auteur: Helma van Lierop-Debrauwer
bron:
Helma van Lierop-Debrauwer, ‘Normen en waarden in meisjesliteratuur.
De (her)waardering van een genre.’ In: Helma van Lierop-Debrauwer, Piet van
Mooren en Herman Verschuren (red.), Het paard van Troje.
Niet-schoolse teksten in het onderwijs. NBLC Uitgeverij, Den Haag 1996, p.
98-106
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2004 dbnl / Helma van Lierop-Debrauwer

|
|
| | | | | |
Normen en waarden in meisjesliteratuur De
(her)waardering van een genre
Helma van Lierop-Debrauwer
Helma van Lierop-Debrauwer werd geboren in
1955 in
Middelburg. Zij studeerde Nederlandse taal-
en letterkunde in
Nijmegen. Van 1980 tot en met 1984 was zij
als docente werkzaam in het voortgezet en hoger beroepsonderwijs. Vanaf 1985
heeft zij een aanstelling bij de Katholieke Universiteit Brabant, aanvankelijk
als wetenschappelijk assistent, vanaf 1990 als universitair docent bij het
werkverband Theorie en Geschiedenis van de Literatuur. In 1990 promoveerde zij
op een onderzoek naar de rol van het gezin in de literaire socialisatie van
jonge kinderen. Daarnaast heeft zij gepubliceerd over meisjesliteratuur en
literatuuronderwijs.
| |
Inleiding
Wanneer een aantal smaakmakers uit het literaire veld de vraag zou
worden voorgelegd wat voor hen het wezenlijke van literatuur is, dan zal raet
aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen eensluidend antwoord worden
gegeven. Wel zullen de verschillende antwoorden een aantal constanten bevatten.
Eén van die constanten zal vermoedelijk zijn dat literatuur ‘vernieuwend’ is,
inhoudelijk dan wel qua vorm.
Die smaakmakers zouden zich dan ook, gesteld dat ze deze
symposiumbundel lezen, hogelijk verbazen over de titel van deze bijdrage. Want
als er één genre is dat van oudsher juist vanwege het ontbreken van vernieuwing
niet als literatuur beschouwd wordt, dan zijn het wel de verhalen speciaal
bedoeld voor meisjes. Wanneer de term ‘meisjesboeken’ valt, dan heeft iedereen
onmiddellijk een beeld voor ogen van een boek met daarop een aantrekkelijk
uitziend meisje, al dan niet vergezeld van een jongeman, en gaan er titels door
het hoofd als ‘
Kop op, Chantal!’, ‘
Zuster Anne's toekomst’ en ga zo maar door. Het is een
logische reactie, want het gros van de boeken dat in de twintigste eeuw
speciaal voor meisjes op de markt is gebracht, past moeiteloos in dat beeld en
de titels ervan zijn variaties op de zojuist genoemde. Het zijn verhalen waarin
traditionele normen en waarden ten aanzien van vrouwen het denken en handelen
bepalen.
Toch, zo wil ik in mijn betoog laten zien, is dit slechts één kant
van de medaille. De andere kant van de medaille is weliswaar altijd aanwezig
geweest, maar bleef, om tal van redenen, grotendeels onzichtbaar. Pas sinds de
jaren zeventig, onder invloed van de tweede feministische golf, is het aantal
jeugdliteraire titels dat zich openlijk niet conformeert aan traditionele
visies op vrouwen en vrouwelijkheid, fors toegenomen. Het zijn titels die zich
of vooral inhoudelijk, of inhoudelijk én literair onderscheiden van het oude
aanbod. Het is in feite een ontwikkeling die parallel loopt aan een
ontwikkeling binnen de volwassenenliteratuur, waar veranderende
maatschappelijke opvattingen over vrouwen en meisjes geleid hebben tot een
groeiende belangstelling voor literatuur speciaal voor vrouwen. Maar anders dan
bij vrouwenliteratuur het geval is geweest, hebben vergelijkbare ontwikkelingen
binnen de jeugdliteratuur niet geleid tot een opwaardering van het begrip
meisjesliteratuur. De meeste onderzoekers nemen vanwege de negatieve connotatie
die de term meisjesboeken bij hen oproept, afstand van het begrip en spreken
een voorkeur uit voor sekseneutrale aanduidingen als jeugdroman of
adolescentenliteratuur.
