Deze studie beoogt een taalkundig verantwoorde beschrijving van de persoonsnaamgeving te verschaffen in het Centraal-Zuidbrabantse dialekt (CZB) van Tildonk [P 21] (gemeente Haacht)(1). Enkele honderden persoonsnamen (PN) werden opgetekend uit de mond van oudere en jongere inwoners in het jaar 1967. Hier en daar wordt er vergeleken met andere dialekten of talen.
Het is niet de bedoeling een uitputtende beschrijving te geven van alle aspekten eigen aan PN. De voornaamste kenmerken van de PN worden ondergebracht in drie komponenten:
1) de synchronisch-linguïstische komponent;
2) de diachronisch-linguïstische komponent;
3) de sociolinguïstische komponent.
De synchronische en de diachronische komponent worden in onderhavig artikel behandeld. De sociolinguïstische studie komt in een volgende aflevering van Naamkunde aan de orde.
Voor wat de presentatie van het materiaal betreft, hebben we de voorkeur gegeven aan een eenheidsglossarium boven een exhaustieve vermelding van al de relevante PN onder de verschillende rubrieken. Dit laatste alternatief sluit immers het nadeel in dat elke PN ettelijke malen opnieuw vermeld zou dienen te worden. Wel geven we expliciet een klein aantal voorbeelden onder de respektieve sekties. Voor verdere voorbeelden raadplege men dus het glossarium.
verkrijgen in het systeem zoals dat zich op het huidige ogenblik voordoet. Als indeling voor de PN lijkt een driedeling voor de hand te liggen in:
| voornamen (VN): inz. officiële doopnamen; |
| bijnamen (BN): inz. nieuwvormingen uit soortnamen; |
| kollektiefnamen (KN): inz. officiële familienamen (fn.). |
De taalkundige definities van dergelijke kategorieën zijn erg afhankelijk van het taal- of dialektsysteem(2).
Voor het hier behandelde CZB is het wezenlijke kenmerk van de VN dat hij in komplexe PN-konstrukties altijd vooraan staat, nl. dat hij niet door propriale elementen voorafgegaan wordt. Dit is bv. niet zo in Nederlandse administratieve taal, waarin men, vooral in alfabetische lijsten, de KN (familienaam) kan laten voorafgaan aan de VN, vgl. Jan Janssens vs. Janssens, Jan.
Wel kan men titels of adjektieven voorvoegen, maar dat zijn dan niet-propriale elementen (= niet-eigennamen), bv. Meneer Jan Janssens; Zwarte Miel.
In sommige dialekten, zowel Noord- als Zuidnederlandse, bestaat nog een oud patroon waarbij een (vaak gegenitiveerde) KN het eerste lid uitmaakt van een samenstelling met een VN, bv. in het land van Aalst (De Meyer & Boel 1956); te Borne in Twente (Nuijtens 1962: 212):
| Dobbeleers-Kamiel (Kamiel De Dobbeleer) |
| Boecke-Jan (Jan De Boeck) |
| 'n óólen Kuikers-jaan (den ouden Jaan Kuikers) |
Als VN gelden normalerwijze officieel vastgelegde en vaak nog kerkelijk aanvaarde naamsvormen, met hun vele verkortingen en eventuele suffigeringen. Deze twee processen zijn opvallend sterk vertegenwoordigd in de voornaamgeving. Dit is begrijpelijk als men bedenkt dat het gebruik van VN zich veelal afspeelt in de meer intieme, affektieve sfeer van het gezinsleven en de omgang met vrienden en kennissen.
a). Verkortingen kunnen op een viertal manieren gerealizeerd worden:
| i) | door het wegvallen van de beginsyllabe(s), bv.
|
||||
| ii) | door het wegvallen van de eindsyllabe(s), bv.
|
||||
| iii) | door het wegvallen van begin- en eindsyllabe(s), bv.
|
||||
| iv) | door samentrekking (kontraktie), d.i. het wegvallen van het midden, bv. /mı:/ < Marie. |
b). VN krijgen bovendien vaak expressieve suffixen, nl. diminutief- en augmentatiefsuffixen.
i) Het vormen van een diminutief gaat meestal, zij het niet altijd, gepaard met verkorting van de naamsvorm. Het Brabantse suffix -ke(n), dat etymologisch hetzelfde is als het Algemeen Nederlandse -(t)je, vertoont in het Tildonks drie allomorfen: -ke, -eke, -ske(3).
Deze varianten zijn grosso modo fonologisch gekonditioneerd, d.i. de te kiezen variant hangt af van de eindklank van het woord(4):
1o -/skə/:
| na velaren: | |
| /rık-skə/ (Hendrik) | ʒaŋ-skə/ (Jean) |
| na velaren + /ə/: | |
| /fɔk-skə/ ~ /fɔkə/ (Fons) | /ıŋ-skə/ ~ /iŋə/ (Inge) |
Deze gevallen op /velaar + ə/ vormen geen onregelmatigheid: de ‘bedoeling’ van de -skə-variant is dissimilatie, het wegwerken van twee gelijkluidende opeenvolgende klankreeksen. Immers, als men de allomorfen -kə en -əkə zou gebruiken waar nu -skə staat, zou men het volgende bekomen:
| */rık-əkə/ | */ʒaŋ-əkə/ |
| */fɔkə-kə/ | */ıŋə-kə/ |
In alle vier deze gevallen zou men dus tweemaal na elkaar de klankreeks /velaar + ə/ bekomen. Dit wordt onbewust ‘vermeden’ door de variant -/skə/ te gebruiken.
2o -/kə/:
| na vokalen en halfvokalen: | |
| /rəneı-kə/ (René) | /swɔj-kə/ (François) |
| na /ə + konsonant/: | |
| /pı:tər-kə/ (Pieter) | |
| na stemloze frikatieven (behalve velaren): /f/, /s/, /ʃ/: | |
| /staf-kə/ (Gustaaf) | /fɔns-kə/ (Alfons) |
| na verkorte vokaal + dentaal: | |
| /fıŋ-kə/ ~ /fı:n/ (Jozefien) |
3o -/əkə/: in de overige gevallen:
| na /t/, /d/, /z/, /ʒ/ (indien niet voorafgegaan door verkorte vokaal): | |
| /kɔlet-əkə/ (Colette) | /lɔd-əkə/ (Lodewijk) |
| /treız-əkə/ (Thérèse) | |
| na /p/,/b/,/v/: | |
| /flyp-əkə/ (Filip) | /kɔub-əkə/ (Jacobus) |
| /lı:v-əkə/ (Godelieve) | |
| na /m/, /n/, /l/, /r/ (indien niet voorafgegaan door /ə/): | |
| /lam-əkə/ (Gillam) | /pɔl-əkə/ (Leopold) |
| /jan-əkə/ (Jan) | /bɛ: r-əkə/ (Albert) |
ii) Het augmentatief vertoont in het Tildonks twee systemen: een oud en een nieuw.
