verliezen, tegenhouden, tot dat het leger vereenigd is en alle voorliggende voorposten-detachementen zich bij haar aangesloten hebben. Zij onderhoudt de gemeenschap met de overige deelen der voorposten door gedurige patrouillen uit te zenden, door welk middel zij tevens de flanken van het leger tegen eene omtrekking verzekert.

Bijzondere omstandigheden kunnen somtijds de boven vermelde algemeene verpligtingen der verschillende deelen van het voorpostenstelsel wijzigen. Zoo tracht men meestal de uiterste schildwachtenketen te dekken door eene of andere terreinafscheiding, maar als men voornamelijk ten doel heeft den vijand gade te slaan, dan zet men de schildwachtenketen zoo nabij den vijand als mogelijk is, zonder veel op het terrein te letten. Indien een leger na het einde van eenen marsch een bivouac betrekt, dan kan ook de plaatsing der voorposten niet zoo geregeld gaan, alsof men reeds langen tijd op die plaats had gestaan. Men plaatst dan op de wegen sterke veldwachten, die door voorposten-detachementen ondersteund worden en verzekert vooral door herhaalde patrouillen, de veiligheid van het leger.

De voorpostendienst voor eene ingeslotene vesting wordt nog door bijzondere regels beheerscht. Hier bepaalt men eerst de plaats der schildwachten, dan die der veldwachten en eindelijk die der voorposten-detachementen, omdat hier alles naar den vijand in de vesting geregeld wordt.

Voorpostendienst in staat van beweging.

Eene troepenafdeeling, van welke sterkte ook, wordt gedurende den marsch in front beschermd door eene voorhoede, op de vleugels door flankdekkingen, in den rug door eene achterhoede. De sterkte en zamenstelling dier deelen zullen zeer onderscheiden zijn, naarmate men den vijand van de eene of andere zijde verwacht; al die deelen strekken echter om het leger aan 's vijands gezigt te onttrekken, berigt te geven van zijne nadering en vooral hem zóó lang op te houden tot dat het leger eene goede verdedigende stelling heeft kunnen innemen. De voorhoede moet bovendien het terrein, waarover het leger moet marcheren, leeren kennen en voor dien marsch inrigten.

[p. 278]

De sterkte van de voorhoede en de afstand, waarop zij zich van het leger mag verwijderen hangen voornamelijk af van den tijd dien het leger noodig heeft om van den marschvorm tot den gevechtsvorm over te gaan. Deze tijd hangt af van de sterkte van het leger en vooral ook van de omstandigheid of dat leger langs een of langs verschillende digt bij elkander liggende wegen marcheert. Als eene gemiddelde opgave kan men aannemen, dat een leger van 4 divisiën, hetwelk den vijand in front moet verwachten, ééne divisie tot voorhoede kan nemen en dat die voorhoede zich 1 à 2 uren van het leger kan verwijderen.

De voorhoede moet uit de drie wapens bestaan, omdat die verhouding alleen kracht genoeg geeft, om eenigen tijd het gevecht tegen eene vijandelijke overmagt vol te houden. Die voorhoede blijft niet geheel vereenigd, maar heeft weder voor zich eene kleinere afdeeling, die voortroep heet en zijwaarts twee andere kleine afdeelingen, die den naam vau zijtroepen dragen. Somtijds wordt van het gros der voorhoede nog een soutien afgezonderd, om den voortroep tot ondersteuning te dienen. Is de voorhoede zeer sterk dan behoeft niet alles dadelijk in gevecht te komen en men kan eene reserve der voorhoede afscheiden.

De voortroep eener sterke voorhoede bestaat gewoonlijk uit de drie wapens, bij eene zwakke voorhoede meestal alleen uit kavallerie, behalve als de landstreek, waardoor men marcheert, zeer bedekt en doorsneden is, in welk geval men alleen infanterie neemt. De voortroep kan 1/4 of minder van de geheele voorhoede zijn. Haar afstand tot aan het gros der voorhoede kan 1/4 tot 1/2 zijn van den afstand der voorhoede tot het leger. De marschvorm regelt zich naar het terrein. Indien dit open is, dan gaat eene spits uit 1 korporaal en 2 man bestaande vooruit, daarachter op eenige honderd pas regts en links van den weg, eene linie kavallerie-tirailleurs (éclaireurs) met hare soutiens. Deze wordt weder ondersteund door infanterie in kompagnieskolonnen. Het overige volgt over dien weg, met het wapen vooraan, dat het eerst in gevecht moet komen. Is het terrein bedekt of doorsneden, dan komt de infanterie meer op den voorgrond. Zoo mogelijk voegt men bij den voortroep, een detachement pionniers om terreinhindernissen uit den weg te ruimen.