Omdat naar de receptie van moderne meisjesboeken nog nauwelijks
onderzoek is gedaan, wil ik voornamelijk op grond van een vergelijking van
sociologisch onderzoek naar de leef- en belevingswereld van meisjes met de
leef- en belevingswereld van de meisjes uit recente meisjesliteratuur,
beargumenteren dat dergelijke romans en verhalen voor meisjes betekenisvol zijn
en | | | | een literaire ondersteuning vormen in hun proces van volwassen
worden. En vanuit de inhoudelijke en literaire betekenis van deze boeken voor
meisjes, wil ik de stelling verdedigen dat meisjesliteratuur als genre nog
steeds recht van bestaan heeft en een plaats verdient in het
literatuuronderwijs.
| |
Traditionele meisjesliteratuur
Het eerste Nederlandse boek dat inhoudelijk als meisjesroman (of
vrouwenroman zoals de achterflap van de versie uit de Amstel Klassiek-reeks
vermeldt) te duiden valt, dateert al uit de achttiende eeuw en is in het
literatuuronderwijs geen onbekende, namelijk
De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart
uit 1782. Het voorwoord bij de eerste druk laat over de bedoeling van de
auteurs, de dames
Wolff en
Deken, geen misverstand bestaan:
Onze hoofdbedoeling is aan te tonen: ‘Dat eene overmaat van
levendigheid, en eene daar uit ontstaande sterke drift tot verstrooiende
vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste meisjes meermaal in
gevaar brengen om in de allerdroevigste rampen te storten; die haar veracht
maken bij zulken, die nimmer in staat zijn, om haar in goedheid des harten en
zedelijke volkomenheid gelijk te worden; bij zulken, die zij in 't licht
stonden, bij zulken, die het wrede vermaak hebben, om haar, reeds gevallen,
dodelijk te grieven, of zich niet te verwaardigen, zich immer in te laten met
haar, die niet der Ondeugd, maar der Onbedagtheid ten prooye wierden; dat het
ook om die reden, een onschatbaar voordeel voor jonge meisjes is, onder de
bescherming te komen van zulke vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid en
goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden; wijl dit die
geenen zijn, onder wier bestuur de beste meisjes ook de braafste vrouwen
worden.’
1
Het citaat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het voornaamste
oogmerk dat de auteurs met hun boek hebben, is de socialisatie van meisjes (van
huwbare leeftijd) op een wijze die overeenstemt met de maatschappelijke visie
op meisjes in de tweede helft van de achttiende eeuw. De historie
van mejuffrouw Sara Burgerhart staat echter op zichzelf. Van een apart
genre meisjesboeken kan op dat moment nog niet gesproken worden.
Over het algemeen wordt de vertaling van Little Women
van Louisa May Alcott, in 1876 gepubliceerd onder de titel
Onder moeders vleugels, gezien als het
beginpunt van het genre meisjesboeken. De boeken binnen dit genre staan van
meet af aan in dienst van de socialisatie van haar beoogde lezer. Dahrendorf
(1980, 1984) heeft hierover een uitgesproken, vanuit een marxistische
literatuuropvatting geformuleerd standpunt: meisjesboeken zijn een instrument
van de maatschappij om haar verwachtingen van meisjes te bekrachtigen. Het
verloop van de socialisatie in deze boeken is een aanpassingsproces. Het
‘meisjesboekenmeisje’ moet leren wat de maatschappij van haar verwacht, niet
wat zij zelf wil. Ze moet de door de maatschappij als ‘natuurlijk’ voorgestelde
rollen van echtgenote, huisvrouw en moeder leren. Deze rollen liggen vast en de
socialisatie van het meisje verloopt op zodanige wijze dat zij haar man als
meerdere ziet, dat zij zich afhankelijk opstelt, geluk en bevrediging in haar
man en kinderen zoekt, een beroep leert voor de tijd vóór het huwelijk en dat
zij eigenschappen cultiveert als uiterlijke aantrekkelijkheid, emotionaliteit
en passiviteit. Een bewust en actieve sexualiteit wordt het meisje niet
toegestaan. ‘Das Mädchen soll warten’.
