|
|
|
| |
| | | | | | | |
aant.Reeks III
hoog, hoog verloren, boven in den nacht.
En met een storm heb ik aan u gedacht
onaangeroerde, die het minste weet
van dit verduren en die niet verwacht
dat dit haar deren zou en zich verwondert
en voorts den fonkelenden dag besteedt.
O schreeuw des vogels, schel en wild en wreed
hoe zoet is toch uw binnenst voor den slapelooze;
de lokroep van uw weggang uitgekozen
ter mijn' erinn'ring vindt den wakende gereed.
Een wrevel schudt, een mokkend norsch verheffen
de vederen, als altijd was verwacht,
tot glanzende vervulling wordt de nacht
met zich zichzelf te voelen, van beseffen:
het is genoeg! O opstand, diepste zin,
en wrevel, hoogste poging, hoogst gewin
wroet in zijn ergernis gewond
en zoo het wilde van de vogelstem
het opgewondene, o welk een antwoord
in dezen wrange die zich op mocht beuren
van af zijn bed, van af den lagen grond
en door den nacht getild en hier vandaan
op plotselinge wieken en verruiming
zalig en stil verheerlijkt zag
dat hij dit al verlaten mag.
Voorbij, voorbij! de lucht wordt heller,
| | | |
er is een ijler licht en ademsfeer
Was niet in dezen <allengs> groot gebracht
een bitter zwaar verdriet, en dan, omvaamde
zijn helder stil verlangen
de zoomen niet van alle aardverblijven,
de overgrenssche wereld waar beklijven
Het zalig oneindige smachten van de jeugd
<En nu naar bergen, niet naar kinderlijk gebied,
niet naar het eiland der beminden beiden>
naar rotsige gebergten, een bestand
van rond verweerde steenen en van kloven,
een stroomgeruisch komt uit het dal naar boven,
een leege nevel hangt er langs den wand,
waar kluizenaars fijne baardgezichten
bescheiden bezigheden tieren
herten en rustige bedaarde dieren.
O mijn verlangen, veilig omgedragen
| | | |
en met de volontloken wangen
en met de forsche wrong der haren
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
| |
| | | |
[Gleed ooit een schooner manestraal]
Gleed ooit een schooner manestraal
neer in de diepten van het bosch
<over de> welvende loovertros
gestort <als in> een marmerzaal,
verzinkende de blauwe schijn
in de ravijnen van de boomen,
de hellingen waar af mag stroomen
een zifting ; stil gordijn,
waar niemand achter staat
En de verzilvering maakt los
op den geregen halm gespat,
gesprenkeld op het vloeiend mos,
een snippering op alle twijgen
Gleed ooit een schooner manestraal -
ik roep het uit in stameltaal,
die 't onuitsprekelijke niet konden
bedwingen! Nochtans ik herhaal
totdat het op mijn lippen sterft,
het woord onzeker wordt en zwerft
volte van leven op eene maal woelt
| | | |
de looveren, de takken zwart,
zij dragen ons naar waar het hart
der wereld is; voelt gij niet hoog
der dingen donzen elleboog?
ons onbegrepen, ongewild,
wij worden staamlend opgetild
van de ontheven zoolgewrichten.
O vlindervoeten voortaan glad
eenparig glijden door de lanen
geleidlijk oop'nen van het hek
en een grootnachtelijk vertrek.
| | | |
Een lucht van marmer en van onyxsteen,
de maan in goudgloed er door heen,
vijf smalle stammen, uitgedund
laantje versmeltend aan de punt
onsterfelijke verlangens stil van monden,
takken gerezen wit en lispelend groen,
o zacht innemend en betoovrend toen,
de voeten frommelend in de bronzen blaren,
en lichte zweem op onze voorhoofds âren,
ik droeg u op o de volle snik
van aan mijn borst geborgen oogenblik,
van uit het diepste opgehaald
de schemerende beelden het oude park
| |
| | | |
[Vijver, juweelen waterkom]
Vijver, juweelen waterkom
vijver der liefste, waar rondom
met slingeringen en verknoopen
van hun gedachtelooze gangen,
Vijver der liefste, waarin hangen
de waterlelies, boven drijven
en ingeschreven cirkels schrijven,
Vijver der liefste, helderheid
die maar op ééne, op ééne beidt;
in deze zacht gestreken zproblem
des waters haar gezicht ook zelf
glanst als het luchtgewelf.
| |
| | | |
[De jonge oogen op een heldren dag]
De jonge oogen op een heldren dag
of wat de drang wezen mag
door vensterruiten opziende in het stille weer,
voelt zich de ziel niet uit de borst getogen
aan den dunnen draad gehangen
in de spiegeling der lucht
in een bestaan dat o zoo zeer verschilt
een wemeling die licht, licht en ver,
een hangen daaraan van het begeeren
een ander land, een ander leven is het doel,
o voorgevoel, o voorgevoel!
viel er een leegte en dan een wemeling
van wenschen een sterk gevoel
naar elders wilde en diende
O storm en al omwervelende vlaag
als in mijn armen ik de liefste draag
ontmoeten mag haar aanziende oogen,
gewillig wenken en gerust
| | | |
Dan de binnenbons van het ontmoeten
gedragen door mijn kracht,
ten diepste ware toebestemd
het eeuwige zoeken naar een ander ik,
bevestiging van eigen wezen
dat hier niet te na gekomen werd.
| |
| | | |
[Een blauwe lucht en wolkengrijs]
Een blauwe lucht en wolkengrijs,
een maan in 't zilver, dat ik meen te hooren,
in verte en heuvelland het wachtwoord van den horen
dat omgaat zwellend schoksgewijs
dat nu daarginder in het kreupelhout
de fijne nevels zijn opgehangen,
dat in het bosch de distinctie, en het kiesche is
van eerste kilte en in de greppels
het teeder wit bevrozen nat,
<spettende klanken van metaal,>
zwervende klanken, stervensklacht
die oproept al in mijn zin;
een voelen wrang en droef
<van blarenafval en in vocht verzinken>
van andere (menschen) en een schooner lot,
o leegte het gewonnene ten spot
die in alle overvloed het harte splijt,
| | | |
in smart vergaan, zooals dan
De maan schijnt op mijn verdroogde boeken,
de tijd dat ik geloofde, dat de verklaring
en het wezen van alles te vinden was,
en nu zijn het de ruggen slechts
| | | |
De zoelten van uw stroomen
het oproer van de polsen; ingestort
is voller ademen ruimer wordt
wind om de slapen, uitzicht
van blank weer op zich zelf staan, hemeltrans
rondom de slapen, oogen die ontmoeten
van borst en geest, ruimte allerzijds
het schittert boven mij, en slank van leden
ligt alles achter, helder en weer blank
als vloeide zilver langs de jonge leden.
| |
| | | |
[Als water vallende in den nacht]
Als water vallende in den nacht
zoo wordt de smart mij toegebracht
dat streng zich voordoet in het zwijgen
En een bevangen luisteren is
achter het scherm der duisternis,
in angst en wachten opgenomen
de brokkelrotsen en de boomen,
bochten en de lommer dreven.
O bitternis die zich bekent
in het gefloersde firmament,
de plechtige geslotenheid
van nacht en aardrijk alle beid',
de samenkomst van berg en dal
en den verborgen waterval.
En uit den ondergrondschen krocht
rijst biddende een ademtocht,
een klacht, een zucht, een snikken weent
| | | |
ver en zwerft om het gesteent
en dan met omslaan van den toon
het antwoord der verwulfde woon,
bestendiging! bestendiging!
| |
| | | |
[O vlonder tot ons toegeschoven]
O vlonder, tot ons toegeschoven
over de helderte van boven
die ver en die nabij geleek
van dit het wankelend luchtkasteel.