De zijtroepen bestaan dikwijls slechts uit één wapen, kavallerie of infanterie, naarmate van het terrein; wanneer zij sterk zijn voegt men er eene sectie artillerie bij. Volgens de Fransche schrijvers moeten zij ter hoogte van de hoofdmagt der voorhoede marcheren, volgens de Duitsche ter hoogte van den voortroep. Zij kunnen even ver van den weg zijn, die door de hoofdmagt gevolgd wordt, als de afstand van den voortroep tot de voorhoede bedraagt. Zij vormen insgelijks eene beschermende keten en onderhouden vooral de gemeenschap met de hoofdmagt.

De soutien marcheert bij grooten afstand tusschen den voortroep en den hoofdtroep der voorhoede, op gelijken afstand van beiden. Zij bestaat soms uit de drie wapens; somtijds uit infanterie als de voortroep vooral uit kavallerie bestaat of omgekeerd.

De hoofdtroep der voorhoede marcheert over den grooten weg, met dat wapen vooraan, dat waarschijnlijk het eerst zal moeten optreden. Op het eerste bataillon of eskadron volgt onmiddelijk een gedeelte der artillerie.

De reserve der voorhoede marcheert achter den hoofdtroep en bestaat vooral uit die gedeelten, welke niet dadelijk in gevecht moeten komen. Het is duidelijk in te zien, dat van alle deelen der voorhoede, de voortroep de zwaarste taak te vervullen heeft. Hij moet alle terreindeelen naauwkeurig laten doorzoeken om het leger tegen verrassende aanvallen en hinderlagen te beveiligen; hij moet berigten van den vijand trachten in te winnen en die onverwijld mededeelen aan den kommandant

[p. 279]

der voorhoede; hij moet het terrein opnemen en de gunstige stellingen opmerken. Stoot hij op den vijand, zonder dat deze hem ziet, dan stelt hij zich bedekt op en tracht de sterkte, stelling en voornemens van den vijand te weten te komen. Ziet de vijand hem, maar blijft hij in zijne stelling staan, dan tracht de voortroep die stelling door kleine aanvallen te verkennen. Valt de vijand aan, dan trekt de voortroep op den hoofdtroep terug en houdt met dezen stand of trekt verder op het hoofdleger terug. De zijtroepen moeten het aan weerszijden van den weg gelegen terrein doorzoeken en de voorhoede tegen flankaanvallen beschermen. Indien het leger halt maakt, vormt de voorhoede de beschermende keten.

De flankdekkingen dienen om het leger gedurende den marsch tegen vijandelijke flankaanvallen te verzekeren. Hare sterkte hangt dus wel af van de meerdere of mindere waarschijnlijkheid van zulk eenen flankaanval, alsmede van de lengte der marcherende kolonne. Zij hebben als afzonderlijk marcherende afdeelingen, hare eigene voorhoede, achterhoede of zijtroepen. Door het gedurig uitzenden van patrouillen blijven zij steeds in gemeenschap en op gelijke hoogte met het leger. Zij moeten trachten geene groote terreinafscheidingen tusschen zich en het leger te laten en zoo zulk eene terreinafscheiding in de nabijheid is, nagenoeg evenwijdig aan de marschlijn van het leger, dan moeten zij de verschillende overgangen bij die terreinafscheiding achtervolgens bezetten of gadeslaan.

