Verzameld werk (eds. P.N. van Eyck en Johan B.W. Polak)


auteur: J.H. Leopold


editeur: Johan B.W. Polak en J.A. Worp


bron: J.H. Leopold, Verzameld werk (2 dln.) (ed. P.N. van Eyck en Johan B.W. Polak). Brusse, Rotterdam / Van Oorschot, Amsterdam 1951-1952  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 307]

Schetsen en fragmenten

[p. 308]

aant.Reeks III

 
Trekvogelkreet
 
hoog, hoog verloren, boven in den nacht.
 
En met een storm heb ik aan u gedacht
 
onaangeroerde, die het minste weet
 
van dit verduren en die niet verwacht
 
dat dit haar deren zou en zich verwondert
 
en voorts den fonkelenden dag besteedt.
 
 
 
O schreeuw des vogels, schel en wild en wreed
 
hoe zoet is toch uw binnenst voor den slapelooze;
 
de lokroep van uw weggang uitgekozen
 
ter mijn' erinn'ring vindt den wakende gereed.
 
Een wrevel schudt, een mokkend norsch verheffen
 
de vederen, als altijd was verwacht,
 
tot glanzende vervulling wordt de nacht
 
met zich zichzelf te voelen, van beseffen:
 
het is genoeg! O opstand, diepste zin,
 
en wrevel, hoogste poging, hoogst gewin
 
die     en aan den grond
 
wroet in zijn ergernis     gewond
 
en in kwetsuren
 
 
 
en zoo het wilde van de vogelstem
 
het opgewondene, o welk een antwoord
 
in dezen wrange die zich op mocht beuren
 
van af zijn bed, van af den lagen grond
 
en door den nacht getild en hier vandaan
 
op plotselinge wieken en verruiming
 
van ademtocht en ziel,
 
zalig en stil verheerlijkt zag
 
dat hij dit al verlaten mag.
 
Voorbij, voorbij! de lucht wordt heller,
[p. 309]
 
er is een ijler licht en ademsfeer
 
naar oorden zijner keuze
 
 
 
Was niet in dezen <allengs> groot gebracht
 
o nauw getorste dracht
 
een bitter zwaar verdriet, en dan, omvaamde
 
zijn helder stil verlangen
 
de zoomen niet van alle aardverblijven,
 
de overgrenssche wereld waar beklijven
 
aan mag vangen?
 
 
 
Het zalig oneindige smachten van de jeugd
 
 
 
<En nu naar bergen, niet naar kinderlijk gebied,
 
niet naar het eiland der beminden beiden>
 
 
 
naar rotsige gebergten, een bestand
 
van rond verweerde steenen en van kloven,
 
een stroomgeruisch komt uit het dal naar boven,
 
een leege nevel hangt er langs den wand,
 
waar kluizenaars     fijne baardgezichten
 
verrichten
 
bescheiden bezigheden     tieren
 
herten en rustige bedaarde dieren.
 
 
 
O mijn verlangen, veilig omgedragen
 
opperst van de ziel
 
helderst en ijlst
[p. 310]
 
Tintelende ontroering
 
zich zelf genoeg,
 
en met de volontloken wangen
 
en met de forsche wrong der haren
 
met het hoofd aangeleund
 
stond zij zwaar, zwart;
 
rijke rozenbottels
 
oranje en rood,
 
schat bij schat,
 
o de (weet je nog) barstten,
 
bloemenknoppen des harten,
 
het ongekreukte bloemenblad
 
lag in onze hand
[p. 311]

[Gleed ooit een schooner manestraal]

 
Gleed ooit een schooner manestraal
 
neer in de diepten van het bosch
 
<over de> welvende loovertros
 
gestort <als in> een marmerzaal,
 
 
 
verzinkende de blauwe schijn
 
in de ravijnen van de boomen,
 
de hellingen waar af mag stroomen
 
een zifting     ; stil gordijn,
 
 
 
waar niemand achter staat
 
 
 
En de verzilvering maakt los
 
het geringste blad
 
op den geregen halm gespat,
 
gesprenkeld op het vloeiend mos,
 
 
 
een snippering op alle twijgen
 
 
 
van deze pracht
 
omsloten in den nacht.
 
 
 
Gleed ooit een schooner manestraal -
 
ik roep het uit in stameltaal,
 
o     o stof van monden
 
die 't onuitsprekelijke niet konden
 
bedwingen! Nochtans ik herhaal
 
totdat het op mijn lippen sterft,
 
het woord onzeker wordt en zwerft
 
want     overal in het ronde
 
volte van leven op eene maal woelt
[p. 312]
 
omdat mijn aanzijn voelt
 
de looveren, de takken zwart,
 
zij dragen ons naar waar het hart
 
der wereld is; voelt gij niet hoog
 
der dingen donzen elleboog?
 
ons onbegrepen, ongewild,
 
wij worden staamlend opgetild
 
zonder     zonder plichten
 
van de ontheven zoolgewrichten.
 
O vlindervoeten voortaan glad
 
over het     stronkenpad,
 
eenparig glijden door de lanen
 
en zich zwevend wanen,
 
geleidlijk oop'nen van het hek
 
en een grootnachtelijk vertrek.
[p. 313]
 
Een lucht van marmer en van onyxsteen,
 
de maan in goudgloed er door heen,
 
vijf smalle stammen, uitgedund
 
laantje versmeltend aan de punt
 
en aan de kimmen stonden
 
onsterfelijke verlangens stil van monden,
 
takken gerezen wit en lispelend groen,
 
o zacht innemend en betoovrend toen,
 
de voeten frommelend in de bronzen blaren,
 
en lichte zweem op onze voorhoofds âren,
 
onverzadigd
 
ik droeg u op     o de volle snik
 
van aan mijn borst geborgen oogenblik,
 
van uit het diepste opgehaald
 
de schemerende beelden het oude park
[p. 314]

[Vijver, juweelen waterkom]

 
Vijver, juweelen waterkom
 
vijver der liefste, waar rondom
 
de paden onzer     loopen
 
met slingeringen en verknoopen
 
van hun gedachtelooze gangen,
 
 
 
Vijver der liefste, waarin hangen
 
de waterlelies, boven drijven
 
en ingeschreven cirkels schrijven,
 
 
 
Vijver der liefste, helderheid
 
die maar op ééne, op ééne beidt;
 
de hemel is er in en zij
 
in blozenden ijver
 
als zij zich buigt
 
over den vijver
 
van zich getuigt,
 
in deze zacht gestreken zproblem
 
des waters haar gezicht ook zelf
 
glanst als het luchtgewelf.
[p. 315]

[De jonge oogen op een heldren dag]

 
De jonge oogen op een heldren dag
 
of wat de drang     wezen mag
 
telken keer
 
door vensterruiten opziende in het stille weer,
 
voelt zich de ziel niet uit de borst getogen
 
aan den dunnen draad gehangen
 
der aandacht,
 
dieper ademhalen
 
in de spiegeling der lucht
 
getild
 
in een bestaan dat o zoo zeer verschilt
 
van dit voorhandene,
 
een wemeling die licht, licht en ver,
 
ver, ver toch...
 
een     schijn
 
een hangen daaraan van het begeeren
 
een ander land, een ander leven is het doel,
 
o voorgevoel, o voorgevoel!
 
 
 
viel er een leegte en dan een wemeling
 
van wenschen     een sterk gevoel
 
dat deze
 
naar elders wilde en diende
 
wij beide twee.
 
O storm en al omwervelende vlaag
 
als in mijn armen ik de liefste draag
 
en     over     gebogen
 
ontmoeten mag haar aanziende oogen,
 
gewillig wenken en gerust
 
wordt en     gekust
[p. 316]
 
Dan de binnenbons van het ontmoeten
 
verklaarde wetenschap
 
ook van haar mond bëaamd
 
gedragen door mijn kracht,
 
weggebracht
 
ontvoerd
 
waarom, waarin onbekend
 
ten diepste ware toebestemd
 
dit was ons bezielt,
 
begoocheling
 
het eeuwige zoeken naar een ander ik,
 
bevestiging van eigen wezen
 
dat hier niet te na gekomen werd.
[p. 317]

[Een blauwe lucht en wolkengrijs]

 
Een blauwe lucht en wolkengrijs,
 
een maan in 't zilver, dat ik meen te hooren,
 
in verte en heuvelland het wachtwoord van den horen
 
dat omgaat zwellend schoksgewijs
 
herinnering en bewijs
 
dat nu daarginder in het kreupelhout
 
en de fluweelen dennen
 
de fijne nevels zijn opgehangen,
 
de herfstdraden,
 
dat in het bosch de distinctie, en het kiesche is
 
van eerste kilte en in de greppels
 
onder tak en blad
 
het teeder wit bevrozen nat,
 
het dunne zwarte ijs.
 
En nu de klare wijs
 
van het signaal,
 
<spettende klanken van metaal,>
 
zwervende klanken, stervensklacht
 
late stem van de jacht
 
die oproept al     in mijn zin;
 
ik die mijn jeugd bemin,
 
voel al     weggebracht
 
naar andere streken
 
een     voelen wrang en droef
 
komt op     en een geproef
 
<van blarenafval en in vocht verzinken>
 
O     gekweekt verlangen,
 
o tevergeefsch omvangen
 
van andere (menschen) en een schooner lot,
 
o leegte het gewonnene ten spot
 
en spijt
 
die in alle overvloed het harte splijt,
[p. 318]
 
grief
 
tegen     al wat lief
 
mag schijnen     o vragen,
 
stil snikken
 
en toegeven,
 
in smart vergaan, zooals dan
 
en zacht
 
de smart der dingen
 
(lacrymae rer.)
 
 
 
De maan schijnt op mijn verdroogde boeken,
 
op die, op die
 
 
 
de tijd dat ik geloofde, dat de verklaring
 
en het wezen van alles te vinden was,
 
dat ik God zocht,
 
en nu zijn het de ruggen slechts
 
en die gesloten blijven
[p. 319]
 
De zoelten van uw     stroomen
 
uw edeldadig bloed
 
het oproer van de polsen; ingestort
 
is voller ademen     ruimer wordt
 
in dit onstuimig
 
De teugen     halen in
 
van land van zee
 
wind om de slapen, uitzicht
 
 
 
glans
 
van zelfrechtvaardiging,
 
van blank weer op zich zelf staan, hemeltrans
 
rondom de slapen, oogen die ontmoeten
 
het hoogste     te voeten
 
de ballast dezer aarde.
 
O ruimten, verruiming
 
van borst en geest, ruimte allerzijds
 
onstuimig,
 
het schittert boven mij, en slank van leden
 
ligt alles achter, helder en weer blank
 
als vloeide zilver langs de jonge leden.
[p. 320]

[Als water vallende in den nacht]

 
Als water vallende in den nacht
 
zoo wordt de smart mij toegebracht
 
 
 
sober zijgen
 
dat streng zich voordoet in het zwijgen
 
 
 
stormende overvloed
 
sombere spoed.
 
 
 
En een bevangen luisteren is
 
achter het scherm der duisternis,
 
 
 
in angst en wachten opgenomen
 
de brokkelrotsen en de boomen,
 
 
 
stil gebleven
 
bochten en de lommer dreven.
 
 
 
O bitternis die zich bekent
 
in het gefloersde firmament,
 
 
 
de plechtige geslotenheid
 
van nacht en aardrijk alle beid',
 
 
 
de samenkomst van berg en dal
 
en den verborgen waterval.
 
 
 
En uit den ondergrondschen krocht
 
rijst biddende een ademtocht,
 
 
 
een klacht, een zucht, een snikken weent
[p. 321]
 
ver     en zwerft om het gesteent
 
 
 
onbestemd en vaag
 
een lispelende vraag
 
 
 
en dan met omslaan van den toon
 
het antwoord der verwulfde woon,
 
 
 
klokgebrom
 
doordreunende alom,
 
 
 
verkondigende bengeling:
 
bestendiging! bestendiging!
[p. 322]

[O vlonder tot ons toegeschoven]

 
O vlonder, tot ons toegeschoven
 
over de helderte van boven
 
 
 
de gulden streek
 
die ver en die nabij geleek
 
geschreven lijnen
 
die komen en verdwijnen
 
gespeel
 
van dit het wankelend luchtkasteel.
 
