|
|
|
| |
| | | |
De persoonsnaamgeving in een Zuidbrabants dialekt Deel II De
sociolinguïstische komponent
| |
0.
In wat voorafging hebben we in principe enkel de
‘systeem-linguïstiek’ van de
persoonsnaamgeving behandeld, nl. het synchronische en diachronische systeem
van de persoonsnamen (PN) in een Centraal-Zuidbrabants dialekt (Tildonks)(*). We hebben nog niet
systematisch gesproken over de funktie en het gebruik van de namen. Hier kan
men verschillende domeinen onderkennen.
In de pragmatische komponent zal men bv. onderzoeken wat de bedoeling van de
spreker is met een naam, wat hij ermee doet. Wat zijn zijn bedoelingen bij
het geven van voor- en bijnamen? Is het zijn bedoeling om te kwetsen ofwel
te liefkozen? En bovendien, welk gebruik maakt hij van de eenmaal gekozen
naam, in welke kontekst of situatie? Welk gebruik bv. wordt gemaakt van
expressieve augmentatief- en diminutiefsystemen?
In een stilistische komponent hoort inz. thuis het onderzoek van de
stilistische funktie die de eigennaam in literaire werken wordt toebedeeld.
Men kan hier weer twee aspekten beschouwen: het motief van de naamgeving
zelf (waarom die naamsvorm en geen andere?), en ten tweede het (stilistisch)
gebruik van de naam en zijn vormvarianten.
In de sociolinguïstische komponent tenslotte, komt het sociale
aspekt van de eigennaam aan bod, te weten de interaktie tussen naam en
maatschappij. Ook hier kan men twee terreinen afbakenen: het sociale aspekt
van de naamgevingsdaad en dat van het naamgebruik. Bij de naamgeving zelf is
het belangwekkend na te gaan welke soorten van namen (voornamen, bijnamen,
familienamen) men | | | | geeft en aan wie (hogere, lagere standen,
mannen, vrouwen, enz.). Bij het naamgebruik rijst inz. de vraag welke namen
men gebruikt in welke sociale situaties. Spreekt bv. een meerdere zijn
ondergeschikte meestal aan met de voornaam en wordt in het omgekeerde geval
eerder een patroon als [titel + fn.] gebezigd? enz.
Al deze funktionele en gebruiksaspekten van de eigennaam, die men tot de
pragma-onomastiek in ruime zin kan rekenen, zijn tot voor kort in het
naamonderzoek nogal stiefmoederlijk behandeld(33), net als overigens de meeste
pragmalinguïstische verschijnselen. Dit is evenwel voor de
onomastiek des te minder verantwoord vanwege het speciale
linguïstisch statuut van de eigennaam:
systeemlinguïstisch blijkt hij onderbelast te zijn t.a.v. andere
woordsoorten. Een uiting daarvan is het feit dat in 't algemeen de
grammatika's van onze Westerse talen weinig aandacht besteden aan het
verschijnsel eigennaam. De systeemlinguïstische onderbelasting
brengt met zich dat een aantal formele mechanismen vrijkomen voor
pragmalinguïstische doeleinden. Inderdaad blijken eigennamen
pragmalinguïstisch tamelijk zwaar beladen te zijn. Het loont de
moeite het speciale statuut van de eigennaam, dat voor dit alles
verantwoordelijk is, even toe te lichten.
| |
1. Het speciale statuut van de eigennaam
Bij Duitse naamkundigen kan men lezen dat de eigennaam een taalkategorie is
die onder een zekere ‘Sondergerichtsbarkeit’ staat, d.i.
een speciale, en wel een marginale positie bekleedt in het geheel van de
taal. Dit komt o.m. tot uiting in de omstandigheid dat verklarende
woordenboeken normaal geen eigennamen opnemen. Doen ze het toch, dan komen
ze in een aparte lijst terecht, zoals bv. in de ‘Petit Larousse
Illustré’,
De verklaring voor deze uitzonderingspositie van de eigennaam heeft wezenlijk
te maken met zijn semantische status(34). De eigennaam
kontrasteert met de soortnaam. Zoals bekend bevatten soortnamen, net als
adjektieven en werkwoorden, een konceptuele betekenis | | | | (meestal
‘betekenis’ zonder meer geheten): ze hebben een inhoud,
een begripsinhoud, die in alle gebruiksgevallen dezelfde blijft(35), bv.
| bakken = ‘hard maken door sterke
verhitting’. |
| bakker = ‘iemand die bakt’. |
| doof = ‘hardhorig’. |
Daarentegen is het onmogelijk van eigennamen in hun normale gebruik, d.i. in
niet-afgeleid gebruik, een betekenisbeschrijving te verschaffen, omdat ze
juist geen betekenis bezitten. Hun funktie is essentieel: verwijzen,
‘refereren’ naar een persoon of zaak(36). In een bepaald diachronisch proces kan
een soortnaam een eigennaam worden, nl. wanneer die soortnaam zijn betekenis
verliest en enkel nog dient om iemand te noemen. Bijnamen zijn daarvan
aanschouwelijke voorbeelden (zie de diachronische komponent). Een BN als de Stoker hoeft niet (meer) te verwijzen naar iemand die
stoker is, omdat de betekenis ‘stoker’ in de BN verloren
is gegaan.
Deze logisch-semantische leegheid van de eigennaam maakt het de taalgebruiker
in principe mogelijk de taalvormen die bij soortnamen logisch-semantische
funkties vervullen, bij eigennamen pragmatische, stilistische en
sociolinguïstische funkties te verlenen. Laten we dit nagaan op
de verschillende vlakken van de grammatika.
| |
i) Het lexikologische vlak.
Men kan soortnamen die hun appellativische betekenis verliezen, gebruiken
om er eigennamen mee te vormen met gunstige of ongunstige bijklank (cf.
de vorming van BN!). Men kan bovendien makkelijk lexemen uit andere
talen overnemen; bv. onze stock van VN komt uit een massa oudere en
jongere talen. De behoefte aan vertaling is immers gering, juist omdat
een naam geen konceptuele inhoud bevat. Men kan in principe eender welke
taalvorm gebruiken om er eigennamen mee te vormen, bv. woordgroepen (Een brug te ver, filmnaam), zinnen (Het
is later dan je dacht, boeknaam), nummers, bv. als namen van
straten, personen enz. (in een vertechnizeerde maatschappij, cf. Molemans 1976).
| |
| | | |
ii) Het morfologische vlak.
De funktiemorfemen die bij soortnamen een logisch-semantische funktie
vervullen, komen vrij voor pragmatische en sociolinguïstische
waarden bij de eigennaam, met name de klassifikatorische en expressieve
funkties (Leys 1965). De voornaamste funktiemorfemen
zijn bij de bespreking van de synchronische komponent al in het licht
gesteld; we bekijken ze nu vanuit een andere gezichtshoek en werpen een
blik op nog andere talen.
1o Het bepaalde lidwoord komt bij de eigennaam vrij
voor klassifikatorische of expressieve funkties, bv.
| de Jan: augmentativerend, sekundair ook
klassificerend; |
| de Meerbeek vs. Meerbeek:
klassificerend (waterloop vs. gemeente). |
2o Het onbepaalde lidwoord kan dienen om een
tijdelijke gemoedstoestand of zijnswijze van een persoon aan te geven,
bv.
| Een verslagen Dubcek kwam terug uit Moskou. |
| Een razende Nixon stond de pers te woord. |
Het gaat hier niet om een verschil van referent, maar om een verschil in
manifestatie van dezelfde persoon (cf. Dahl 1975).
3o Het diminutiefsuffix wordt bij soortnamen in de
eerste plaats gebruikt om kleine exemplaren van een soort te
differentiëren van grote (bv. een kastje
vs. een kast). Bij eigennamen dient dit suffix in
eerste instantie om liefelijkheid of familiariteit uit te drukken, wat
dan eens te meer sociolinguïstische diversifiëring
kan uitlokken: niet iedereen wordt met een diminutief aangesproken,
gewoon omdat men niet met iedereen familiaar of lief wil zijn. Het
diminutief kan sekundair ook klassifikatorische waarde verwerven (cf.
het mann. Frans tegenover het vrouw. Fransje).
4o Het augmentatiefsuffix wordt op zijn beurt bij
eigennamen niet aangewend om fysische grootheid aan te wijzen, maar om
psychische vergroving te betekenen. Het is in dit licht begrijpelijk dat
dergelijke suffixen hun letterlijke zin helemaal kwijtspelen en zelfs
verdwijnen uit de appellativische wereld.
5o De funktie van een genitiefbepaling bij eigennamen
is drastisch ingeperkt tot de aanduiding van de afstamming (cf. Zjefkes Marie) of zelfs helemaal gewijzigd: het duidt
op de duur slechts aan dat we met een kollektiefnaam te maken hebben
(cf. Jan van Zjefkes). De | | | |
genitiefuitgang is geëvolueerd van bezitsaanduidend tot
kollektiefsuffix. Het gaat in de richting van een sociologische
parameter, nl. de sociale groep van de familie.
6o De genusmorfemen zijn bij eigennamen
logisch-semantisch ten dele overbodig. Bij PN is zeker het onzijdige
genus overtollig omdat er nu eenmaal maar twee biologische seksen zijn:
mannelijk en vrouwelijk. Het onzijdige lidwoord (het)
of een andere onzijdige determinator (dat) kan men in
het Ndl. aanwenden om een bepaalde (on-)gunstige attitude uit te
drukken, vgl. een uitspraak als:
Dat Marieke is niet op haar tong gevallen!
Weliswaar is hierbij het diminutiefsuffix vereist, maar het krijgt een
ironische klank.
In sommige Duitse dialekten is het diminutiefsuffix zelfs niet nodig om
een onzijdig lidwoord bij een meisjesnaam te plaatsen, bv. dat Grete (Bach 1952: §54-55).
De naamsvorm zelf geeft immers voldoende uitsluitsel over de sekse van
de persoon en derhalve komt het genusmorfeem vrij voor expressieve
doeleinden.
7o In sommige talen wordt het pluralismorfeem te
nutte gemaakt voor expressieve of klassifikatorische doeleinden. Dit
wordt weer mogelijk gemaakt doordat het meervoudsmorfeem bij eigennamen
zijn gewone rol niet kan spelen, nl. het meervoud aanduiden. De meeste
eigennamen, in elk geval alle namen van personen zijn inherent
singulaar. In het Mexikaanse Spaans komen kindernamen soms voor met een
meervoudige uitgang, vaak in kombinatie met een bepaald lidwoord en een
diminutiefsuffix, dit alles om de PN een expressieve tint te geven, bv.
in de zin uit Svennung (1958: 405):
Qué lindos son los Manuelitos!
(Hoe lief is Manuel!)
