|
|
|
| |
| | | | | | | |
Vers 176-250
| |
O rampen der menschen, o tobben en kwaal!
Wat moet ik u doen, wat laten voor u?
Daar is nu het licht en de heldere lucht,
daar is nu uw ziekbed en lijdensbaar
want van buiten te komen spraakt ge aldoor
en straks hebt ge haast weer naar binnen te gaan
en zijt ge verdrietig, met niets te vree.
Wat ge hebt, mishaagt u en wat ontbreekt,
O ziek zijn is beter dan oppasser zijn.
Bij 't eene houdt het met ziek zijn op,
bij 't andre gaan lichaam en ziel te grond.
ach, 't heele leven is vol bezwaar
en er is geen eind aan de' ellende!
Tilt op mijn lijf, ondersteunt mijn hoofd,
Geliefden, mijn leden zijn krachteloos.
Vat, vrouwen, mijn blanke armen aan,
mijn sluier is al te zwaar voor mijn hoofd,
neem hem af, spreid over mijn schouders mijn haar.
Wees rustig, mijn kind, woel niet in fel
In stilte en in gelatenheid
verdraagt ge lichter uw groote kwaal:
den menschen is leed beschoren.
| | | |
O, dat van een koele lafenisbron
het zuivere water ik putten mocht,
dat onder de wilgen en in het gras
der weiden gelegen ik rusten mocht!
Wat hebt ge verlangen naar vloeiende bron?
Er staat een bosch hier bij het paleis,
van waar ge een drank erlangen kunt.
Naar de bergen brengt mij, ik ga naar het woud,
naar het pijnboombosch, waar moordend het wild
gespikkelde hinden achterna,
de honden te hitsen hunkert mijn hart,
de Thessalische lans langs het blonde haar
te werpen, in handen te hebben den schicht
Wat zijt ge, mijn kind, hierover ontsteld,
wat wenscht gij, een vrouw, ter jacht te gaan?
verkondig den volke niet zulke taal,
een woord uitwerpend van waanzin vol.
O, Artemis, die van het worstelperk,
van den paardenbaan de gebiedster zijt,
| | | |
ach, kon ik op uwen zandigen grond
Venetische veulens dresseeren gaan!
Wat spreekt ge wonderlijk andermaal?
Daar straks naar de bergen ter wilde jacht
was uw zin, en nu naar het mulle zand
van den paardenren uw verlangen gaat.
Veel zienerskunst is er hier vereischt,
welke god het spoor u bijster maakt
en uw zin, mijn kind, heeft verduisterd.
Ik diep rampzaalge, wat heb ik gedaan,
waar heen ben ik afgedwaald van geest,
in waanzin verviel ik door daemon's schuld,
Ach moeder, omhul mij opnieuw het hoofd,
ik schaam mij voor al, wat ik heb gezegd,
omhul het, mijn tranen droppelen neer,
en mijn oogen hebben tot schroom zich gekeerd.
Want welbezonnenheid geeft slechts smart
en waanzin schande; het beste waar'
zijn onheil niet te beseffen.
| |
| | | |
Vers 288-353
Mijn kind, kom, laten we de woorden van voorheen
beiden vergeten; wordt gij meer toegefelijk,
slakend uw strenge blikken en gedachtengang,
en ik, opgevend 't ijdel nagaan van uw zin,
ik zal mij tot een beter inzicht keeren gaan.
Indien gij een van de verborgen kwalen lijdt,
zijn vrouwen hier tot uwe leniging gereed,
maar kan uw ziekte aan mannen worden uitgebracht,
laat aan heelmeesters dan uw klacht zijn meegedeeld.
Kom nu, wat zwijgt ge, thans moet ge niet zwijgen, kind.
maar of mijn woord weerleggen, zoo ik falen mocht,
of u gewonnen geven aan het juist begrip.
Geef antwoord, zie mij aan! - ach ik rampzalige.
Ach vrouwen, ons bemoeien is al te vergeefsch:
wij zijn nog even ver als vroeger. Want voorheen
bleef ze onbewogen en ook nu nog hoort ze niet.
Maar weet, (en tracht dan nog gevoelloozer dan steen
en rots te zijn) weet, dat ge bij uw dood uw kroost
zult laten zonder aandeel aan hun vader's huis,
Ja, bij de Amazone, ruitervolkvorstin,
die voor uw kinderen een heerscher heeft gebaard,
onecht, maar echt van inborst, o gij kent hem wel:
| | | |
Gij doet mij sterven, moeder! Om der goden wil
smeek ik u nogmaals, spreek niet over dezen man.