 
 
En nu betreden en bevolkt
 
 
 
zet elk zich zelve voor
 
en wacht dan op het naderkomen
 
der wederhelft
 
omfloersd, verdonkerd,
 
waar nauw de zij     flonkert
 
gedoken in het schaduwdons
 
van het genoegelijk onderons,
 
de     der wonderzoete
 
vertrouwelijke vrouwenvoeten.
 
 
 
Dit
 
met volgen en met onderbreken
 
is het als een met woorden spreken,
 
verlangen, wachten, voortgestoeid
 
gewiegd, luchtig geschoeid
 
en dan een wankel evenwicht
 
o gedicht
 
helder en frank, en ginder zwicht
 
een schaduw neer; er wordt gezegd
 
een roerend vers, dat open legt
[p. 323]
 
veel
 
 
 
En leeg weer en alleen gelaten
 
 
 
o vlonder
 
met hemel boven, hemel onder.
 
 
 
De frissche hanenkraai,
 
geschulpt geluid, gulden en zilvren boorden
 
gelegd om de afzonderlijke woorden
 
om de syncopen elk
 
de sikkelveeren
 
groen afgaand van het donker,
 
de hals in slierten donker rood en bruin
 
verschuivende, de zwarte kop en schuin
 
de paarlemoeren ooren,
 
de dwingende tiran die tartende en kras
 
stapt in het hooge gras.
[p. 324]

[De oude buur]

 
De oude buur
 
verdiept in eindeloos getuur
 
gezeten aan den oeverrand
 
van het oud park, het bochtig strand,
 
de kronkelende looverboomen,
 
de welvingen waaronder uit
 
de blauwte licht zich opensluit
 
tot waar zij ver versmelten mag
 
met den witpaarlemoeren dag
 
en lichte kimmen, en te midden
 
een enkel eiland, ingebeten
 
verweerde rotsen, rondgesleten,
 
gebogen wel als buffelvee
 
met bulten opstaand uit de zee
 
en niet
 
<toeganklijk> het eeuwige graniet.
 
 
 
een boek dat niet doen zegt
 
gelezen en terzij gelegd
 
 
 
doorgrond, doorzien, doorproefd
 
niet meer behoeft,
 
genoeg heeft gekregen
 
 
 
naar elkander afgewogen
 
uiterlijk, innerlijk gedrag,
 
doen en laten
 
beslag (leggen)
 
op elkander acht geven
 
op ontzien bedacht
[p. 325]
 
spelingen (beslommeringen)
 
waarop de oude
 
en rusten zoude
 
laat
 
zijn oogen van agaat.
[p. 326]

aant.Reeks IV

 
Buiten de deuren en het balkon
 
het bosch der toppen, de opperste on -
 
aantastbare     oorden,
 
en al het overige weggesmoorde
 
gezonken in sombere horizon...
 
wachten, wachten zonder verroeren,
 
zonder uren en zonder tijd,
 
en leeg en wijd en zijd
 
de nacht er naast, veeg en verstoken
 
geloken
 
de vredige honderdtallen.
 
Dan, opengevallen
 
boven de boomen, hoog boven in
 
het witte wonder, een lichtbegin:
 
dun wegschuiven van het grijze
 
zacht schoksgewijze,
 
afzakken en slinken
 
waarin nu alle stammen staan,
 
verheerlijking die hen vast ging slaan,
 
en op eens als eerste teeken
 
dagaanbreken,
 
bewegen, bewegen alaan alaan
 
van buigende takken en wuivende blâen,
 
een loopend geritsel, men weet niet waar van daan.
 
 
 
Liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
 
O, welke adem is gerezen,
 
dat alles trilt, dat alles beeft
 
en een meeslepend leven heeft,
 
dat over de heesters en de blaren
 
ontmoeten     komt toegevaren,
 
de heuvelen en het boogverschiet
[p. 327]
 
naderend zijn en weifelen niet
 
en in het ver en in het nabij
 
een     met de gelukkige wij
 
een toebedoelen gebleken is,
 
een klemmende beteekenis,
 
dat hemel, aarde en creatuur,
 
windademen en zonnevuur,
 
de nachtelijke sterrebeelden
 
in ons     en blozen deelden,
 
dat alle schepselen naar den schijn
 
meewetend en medeplichtig zijn
 
en allen zoo in de diepte lezen...
 
 
 
liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
[p. 328]

[De wind loopt uit over het pad]

 
De wind loopt uit over het pad,
 
stoot aan tegen de zwarte stammen,
 
strompelt op ruwe wortelkammen,
 
stookt     in het afvalblad
 
de brooze blaren met versterf
 
in     weefselwerk en nerf,
 
met even in het     brons
 
een rimpeling, een fijne frons
 
of ook gerold in statig ronde
 
volutenbocht of
 
 
 
o tuilen, tuilen,
 
van onze wanhoop en verdriet,
 
is in uw dor omhulsel niet
 
het zich verschuilen
 
en heden,
 
nu wij den tocht zijn aangetreden,
 
den gang door ons zwart winterwoud
Uit vroegere schetsen na reg. 15 v.o. (het zich verschuilen)
 
der hooge wonde, al het leege staren
 
van hen, die hingen aan elkaren
 
en zonder hulpe bleven, die gezocht
 
elkanders oogen, ademtocht
 
en biddende omklemden
 
en zonder wederstand bevonden
 
was deze bitterheid de stonde
 
toen alles van hen henenstreek,
 
alles - de
 
<en wat het dierste, deze doorgloeiende vermoedens
 
dit groeiend weten van een zulke een
 
van het bestaan en getuigenis
[p. 329]
 
van een, een ander, die verstond
 
O diep herademen! ->
 
<dit aloude zoeken
 
dit ongeduld     beloofd
 
naar eene die met schaduw om het hoofd
 
en stilte van bezinning     blik
 
herkennen mocht een ander eigen ik>
 
 
 
<al wat een sterfelijk verlangen
 
aan ging hangen
 
en dacht als levens vast bestand
 
geloosd, geslaakt wordt hun verband>
 
o bladen, bladen,
 
uit onbezonnen hand gestrooid,
 
hoe doelloos dwarrelt uw berooid
 
bestaan voort over grauwe paden,
 
totdat     en dan
 
zinkt gij eenzaam     vreemde streek
 
terneergezegen stervensbleek
 
en met een     dood beladen.
 
Hoe voert de werveling uw vracht
 
den hemel in op alle winden,
 
uit     langs blinde wegen
 
en werpt uw lot het toeval tegen
 
en spilt naar willekeur uw jacht.
 
- - - - - - - -
 
Verlaten zonneschijnselen ontvluchten
 
over de landen, waar de kilte dringt,
 
de vale heerscher die de landen dwingt,
 
de blootgekomene in zijn harde grepen.
[p. 330]
 
De fulpen, de zwartfluweelen hemel vol
 
van vele sterren flonkerend,
 
en ik moet denken aan
 
Sappho     zomernacht
 
en een hangt aan de horizont,
 
een heldere, een lamp, o wie de onverschoten
[p. 331]
 
Blinkende rivieren
 
die langs blauwe heuvels zwieren
 
 
 
Er is een zilveren hemelbaan
 
met wolken die op scheiden staan
 
 
 
De onophoudelijke zang van het water
 
 
 
aan de kant
 
hangt aan den wilg het zwarte nettenwant,
 
klaterende koele peppels
 
wolken wit en zielvol blauw
[p. 332]
 
In de oogen te lezen
 
het geestelijk bestaansrecht,
 
dat er een ander is als ik,
 
bevestiging, rechtvaardiging
 
van den bitteren strijd
[p. 333]
 
Zomer drachtig rijpen moet
 
en triomfantelijke wolken
 
boven mijn bloote hoofd,
 
diep blauw,
 
boomen met toppen als pluimen
[p. 334]
 
Mengeling van blijdschap en verdriet,
 
een toedringen, armen uitgaan
 
en tegelijk een terughouden, een angst
 
om het hart slaat,
 
het gaat verloren, verloren, beknelt,
 
dat het ontvangen
 
en het begin is van verlies
[p. 335]

[O toen, toen schuddend]

 
O toen, toen schuddend met den loovertak
 
de morgen ons te bedde stond
 
en verschgesterkt zich het besef
 
verlevendigde en nieuwgezond
 
buiten de luiken als een drift,
 
een knippering van vleugelslag:
 
was het de nacht die wijken ging,
 
was het de vreugdevolte van den dag?
[p. 336]
 
En zie, er ligt een boot gereed.
 
 
 
Onthoudt, onthoudt, onthoudt mij niet
 
de vruchten van uw liefde
 
opengespleten granaat
 
kersen waar
 
de twee appelen, de zachte perzik
 
geestelijke overvloed
[p. 337]
 
Te huur, te huur!
 
mijn ziel hangt op het uiterste
 
huiverend hoog
 
avontuur.
 
Bergen en dalen
 
en een herhalen
 
diep, diep, diep onder een meer
 
met parelkanten;
 
hij heeft het fronsen,
 
streelt zij terecht,
 
zij heeft de tranen
[p. 338]
 
Uit leege verte toegeroep
 
men weet niet waar vandaan
 
maar al aan
 
blaren groen
 
jongvochtig
 
 
 
wat is des harten koekoekroep
 
naar eene die begrijpt
 
die eender is
 
hoe is het leeg
[p. 339]
 
O wat ik kamp in vele uren
 
en nauwelijks te boven kom
 
niet te verduren
 
die roekeloos over de toppen klom
 
 
 
van mijn hoog ademen, o ten slot
 
komt de mindering, de opstand
 
valt
 
 
 
vluchtende banden,
 
alom een effening sindsdien
 
en rustende op zilverstranden
 
de kalmte van het overzien.
[p. 340]
 
Of het nog niet iets mag vinden
 
der oogenblikken, der beminde,
 
opdat ook dit zij ingeprent
 
en zoo de reeks van dezen dag
 
tot     en rijkdom groeien mag
 
vroolijke bent
 
en opgelezen en gegaard,
 
het minste was het meeste waard
[p. 341]

[Al wat voor anderen werd verborgen]

 
Al wat voor anderen werd verborgen
 
groet,
 
het is mijn avond en mijn morgen,
 
het zal mijn nacht zijn als het moet.
 
 
 
Het is mijn liefste toebehooren,
 
wat telkens ik bedenken moet.
 
Ik zoek en vind het onverloren
 
en speur hoe goed, hoe goed het doet.
[p. 342]

[Sidonisch glas van teeder rose]

 
Sidonisch glas van teeder rose,
 
bleek zeegroen, waarover lag als een rag gespannen,
 
als een mat zilverwaas, als dauw op vrouwenwang.
 
En dan in kostbare foudralen zegelsteenen, gemmen,
 
chalcedon, karneool,
 
bloedtopaas, roode hyacinth en bergkristal
 
waarin ingesneden emblemen,
 
de lotosbloem, een koning stijf barbaarsch,
 
recht op, groote strakke oogen opengespalkt, griffioenen,
 
sfinxen, chimairenmonsters, de vogel Grijp.
 
 
 
Dan aan de markt, al waar de karavanen
 
de schokkende kameelen
 
der Aziaten van Achter-Azie,
 
ceders, wapenrustingen,
 
de blonde myrrhe, korrelige wierook, gele specerij,
 
cinamomum, cassia, nardus, sandelhout,
 
rollen schors,
 
jaspis en nephriet,
 
elpenbeen en parelen uit Malabar,
 
Ethiopisch ebbenhout,
 
struisveeren, apen, schreeuwende pauwen,
 
blauwe Perzische turkooizen,
 
leeuwen- en pardelhuiden
 
van Drangiana en Gedrosia.
 
 
 
Dan de Bedowienen, bestoven,
 
fluitende tusschen de tanden, armgezwaai hoog op,
 
schreeuwende tusschen ingeperkte lammeren met rammen
 
en vuile bokken met geklonterden baard,
 
langgehaarde geiten, gestreepte oogen van agaat,
 
drommen uit Sjeba en Zuid-Arabie.
[p. 343]
 
Stapels grijze myrrhe en gekruimde wierook,
 
agaat, onyx, sardonyx
 
en stofgoud in leeren buidels.
 
Noorden
 
het strenge staal, in onverbiddelijke lemmeten geslepen
 
met kille snede, en de ruigbehaarde
 
paarden,
 
glanzende muilen van Armenie
 
en van Tojarma,
 
met een hier vreemde bleekheid
 
en in de diepe, afwezige blik
 
de donkerte van Colchos' wonderwouden,
 
de stille eeuwigheid der hooge gletschervelden,
 
stilte die als een mantel,
 
als een dik gewaad neerzonk
 
om hen en om hun voeten plooide.
 