In een aantal andere talen heeft het ontledigde pluralismorfeem bij
plaatsnamen een klassifikatorische funktie: plaatsaanduidende soortnamen
worden eigennamen door toevoeging van een meervoudsuitgang (o.m. in het
Litouws en het Sorbisch, cf. Trost 1962: 275-7).
Even merkwaardig is een meervoudige uitgang bij sommige veldnamen,
uitgelokt door een sociaal-ekonomische aktie van de mens t.a.v. deze
velden, nl. verkaveling (Pools, Skandinavisch, cf. Leys 1965: 38, noot 63).
| |
iii) Het syntaktische vlak.
Ook op het syntaktische vlak komen strukturen vrij die evtl. kunnen
dienen voor sociale klassifikatie of het uitdrukken van attitudes.
| | | |
1o We hebben bij de PN een inventaris opgemaakt van
konstrukties die we juxtaposities genoemd hebben: VN + KN, VN
+ BN, titel + PN, enz. Er is geen specifieke
semantische relatie tussen beide termen, zoals dat wel het geval is bij
soortnaamkonstrukties: volg-ordeveranderingen zijn bv. relevant:
een bierbak ≠ een bak bier!
Daarentegen, of men nu zegt, Jan Peeters of Peeters Jan, verandert niets aan de konceptuele
betekenis: die is eenvoudig niet aanwezig in de naamdelen, tenzij dat
het individu Jan tot de familie Peeters behoort; er is dus alleen een
numerus aanwezig, nl. Jan is singulaar; Peeters is kollektief. Er zijn echter geen begrippen in vervat
zoals in bak/bier. Dat laat dan ook toe bv. de
volgorde te wijzigen:
Jan Peeters = Peeters Jan
(kultuurtaal)
Die wijziging kan sociolinguïstisch benut worden; er is nl.
een verschil van register:
| VN + KN: informeel, gewoon; |
| KN + VN: formeel, officieel. |
Men kan dus daarmee een formele of informele houding tegenover iemand
aannemen.
2o Eigennamen kunnen bepalingen krijgen net als
soortnamen, maar toch is er een restriktie: ze krijgen alleen
uitbreidende relatiefzinnen ert voorzetselgroepen, maar geen beperkende,
restriktieve, bv. niet:
*Jan die in 't dorp woont, niet de
andere(37).
Die uitbreidende bepalingen bij eigennamen dienen dus niet voor
differentiatie, maar om opvallende eigenschappen aan te geven, bv.
familiale of geografische afkomst:
Jan van Zjef / van Leuven
Dat de bepaling impliciet ook differentieert tussen verschillende Jannen
is echter een bijkomstige, meestal redundante funktie ervan. Hoofdzaak
is het karakterizeren van de persoon, vgl. nog:
|
Tist met z'n sik
|
|
Sus met z'n siroop
|
De bepalingen kunnen dus uiteraard ook sociolinguïstische
informatie bezorgen, bv.
| | | |
| Zjef van Marie (wijst evtl. op dominerende
vrouw) |
| Zjef van Leuven (wijst evtl. op stadsmens) |
| Jan de bakker (wijst evtl. op
middenstander) |
Soms krijgt (parallel met -es) het voorzetsel van de funktie van kollektivizerend morfeem, o.m. in
Limburgse dialekten: Frans van den Apoteker.
Uit deze semantische, lexikale, morfologische en syntaktische
eigenschappen van de eigennaam blijkt voldoende dat hij wellicht de
meeste mogelijkheden bezit van alle woordsoorten om pragma- of
sociolinguïstische informatie te stockeren.
| |
2. Buitentalige reflektie van de talige status van de eigennaam
1) De pragmalinguïstische mogelijkheden van de eigennaam worden
bovendien in de hand gewerkt door het extra-linguïstisch
korollarium dat vastzit aan het zuiver referentiële,
betekenisloze karakter van het proprium. Er is in 't algemeen veel meer
gelegenheid om nieuwe eigennamen en varianten erop te kreëren dan
om soortnamen bij te maken. Immers, soorten zijn veel permanenter, en kunnen
aldus duizenden jaren dezelfde benaming dragen. Daarentegen zijn exemplaren,
d.i. individuen in ruime zin, erg in de tijd beperkt en onderhevig aan
vernieuwing. Noteer dat in de historisch-vergelijkende grammatika niet
eigennamen, maar wel soortnamen, adjektieven en werkwoorden dienen als
voorbeelden om de taalevolutie te illustreren, enkele uitzonderingen, zoals
waternamen, niet te na gesproken!
2) Zoals uit voorbeelden hierboven al duidelijk zal zijn geworden, zijn het
vooral de persoonsnamen die voor pragmalinguïstische
verschijnselen in aanmerking komen. Ook dit feit heeft zijn
extra-linguïstische korollaria.
a) Namen van medemensen roepen uiteraard veel meer expressieve, sociale of
psychologische attitudes op dan bv. namen van plaatsen, rivieren of bergen.
Men heeft uiteraard meer affektieve relaties en houdingen t.o.v. de medemens
dan tegenover plaatsen of levenloze voorwerpen. De dieren staan daar
tussenin: ze krijgen wel PN toegemeten, maar bv. zelden of nooit tweeledige
PN.
b) De persoonsnaamgeving is een domein waar men kreatief kan zijn: men
ontmoet steeds nieuwe individuen waarmee men betrekkingen | | | | kan
aanknopen. Die nieuwe personen hebben weliswaar al een officiële
VN en KN (fn.), maar steeds rest de mogelijkheid om die PN te vervormen
hetzij BN te scheppen. Ook wanneer men langere tijd omgaat met dezelfde
mensen, kan de behoefte opkomen om veranderde houdingen jegens deze personen
uit te drukken d.m.v. morfologische of lexikale vernieuwing. Een gelegenheid
bij uitstek voor naamgevende kreativiteit is wanneer men eigen kinderen,
eerst een doopnaam en later allerlei vlei- en troetelnaampjes mag geven. In
deze sfeer ontstaan dan ook de meeste expressieve naamsvormen. Men denke aan
de ontwikkeling van diminutief- en augmentatiefsuffixen bij VN en BN.
Naarmate het kind opgroeit verandert ook de houding van de omringende
personen. Allereerst worden diminutieve vormen gekreëerd, later
komen ook augmentatieve, vergrovende formaties op gang, gevolgd door het
scheppen van BN, inz. in schoolverband. In de werkkring kan tenslotte
opnieuw naamwisseling plaatshebben.
c) Tenslotte bedenke men dat op deze manier iedere sociale groep aan zijn
trekken kan komen in de PN-geving. Dit waarborgt ruime variatie in de
namenschat.
Voor de rest van de taal is dat in veel mindere mate het geval. Het maken van
nieuwe soortnamen is doorgaans beperkt tot een biezondere sociale groep,
afhankelijk van de inhoud van het woordveld: het woordveld van de wetenschap
wordt beheerst door de geleerden: het is niet de gewone man die benamingen
als quasar, quark, proton, cyclotron de wereld instuurt.
Het is niet de man in de straat die woorden op de markt gooit als kakelvers, doe-het-zelver, wegwerp-bekertje..., maar de
reklametechnikus.
| |
3. Socio-onomastische verschijnselen
Het doel van dit artikel is uiteraard niet alle
pragmalinguïstische verschijnselen te behandelen. We beperken ons
tot de sociolinguïstische studie van de eigennaam, d.i. de
socio-onomastiek. Zelfs hiervan zal slechts een deelgebied besproken worden.
| |
3.1. De socio-onomastische paradox.
Ondanks de gunstige uitgangspositie die we hierboven vaststelden voor de
studie van pragmatische, stilistische en sociolinguïstische
verschijnselen omtrent de eigennaam, wordt de studie van socio- | | | | onomastische fenomenen niet onverdeeld gunstig ontvangen.
We staan hier voor wat we zouden kunnen noemen: de socio-onomastische
paradox.
De naamkunde heeft in haar traditionele vorm weinig of geen
belangstelling betoond voor het sociolinguïstische
gezichtspunt(38), evenmin als de
traditionele taalkunde dat gedaan heeft.
Maar zelfs heden ten dage is het sociale aspekt in de onomastiek eerder
stiefmoederlijk behandeld, althans in het Westen(39). In het Nederlandse
taalgebied is al wel een begin gemaakt met de
‘socio-onomastiek’ door naamkundigen (Leys 1974; 1976; Molemans 1974; Van Loon 1975). Sommige sociolinguïsten
nemen echter een eerder schoorvoetende houding aan t.a.v. de
socio-onomastiek. Het voordeel dat de socio-onomastiek blijkbaar heeft
tegenover de gewone sociolinguïstiek impliceert echter een
zeker nadeel, een zekere beperking. De socio-onomastiek vertoont een
zekere eenzijdigheid, als men even de fundamentele dubbele gerichtheid
van het sociolinguïstisch onderzoek in aanmerking neemt.
Immers, aangezien de sociolinguïstiek per definitie de
interaktie tussen twee faktoren nagaat, nl. taal en maatschappij, moet
men de beïnvloeding in twee richtingen bekijken:
1) Invloed van de maatschappij op de taal: hierbij bestudeert men de
reflektie van de maatschappelijke groepsvorming op de taalstruktuur of
het lexikon. Aangaande deze richting van de beïnvloeding moet
de socio-onomastiek wel zeer vruchtbaar heten: iedere sociale groep
heeft immers de gelegenheid om het onomastikon, en inz. de
persoonsnaamgeving te determineren. Bovendien laat het taalsysteem dit
optimaal toe, zoals we gekonstateerd hebben. Er is dus ampele ruimte
voor kreativiteit en variatie.
2) Invloed van de taal op de maatschappij: hierbij wordt nagegaan in
welke mate en hoe de taal van haar kant de maatschappelijke
groepsvorming determineert. Dit is voor de taal in het algemeen een
belangrijk facet. Men denke aan de kreet ‘De taal is gans een
volk’. De taal konstitueert een volk, een maatschappij, of
maakt zelfs van geografisch verspreide naties één
blok. Hier denken we bv. aan ‘les amitiés
françaises’. Is de rol van de taal als geheel dus
wel | | | | signifikant, dan blijkt de impakt van een deelsysteem
als het onomastische systeem eerder gering te zijn. Zeker, er is daar
wel een bepaalde invloed van de naamgeving op de sociale geledingen. We
kunnen bv. gewagen van een Vlaamse naamgeving, een kristelijke
naamgeving, een humanistische, een gereformeerde enz. Men kan dus wel
zeggen dat een bestaande groep door de naamgeving meer geprononceerd
naar voren treedt. Maar het lijkt niet zo dat de naamgeving een groep
doet ontstaan. De rest van de taal heeft veel meer impakt. Ik denk hier
aan de ‘elaborated code’ en de ‘restricted
code’ van B. Bernstein. Sprekers van de
beperkte kode kunnen zich heel moeilijk losrukken uit de greep van de
sociale onderwaardering: ze blijven willens nillens beschouwd worden als
behorend tot een sociaal lagerstaande klas. De reden is blijkbaar deze:
men kan niet zondermeer van de ene dag op de andere zijn spreekkode
wijzigen, vooral niet als men van een beperkte naar een uitgebreide kode
wil overgaan. Een struktuur zoals een spreekkode doordringt en
doordrenkt iemands hele taalsysteem(40).