En nu betreden en bevolkt
en wacht dan op het naderkomen
waar nauw de zij flonkert
gedoken in het schaduwdons
van het genoegelijk onderons,
vertrouwelijke vrouwenvoeten.
met volgen en met onderbreken
is het als een met woorden spreken,
verlangen, wachten, voortgestoeid
gewiegd, luchtig geschoeid
en dan een wankel evenwicht
helder en frank, en ginder zwicht
een schaduw neer; er wordt gezegd
een roerend vers, dat open legt
| | | |
En leeg weer en alleen gelaten
met hemel boven, hemel onder.
geschulpt geluid, gulden en zilvren boorden
gelegd om de afzonderlijke woorden
groen afgaand van het donker,
de hals in slierten donker rood en bruin
verschuivende, de zwarte kop en schuin
de dwingende tiran die tartende en kras
| |
| | | |
[De oude buur]
verdiept in eindeloos getuur
gezeten aan den oeverrand
van het oud park, het bochtig strand,
de kronkelende looverboomen,
de welvingen waaronder uit
de blauwte licht zich opensluit
tot waar zij ver versmelten mag
met den witpaarlemoeren dag
en lichte kimmen, en te midden
een enkel eiland, ingebeten
verweerde rotsen, rondgesleten,
gebogen wel als buffelvee
met bulten opstaand uit de zee
<toeganklijk> het eeuwige graniet.
een boek dat niet doen zegt
doorgrond, doorzien, doorproefd
uiterlijk, innerlijk gedrag,
| | | |
spelingen (beslommeringen)
| |
| | | |
aant.Reeks IV
Buiten de deuren en het balkon
het bosch der toppen, de opperste on -
en al het overige weggesmoorde
gezonken in sombere horizon...
wachten, wachten zonder verroeren,
zonder uren en zonder tijd,
de nacht er naast, veeg en verstoken
de vredige honderdtallen.
boven de boomen, hoog boven in
het witte wonder, een lichtbegin:
dun wegschuiven van het grijze
waarin nu alle stammen staan,
verheerlijking die hen vast ging slaan,
en op eens als eerste teeken
bewegen, bewegen alaan alaan
van buigende takken en wuivende blâen,
een loopend geritsel, men weet niet waar van daan.
Liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
O, welke adem is gerezen,
dat alles trilt, dat alles beeft
en een meeslepend leven heeft,
dat over de heesters en de blaren
ontmoeten komt toegevaren,
de heuvelen en het boogverschiet
| | | |
naderend zijn en weifelen niet
en in het ver en in het nabij
een toebedoelen gebleken is,
een klemmende beteekenis,
dat hemel, aarde en creatuur,
de nachtelijke sterrebeelden
in ons en blozen deelden,
dat alle schepselen naar den schijn
meewetend en medeplichtig zijn
en allen zoo in de diepte lezen...
liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
| |
| | | |
[De wind loopt uit over het pad]
De wind loopt uit over het pad,
stoot aan tegen de zwarte stammen,
strompelt op ruwe wortelkammen,
de brooze blaren met versterf
een rimpeling, een fijne frons
of ook gerold in statig ronde
van onze wanhoop en verdriet,
is in uw dor omhulsel niet
nu wij den tocht zijn aangetreden,
den gang door ons zwart winterwoud
Uit vroegere schetsen na reg. 15 v.o. (het zich verschuilen)
der hooge wonde, al het leege staren
van hen, die hingen aan elkaren
en zonder hulpe bleven, die gezocht
elkanders oogen, ademtocht
en zonder wederstand bevonden
was deze bitterheid de stonde
toen alles van hen henenstreek,
<en wat het dierste, deze doorgloeiende vermoedens
dit groeiend weten van een zulke een
van het bestaan en getuigenis
| | | |
van een, een ander, die verstond
naar eene die met schaduw om het hoofd
en stilte van bezinning blik
herkennen mocht een ander eigen ik>
<al wat een sterfelijk verlangen
en dacht als levens vast bestand
geloosd, geslaakt wordt hun verband>
uit onbezonnen hand gestrooid,
hoe doelloos dwarrelt uw berooid
bestaan voort over grauwe paden,
zinkt gij eenzaam vreemde streek
terneergezegen stervensbleek
Hoe voert de werveling uw vracht
den hemel in op alle winden,
en werpt uw lot het toeval tegen
en spilt naar willekeur uw jacht.
Verlaten zonneschijnselen ontvluchten
over de landen, waar de kilte dringt,
de vale heerscher die de landen dwingt,
de blootgekomene in zijn harde grepen.
| | | |
De fulpen, de zwartfluweelen hemel vol
van vele sterren flonkerend,
en een hangt aan de horizont,
een heldere, een lamp, o wie de onverschoten
| | | |
die langs blauwe heuvels zwieren
Er is een zilveren hemelbaan
met wolken die op scheiden staan
De onophoudelijke zang van het water
hangt aan den wilg het zwarte nettenwant,
wolken wit en zielvol blauw
| | | |
het geestelijk bestaansrecht,
dat er een ander is als ik,
bevestiging, rechtvaardiging
| | | |
Zomer drachtig rijpen moet
en triomfantelijke wolken
boomen met toppen als pluimen
| | | |
Mengeling van blijdschap en verdriet,
een toedringen, armen uitgaan
en tegelijk een terughouden, een angst
het gaat verloren, verloren, beknelt,
en het begin is van verlies
| |
| | | |
[O toen, toen schuddend]
O toen, toen schuddend met den loovertak
de morgen ons te bedde stond
en verschgesterkt zich het besef
verlevendigde en nieuwgezond
buiten de luiken als een drift,
een knippering van vleugelslag:
was het de nacht die wijken ging,
was het de vreugdevolte van den dag?
| | | |
En zie, er ligt een boot gereed.
Onthoudt, onthoudt, onthoudt mij niet
de vruchten van uw liefde
de twee appelen, de zachte perzik
| | | |
mijn ziel hangt op het uiterste
diep, diep, diep onder een meer
| | | |
Uit leege verte toegeroep
men weet niet waar vandaan
wat is des harten koekoekroep
| | | |
O wat ik kamp in vele uren
en nauwelijks te boven kom
die roekeloos over de toppen klom
van mijn hoog ademen, o ten slot
komt de mindering, de opstand
alom een effening sindsdien
en rustende op zilverstranden
de kalmte van het overzien.
| | | |
Of het nog niet iets mag vinden
der oogenblikken, der beminde,
opdat ook dit zij ingeprent
en zoo de reeks van dezen dag
tot en rijkdom groeien mag
het minste was het meeste waard
| |
| | | |
[Al wat voor anderen werd verborgen]
Al wat voor anderen werd verborgen
het is mijn avond en mijn morgen,
het zal mijn nacht zijn als het moet.
Het is mijn liefste toebehooren,
wat telkens ik bedenken moet.
Ik zoek en vind het onverloren
en speur hoe goed, hoe goed het doet.
| |
| | | |
[Sidonisch glas van teeder rose]
Sidonisch glas van teeder rose,
bleek zeegroen, waarover lag als een rag gespannen,
als een mat zilverwaas, als dauw op vrouwenwang.
En dan in kostbare foudralen zegelsteenen, gemmen,
bloedtopaas, roode hyacinth en bergkristal
waarin ingesneden emblemen,
de lotosbloem, een koning stijf barbaarsch,
recht op, groote strakke oogen opengespalkt, griffioenen,
sfinxen, chimairenmonsters, de vogel Grijp.
Dan aan de markt, al waar de karavanen
der Aziaten van Achter-Azie,
de blonde myrrhe, korrelige wierook, gele specerij,
cinamomum, cassia, nardus, sandelhout,
elpenbeen en parelen uit Malabar,
struisveeren, apen, schreeuwende pauwen,
blauwe Perzische turkooizen,
van Drangiana en Gedrosia.