 
 
en in de binnenstad
 
daar lagen bergen van het gave koren
 
afgudsend van den top,
 
glinsterend in de zon, de matelooze opbrengst
 
van tallooze akkers; in niet af te ziene rijen
 
de aarden vaten,
 
de klaar gezeefde olie, het volle rijke vocht
 
fonkelend door de naden,
 
en elders donker paarsch bedropen
 
uitwasemend
 
en sterk riekend, bedwelmend, walm
 
donker doorzegen.
 
 
 
En dan op tafels     eigen handwerksvolk:
 
in brons, in zilver, in gebrand goud
 
geciseleerd, geteekend, geslepen kommen,
[p. 344]
 
amphoren, bekers, waterschalen,
 
al wat
 
geplooid, gevouwen in de bazar,
 
het koningspurper,
 
wat de nauw-luisterende schier bezielde hand,
 
de kieskeurige godbegaafde vingers van dit donker ras
 
omklemden, en daarnaast
 
de smalle halzen, fiolen,
 
kruikjes.
 
En eindelijk aan de haven, op de blanke kaden
 
ontladen, ontlast    getast,
 
plassend door het water naakte ruggen,
 
nat van zweet glanzend,
 
ruwe waren, barnsteen bij de Liguriën,
 
gekomen overland van waar de binnenzee
 
storm
 
met wier en tang het uitschudde in het haf.
 
En uit twee schepen, begroeid met wier,
 
gehavend van takelage
 
en vaal geworden, verveloos
 
en de bemanning
 
zeemoe en langzaam en de oogen strak,
 
gehaald
 
over de lange ruggen, de ronde rollende baren
 
van den Oceaan
 
het grijze, het zeldzame metaal,
 
in ruwe staven
 
het ongesmolten koper,
 
zwavel uit Melos en aluin,
 
bestoven balen,
 
getakeld aan de mast geheschen
[p. 345]
 
Parische marmerblokken, versche glinsterende breuken,
 
het violette purper van Cythera,
 
het donker goud van Thasos,
 
zilver, ijzer uit Tarsis, Tarbessus het rijke
[p. 346]

[Het kleine geldt het groote; ik heb verkoren]

 
Het kleine geldt het groote; ik heb verkoren
 
op dezen gladgeslepen marmersteen
 
het klateren en den frisschen val te hooren
 
 
 
Kallirhoe
 
en aan te zien de van den stoet der oud-Atheensche vrouwen
 
geplante voeten, de geel fluweelen huid,
 
de zachtzinnig en met droomende aandacht te beschouwen,
 
hun bloote voeten, de waterhalenden.
 
Het helder nat omspoelt ze en in de zonneschijn
 
omkringelt enkels en de voetgewrichten
 
weten te verrichten
 
gangen van dansen, die nog onbewust, vergeten, wiegt
 
in hun gang, vrij spreiden zich de teenen
 
 
 
Het kleine geldt het groote. Was er ooit genot grooter
 
dan dit, dat de ziel reeds zoo geheel vervulde
 
geluk
 
dit doordringend oogenblik.
[p. 347]

[Zij heeft nog alles, wat zij eens bezat]

 
Zij heeft nog alles, wat zij eens bezat
 
 
 
maar ook: zooals zij thans zich openbaart
 
zoo was zij toen; nu rusten deze oogen
 
op een ontluiken dat werd grootgetogen
 
in Hellas' zon en in den rozegaard
 
 
 
van Aphrodite. Zoele geuren dringen
 
zich op, die zweven in den tempelhof
 
of opgewemeld hangen in het stof
 
der wegen. Dan, roodblonde bijen zingen
 
 
 
hun zacht gezang
 
 
 
Het zijn de oude geuren en aromen:
 
het zijn de oude oogen, d'oude ziel
 
de onverloren ook
 
 
 
O zoete liefheid van de pracht der rozen
[p. 348]

Reeks V

 
Hoe helder waren de wateren op dezen dag
 
als op hun openingen en op hun vliezen lag
 
 
 
geteekend en in kleuren afgepenceeld
 
het omgekeerde wereldbeeld,
 
 
 
wolken en hemelsblauw, argeloos open luchten
 
versierd met     schoone vogelvluchten,
 
 
 
over de groene heuvelen de getrokken baan,
 
wagens en voetvolk, die tesaam opgaan,
 
 
 
paarden het hoofd naar den grond gericht,
 
 
 
stad en muren en hun schaduwen diep gezonken
 
waar aan de zwarte kaden de binnenwateren blonken
 
 
 
hier waar het     en koel is aan de gracht
 
en haar stil leven     doorgebracht
 
 
 
<     zonder groot verloop
 
 
 
en in gelijkmatigheid
 
als licht tusschen de huizen uitgespreid,
 
 
 
verlichtend anderen, zelve zichtbaar niet
 
het meeste met gerustheid overliet.
 
 
 
Zij wist haar aandeel, dat zij was opgenomen
 
als één bestanddeel, gerustzijn was over haar gekomen,
[p. 349]
 
haar nederige leven, gewoon en goedgevonden,
 
als in voorbijgaan doorgebracht als zij zich konde
 
 
 
er op bedenken, in tempering geleid,
 
in tempering van wezen, in toegevendheid.
 
 
 
Leven dit, leven dat, van alle rangen en grootte hier,
 
mensch     het gehoorzame dier
 
 
 
en plant en steen, de starren, het hemelwezen
 
en Zijne wonderen, waarmee was aangevuld
 
 
 
de nuchtere schepping>
[p. 350]

[Je bent, je bent mijn koningin]

 
Je bent, je bent mijn koningin,
 
je zult in zilverwit gezeten
 
van smeken en vereering weten
 
gevangen in mijn dichterzin,
 
gevangen in mijn brooze handen
 
die werden biddende uitgestrekt
 
 
 
eeuwig oude en eendre <verlangen
 
dat blijft aan het geringste hangen>
 
 
 
het zelfde mis, het zelfde zoek
 
en in de vert' koekoek, koekoek.
[p. 351]
 
Werd in deez' schemerende stee
 
uit hemelsblauw en wit geboren
 
een bleek princesje, een verloren
 
doolstertje     gekroonde
 
kind met fijnen mond
 
waarop het kiesche proeven stond
 
der zich voordoende dingen,
 
met barnsteen oogen
 
van donkre nevelkring omtogen
[p. 352]
 
In dorte en verwoest struweel
 
en zanderigen ondergrond,
 
beneden, tusschen de boomen door,
 
de stad, de daken in zachte kleuren,
 
muurtorens die zich op gaan beuren,
 
de huizen schuiven
 
en aan de voet van de struiken hier
 
een vlossig schaap, een moederdier.
[p. 353]
 
Het zien der lente groen en zwart
 
verwart
 
Zoo ook het denken aan de jeugd
 
vreemde wrange
 
 
 
Vergeef me,
 
ach God, vergeef me
[p. 354]
Dieren
 
als kerk in het bosch gezien
 
dat diep doet ademen.
 
het gevoel van rijkdom
 
 
 
van waar, van waar
 
de onderlinge verteedering...
 
bij het gezamenlijk zien van dieren
 
het planten van boomen (op bedrukte dagen)
[p. 355]

[Tusschen grillige opgeworpen polders]

 
Tusschen grillige opgeworpen polders
 
en blauw en water en oeverriet
 
het jacht, verschuivend langs verschiet
 
van dijken en dorpen,
 
wit de zeilen en blank het hout
 
en wit van hen, die het in zich houdt.
 
In licht en helderte is hun bewegen,
 
hun doen heeft een volte van rust gekregen,
 
rank en bizonder van lucht en licht,
 
een rijk en verborgen evenwicht.
 
Zij lachen, spreken,
 
en voelen zich diep doordrongen
 
tot elkander,
 
dat elk de ander
 
ondoorgrondelijk is,
 
de oogen blinken,
 
gebaren heen en weer gaan,
 
de lach bekend, de blik verstaan.
 
witte licht vliegt af. Het gesprokene drijft/tusschen hen
 
en ieder blijft
 
in zich zelf
 
beseft
 
het wreede vervreemden dat er lag
 
midden in deze zomerdag.
[p. 356]
 
Berglandschap
 
of Middellandsche Zee met rotskust.
 
en hier vallend van het riemblad
 
fonkelende, ronde druppelingen
 
en ik ben stil verrukt
 
en vol en stil verwonderd van
 
de heerlijkheid der dingen.
 
 
 
de bergen wijkend verder, ver
 
met blauwe damp in de ravijnen
 
 
 
verheerlijkt in het (laatst) verdwijnen
 
de zeilen     opde zee.
[p. 357]

[Als hof- en veldwerk is gedaan]

Rijkdom
 
Als hof- en veldwerk is gedaan,
 
de ladders tegen de boomen staan
 
en     des heelen jaars geluk
 
gaat blijken in den perepluk,
 
o sappigheid en overvloed,
 
en al het land doet zich te goed
 
in volle weelde, zonneschijn,
 
 
 
als fijner wordt de lucht en kil,
 
de loovers hoog onroerbaar stil
 
afhangen in het vochtig bosch,
 
een sluiermist doorzichtig los
 
om stammen zweeft en statig hout
 
en fronsend ligt en stroef en oud
 
de donkere hei
 
 
 
druppeltak en nevelwaas,
 
fazant en haas
 
en in de vert' de trotsche knal
 
van jachtgeweer over berg en dal
 
een toevend avondrood
 
 
 
en in de ziel een blij bedenken glijdt
 
naar den wintertijd,
 
 
 
o winter, winter, beste tijd,
 
wanneer de mensch zich zelf belijdt
 
 
 
en elk zich op zich zelf bezint
 
een nieuw bestaan begint.
[p. 358]

[Bedekte lucht]

 
Bedekte lucht
 
vegen
 
van schitterzon en woeligheid,
 
een rust en schaduw is toegevleid,
 
o zegen van den regen gul en glad
 
over de schemerende stad,
 
over de bruine daken,
 
de stille huisbewoner zal
 
de zoetheid van den regenval
 
tot stille vreugde maken
 
en zinnend rondgaand is hij op de zoek,
 
het mag een aloud platenboek
 
met zachte kleuren wezen,
 
of volgt de tooverende taal
 
van verzen of geschiedverhaal,
 
gedoken op het lezen.
[p. 359]

[Mijn hoofd is in het diepe gras]

 
Mijn hoofd is in het diepe gras,
 
mijn hoofd of het een boomvrucht was,
 
een ooft, een appel     zwaar
 
gevallen daar...
 
het ligt, en stengels, veldgewas
 
schieten er op in glansbalijnen,
 
omwikkeling de lange lijnen
 
aan alle kant     dicht,
 
omhoog, omhoog     gericht
 
halmen, duizend sprieten
 
ontspringende als dunne rieten
 
met    knoopen, windgeluid
 
in schacht van sluimerende fluit.
 
O zomersch voelen, ongestuit
 
als
 
Wolken en wind en hemelblauw
 
het is er nauw
 
maar hier en mij ter zijde
 
de breede, bolle overvloed
 
glinsterende steelen
 
 
 
En ik lig mee te groeien
 
ik doe mee.
[p. 360]
 
Er is een treurend iets,
 
een dun, uitgetogen,
 
verminderend vermogen
 
en als een fijn verlies,
 
een weggang in de luchten,
 
alsof de zon
 
verder, verder nu staat achter den horizon.
[p. 361]

[In de getogen tonen/van het Fluiten]

 
In de getogen tonen/van het fluiten
 
trekt mijn jeugd voorbij
 
en alle tijd
 
zonder verzet.
 
 
 
Des avonds als de waters klaarder blinken
 
en zachter het fluweel wordt van het groen.
[p. 362]

aant.Reeks VI

 
Geheven kelk en tartend flintkristal
 
waarin de bundelen des lichts zich splitsen,
 
in het bitse
 
gesneden glas versplintert het heelal.
 
Rondom de bodem staat het slaggeding
 
met dreigement van pijlen en van zwaarden,
 
<een> haag van kletterende hellebaarden
 
wapenen kruiseling.
 