De achterhoede zal eene zeer verschillende sterkte en zamenstelling hebben, naarmate van den toestand van het marcherende leger en het doel van den marsch. Bij eenen frontmarsch is zij zeer onbeduidend en dient alleen tot bewaking der bagaadje en tot sluiting van den marsch, behalve wanneer men door eene landstreek marcheert, wier bevolking vijandig is, in welk geval de achterhoede sterker moet zijn. Is daarentegen het leger terugtrekkend, dan moet zij even sterk zijn zamengesteld als de voorhoede bij eenen frontmarsch. De achterhoede heeft boven de voorhoede het voordeel, dat zij het terrein niet behoeft te verkennen en te doorzoeken; bij eene ernstige vervolging door den vijand daarentegen wordt dit voordeel door vele nadeelen opgewogen. Zie Terugtogt, Vervolging.

De V. in den uitgebreidsten zin van het woord, kon natuurlijk bij de legers nooit ontbeerd worden; zij werd evenwel op zeer verschillende wijzen uitgevoerd, naarmate van de zamenstelling dier legers en van den aard der oorlogvoering. Bij de Ouden was de V. zeer volmaakt, in de latere middeleeuwen, in den riddertijd was dit veel minder het geval, daar de legers zeer onbewegelijk waren en overvallingen tegen de toen heerschende denkbeelden streden. In den nieuweren tijd nam de regeling van de V. eene hoogere vlugt, vooral in de godsdienstoorlogen in het laatst der 16de en in het begin der 17de eeuw, die het kenmerk van burgeroorlogen droegen, waarin men nooit op zijne veiligheid mag vertrouwen. Daarvoor werd nu een zeer geschikte troep de haakbusschutters te paard gevormd, even geschikt om overvallingen te doen, als om die tegen te gaan en tot op den huidigen dag zal men niet kunnen ontkennen, dat ligte kavallerie, die buitendien even goed te paard als te voet kan strijden, het meest geschikt is voor de V. In de militaire regels over de dienst der kavallerie door den ridder Melzo in het begin der 17de eeuw uitgegeven, is de V. in al hare deelen zeer duidelijk en zeer naauwkeurig behandeld. Op het einde der 17de eeuw, met de invoering der staande legers, met het pedantismus der linietaktiek, met de moeijelijkheden van den overgang uit den marsch tot den gevechtsvorm, kwam deze diensttak weder in verval, tot dat de Oostenrijksche Croaten en huzaren en de daarmede wedijverende Pruissische huzaren - dus weder ligte kavallerie - hem weder tot eere bragten. Onze tegenwoordige taktiek met de beweeg-

[p. 280]

baarheid der troepen en de zelfstandigheid der afzonderlijke afdeelingen, die zij steeds tracht te bereiken en ook dikwijls verkrijgt, is zeer geschikt om de V. tot eenen hoogen trap van volmaaktheid te brengen, die echter ook noodzakelijk is. Dikwijls evenwel zal men zien, dat vooral bij gelukkige oorlogvoering van een leger, de V. daarbij verwaarloosd wordt, en dit, zoo als wel van zelf spreekt, nooit ten voordeele van dat leger. Dit kan men reeds opmerken bij de Franschen in het jaar 1805 en nog in veel hoogeren graad later, zoodat Napoleon er zich dikwijls genoeg over beklaagde en welligt ook vele zijner latere nederlagen gedeeltelijk aan die verwaarloozing te wijten had, welke langzamerhand ingeslopen was en die hij later niet meer met dezelfde geestkracht als in 1805 wist te onderdrukken. Daar men reeds meermalen de opmerking gemaakt heeft, dat alle onbeschaafde of wilde volken meer geschikt zijn voor de V. als de beschaafde, zou men daaruit den regel kunnen afleiden, dat de natuurlijke gave van den mensch om gevaren te ontdekken of voordeelen op te merken, niet door te veel reglementaire bepalingen mag onderdrukt worden en dat men beter doet, zooveel mogelijk de natuur te laten werken, zonder die door werktuigelijke voorschriften te vervangen. Over de veiligheidsdienst bij militaire bruggen, zie men Bruggen. - Bij de vloten wordt de V. zoowel in staat van rust als in dien van beweging door kleinere schepen en fregatten en in onzen tijd voornamelijk door ligte stoomschepen verrigt, die in het eerste geval voor de havens kruisen, waarin hunne vloten voor anker liggen, in het laatste hunne vloten omgeven, om de nadering des vijands te ontdekken, zijne sterkte te verkennen en hem, zoo er eenig vooruitzigt op gunstig gevolg bestaat, aan te vallen en op te houden.