1o Het oude systeem.
Het augmentatiefsuffix gaat altijd gepaard met verkorting van de naamsvorm. Het is -/ə/, komt overeen met Westvlaams -en (vgl. Bert-en) en gaat terug op het Oudndl. -în-suffix, al meermaals behandeld in de historische grammatika, de dialektologie en de naamkunde5.
Het belangwekkende van dit suffix is dat het nagenoeg alleen voor-
komt bij eigennamen en wel bij VN. Het is een relikt. De eigennaam toont zich hier eigenlijk als konservatief taalelement.
Er zijn slechts een paar voorbeelden van soortnamen met een augmentatiefsuffix(6), maar zelfs die komen vaak nog voort uit een VN. Alle hebben ze het mannelijke genus.
Voorbeelden van propriale oorsprong:
/an-ə/ (Johan), /tɔun-ə/ (Antoon), /ɔəb-ə/ (Huibrecht), /tɛp-ə/ (Jozef).
Voorbeelden van niet-propriale oorsprong:
/lɛm-ə/ (lam), /strɔ'ŋ-ə/ (stront), /lʌb-ə/ (lobbes), /peır-ə/ (père), /mʌt-ə/ (mutten), /bry:r-ə/ (broer).
Deze appellatieven weerspiegelen treffend de affektieve, expressieve sfeer waarin zowel propriale als appellatieve augmentatieven baden. Maar, terwijl diminutieven verwijzen naar het kleine en het lieflijke, refereren augmentatieven naar het grote, het grove, het ruwe. Daarmee hangt samen dat normaal meer jongensnamen dan meisjesnamen geaugmentativeerd worden.
Aan formele zijde doet zich bij het augmentatief een eigenaardigheid voor die op het eerste gezicht onverklaarbaar lijkt. Alhoewel sommige VN wel verkort in gebruik zijn, kunnen zij toch niet de augmentatieve uitgang -/ə/ bekomen. Daarbij is echter een strukturele regelmatigheid vast te stellen: in de omgeving waarin de diminutiefallomorf -/əkə/ uitgesloten zou zijn en -/kə/ verplicht, daar is ook de augmentatief-variant -/ə/ onmogelijk en hebben we te maken met een augmentatieve nulvorm, vgl.
| na vokaal: | /nı:-(kə)/ | vs. */nı-ə(kə)/ (Melanie) |
| na halfvokaal: | /swɔj-(kə)/ | vs. */swɔj-ə(kə)/ (François) |
| na /s/: | /frans-(kə)/ | vs. */frans-ə(kə)/ (Frans) |
| na /f/: | /staf-(kə)/ | vs. */staf-ə(kə)/ (Gustaaf) |
Omgekeerd is bij augmentativering het suffix -/ə/ verplicht waar bij diminutivering het suffix -/əkə/ zich manifesteert(7), vgl.
| na /t/: | */sɛnt-(kə)/ | vs. /sɛnt-ə(kə)/ (Vincent) |
| */net-(kə)/ | vs. /net-ə(kə)/ (Trinette) | |
| na /d/: | */lɔd-(kə)/ | vs. /lɔd-ə(kə)/ (Lodewijk) |
| na /z/: | */dız-(kə)/ | vs. /dız-ə(kə)/ (Desiré) |
| na /p/: | */ʒɛp-(kə)/ | vs. /ʒɛp-ə(kə)/ (Jozef) |
| na /b/: | */kɔub-(kə)/ | vs. /kɔub-ə(kə)/ (Jakobus) |
| na /m/: | */jɔm-(kə)/ | vs. /jɔm-ə(kə)/ (Giljom) |
| na /n/: | */stɛn-(kə)/ | vs. /stɛn-ə(kə)/ (Constant) |
| */tın-(kə)/ | vs. /tın-ə(kə)/ (Leontine) | |
| na /l/: | */neıl-(kə)/ | vs. /neıl-ə(kə)/ (Corneel) |
| */bɛl-(kə)/ | vs. /bɛl-ə(kə)/ (Berta) | |
| na /r/: | */bɛ:r-(kə)/ | vs. /bɛ:r-ə(kə)/ (Albert) |
| */vır-(kə)/ | vs. /vır-ə(kə)/ (Elvire) |
Er is dus een treffende overeenkomst tussen de allomorfen van het augm.-suffix en die van het dim.-suffix:
| dim. -/kə/ naast augm. -ø (nulvorm) |
| dim. -/əkə/ naast augm. -/ə/ |
We noteren dat na velaar, waar het dim.-suffix -/skə/ is, het augm.-suffix ook de allomorf-/ə/ heeft, bv. /rık-skə/ ~ /rık-ə/ (Hendrik).
Dat alles leidt ons tot de vraag: is het augm.-suffix van het dim.-suffix afgeleid, of omgekeerd?
We moeten hier echter oppassen voor de term ‘afgeleid’. Synchronisch is het ene niet afgeleid van het andere. De parallellie is overigens niet volkomen: bij velaren staat tegenover augm. -/ə/: dim. -/skə/. Men kan niettemin dit stellen: als de dissimilatieregel bij het dim.-suffix er niet geweest was, zouden we bij een vorm als /rık/ de variant -/əkə/ gehad hebben, en niet -/kə/, net zoals we ook -/əkə/ krijgen na andere okklusieven, vgl.
| /net-əkə/ ~ | /net-ə/ (Trinette) |
| /flyp-əkə/ ~ | /flyp-ə/ (Filip) |
| */rık-əkə/ ~ | /rık-ə/ (Hendrik) |
Historisch, dus diachronisch is er wel een rangorde. Men heeft nl. uitgemaakt dat het diminutief primair is t.o.v. het augmentatief (cf. Leys (1968: 80) & Roelandts (1966: 11)). Ik illustreer dit even met Tildonks materiaal.