2 Van enig politiek
bewustzijn is eveneens geen sprake. De beloning aan het eind van een succesvol
verlopen aanpassingsproces is een harmonieus, huiselijk leven samen met een
liefhebbende echtgenoot en de illusie dat zij, door af te zien van eigen wensen
en behoeften, door het aannemen van een secundaire identiteit, geliefd is.
Afwijkingen van de norm worden in dit type meisjesliteratuur veroordeeld en
onaangepaste meisjes worden voorgesteld als tot mislukken gedoemd. Een
tijdelijke periode van onaangepastheid wordt in de traditionele meisjesboeken
overigens wel toegestaan. Het jongensachtige meisje (in de Engelse literatuur
aangeduid als ‘tomboy’) is in meisjesboeken een veel voorkomend personage. Ze
vormt wel een onderbreking van de traditionele rolverdeling, maar geen
verandering, want aan het eind heeft ook het jongensachtige meisje zich
aangepast. Het voorkomen van dit type meisje in een aantal meisjesboeken lijkt
een aanwijzing voor een visie op meisjes en vrouwelijkheid die ruimer is dan de
maatschappelijk dominante opvatting. Door middel van de tijdelijke
onaangepastheid van de ‘tomboy’ konden de auteurs iets van die visie op een
maatschappelijk | | | | aanvaardbare wijze laten doorklinken.
De socialisatiefunctie van de traditionele meisjesboeken kan echter pas
effectief worden wanneer de boeken aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het
vervullen van die voorwaarden maakt dat deze meisjesliteratuur zowel naar
uiterlijk als naar structuur gemakkelijk herkenbaar is. Aan de buitenkant
onderscheidt zich de traditionele meisjesliteratuur op een wijze die ik in mijn
inleiding al beschreven heb: een ‘meisjesachtige’ titel, ondertitels als
‘meisjesroman’ of ‘roman voor oudere meisjes’ en een omslag waarop één of meer
meisjes prominent aanwezig zijn. De structuur van deze meisjesboeken heeft de
volgende kenmerken: een zich aanpassend, uiterlijk aantrekkelijk meisje als
hoofdfiguur, een vertelperspectief dat de identificatie van de lezer met de
hoofdfiguur vergemakkelijkt, een duidelijke scheiding tussen goed en kwaad en
een happy end waarin conflicten opgelost worden en het meisje haar bestemming
vindt aan de zijde van de man waarvan ze houdt.
De literaire kwaliteit van de traditionele meisjesboeken is wisselend,
maar zeker tot de dertiger jaren zijn er meisjesboeken verschenen die meer te
bieden hadden dan een pedagogische boodschap volgens vast recept. Hoewel de
visie op en de beschrijving van meisjes in boeken van auteurs als
Tine van Berken,
Top Naeff en
Cissy van Marxveldt overeenkomt met het
zojuist geschetste profiel, is voor wat betreft de vormgeving veel minder
sprake van het maakwerk dat zo karakteristiek is voor de meeste boeken uit dit
genre en zeker voor de naoorlogse traditionele meisjesboeken die onder meer om
die reden dan ook geen literaire status meer hebben.
Vanaf het begin is er veel kritiek geweest op het traditionele
meisjesboek. De voornaamste bezwaren die meteen in het begin tegen dit type
meisjesboek geuit zijn, zijn in de loop van deze eeuw, net als deze categorie
meisjesboeken zelf, nauwelijks veranderd. Men ergerde en ergert zich aan de
kunstmatige scheiding tussen jongens- en meisjesboeken, het eenzijdige beeld
van meisjes, de milieubeschrijving (veel van de verhalen gingen over meisjes
uit een gegoed milieu) en de geconstrueerdheid van de structuur.
