de vrouw, die placht te manen tot sparen en garen, en vooral het verhaal van Madjnoen, die uit spijt om Laila twee grepen heete kolen greep en bewusteloos neerstortte, en den man van Laila ‘die verdrietig was over wat hij zag en verbaasd tevens en heen liep.’
Maar wat het langste nablijft bij den lezer en wat in taal en inhoud het geheele boek doortrekt en den aard bepaalt van het gansche werk, is de volgende distinctie, dat het uit den haast en drang van het dagelijksche voortbestaan, uit al dit leven en omgeven dat tot een beoordeeling niet komen laat, weg voert en er buiten plaatst daar, waar tijd en rust is om tot zich zelven te komen, om te overzien en te overdenken en te vergelijken, waar rekenschap mogelijk is, en een oordeel in hoogere instantie over de innerlijke waarde van onze beschaving en samenleven. Een overpeinzing, die licht bij velen tot een stille droefenis zal worden, tot een betreuren en een nahangen van wat onherroepelijk verloren is, een vleug van zachte weemoed, waarin men den schrijver gaat ontmoeten. Teruggetrokken als hij is, een teedere en gevoelige natuur en een schroomvallige, een eenzame, maar niet uit zelfgenoegzaamheid maar een teleurgestelde, die wellicht vol was van uitingsbegeerte en van verlangens naar verwante ontmoetingen. En die zich heeft teruggetrokken van dit alles, dat de voldoening mist, maar zonder bitterheid, die al het bedrijf gadeslaat met een glimlach, die het half reeds glippen liet, en die tot dezelfde berusting en stilte des gemoeds, tot dezelfde verwijdering en afstand van het oogenblikkelijke als een beredeneerde wijsbegeerte komen mocht door de zachte en niet falende leiding zijner eigene, oorspronkelijke natuur.
En zoo heeft hij dan dit boek geschreven, kalm en zonder al te groote illusies, schrijvende wat hij te schrijven had, en niet bedoelende in te grijpen in wat hij zag van den voortgang der dingen en niet goed kan keuren.