Zie toch! verstandig zijt ge en verwaarloost niettemin
't Belang der kindren en uw eigen lijfsbehoud.
Mijn kindren zijn mij dierbaar; mij kwelt andre schuld.
Gij hebt uw handen toch van bloedschuld rein bewaard.
Rein zijn mijn handen, op mijn denken kleeft een smet.
Deed door een toovermiddel dat een vijand aan?
Een vriend richt mij te grond tegen ons beider wil.
Heeft Theseus u een grievend onrecht toegevoegd?
Mocht ik verzinken, zoo 'k mij tegen hem misdraag.
Wat is het dan, dat u zoo aanzet tot den dood?
| | | |
Laat mij verkeerd doen, tegen u misdoe ik niet.
Niet wat mij aangaat; faal ik, dan is 't úwe schuld.
Wat doet ge? Ge vergrijpt u en gij vat mijn hand?
En ook uw knieën en ik laat u niet weer los.
O, arme, 't is uw ongeluk, als gij dit hoort!
Welk ongeluk is erger nog dan uw gemis?
Ga heen om godswil ga en laat mijn handen los!
Niet voor ge mij de gave geeft, waarom ik vraag.
Ik zal ze geven uit ontzag voor uw gebed.
Dan zwijg ik thans. Van nu af is het woord aan u.
O, snoode hartstocht, die mijn moeder eens beleed.
| | | |
Haar drang naar Taurus meent ge, of hoe bedoelt ge dit?
En gij, rampzaalge zuster, Dionysus' gâ.
Mijn kind, wat overkomt u, smaalt ge op uw geslacht?
En ik als derde, hoe ellendig kom ik om!
Ik ben verslagen, wat is van dit woord het eind?
Van toen is al ons onheil, niet van heden eerst.
Ik ben niets wijzer nog in wat ik hooren wil.
Kunt gíj niet zeggen, wat gij wilt, dat ík u zeg?
Ik ben geen zienster, dat ik 't duistre raden kan.
Wat is dit, dat men menschelijke liefde noemt?
Hoogste geluk, kind, hoogste smart terzelfder tijd.
| | | |
| |
Een van die beiden moest ons niet gegeven zijn.
Zijt ge verliefd? Wat zegt ge en op welken mensch?
Ach, is hij wel een mensch, het Amazonenkind.
Van u is de uitspraak, niet van mij.
Mijn kind, wat zegt ge? welk een onheil over ons!
| |
| | | |
Vers 473-524
Mijn liefste dochter, maak een einde aan uw verzet,
een einde aan uwen overmoed, want overmoed
is 't zoo men sterker dan een daemon wenscht te zijn.
Aanvaard uw hartstocht, 't was een god, die 't heeft gewild,
en eenmaal ziek zijnd, geef uw ziekte een goeden keer.
Er zijn gezangen, woorden ook met tooverkracht.
Er zal zich een genezing voordoen uit uw kwaal.
Waarlijk, ook mannen vonden hier een middel wel,
wanneer wij vrouwen thans verlegen zullen staan.
Phaedra, het woord van deze is wellicht meer van nut
in uwe toestand, maar mijn voorkeur gaat naar u.
En deze lofspraak zal u smartelijker zijn
dan haar berisping en onwelkom voor uw oor.
Dat is het, wat der menschen welbestierde staat
en huis te grond richt, de al te schoone woordenpraal.
men moet niet zeggen, wat de hoorder gaarne hoort,
maar wat den spreker roem en eere brengen zal.
Waartoe de groote woorden? Ingetogen taal
is u niet noodig, maar de man moet ondervraagd
met openlegging van de gansche toedracht nopens u.
Want was uw leven niet bestemd tot zulk een ramp
als deze, waart gij zelf een welberaden vrouw,
nooit had ik om uw lusten, om een bedgenoot,
u zoover laten komen; thans staat op het spel
het redden van uw leven; wie misgunt ons dat?
| | | |
O schand'lijk zeggen, sluit uw onbeschaamden mond
en laat niet nóg eens zulke slechte woorden los!
Slecht, maar van grooter voordeel dan de taal der deugd,
en beter is een daad, die u het leven redt,
dan fiere woordenleuzen, die u sterven doen.
Om godswil, ga niet verder, overredend is,
maar slecht uw zeggen, nog ben ik de mindre niet
van mijn begeerte, maar bij uw verleidingstaal
ga ik begeven voor wat ik nu nog ontvlucht.