Dan de Bedowienen, bestoven,
fluitende tusschen de tanden, armgezwaai hoog op,
schreeuwende tusschen ingeperkte lammeren met rammen
en vuile bokken met geklonterden baard,
langgehaarde geiten, gestreepte oogen van agaat,
drommen uit Sjeba en Zuid-Arabie.
| | | |
Stapels grijze myrrhe en gekruimde wierook,
en stofgoud in leeren buidels.
het strenge staal, in onverbiddelijke lemmeten geslepen
met kille snede, en de ruigbehaarde
glanzende muilen van Armenie
met een hier vreemde bleekheid
en in de diepe, afwezige blik
de donkerte van Colchos' wonderwouden,
de stille eeuwigheid der hooge gletschervelden,
stilte die als een mantel,
als een dik gewaad neerzonk
om hen en om hun voeten plooide.
daar lagen bergen van het gave koren
glinsterend in de zon, de matelooze opbrengst
van tallooze akkers; in niet af te ziene rijen
de klaar gezeefde olie, het volle rijke vocht
en elders donker paarsch bedropen
en sterk riekend, bedwelmend, walm
En dan op tafels eigen handwerksvolk:
in brons, in zilver, in gebrand goud
geciseleerd, geteekend, geslepen kommen,
| | | |
amphoren, bekers, waterschalen,
geplooid, gevouwen in de bazar,
wat de nauw-luisterende schier bezielde hand,
de kieskeurige godbegaafde vingers van dit donker ras
de smalle halzen, fiolen,
En eindelijk aan de haven, op de blanke kaden
ontladen, ontlast getast,
plassend door het water naakte ruggen,
ruwe waren, barnsteen bij de Liguriën,
gekomen overland van waar de binnenzee
met wier en tang het uitschudde in het haf.
En uit twee schepen, begroeid met wier,
en vaal geworden, verveloos
zeemoe en langzaam en de oogen strak,
over de lange ruggen, de ronde rollende baren
het grijze, het zeldzame metaal,
zwavel uit Melos en aluin,
getakeld aan de mast geheschen
| | | |
Parische marmerblokken, versche glinsterende breuken,
het violette purper van Cythera,
het donker goud van Thasos,
zilver, ijzer uit Tarsis, Tarbessus het rijke
| |
| | | |
[Het kleine geldt het groote; ik heb verkoren]
Het kleine geldt het groote; ik heb verkoren
op dezen gladgeslepen marmersteen
het klateren en den frisschen val te hooren
en aan te zien de van den stoet der oud-Atheensche vrouwen
geplante voeten, de geel fluweelen huid,
de zachtzinnig en met droomende aandacht te beschouwen,
hun bloote voeten, de waterhalenden.
Het helder nat omspoelt ze en in de zonneschijn
omkringelt enkels en de voetgewrichten
gangen van dansen, die nog onbewust, vergeten, wiegt
in hun gang, vrij spreiden zich de teenen
Het kleine geldt het groote. Was er ooit genot grooter
dan dit, dat de ziel reeds zoo geheel vervulde
dit doordringend oogenblik.
| |
| | | |
[Zij heeft nog alles, wat zij eens bezat]
Zij heeft nog alles, wat zij eens bezat
maar ook: zooals zij thans zich openbaart
zoo was zij toen; nu rusten deze oogen
op een ontluiken dat werd grootgetogen
in Hellas' zon en in den rozegaard
van Aphrodite. Zoele geuren dringen
zich op, die zweven in den tempelhof
of opgewemeld hangen in het stof
der wegen. Dan, roodblonde bijen zingen
Het zijn de oude geuren en aromen:
het zijn de oude oogen, d'oude ziel
O zoete liefheid van de pracht der rozen
| |
| | | |
Reeks V
Hoe helder waren de wateren op dezen dag
als op hun openingen en op hun vliezen lag
geteekend en in kleuren afgepenceeld
het omgekeerde wereldbeeld,
wolken en hemelsblauw, argeloos open luchten
versierd met schoone vogelvluchten,
over de groene heuvelen de getrokken baan,
wagens en voetvolk, die tesaam opgaan,
paarden het hoofd naar den grond gericht,
stad en muren en hun schaduwen diep gezonken
waar aan de zwarte kaden de binnenwateren blonken
hier waar het en koel is aan de gracht
en haar stil leven doorgebracht
als licht tusschen de huizen uitgespreid,
verlichtend anderen, zelve zichtbaar niet
het meeste met gerustheid overliet.
Zij wist haar aandeel, dat zij was opgenomen
als één bestanddeel, gerustzijn was over haar gekomen,
| | | |
haar nederige leven, gewoon en goedgevonden,
als in voorbijgaan doorgebracht als zij zich konde
er op bedenken, in tempering geleid,
in tempering van wezen, in toegevendheid.
Leven dit, leven dat, van alle rangen en grootte hier,
mensch het gehoorzame dier
en plant en steen, de starren, het hemelwezen
en Zijne wonderen, waarmee was aangevuld
| |
| | | |
[Je bent, je bent mijn koningin]
Je bent, je bent mijn koningin,
je zult in zilverwit gezeten
van smeken en vereering weten
gevangen in mijn dichterzin,
gevangen in mijn brooze handen
die werden biddende uitgestrekt
eeuwig oude en eendre <verlangen
dat blijft aan het geringste hangen>
het zelfde mis, het zelfde zoek
en in de vert' koekoek, koekoek.
| | | |
Werd in deez' schemerende stee
uit hemelsblauw en wit geboren
een bleek princesje, een verloren
waarop het kiesche proeven stond
der zich voordoende dingen,
van donkre nevelkring omtogen
| | | |
In dorte en verwoest struweel
en zanderigen ondergrond,
beneden, tusschen de boomen door,
de stad, de daken in zachte kleuren,
muurtorens die zich op gaan beuren,
en aan de voet van de struiken hier
een vlossig schaap, een moederdier.
| | | |
Het zien der lente groen en zwart
Zoo ook het denken aan de jeugd
| | | |
Dieren
als kerk in het bosch gezien
de onderlinge verteedering...
bij het gezamenlijk zien van dieren
het planten van boomen (op bedrukte dagen)
| |
| | | |
[Tusschen grillige opgeworpen polders]
Tusschen grillige opgeworpen polders
en blauw en water en oeverriet
het jacht, verschuivend langs verschiet
wit de zeilen en blank het hout
en wit van hen, die het in zich houdt.
In licht en helderte is hun bewegen,
hun doen heeft een volte van rust gekregen,
rank en bizonder van lucht en licht,
een rijk en verborgen evenwicht.
en voelen zich diep doordrongen
gebaren heen en weer gaan,
de lach bekend, de blik verstaan.
witte licht vliegt af. Het gesprokene drijft/tusschen hen
het wreede vervreemden dat er lag
| | | |
of Middellandsche Zee met rotskust.
en hier vallend van het riemblad
fonkelende, ronde druppelingen
en vol en stil verwonderd van
de heerlijkheid der dingen.
de bergen wijkend verder, ver
met blauwe damp in de ravijnen
verheerlijkt in het (laatst) verdwijnen
| |
| | | |
[Als hof- en veldwerk is gedaan]
Rijkdom
Als hof- en veldwerk is gedaan,
de ladders tegen de boomen staan
en des heelen jaars geluk
gaat blijken in den perepluk,
o sappigheid en overvloed,
en al het land doet zich te goed
in volle weelde, zonneschijn,
als fijner wordt de lucht en kil,
de loovers hoog onroerbaar stil
afhangen in het vochtig bosch,
een sluiermist doorzichtig los
om stammen zweeft en statig hout
en fronsend ligt en stroef en oud
en in de vert' de trotsche knal
van jachtgeweer over berg en dal
en in de ziel een blij bedenken glijdt
o winter, winter, beste tijd,
wanneer de mensch zich zelf belijdt
en elk zich op zich zelf bezint
een nieuw bestaan begint.
| |
| | | |
[Bedekte lucht]
van schitterzon en woeligheid,
een rust en schaduw is toegevleid,
o zegen van den regen gul en glad
over de schemerende stad,
de stille huisbewoner zal
de zoetheid van den regenval
en zinnend rondgaand is hij op de zoek,
het mag een aloud platenboek
met zachte kleuren wezen,
of volgt de tooverende taal
van verzen of geschiedverhaal,
| |
| | | |
[Mijn hoofd is in het diepe gras]
Mijn hoofd is in het diepe gras,
mijn hoofd of het een boomvrucht was,
een ooft, een appel zwaar
het ligt, en stengels, veldgewas
schieten er op in glansbalijnen,
omwikkeling de lange lijnen
ontspringende als dunne rieten
in schacht van sluimerende fluit.