Daarentegen is een eigennaam zo marginaal in de taal (omdat hij geen
koncepten inhoudt) dat hij de spreekkode niet determineert. Men kan vrij
wat makkelijker eigennamen veranderen dan soortnamen. Hoe zou deze
variabiliteit dan sociale groepsvorming kunnen bewerkstelligen?!
Voorbeelden van naamwijziging zijn er te over. Zowel plaats- als
persoonsnamen ondergaan dit lot. Niet dat men geen belang zou hechten
aan een naam. Meestal vervangt men toponiemen of antroponiemen om
politieke of ideologische motieven. Oud-Belgisch-Kongo is een mooi
recent voorbeeld. Zaïre heeft niet alleen zijn eigen naam
zien veranderen, maar ook namen van provincies en steden, dit als gevolg
van een streven naar ‘autenticiteit’. Bovendien
moest iedere burger zijn VN, die kristelijk was, vervangen door een
inheemse VN.
We kunnen dus besluiten dat de socio-onomastiek inz. geschikt zal zijn om
de invloed van de sociale groepsvorming op de taal, nl. op het
naamsysteem te onderzoeken. De socio-onomastiek is vrij wat minder
geëigend om de invloed van de taal op de maatschappij te
bestuderen: het onomastikon is nauwelijks bij machte om een sociale
barrièrevorming uit te lokken.
Het gebrek aan belangstelling voor de socio-onomastiek is dus wel te
verklaren, inz. bij die sociolinguïsten die wilden ingrijpen
in | | | | bepaalde taaltoestanden, bv. door het opstellen van
taalkompensatieprogramma's e.d. Evenwel is uit de ervaring zowel als uit
het socio-linguïstisch werk van een W.
Labov e.a. gebleken dat de interventie in die geest van een
verkeerd uitgangspunt vertrok. De taal van de lagere klassen is
linguïstisch niet inferieur, maar anders. De konsekwentie is
dat niet de taal veranderd dient te worden, maar de maatschappij!
Ik zou dan ook willen stellen dat deze uitkomst een gunstig gevolg
meebrengt voor het socio-onomastisch onderzoek. Indien we nl. de
maatschappelijke verhoudingen willen wijzigen, dan hebben we er alle
belang bij om de struktuur daarvan te leren kennen. Welnu, er blijkt
eensgezindheid over te bestaan dat de socio-onomastiek een zeer
gevoelige barometer is voor het aflezen van sociale toestanden en
verhoudingen (cf. Leys 1976: 141). Onze taak ligt dan
voor de hand: een socio-onomastische verkenning van de maatschappelijke
groepsvorming.
Hierbij beperken we ons in onderhavig werk tot het sociale aspekt van de
naamgeving zelf en gaan we niet systematisch in op het sociale aspekt
van het naamgebruik.
| |
3.2. De weerslag van de sociale groepsvorming op de
persoonsnaamgeving.
Een eerste noodzaak om deze invloed na te gaan is de indeling van de
maatschappij in groepen. Er zijn daarvoor enkele kriteria, parameters
genoemd, die in het gewone sociolinguïstisch vorsingswerk
gehanteerd worden en eveneens voor de socio-onomastiek kunnen gelden
(cf. ook Leys 1976: 143-149):
| 1) | sekse: de oppositie man-vrouw; |
| 2) | leeftijd: oud vs. jong/nieuw; |
| 3) | bloedverwantschap (in engere of ruimere zin): het gezin, de
familie, de clan, de stam, het volk, de natie, de taalgemeenschap; |
| 4) | het leef- en werkmilieu: de school, de kazerne, de fabriek, het
kantoor, de wijk, het dorp; |
| 5) | de ideologie: de godsdienstige en filosofische en politieke
overtuiging; |
| 6) | de sociale klassen en standen: de sociaal-ekonomische
groepsvorming, waarin inz. het edukatienivo een rol speelt. |
Volgens deze parameters zullen we trachten zoveel mogelijk
socio-onomastische observaties onder te brengen en te klassificeren. | | | | Inderdaad kan in dit primaire stadium van onderzoek, de
heuristische faze, niet veel meer dan een heuristiek en een taxonomie
van feiten ondernomen worden. Hoe deze observaties uiteindelijk in een
volledige beschrijving van de kommunikatieve taalkompetentie
geïntegreerd moeten worden, is een nog op te helderen
kwestie.
| |
3.2.1. De parameter sekse: de oppositie man vs. vrouw.
Het ziet er naar uit dat de man-vrouw-verhouding een drietal
naamkundig relevante attitudes heeft doen ontstaan. De
persoons-naamgeving geeft aanleiding tot het onderscheiden van:
| a) | een neutrale houding: man en vrouw verschillen zonder meer
(het biologische feit); |
| b) | een psychologische houding die het verschil in psyche tussen
beide seksen oproept; |
| c) | een sociologische attitude die wijst op de maatschappelijke
dominantie van de man over de vrouw. Niettemin wijzen sommige
feiten op een gelijkschakeling van man en vrouw of zelfs op een
dominantie van de vrouw over de man. |
De drie houdingen zijn natuurlijk niet scherp af te lijnen in het
PN-systeem, maar toch lijkt zich af te tekenen dat het
lexikologische aspekt op gelijkheid wijst; de psychologische
differentiatie is inz. morfologisch te zien; de sociologische
verschillen zijn morfologisch en syntaktisch weergegeven.
De feiten zijn gehaald uit het materiaal van de synchronische studie
en in mindere mate uit dat van de diachronische komponent.
a) De neutrale houding die het biologisch verschil weergeeft, is
vooral vertegenwoordigd in een onderscheiden lexikon voor mannen en
vrouwen. Althans geldt dit voor de VN-geving: op enkele
uitzonderingen na (cf. Chris, Jo, Gaby, Willy,
Dominique, José(e), Hedwig...) hebben vrouwen andere VN dan mannen.
Men kan stellen dat ook de morfologie in zekere zin op een neutraal
verschil wijst. Er zijn soms mannelijke suffixen en vrouwelijke,
vgl. de ontleningen uit het Latijn:
|
Paul-us
|
vs. |
Paul-a
|
|
Le-o
|
vs. |
Le-a
|
Historisch blijkt echter dat de vrouwelijke meestal afgeleid zijn van
de mannelijke. Synchronisch is dit soms nog zichtbaar, nl. waar de
mansnaam de nulvorm vertoont, vgl.
| | | |
|
Paul-Ø
|
vs. |
Paul-a
|
|
Zjors-Ø
|
vs. |
Zjorz-et
|
b) De psychologische houding die wijst op een verschil in psyche
tussen man en vrouw uit zich vooral morfologisch.
Voorzover het naamkundig naar voren treedt, komt het onderscheid in
psyche hierop neer: bij jongens en mannen valt inz. het stoere, het
grote, het grove op, bij meisjes en vrouwen inz. het tedere, het
kleine, het lieflijke. In principe is dit verschil weer neutraal.
Maar de maatschappij neigt er wel eens toe om stoere mannelijkheid
sociaal over te waarderen als volwassenheid, maar tedere
vrouwelijkheid als kinderlijkheid onder te waarderen.
1o Het onderscheid manifesteert zich uiteraard
vooral in de vorming van augmentatieven en diminutieven.
i) Augmentativering is als mannelijk kenmerk volop produktief bij VN
van jongens, ten dele ook bij BN geattesteerd. Er zijn verschillende
vormen:
het suffix -e (< în): bij VN: Warr-e (m)., Till-e (vr.); soms elders: Boer-e
Wezembeek.
het suffix -er (nomen agentis of iteratief
werkwoord): bij VN: Wiet-er <
‘Louis’; bij BN: den Toek-er
< ‘toeken’, Debb-er-ke < ‘debberen’.
het lidwoord de: bij VN: de
Mark(-e); bij BN: de
Tromp.
Primair dienen deze morfemen dus voor mannelijke augm., sekundair
zijn ze vaak ook toepasbaar op vrouwelijke namen; dit verschilt van
dialekt tot dialekt. In het Tildonks zijn de suffixen ook (in zekere
mate) toepasselijk op meisjesnamen, het lidwoord niet (of nog niet).
In de streek van Antwerpen is het lidwoord
wel systematisch mogelijk bij vrouwennamen(41). Hier is het vergrovend effekt
verwaterd.
In dialekten waar alleen mann. VN een lidwoord nemen, fungeert dit
onrechtstreeks als klassifikator, daar het mann. van vrouw.
onderscheidt. Als ook in déze dialekten uitbreiding tot
vrouwelijke VN of BN plaatsheeft, heeft dat aanvankelijk een erg
augmentatief, vergrovend, ja zelfs denigrerend effekt. Dat geldt
zowel voor suffixen als lidwoorden, bv. den
Djoemer.
| | | |
ii) Diminutivering zouden we logischerwijze inz. verwachten bij
meisjesnamen. Hier moet men nochtans bedenken dat zowel mannen als
vrouwen eerst kind zijn. En daar het kinderlijke vaak met het
vrouwelijke geassocieerd wordt, wordt ieder mensenkind eerst en
vooral met troetelnaampjes bedacht. Dat feit verklaart wellicht
waarom iedere PN in principe gediminutiveerd kan worden, terwijl
augmentativering vooral beperkt blijft tot jongensnamen. Anderzijds
komt diminutivenng minder voor bij VN en BN van volwassen mannen.
Een dim.-suffix werkt hier soms pejoratief, bv. Kapperke. Overigens moet men toegeven dat wanneer het
diminutief een klassifi-katorische funktie krijgt, dat blijkt te
gebeuren bij vrouwennamen:
| Ndl.: |
Frans (m.) |
~ |
Frans-je (vr.) |
| Tild.: |
Debber (m.) |
~ |
Debber-ke (vr.) |
| Frans: |
Georges (m.) |
~ |
Georg-ette (vr.) |
2o In de keuze van de VN laat zich eveneens het
psychologische onderscheid ‘jongensachtig’
~ ‘meisjesachtig’ zien. Blijkens
Chaltin
(1976: 160) is er een zekere neiging om voor jongens een
korte en krachtige doopnaam te kiezen, bv. Jan, Luc,
Marc, Dirk... Daarentegen krijgen meisjes niet zelden een
langere en welluidende naam, bv. Karolien,
Godelieve. (Het spreekt vanzelf dat het kriterium der
welluidendheid aan subjektieve oordelen onderhevig is, vgl. Eulalie, Amelie, Adelaïde!).
c) De specifieke sociale attitudes t.a.v. de man-vrouw-relatie komen
in de PN-geving op verschillende vlakken tot uiting: er zijn
verschijnselen omtrent KN en familienaam, BN en VN waar te nemen.