Veld.

Zie Trekken, Handvuurwapens.

Veldaffuit.

Zie Affuit.

Veldapotheek.

Zie Geneeskundige Dienst.

Veldartillerie.

Zie Artillerie.

Veldbataillon, Veldeskadron, Veldregiment.

Benamingen dikwijls gebezigd voor troepenafdeelingen, die tot het actieve leger behooren, in tegenstelling tot de depôts of andere afdeelingen, die in de garnizoenen achterblijven.

Veldbatterij.

Zie Batterij.

Veldbed.

Een ligt ijzeren of houten ledikant met het daarbij behoorende beddegoed, werd ten tijde, dat de troepen in het veld algemeen onder de tenten gelegerd werden, ten minste door de hoogere officieren mede gevoerd.

Velddienst.

Eigenlijk elke dienst, die te velde te verrigten is, zeer dikwijls wordt daardoor meer bijzonder de veiligheidsdienst (zie Veiligheidsdienst) en in het bijzonder de voorpostendienst bedoeld.

Veldflesch.

Eene blikken of nog beter eene glazen met vlechtwerk of leder overtrokken flesch, die gewoonlijk aan een touw of aan een lederen riem over den schouder gedragen wordt, en waarin de soldaat een kleine voorraad drank, wijn, jenever of water met azijn medevoert.

Veldgeschrei.

Gelijkluidend met contresigne. Zie Parool.

Veldhalster.

Zie Paardentuig.

Veldheer.

De opperbevelhebber van een leger. Met zijnen staf moet hij de ziel van het leger zijn en te gelijk de vertegenwoordiger van de regering bij het leger en tegenover den vijand in alle militaire zaken. De meest noodzakelijke eigenschap van den veldheer is een vast en gelijkmatig karakter, voorts eene grondige kennis, die volstrekt niet speciaal behoeft te zijn. De veldheer moet den staatsman en den troepenaanvoerder in zich vereenigen, daar de oorlog slechts staatkunde met geweld is; alle veldheeren, die als souvereinen met hunne eigene legers hunne eigene staat-

[p. 281]

kunde uitvoerden, hadden boven de anderen een middel tot grootheid voor; degenen die hen in eene andere stelling ter zijde wilden streven, moeten trachten zich de staatkunde hunner vorsten eigen en tot de hunne te maken.

Veldhospitaal.

Gelijkluidend met ambulance.

Veldjagers (Rijdende).

Een troep in Pruissen tot de koerierdienst bestemd, dat voltallig gehouden wordt door jonge lieden, die zich aan de houtvesterij willen wijden en naar opperhoutvestersplaatsen dingen; in Wurtemberg is het een korps voor de legerpolitie bestemd. Vroeger noemde men de jagers te voet, die bij het leger waren ingedeeld veldjagers om ze te onderscheiden van de burgerlijke ambtenaren bij de houtvesterij, bijv. Tyroolsche veldjagers, regiment Paltz-Beijersche jagers. In denzelfden zin heeft men thans ook bij de Zweedsche infanterie regimenten veldjagers.

Veldketel, Veldkeuken.

Zie Kookinrigtingen.

Veldmaarschalk.

Zie Generaal.

Veldmanoeuvre.

Zie Exercitiën. Wat de inrigting der veldmanoeuvres betreft, loopen de denkbeelden der militairen zeer uiteen; terwijl sommigen verlangen, dat de dispositie voor elke der partijen alleen het doel, dat door het gevecht bereikt moet worden en ook nog de grenzen moet aangeven, waarin zij zich moeten bewegen en al het andere aan hen moet overlaten, willen anderen door de dispositie het schijngevecht in bepaalde momenten verdeelen en aan elke partij hare voornaamste bewegingen voorschrijven. Gene gaan van het oogpunt uit, dat de veldmanoeuvres voornamelijk oefeningen voor de hoogere bevelhebbers en hunne staven zijn en dat men, om ze nuttig te maken, voor deze de in de werkelijkheid zoo gewigtige onzekerheid der