Als ge niet wilt, moet ge niets ongeoorloofds doen,
maar anders, luister, waarde heeft ook deze raad.
Ik heb thuis minnedranken, tooverkruid
voor liefde, en daar kwam mij juist iets in den zin
wat zonder schande, zonder schade voor de ziel
u zal genezen, zoo ge u niet laf betoont.
Is het een zalf, is het een drank, uw medicijn?
Ik weet het niet. Zoek uw belang, niet mijn geheim.
Ik ben in vreeze, dat ge al te vernuftig blijkt.
| | | |
Gij schrikt van alles; waarvoor zijt ge nu weer bang?
Dat gij den zoon van Theseus iets hiervan verklapt.
Geen zorgen, kindlief, ik breng alles goed terecht. -
Maar gij, vorstinne Kupris, dochter van de zee,
wees gij mijn helpster. Wat mijn plannen verder zijn,
genoeg, als ik 't den vrienden binnen zeggen mag.
O liefde, liefde, die langs de oogen neer
verlangen druppelt, die een zoet bekoren
brengt in de ziel van hem, dien gij belaagt,
kom nimmer over mij met rampen saam
en nimmer zonder maat en zonder tucht.
Geen vuur toch is zoo zengend,
geen zonnestralen zoo verhit
als Aphrodite's pijlen zijn,
de schichten vliegend uit de hand
| |
| | | |
Vers 565-615
Zwijgt, vrouwen, zwijgt toch; ik ben gansch te grond gericht.
Wij zwijgen dan; maar welk een slecht begin is dit!
Weest stil; ik wil de klanken binnenshuis verstaan.
Wat is er, Phaedra, dat u vrees brengt in 't paleis?
O, ik rampzaalge om mijn jammerlijke lot!
Van welke klanken toch, van welk geluid spreekt ge
En zeg welk gerucht u toegevlogen is
Wij zijn verloren, ga hier bij de poorten staan,
hoor welk rumoer er binnen aangeheven wordt.
Gij zijt de deur het naast, verneem gij welke klank
en zeg, zeg mij toch, welk onheil breekt er aan?
De zoon der Amazone, Hippolytus, roept luid
en schreeuwt mijn voedster de ergste onheilswenschen toe.
| | | |
Zijn stem hoor ik wel, maar weet niet te zeggen,
de poorten door tot u gekomen mag zijn.
Hoor! duidlijk ‘onheils koppelaarster’ noemt hij haar
en dat zij 't bed van haren heer verraden heeft.
O wee, welk een leed; liefste, ge zijt verraden,
wat kan ik thans verzinnen?
't geheim is uitgebracht, ge zijt geheel verloren.
Verraden door uw vrienden.
Te gronde richt ze mij door 't zeggen van mijn leed
in haar bezorgdheid, goed bedoeld, maar ondoordacht.
Wat moet ge doen, welke uitweg is er uit uw lot?
Ik weet niet dan dit eene, sterven op het snelst
is de eenige redding uit den nu gekomen nood.
| | | |
O moeder aarde, o aanblik van het zonneoog,
hoe onuitsprekelijke dingen heb ik aangehoord!
Zwijg stil, mijn zoon, voor iemand uw geroep verneemt.
Niet zal ik zwijgen, waar zoo vreeselijks ik vernam.
Toch wel, ik smeek u bij mijn zwakke vrouwenhand.
Weg met uw handen, raak mijn lijfsgewaad niet aan!
O, bij uw knieën bid ik, wil mijn onheil niet!
Waartoe dit, zoo ge niets misdadigs hebt gezegd?
Wat ik u zeide, is niet voor ieder's oor bestemd.
Een goed woord wordt nog beter bij een groot gehoor.
Mijn zoon, verkracht den eed niet, dien ge hebt gedaan.
Mijn lippen zwoeren; onbeëedigd is mijn ziel.
| | | |
Mijn kind, wat doet ge! brengt ge uw eigen vrienden om?
'k Verfoei u, geen misdaadge is er ooit mijn vriend.
Vergeef dan, zondigen is menschelijk, mijn zoon.
O Zeus, waarom toch hebt gij dit bedriegelijke kwaad,
de vrouwen, onder 't zonnelicht ter woon gezet?
wildet gij al het menschdom gaan bestendigen,
dan moet dit toch van vrouwen niet afhanklijk zijn.
wij moesten liever in uw tempels voor een som
van goud of ijzer of voor zwaar gewicht van brons
een kinderkroost gaan koopen, gevende den prijs
naar ieders waarde en voortaan een rustig huis
bewonen, zonder vrouwen, vrij en ongestoord.
| |
| | | |
Vers 668-731
O deerniswaardig, jammervol
en droevig lot der vrouwen!