Sociologie en dagelijkse ervaring leren ons dat we in een
‘mannenmaatschappij’ leven. Het is een
gemeenplaats geworden te zeggen dat de man de vrouw overheerst. Een
tendens naar gelijktrekking van de scheve verhouding is anderzijds
ook onmiskenbaar, zelfs in de wetgeving, waarbij bv. het
huwelijksgoederenrecht (moeizaam) herzien wordt. Hier en daar
beweert een enkele zonderling dat in feite en alles welbeschouwd de
vrouw de man domineert zonder dat deze ‘gedresseerde
aap’ dat weet.
Merkwaardig genoeg laat de PN-geving zien dat de drie tendensen enige
grond van waarheid hebben. Het ziet ernaar uit dat i.v.m. de KN de
mannen-dominantie-tendens het duidelijkst naar voren komt, terwijl
BN en VN ook andere trends aan het licht brengen. Dit hangt | | | | kennelijk samen met het feit dat de KN vaster en
permanenter is dan de individuele BN en VN. We delen de observaties
in volgens deze drie PN-kategorieën.
1o Wat betreft de fn. in zijn funktie van KN is
er een opvallende overheersing te zien van de man over de vrouw. De
KN van een gezin wordt bepaald door het gezinshoofd, en dit is
normaal de vader. Zowel de vrouw als de kinderen krijgen de KN van
de vader volgens de wet. De meisjesnaam van de vrouw wordt
sekundair; hij wordt als bijkomende KN toegevoegd aan de KN van de
echtgenoot.
Voor wat de volkse naamgeving aangaat, die volgt de wetgever in de
diskriminatie.
i) De volkse KN zijn bijna alle ontstaan uit VN of BN van mannen (die
grootvader, vader of echtgenoot zijn), bv.
Marie Zjefkes; Marie
Pleet
Hetzelfde patroon vinden we terug bij de overeenkomstige van-bepalingen, vgl.
| Marie van Jan van Zjezukes; |
|
Irma van Zjuul van Waar Korbeel
|
ii) In sommige Westvlaamse dialekten wordt de afhankelijkheid van de
vrouw extra in de verf gezet door het Movierungsverschijnsel (Leys 1965: 31): de vrouw krijgt de KN van de man,
waarbij aanhechting van het suffix -s plaatsheeft;
men notere dat dit achtervoegsel teruggaat op de genitiefuitgang,
die in eerste instantie het bezit aanduidt, bv.
|
De Backere
|
> |
Backer (m.) |
| |
> |
Marie Backer-s (vr.) |
De gevallen waarbij de KN of van-bepaling toch op
de naam van de moeder teruggaat, zijn uitzonderlijk. Althans zijn
speciale motieven te vermelden. Twee mannen met dezelfde VN in
één familie worden soms onderscheiden door de
naam van de vrouw toe te voegen, bv.
Willy (van) Detty ~ Willy (van) Irma
Oversteyns
(1972: 257) vermeldt voor het CZB dialekt van Kapellen:
De vrouw heeft een zelfstandig beroep in het dorp, terwijl
haar man elders werkt. De vrouw heeft een opvallende naam: Boni van Minerva. De vrouw is populairder.
| | | |
2o De observaties i.v.m. de BN delen we op
volgens de kriteria vorm en betekenis (i.c. diachronische
betekenis).
i) Naar de vorm hebben we eenledige en tweeledige PN onderscheiden.
Als eenledige BN treffen we niet zelden vormen aan ontstaan uit
officiële fn. Dit type is echter alleen gerealizeerd bij
mannelijke namen. Komt het toch ooit voor bij vrouwennamen, dan
krijgt deze naam een zwaar pejoratieve klank (zie ook Oversteyns: 252). Deze wanverhouding is evenwel zo goed
als rechtgetrokken in de kultuurtaal: in principe wordt elke fn.
zowel voor dames als heren gebruikt als individuele PN in formele
situaties, bv. bij naamafroepingen.
Andere eenledige BN in CZB zijn aan vrouwelijke kant evenzeer taboe
als de BN uit fn. Kon dit m.b.t. deze laatste nog op rekening
geschoven worden van de dominantie van de mannelijke KN, dan is voor
de andere BN een andere verklaring te zoeken: er is een algemene
tendens waar te nemen dat voor vrouwelijke BN eerder tweeledige dan
eenledige formaties gekreëerd worden(42). Dit is
dan een oorzaak te meer waarom vrouwelijke BN zelden of nooit uit KN
voortspruiten (zie ook Oversteyns: 252). We geven
enkele andere frappante voorbeelden.
i. Er is een massa mannelijke BN in 't leven geroepen die teruggaan
op een gesubstantiveerd adj.: den Dikke, de Smalle, de
Lange, enz. Er is echter geen enkele vrouwelijke
tegenhanger van dit type in mijn dialekt. Wel vinden we tweeledige
van het patroon [adj + VN], en zelfs meer vrouwelijke dan
mannelijke, bv. Dikke Marie, Dikke Nora, Zwarte
Wan (cf. de synchronische komponent).
ii. De situatie is wat komplexer t.a.v. BN ontstaan uit soortnamen.
Er dringt zich een onderscheid op tussen namen voor volwassenen en
namen voor jongeren.
Bij de volwassenen-BN vinden we een massa eenledige mannelijke, bv.
Snoek, Bik, Stek, den Draaier, de Tromp, het
Varken, den Rossen-Duim. De enige vrouwelijke BN van dit
type zijn: (de) Juffrouw, Tut.
De BN (de) Juffrouw is echter
een titel, en we hebben reeds vastgesteld dat titels, net als VN,
ook bij vrouwelijke referenten op | | | | zichzelf kunnen
voorkomen. Er rest ons dus maar één
uitzondering, nl. de BN Tut. Deze blijkt niettemin
funktioneel te zijn: het was kennelijk de bedoeling van de naamgever
deze vrouw te bedenken met een zwaar augmentatieve, pejoratieve BN;
een geschikt procedé voor het vergroven van vrouwelijke
namen is immers het geven van formeel mannelijk aandoende namen
(vgl. de vrouw. BN den Djoemer!).
Ons materiaal levert echter een reeks eenledige BN voor meisjes,
waarvan het grootste deel uit de school komen: den
Boelo, de Chef, de Kwaderik, Maarmaarke, de Muis, de
Onnozele-Kloek, de Patatepikker, (de) Pannekoek, Schele-Piet, de Vache, het Vuil-Jong, de
Slotemaker. De andere kwamen tot stand in gezinsverband:
den Djoemer, Ons Pop, Ons Potlood, Ons
Zjodderke. Deze strukturele gelijkmaking van jongens- en
meisjes-BN wijst ontegenzeggelijk op een geleidelijke
gelijkschakeling van beide seksen bij de jongere generaties.
iii. De sterke tendens tot tweeledigheid bij vrouw. volwassenen-BN
brengt paradoxalerwijze ook restrikties met zich voor de tweeledige
vrouw. BN. We moeten hier onderscheiden tussen twee soorten
patronen.
Er zijn types waarbij een lid kan wegvallen zodanig dat alleen de VN
of een titel overblijft. Hier zijn beide seksen vertegenwoordigd:
| mann. |
vrouw. |
| (Lange) Louis |
(Dikke) Nora |
| (Meester) René |
(Juffrouw) Angèle |
| Zjef (Janssens) |
Marie (Janssens) |
| Jan (Ammoniak) |
Trees (Appelspijs) |
| Meneer (Peeters) |
Madam (Peeters) |
| |
Madam (Voilà) |
Daarentegen zijn alle tweeledige types waarbij bij het weglaten van
een lid een BN zou overblijven, als vrouwennamen uitgesloten. Dit is
in overeenstemming met de boven gegeven regel dat vrouw. eenledige
BN normaal onmogelijk zijn; de mann. patronen in dit verband zijn:
| [(Adj +)BN]: |
(den Dikke) Perdieus; |
(Dikke) Petit |
| [(VN +)BN]: |
(Tist) den IJzere; |
(Tiske) Mussejaske |
| [BN(+ KN)]: |
de Lange (Profeet); |
Baaske (Vankrieken) |
iv. Tot slot vermelden we een paar schijnbare uitzonderingen | | | | die alle verklaarbaar zijn doordat het afgeleide
karakter van deze vrouwennamen morfologisch tot stand kwam: Muntbolleke, Debberke, de Plattin. Twee daarvan
staan zelfs in rechtstreekse oppositie tot een niet-gederiveerde
mann. BN:
|
den Debber
|
~ |
Debber-ke
|
|
de Platte
|
~ |
de Platt-in
|
In 't algemeen moeten we dus zeggen dat vrouw. volwassenen-BN een
morfosyntaktisch afgeleid karakter vertonen t.o.v. mann. BN.
ii) Naar de diachronische betekenis hebben we drie grote groepen BN
onderscheiden. Bij de groep eigenschap hebben we
een subgroep geplaatst onder de term Sociale Status. De laatste
onderverdeling hiervan groepeert de BN die wijzen op een waardigheid
of funktie. Verwant daarmee zijn onder de hoofding aktiviteit de BN die een beroep aanduiden. Welnu, in beide
klassen zijn de voorbeelden met mannelijke referenten legio, die met
vrouwelijke daarentegen soms ver te zoeken.
Dit weerspiegelt de werkelijkheid dat een beroep, waardigheid of
funktie, althans in een dorpsgemeenschap, normaal alleen te beurt
valt aan een man, niet aan een vrouw. Er zijn weliswaar enkele
uitzonderingen, vgl.
1o waardigheid of funktie:
mann.: Pastoor Nijs, Pater Verbelen, Notaris Tuerlinckx,
Meester Stroobants, Doktoor Petit, Burgemeester Cloetens, Boer
Mettes;
vrouw.: Zuster Hilda, Mère Isabelle, Juffrouw
Jozefa.
Het valt hier op dat de enige vrouwelijke PN weer uit de besloten
gemeenschap van de school stammen.
2o beroep:
mann.: den Apoteker, den Draaier, de Sekker (sekretaris), de Nieuwen-Boer, den
Dikke-Meester, den Boer, Boerke, Metserke (metselaar), Soepboerke; Lamme de Stoker, Zjef den Blokmaker, Janneke de Sleger
(slachter), Suske de Verver.
Vrouwelijke voorbeelden ontbreken geheel(43).
| | | |
3o De observaties omtrent de VN delen we in een
drietal paragrafen in: de vorm, de keuze en het gebruik van de VN.