De kritiek op het meisjesboek had lange tijd geen maatschappelijk
draagvlak en om die reden veranderde er tot de jaren zestig maar weinig binnen
het genre. De enscenering werd weliswaar aangepast, maar de conventies bleven
dezelfde.
| |
Pseudo-emancipatoire
meisjesliteratuur
Dat draagvlak is er, zoals gezegd, wel sinds de jaren zeventig. Onder
invloed van de vrouwenbeweging zijn de hiervoor beschreven maatschappelijke
verwachtingen ten aanzien van vrouwen de afgelopen vijfentwintig jaar
ingrijpend gewijzigd. De feministische beweging heeft zich niet zonder succes
ingezet voor een verbetering van de positie van vrouwen op het gebied van
arbeid, onderwijs, politiek, seksualiteit, huwelijk en gezin.
Meisjes als groep hebben binnen het feminisme lange tijd minder aandacht
gekregen dan vrouwen. Pas de laatste jaren is de belangstelling voor (met name
oudere) meisjes toegenomen, zowel in wetenschappelijk onderzoek als ook in het
jeugdbeleid en de praktijk van het jongerenwerk. Spoel spreekt in dit verband
van ‘het vertoog van het moderne meisje’. In tal van publikaties wordt in kaart
gebracht hoe meisjes zijn, hoe ze moeten worden en wat ze daarvoor moeten doen.
Dat levert volgens Spoel de volgende twee beelden van meisjes op:
Het geëmancipeerde, het zelfstandige en weerbare, meisje ziet
er ongeveer zo uit: ze heeft een goede (=bêta) schoolopleiding (de
Kies-Exact-campagne heeft haar daartoe gestimuleerd), leert voor een beroep dat
voorheen als een mannenberoep bekend stond en dat voldoende betaalt om
economisch zelfstandig te zijn, participeert in haar vrije tijd aan diverse
sportactiviteiten, houdt via zelfverdedigings- en assertiviteitscursussen haar
fysieke en mentale kracht op peil, heeft een vrouwvriendelijk vriendje dat
later samen met haar voor de kinderen wil zorgen, alles half-om-half verdeeld.
Haar tegenpool, het laaggeschoolde meisje, dat haar kost verdient als
gezinshulp, in haar vrije tijd met vriendinnen kletst en danst in de disco, een
stoer vriendje heeft en binnen afzienbare tijd haar baan zal verruilen voor het
moederschap is ‘uit’. Participeren is in en zorgen is uit.
3
De aanwezigheid van dit maatschappelijk draagvlak maakte dat de kritiek
van de vrouwenbeweging in de zeventiger jaren op het traditionele meisjesboek
en het beeld van vrouwen en meisjes dat daarin | | | | geschetst werd,
zijn sporen heeft nagelaten. Omdat ‘het meisjesboekenmeisje’ het man-vrouwbeeld
dat de vrouwenbeweging wilde doen verdwijnen, bevestigde, pleitten met name de
zogenaamde Werkgroepen, die voor een deel uit de feministische beweging waren
voortgekomen, voor boeken met een progressief beeld van meisjes en vrouwen.
Onder meer dit pleidooi heeft sindsdien geresulteerd in een aanbod aan boeken
met ‘nieuwe’ (Daubert, 1985) meisjes in de hoofdrol. In deze boeken wordt
afstand genomen van het traditionele beeld van meisjes. Nieuwe rollen worden
geïntroduceerd. Meisjes in deze boeken voldoen aan de beschrijving van het
moderne meisje dat ik zojuist bij monde van
Barbara Spoel heb gegeven. Ze zijn
zelfstandig, vol zelfvertrouwen, goed opgeleid, assertief en sexueel actief,
waarbij ze vaak zelf het initiatief nemen. Een voorbeeld van zo'n meisje is te
vinden in
Sneeuwwitje en de zeven krakers van
Karel Eykman. In het fragment dat ik bij wijze
van illustratie geef, wordt Ronnie gebruikt door de zestienjarige Monika, omdat
ze behoefte heeft aan sex en troost:
Ze drukte hem op zijn rug en ging boven op hem zitten. Pas
toen ze aan zijn kleren ging sjorren begon hij zenuwachtig tegen te spartelen.