Hierboven spraken we van VN met [verkorte vokaal + n]: /fı:n + kə/ > /fıŋkə/. Die verkorting is in feite het gevolg van een algemenere fonologische regel in onze dialekten: normaal wordt bij
opeenhoping van konsonanten, bv. /n + k/, de voorafgaande diftong of lange vokaal verkort, vgl.
| /bɔək + paən/ > | /bʌkpaən/ (buikpijn) |
| /dı:n + st/ > | /dınst/ (dienst) |
Aldus treedt ook voor de uitgang -/kə/ verkorting op, voor de uitgang -/əkə/ niet. Vaak hebben we variatie bij dezelfde VN, bv. bij /treıs/ (Thérèse):
/tres-kə/ vs. /treız-əkə/
Diachronisch ontstaat uit het korte dim. kennelijk het augm. met een nulvorm als suffix: /tres-ø/. Die korte augm.-vorm is immers niet verklaarbaar zonder een historisch voorafgaande dim.-vorm /tres-kə/. Wat de kronologische primauteit van het dim. tegenover het augm. bevestigt. Een andere interessante trits is:
/fɔ'ŋ'-kə/ ~ /fɔ'ŋ'-ə/ ~ /fɔns-(kə)/ (Alfons)
De vorm /fɔ'ŋ'-ə/ (met een gemouilleerde velare nasaal) is niet verklaarbaar zonder een voorafgaand stadium aan te nemen waarin de dentale /n/ gevelarizeerd werd door kontakt met de /k/ van -/kə/. De uitgang -/ə/ voor het augm. is niet abnormaal, aangezien na [korte vokaal + nasaal] diezelfde uitgang optreedt, vgl.
/tın-ə/ (Leontine), /jɔm-ə/ (Giljom), /fɔ'ŋ'-ə/ (Fons).
Deze talige kronologie dim.-vorm → augm.-vorm is verklaarbaar door een andere, buitentalige kronologie: een mens is uiteraard eerst klein en krijgt dus, als kind, vrijwel zeker een verkleinsuffix bij zijn naam. Pas als hij groot wordt, zal men zijn naam augmentativeren om vergroting en vergroving aan te duiden(8).
Zo is ook te verklaren dat sommige dim.-suffixen een augm. funktie kunnen krijgen na verloop van tijd, zo bv. het suffix -în > -ə(n) was oorspronkelijk een diminutief(9). Zelfs het dim.-suffix -/kə/ schijnt in sommige gevallen tot een augm.-suffix geëvolueerd te zijn, nl. in gevallen als:
/jakə/ (Jan), /fɔkə/ (Fons), /γykə/ (Gust), /bɛkə/ (Albert), /ʒɔkə/ (Jos; Georges), /frakə/ (Frans).
Dus de eindkonsonanten van de (verkorte) VN worden uitgestoten, de vokaal verkort en -/kə/ wordt aangehecht. Volgens Roelandts (1966: 221) zijn dit diminutieven uit de stameltaal die later niet meer als
zodanig worden aangevoeld, en dan gereïnterpreteerd als augmentatieven, ook al vanwege de uitgang -/ə/; men maakt dus een ‘verkeerde’ scheiding: /jak-ə/. Deze formaties zijn echter niet produktief. Het zijn veeleer geïsoleerde relikten, soms als nieuwe VN aangevoeld. Sporadisch verschijnen ook vormen op -/tə/:
/pu'tə/ (Paul), /witə/ (Louis), /tıtə/ (Desiré).
Bij /witə/ is zeker analogie met de Witte in het spel.
2o Het nieuwe systeem.
In het jongere systeem van augm. maakt de morfologische manier van augmentativeren plaats voor een meer analytisch-syntaktische wijze. Meer en meer wordt nl. in CZB dialekten het lidwoord gebruikt met een augm. funktie. Het Antwerpse dialektgebied staat daarmee kennelijk het verst: vrijwel bij alle VN, zowel vrouwelijke als mannelijke vindt men het lidwoord (zie o.m. Beliën 1954).
In het Duits en het Frans is een dergelijk systeem tot de standaardtaal toegelaten: formaties als der Fritz/la Marie, behoren tot de familiare omgangstaal. Het gebruik van het lidwoord is blijkbaar een vrij algemeen Westeuropees verschijnsel en ligt in de lijn van de voortschrijdende deflektie in de Indogermaanse talen.
De rechtstreekse aanleiding tot augmentativering d.m.v. het lidwoord is vermoedelijk het optreden hiervan bij de subklas die het dichtst staat bij augm. VN, nl. de klas der BN, bv. den Dikke, den Dunne, de Smalle, de Platte, de Grootoog enz!
Hoe kan het bepaalde lidwoord deze expressieve funktie uitoefenen? Dit is mogelijk doordat eigennamen in zichzelf al bepaald en gedetermineerd zijn en eigenlijk geen lidwoord nodig hebben. Deze taalvorm komt dan vrij voor andere funkties, i.c. de expressieve funktie (Leys 1965). Dit gebruik van het lidwoord loopt overigens parallel met het gebruik ervan bij demonstratieven. Ook demonstratieven zijn in zichzelf bepaald en gedetermineerd. Ook hier kan het lidwoord expressief werken, vgl. CZB
| de Jan (, die) kan alles. |
| den die (, die) kan alles. |
Voor beide kategorieën is het lidwoord fakultatief; het gebruik ervan signaleert een augm., familiare stijl.
Dit expressieve toepassen van het bepaalde lidwoord is niet tot onze kultuurtaal doorgedrongen. Het is wellicht vanuit Antwerpen verspreid en in Zuidbrabantse dialekten doorgedrongen volgens Lindemans
(1947: 19), maar het wil hem voorkomen dat dit het geval is ‘in vrij beperkte (intellectuele?) kringen (bij studenten o.a.)’! Het is thans veel algemener in Antwerpen en Brabant. Het zou zelfs voorkomen (of voorgekomen zijn) in Noord-Brabant en Zuid-Holland bij BN (al dan niet familienamen) en VN. Van de Ven (1917: 52, 143) haalt enkele voorbeelden aan bij mannelijke VN: den Door, den Thès, de Jan, de Kees. Volgens een peiling door Van Loon (1975) zijn onder invloed van de kultuurtaal die vormen teruggedrongen. Dit zijn dus twee tegengestelde richtingen van ontwikkeling die op de rijksgrens te pletter lopen: de Brabantse tegenover de Hollandse expansie. Eens te meer een voorbeeld van de rijksgrens in de funktie van taalgrens.
In het Tildonks is het lidwoord bij VN ook beperkt tot jongensnamen. Het systeem is bij de jongeren nu als volgt:
augm.: [lidwoord + fakultatieve uitgang -/ə/], dus een stapelvorm, bv. /də mıl-(ə)/ (Emiel), maar niet het suffix alleen: */mıl-ə/ (tenzij uiteraard in de aanspreking, waar het lidwoord altijd wegvalt).