Hier zien we al beter de evolutie naar gelijkschakeling en soms
zelfs vrouwelijke dominantie!
i) De naamsvorm.
Van mannelijke dominantie getuigt nog de afleiding van vrouwelijke
naamsvormen uit mannelijke. De mannelijke is hier duidelijk primair,
ongemarkeerd en heeft dan ook de nulvorm van het suffix. Voorbeelden
van minimale paren zijn:
|
Paul
|
~ |
Paul-a
|
|
Johan
|
~ |
Johann-a
|
|
Yvo
|
~ |
Yvo-nne
|
|
Alphonse
|
~ |
Alphons-ine
|
|
Georges
|
~ |
Georg-ette
|
Bij jongere VN ontdekken we een tendens naar gelijkschakeling: zowel
meisjes- als jongensnamen kunnen het familiarizerende suffix -ie krijgen, vermoedelijk in Vlaamse dialekten
doorgedrongen onder Engels-Hollandse invloed; vgl. Tildonks:
| mann. |
vrouw. |
| (den) Diks-ie
(Dirk) |
Emm-ie (Emilie) |
| (den) Edd-ie
(Edward) |
Fabb-ie (Fabienne) |
| de Nikk-ie (Dominique) |
Kad-ie (Leocadie) |
| de Johnn-ie (John) |
Lutt-ie (Lutgarde) |
| |
Magg-ie (Magda) |
| |
Mikk-ie (Michèle) |
| |
Pats-ie (Patricia) |
| |
Vikk-ie (Victoire) |
Wel zijn er nog meer vrouwelijke dan mannelijke derivaties met -ie, maar de gelijkschakeling is principieel in het
systeem ingebouwd.
ii) De naamkeuze.
1) De zgn. ‘Nachbenennung’, d.i. de benoeming
naar verwanten (grootvader, grootmoeder, vader, moeder, oom, tante,
peter, meter) laat nog zien dat vaak meer belang gehecht wordt aan
de jongen als symbool en voortzetter van de familie dan aan het
meisje. Nach- | | | | benennung naar verwanten is nl.
frekwenter bij jongens dan bij meisjes. Volgens het materiaal van
Chaltin
(1976: 104) over de streek van Tienen (CZB) in de periode 1960-73, bedraagt de
Nachbenennung bij jongens 57% en bij meisjes 50%. Dit is bij ouders
met diploma HMO het meest uitgesproken. Deze verhoudingen worden
weerspiegeld in een studie van Debus e.a. (1973:
392) voor Noordwest-Duitsland.
De verklaring daarvan hangt duidelijk samen met het feit dat de
jongen later, als hij zelf een gezin sticht, zijn KN wettelijk zal
overdragen op het hele gezin en dus reeds
‘officieel’ de voortzetter is van het geslacht.
Op te merken valt dat de gewoonte der Nachbenennung nu minder en
minder gevolgd wordt. Bij lagere klassen komt Nachbenennung, hetzij
bij jongens, hetzij bij meisjes, vooral voor omdat die gezinnen nog
vaak gaan inwonen bij de grootouders. Hier speelt dus een ander
motief zijn rol.
2) Een merkwaardige verhouding vinden we bij het onderzoek naar de
persoon van de naamkiezer. Wie geeft de doorslag bij het bepalen van
de doopnaam? Als het de ouders zijn, wie van beiden beslist er dan?
Vader of moeder ofwel beiden in gemeen overleg?
Hier dient een onderscheid gemaakt m.b.t. de verschillende sociale
klassen. We onderscheiden voor het gemak 3 edukatienivo's (ENs):
| EN I: |
L.O. of L.M.O. |
| EN II: |
H.M.O. |
| EN III: |
H.O. |
Het blijkt dat, i.t.m. wat men zou kunnen verwachten, de moeder
doorgaans heel wat meer in de pap te brokken heeft bij de VN-keuze
dan de vader! Dat is vooral zo in EN I, waar de moeder in ca. 50%
der gevallen geheel alleen beslist (Chaltin 1976:
159). In EN II en III bepalen de ouders gewoonlijk in overleg de
keuze van de VN. In deze hogere klassen is de bemoeiing van de vader
hierin wel wat groter dan in EN I, hoewel ook in EN II-III de rol
van de moeder nog steeds aanzienlijker is dan die van de vader.
De dominantie van de vrouw is hier groter, hoewel het in dit geval
een afnemende trend betreft. Het ziet ernaar uit dat de vader zich
hier aan het emanciperen is, inz. bij de hogere klassen.
3) Een derde waarneming i.v.m. de naamgeving is de vernieuwing van
het VN-onomastikon. Voor alle sociale klassen stelt Chaltin (1976: 162) vast dat de vernieuwing van de namen
zich eerder manifes- | | | | teert bij meisjesnamen dan bij
jongensnamen. Dit lijkt een teken te meer van vrouwelijke
dominantie!
iii) Het gebruik van de VN.
M.b.t. het gebruik van de VN zou heel wat te zeggen zijn. In verband
met de parameter sekse willen we alleen wijzen op een bepaalde
tendens om de VN van de vrouw te gebruiken wanneer men een goed
bekend gezin, hetzij familie hetzij vrienden wil aanduiden, bv.
| We gaan naar Françoise! (i.p.v.
Johan) |
| Hoe is het tegenwoordig bij Irma? (i.p.v.
Willy) |
Dat houdt kennelijk verband met de tesis dat de vrouw de motor of het
hart van het gezin is, ook al is de man bij de wet het hoofd van het
gezin. In meer formele, officiële of afstandelijke taal
zal men overigens nog wel de KN van de man gebruiken, terwijl dus in
meer familiare stijl de VN van de vrouw gehonoreerd wordt.
De dominantie van de vrouw in dit opzicht moge ook nog blijken uit
het gebruik van vrouwelijke verwantschapstermen i.p.v. mannelijke in
familiebetrekkingen, vgl.
| We gaan naar grootmoeder (i.p.v. grootvader) |
| Hoe is het nu bij tante? (i.p.v. oom) |
Tot slot van de bespreking van de parameter sekse konkluderen we ten
opzichte van de typisch sociale attitudes dat de mannelijke
dominantie nog steeds groot is, maar toch al enigermate afneemt,
vooral daar waar de starre wetgeving dat niet in de weg staat en dat
anderzijds in bepaalde domeinen vrouwelijke dominantie valt waar te
nemen.
| |
3.2.2. De parameter leeftijd: de oppositie oud vs. nieuw of jong.
We kunnen hier drie facetten onderscheiden. De verschillen tussen de
oudere en de jongere generatie m.b.t. het PN-systeem hebben een
drietal oorzaken. De veranderingen in het jongere systeem zijn te
wijten aan:
| a) | de interne ontwikkeling van de taal; |
| b) | psycho-sociale konsekwenties van de leeftijd; |
| c) | interferentie van andere parameters. |
| |
a) De interne evolutie van de taal, en inz. het naamsysteem.
Zowel in dialekt als in kultuurtaal vertoont het Ndl. een nog
steeds voortschrijdende deflektie: morfologische
onderscheidingen gaan te niet ten voordele van syntaktische
innovaties. Meer algemeen: het | | | | analytische wint
terrein op het syntetische. Het PN-systeem van het Tildonks
vertoont volgende wijzigingen i.v.m. VN, BN en KN.
1o Wijzigingen i.v.m. de VN.
i) Klassifikatorische suffixen neigen tot verdwijning, inz. als
ze van Romaanse oorsprong zijn, bv. -us, -ette,
-ine:
Paul-us, Georg-ette, Alphons-ine...
Iets minder geldt dat voor -o en -a, bv.
Iv-o, Brun-o; Paul-a,
Elz-a.
ii) Het augmentatiefsuffix -e wordt geleidelijk
verdrongen door het bepaalde lidwoord, vgl.
oud: Poll-e (Leopold), Till-e (Mathilde); nieuw: de
Mark(-e).
Het lidwoord is echter nog beperkt tot jongensvoornamen.
2o Wijzigingen i.v.m. de BN.
i) Ook de suffixen of pseudo-suffixen van de oudere BN (-e, -er) zijn minder frekwent bij de jongere
BN; hier wint het lidwoord veld, ook daar waar vroeger geen
grammatikaal morfeem voorhanden was, bv.
oud: Stek, Pukk-er, (den) Bik; nieuw: de
Lange, de Sekk-er, den Djoem-er.
De oude BN die uit een fn. voortspruiten hebben vrijwel nooit het
lidwoord, terwijl nieuwe BN van dit type bijna altijd het
lidwoord krijgen, bv.
oud: Pleet (Pletinckx), Korbeel (Corbeels); nieuw: den
Bis (Bisschop), den Borcht
(Vanderborght).
Alleen bij reïnterpretatie tot soortnaam kan een oude
BN wel het lidwoord bekomen als hij uit een fn. ontstond:
oud: den Ruiter (Deruyter/ruiter),
den Haas (De Haes/haas).
ii) Op het diachronische vlak is er een tendens om syntetische
bahuvrihi-samenstellingen te vervangen door analytische
bahuvrihi-woordgroepen, vgl.
oud: Sta Platneus, de Grootoog;
nieuw: Dikke-Lip, den Dunne-Stekkepoot.
3o Wijzigingen i.v.m. de KN.
Voornamelijk te vermelden is het kollektiefsuffix -es bij de oudere KN, hetzij van officiële,
hetzij van volkse oorsprong. Is het daar | | | | al geen
genitiefuitgang meer, in het jongere systeem is dit
achtervoegsel volkomen verdwenen, in zijn val ook het voorzetsel
te meesleurend dat bij KN kon staan om een
soort van nederzettingsnaam te vormen, vgl.
oud: te Korbeel-es, te Zjefk-es, te
Koei-es; nieuw: bij Peeters, bij
Stafke, bij de Lange.
Op te merken is daarbij dat waar vroeger de fn. eindigend op -s, zoals Corbeels, Bosmans
enz., die -s verloren om verwarring te
vermijden met de evtl. aan te hechten genitief-s, die -s normaal terugkrijgen, nu de
genitief-s verdwenen is, vgl.
oud: Korbeel (als BN), Korbeel-es (als KN); nieuw: Korbeels (als BN en KN).
| |
b) Psycho-sociale gevolgen van de leeftijd.
1o Een gevolg van het verschil in leeftijd is
dat, zoals vroeger is opgemerkt, kinderen aanvankelijk slechts
met troetelnaampjes worden bedacht, inz. VN die op expressieve
wijze (met diminutief-suffixen en verkortingen) veranderd
worden.