O zomersch voelen, ongestuit
Wolken en wind en hemelblauw
maar hier en mij ter zijde
de breede, bolle overvloed
| | | |
een weggang in de luchten,
verder, verder nu staat achter den horizon.
| |
| | | |
[In de getogen tonen/van het Fluiten]
In de getogen tonen/van het fluiten
Des avonds als de waters klaarder blinken
en zachter het fluweel wordt van het groen.
| |
| | | |
aant.Reeks VI
Geheven kelk en tartend flintkristal
waarin de bundelen des lichts zich splitsen,
gesneden glas versplintert het heelal.
Rondom de bodem staat het slaggeding
met dreigement van pijlen en van zwaarden,
<een> haag van kletterende hellebaarden
Een rozerood en donker karmozijn
ligt op den ondergrond te branden,
werd hier gebotteld? Dikgestroomd en zwaar
duizelend en doodsgevaar.
| |
| | | |
[Rondom mijn bed, van trijpen omsloten]
Rondom mijn bed, van trijpen omsloten,
tressen en koord gegroeid in het vergrooten
der donkerte, torschende schroef kolommen
die tot een zwaren, verren hemel klommen,
in nachtelijke zaal waar van gebint
in wapperende plooien en in lint,
in strooken afhangt glanzende overvloed
om gaat het, het gevoelde monster, om
op soepele gewrichten, aldoor om.
Ik hoor de zuchten van zijn zolen, om
en om verstervende, gedempte trom
koninklijk uitzet op het paviment.
| |
| | | |
[O de verdoembare, tot wien]
O de verdoembare, tot wien
in het omsnoeren van de morgenuren
als alle kwaal tot een niet te verduren
tot wien het kreunen en de harde zucht
(en het hel jammeren) uit klamme ziekbedden
eenzaam nog in de onbedorven lucht
als offerdampen, als een reuk
opstijgt tot den meedoogenlooze
| |
| | | |
[Ik ben een rustelooze stroom]
‘Ik ben een rustelooze stroom,
een groote, zijgende waterval
die het geschapene overstroomt
en drenkt meevoert naar het dal,
een zee van licht die doordringt
wat was en is en wezen zal,
een schoot van moederduisternis
die overschaduwde het Al.’
| | | |
Het licht is van hun hemel afgegleden
en hun te voeten ligt een zwarte vloer,
gedoofde leegte boven en beneden
waardoor hun eenigende stilte voer.
O vloot van mijn vereenigde gedachten,
sombere stoet over een doffe zee
in deze wereld is de dag gestorven
| | | |
aan den ruigen hemelboord.
ligt over het land gedekt.
| | | |
Ik ben nabij: ik ben aan u verschenen:
gij ziet mij, maar een wenk, een teeken
| |
| | | |
[Hoe is hier het bestaan van allen]
Hoe is hier het bestaan van allen
afzonderlijk uiteengevallen,
de donkere brauw van elke wand
opgaand in wederzijdsche stand,
hoe is de spanning wild gespleten,
geklemd als tanden op elkaar, en door de reten
de norsche blokken en het gruis
de boldersteenen, het graniet
de wilde rhododendronstruiken
de kromme wringing en de knoest,
haarvezelen fijne waaraan kleeft
loopende tor, de brommelbij
druk en stommelende in de bloem,
in overvloed duwend, doende vervuld
van volle plicht en naarstigheid,
met kreukeling en aderwerk
in dunte van de glazen vlerk
waarop de regenboog gelegd
| | | |
maar onbelemmerd, onbelet
tusschen de randen ingezet
een uitzicht eindeloos en wijd
van ruimte en openstaan en verten
de diepte van het landschap
door groene laagten, meegevoerd,
zonder verhindering, mindering,
vreemde en toch vertrouwde verrichtingen,
hoe onuitputtelijk belang
van een andere boeiing, vloeiing,
van een kracht zich openbaart,
zich zelve spiegelt en beziet
| | | |
a
Drauszen rauschten die Brunnen,
Luisterden naar het kloppen
naar hun eigen gedachten, die waren opgehangen
b
onuitsprekelijk lief gezicht,
om al deze lieve pogingen,
aanvaard het liefst verzwegen
want dat wij staan als in een tuin,
in een ontloken bloesemgaarde
| | | |
uw aangezicht zal voor mij staan
| |
| | | |
[De schaduw overtoog de toppen]
De schaduw overtoog de toppen
van de gesplitste vingering,
de zachte palm die hen verving,
de polsen en hun donker kloppen,
en tot de rimpelen der holte,
de plooien van het stroef satijn,
vloot ze af en in gebogen lijn
rees op en sloop om het begin
der welvingen, de wanden,
de vroomheid der gevouwen handen
rond weg en ging gedoken in.
dat in de neiging van zijn bogen
den zin des levens mag betoogen,
laat mij geleid in uw portaal
ook uwe houding mogen vinden>
dit vrouwelijk en wijs aanvaarden
blinde en vijandige kracht
hooge gelatenheid, blijmoedigheid,
een enkel iets wist ingebogen
van een bezonnen wederstand
opstand, mijn eeuwig erfdeel,
verzet en loochenen des lots
en dat er in mijn wrange trots
iets mocht gemengd zijn van
| |
| | | |
[O laat ons ginder, ginder gaan]
O laat ons ginder, ginder gaan!
de avond vlucht op alle winden,
niets mag de koel herleefden binden
en alles roept o hier vandaan!
De nachtwind, die op scheiden stond
hij trekt met onweerstane stroomen
naar de gewelfde heuvelzoomen
en den verzonken horizont.
in aandacht op de komst gereed.
Een duizeling, die ons overtoog
groeit tot een hemelgroot verlangen
waarin de ziel zich openboog
en het oneindige na te hangen.
een moed, die weer te wenschen dorst
En met een dralend overgaan
der lippen worden zware woorden
lustwandelend van nu af aan
| | | |
Wat rondom donker zich ontwoelt,
het heeft zijn tegenpart gevonden
in dat wat twee bedroefde monden
Wat prevelende stemgeruchten
te rade gaan in dit gesprek,
het is het ruischende vertrek
van werelds ongekende zuchten.
en wankelende weggebracht
gescheiden en bijeen gebleven,
de bodem los, o stoute dracht!
getild den lichtglans tegemoet,
en leden slank die aan mij rusten
naar de bestemde verre kusten,
het glinsterende toebeloofd.
| |
| | | |
[Rozelaar, o rozelaren]
die met stemmen en gerucht
liepen door het vrije veld
liepen langs de heesterhagen
als het park gezelschap had,
waar de rand der duinen is;
langs de statigheid der boomen,
paden met fluweelen zoomen
en een groene schaduwtent,
<in> de toegesloten bochten
en de grijs verweerde vaas
waarvan af hooghartig ranken
en een dauwend druppelwaas,
storten en ontglippen al.
| | | |
maakten ze tot hun geburen,
waren lief met alle dieren
van het blinkend hemellicht.
Toch en toch, in al den drang
door de oogen heen te lezen:
hun genoeg mag hier niet wezen,
elders, elders, echter waar?