Een andere innovatie is het suffix -/ı:/, dat vermoedelijk onder Engels-Hollandse invloed ontstaan is; het werkt min of meer expressief, familiaar; het is echter moeilijk te zeggen of het augm. dan wel dim. is. We vinden het eerder bij meisjes- dan bij jongens-VN, hoewel niet erg produktief, bv.
| mann. | vrouw. |
|---|---|
| /(dən;) dıks-ı:/ (Dirk) | /an-ı:/ (An) |
| /(dən) ed-ı:/ (Eddy) | /ɛm-ı:/ (Emilie) |
| /də nık-ı:/ (Dominique) | /fab-ı:/ (Fabienne) |
| /də wıl-ı:/ (Willy) | /ka: d-ı:/ (Leocadie) |
| /de ʒɔn-ı:/ (John) | /lyt-ı: / (Lutgarde) |
| /maγ:-ı (Magda) | |
| mık-ı/ (Michèle) | |
| /pats-ı:/ (Patricia) | |
| /vik-ı:/ (Victoire) |
c). Klassifikatorische suffixen.
Hier is eigenlijk geen produktief suffix voorhanden. Er zijn alleen een paar uitgangen van Latijns-Romaanse oorsprong, en daar deze invloed heden nogal afneemt, zijn de betreffende suffixen ook bij het archaïsche taalgoed te rekenen, hoewel nog individuele verschillen te bespeuren vallen.
De kategorie die gesubkategorizeerd wordt, is de sekse. Er is dus een tweedeling mann. - vrouw.
1). Bij vrouwennamen, inz. oudere, maar eveneens jongere, valt het achtervoegsel -/a:/ op, van Latijnse oorsprong:
oudere VN op -/a:/:
| /an-a:/ (Anna) | /seıv-a:/ (Jozefa) | /marj-a:/ (Maria) |
| /bɛrt-a:/ (Alberta) | ʒyləj-a:/ (Julia) | /mart-a: / (Martha) |
| /blaŋk-a:/ (Blanca) | /kla:r-a:/ (Clara) | /rıt-a:/ (Rita) |
| /ɛm-a:/ (Emma) | /lɔur-a:/ (Laura) | /rɔuz-a:/ (Roza) |
| /fərnand-a:/(Fernanda) | /leı-a:/ (Lea) | /sysk-a:/ (Franciska) |
| /frı:d-a:/ (Frieda) | /leık-a:/ (Leocadie) | /tɔurəj-a:/ (Victoria) |
| /γyst-a:/ (Gusta) | /leın-a:/ (Lena) | /yrzəl-a:/ (Ursula) |
| /ıld-a:/ (Hilda) | /lı: v-a:/ (Liva) | /mand-a:/ (Amanda) |
| /ırm-a:/ (Irma) | /lı:z-a:/ (Liza) | /wı:z-a:/ (Louiza) |
jongere VN op -/a:/:
| /elz-a:/ (Elza) | /marı:n-a:/ (Marina) | /nɔur-a:/ (Nora) |
| /γɛrd-a:/ (Gerda) | /marıt-a:/ (Marita) | /pɔul-a:/ (Paula) |
| /zeıf-a:/ (Jozefa) | /mı:-a:/ (Mia) | /rı:-a:/ (Ria) |
Een andere, minder verspreide en archaïsche (Franse) uitgang is -/et/ < -ette:
| /antɔ'n-et/ (Antoinette) | /ʒən-et/ (Jeannette) | /ɔd-et/ (Odette) |
| /kɔl-et/ (Colette) | /lız-et/ (Lisette) | /rɔz-et/ (Rosette) |
| /ʒɔrʒ-et/ (Georgette) | /mərj-et/ (Mariette) | /trın-et/ (Trinette) |
2). Daartegenover staan de mannelijke VN met het suffix -/əs/, dat voortspruit uit het Latijnse -us of (soms) -es en dus te onderscheiden is van de genitief -es bij KN (cf. infra), bv.
| /mand-əs/ (Amandus) | /mınək-əs/ (Dominicus) | /vı:n-əs/ (Livinus) |
| /stı:n-əs/ (Augustinus) | /mıŋk-əs/ (Emilius) | /pa:l-əs/ (Paulus) |
| /dıkt-əs/ (Benedictus) | /wan-əs/ (Joannes) | /pɔul-əs/ (Paulus) |
Jongere formaties zijn de mannelijke VN op -/ɔu/ (Latijnse of Germaanse oorsprong -o):
| /ba:v-ɔu/ (Bavo) | /y:γ-ɔu/ (Hugo) | /lei-ɔu/ (Leo) |
| /bry: n-ɔu/ (Bruno) | /ı:v-ɔu/ (Ivo) | /ly: d-ɔu/ (Ludo) |
| /γı:d-ɔu/ (Guido) |
Deze klassifikatorische suffigering is dus lexikaal beperkt. Bovendien
is er maar zelden een minimale oppositie, d.w.z. een oppositie waarbij eenzelfde naamsvorm een mannelijk resp. vrouwelijk suffix kan krijgen, vgl.
| /pɔul-əs/ | ~ /pɔul-a:/ |
| /mand-əs/ | ~ /mand-a:/ |
| /lei-ɔu/ | ~ /lei-a:/ |
Bij deze minimale paren dienen ook diegene gerekend waarbij de mannelijke VN de nulvorm heeft(10), bv.
| /γyst-ø/ | ~ /γyst-a:/ |
| /jɔan-ø/ | ~ /jɔan-a:/ |
| /pɔul-ø/ | ~ /pɔul-a:/ |
| /wı:s-ø/ | ~ /wı:z-a:/ |
In andere gevallen is het onderscheid mann.-vrouw. lexikaal bepaald, en gebeurlijk tegelijk morfologisch. Bij de jongere VN zijn haast geen klassifikatorische suffixen meer te bespeuren. In enkele gevallen is er zelfs geen lexikaal verschil meer, vgl. de verschillende mogelijkheden:
| i) | lexikaal en morfologisch bepaald: /stı:n-əs/ (Augustinus) ~ /lɔur-a:/ (Laura) |
| ii) | zuiver morfologisch bepaald: /pɔul-əs/ (Paulus) ~ /pɔul-a:/ (Paula) |
| iii) | zuiver lexikaal bepaald: /jan/ (Jan) ~ /mərı:/ (Marie) |
| iv) | noch lexikaal noch morfologisch bepaald: /ʒɔzei/ (José) ~ /ʒɔzei/ (Josée) |
Het laatste geval, nl. de vervlakking van het genusverschil, is eerder een modern verschijnsel in het Ndl. en andere moderne talen, vgl. ambigue VN in het Ndl. taalgebied: Chris, Jo, Gaby, Willy, Geertje, Dominique.