Een rozerood en donker karmozijn
 
ligt     op den ondergrond te branden,
 
lonkt     achter de wanden
 
in broeiend     O welke wijn
 
werd hier gebotteld? Dikgestroomd en zwaar
 
rilt     is uw goed
 
een     een     bloed,
 
duizelend     en doodsgevaar.
[p. 363]

[Rondom mijn bed, van trijpen omsloten]

 
Rondom mijn bed, van trijpen omsloten,
 
tressen en koord gegroeid in het vergrooten
 
der donkerte, torschende schroef kolommen
 
die tot een zwaren, verren hemel klommen,
 
in nachtelijke zaal waar van gebint
 
in wapperende plooien en in lint,
 
in strooken afhangt glanzende overvloed
 
als roet,
 
om gaat het, het gevoelde monster, om
 
op soepele gewrichten, aldoor om.
 
Ik hoor de zuchten van zijn zolen, om
 
en om verstervende, gedempte trom
 
de groote
 
sombere pooten
 
en     klauw en voetenprent
 
koninklijk uitzet op het paviment.
[p. 364]

[O de verdoembare, tot wien]

 
O de verdoembare,    tot wien
 
in het omsnoeren van de morgenuren
 
als alle kwaal tot een niet te verduren
 
felte gaat zwellen,
 
tot wien het kreunen en de harde zucht
 
(en het hel jammeren) uit klamme ziekbedden
 
eenzaam nog in de onbedorven lucht
 
als offerdampen, als een reuk
 
opstijgt tot den meedoogenlooze
[p. 365]

[Ik ben een rustelooze stroom]

 
‘Ik ben een rustelooze stroom,
 
een groote, zijgende waterval
 
die het geschapene overstroomt
 
en drenkt meevoert naar het dal,
 
 
 
een zee van licht die doordringt
 
wat was en is en wezen zal,
 
een schoot van moederduisternis
 
die overschaduwde het Al.’
[p. 366]
 
Het licht is van hun hemel afgegleden
 
en hun te voeten ligt een zwarte vloer,
 
gedoofde leegte boven en beneden
 
waardoor hun eenigende stilte voer.
 
 
 
O vloot van mijn vereenigde gedachten,
 
sombere stoet over een doffe zee
 
 
 
in deze wereld is de dag gestorven
[p. 367]
 
Poeierduister.
 
gouden luister
 
is in stompen    gesmoord
 
aan den ruigen hemelboord.
 
roest en groene kleuren
 
vloeiende zich beuren
 
tot zoo teere keuren
 
dunnend uitgevloeid:
 
gloed der hemelstreken
 
diepten in vertrekt
 
en de grijze deken
 
ligt over het land gedekt.
[p. 368]
 
Ik ben nabij: ik ben aan u verschenen:
 
wanneer gij
 
zonder om iets te denken
 
onbezorgd
 
druk lacht,
 
gij ziet mij, maar een wenk, een teeken
 
door u en mij geweten
[p. 369]

[Hoe is hier het bestaan van allen]

 
Hoe is hier het bestaan van allen
 
afzonderlijk uiteengevallen,
 
de donkere brauw van elke wand
 
opgaand in wederzijdsche stand,
 
hoe is de spanning wild gespleten,
 
geklemd als tanden op elkaar, en door de reten
 
de norsche blokken en het gruis
 
over de bonken     te niet
 
de boldersteenen, het graniet
 
waar in elke steen
 
de enkele kristallen
 
 
 
de wilde rhododendronstruiken
 
de behangen pijn
 
de kromme wringing en de knoest,
 
eigen wil     en in spleten
 
haarvezelen fijne waaraan kleeft
 
de kiezelkorrel
 
en den dag beleeft
 
loopende tor, de brommelbij
 
druk en stommelende in de bloem,
 
in overvloed duwend, doende vervuld
 
van volle plicht en naarstigheid,
 
met kreukeling en aderwerk
 
in dunte van de glazen vlerk
 
waarop de regenboog gelegd
 
 
 
pad
 
de snerpende tred
 
der menschen
[p. 370]
 
maar onbelemmerd, onbelet
 
tusschen de randen ingezet
 
een uitzicht eindeloos en wijd
 
o gebenedijd
 
van ruimte en openstaan en verten
 
stil en ademloos
 
de diepte van het landschap
 
zie hoe de rivieren
 
met kalme lussen slieren
 
door groene laagten, meegevoerd,
 
gestuwd naar waar
 
zonder verhindering, mindering,
 
weggevallen     rest,
 
vreemde en toch vertrouwde verrichtingen,
 
hoe onuitputtelijk belang
 
van een andere boeiing, vloeiing,
 
van een kracht zich openbaart,
 
zich zelve spiegelt en beziet
 
in     deelen
 
maar allen     evenvelen
[p. 371]
a
 
Sie schwiegen wieder.
 
Drauszen rauschten die Brunnen,
 
sonst tiefe Stille.
 
Luisterden naar het kloppen
 
stroomen van het bloed,
 
de warmte,
 
naar hun eigen gedachten, die waren opgehangen
 
na de extase
b
 
dit en anderzins
 
onuitsprekelijk lief gezicht,
 
alleen niet tegenstreven
 
om al deze lieve pogingen,
 
aanvaard het liefst verzwegen
 
dat de mensch alleen is
 
want dat wij staan als in een tuin,
 
in een ontloken bloesemgaarde
 
maar de tuinier
[p. 372]
 
het gebed
 
uw aangezicht zal voor mij staan
 
in winterlijke uren
[p. 373]

[De schaduw overtoog de toppen]

 
De schaduw overtoog de toppen
 
van de gesplitste vingering,
 
de zachte palm die hen verving,
 
de polsen en hun donker kloppen,
 
en tot de rimpelen der holte,
 
de plooien van het stroef satijn,
 
vloot ze af en in gebogen lijn
 
werd er een     volte,
 
rees op en sloop om het begin
 
der welvingen, de     wanden,
 
de vroomheid der gevouwen handen
 
rond weg en ging gedoken in.
 
 
 
<O     aanbiddelijk ovaal
 
dat in de neiging van zijn bogen
 
den zin des levens mag betoogen,
 
laat mij geleid in uw portaal
 
ook uwe houding mogen vinden>
 
 
 
dit vrouwelijk en wijs aanvaarden
 
van 's levens     overmacht,
 
blinde en vijandige kracht
 
en niettemin bewaarde
 
hooge gelatenheid, blijmoedigheid,
 
een enkel iets wist ingebogen
 
van een bezonnen wederstand
 
die voelt
 
 
 
opstand, mijn eeuwig erfdeel,
 
verzet en loochenen des lots
 
en dat er in mijn wrange trots
 
iets mocht gemengd zijn van
[p. 374]

[O laat ons ginder, ginder gaan]

 
O laat ons ginder, ginder gaan!
 
de avond vlucht op alle winden,
 
niets mag de koel herleefden binden
 
en alles roept o hier vandaan!
 
 
 
De nachtwind, die op scheiden stond
 
hij trekt met onweerstane stroomen
 
naar de gewelfde heuvelzoomen
 
en den verzonken horizont.
 
 
 
Er liggen     breed,
 
blozende valleien
 
verbeien
 
in aandacht op de komst gereed.
 
 
 
Witte wolken
 
en argelooze luchten
 
vruchten
 
- - - - - - - -
 
 
 
Een duizeling, die ons overtoog
 
groeit tot een hemelgroot verlangen
 
waarin de ziel zich openboog
 
en het oneindige na te hangen.
 
 
 
een moed, die weer te wenschen dorst
 
 
 
En met een dralend overgaan
 
der lippen worden zware woorden
 
lustwandelend van nu af aan
 
gevleugelde accoorden.
[p. 375]
 
Wat rondom donker zich ontwoelt,
 
het heeft zijn tegenpart gevonden
 
in dat wat twee bedroefde monden
 
koelt.
 
 
 
Wat prevelende stemgeruchten
 
te rade gaan in dit gesprek,
 
het is het ruischende vertrek
 
van werelds ongekende zuchten.
 
 
 
en wankelende weggebracht
 
wij zelve ontzweven,
 
gescheiden en bijeen gebleven,
 
de bodem los, o stoute dracht!
 
 
 
O, in mijn armen
 
ijle voet
 
getild den lichtglans tegemoet,
 
gebracht naar     sferen,
 
 
 
als het dierbaar hoofd
 
en leden slank die aan mij rusten
 
naar de bestemde verre kusten,
 
het glinsterende toebeloofd.
[p. 376]

[Rozelaar, o rozelaren]

 
Rozelaar, o rozelaren,
 
wie de stoute     waren
 
die met stemmen en gerucht
 
onbevangen, onbeducht
 
liepen door het vrije veld
 
ruim en     opgesteld
 
in het wit en blauw
 
en de grijze hemeldauw;
 
liepen langs de heesterhagen
 
en het welbesnoeide blad
 
dagen
 
als het park gezelschap had,
 
en de wildernis
 
waar de rand der duinen is;
 
langs de statigheid der boomen,
 
paden met fluweelen zoomen
 
en een groene schaduwtent,
 
zoete aem     windgevlei
 
in de diepte der vallei.
 
 
 
daar, als vlinders
 
<in> de toegesloten bochten
 
banken opgezochte
 
en de grijs verweerde vaas
 
waarvan af hooghartig ranken
 
hingen     kostbaar blanke
 
rozen, overvloed
 
en een dauwend druppelwaas,
 
waterval,
 
storten en ontglippen al.
 
 
 
Wie, o wie?
[p. 377]
 
al de zomermiddaguren
 
maakten ze tot hun geburen,
 
waren lief met alle dieren
 
in het onveranderd turen
 
van het blinkend hemellicht.
 
 
 
Toch en toch, in al den drang
 
en den schijn    samenhang
 
door de oogen heen te lezen:
 
hun genoeg mag hier niet wezen,
 
elders, elders, echter waar?
 
geen     lijkt er naar.
 
Dan uw trots, o oogenpracht,
 
zacht kon worden, wonderzacht
 
te raden,
 
waren er niet vele draden?
 
trokken
 
 
 
rimpeling van zich bedroeven
 
dat leeg en onverhoord
 
hunner harten diepst behoeven
 
vraag
 
die zelden opkomt maar nochtans
 
neiging tot
 
andere dingen, zelf nauw geweten,
 
jonge wrangte? menschenlot?
 
 
 
dag
 
stond te verdwijnen
 
die hoe lang hij wezen mag
 
toch ten slotte kort moet schijnen,
 
heengaan, heengaan te alle kant!
 
werd toegeschoven
[p. 378]
 
en land
 
en van duisternis bestoven,
 
en als met een sleepgewaad
 
afscheid nemen, moeizaam kwaad
 
lanen
 
talmen in het onverstane
 
droefenis
 
die er is in overvloed,
 
wenken, nagëoog
 
aan den hemeltrans omhoog
 
en die stil en somber <w>aren
 
kondigde zijn gloriedood:
 
ook in ons hing na een rood,
 
rozelaar, o rozelaren!
 
 
 
Dan - de dag werd neergeleid
 
drukt den deuk in rozeblaren
 
 
 
<het wilde perk doorwassen
 
netelen en zilvergrassen,
 
kamperfoelie, zoete vlier,
 
bramenrank en eglantier,
 
roode bottels nog bezwaard
 
van de dauw alhier bewaard
 
in de schemer wel vertrouwd
 
van het vale onderhout,
 
vochte wazen
 
en de koelte der oasen,
 
plek van     altemaal
 
waar opklinkt de nobele taal
 
van den bruinen nachtegaal.
 
O hoe     is het hier
[p. 379]
 
waar dit ongedurig dier
 
vliegt uit, vliegt om en allerlest
 
terecht zich vindt bij donzen nest.
 
en in verborgen mode
 
zingt hij zijn kleine ode,
 
houdt er zijn popelend geluk
 
stiller en stiller dit oogenblik.>
[p. 380]
 
Zijn oogen, zijn oogen
 
en zien een andere aan,
 
o ik ken zijn stem en haar teeder worden
 
en hoor zijn woorden als zingen gaan,
 
strengelprieelen
 
geweven en toebereid
 
waarin een ander wordt binnengeleid.
[p. 381]

[O klokjes klepelgeluid]

 
O klokjes klepelgeluid
 
tinkel
 
los oogenblikken
 
wie vermag de tonen tot een zang te verbinden
 
en welke grootmeester heeft de melodie bedacht?
 