Dan uw trots, o oogenpracht,
zacht kon worden, wonderzacht
waren er niet vele draden?
rimpeling van zich bedroeven
hunner harten diepst behoeven
die zelden opkomt maar nochtans
andere dingen, zelf nauw geweten,
jonge wrangte? menschenlot?
die hoe lang hij wezen mag
toch ten slotte kort moet schijnen,
heengaan, heengaan te alle kant!
| | | |
en van duisternis bestoven,
en als met een sleepgewaad
afscheid nemen, moeizaam kwaad
aan den hemeltrans omhoog
en die stil en somber <w>aren
kondigde zijn gloriedood:
ook in ons hing na een rood,
Dan - de dag werd neergeleid
drukt den deuk in rozeblaren
<het wilde perk doorwassen
netelen en zilvergrassen,
kamperfoelie, zoete vlier,
roode bottels nog bezwaard
van de dauw alhier bewaard
in de schemer wel vertrouwd
waar opklinkt de nobele taal
van den bruinen nachtegaal.
| | | |
vliegt uit, vliegt om en allerlest
terecht zich vindt bij donzen nest.
zingt hij zijn kleine ode,
houdt er zijn popelend geluk
stiller en stiller dit oogenblik.>
| | | |
o ik ken zijn stem en haar teeder worden
en hoor zijn woorden als zingen gaan,
waarin een ander wordt binnengeleid.
| |
| | | |
[O klokjes klepelgeluid]
wie vermag de tonen tot een zang te verbinden
en welke grootmeester heeft de melodie bedacht?
Een zwarte tak en bloote doornenpunten
maar de ontloken knopkelk is niet ver.
| | | |
de flard van mijn verdriet
| | | |
Kom leg uw hoofd neer aan mijn schouder, geef
uw hand, de sprekende en welverstane,
laat het weer vol en bloeiend zijn, herleef,
terwijl wij wandlen onder de platanen.
ons hart de maatslag zijn van deze uren,
laat in het smelten van het avondlicht verpuren
| |
| | | |
aant.Reeks VII
Was uit het wezen uitgevoeld
de oude opstand? uit teruggezonken
en zijn wat had geblonken
meemenschzijn, over de gebaren
een flitsen voer als winterrijm
en hooge tegenzin. O het berusten
van afgestreden liefde, lippenmond
het donker aangezochte kuste
en zwichtende het teerste,
als over luwten, over velden
en een oneindigheid van verstaan.
het gewone ontroeren afgewezen
het eigen bizondere zeker wist>
| |
| | | |
[O pad wel in ontroeren opgegaan]
O pad wel in ontroeren opgegaan
o passen saamgeschikt en als geschied
ook in een ander, een gebied
nadenkelijk en wederzijdsch verstaan.
Wij schoven dan de bladeren opzij
de takken die getralied donker stonden
en op de opente werd gevonden
van wildernis en woestenij.
aan zich zelf overgelaten
het hemellicht was neergezegen
| |
| | | |
[Zilvren klingels aan de hamen]
Zilveren klingels aan de hamen
winterdag in met mijn dame.
Zwart-wit, blank gestreken bruin
die dit jonge lijf behelzen.
ruig en harig geleken en donker,
met glanzende hoeven en ranke koot
die een zwarte baard in golvende zwier
glad heeft gestreken en met gloed van oogen
pantervel donker afgezet,
ringen, kringen met nerz bezet,
gestroomd, gestreept, Perzianen
van Shiras, lynxen van de Kaukasus
en even nog één tierlantijntje
van het zuivere hermelijntje.
En ingedoken, in de deels verstoken
terwijl de koesteringen strooken
verwondering gezonken in de stilte
| | | |
het grijs geflimmer van de wimpers
eeuwig verlangen en gemis
is uitgevallen, als bewijs
vlucht van het mooie wonderwerk
en van het onbegrijpelijke
| |
| | | |
[Zoo was het. O volkomen uur]
Zoo was het. O volkomen uur,
o oogenblikken ons genegen,
dat wij de hoogste top verkregen
van dit gegunde avontuur.
in de schaduw en het groen,
wij spraken zonder vermoeden
van een algeheel herkennen.
Laat van het vloeiende beleven
en in een schrift opgeschreven
waarin het bij een mag loopen
voor later, de verlaten jaren.
| | | |
maar in een flits van gebaren
voor al dit poovere en onvolkomene,
jeugd en leven en al het verloop
| | | |
als het landschap buiten blauw en goud,
| |
| | | |
[Het eeuwige van het mooie]
Het eeuwige van het mooie!
van de ander hetzelfde weet
weeke, purperen schaduwen
elkander zoekend, elkander
eerbiedigend, ontzien, vragen en geven,
het spel wetende en toch van elkaar vervuld.
Wij dansen samen. In het bleeke licht
zoo veel gezien en zoo vol kostbaarheden.
met zwellen uit en met vertragen.
O en wederzijdsch verstand
ook hierin, liefelijk verband
de houding van trots wegens het doorzien
En toch, en toch - het was ons toch zoo lief, wij hielden
het valt van ons af, wij drijven
bij alle ellende en teleurstellingen
dat er een ander is zooals wij zelf,
| | | |
En dat de stilte rijker is
de schaduw op een rose muur
doorzichtig op de steenen,
en heel Italië is verschenen
en het doorleefde, geziene
weet je nog, weet je nog,
blauwe damp hing in de dalen
en de blik lag in het Zuiden
zielen als bewogen bruiden
Het ontroerende, aandoenlijke
| | | |
tot in de toppen van de vleugelen,
laat hem daar glijden en strooit hem uit
en het is sprakeloos geworden,
als in gedachten (anders niet)
En grenzen worden openbaar
De vroomheid van de sneeuw
| | | |
Ik schrei om eene die niet te benaadren
ik schrei om eene, die het oud geloof
dat er nog iets anders is dan dat eeuwige...
het mooie en van mensch tot mensch
en de takken namen het weg
De morgenster die eenzaam staat in de helderheid
o wat is de kracht, die van u uitgaat
| |
| | | |
[Door floersen wierook, door een rekkend vlies]
Door floersen wierook, door een rekkend vlies,
een dunne voorhang, waarvoor kronkelzuilen
opwalmen, door het sidderend rumoer,
sissende bekkens en de slanke gil
der orgiasten en den tempelgalm
rijtend een vlaag, een kruisend vak, en ver
als op een droom gedragen, stil, verwezen
zwart ebbenhout het aangezicht, de oogen,
opdoemingen van neus, wangen, mond,
glimmend ivoor de monstrueuze
lijflijke druivetros, êel goud gedegen
de hoofddoek en de tinnen toren opgezet
van nek en schouderen, de ringen, zware platen
persend om onderlijf, en het al krioelend
van wild gedierte, leeuwen neergevleid
over de armen, aan de gordeling
uitpuilende als aan vreemde stekelvrucht
wanstaltig stompe stekels, parallel
reeksend aaneen van weidsche manen, breed
de toegestoken koppen; stieren dan,
steigerend, het stootsche voorhoofd scherp
van horens; volgend, tal van rammen
in kroese toeten wol het norsch profiel
gedoken de kronkelhorenen,
de hel gestreepte oogen, en onder aan
kruipende bijen, traag in het stramme goud,
langszij de slippen en de gestulpte rand
de schuchter uitgekomene genakend,
| |
| | | |
[‘Er is geen rust der zinnen, geen gestreeld]
‘Er is geen rust der zinnen, geen gestreeld
in deze, maar er is meer:
Een stil bevreemden, een nadenkend zich
afwenden, een alleen zijn nagevoeld
als koele dronk, en dan een zoel verlangen
in tempelzuilen te vinden
verbeeldingen, waarvan de kiesche weelde
innerlijk tintelde en geëffend lag
op heerlijkheid van leden, streelingsschat
langs de vervloeiingen, die onderling opvolgden
waar hier volkomenheid als welving was
en elken vat van de gedachten af
liet glippen en in ingetogen macht
zich zelve rond bewaarde; een dracht
van weliger streken veredeld
| | | |
en duizend dooden uitgestaan,
Zij had geklemd in hare handen
de drinkenskom ons toegebracht,
het meer met vochte randen,
o nap der rond omsloten nacht,
| | | |
Maar de innerlijken en van koeler zon
zien in de druppelen van dit afscheiden
het bloed van Pyramus den vroeg beschreide,
het roerend sprookverhaal van Babylon.