Soms worden bepaalde elementen sekundair gebruikt ter klassifikatie, d.i. elementen die al een andere, primaire funktie hebben. Zo bv. kan in het Tildonks het lidwoord sekundair dienen om jongensnamen van meisjesnamen te differentiëren: het lidwoord heeft wel een augm. funktie, maar signaleert in tweede instantie ook dat we met een jongensnaam te doen hebben, aangezien het niet bij vrouwelijke VN kan staan.
In Noord-Nederland heeft het dim.-suffix soms een gelijkaardige rol: het wordt wel eens gebruikt ter aanduiding van vrouwelijke VN, bv.
| Frans | ~ Frans-je |
| Hendrik | ~ Hendrik-je |
| Vgl. frans: Georges | ~ Georg-ette |
We staan hier dus voor een verschuiving van de expressieve naar de klassifikatorische funktie. Daarbij is er een duidelijke tendens om het vrouwelijk klassifikatorische af te leiden van dim.-vormen, en het mannelijk klassifikatorische van augm.-vormen, schematisch:
| dim.-vormen | augm.-vormen |
| ↓ | ↓ |
| vrouw.klassifikatorisch | mann.klassifikatorisch |
| bv. Frans-je | bv. de Jan |
Vanuit een synchronisch oogpunt hebben BN, naast hun identificerende funktie van eigennaam vooral een augmentativerende expressieve waarde. Ze zijn nauw verwant met augm. VN en er soms niet van te onderscheiden, bv. PN met lidwoord:
/dən bɛkə/ (Albert), /də wıtə/ (Louis), /wı:tər/ (Louis)
Syntaktisch kan de BN in het Tildonks in 't algemeen als volgt worden gekarakterizeerd:
| 1) | de BN kan vaak alleen optreden zonder begeleidend propriaal of appellatief element, bv. den IJzere; |
| 2) | de BN kan na, maar niet vóór de VN staan, bv. Tist den IJzere; |
| 3) | de BN kan vóór, maar niet na de KN staan, bv. Baaske Vankrieken; de Lange (van) Profeet. |
Sommige BN hebben een vast bepaald lidwoord; andere hebben er nooit een; bij een minderheid van BN is het bepaalde lidwoord fakultatief. Net zoals bij VN valt bij BN het bepaalde lidwoord weg als de naam gediminutiveerd wordt. Een frekwent gebruik van het
dim. kan leiden tot een nieuwe ongesuffigeerde naamsvorm waarbij het lidwoord afwezig blijft(11); bv. den Bik > Bik-ske > Bik.
Het lidwoord komt al bij een reeks oude BN voor, maar heeft meer terrein gewonnen bij de jongere.
a) In tegenstelling met de VN put men de BN meestal niet uit een reservoir van bestaande officiële eigennamen, maar vaak gaan ze terug op soortnamen (bv. Snoek, den Baard) of gesubstantiveerde adjektieven (bv. de Grote). Officiële fn. zijn echter ook een bron van BN, hoewel de volkse invloed ook hier geldt (door verkorting, volksetymologie).
b) De VN doet vooral dienst als roepnaam, dus als middel om iemand aan te roepen of aan te spreken. De BN heeft die funktie niet; hij specificeert een persoon waarover men spreekt. Als je toch iemand met de BN aanspreekt, dan is dat vaak opzettelijk, nl. om te plagen of te kwetsen.
c) De expressieve funktie van de VN was dubbel: dim. en augm. zijn mogelijk; formeel gebeurt dit vooral morfologisch, inz. met suffixen. De naam zelf is niet expressief.
Bij de BN is dat anders: hier draagt het hele woord de expressieve funktie, en die is dan ook inherent, nl. augmentatief en vaak zelfs pejoratief. Hóé pejoratief hangt natuurlijk samen met de oorsprong van de naam, inzoverre hij nog doorzichtig is. Als men de Witte, den Draaier of de Kempenaar bijgenaamd wordt, is dat veel minder erg dan wanneer men bedacht wordt met BN als de Rosse, de Kromme, de Zot, het Slaapvarken, de Pietefretter (pierevreter), de Sjalottendief... Hier kan men denken aan het Engelse spreekwoord: ‘A nickname is the hardest stone the devil can throw at a man!’.
Naast het lexikale expressiemiddel is er sekundair ook de augmentativerende werking van het lidwoord, alsmede van uitgangen waarvan het niet duidelijk is of ze de status van morfeem bezitten.
i) De uitgang -er is een expressief middel met submorfemische status. Diachronisch gaat hij terug op het nomen agentis ofwel op frekwentatieve verba, bv.
- nomen agentis: (de) Strijker, de Pietefretter, de Stoker, de Verver, den Draaier, de Glazemaker, den Toeker, de Keffer, Metserke, de Melkdrinker, den Blokmaker, den Dader, den Brugdraaier.
- frekwentatieve werkwoordsstam: (den) Debber (debberen), (de) Fladder (fladderen), (de) Fledder (fledderen), (de) Flodder (flodderen). Men vergelijke met het suffix -el in Snuffel, Peuzel.
Naar al deze gevallen zijn een aantal BN gevormd met een -er- uitgang zonder een werkwoordelijk diachronisch verleden, bv. (de) Musser, Kazjodder, Poeter, Pukker, den Tipper, Zjodder, de Koeter, den Tammer, de Sekker, den Djoemer, (de) Kapper. De vorm zonder -er bestaat overigens bij deze BN niet.
ii) Ook het lidwoord geeft een bijkomend augmentativerend tintje, inz. aan BN die niet van huize uit expressief klinken, o.m. familienamen(12): den Bis (Bisschop), den Borcht (Vanderborght), de Lange (Van Langendonck).
iii) Verkorting van de naamsvorm werkt de expressiviteit nog in de hand, zoals de laatste drie voorbeelden uitwijzen.
iv) Zelfs het dim.-suffix heeft bij BN een eerder denigrerende, augm. waarde. Het wordt hier dan ironizerend gebruikt, bv. den Bik vs. Bikske.