2o Op schoolleeftijd voegen zich hierbij
augmentatieve vormen zoals augm. VN en BN die teruggaan op
fysische of psychische eigenschappen, of op merkwaardige
gewoontes of exploten (bv. de Lange, de Wilde, de
Pietefretter). Wat op die leeftijd nagenoeg ontbreekt,
zijn BN die verwijzen naar familiale of geografische herkomst,
hetzij naar beroepen, funkties of waardigheden. Dat zijn
begrippen die pas in het volwassenenleven betekenis krijgen en
daar dan ook heel wat BN hun motivering verlenen (cf. (de) Zjokke (van) Belle, Peer (van)
Bertem, Lamme de Stoker, Boer Mettes, Frans
Vis).
| |
c) Wijzigingen o.i.v. andere sociale parameters.
Veranderende attitudes m.b.t. een bepaalde sociale parameter
kunnen gevolgen hebben voor een andere parameter. Zo wordt de
parameter leeftijd beïnvloed door een paar andere.
1o De zich wijzigende houding t.o.v. de
parameter sekse, nl. de geleidelijke gelijkschakeling van man en
vrouw vernietigt sommige oudere naamstrukturen en schept
okkasioneel nieuwe patronen.
Aangaande de VN denken we terug aan de vaststelling dat jongere
VN-vormen soms tegelijk voor meisjes en jongens gebruikt worden
(cf. Chris, Jo, Gaby, enz.).
| | | |
Ook de morfologie laat een gelijkschakeling zien bij jongere VN:
zowel jongens- als meisjesnamen kunnen het familiare suffix -ie bekomen (cf. den Diksie, den
Eddie; Fabbie, Vikkie).
Bepaalde PN-kombinaties uit vroegere periodes zijn uit het jonge
naamsysteem verdwenen. Het betreft de reeds aangehaalde
verbindingen die wel mannen maar geen vrouwen aanduiden:
[(Adj +)BN]: (Dikke) Petit
[(VN +)BN]: (Tist) den IJzere
[BN(+ KN)]: de Lange (Profeet)
2o De parameter leefmilieu ondergaat in deze
tijd heel wat wijzigingen. Zo vindt bv. in grotere dorpen of
gemeenten een verstedelijking plaats waardoor het drukke
dorpsleven van vroeger teloorgaat. Dat brengt mee dat het aantal
BN in de verstedelijkte gemeenschap drastisch is afgenomen. Een
treffend voorbeeld daarvan is de CZB gemeente Herent (bij Leuven).
Vanhorenbeek
(1972: 97) vermeldt volgende cijfers(44):
| 1. | de leeftijdsklasse 70 en ouder: 479 BN op 977 (49%) |
| 2. | de leeftijdsklasse 50 tot 70: 445 BN op 977 (45,5%) |
| 3. | de leeftijdsklasse 30 tot 50: 45 BN op 977 (4,7%) |
| 4. | de leeftijdsklasse 6 tot 30: 8 BN op 977 (0,8%) |
Er is één grote scheidingslijn, die loopt
op de leeftijd van 50 jaar: haast alle BN zijn van Herentenaren
boven de 50. Als dit proces in alle gemeenten voortschrijdt,
zullen over afzienbare tijd alleen nog BN te ontdekken zijn in
beperkte kring (gezin, school, werkmilieu).
| |
3.2.3. De parameter bloedverwantschap: het gezin, de familie, de
stam, de nederzetting, het volk.
De gegevens in dit verband beperken zich voor het dialekt uiteraard
tot de verwantschapsstruktuur gezin of familie. De observaties laten
zich weer het best groeperen volgens de drie types van PN: VN, BN,
KN.
a) Gegevens i.v.m. de VN.
De VN is het soort PN dat bij uitstek dienst doet voor de relaties
binnen gezin en familie. Het gezin, dat fungeert als kleinste en
intiemste cel in het maatschappelijk leven, is wel de voornaamste
| | | | generator van affektieve en familiare naamgeving.
In de kindertaal en in de ‘baby-talk’ (d.i. de
vereenvoudigde taal die moeder of vader tot de peuter of kleuter
richten) ontstaan allerlei lalnamen, vlei- en troetelnamen
(hypokoristika), diminutieven en augmentatieven. Meestal zijn dat
vervormingen van VN. Hierdoor volstaan we met een verwijzing naar de
synchronische komponent.
b) Gegevens i.v.m. de BN.
De naamgeving beperkt zich binnen het gezin vooral tot VN en
varianten daarvan. Echte BN, zoals gebruikelijk in de
dorpsgemeenschap, komen hier veel minder tot wasdom. Degene die toch
opduiken, schijnen zich niet altijd te storen aan bepaalde
wetmatigheden waaraan het onomastikon van de dorpsgemeenschap
gehoorzaamt. Een punt springt in het oog: de schaarse voorbeelden
van gezinsinterne BN laten al zien dat de tendens dat vrouwelijke BN
niet eenledig zijn, in gezinsverband doorbroken wordt, bv.
den Djoemer (vr.)
ons Potlood (vr.)
I.v.m. deze laatste BN is een typische trek waar te nemen die alle
individuele PN (VN en BN) in gezinsverband kunnen vertonen. Om het
deelhebben aan het gezin te symbolizeren plaatst men soms het
plurale bezittelijk voornaamwoord van de eerste persoon ons voor de VN of BN(45), bv.
VN: onze René, ons Marie
BN: ons Zjodder, ons Potlood, onzen Andere
c) Gegevens i.v.m. de KN.
De funktie van de KN is essentieel de bloedverwantschapsband aan te
geven tussen leden van eenzelfde gezin of familie, inz. met het oog
op de extra-familiale betrekkingen, d.i. de relaties van deze cel
met de rest van de maatschappij. Blijkbaar wordt én van
officiële én van volkse kant groot belang
gehecht aan het feit dat een persoon behoort tot een bepaald gezin
of een bepaalde familie.
We hoeven hier niet lang stil te staan bij de officiële
fn. De sociale relevantie daarvan moge reeds blijken uit de grote en
dure | | | | ellende die men zich op de hals haalt ingeval
men zijn fn. wil veranderen of zelfs maar anders spellen.
De volkse KN doet niet onder voor de officiële. Er is een
belangrijke kategorie van volkse KN; ze stamt diachronisch uit VN,
BN of officiële fn. (cf. het hoofdstuk van de
diachronische studie), bv.
(de) Zjokke Belle (< VN Berta) Dore Koeies
(< BN Koei) Jomme Koninges (< fn. De Coninck)
Bovendien is er nog een enorme hoeveelheid aan frekwent gebruikte van-bepalingen bij PN, die later kunnen evolueren
tot vaste KN door het wegvallen van het voorzetsel. Een voorbeeld
moge volstaan:
Tist van Jan van Zjezukes.
Om de bespreking van de parameter ‘familie’ te
besluiten wijs ik nog even op de invloed die een familie, inz. in
vroegere tijden kon uitoefenen op zijn omgeving. Dat is af te lezen
uit de ‘geschiedenis’ die sommige KN gemaakt
hebben. Vaak werd de naam van een invloedrijke familie overgedragen
op een hele nederzetting die evtl. ontwikkelde tot gemeente. Dit kon
gebeuren met of zonder suffigering van de KN. Een paar voorbeelden
mogen hier volstaan.
In Limburg werden vrij wat hoeven en nederzettingen genoemd naar de
KN van de eigenaar en bleven die naam houden, bv. op de
Nijs (op de hoeve van Nijs) (Molemans
1975: 118ss.).
In vroegere dialekten en zelfs nog in de huidige CZB gewesttaal van
oudere personen wordt het voorzetsel te, dat
typisch met nederzettingsnamen (gemeentenamen) verbonden wordt, voor
de fn. geplaatst die dan het kollektiefsuffix -es
draagt, vgl.
te Leuven
te Korbeel-es (bij Corbeels)
Niet weinige van onze aloude gemeentenamen gaan terug op de PN van
een middeleeuwse lokale machthebber, o.m. heel wat namen op -gem, -inge(n), bv. Bertegem < Bertingehem
(1158): heem van de familie Berting <
VN Bert (Lindemans 1940:
61).
| |
3.2.4. De parameter leefmilieu: dorp, buurt, school, werkplaats
e.d.
Deze parameter staat enigszins in oppositie tot de vorige, vooral als
men even de KN buiten beschouwing laat en de individuele PN in | | | | de kijker neemt. Terwijl in gezin en familie de VN
een primordiale rol speelt, zijn school en dorp de voedingsbodem
waarop de BN kan gedijen. De VN wordt hier weliswaar niet van de
kaart geveegd, maar vaak door vervormingen of augmentativeringen
omgesmeed zodat hij de funktie van BN verkrijgt. Hetzelfde overkomt
trouwens ook de officiële fn.
Meer nog dan in de dorpsgemeenschap is dat het geval in de
schoolgemeenschap. De vorm van VN of fn. wordt er vaak geassocieerd
met klankverwante soortnamen, eigennamen, adjektieven of
werkwoorden. ‘Rijmen en dichten’ behoort er tot
de gewone procedés van BN-vorming. Enkele voorbeelden uit
de scholen van Herent (Vanhorenbeek 1972: 101-105):
| VN: |
Nadine
|
> |
Grenadine
|
| |
Pascale
|
> |
Bokkal (bokaal) |
| |
Reinhold
|
> |
Renault
|
| fn.: |
Colin
|
> |
Kool
|
| |
Van Bever
|
> |
Bever
|
| |
Vandenberg
|
> |
den Berg
|
| rijmpjes: |
Van Rijne
|
> |
Reintje Marsepeintje
|
| |
Eddy
|
> |
Eddy met z'n teddybeer
|
| |
Patrick
|
> |
Patrick Sitrik
|
Opvallend is de frekwentie van de augmentativering bij jongensnamen,
zowel BN (uit fn.) als VN.
Vanhorenbeek
(1972: 105) vermeldt o.m.
| VN: |
Patrick
|
> |
den Trikke
|
| |
Marc
|
> |
de Makke
|
| |
Freddy
|
> |
de Frette
|
| fn.: |
Gilis
|
> |
de Gille
|
| |
Lemmens
|
> |
de Lemme
|
| |
Bennekens
|
> |
den Benne
|
Merkwaardig is overigens hoezeer dorp en school een
‘gescheiden ontwikkeling’ doorlopen. Een aantal
feiten wijzen in deze richting:
i) De verregaande vervorming, berijming en augmentativering van VN en
fn. is eigen aan de school en wordt niet doorgetrokken naar het
latere leefmilieu.
ii) Bepaalde wetmatigheden in de dorpsnaamgeving zijn doorbroken in
de schoolnaamgeving. Boven werd reeds gezinspeeld op de overtreding
in de meisjesschool van de regel die bepaalt dat vrouwennamen niet
eenledig mogen zijn (VN uitgezonderd).
| | | |
iii) Zowat de gehele schoolnaamgeving gaat teloor na de
schoolleeftijd. Dorp en werkmilieu blijken de schoolkreaties op
naamkundig gebied bitter weinig over te nemen (z. ook Vanhorenbeek 1972: 107-109).