De nobele boomen als trofeeën
In de donkere lentedag, gesloten, dreigend, druilend,
Een gieteling hoog boven in den uitersten top van de boom
ziend boven de huizen uit naar de ondergaande zon
die bruin, oranje, zwart ondergaat
| | | |
Zoet, zoet de merel in het zwarte hout
waar luwte en beschutting
trillend-teere boschbloemen
o zanger, dichter, en het deert u niet
fronsende blik der landen
groote worstelende wolken
aangezicht der aarde, toegedekt, verwrongen nog
den langen, bangen winter.
| | | |
Goedheid, die overbuigen kon.
dan het trillen van de vlinders over
Te midden van den zonnedag
door dit volmaakte thans aan alle kant
en voel en dat het schoone
en in zijn wezen eenzaam is.
| | | | | | | |
En dat de morgen voor ons bescheen
de gewone voorwerpen, de takken voor het raam
de wolkenlagen aan den horizont
de lichte nevel die klom in het goudblauw
en dat het leven een zin had en een vervulling was.
| | | |
Ayer me dijiste que hoy...
en vandaag zegt ze van morgen,
van het zieltje zonder zorgen.
De zomeravond is zoo zoet
van zulk een allerzijdsche zegen,
met al het andere en met mij zelven
| | | |
geslingerd om het marmerpostument
Nacht van gebogen ebbenhout
en uit verguldsel opgebouwd
een zonlicht strijkt er over
wat inmiddels een andere bestemming heeft gekregen
| | | |
Flauwe rand van heuvelen.
Dit zijn de dingen nooit gezegd
de innigste verwachtingen
En bergen aan den rand, muziek, muziek!!
golvende lijn van melodieën
hoe wordt de ziel mij uit de borst getogen
En zuiver is het weinige alleen
het in elkaar schuiven van de donder
en een omhelzende oogopslag
| | | |
Dan, als de somberrode, het boos kolenvuur,
de toornende, de spits robijnen ster
giftig en onbesuisd beide, huizend
in schorpioen en stootend ram, de drager
van moord en onheil, misgewas en nood,
als norsch gewelddadig voogd
over de late, mannelijke jaren
zijn komst begon, zijn driftig regiment
over dit leven, o hoe barstte
naar minder voorbereiding en omstond
den onhutste, den verdwaasde,
| |
| | | |
[Het was een morgen, kristallijn gezet]
Het was een morgen, kristallijn gezet
op vochte weiden, waar de droppeldauw
de sprieten, stengels buigen deed, aan kelk en steel
schakeerend in het lichte grijs gezegen
op gras en groene halmen, in de lucht
heldere vinkenslag, over den vlonder
het reppen van de voeten, de witte tandenlach,
het zingen van de melkster, aan de kimmen
Dat was geweest; dat had nu zijn bekomst
| |
| | | |
aant.Reeks VIII
Opstaan 's morgens vroeg,
zonlicht tegen de toppen sloeg
als alles lag in een zachte schijn
in de leege straten en in het veld
vogelenzang werd afgeteld
| | | |
Een scheepje en twee scheepjes,
drie scheepjes in de zee,
als er vier scheepjes waren
dan viel dat eentje mee...
De wolfsstaart rijst, de opgestoken pluim,
de morgenadem zwevend door het ruim,
het vroeggebed (van de natuur)
mijn vreugde en moed en vroege kracht,
het gretig met oogen drinken
van alaanschouwde aardsche pracht
De zee is eeuwig, maar de golfslag niet
| |
| | | |
[Trekvogels vliegend in figuren]
Maart
Trekvogels vliegend in figuren
en die verkrummelen in de verre lucht,
tusschen het witte en het azuren
Mijn hart wordt uit de borst gehaald
en een gerekt en ijl verlangen
ontvloeit mij hel, totdat mijn wangen
besterven, naar waar nog wat anders is
dan twist en nijd en ergernis
en is dan weder afgedaald
en wat ik in mij zelf bezit.
| | | |
Om fijne vingeren, beschenen
geslingerd om de rozenhand
de herfst der parelen, het wit
besterven dat gedoken zit
het krimpen en de samentrek
eenzaam en van een glimp doortogen
| | | |
De rondte is van een schijn omgeven,
door het lichtste mediteeren,
een zilveren afgang onbespeurd
(openend) aan deze kimmen:
over de witheid glorende als een lent'
| | | |
de vensters langs en straf
over de ruit; gekneusd, gedeukt,
en vaal en grauw van kleur,
mijn ziel verzinkt in ongenezen
En dan in eens staat overeind
de koestering, de vreugde:
blij, treurig, om het even,
zoo in de verte zien mogen,
als dit blad, dit verbleekte
| | | |
En ik heb sterren van de lucht genomen
en ze vervlochten tot een diadeem
Open avond liggend in de gracht
en al het veilig en gerust,
geboren in de morgenstilte,
springende, kaatsende kogels
ik lig in bed in dekens gerold
en in de krachtenfrischte
rechte zon over weg en boomen
door de zomerwereld te gaan.
| | | |
Een kalken muur, windstille zon,
schaduw van vogels, vlinders, kevers
en tak en blaren, teekengevers
van hun aanwezig zijn; rondom
geluiden van de stille straat
waar dicht bij een opstaat,
roodsteenen huis en pannendak en buurt,
de jonkheid er naar buiten tuurt
en in een wemeling getogen
van lot en toekomst ver van hier,
jeugduitzicht, steenen, hoeken, muur,
(maar lief) de zon is er over.
| | | |
In het dood wezenlooze woud
het bruin bloeiend esschenhout
het witte hout, de schil zoo groen van binnen
dat wie het afbreekt voelt in zich beginnen
naar verre landen aangezocht
belooft anders te zullen zijn, een ander verlan<gen>
| |
| | | |
[Een snarenspel, dat wacht]
Een snarenspel, dat wacht
en niemand die het aanroert,
een spiegel in de nacht, een amber-geel
gewelfde luit, melankoliek en êel
van spanning, en de omgewrongen koorden
die somber gingen van het ongehoorde,
O leeg gebleven toets, bedekt
geen vingerrozentop uw luisterend gewricht,
beloken troosters, op haar wagen
zat smart als op een grafgesteent gevangen,
gebroken in de schachten, zwart cypressenhout
dat knikte als met een wimper, langs de vanen
veegde een zuchten als gevuld met tranen
| | | |
Men zoekt zich en men raakt elkander kwijt,
men volgt met vreugde en ontvlucht in spijt,
men twist en ruziet en is ontevreden
en weer verzoend en alles zonder reden.
| |
| | | |
[Vrouw de in haar wezen diep verscholene]
Vrouw de in haar wezen diep verscholene
en op haar voorhoofd mag zich openbaren
de wijsheid en het goddelijk bedaren
verkregen van een inniger verband
bij het beperkte lot dat ons gegeven
en bij de diepe bronnen van het leven
| | | |
Blauwgroene bladen, lippen aan den tak,
o lauwer, die punten stak
om een mat voorhoofd en ivoren slapen,
de koelte voert als sluiers om u heen
gedempte schaduwen en een sereen
van witte wolken en van hemelsblauw,
de tengere hand mag van den bodem rapen
en in de schok en lichte schrik
het fronsen van het donker toegesloten woud
de tortel en alleenspraak houdt.
De oogeplooien sluiten zich;
nu zonderen van buiten zich
| |
| | | |
[Donker juweel, o flonkervijver]
Donker juweel, o flonkervijver
waarin gevangen is een flits
van onze uren op den gloed
O flonkervijver, esmerald,
turkoois gekorreld aan de (rand)
Zij is een rand, een groene plek,
een zode in mij weggelegd,
met zwarte doornenkroon omhegd
als een lief Heilandshoofd, o nauw
gezocht, omwonden, stille dauw
mag rollen over dezen bodem
mij, mij, mij toegeschonken.
O weide koel, o edelsteen,
hoe keert mijn oog naar u zich heen
en in des levens hellevaart
mijn opzien is ten uwentwaart
| |
| | | |
[Uw stem hoorde ik uit andere mond]
Uw stem hoorde ik uit andere mond,
hetzelfde toewenken, onder tal van woorden
waren gewis de eertijds aangehoorde
die voor ons beiden en voor elk alleen
een zeiden door de klanken heen
en bij wier opkomst er iets was geschied,
een overgang op eenzaam zielsgebied,
het blozend vragen van geluk, waar is
de oorsprong van ons samenzijn,
gesprenkeld als een oogopslag,
O volte, en meegegeven schat,
o weelderige vervulling dat
dat om u beter te verstaan
missens-benard ik rond mag gaan
| |
| | | |
[Laat dit het laatste toeven zijn]
Laat dit het laatste toeven zijn:
zeewater, lillend, cyanijn
dat donkert in de plooien, schijn
en weerschijn in breking.