Een aantal BN heeft een vast dim.-suffix (net als de soortnaam meisje): Baaske, Boerke, Gatke, Klaaske, Metserke, Muntbolleke, Muske, Mussejaske, Pootke, Sigarreke, Soepboerke; Debberke. Hier is de dim. funktie wel helemaal verbleekt. Het dim. heeft er nog slechts de rol van konkretizering en individualizering die het bij telbaar gemaakte stofnamen heeft zoals in: Lust je nog een wijntje of een biertje? (cf. Uhlenbeck 1966:296).
Opvallend is het wegvallen van het lidwoord bij gedim. BN, net als bij gedim. VN(13). Het lijkt erop dat de vereniging van een dim.-suffix en een augm. lidwoord in één enkele naamsvorm uitgesloten is(14).
Bovendien is de afwezigheid van het lidwoord een middel om propriaalappellatieve homonymie tegen te gaan, vgl.
| eigennaam | vs. | soortnaam |
| Baaske | ~ | het baaske |
| Boerke | ~ | het boerke |
| Gatke | ~ | het gatke |
d) De klassifikatorische funktie van de BN is vrijwel onbestaande. Er is alleen dit: de afwezigheid van het lidwoord signaleert dat we met een eigennaam te maken hebben, vgl.
| Snoek/de snoek zwemt sierlijk. |
| Boerke/het boerke heeft zijn oogst binnengehaald. |
Overigens vinden we geen klassifikatorische rol bij BN.
1o Het formele onderscheid tussen mann. en vrouw., dat we aantroffen bij de VN, vinden we niet terug bij de BN. Er zijn bij deze laatste geen klassifikatorische suffixen te bespeuren. De expressieve uitgang -er vinden we zowel bij vrouwen- als mansnamen:
| mann. | vrouw. |
| (de) Fladder | den Djoemer |
| den Tammer | de Slotemaker |
De aan- of afwezigheid van het lidwoord zegt niets omtrent de sekse, vgl.
| mann. | vrouw. |
| Stek | Tut |
| (den) Bik | (de) Juffrouw |
| den Draaier | den Djoemer |
Ook het diachronische genus van de BN zegt niets over de sekse; vaak is dat genus nog zichtbaar in de vorm van het lidwoord, vgl.
| mann. | vrouw. |
| den Draaier (diachr. m.) | den Djoemer (diachr. m.) |
| de Tromp (diachr. vr.) | de Muis (diachr. vr.) |
| het Varken (diachr. onz.) | het Slaapvarken (diachr. onz.) |
2o Er is ook geen kategoriaal verschil vast te stellen tussen een oud en een nieuw systeem van bijnaamgeving. Alleen kunnen we - op het vlak van het taalgebruik - vaststellen dat bij jongere namen het lidwoord meer voorkomt dan bij oudere. Het systéém zelf is echter niet verschillend.
Zoals de term het zelf suggereert, heeft een KN exklusief de klassifikatorische funktie dat hij verwijst naar een kollektiviteit, nl. een groep van personen die familie van elkaar zijn. De reden waarom we niet de term ‘familienaam’ (fn.) gebruiken is dat ook andere dan officiële fn. een KN kunnen vormen, nl. KN uit VN of BN ontstaan, vgl.
| Zief Janssens (fn.) |
| Nare Zjefkes (VN) |
| Dore Koei(es) (BN) |
Ten tweede kan een fn. ook de funktie van BN krijgen: den Bis < fn. Bisschop. Blijkbaar is de individuele naam genetisch primair t.o.v. de KN. Zelfs de fn. gaat als regel uiteindelijk terug op een VN of BN. Het is verder duidelijk dat de BN zijn expressieve funktie verliest als hij overgaat naar de status van KN. Expressiviteit is iets dat zich richt tot het individu, nauwelijks tot de gemeenschap.
Formeel onderscheidt de KN zich door syntaktische en morfologische eigenaardigheden, die de semantische funktie weerspiegelen.
1o Syntaktische kenmerken.
i) Binnen PN-kombinaties valt de KN in het Tildonks (en normaal ook in het Ndl.) op doordat hij altijd de laatste plaats inneemt, bv. met
| VN: Zjef Janssens |
| titel: Meester Stroobants (onderwijzer) |
| BN: de Lange Profeet |
Wezenlijk hierbij is dat het eerste lid vervangbaar is door andere VN, titels of BN verwijzend naar leden van dezelfde familie, vgl.
| Pien Janssens |
| Madam Stroobants |
| Zjef Profeet |
ii) De KN kan voorafgegaan worden door kollektieve klassifikatoren, bv. we horen wel:
| de familie Peeters |
| de gebroers Van de Velde |
| de gezusters Corbeels |
maar niet:
| * de familie Jan |
| * de gebroers Piet |
| * de gezusters Marie |
iii) De KN kan in het Tildonks (én Ndl.) als zodanig, d.i. zonder bepaalde aanvullingen, niet fungeren als zinsdeel, o.m. als subjekt of objekt:
| * Janssens ging(en) samen weg. |
| ?* Peeters is een grote familie. |
In verbinding met een voorzetsel kan de KN een zinsdeel vormen, bv.
| Naar Peeters gaan we niet. |
| Bij Janssens is het heel sjiek. |
In archaïsche taal wordt nog wel te bij KN gebruikt, waarmee dan vaak een boerderij bedoeld wordt(15):
te Corbeel-es = bij Corbeel(-es)
N.B. 1) In het Ndl. wordt de officiële fn. systematisch als BN, dus als individuele naam gebruikt, vgl.
Janssens is een brave man.
In het dialekt zijn slechts een deel van de fn. als BN in zwang. De laatste zin is bv. uitgesloten!
2) Sommige dialekten verdragen wel KN in de funktie van zinsdeel. Als subjekt eisen die KN meervoudskongruentie, bv. te Staakte (Pée 1944):
Suske-Willems hebben dat gezegd.
3) Het optreden van KN met lidwoord en meervoudsuitgang interpreteren we als een deproprializering, i.c. een appellativering, omdat het meervoud en het bepaalde hier kontrasteren met resp. het enkelvoud en het onbepaalde, vgl.
Ik heb de Peetersen gezien. ~ Ik heb een Peeters gezien.
Een gedeproprializeerde KN kan dus op zichzelf als zinsdeel optreden, maar is dan ook niet meer als KN te beschouwen.
iv) De echte KN verdraagt geen lidwoord, bv.
* Bij de Janssens is het heel sjiek.
2o Morfologische kenmerken.