 
 
Een zwarte tak en bloote doornenpunten
 
maar de ontloken knopkelk is niet ver.
[p. 382]
 
Er voeren vele paden
 
diep in die eenzaamheid
 
en niemand wist te raden
 
wat ons was weggeleid.
 
 
 
De boomen zijn bedropen,
 
de wilde bloemen staan
 
 
 
ik strooi
 
de flard van mijn verdriet
 
verdringen
 
in al zijn bitterheid.
 
De toorn
 
het komt op
 
 
 
en het is onverdiend.
[p. 383]
 
Kom leg uw hoofd neer aan mijn schouder, geef
 
uw hand, de sprekende en welverstane,
 
laat het weer vol en bloeiend zijn, herleef,
 
terwijl wij wandlen onder de platanen.
 
 
 
Laat     als weleer
 
ons hart de maatslag zijn van deze uren,
 
 
 
laat in het smelten van het avondlicht verpuren
[p. 384]

aant.Reeks VII

 
Was uit het wezen uitgevoeld
 
de oude opstand? uit teruggezonken
 
en     zijn wat had geblonken
 
en het verkoeld
 
meemenschzijn, over de gebaren
 
een flitsen voer als winterrijm
 
-- - - - - - - -
 
en hooge tegenzin. O het berusten
 
van afgestreden liefde, lippenmond
 
ter eersten stond
 
het donker aangezochte kuste
 
met liefde     en met lusten
 
als een wolk zoo vol
 
-- - - - - - - -
 
en zwichtende het teerste,
 
het kenterende meest
 
<schaduw van
 
een somberlicht geluk,
 
zich gewonnen geven
 
en een gezicht
 
als over luwten, over velden
 
en een oneindigheid van verstaan.
 
O voortaan
 
het over zich laten gaan
 
onbekreund
 
het gewone ontroeren afgewezen
 
het eigen bizondere zeker wist>
 
 
 
maar in het diepste diep
 
daar is het triomfant.
[p. 385]

[O pad wel in ontroeren opgegaan]

 
O pad wel in ontroeren opgegaan
 
o passen saamgeschikt en als geschied
 
ook in een ander, een     gebied
 
nadenkelijk en wederzijdsch verstaan.
 
Wij schoven dan de bladeren opzij
 
de takken die getralied donker stonden
 
en op de opente     werd gevonden
 
van wildernis en woestenij.
 
de plek     leeg geel
 
aan zich zelf overgelaten
 
en waarop recht
 
het hemellicht was neergezegen
[p. 386]

[Zilvren klingels aan de hamen]

 
Zilveren klingels aan de hamen
 
winterdag in met mijn dame.
 
 
 
Zwart-wit, blank gestreken bruin
 
ligt het     overschuin
 
geworpen en de pelzen
 
die dit jonge lijf behelzen.
 
 
 
de paarden die in helwit
 
ruig en harig geleken en donker,
 
met glanzende hoeven en ranke koot
 
en een koetsier
 
die een zwarte baard in golvende zwier
 
glad heeft gestreken en met gloed van oogen
 
 
 
pantervel donker afgezet,
 
ringen, kringen met nerz bezet,
 
berevellen, ruime banen
 
gestroomd, gestreept, Perzianen
 
van Shiras, lynxen van de Kaukasus
 
en even nog één tierlantijntje
 
van het zuivere hermelijntje.
 
 
 
En ingedoken, in de     deels verstoken
 
terwijl de     koesteringen strooken
 
langs wangen
 
dwaaltochten van het oog
 
dat     overvloog,
 
verwondering gezonken in de stilte
 
van de nadenkelijkheid
[p. 387]
 
het grijs geflimmer van de wimpers
 
de wintermist
 
 
 
eeuwig verlangen en gemis
 
eeuwig bezit
 
 
 
een paar althans,
 
één mooi zijn,
 
opamen midden in
 
nu de laatste
 
is uitgevallen, als bewijs
 
van wel kunnen,
 
wij worden ontvoerd
 
vlucht van het mooie wonderwerk
 
en van het onbegrijpelijke
[p. 388]

[Zoo was het. O volkomen uur]

 
Zoo was het. O volkomen uur,
 
o oogenblikken ons genegen,
 
dat wij de hoogste top verkregen
 
van dit gegunde avontuur.
 
in de schaduw en het groen,
 
wij spraken     zonder vermoeden
 
spelen lokken -
 
onvoorzien
 
oog glinsterde     vloog
 
hoofd boog
 
van een algeheel herkennen.
 
Laat van het vloeiende beleven
 
enkele beelden,
 
enkele sterke trekken
 
worden gegrift
 
en in een schrift opgeschreven
 
waarin het bij een mag loopen
 
en zich vergaren
 
dat ik iets mag bewaren
 
voor later, de verlaten jaren.
[p. 389]
 
Teruggedrongen
 
de beperking
 
maar in een flits van gebaren
 
het grimmige, revoltant,
 
het meerder zijn
 
stelt zich te weer.
 
O wat is de kracht
 
standvastig, ontembaar
 
boort zich
 
het zilveren Oosten in.
 
 
 
Hoe bloeit de liefde op
 
voor al dit poovere en onvolkomene,
 
genegenheid onvernomene
 
in welks gedempte wezen
 
jeugd en leven en al het verloop
[p. 390]
 
Wij dansen muziek
 
 
 
dansen langzaam aan
 
is als de vlam,
 
als het landschap buiten blauw en goud,
 
verteederen
 
klagen om onze jeugd
 
om ons lot
 
om het menschenlot
[p. 391]

[Het eeuwige van het mooie]

 
Het eeuwige van het mooie!
 
van de ander hetzelfde weet
 
weeke, purperen schaduwen
 
elkander zoekend, elkander
 
eerbiedigend, ontzien, vragen en geven,
 
het spel wetende en toch van elkaar vervuld.
 
 
 
Wij dansen samen. In het bleeke licht
 
luchters neergegleden
 
gezicht
 
zoo veel gezien en zoo vol kostbaarheden.
 
En hier beneden
 
het ranke, dat
 
het slepend vagen
 
met zwellen uit en met vertragen.
 
O    en wederzijdsch verstand
 
ook hierin, liefelijk verband
 
en rusten in elkaar
 
willen en toegeven
 
van ruilen
 
ontzonken
 
de houding van trots wegens het doorzien
 
niet meer de dupe zijn.
 
En toch, en toch - het was ons toch zoo lief, wij hielden
 
het is genoeg
 
het valt van ons af, wij drijven
 
in cirkelen,
 
bij alle ellende en teleurstellingen
 
gestrekt, bevestigd
 
dat er een ander is zooals wij zelf,
 
o eeuwige begoocheling!
[p. 392]
 
Missa, handeling!
 
En dat de stilte rijker is
 
dan het spreken.
 
 
 
Luifeldak
 
overhangend geboomte
 
de schaduw op een rose muur
 
doorzichtig op de steenen,
 
hemel strak
 
en heel Italië is verschenen
 
 
 
innerlijk het smachten
 
en het doorleefde, geziene
 
 
 
weet je nog, weet je nog,
 
blauwe damp hing in de dalen
 
en de blik lag in het Zuiden
 
zonder     en bedrog,
 
zielen als bewogen bruiden
 
trillende verluiden
 
 
 
Het ontroerende, aandoenlijke
 
van elken nieuwen dag
 
achter de bergen
[p. 393]
 
Voelt de lucht
 
tot in de toppen van de vleugelen,
 
laat hem daar glijden en strooit hem uit
 
 
 
Bleek en ontdaan
 
ziet alles elkander aan
 
en het is sprakeloos geworden,
 
het enkele dat geschiedt
 
als in gedachten (anders niet)
 
 
 
En grenzen worden openbaar
 
 
 
De vroomheid van de sneeuw
[p. 394]
 
Ik schrei om eene die niet te benaadren
 
om     om onafhankelijkheid,
 
ik schrei om eene, die het oud geloof
 
hernieuwde
 
dat er nog iets anders is dan dat eeuwige...
 
het mooie en van mensch tot mensch
 
het herkennen
 
en de takken namen het weg
 
 
 
De morgenster die eenzaam staat in de helderheid
 
o pracht en volhoudt
 
o wat is de kracht, die van u uitgaat
 
en versterkt
[p. 395]

[Door floersen wierook, door een rekkend vlies]

 
Door floersen wierook, door een rekkend vlies,
 
een dunne voorhang, waarvoor kronkelzuilen
 
opwalmen, door het sidderend rumoer,
 
sissende bekkens en de slanke gil
 
der orgiasten en den tempelgalm
 
rijtend een vlaag, een kruisend vak, en ver
 
als op een droom gedragen, stil, verwezen
 
het beeld     dof
 
zwart ebbenhout het aangezicht, de oogen,
 
opdoemingen van neus, wangen, mond,
 
glimmend ivoor de monstrueuze
 
lijflijke druivetros, êel goud gedegen
 
de hoofddoek en de tinnen toren opgezet
 
van nek en schouderen, de ringen, zware platen
 
persend om onderlijf, en het al krioelend
 
van veel emblemen
 
van wild gedierte, leeuwen neergevleid
 
over de armen, aan de gordeling
 
uitpuilende als aan vreemde stekelvrucht
 
wanstaltig stompe stekels, parallel
 
reeksend aaneen van weidsche manen, breed
 
de toegestoken koppen; stieren dan,
 
steigerend, het stootsche voorhoofd scherp
 
van horens; volgend, tal van rammen
 
in kroese toeten wol het norsch profiel
 
gedoken     de kronkelhorenen,
 
de hel gestreepte oogen, en onder aan
 
kruipende bijen, traag in het stramme goud,
 
langszij de slippen en de gestulpte rand
 
de schuchter uitgekomene genakend,
 
de bloote teenen
[p. 396]

[‘Er is geen rust der zinnen, geen gestreeld]

 
‘Er is geen rust der zinnen, geen gestreeld
 
uitvloeien van de ziel
 
in deze,     maar er is meer:
 
Een stil bevreemden, een nadenkend zich
 
afwenden, een alleen zijn nagevoeld
 
als koele dronk, en dan een zoel verlangen
 
naar welbekende
 
in tempelzuilen te vinden
 
verbeeldingen, waarvan de kiesche weelde
 
innerlijk tintelde en geëffend lag
 
op heerlijkheid van leden, streelingsschat
 
van zoekende oogen
 
langs de vervloeiingen, die onderling opvolgden
 
waar hier volkomenheid als welving was
 
en elken vat van de gedachten af
 
liet glippen en in ingetogen macht
 
zich zelve rond bewaarde; een dracht
 
van menschelijke leden
 
toovering naar zwerk
 
van weliger streken     veredeld
[p. 397]
 
gedaan, vergaan
 
verdriets
 
en duizend dooden uitgestaan,
 
telt dat voor niets?
 
 
 
Zij had geklemd in hare handen
 
de drinkenskom ons toegebracht,
 
het meer     met vochte randen,
 
o nap der rond omsloten nacht,
 
 
 
lescht
[p. 398]
 
Maar de innerlijken en van koeler zon
 
zien in de druppelen van dit afscheiden
 
het bloed van Pyramus den vroeg beschreide,
 
het roerend sprookverhaal van Babylon.
 
 
 
De nobele boomen als trofeeën
 
 
 
In de donkere lentedag, gesloten, dreigend, druilend,
 
in de zwarte luwte
 
bottend.
 
Een gieteling hoog boven in den uitersten top van de boom
 
ziend boven de huizen uit naar de ondergaande zon
 
die bruin, oranje, zwart ondergaat
[p. 399]
 
Zoet, zoet de merel in het zwarte hout
 
waar luwte en beschutting
 
het gure
 
trillend-teere boschbloemen
 
zoet
 
o zanger, dichter, en het deert u niet
 
de trieste lentedag
 
fronsende blik der landen
 
groote worstelende wolken
 
aangezicht der aarde, toegedekt, verwrongen nog
 
den langen, bangen winter.
[p. 400]
 
Goedheid, die overbuigen kon.
 