O wil van er niet te zijn
en zonder afstand zelve levend
van al wat bruine algen op den grond
der liefste wenschen, smeekgebeden
naar waar een land openging
goden- en menschenmengeling,
de koelte van voldoening kwam gezonken
uitgezet, en de glinstering
door verre zon; een zijden tent
zacht vloeiende en toch splendent.
| |
| | | |
[Den blik, het woord van onzen mond]
Den blik, het woord van onzen mond
nog niemand ooit zoo vol verstond
kom, ik zie mij zelf niet meer
roode schijn aangestoken,
mij komt niet anders tegen
alleen het stroomen van de wind
de herfsttakken branden in mijn gezicht.
| |
| | | |
[Seizoen van peinzen en diepzinnigheid]
Herfst
Seizoen van peinzen en diepzinnigheid
en mijmering, wanneer een ander wezen,
doordringender, belangrijker dan voor dezen,
zich zal gaan voordoen en wordt ingeleid.
Een laatste fase in den killen tuin
waar moe van vruchtbaarheid de takken zijgen,
een veege gloed verteert er in de twijgen
en brandt en fonkelt in den zonneschijn.
En dan het bosch, als ruime voorraadszalen
staat het thans opgebouwd, een schuur waarin
verzameld wordt des ganschen jaars gewin
De gouden herfst schudt er zijn rijkdom uit
met vrucht en zaad, met millioenen loovers
op vloeren van den oogst, die stort
Op deze binnenplek hier staan de grassen,
de distels, al wat zilverpluizen draagt
en grijs van rijpheid is, en heftig jaagt
daar nu een valwind door de pluimgewassen.
En werpt het op het dwarrelend verstoven
de bosschen uit, het wijde luchtruim in...
o sprekendst voorbeeld, van den diepen zin
van dat wat nu geschiedt alom,
van het stil smartelijke in deze dagen.
| | | |
is uitgegroeid, wat aan den ouden vast
ge dronk van zijn leven, een lach
die wies en vroeg en vergde
en werd verzorgd, zoover het mededeelen
mocht reiken en werd gevoed
nu staat het dan te gaan, als duizend drangen
des nieuwen levens welbereid
aan wispelturigheid, en aan het spel van winden
en ademen en hun zinneloozen dans
van de gebeurlijkheden om een plaats te vinden
waar het mag zinken, mag vergaan
| |
| | | |
[Als wij gingen om de rosmarijn]
Als wij gingen om de rosmarijn,
zuiverheden, in de wijde,
Als wij gingen om de rosmarijn,
van zoo dier en te vertrouwen
voor een ziel in zorg en druk,
thuis gebracht en weggeschonken,
teerste gave in scherpst verdriet,
jonge groeten voor wat niet
anders wordt en mag genezen
voor het bittere uitgelezen
door het wild gewas, kervend
met hun zingezang het puur
heden mijn en morgen dijn
| | | |
mag wel eerste regel zijn.
En de sleedoorn aan den weg,
wien het jongste wit - o zeg
struik waaraan de flarden hingen
van ons onbekommerd zingen
waarin trilde al het veel
rosse heuvels, klarendal,
rijk bezit en vroeg verlies
trillend alles in het vlies
in het brooze keelgeluid.
in de donkert slaat het aan
dat het alles is als glas
of het ooit weer zoo mocht zijn
als wij gingen om de rosmarijn.
| |
| | | |
[Als schuddend met den loovertak]
Als schuddend met den loovertak
de morgen ons te bedde stond
en versch gesterkt en nieuw gezond
in jonkheid, waaraan niets ontbrak,
het witte licht boven de pannen
wij kracht en levensplannen
voelden opkomen binnen ons
en bengelend voor het venster hing
de trossenvracht tengere acacias
en alles was vol licht en vreugd
wij droegen zekerheidsgevoel
en de toekomst ons omhulde
en alles nog een doel had
| | | |
O rijkdom van het onvoltooide
De mogelijkheden der gedachte
de strikte dwang der werkelijkheid.
| | | |
O hart, dat altijd revolteert
dat van geen schipperen heeft geleerd
noch zich laat overtuigen,
dat stout en ongezeglijk kind
het beste van zichzelven vindt,
komt, komt en voor den laatsten dag
| | | |
waarin mijn ziel vervloeit, mijn wangen
besterven schemering daalt,
van wereld waar het anders is.
O glimlach tevens en verdriet,
mijn hart weet maar bedenkt het niet
en uitgestorte hartebloed
nuchter zijn keus doet en alleen
aanneemt wat in zijn kraampje past.
van al het andere onaangetast.
| |
| | | |
[In den nacht, als veeg]
de gespannen hemel, waarnaar opgezien
met liggende oogen, of misschien
een tegenglans, een blik van streelen,
een gunst zijn weg vond door de velen,
tusschen de strakke sterrepracht
een teeken trilde toegebracht,
een ziel en voelen begaan
een zoeken dat was opgezocht,
een troost die iets vermocht,
glanzend gereed tot nieuwe daad
| | | |
Alreeds een uitweg wezen mag
een vleug van zon en zoeler winden
een enklen uitgelezen dag
die over de zwarte heesters, struweelen
punten en schitterlichtjes
sneeuwklokjes, zuivere gezichtjes
nachtvorst staat voor de deur
en de Aprilsche willekeur.
Het stille hart is opgeborgen
en wacht en wordt niet meer misleid
want lente, lente is 't ondanks alles,
| | | |
En de dag is laag en neigend
mokken bedrukt en dreigend
op een merelkoor fluweelen
opzingt in de regenlucht,
vol en smeltend is het kweelen
stijgt de zwarte voorjaarstak.
De lijster zingt met lange halen
alsof hij zoog de lente in.
| | | |
en het is al stil, al stil,
de wind waait uit, het licht is gril,
het spichtig gras staat in een ril
en de gezichten oud en jong
zien op; naast de vergulde zon
een vlieger hangt, wit en met kleuren
ontvangen al en ingetuind
zien op en voelen zich de borst verruimd.
| | | |
De breede klanken, strijkend geluid
zooals het opkomt, grommend,
met zwiepen van de nesten
het hert vaag en verwaaid
kop in de wind, de oogen wit verdraaid.
de takken die al bruiner zijn
O voorrecht, dat ik mag verzinken
van half begonnen tranenlach
belofte van wat komen moet
| | | |
het bosch dat zwaar en drachtig is,
het licht gudst over uit de lucht
en maakt het hout ijl en ondicht
O die gewenscht hebt met mijn eigen wensch
en die hebt ingestemd met mijn gebed
en naar de veiligheid boven de mensch
mede zijt opgegaan met vasten tred
en gij hebt mede aangezeten
zon en het heerlijk sneele vluchten
der wolkenschaduwen, hitte naast
wind en zon, alles heeft haast.
| |
| | | |
aant.Reeks IX
De uchtend wemelt aan de boorden
en scheurt de zwarte ketenen van een,
er is een bleekte en gloren
en weldra het rozengoud der Horen
en leeft aan den gesmoorden
De zilverdag is doorgezift
(En hij staat) ginder aan ons voeteneind
| |
| | | |
[Op een witzwarten marmervloer]
Op een witzwarten marmervloer
ovalen vingers, vrouwenhanden
met preveling om den mond,
zit zij aan het instrument
doorgronden en volslagen afstand doen,
alle menschelijke is opgegeven
maar dan één eenigste is gebleven.