Ook deze zijn een weerspiegeling van de semantische funktie. Bij oudere KN althans komt een klassifikatorisch suffix, nl. een kollektief-suffix -es te pas dat historisch ontstaan is uit een genitief. Zowel fn. als KN die uit VN of BN ontstaan zijn, kunnen -es krijgen, bv.
| fn.: te Corbeel-es | < Corbeels + es |
| Jomme Koning-es | < De Coninck + es |
| VN: Nare Zjefk-es | < Zjefke + es |
| die van Rik-es | < Rik + es |
| BN: Dore Koei-es | < Koei + es |
| bij Pijp-es | < Pijp + es |
Dit procedé is over het hele Nederlandse taalgebied verspreid, bv. te Staakte (Pée 1944:243):
| René Backer-s | < De Backer + s |
De KN kan hierbij voorafgaan:
| Dobbeleer-s Jef (Aalst) (De Meyer & Boel 1956) |
| 'n óólen (de oude) Kuiker-s-jaan (Borne in Twente) (Nuijtens 1962:212-5). |
Het ontstaan van het -es-suffix ligt blijkbaar in de pregenitief, d.i. het type [KN + VN](16). Hoe is het Tildonkse type [VN + KN-es] dan ontwikkeld? Het is m.i. geen postgenitief. Men kan zich de evolutie voorstellen als volgt: we onderstellen het bestaan van het vroeger algemeen verspreide pregenitief-patroon Zjefkes-Jan. De nakomeling wordt op een bepaald ogenblik in het Tildonks met een analytisch procedé aangeduid: Nare van Zjefkes-Jan. Het is klaar dat de VN Jan - indien al aanwezig! - overbodig wordt en de KN volstaan zal; vandaar Nare van Zjefkes. Het wegvallen van het voorzetsel, dat vaak genoeg is vastgesteld, hecht de KN aan de VN net als
een fn. in het Ndl. Overigens is invloed van de kultuurtaal wellicht een bijkomende oorzaak van het ontstaan van het patroon [VN + KN]: Nare Zjefkes.
We besluiten dan ook dat dit patroon slechts schijnbaar uit een postgenitief is voortgesproten(17).
N.B. Het genitief-suffix heeft in bepaalde dialekten, (nu nog in het Westvlaams), een tweede funktie gekregen, nl. de zgn. ‘movierung’: toevoeging van -(e)s dient daar om een vrouwelijk lid van de familie aan te duiden, inz. de echtgenote (Leys 1965: 25, 31), bv.
| uit fn. De Backere | > Backer-ø (m.) |
| > Backer-s (vr.) |
Aangezien expressiviteit vooral een kenmerk is van individuele PN, hebben KN ook geen expressieve vormelijke middelen zoals dim.- of augm.-suffix of lidwoord. Eenmaal KN, wordt de naamsvorm evenmin nog verkort.
Schijnbare tegenvoorbeelden.
i) De vorm van het dim.-suffix in KN met -es-uitgang is heel frekwent in oudere periodes, maar is in dat stadium nog slechts een vorm zonder betekenis. Het lijkt erop alsof -kes het suffix is geworden. In elk geval is -ke nooit weglaatbaar, bv.
| /jan zyəzəkəs/ (Jan Zjezukes) |
| /na:rə ʒɛfkəs/ (Bernard Zjefkes) |
| /syskə ʒɛpəkəs/ (Suske Zjeppekes) |
| /fi:n flɔ'kəs/ (Fien Fluitkes) |
ii) De lidwoordvorm De is, voorzover hij nog voorkomt in KN, geen echt lidwoord meer, evenmin als Van nog een echt voorzetsel is, bv.
| De Saeger, De Coninck |
| Van Krieken, Vandenhoeck |
Deze versteende, nutteloos geworden syllabes vallen dan ook vaak weg, inz. in oude, lang bekende fn.; ofwel worden ze gereduceerd:
| De Coninck | > Koninges |
| Van Krieken | > Vekrieke |
| Vandenhoeck | > Venoek |
Zoals impliciet al tot uiting is gekomen, kunnen de drie soorten PN met elkaar in kombinaties van maximum twee PN voorkomen. Formeel en semantisch vormen deze een hechte eenheid:
i) formeel: het tweede lid is geen bijstelling of bepaling; het geheel is ook geen gewone samenstelling, maar een juxtapositie, nl. zonder meer naast elkaar geplaatste lexemen(18);
ii) semantisch: er wordt geen koncept of geen referent toegevoegd.
De funktie van dergelijke juxtaposities is veeleer van pragmatische, expressieve, stilistische of sociolinguïstische aard.
Hierbij aansluitend - en met gelijkaardige funkties - zijn er nog juxtaposities te vermelden van 1o [titel + PN]: Meneer Peeters
2o [adjektief + PN]: Zwarte Miel
Laten we eerst de ‘zuivere’ PN-kombinaties behandelen en vervolgens de ‘onzuivere’ verbindingen met titel of adjektief.
Welke verbindingen zijn mogelijk en welke niet? We moeten onderscheiden tussen taaluniversele en taalgebonden (on)mogelijkheden.
a) Taaluniversele (on)mogelijkheden.
Het lijkt principieel, dus taaluniverseel uitgesloten om een verbinding van een bepaalde PN-kategorie met zichzelf te hebben, bv.
| * VN + VN: | * Fons Karel |
| * BN + BN: | * Stek de Lange |
| * KN + KN: | * Janssens Zjefkes |
Hier rijzen wel enkele vraagjes onder vorm van schijnbare tegenvoorbeelden.
1o Wat doen we met het gebruik dat aan de eerste VN nog andere VN toevoegt? bv. Jan Jozef Pieter Maria ...
Dit blijkt geen syntaktisch patroon te zijn zoals [VN + KN] e.d. Want:
| - het aantal VN in zo'n reeks is teoretisch onbeperkt, terwijl in een normaal patroon het aantal leden beperkt is; |
| - niemand wordt zo aangesproken; |
| - de bedoeling is dat men kiezen kan tussen de VN, m.a.w. het gaat om een inklusieve disjunktie, bv. Jan en/of Jozef enz. |
Inderdaad hoeft men niet altijd de eerste naam te gebruiken!
2o Wat doen we met dubbele VN zoals Jean-Marie of Marie-Paule? Hierop kan men best het etiket ‘samenstelling’ plakken. Het streepje wijst dit al aan. Soms groeien de namen helemaal aan elkaar, bv.
Marianne < Marie-Anne;
vgl. diachronisch:
Coppieter(s) < Jacob-Pieter.