 
 
Hitte
 
als van den ganschen dag
 
er niets beweegt
 
dan het trillen van de vlinders over
 
bloeiende latyrus
 
 
 
Te midden van den zonnedag
 
en in het hart er in,
 
stil in de schittering
 
loop ik en ingenomen
 
door dit volmaakte thans aan alle kant
 
en voel     en dat het schoone
 
en in zijn wezen eenzaam is.
[p. 401]
 
De pluimen van het gras
 
worden een groeigewas
 
in vergrooten
 
hoog opgeschoten
 
boven den horizont
 
een bosch, een luchtig
 
 
 
en blozende gezichten
 
gebogen aan de lucht
 
boven ons met gerucht
 
en ademende mond,
 
brandende oogen
 
donker aan de
[p. 402]
 
En dat de morgen voor ons bescheen
 
de gewone voorwerpen, de takken voor het raam
 
de wolkenlagen aan den horizont
 
de lichte nevel die klom in het goudblauw
 
kasteelen en wat weet ik
 
en dat het leven een zin had en een vervulling was.
[p. 403]
Ayer me dijiste que hoy...
 
Gister zei ze vandaag
 
en vandaag zegt ze van morgen,
 
morgen is de zin voorbij
 
van het zieltje zonder zorgen.
 
 
 
De zomeravond is zoo zoet
 
van zulk een allerzijdsche zegen,
 
reuken, struiken, boomen
 
dat hij verzoent
 
met al het andere en met mij zelven
 
zoel     nacht zinkt
 
en nóg is het goed.
[p. 404]
 
Herfstpark
 
en purperrozen
 
geslingerd om het marmerpostument
 
 
 
Nacht van gebogen ebbenhout
 
 
 
Stad, torens
 
en uit verguldsel opgebouwd
 
 
 
Wolken
 
als vluchten zwanen
 
 
 
En een droef landschap,
 
een zonlicht strijkt er over
 
als zoekende
 
wat inmiddels een andere bestemming heeft gekregen
[p. 405]
 
Flauwe rand van heuvelen.
 
Dit zijn de dingen nooit gezegd
 
de innigste verwachtingen
 
het hopen
 
 
 
En bergen aan den rand, muziek, muziek!!
 
golvende lijn van melodieën
 
hoe wordt de ziel mij uit de borst getogen
 
verlangen
 
 
 
En zuiver is het weinige alleen
 
 
 
De zweep van de bliksem,
 
het in elkaar schuiven van de donder
 
 
 
De dag
 
en een omhelzende oogopslag
[p. 406]
 
Dan, als de somberrode, het boos kolenvuur,
 
de toornende, de spits robijnen ster
 
giftig en onbesuisd beide, huizend
 
in schorpioen en stootend ram, de drager
 
van moord en onheil, misgewas en nood,
 
als norsch    gewelddadig voogd
 
over de late, mannelijke jaren
 
zijn komst begon, zijn driftig regiment
 
voerde
 
over dit leven, o hoe barstte
 
wanhoop     vertwijfeling
 
des te dieper
 
naar minder voorbereiding    en omstond
 
den onhutste, den verdwaasde,
 
den wankelende
[p. 407]

[Het was een morgen, kristallijn gezet]

 
Het was een morgen, kristallijn gezet
 
op vochte weiden, waar de droppeldauw
 
de sprieten, stengels buigen deed, aan kelk en steel
 
schakeerend in het lichte grijs gezegen
 
op gras en groene halmen, in de lucht
 
heldere vinkenslag, over den vlonder
 
het reppen van de voeten, de witte tandenlach,
 
het zingen van de melkster, aan de kimmen
 
de    zoomen
 
ging God om
 
 
 
Dat was geweest; dat had nu zijn bekomst
[p. 408]

aant.Reeks VIII

 
Opstaan 's morgens vroeg,
 
zonlicht tegen de toppen sloeg
 
als alles lag in een zachte schijn
 
een ander zijn
 
in de leege straten en in het veld
 
vogelenzang werd afgeteld
 
en in de herboren ziel
 
gelukkigheid binnenviel,
 
rust verrukking
[p. 409]
 
Een scheepje en twee scheepjes,
 
drie scheepjes in de zee,
 
als er vier scheepjes waren
 
dan viel dat eentje mee...
 
 
 
De wolfsstaart rijst, de opgestoken pluim,
 
de morgenadem zwevend door het ruim,
 
het vroeggebed (van de natuur)
 
 
 
worstelend ontzinken
 
mijn vreugde en moed en vroege kracht,
 
het gretig     met oogen drinken
 
van alaanschouwde aardsche pracht
 
 
 
De zee is eeuwig, maar de golfslag niet
[p. 410]

[Trekvogels vliegend in figuren]

Maart
 
Trekvogels vliegend in figuren
 
en die verkrummelen in de verre lucht,
 
een tocht    vlucht    turen
 
tusschen het witte en het azuren
 
Mijn hart wordt uit de borst gehaald
 
en een gerekt en ijl verlangen
 
ontvloeit mij hel, totdat mijn wangen
 
besterven, naar waar nog wat anders is
 
dan twist en nijd en ergernis
 
en is dan weder afgedaald
 
en dies tevreden,
 
als hier beneden
 
dit wezen mag, dit
 
stil geluk in de natuur
 
en wat ik in mij zelf bezit.
[p. 411]
 
Om fijne vingeren, beschenen
 
blozen aan den rand,
 
geslingerd om de rozenhand
 
de herfst der parelen, het wit
 
besterven dat gedoken zit
 
 
 
het krimpen en de samentrek
 
van een vertrek,
 
eenzaam en van een glimp doortogen
 
hun blinde oogen.
[p. 412]
 
De rondte is van een schijn omgeven,
 
als opgeheven
 
door het lichtste mediteeren,
 
een zilveren afgang onbespeurd
 
heeft     opgebeurd,
 
en als een kussen ligt
 
het lichtste licht.
 
 
 
blos van den uchtend
 
vluchtende en los
 
(openend) aan deze kimmen:
 
over de witheid glorende als een lent'
 
het oriënt.
[p. 413]
 
Herfstbladen op en af
 
de vensters langs en straf
 
over de ruit; gekneusd, gedeukt,
 
geplet, geplakt     gekreukt
 
en vaal en grauw van kleur,
 
een eenzang en een zeur.
 
O het omslachtig wezen
 
deze sleur,
 
mijn ziel verzinkt in ongenezen
 
verveling
 
En dan in eens staat overeind
 
de koestering, de vreugde:
 
blij, treurig, om het even,
 
dat ik dit mag beleven,
 
dat ik dit rijk gebeur
 
bespeur,
 
dat deze oogen
 
zoo in de verte zien mogen,
 
gezonken ik
 
dit oogenblik
 
weer in zweven
 
opgeheven,
 
als dit blad, dit verbleekte
 
en natgeweekte.
[p. 414]
 
En ik heb sterren van de lucht genomen
 
en ze vervlochten tot een diadeem
 
 
 
Open avond liggend in de gracht
 
en al het    veilig en gerust,
 
bewust
 
krachtgevoelde   toekomst
 
en druk
 
zacht wemelend geluk
 
 
 
Klein tikkend geluid
 
geboren in de morgenstilte,
 
knikkerend,
 
springende, kaatsende kogels
 
rondom.
 
ik lig in bed in dekens gerold
 
en in de krachtenfrischte
 
van eerst ontwaken
 
doorgloei ik van genot
 
van door de jonge
 
rechte zon over weg en boomen
 
door de zomerwereld te gaan.
[p. 415]
 
Een kalken muur, windstille zon,
 
schaduw van vogels, vlinders, kevers
 
en tak en blaren, teekengevers
 
van hun aanwezig zijn; rondom
 
geluiden van de stille straat
 
waar     dicht bij een opstaat,
 
roodsteenen huis en pannendak en buurt,
 
de jonkheid er naar buiten tuurt
 
en voelt zich     bewogen
 
en in een wemeling getogen
 
van lot en toekomst ver van hier,
 
jeugduitzicht, steenen, hoeken, muur,
 
onaanzienlijk, poover...
 
(maar lief) de zon is er over.
[p. 416]
 
In het dood wezenlooze woud
 
het bruin bloeiend esschenhout
 
het witte hout, de schil zoo groen van binnen
 
dat wie het afbreekt voelt in zich beginnen
 
een ademtocht
 
naar verre landen aangezocht
 
naar wat telken jare
 
belooft anders te zullen zijn, een ander verlan<gen>
 
te zullen brengen
[p. 417]

[Een snarenspel, dat wacht]

 
Een snarenspel, dat wacht
 
en niemand die het aanroert,
 
een spiegel in de nacht, een amber-geel
 
gewelfde luit, melankoliek en êel
 
van spanning, en de omgewrongen koorden
 
die somber gingen van het ongehoorde,
 
het onbegrepen veel.
 
O leeg gebleven toets, bedekt
 
geen vingerrozentop uw luisterend gewricht,
 
beloken troosters, op haar     wagen
 
zat smart als op een grafgesteent gevangen,
 
gebroken in de schachten, zwart cypressenhout
 
rondom opgebouwd
 
dat knikte als met een wimper, langs de vanen
 
veegde een zuchten als gevuld met tranen
[p. 418]
 
Men zoekt zich en men raakt elkander kwijt,
 
men volgt met vreugde en ontvlucht in spijt,
 
men twist en ruziet en is ontevreden
 
en weer verzoend en alles zonder reden.
[p. 419]

[Vrouw de in haar wezen diep verscholene]

 
Vrouw de in haar wezen diep verscholene
 
en op haar voorhoofd mag zich openbaren
 
de wijsheid en het goddelijk bedaren
 
dat zij en dat de haren
 
verkregen van een inniger verband
 
en dichter stand
 
bij het beperkte lot dat ons gegeven
 
en bij de diepe bronnen van het leven
[p. 420]
 
Blauwgroene bladen, lippen aan den tak,
 
o lauwer, die     punten stak
 
om een mat voorhoofd en ivoren slapen,
 
de koelte voert als sluiers om u heen
 
gedempte schaduwen en een sereen
 
uitzicht met een blik
 
van witte wolken en van hemelsblauw,
 
de tengere hand mag van den bodem rapen
 
madelief en guldenster
 
en in de     schok en lichte schrik
 
achter
 
het fronsen van het donker toegesloten woud
 
de tortel     en alleenspraak houdt.
 
 
 
De oogeplooien sluiten zich;
 
nu zonderen van buiten zich
 
de gedachten af
[p. 421]

[Donker juweel, o flonkervijver]

 
Donker juweel, o flonkervijver
 
waarin gevangen is een flits
 
van hemellicht     spits
 
schrijver
 
van onze uren op den gloed
 
zonnewijst,
 
O flonkervijver, esmerald,
 
turkoois gekorreld aan de (rand)
 
(iaspis) op den bodem.
 
 
 
Zij is een rand, een groene plek,
 
een zode in mij weggelegd,
 
met zwarte doornenkroon omhegd
 
als een lief Heilandshoofd, o nauw
 
gezocht, omwonden, stille dauw
 
neergezonken
 
mag rollen over dezen bodem
 
 
 
mij, mij, mij toegeschonken.
 
O weide koel, o edelsteen,
 
hoe keert mijn oog naar u zich heen
 
in mijn nietswaardigheid
 
 
 
en in des levens hellevaart
 
mijn opzien is ten uwentwaart
 
voor hulp geboden.
[p. 422]

[Uw stem hoorde ik uit andere mond]

 
Uw stem hoorde ik uit andere mond,
 
in vreemde oogen stond
 
het oud herkennen,
 
hetzelfde toewenken, onder tal van woorden
 
waren gewis de eertijds aangehoorde
 
die voor ons beiden en voor elk alleen
 
een     zeiden door de klanken heen
 
en bij wier opkomst er iets was geschied,
 
een overgang op eenzaam zielsgebied,
 
de schok     herkentenis,
 
het blozend vragen van geluk, waar is
 
de oorsprong van ons samenzijn,
 
de eerste sporen     fijn
 
gesprenkeld als een oogopslag,
 
die wij nu samen wisten.
 
O volte, en meegegeven schat,
 
o weelderige vervulling dat
 
volkomene in zich bevat
 
 
 
dat om u beter te verstaan
 
missens-benard ik rond mag gaan
 
bij onbekenden
[p. 423]

[Laat dit het laatste toeven zijn]

 
Laat dit het laatste toeven zijn:
 
zeewater, lillend, cyanijn
 
dat donkert in de plooien, schijn
 
en weerschijn in     breking.
 