Hoe zullen wij de kunst verstaan,
nu alle hoop te niet moest gaan,
den warknoop van het onheil te ontvouwen?
Wij hebben onze straf erlangd, ach aarde en ach hemellicht,
waarheen mijn treurig lot ontvlucht?
en hoe verberg ik mijne schande, o vriendinnen?
Wie van de menschen, wie der goden
heeft bijstand ooit of hulp geboden
in een misdadig, roekeloos beginnen?
Onoverkomelijk is deze slag
en einde voor mijn levensdag,
O ongelukkigste ik van alle vrouwen!
Wee, alles is ten einde; falen deed de list
van uwe dienstvrouw, heerscheres. Ramp is uw deel.
Ellendige, gij die uw vrienden hebt misleid,
wat hebt ge mij berokkend! Dat mijn voorzaat Zeus
u gansch en al verdelge met zijn bliksemvuur!
Zeide ik u niet, in voorzorg om uw heilloos plan,
te zwijgen dat, waarom ik nu mijn eer verlies?
't Was u niet mooglijk. Daarom wacht mij nu een dood
in schande. Maar thans is mij nieuwe raad van noo.
Want hij, de ziel van verontwaardiging vervuld,
maakt bij zijn vader úwe fout tot míjn verwijt
en vult de gansche wereld met zijn lastertaal.
Vervloekt zijt gij en ieder, die er ongevraagd
haast heeft zijn vrienden ongewenschten dienst te doen.
| | | |
Vorstin, wel moogt ge smalen op mijn ongeluk;
immers de spijt is meester over uw verstand,
maar zoo gij goedvindt, heb ook ik een wederwoord.
Ik bracht u groot in liefde en voor uw harteleed
genezing zoekend, vond ik, wat niet was gezocht.
Maar was 't gelukt, o hooggeprezen ware ik dan?
Want naar den afloop richten wij ons oordeel in.
Acht gij het een verdediging, die mij voldoet,
dat ge uw misslag ook nog goed te praten tracht?
Ik zal geen omhaal maken, 'k heb verkeerd gedaan,
maar ook hieruit is er nog redding mooglijk, kind.
Zwijg met uw uitvlucht, gij die ook den voorgen maal
slecht hebt geraden en in 't ongeluk gebracht.
Ga heen, ga heen, en moei u niet met vreemd belang
voortaan, ik zal mijn zaken zelf behartigen. -
Maar gij, zeer eedle dochteren van Troizenland,
weest mij hierin ter wille, dat gij trouw bewaart
in zwijgen alles, wat gij hier hebt aangehoord.
Ik zweer u bij Zeus' dochter, heilige Artemis,
dat ik uw onheil nimmermeer verraden zal.
Zoo dank ik u; één enkel afdoend middel nog
| | | |
heb ik, dat af kan wenden al dit ongeluk,
zoodat mijn kindren ik een eervol leven laat
en zelf mijn deerniswaardig lot verbeetren mag.
Want nooit onteer ik mijn Kretensisch vaderhuis
noch zal ik in mijn schande voor het aangezicht
van Theseus treden om mijn lijfsbehoud alleen.
Welk onherroeplijk onheil denkt ge dan te doen?
Den dood te sterven, maar het hoe, dat staat aan mij.
Ook daarin geeft ge mij een goeden raad.
Maar ik zal Kupris, die mij heeft te grond gericht
op dezen dag, nog gaan verblijden met mijn dood
en mij gewonnen geven aan haar wreeden zoon.
Maar voor een tweede ook word ik stervende tot ramp
opdat hij wete op mijn leed niet groot te gaan,
maar als hij aan mijn onheil ook zijn aandeel heeft,
dan zal hij leeren minder trotsch van aard te zijn.
| |
| | | |
Vers 1172-1244
Wij dan in d' omtrek van het golfbespoelde strand
met ijzerkammen kamden wij de paarden glad
al schreiend; want ons was de tijding aangebracht,
dat hier te lande langer niet verblijven zou
Hippolytus, met droeve ballingschap gestraft.
En hij ook kwam en zeide in tranen 't zelfde nieuws
aan ons op 't strand en ongeteld achter hem aan
volgde der vrienden en der tijdgenooten schaar.
Dan na een wijle sprak hij, eindigend zijn klacht:
‘Waartoe ontsteld zijn? 's Vaders woord dient opgevolgd.