‘Jeezes zeg, schei daarmee uit. Hou nou op. Laat me los!’ Monika trok zich daar
niets van aan. Ze ging door met zijn riem en zijn broek. ‘Toe nou zeg. Blijf
van me af. Laat me met rust! Laat me alleen!’ Hij riep het steeds harder, het
leek wel of hij het meende. ‘Doe niet lullig,’ zie Monika. ‘Als ik daar nu
toevallig erg behoefte aan heb.’ ‘Okee dan,’ mompelde Ronnie ten slotte. ‘Je
moet het zelf weten. Als je maar weet dat ik geen Sjaak ben.’ Hij begon aan
haar bloes te peuteren maar hij deed dat zo onhandig dat Monika alles zelf maar
uit deed. Ronnie had een mager lijf met overal bonkige armen en benen die
telkens tegen haar aan stootten. Ze had al een paar blauwe plekken te pakken
tegen de tijd dat ze tegen elkaar aan lagen. Bovendien had hij van die koude
handen, daar kreeg ze kippevel van. Op een of andere manier wilde het maar
niet lukken om een beetje op gang te komen. Het ene moment lag hij loodzwaar op
haar arm, het volgende moment zat hij klem met zijn elleboog. Daarna bleef hij
een tijd tegen haar aanrijden en sjorren met het zweet op zijn voorhoofd,
zonder zichtbaar resultaat. Door al dat geklungel kreeg Monika er steeds minder
zin in. En tegen de tijd dat ze er wel weer een beetje aan toe was, kon hij nog
steeds niks. ‘Rustig nou maar, kalm aan,’ mompelde ze. ‘Jawel jeezes, jij hebt
makkelijk praten,’ hijgde Ronnie. Maar hij ging toch wat meer ontspannen op
zijn rug liggen. Zij ging voorzichtig op hem zitten, hij grijnsde alweer.
Langzamerhand begon het plezieriger te gaan. En net op het moment dat het ervan
zou komen siste Ronnie: ‘Shiiitverdegodver!’ ‘Wat nou weer?’ zei Monika. ‘Nou
ben ik al klaargekomen,’ stotterde hij. Jammer, dacht Monika. Ben je lekker
bezig, krijgen we dat weer. Ze rolde van hem af.
4
Op het eerste gezicht zijn boeken als Sneeuwwitje en de
zeven krakers emancipatoir. Maar wie verder kijkt, ontdekt dat deze boeken
niet in alle opzichten emancipatoir zijn. Het oude cliché van het afhankelijke
meisje is vervangen door een nieuw cliché, namelijk dat van het zelfstandige,
assertieve, werkende of studerende meisje. Het attractieve, afhankelijke en
zorgzame meisje is nu op haar beurt tot mislukken gedoemd. De rollen liggen dus
nog steeds vast. Een eigen keuze is niet aan de orde of blijft in ieder geval
onbesproken. Er is met andere woorden wel sprake van een inhoudelijke, maar
niet van een literaire vernieuwing en om die reden zou ik deze boeken willen
karakteriseren als pseudo-emancipatoir. De aandacht voor de boodschap gaat ten
koste van de vorm.
In een kleinschalig onderzoek naar de beleving van sexualiteit in
jeugdliteratuur
5, werd het fragment uit Sneeuwwitje en de
zeven krakers door de veertien- en vijftienjarige vrouwelijke respondenten
bijna unaniem negatief gewaardeerd. Ronnie is niet het type jongen dat zij als
ideaal zien. Ze zijn ook van mening dat Monika zich niet aan hem moet
opdringen, omdat sex gewenst moet worden door zowel de jongen als het meisje.
Immers, als de situatie omgekeerd was geweest, zou je bijna van verkrachting
kunnen spreken, vinden ze. Bovendien, zo is hun opvatting, krijgen meisjes, die
sexueel te actief zijn, een slechte reputatie. Enkel wanneer een meisje een
serieuze relatie heeft, mag ze sexueel experimenteren.