O wil     van er niet te zijn
 
en zonder afstand zelve levend
 
van al wat bruine algen op den grond
 
golvend uit
 
verdund en vervluchtigd
 
O onze betere hemel hing
 
in deze     heerlijkheden
 
der liefste wenschen, smeekgebeden
 
naar waar een     land openging
 
in vasten glans     boorden
 
en in de oorden
 
goden- en menschenmengeling,
 
en uit dit alles gezogen
 
de koelte van voldoening kwam gezonken
 
in de ziel,
 
een tempel is er in
 
uitgezet, en de glinstering
 
van marmer     beschenen
 
door verre zon; een zijden tent
 
zacht vloeiende en toch splendent.
[p. 424]

[Den blik, het woord van onzen mond]

 
Den blik, het woord van onzen mond
 
nog niemand ooit zoo vol verstond
 
 
 
Leunend tegen de wind
 
een heuvelrand,
 
kom, ik zie mij zelf niet meer
 
in die omgeving; welaan,
 
geen toekomst meer,
 
roode schijn aangestoken,
 
door grauwe en vale wei
 
gaat mijn weg.
 
mij komt niet anders tegen
 
dan     ik vind
 
alleen het stroomen van de wind
 
van kletterende regen
 
tegen mij gericht,
 
de herfsttakken branden in mijn gezicht.
[p. 425]

[Seizoen van peinzen en diepzinnigheid]

Herfst
 
Seizoen van peinzen en diepzinnigheid
 
en mijmering, wanneer een ander wezen,
 
doordringender, belangrijker dan voor dezen,
 
zich zal gaan voordoen en wordt ingeleid.
 
 
 
Een laatste fase in den killen tuin
 
waar moe van vruchtbaarheid de takken zijgen,
 
een veege gloed verteert er in de twijgen
 
en brandt en fonkelt in den zonneschijn.
 
 
 
En dan het bosch, als ruime voorraadszalen
 
staat het thans opgebouwd, een schuur waarin
 
verzameld wordt des ganschen jaars gewin
 
 
 
De gouden herfst schudt er zijn rijkdom uit
 
met vrucht en zaad, met millioenen loovers
 
op vloeren van den oogst, die stort
 
 
 
Op deze binnenplek hier staan de grassen,
 
de distels, al wat zilverpluizen draagt
 
en grijs van rijpheid is, en heftig jaagt
 
daar nu een valwind door de pluimgewassen.
 
 
 
En werpt het op het dwarrelend verstoven
 
boven
 
 
 
de bosschen uit, het wijde luchtruim in...
 
o sprekendst voorbeeld, van den diepen zin
 
van dat wat nu geschiedt alom,
 
van het stil smartelijke in deze dagen.
[p. 426]
 
Wat
 
is uitgegroeid, wat aan den ouden vast
 
ge     dronk van zijn leven,     een lach
 
die wies en vroeg en vergde
 
 
 
en werd verzorgd, zoover het mededeelen
 
mocht reiken     en werd gevoed
 
 
 
nu staat het dan te gaan, als duizend drangen
 
des nieuwen levens     welbereid
 
aan wispelturigheid
 
ge
 
 
 
aan wispelturigheid, en aan het spel van winden
 
en ademen en hun zinneloozen dans
 
de duizendvoude kans
 
van de gebeurlijkheden om een plaats te vinden
 
 
 
waar het mag zinken, mag vergaan
[p. 427]

[Als wij gingen om de rosmarijn]

 
Als wij gingen om de rosmarijn,
 
rozemarijn,
 
onze stemmen helder fijn
 
hingen in de onontwijde
 
zuiverheden, in de wijde,
 
in de witte morgeschijn.
 
 
 
Als wij gingen om de rosmarijn,
 
- - - - - - - -
 
is dit niet het     en lauwe
 
van zoo dier en te vertrouwen
 
koesterende plek?
 
 
 
o pluk
 
voor een ziel in zorg en druk,
 
thuis gebracht en weggeschonken,
 
teerste gave in scherpst verdriet,
 
jonge groeten voor wat niet
 
anders wordt en mag genezen
 
wezen
 
de last
 
voor het bittere uitgelezen
 
wachten, wachten
 
 
 
kinderen zwervend
 
door het wild gewas,     kervend
 
met hun zingezang het puur
 
morgenuur,
 
kinderen uit ééne buurt
 
vroeg de     opgestuurd.
 
Kinderlippen koralijn:
 
heden mijn en morgen dijn
[p. 428]
 
mag wel eerste regel zijn.
 
 
 
En de sleedoorn aan den weg,
 
wild gegroeide open heg
 
wien het jongste wit - o zeg
 
toekomt
 
struik waaraan de flarden hingen
 
van ons onbekommerd zingen
 
opwaarts uit de keel
 
waarin trilde al het veel
 
van het jonge boezemhart
 
onbenard
 
 
 
Hier en daar en overal
 
rosse heuvels, klarendal,
 
en onder de hooge boomen
 
de gebogen waterval,
 
rijk bezit en vroeg verlies
 
trillend alles in het vlies
 
van de stemmen
 
komend uit
 
in het brooze keelgeluid.
 
 
 
bij het naar huisgaan
 
in de donkert slaat het aan
 
 
 
dat het alles is als glas
 
broos en ras
 
verwelkend
 
treurend
 
of het ooit weer zoo mocht zijn
 
als wij gingen om de rosmarijn.
[p. 429]

[Als schuddend met den loovertak]

 
Als schuddend met den loovertak
 
de morgen ons te bedde stond
 
en versch gesterkt en nieuw gezond
 
in jonkheid, waaraan niets ontbrak,
 
bij opzien naar
 
het witte licht boven de pannen
 
wij kracht en levensplannen
 
voelden opkomen binnen ons
 
en bengelend voor het venster hing
 
de trossenvracht tengere acacias
 
rijk doorschijnend
 
voor het lichtveld
 
en alles was vol licht en vreugd
 
en in den     van onze jeugd
 
wij droegen zekerheidsgevoel
 
en de toekomst ons omhulde
 
en alles nog een doel had
[p. 430]
 
O rijkdom van het onvoltooide
 
 
 
De mogelijkheden der gedachte
 
de strikte dwang der werkelijkheid.
[p. 431]
 
O hart, dat altijd revolteert
 
en niet wil buigen,
 
dat van geen schipperen heeft geleerd
 
noch zich laat overtuigen,
 
 
 
dat stout en ongezeglijk kind
 
in het opstandig wezen
 
het beste van zichzelven vindt,
 
wild     en ongenezen,
 
 
 
komt, komt en voor den laatsten dag
 
berusten
[p. 432]
 
<Duizelend verlangen>
 
waarin mijn ziel vervloeit, mijn wangen
 
besterven     schemering daalt,
 
lichtende wemeling.
 
O bitterzoet zieltogen
 
o snikken     en gemis
 
van wereld waar het anders is.
 
 
 
O glimlach tevens en verdriet,
 
mijn hart weet maar bedenkt het niet
 
dat van     het best bedoeld
 
gevoeld
 
opofferendste gloed
 
en uitgestorte hartebloed
 
ten lesten ende iedereen
 
nuchter zijn keus doet en alleen
 
aanneemt wat in zijn kraampje past.
 
van al het andere onaangetast.
[p. 433]

[In den nacht, als veeg]

 
In den nacht, als veeg,
 
zonder vertrouwen
 
het leven in berouwen
 
verbloedt; hoe leeg
 
de gespannen hemel, waarnaar opgezien
 
met liggende oogen, of misschien
 
een tegenglans, een blik van streelen,
 
een gunst zijn weg vond door de velen,
 
tusschen de strakke sterrepracht
 
een teeken trilde toegebracht,
 
een ziel en voelen     begaan
 
in     oplettend gadeslaan,
 
een zoeken dat was opgezocht,
 
een troost die iets vermocht,
 
een weten en begrip
 
een woord van     lip
 
 
 
en middlerwijlen stond
 
aan openenden horizont
 
glanzend gereed tot nieuwe daad
 
de diamanten dageraad.
[p. 434]
 
Alreeds een uitweg wezen mag
 
een vleug van zon en zoeler winden
 
een enklen uitgelezen dag
 
die over de zwarte heesters, struweelen
 
punten en schitterlichtjes
 
en over
 
sneeuwklokjes, zuivere gezichtjes
 
 
 
nachtvorst staat voor de deur
 
Maartsche buien
 
en de Aprilsche willekeur.
 
Het stille hart is opgeborgen
 
en wacht en wordt niet meer misleid
 
want lente, lente is 't ondanks alles,
 
o kostelijke zekerheid!
[p. 435]
 
En de dag is laag en neigend
 
mokken     bedrukt en dreigend
 
staan bedroefd
 
op een merelkoor fluweelen
 
opzingt in de regenlucht,
 
vol en smeltend is het kweelen
 
uit de ongebonden kelen,
 
wisselend
 
antwoord gevend
 
 
 
over achtermuur en dak
 
stijgt de zwarte voorjaarstak.
 
 
 
De lijster zingt met lange halen
 
alsof hij zoog de lente in.
[p. 436]
 
en het is al stil, al stil,
 
de wind waait uit, het licht is gril,
 
het spichtig gras staat in een ril
 
en de gezichten oud en jong
 
zien op; naast de vergulde zon
 
een vlieger hangt, wit en met kleuren
 
in     tinteling
 
 
 
ontvangen al en ingetuind
 
en opgenomen...
 
zien op en voelen zich de borst verruimd.
[p. 437]
 
De breede klanken, strijkend geluid
 
zooals het opkomt, grommend,
 
buldert uit met razen
 
morrelend
 
roert in de toppen
 
met zwiepen van de nesten
 
en suizebollen,
 
het hert vaag en verwaaid
 
rekt de nek,
 
kop in de wind, de oogen wit verdraaid.
 
 
 
mijn ziel gaat door
 
de takken die al bruiner zijn
 
van bloesemkroos
 
 
 
O voorrecht, dat ik mag verzinken
 
in dezen     donkeren dag
 
met     in den hemel blinken
 
van half begonnen tranenlach
 
 
 
belofte van wat komen moet
[p. 438]
 
en nevelachtig is
 
het bosch dat zwaar en drachtig is,
 
het licht gudst over uit de lucht
 
en maakt het hout ijl en ondicht
 
 
 
O die gewenscht hebt met mijn eigen wensch
 
en die hebt ingestemd met mijn gebed
 
en naar de veiligheid boven de mensch
 
mede zijt opgegaan met vasten tred
 
 
 
verrukt zalig
 
oneindig streelende stem
 
en gij hebt mede aangezeten
 
 
 
Nu open luchten,
 
zon en het heerlijk sneele vluchten
 
der wolkenschaduwen, hitte naast
 
koelten,
 
wind en zon, alles heeft haast.
[p. 439]

aant.Reeks IX

 
De uchtend wemelt aan de boorden
 
en scheurt de zwarte ketenen van een,
 
er is een bleekte en     gloren
 
en weldra     het rozengoud der Horen
 
en leeft aan den gesmoorden
 
zichtseinder
 
de toegedekte woorden
 
die des te dieper gaan.
 
 
 
De zilverdag is doorgezift
 
in onze     en onze huizen
 
 
 
(En hij staat) ginder aan ons voeteneind
[p. 440]

[Op een witzwarten marmervloer]

 
Op een witzwarten marmervloer
 
van toetsen wiggelen
 
ovalen vingers, vrouwenhanden
 
 
 
volgt het     hoofd gebogen
 
stille glans der oogen
 
met preveling om den mond,
 
proevende lippen trillen
 
 
 
zit zij aan het instrument
 
 
 
doorgronden en volslagen afstand doen,
 
alle menschelijke     is opgegeven
 
maar dan één eenigste is gebleven.
 
De tonen diepe trillen
 
en wat het opwekte in de menschelijke borst,
 
het goddelijke van beiden
[p. 441]

[Ik heb den klank]

Pantheistisch
 
Ik heb den klank,
 
den klank, den klank der (pyramiden)
 
gehoord, den rythmus
 
het smeltwater
 
Tivoliwaterval!
 
Sibylletempel!
 
 
 
Het waait hard
 
bombardement
 
van wolken,
 
plekken fonkelblauw
 
opwaarts donderend
 
hagelslag
 
vagen van regenbuien
 
over het glimlachend opziend
 
moederland gejaagd
 
dat ligt met knipperende oogen in het licht,
 
en het gegil van meeuwen,
 
er blinkt hel water.
 
 
 
Dat er iets groots vaart over mijn land
 
goddank, goddank.
 