Bindt, slaven, aan den wagen 't jukverdurend span
der paarden, niet meer is hier onze vaderstad.’
En daarop repte een elk zich in zijn bezigheid
en sneller dan te zeggen is getuigd en klaar,
brachten wij 't paardenviertal bij den meester zelf.
Hij grijpt de leidsels liggend op den wagenbak
en zet zijn voeten in den bodem van de holten vast
en eerst spreekt hij de goden toe, de handen hoog:
‘Zeus, mocht ik sterven, zoo ik waarlijk schuldig ben!
en mocht mijn vader, 't zij eerst na mijn dood, hetzij
nog bij mijn leven, inzien hoe hij mij miskent.’
En bij dat woord greep hij de zweep en legde die
den paarden op in toespraak. Met den wagen mee,
volgden wij dienaars naast de teugels van den heer
den weg naar Argos en naar Epidauria.
Als wij zijn aangekomen in de eenzaamheid,
is daar een kust aan de overzijde van dit land
langs het Saronisch zeevlak uitgestrekt.
Daar liet een onderaardsche klank als donderslag
een zwaren galm ontglippen, vreeslijk van geluid,
en kop en ooren recht den hemel in gericht
| | | |
spitsen de paarden en bij ons was felle angst,
van waar 't geluid mocht wezen; en naar 't klotsend strand
heen kijkend, zien wij wondergroot een watergolf
die in den hemel reikte en 't gezicht benam
op het Skironisch kaapgebergte en die verborg
den Isthmus en de rotsen van Asklepios.
Dan opgezwollen en een dichten sproei van schuim,
in 't ronde plassend met een blazen van de zee,
beweegt hij strandwaarts, waar de vierspanwagen stond.
En met de breking zelve en het overslaan
schudt hij een stier uit, een wild monsterbeest,
van wiens geloei het gansche vasteland vervuld
angstwekkend tegengalmde en wiens aanblik zich
gruwlijker voordeed dan voor 't oog te dragen was.
En aanstonds valt er in de paarden wilde vrees
en hij, de meester, met dë inborst van zijn span
sinds lang vertrouwd, grijpt met zijn beide handen 't toom
en trekt terug, als aan den riem een roeiersman,
de lijnen slaande om zijn lijf naar achterwaarts.
Maar zij met kaken bijtend in het stalen bit
slaan op den hol, terwijl ze noch aan's voermans hand,
noch aan het trekzeel of den hechten wagenbak
zich storen. En zoo vaak hij naar het mulle zand
de leidsels afboog en den loop te richten zocht,
vertoonde zich van voren tot een ommezwaai
de stier en maakte 't vierspan zinneloos van schrik;
en als zij naar de rotsen vlogen, dol van angst,
kwam stil hij nader en liep met den wagen mee,
zoolang tot hij hem omstiet en gekanteld had,
de velg des voertuigs aan een rotssteen werpende.
En alles lag dooreen gewoeld; hoog sprongen op
naven van wielen, pennen uit den wagenas
| | | |
en hij, de arme, ingewikkeld in het toom,
in onontwarden knoop verstrikt wordt voortgesleept,
terwijl hij aan de rotsen slaat zijn dierbaar hoofd,
zijn vleesch verscheurt en uitschreeuwt vreeslijk voor 't gehoor
‘houdt in, gij die gevoed zijt aan mijn eigen ruif,
rijt mij niet stuk! o jammerlijke vadervloek!
Wie wil er een onschuldig man tot redding zijn?’
En velen onzer wilden, maar te laat van voet
bleven wij achter. Hij dan, uit de banden losgemaakt
der leidselriemen op een onbegrepen wijs,
rekt moeizaam een kortstondig leven, aad'mend nog,
maar paarden en 't rampzalig monster van den stier
verdwenen onverklaarbaar in het rotsgesteent.
Ik ben een slaaf slechts, heer, uit velen van uw huis,
maar daarin zal ik nimmer u gehoorzaam zijn,
dat ik de schuld van uwen zoon geloof, ook niet
zoo 't gansch geslacht der vrouwen zich verhing, zoo 't hout
van Idaberg met letters volgeschreven stond:
daartoe is thans zijn onschuld mij te goed bekend.
| |
| | | |
Vers 1462-1466
Voor alle burgers algemeene ramp
en rijkelijk zullen hun tranen stroomen.
Der grooten droeve ondergang
zij blijven na meer dan gewoonlijk lang
|
|
|