Tot slot wijs ik nog op de tegenstelling dorp vs. buitenwereld
(binnengemeentelijk vs. buitengemeentelijk). In dorpen die nog een
gesloten gemeenschap vormen tegenover wat zich buiten de
dorpsgrenzen afspeelt, zijn wel eens verschillen in het
naamgevingspatroon te signaleren tussen mensen die in het dorp
geïntegreerd zijn en degene die dat niet zijn. Zo
vermeldt
Oversteyns
(1972: 257) het patroon Fille van Sara,
waarbij afgeweken wordt van het normale patroon waarin de PN die
familiale afkomst aanduiden, mannelijk zijn. Normaal zou men
verwachten: Sara van Fille. De vrouw Sara oefende
echter een beroep uit in het dorp, terwijl de man elders werkte.
We merken op dat hier weer beïnvloeding plaats heeft van
de ene parameter, i.c. sekse, door de andere, i.c. leefmilieu
(dorpsgemeenschap).
Een ander voorbeeld van de oppositie dorp ~ buitenwereld
levert
Nuijtens
(1962: 212-215) voor Borne
(Twente). Het blijkt dat ‘inheemse’ fn. anders
gestruktureerd zijn dan ‘uitheemse’. Bij
inheemse fn. geldt het patroon [fn. + (gen.-s +) VN], bv. 'n
óólen Kuikersjaan (de oude
Kuikersjaan). Niet-Bornse fn. volgen dit patroon niet, ook al zijn
ze geïmmigreerd, bv. Nuijtens, Lindeboom,
Westerbeek.
| |
3.2.5. De parameter ideologie.
i) Een vorm van ideologie ‘par excellence’ is
natuurlijk de godsdienst. De religieuze faktor heeft echter in
vroegere tijden een veel aanzienlijkere rol gespeeld dan heden ten
dage. De belangrijkste uiting daarvan is in de vroege middeleeuwen
de verkristelijking van de naamgeving geweest. De oude Germanen
hadden een éénnaamsysteem. Dat was hun
voldoende omdat bijna iedereen een verschillende naam kreeg, inz.
door het kombineren van naamelementen tot steeds weer andere
naamsvormen: er waren eenstammige en tweestammige, bv.
| Hugo: ‘wijs’ |
| Bern-hard:
‘beer-sterk’ |
Aan dit systeem kwam een einde door de kristianizering. Van dan af
werden namen van verschillende oorsprong gegeven: Hebreeuwse,
Griekse, Latijnse en ook Germaanse, nl. inzoverre heiligen met zulke
namen voorhanden waren, bv. ook Bernhard,
verlatijnst tot Bernardus. | | | | Mede
door het gebrek aan voldoende heiligennamen kregen heel wat
dopelingen eenzelfde naam. Deze omstandigheid maakte een einde aan
het éénnaamsysteem. Om te
differentiëren tussen bv. verschillende Jannen werd een
toenaam of bijnaam toegevoegd. De eerste naam kreeg dan de
kwalifikatie van voornaam, doopnaam (Christian name, first name), te
onderscheiden van de toenaam, d.i. de volkse naam, die niet enkel
een identificerende maar ook een expressieve, inz. augmentatieve rol
verwierf. In de latere middeleeuwen evolueerde de bijnaam van
individuele tot kollektiefaam, vanaf 1811 officieel geregistreerde
familienaam (achternaam). Dat verwekte dan opnieuw behoefte aan een
individuele, expressieve bijnaam, toegevoegd aan voornaam en
achternaam, resulterend in het huidige systeem van VN, BN, KN.
Heel deze ontwikkeling werd dus eigenlijk op gang gebracht door de
religieuze faktor. Deze impakt van de religie in vroegere tijden
kontrasteert scherp met de marginale positie die de godsdienstige
gedachte in de moderne tijden inneemt. Dat weerspiegelt zich ook
weer in de naamgeving, met name in de voornaamgeving. Van doopnaam
in de echte zin van het woord kan men thans vaak niet meer spreken.
De kristelijke oorsprong van onze VN is voor velen een redundant of
irrelevant verschijnsel geworden, zo die VN tenminste nog van
kristelijke herkomst is!
Ook het verdwijnen van het systeem der meerdere VN is ten dele een
gevolg van de sekularizering: men voelt niet meer de nood om als
sekundaire VN Jozef of Maria te
nemen of om een of andere kinderheilige zijn zegen op die wijze af
te smeken.
ii) Buiten de godsdienst zijn er ook andere ideologieën of
kulturele stromingen die enigszins de VN-geving determineren. Men
denke slechts aan het nationalisme in Vlaanderen. Een gezin waar de
kinderen bv. Koen, Wilfried, Veerle, Machteld
heten, spreekt boekdelen in dit verband. Daartegenover staan
families waar frankofiele VN als Jean-Pierre,
Marie-Paule, Solange, Brigitte in ere staan.
Als de naamsvormen toevallig niet bevredigen, is ook de
vernederlandsende spelling een middel om zijn Vlaamsgezindheid uit
te drukken, inz. in hogere milieus, bv. Christophe
> Kristof; Caroline
> Karolien.
| |
3.2.6. De parameter sociale klas of stand.
Dit is een sociologische parameter die sociale groepsvorming in
engere zin betreft, d.i. de sociaal-ekonomische verdeling van de | | | | bevolking. Hierbij vallen grosso modo twee varianten
te onderscheiden: 1) een geïnstitutionalizeerd standen-
of kastensysteem dat weinig beweeglijk is;
2) een socio-ekonomische indeling die zelf teruggaat op verschillen
in studie- en edukatienivo en waar dan ook meer verschuivingen
kunnen plaatsgrijpen (z. ook Leys 1976).
1) Het geïnstitutionalizeerde standensysteem vinden we in
onze middeleeuwen terug en biedt principieel enige gelijkenis met
het Indische kastensysteem of het Javaanse klassensysteem. Naar Uhlenbeck (1971) bericht, heeft dit laatste een
welbepaalde reperkussie op de naamgeving. Personen uit de lagere
klasse kregen (tot voor een dertigtal jaren) PN afgeleid van zekere
soortnaamkategorieën (benamingen van weekdagen, van
geringgeschatte dieren, planten of zaken). In de hogere klas
verwijzen de PN naar hooggeachte personaliteiten en eigenschappen.
De diachronische betekenis van de PN wordt dus pragmatisch
gerevalorizeerd voor sociolinguïstische doeleinden.
Een dergelijk fenomeen is bij ons vrijwel onbestaande. Overigens
heeft het rigide standensysteem van onze middeleeuwen met zijn
indeling in adel, klerus en volk (inz. lijfeigenen) thans reeds
eeuwen afgedaan. Niettemin zijn er nog overblijfselen tot op de
huidige dag. De adel bestaat nog steeds, zij het dan als een
anachronistische minderheid. Sporen in de naamgeving kan men nog
steeds ontwaren. De adel gebruikt nog VN die exklusief tot deze
groep te rekenen vallen, bv. Tanguy,
Tancrède. Edellieden kan men eveneens herkennen
aan buitenissige fn., vaak een kombinatie van twee fn. -vormen. Men
denke aan een typisch Belgische verbinding als d'Udekem
de Guertechin, een Duitse als von Droste zu
Hülshoff, een Friese als Harinxma
thoe Sloten. Overigens zijn de partikels von en de op zichzelf al aanduidingen van
edele komaf.
2) In wezen is onze moderne Westerse maatschappij van het type
waarbij studie- en edukatienivo de socio-ekonomische groepering in
hoge mate determineren en uiteraard der zaak heel wat meer
verschuivingen toelaten dan het geïnstitutionalizeerde
standenstelsel.
Men pleegt vier studienivo's te onderscheiden of drie edukatienivo's:
| SN1: |
LO |
= |
EN I |
| SN2: |
LMO |
|
|
| SN3: |
HMO |
= |
EN II |
| SN4: |
HO |
= |
EN III |
| | | |
Voor ons doel onderscheiden we een lagere klas (= EN I of SN 1 en 2)
en een hogere klas (= EN II en III). We zullen voor de drie soorten
PN in CZB dialekten nagaan in welke zin ze beïnvloed
worden door standenverschil.
a) VN.
Voor het dialekt van Tienen legde
Chaltin
(1976) volgende gegevens vast. De lagere klasse lijkt een
voorkeur te hebben voor vreemde, exotische VN, die zij voornamelijk
ontlenen aan de vedette- en showwereld, inz. via het
televisiemedium. In EN I stoot men dan ook op excentrieke namen als
Aldo, Fabian, Gwen, Pedro; Anjuscha, Gunhilde, Jodoca (Chaltin
1976: 84-86). Dergelijke VN komen nog niet voor in de hogere EN,
maar ze kunnen mettertijd tot daar doordringen. De hogere klas zorgt
overigens voor de meeste vernieuwing. Zij voert de vernederlandsing
of vervlaamsing door en betrekt nieuwe VN uit de literatuur. Enkele
namen uit EN III zijn: Lieven, Maarten, Patrik;
Laurence, Sabine, Eefje. Deze innovaties
kunnen na verloop van tijd op hun beurt doorstromen tot in de lagere
klasse.
b) BN.
Een interessante reflektie van het standenverschil vertonen de
verschillende BN-patronen in het dialekt van Tildonk. Er zijn nl.
drie naamspatronen die het beroep, de funktie of waardigheid
aanduiden:
1o [titel + fn. als BN]:
Pastoor Nijs, Pater Verbelen, Zuster Hilda, Koning
Boudewijn, Notaris Tuerlinckx, Meester Stroobants, Doktoor
Petit, Burgemeester Cloetens, Boer Mettes.
Dit patroon is een klare reflex van de beroepen en waardigheden van
de hogere klassen. Bij de behandeling van deze PN in de
diachronische studie werd betoogd dat ze thuishoren onder de rubriek
‘sociale status’, een onderverdeling van de
groep ‘eigenschap’ en niet van de groep
‘aktiviteit’. De motivering is dat deze funkties
door het volk niet worden aangevoeld als beroepen waarbij
‘gewerkt’ wordt, d.i. waarbij handenarbeid wordt
gepresteerd(46). Dat wordt bevestigd door een
andere talige reflex. Titels in het bovenstaande | | | |
naamspatroon treden niet tenzij ironizerend op in de konstruktie
[beroep + doen], bv. normaal niet: doktoor doen, wel: bakker doen
(= het bakkersberoep uitoefenen).
2o [(VN +) lidwoord +
beroep]:
Lamme de Stoker, Zjef den Blokmaker (klompenmaker),
Janneke de Sleger (slachter), Suske de Verver (schilder); zonder VN: den
Apoteker, den Draaier, Boerke, Soepboerke, Metserke, enz.