 
 
dat het welt
 
in deze popelende kleine hartjes,
 
in deze donkere zonen van het veld.
[p. 442]
 
Kleur van vroege M.M.
 
storm
 
als de spreeuwen zwermen
 
omdat zij! voelen als vagebonden,
 
oud-blauw-groen het land
 
en zwart de boomen en gebouwen,
 
van uit het westen
 
een eerste najaarsstorm van over zee
 
en de spreeuwen, een geheel
 
wonderzaam
 
een violet verschiet.
[p. 443]

[Van af het donkere land, wazig en klam]

 
Van af het donkere land, wazig en klam,
 
een klagende vogelstem die overkwam.
 
Wat jij
 
ik kan het niet veranderen, ik kan het niet,
 
dit zijn de dagen, dit is de tijd
 
wringend verdriet lijd.
 
Mijn vroegere jonge lief zit aan den oever,
 
droever wordt de wind     en droever,
 
ik heb het oude huis van mijn ziel verloren
[p. 444]

[Onder de kringen van den nacht]

 
Onder de kringen van den nacht
 
dof overeind gebracht
 
en neergezegen in het bleeke licht:
 
hoe ver, hoe ver uit het gezicht
 
nu de verste gedachten, aan den rand
 
van het nog besefte, <laatste> stand
 
<voor te verdwijnen,>
 
verdrietige bekentenis
 
dat zoo deze ontstentenis
 
beseft wordt en zich zelf verweten
 
als letsel, als te kort schieten,
 
ontreddering...
 
en opgericht
 
naar wat hoog aan den hemel staat,
 
zijn melken schijnsel nederlaat:
 
heen en terug
 
is er een brug, een witte brug
 
waarover komt in effen regeling
 
<een     verkeer>
 
de zwermen van het licht...
 
het toehalen van vloed, het slaken
 
van ebgetij, het wijzigingen maken
 
in de celweefselen en in de vochten
 
van plant en dier. O wederzijdsche tochten,
 
o teedervoetige     gegleden
 
de bundels langs naar een lijdzaam beneden
 
dat verduurt
 
 
 
Bedriegelijke vloeiing, valsch vergif,
 
blauw en bevreemdend
 
wat vermag uw     te beroeren,
 
(kracht en bezinning) te ontvoeren
[p. 445]
 
en wat???
 
hier uit mijn harden schedel en den brand
 
van de lijfszinnen en hun     verband
 
mijn kokend, bezig lichaam
 
 
 
aemechtig
 
en zuchtend en het lichaam in een bocht,
 
wordt (het leger) opgezocht,
 
slepende wrevelige loome voet
 
in zinkend roet,
 
in vlokkig donker
 
gelenigd, onbevredigd
 
weg in het bed dat werd vergeefs geledigd,
[p. 446]
 
Maartlucht, die er tegelijk
 
zoo scherp als glas
 
en zoo ontvoerend zijn kan.
 
 
 
O, de bezieling, zijnde in de bezwaren
 
anders nooit betreden streken
 
en schuilgelegen uitzicht
 
 
 
te brengen vondsten fonkelend en schaarsch:
 
de moeilijkheden zijn de kans des kunstenaars.
[p. 447]

[Violen en violoncellen]

 
Violen en violoncellen
 
donkerstroef gestreken
 
zonder af te breken,
 
met wisselend minderen en zwellen
 
de halen     en lang,
 
een klagend spel, verrukkelijk,
 
gebogen over eigen zang...
 
en op den voorgrond niet te tellen
 
trippeling     zweven
 
en nemen er op stee
 
de kinderdroomen met zich mee.
 
 
 
O dit heerlijke, stil inkeerlijke
 
sussende geluid
 
dat ons     opsluit
 
in ons kamertje, in het klein
 
bestek van het samenzijn
 
onzer gedachten, die daar kunnen
 
spreken en opzeggen het hunne
 
bekennen en beamen
 
wat van anderen zij vernamen
 
of wel weerbarstig en de wet
 
opzij gezet
 
o den tijd
 
dat de mensch zich zelf belijdt!
[p. 448]

[Aan weerskanten van het dak]

 
Aan weerskanten van het dak
 
tiktak
 
van de blanke waterpannen
 
loopt het als uit aarden kannen,
 
loopt in strepen met een tuit
 
of vloeit kabbelende uit,
 
in de goten weggevloten
 
gulzig opgeslokt
 
naar beneden dat het klokt,
 
en verzwolgen; donker woest
 
even sputterend opgehoest
 
en gevallen met een smak
 
in de volle regenbak.
 
holderdebolder
 
over de zolder
 
honderd stappen in het wild
 
strompelend dat de bodem trilt,
 
in het donker rondgestoven
 
onder, boven,
 
over de balken, op het bint,
 
en in hoeken weggevlogen...
 
aangehoord met open oogen
 
en verwondering van het kind.
[p. 449]
 
Het venster in den vroegen dag
 
opengestooten
 
en storm en frissche (winden)slag
 
uit zee; zilveren groote
 
wolken omhoog,
 
er vallen
 
enkele slordige druppels
 
als geslingerd door een achte -
 
looze hand voorbijgaande.
 
En zoo vol is het hoofd van daarginds
 
en zoo gonzend van zee en lucht en
 
golvengang en deinende schepen
 
zijn de gedachten
 
dat zij (op de lippen) zilt
 
te proeven zijn.
[p. 450]

[Regen in den nacht]

a
 
Regen in den nacht
 
onophoudelijk neergebracht,
 
die zich laat vallen,
 
de lijdzame rijkdom, kostelijk lekken
 
en overal de natte plekken
 
en in het rond
 
een murmelen over den grond
 
plat op de steenen,
 
de stemmen    gesmoord,
 
alles er in opgelost
 
en de stad vloeit weg.
b
 
Als de zegen
 
van zakken edel koorn, ontregen
 
de halzen,    met gulpen
 
en gudsende al het bedrag
 
der ronde korrels, uitgeschud
 
de schatten van het volle mud
c
 
Als schuren, als een     sleuren
 
over een tegenstrevend vlak, als scheuren
 
van somptueuse zijden banen
 
met een rits vaneen gegane
 
voortkruimelende rafeling,
 
toon die al hooger, hooger ging,
 
krijschend giert
 
de laatste sliert
[p. 451]
d
 
Alsof er achter sluiers kromp
 
een zuchten ongeslaakt en stomp
 
zoo stil voor zich weg,
 
zonder gemoei, zonder gezeg
 
gezonken en dat niemand ziet,
 
een onverdiend verdriet.
e
 
Als loopen     aangehoord
 
pas verzetten dof gesmoord
 
alsof op sloffen of pantoffelen
 
zij doende zijn zich weg te moffelen,
 
vale gezichten bleek en groen
 
onder hoeden van oud fatsoen,
 
gedoken onder het     vilt
 
brandende oogen, een mond die trilt,
 
een ontsnapte zucht,
 
hoofdschuddend om den hoek gevlucht.
f
 
Als ranken     uitgedund
 
fijn eindigende in een punt,
 
gegroeid men ziet het niet van waar,
 
aldoor zich verlengend maar weinig zwaar,
 
een kunstig decrescendo dan
 
als lippen fluisterend toegestoken,
 
omgebogen en als gesproken
 
woorden die zuchten worden
 
en weldra stroomt
 
een ruischen enkel  ook dit ingetoomd
[p. 452]

[Een ondergang aan walmende horizon]

 
Een ondergang aan walmende horizon
 
over gebroken zwoegend akkerland,
 
over den groven rand
 
der aarde, en nu ontstond
 
een donker avondrood
 
betrokken en dat is als roest gekleurd,
 
smeulend nagloeien waarboven
 
oranje, brons in violet gaan dooven,
 
en opgebeurd
 
van zwavelgeel, verheldering, verbleeken
 
en in de hoogste streken
 
(in) het zenith zelf een vloed
 
van zilverachtig groen,... opperste ontzinking
 
van alle droesem, onbeperkte blinking
 
der hemelhelderte, en in het veld
 
zonder regelmaat wijd uiteengesteld,
 
ontwaakten de sterren     enkeld
 
met fijne punten worden rondgesprenkeld
 
naar links en rechts en alle kanten heen.
 
in het zenith gaan uiteen
 
de hemelen en in hun
 
liggen
 
de maan heenzinkend, en naar afgemeten
 
rijke planeten
 
met tusschen zich de oneindigheid,
 
der sterren wereldstof,
 
bollen, kringbanen en ringen, die allen werdt
 
tesaamgenomen
 
tot een gedragen, een sereen concert.
 
 
 
O regen van verrukkelijkheid
 
neergeschreid
[p. 453]
 
in stamelen, snikken,
 
tranen van goedheid en dankbaarheid,
 
o heerlijkheid die overstroomt
 
verzachtend, lenigend,
 
ontroering
 
naar popperende lippen dringt,
 
in     stem en     zingt,
 
en zachtheid en troost en zaligheid
 
gegroeid tot onuitsprekelijk geluk
 
dat staat te sidderen,
 
knielen
 
de ziel loopt vol
 
 
 
(en toch)     vergaan,
 
òf het wel was... en dan is alles afgebogen,
 
drang, en het bestormen, overweldiging,
 
blanke hoop,
 
ontloken ooglid aan dichte kimmen,
 
gedaan, gedaan,
 
in de vernietiging vervluchtigd.
 
 
 
O heengezegene, o welverzwegene,
 
o ten overstaan
 
van deze eigen onbeduidendheid
 
is het dan zoo
 
dat het niet bestand mag zijn,
 
teloor gevoel van eigen existentie
 
twijfel of hier
 
dit enkel hart nog klopt
 
of nog één leven
 
spreekt uit zich zelven tot zich zelf, of het
 
wel één, één lief bezit was,
[p. 454]
 
klein maar dier, en niet mag scheiden
Vroegere schets van blz. 254 reg. 4 v.o.
 
en nu ontstond machtig
 
een donkre nagloed en een sombere brand,
 
een kramp
 
triomfeert     over alle land,
 
amber zwavel
 
dat tot helder geel
 
gaat klimmen,
 
verzinkt, vergaat in hoogste zuiverheid,
 
luister
 
waarboven
 
het licht wordt en lichter,
 
de bouw wordt opgereten
 
brons, purper en violet
 
versmelt en uit gaat dooven.
 
 
 
vonken van welke toorts geschud,
 
onvergankelijke trots,
 
tuimelende maan, planeten
 
en dun
 
wemelend in het zenith
 
openen zich de fijn gepunte sterren,
 
banen naar links en rechts
 
gaan uiteen
 
en de oneindigheid ligt als een tempel open,
 
de ongetelde sferen
 
die allen werdt
 
het sereen concert.
[p. 455]
 
Vertwijfelen bezwijken vernietiging
 
buigen over zich zelf terug
 
storm van verwilderd vragen, zelfaanklagen,
 
jacht wanhoop geweldige
 
in dit geding van ongelijken,
 
vast en kantig juk
 
norsch op de gedoken nek,
 
storm die weggeslagen
 
alles wat moest schragen,
 
de innerlijke steunselen,
 
van de pracht
 
van eigen levensinhoud
 
en de volle dracht oppermacht
 
des zelfsbesefs
 
moed verborgen gloed
 
bewondering
 
lillend van zweven willen.
 
 
 
En ook nog dit:
 
trots die standhoudt tegenover het grootste,
 
weet van geen bezwijken,
 
in mij het ongetelde rijke
 
 
 
verskunst
 
de hemelstormende,
 
de alles tartende woorden
 
waarbij al het bestaan, de uitkijk wankelde,
 
duizelen
 
en dit al ongewetene, afgewachte
 
dat in mij bovenkomt
 
waarvoor ik zelf afwachtende ben.
[p. 456]
Andere lezing van blz. 455, reg. 14 v.b.
 
des zelfsbesefs in het geweldige geding
 
met den dezulken, tegenoverstand
 
van lillend leven,     geschokt,
 
door smart beangstigd, door genot gelokt.
[p. 457]

[De bedgordijnen, het behang]

a
 
De bedgordijnen, het behang,
 
bekende blik van jaren lang,
 
hoe zien zij anders, dringend aan
 
met     voor oogen staan
 
van hun figuren
 
beantwoordend het turen
 
 
 
het kind ligt weggedrukt en vlak
 
op kussen en matras,
 
het kind heeft licht
 
door een wreede scheur
 
in zijn ziel
 
als met opgereten borst het lag
 
en gloeiend hoofd.