en wat het opwekte in de menschelijke borst,
het goddelijke van beiden
| |
| | | |
[Ik heb den klank]
Pantheistisch
den klank, den klank der (pyramiden)
over het glimlachend opziend
dat ligt met knipperende oogen in het licht,
en het gegil van meeuwen,
Dat er iets groots vaart over mijn land
in deze popelende kleine hartjes,
in deze donkere zonen van het veld.
| | | |
omdat zij! voelen als vagebonden,
en zwart de boomen en gebouwen,
een eerste najaarsstorm van over zee
en de spreeuwen, een geheel
| |
| | | |
[Van af het donkere land, wazig en klam]
Van af het donkere land, wazig en klam,
een klagende vogelstem die overkwam.
ik kan het niet veranderen, ik kan het niet,
dit zijn de dagen, dit is de tijd
Mijn vroegere jonge lief zit aan den oever,
droever wordt de wind en droever,
ik heb het oude huis van mijn ziel verloren
| |
| | | |
[Onder de kringen van den nacht]
Onder de kringen van den nacht
en neergezegen in het bleeke licht:
hoe ver, hoe ver uit het gezicht
nu de verste gedachten, aan den rand
van het nog besefte, <laatste> stand
dat zoo deze ontstentenis
beseft wordt en zich zelf verweten
als letsel, als te kort schieten,
naar wat hoog aan den hemel staat,
zijn melken schijnsel nederlaat:
is er een brug, een witte brug
waarover komt in effen regeling
de zwermen van het licht...
het toehalen van vloed, het slaken
van ebgetij, het wijzigingen maken
in de celweefselen en in de vochten
van plant en dier. O wederzijdsche tochten,
de bundels langs naar een lijdzaam beneden
Bedriegelijke vloeiing, valsch vergif,
wat vermag uw te beroeren,
(kracht en bezinning) te ontvoeren
| | | |
hier uit mijn harden schedel en den brand
van de lijfszinnen en hun verband
mijn kokend, bezig lichaam
en zuchtend en het lichaam in een bocht,
wordt (het leger) opgezocht,
slepende wrevelige loome voet
weg in het bed dat werd vergeefs geledigd,
| | | |
Maartlucht, die er tegelijk
en zoo ontvoerend zijn kan.
O, de bezieling, zijnde in de bezwaren
anders nooit betreden streken
en schuilgelegen uitzicht
te brengen vondsten fonkelend en schaarsch:
de moeilijkheden zijn de kans des kunstenaars.
| |
| | | |
[Violen en violoncellen]
met wisselend minderen en zwellen
een klagend spel, verrukkelijk,
gebogen over eigen zang...
en op den voorgrond niet te tellen
de kinderdroomen met zich mee.
O dit heerlijke, stil inkeerlijke
in ons kamertje, in het klein
onzer gedachten, die daar kunnen
spreken en opzeggen het hunne
wat van anderen zij vernamen
of wel weerbarstig en de wet
dat de mensch zich zelf belijdt!
| |
| | | |
[Aan weerskanten van het dak]
Aan weerskanten van het dak
van de blanke waterpannen
loopt het als uit aarden kannen,
loopt in strepen met een tuit
of vloeit kabbelende uit,
naar beneden dat het klokt,
en verzwolgen; donker woest
even sputterend opgehoest
honderd stappen in het wild
strompelend dat de bodem trilt,
in het donker rondgestoven
over de balken, op het bint,
en in hoeken weggevlogen...
aangehoord met open oogen
en verwondering van het kind.
| | | |
Het venster in den vroegen dag
en storm en frissche (winden)slag
als geslingerd door een achte -
looze hand voorbijgaande.
En zoo vol is het hoofd van daarginds
en zoo gonzend van zee en lucht en
golvengang en deinende schepen
dat zij (op de lippen) zilt
| |
| | | |
[Regen in den nacht]
a
onophoudelijk neergebracht,
de lijdzame rijkdom, kostelijk lekken
en overal de natte plekken
een murmelen over den grond
b
van zakken edel koorn, ontregen
en gudsende al het bedrag
der ronde korrels, uitgeschud
de schatten van het volle mud
c
Als schuren, als een sleuren
over een tegenstrevend vlak, als scheuren
van somptueuse zijden banen
met een rits vaneen gegane
voortkruimelende rafeling,
toon die al hooger, hooger ging,
| | | |
d
Alsof er achter sluiers kromp
een zuchten ongeslaakt en stomp
zonder gemoei, zonder gezeg
gezonken en dat niemand ziet,
e
pas verzetten dof gesmoord
alsof op sloffen of pantoffelen
zij doende zijn zich weg te moffelen,
vale gezichten bleek en groen
onder hoeden van oud fatsoen,
brandende oogen, een mond die trilt,
hoofdschuddend om den hoek gevlucht.
f
fijn eindigende in een punt,
gegroeid men ziet het niet van waar,
aldoor zich verlengend maar weinig zwaar,
een kunstig decrescendo dan
als lippen fluisterend toegestoken,
omgebogen en als gesproken
woorden die zuchten worden
een ruischen enkel ook dit ingetoomd
| |
| | | |
[Een ondergang aan walmende horizon]
Een ondergang aan walmende horizon
over gebroken zwoegend akkerland,
der aarde, en nu ontstond
betrokken en dat is als roest gekleurd,
smeulend nagloeien waarboven
oranje, brons in violet gaan dooven,
van zwavelgeel, verheldering, verbleeken
(in) het zenith zelf een vloed
van zilverachtig groen,... opperste ontzinking
van alle droesem, onbeperkte blinking
der hemelhelderte, en in het veld
zonder regelmaat wijd uiteengesteld,
ontwaakten de sterren enkeld
met fijne punten worden rondgesprenkeld
naar links en rechts en alle kanten heen.
in het zenith gaan uiteen
de maan heenzinkend, en naar afgemeten
met tusschen zich de oneindigheid,
bollen, kringbanen en ringen, die allen werdt
tot een gedragen, een sereen concert.
O regen van verrukkelijkheid
| | | |
tranen van goedheid en dankbaarheid,
o heerlijkheid die overstroomt
naar popperende lippen dringt,
en zachtheid en troost en zaligheid
gegroeid tot onuitsprekelijk geluk
òf het wel was... en dan is alles afgebogen,
drang, en het bestormen, overweldiging,
ontloken ooglid aan dichte kimmen,
in de vernietiging vervluchtigd.
O heengezegene, o welverzwegene,
van deze eigen onbeduidendheid
dat het niet bestand mag zijn,
teloor gevoel van eigen existentie
spreekt uit zich zelven tot zich zelf, of het
wel één, één lief bezit was,
| | | |
klein maar dier, en niet mag scheiden
Vroegere schets van blz. 254 reg. 4 v.o.
een donkre nagloed en een sombere brand,
triomfeert over alle land,
verzinkt, vergaat in hoogste zuiverheid,
het licht wordt en lichter,
versmelt en uit gaat dooven.
vonken van welke toorts geschud,
tuimelende maan, planeten
openen zich de fijn gepunte sterren,
banen naar links en rechts
en de oneindigheid ligt als een tempel open,
| | | |
Vertwijfelen bezwijken vernietiging
buigen over zich zelf terug
storm van verwilderd vragen, zelfaanklagen,
in dit geding van ongelijken,
norsch op de gedoken nek,
alles wat moest schragen,
de innerlijke steunselen,
en de volle dracht oppermacht
lillend van zweven willen.
trots die standhoudt tegenover het grootste,
in mij het ongetelde rijke
de alles tartende woorden
waarbij al het bestaan, de uitkijk wankelde,
en dit al ongewetene, afgewachte
waarvoor ik zelf afwachtende ben.
| | | |
Andere lezing van blz. 455, reg. 14 v.b.
des zelfsbesefs in het geweldige geding
met den dezulken, tegenoverstand
van lillend leven, geschokt,
door smart beangstigd, door genot gelokt.
| |
| | | |
[De bedgordijnen, het behang]
a
De bedgordijnen, het behang,
bekende blik van jaren lang,
hoe zien zij anders, dringend aan
het kind ligt weggedrukt en vlak
als met opgereten borst het lag
| |