Dit patroon refereert duidelijk aan een lagere beroepsklas. De
benaming van het beroep kan hier zonder bijbedoelingen gekombineerd
worden met het werkwoord doen, bv. stoker doen, blokmaker doen. Dit staat dan weer in verband
met het manuele karakter van zulke beroepen.
3o [(VN +) beroepsbijnaam]:
Hier gaat het om beroepen die metonymisch aangeduid zijn: objekt of
instrument worden vernoemd: (Frans) Lood (loodgieter), Miel Gazet
(dagbladventer), Frans Vis (vishandelaar); zonder
VN: het Varken (slachter), Muntbolleke (winkelierster).
Dit metonymisch patroon refereert door den band aan de sociaal laagst
gewaardeerde beroepen, o.m. marktkramers en leurders(47). Soms wordt de metonymie ook uitgedrukt door een
adjektief: (Tist) den IJzere
(handelaar in oud ijzer, voddeman), (Heinke) den Droge (maakte droog voeder). Ook bij deze
metonymische patronen is een werkwoordelijke uitdrukking met doen mogelijk, bv. doen in gazetten,
in vis, in ijzer, enz.
De grote scheidslijn lijkt wel te lopen tussen het titelpatroon met
zijn geleerde beroepen en de andere twee met hun manuele beroepen.
Bemerk in dit verband ook dat het titelpatroon de
officiële fn. bevat, maar de andere twee altijd de VN.
Overigens worden leden van de hogere standen door andere klassen
zelden vernoemd met hun VN, laat staan zo aangesproken.
c) KN.
Aan de KN, althans de officiële fn., is heden ten dage
nauwelijks een klasseverschil vast te knopen. Wel kan men zeggen dat
de volkse KN en de vervolkste officiële fn., vaak
herkenbaar aan de uitgang -es, eerder behoren tot
de lagere klassen, vgl.
| | | |
Nare Zjefkes
Jomme Koninges (De Coninck) *Doktoor Petit(e)s
Teruggaande in de geschiedenis, wijzen we nog op een vaak voorkomend
verschijnsel in onze Westerse PN-systemen. Geografische toenamen,
later eventueel KN geworden, bleken doorgaans op een hogere status
te wijzen. (Vandaar ook dat herkomstvoorzetsels als fra. de en dt. von adellijke namen
zijn gaan aanduiden, cf. supra).
In Ndl. fn. is overigens een tweedeling op te merken binnen de
geografische namen: toenamen met herkomstvoorzetsels werden hoger
geëvalueerd dan samengestelde naamsvormen eindigend op
-man(s), vgl.
|
Van den Bosch
|
~ |
Bosmans
|
|
Van der Linden
|
~ |
Lindemans
|
|
Van Brussel
|
~ |
Brusselmans
|
| |
4.
Daarmee zijn we aan het eind gekomen van de bespreking der verschillende
parameters waaraan de invloed van de sociale groepsvorming viel af te lezen
op de naamgeving. De uiteenzetting is beperkt gebleven tot een aantal
observaties gedaan aan de hand van eigen materiaal uit het dialekt van Tildonk of van andere bronnen aangaande het
Zuidbrabantse gebied. Volledigheid werd niet nagestreefd. Integratie van de
waargenomen feiten in de grammatika blijft eveneens uit, zo het al geen
illusie is! Het zal evenwel duidelijk zijn geworden dat een volledige
beschrijving van het naamsysteem niet kan gebeuren zonder er het sociale
aspekt systematisch in te betrekken. Het is o.m. gebleken dat de sociale
geledingen, inz. de parameter sekse, het morfosyntaktisch patroon van de PN
mede konstitueren.
De eventuele impakt van de naamgeving op de sociale groepsvorming is
anderzijds niet aan bod gekomen.
Evenmin is iets gezegd - op een paar puntjes na - betreffende een
sociolinguïstische pragmatiek, d.i. het gebruik van VN, BN en KN
in verschillende sociale situaties.
| |
Bibliografie
| Bach, A. (1952). Deutsche Namenkunde I. Die deutschen
Personennamen 1. Zweite stark erweiterte Aufl. Heidelberg. |
| | | |
| Bach, A. (1953). Deutsche Namenkunde I. Die deutschen
Personennamen 2. Zweite stark erweiterte Aufl. Heidelberg. |
| Chaltin, M.-Cl. (1976). Een sociolinguïstisch
onderzoek naar de voornamen in de streek rond Tienen (periode 1960-73).
Lic.-verhandeling, K.U.Leuven. |
| Dahl, Ö. (1975). Individuals, subindividuals,
and manifestations. (Logical Grammar Reports 15). Univ. of
Göteborg, Dept. of Ling. |
| Debus, F. & Hartig, J.
& Menke, H. & Schmitz, G. (1973). Namengebung als soziale Schicht. Bericht
über ein Projekt zur Personennamenkunde. Naamkunde 5: 368-400. |
| Leys, O. (1965). De eigennaam als linguïstisch
teken. Med. Ver. Naamk. 41: 1-81. |
| Leys, O. (1974). Sociolinguistic aspects of namegiving
patterns. Onoma 18: 448-455. |
| Leys, O. (1976). Sociolinguïstische aspekten
van de persoonsnaamgeving. Naamkunde 8/3-4: 137-158. |
| Lindemans, J. (1940). Toponymische verschijnselen
geografisch bewerkt. (Nomina Geographica Flandrica, Studiën 5/1).
Brussel. |
| Molemans, J. (1974). De plaatsnamen van Neerglabbeek. Een
sociolinguïstisch naamkundig onderzoek. (Toponymica 22/3). Leuven
& Brussel. |
| Molemans, J. (1975). Toponymie van Bocholt. (Nomina
Geographica Flandrica, Monographieën 8). Leuven &
Brussel. |
| Molemans, J. (1976). Mensen, namen en nummers.
(Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse dialect- en naamkunde 1).
Hasselt. Ook in: Limburg 4: 145-162. |
| Nuijtens, E. (1962). De tweetalige mens. Een
taalsociologisch onderzoek naar het gebruik van dialect- en cultuurtaal in
Borne. (Studia theodisca 1). Assen. |
| Oversteyns, M. (1972). De persoonsnaamgeving te Kapellen.
Een sociolinguïstische studie. Lic.-verhandeling, K.U.Leuven. |
| Svennung, J. (1958). Anredeformen: Vergleichende
Forschungen zur indirekten Anrede in der dritten Person und zum Nominativ
für den Vokativ. (Acta Soc. Litt. Hum. Reg. Upsal. 42). Uppsala
& Wiesbaden. |
| Trost, P. (1962). Der Gegenstand der Toponomastik. Wiss. Zeitschr. Univ. Leipzig, Gesellsch. Sprachw. Kl.:
275-277. |
| Uhlenbeck, E.M. (1971). Systematic features of Javanese
personal names. Word 25: 321-335. |
| Vanhorenbeek, W. (1972). De persoonsnaamgeving te Herent.
Een sociolinguïstische studie. Lic.-verhandeling, K.U.Leuven. |
| Van Langendonck, W. (1978). On the theory of proper names.
In: Seuren, P., ed. Symposium on Semantic Theory, held at Nijmegen 1977.
(Grammarij 9: 273-307). Nijmegen. |
| Van Loon, J. (1975). Sociale verschillen als oorzaak van
taalverandering: de voornamenmorfologie van het Essens. Naamkunde 7: 24-29. |
| Verhees, A. (1978). De persoonsnaamgeving op de
Heidehuizen te Mol. Een sociolinguïstische studie.
Lic.-verhandeling, K.U.Leuven. |
Leuven.
W. Van Langendonck
|
(*)Het eerste deel
van deze studie verscheen in het vorige nummer van dit tijdschrift ( Naamkunde 10 (1978), afl. 1-2, blz. 81-144). Beide
delen zullen gebundeld uitgegeven worden in de reeks Anthroponymica als nr. XXI.
(33)Uitzonderingen bevestigen de regel, o.m. het werk van K.
Roelandts i.v.m. expressieve verschijnselen in
(Zuidnederlandse) persoonsnamen.
(34)Een meer
uitvoerige uiteenzetting van de teorie van de eigennaam vinde men in Van Langendonck (1978).
(35)Metaforisch taalgebruik moge hier buiten
beschouwing blijven, bv. bakken in de uitdrukking een poets bakken.
(36)Van eigennamen in afgeleid gebruik kan men wel een
betekenis geven, bv. een Karel in de zin Ik ken ook een Karel betekent ‘een persoon met de
naam Karel’.
(37)Men kan wel zeggen: de Jan die..., maar dan is de eigennaam overgegaan
in een soortnaam met als betekenis ‘de man met de naam Jan
die...’.
(38)We vinden wel hier en daar
allusies of anekdoten in dit verband, o.m. in het lijvige werk van
A. Bach (1952; 1953).
(39)In Oost-Europa wordt de naamkunde sinds enkele jaren
intensief benaderd vanuit een marxistisch
sociolinguïstisch standpunt.
(40)Men denke
hier aan het failliet van de zgn.
‘taalkompensatieprogramma's’!
(41)Hetzelfde geldt min of meer voor de Romaanse talen,
alsook voor het Duits.
(42)Deze tendens is nog geattesteerd voor andere
dialekten, o.m. te Mol ( Verhees 1978:
153-154). Het verschijnsel is waarschijnlijk vrij algemeen in
onze dialekten. Verder onderzoek ware gewenst.
(43)Op nationaal of op stedelijk vlak is deze scheve toestand nog
wel niet rechtgetrokken, maar men maakt vorderingen. Daarbij
denken we bv. aan vrouwelijke PN zoals Minister De
Backer, Advokaat Ruebens, Professor Vorlat, enz. Het
moet hierbij opvallen dat deze titels geen morfologische
wijzigingen ondergaan, i.t.t. vroegere titels als koning( in), prins( es)... Hieruit blijkt dus dat
in moderne funktietitulatuur de vrouwelijke titel niet meer als
sekundair of afgeleid beschouwd wordt. Men lijkt m.a.w. aan een
geleidelijke gelijktrekking toe te zijn.
(44)De BN van de schoolbevolking zijn hierin niet
begrepen. Zie beneden.
(45)Hiermee
verwant is de merkwaardige appellatieve uitdrukking ons wijf, die boeren soms gebruiken om hun eigen vrouw
aan te duiden op een weliswaar augmentatieve maar niet
noodzakelijk pejoratieve wijze.
(46)De BN Boer
Mettes schijnt een uitzondering te vormen. Twee
verklaringen zijn mogelijk: ofwel wordt met boer hier ‘hereboer’ bedoeld, ofwel is
er ironie in het spel: ‘boer’ voorgesteld
als een hoger beroep.
(47)Soms is het zelfs niet goed uit te maken of het wel
om een echt beroep gaat, bv. Heinke Stro
(woekerde met stro), Sus Siroop (woekerde met
siroop), Jan Ammoniak (knoeide met
ammoniak).
|
|