We krijgen m.i. ook samenstellingen wanneer de getrouwde vrouw de fn. van de man overneemt, bv. Mevrouw Janssens-Van den Bosch.
b) Patronen in het Tildonks.
De kombinaties van het dialekt zijn impliciet al gegeven bij het definiëren van VN, BN, KN. We zetten ze hier expliciet op een rijtje.
1o [VN + KN].
De KN kan de officiële fn. zijn of een naamsvorm die teruggaat op een VN of een BN:
| Zjef Janssens | < fn. Janssens |
| Nare Zjefkes | < VN Zjefke |
| Dore Koei(es) | < BN Koei |
2o [VN + BN].
De VN is ook verbindbaar met de BN. Hier zijn twee varianten te onderscheiden:
i) De BN kan zonder de VN optreden:
Met lidwoord:
| (Tist) den IJzere |
| (Zjuul) den Baard |
| (Zjuul) den Reus |
| (Tist) de Strijker |
Dit type lijkt beperkt tot mansnamen. In de kultuurtaal vinden we het terug in bv. (Pietje) de Dood.
Zonder lidwoord:
| (Fons) Bekkes |
| (Tiske) Mussejaske |
| (Tist) Snuffel |
Ook hier lijken vrouwennamen te ontbreken.
Het hele patroon [VN + zelfstandige BN] behoort tot het oudere
systeem en is gedoemd tot verdwijnen, wellicht o.i.v. de kultuurtaal.
ii) De BN kan niet zonder de VN optreden. Dit is een frekwenter type en komt ook nog in het nieuwere systeem veelvuldig opduiken. De BN heeft er nooit het lidwoord. Zowel vrouwen- als mansnamen zijn gebruikelijk:
| mann. | vrouw. |
|---|---|
| Jan Ammoniak (19) | Trees Appelspijs |
| Peer Bertem | Fienke Dot |
| Stake Platneus | Tille Krol |
| Miel Gazet | Mieke Wit |
Dit type spreidt vaak een krachtige expressiviteit ten toon door suggestieve BN. Getuigen daarvan zijn bovendien de metaforische appellatieve verbindingen, zowel in kultuur- als gewesttaal:
| dial.: | Lammeke Smeerbuik, Piet Moeial, Lamme Goedzak. |
| Ndl.: | Jan Alleman, Jan Gat, Jan Krent, Piet Lut, Piet Snot, Janklaassen (Kloeke 1953: 93). |
Sommige daarvan zijn ook als echte soortnamen in zwang:
| Ndl.: | een janklaassen, een jansul, een jangat, een janhen, een jansalie, janhagel. |
Aangezien het tweede lid niet zonder het eerste kan voorkomen, hebben deze PN de neiging om aan elkaar te groeien tot samenstellingen, zoals in de afgeleide soortnamen.
3o [BN + KN].
Van dit type zijn maar weinig voorbeelden, en dan nog alleen uit het oudere systeem, bovendien slechts mannelijke:
| den Dikke Janssens |
| de Kromme Pardon |
| de Lange Profeet |
| de Lange Piot |
| Baaske Vankrieken |
| Broodke Vandenhout |
Men mag deze patronen niet verwarren met de ‘onzuivere’ patronen [adj. + PN] (vgl. Lange Louis)(20) en [titel + PN] (vgl. Meester
Stroobants)(21), of zelfs met [augm. VN + KN] (vgl. de Witte Beek). Dit rare patroon dreigt overigens opgeslorpt te worden door deze drie andere, die stevig staan.
Andere kombinaties van PN zijn uitgesloten in het Tildonks op grond van twee beperkingen:
| 1. | de VN komt altijd vooraan. |
| 2. | de KN komt altijd achteraan. |
Dat leidt tot de uitsluiting van drie verbindingen:
| * [KN + VN]: beide regels overtreden. |
| * [BN + VN]: regel 1 overtreden. |
| * [KN + BN]: regel 2 overtreden. |
Beide regels ontbreken in een aantal dialekten waarin het type [KN + VN] mogelijk is. We denken o.m. aan het Aalsterse patroon Dobbeleers Kamiel.
Er blijven een tweetal kombinaties over waarbij het eerste lid geen PN is en zelfs niet propriaal blijkt te zijn, nl. PN voorafgegaan door titels of adjektieven: Meester Stroobants; Zwarte Miel.
A. [Titel + PN].
Als PN zijn in principe de drie subklassen voorhanden: VN, BN, KN. Nergens is er een lidwoord. Men kan twee soorten titels onderscheiden:
a. i) Verwantschapsnamen (familiale titels):
| mann. | vrouw. | |
|---|---|---|
| VN: | Nonkel Jan | Moeder Anna |
| Papa Louis | Tante Jeanne | |
| KN: | Vader Bosmans | Moeder Janssens |
ii) Zuivere aanspreektitels zoals Meneer, Madam:
| mann. | vrouw. | |
|---|---|---|
| VN: | Meneer Kamiel | Madam Lucienne |
| BN: | - | Madam (de) Pompadour(22) |
| Madam Voilà | ||
| KN: | Meneer Peeters | Madam Peeters |
| Monseigneur Cruysberghs | Juffrouw De Volder |
Type ii onderscheidt zich van de andere doordat de aanspreektitels ook verbindbaar zijn met soortnamen(23); het lidwoordgebruik is onregelmatig, vgl.
| mann. | vrouw. |
|---|---|
| Meneer (den) direkteur | Madam de pedikuriste |
| Meneer pastoor | Juffrouw directrice |
| Meneer den onderpastoor | |
| Meneer (den) doktoor | |
| Meneer (de) professor |
b. Titels die beroepen of funkties aangeven:
Deze titels onderscheiden zich formeel van de beide andere soorten doordat ze niet op zichzelf als nominale konstituent voor kunnen komen, vgl. voorbeeldzinnen zoals:
| (i) | Moeder wil niet meer afhangen van Vader. |
| (ii) | Meneer en Madam zijn er vandaag niet. |
| (iii) | * Pastoor heeft het niet meer voor het
zeggen(24). * Meester geeft les in de dorpsschool. |
Echte beroepen treffen we eerder bij mann. dan bij vrouw. patronen:
| mann. | vrouw. | |
|---|---|---|
| VN: | Koning Boudewijn | Koningin Fabiola |
| Meester René | Prinses Paola | |
| Pater Denie | Juffrouw Marja | |
| Zuster Hilda | ||
| Mère Isabelle |