Een tweede reden voor de vrouwelijke respondenten om het fragment uit
Sneeuwwitje en de zeven krakers negatief te beoordelen, is
dat het fragment teveel de nadruk legt op het fysieke aspect van sexueel
contact. Sexualiteit is voor hen veel meer gecombineerd met liefde en romantiek
6. De reacties van de vrouwelijke
respondenten uit dit onderzoek corresponderen met de resultaten van een
kleinschalig receptie-onderzoek van Daubert (1984). Ook haar respondenten
oordeelden negatief over boeken die ik heb aangeduid als pseudo-emancipatoire
meisjesliteratuur. Het gat tussen hun eigen | | | | attitudes ten aanzien
van vrouwelijkheid en de manier waarop vrouwelijkheid werd beschreven in de
tekst, was te groot. De boeken hadden als het ware een anti-effect, in die zin
dat de respondenten zich afzetten tegen het hoofdpersonage en zich
identificeerden met de anti-heldin.
Beide onderzoeken onderstrepen ook de bevindingen van sociologisch
onderzoek naar de leef-en belevingswereld van meisjes. Zo onderzocht onder
andere
De Waal (1989) hoe adolescente meisjes in een
fase waarin zij zich terugtrekken in een wereld van meisjes onder elkaar,
bijdragen aan elkaars opvoeding tot vrouwen. Vanuit emancipatieperspectief
gezien is De Waals conclusie op het eerste gezicht een weinig optimistische, in
die zin dat meisjes nog steeds gericht zijn op traditionele noties van
vrouwelijkheid. De Waal stelt vast dat tienermeisjes in de jaren tachtig
weliswaar kennis maken met ideeën over emancipatie en feminisme, maar dat het
in verhouding tot de mate waarin deze meisjes via de media (bijvoorbeeld via de
traditionele meisjesboeken) en in hun naaste omgeving geconfronteerd worden met
traditionele opvattingen, gaat om ‘een bescheiden tegenoffensief’. Hierdoor
zijn voor deze meisjes de traditionele opvattingen ‘normaal’ en de moeite van
het nastreven waard.
| |
Moderne meisjesliteratuur
Tegen die achtergrond zijn de ontwikkelingen die het genre in de jaren
tachtig heeft doorgemaakt positief te waarderen. Sinds een aantal jaren
verschijnen er steeds meer boeken op de markt waarin de identiteitsontwikkeling
van individuele meisjes in een maatschappij waarin verschillende visies op
vrouwen en vrouwelijkheid naast elkaar bestaan, centraal staat. In deze boeken
wordt de vrouwelijke hoofdpersoon niet gedwongen een vantevoren vastliggende
rol te kiezen, maar neemt ze haar eigen beslissingen. Op grond van een
vergelijking van deze boeken met de leef- en belevingswereld van meisjes zoals
die wordt beschreven in de sociologische literatuur, mag men aannemen dat deze
boeken voor vrouwelijke adolescenten betekenisvol zijn. Door de beschrijving
van individuele levenslopen, ondersteunen ze het proces van
identiteitsontwikkeling in plaats van het weg te laten, zoals in het
traditionele en pseudo-emancipatoire meisjesboek, waarin eigen wensen en eigen
keuzes niet aan de orde zijn. In het moderne meisjesboek kunnen lezers het
proces van verzelfstandiging dat de hoofdpersonages doorlopen, op de voet
volgen.
Het zijn bovendien boeken waarvan de structuur niet bij voorbaat
vastligt en niet recht-toe-recht-aan is. Ze bieden geen pasklare antwoorden,
maar wel de mogelijkheid tot reflectie.
Maria Lypp (1977) hanteert in dit verband het
begrip ‘kinderblik’. Zij spreekt van een ‘kinderblik’ wanneer er sprake is van
een verhaalstructuur waarin auteur en lezer als gelijken met elkaar
communiceren. De auteur moraliseert niet, maar biedt de lezer en zichzelf de
kans door middel van een eigen, literaire verwerking van het thema, te
reflecteren op bestaande kennis en ervaringen. Bij die literaire vormgeving
maakt de auteur gebruik van technieken die tot nu toe hoofdzakelijk gebruikt
werden in de volwassenenliteratuur, zoals perspectiefwisselingen en een
montagestructuur.
Voorbeelden van dergelijke, oorspronkelijk Nederlandstalige, literaire
levensverhalen van meisjes zijn, naast een aantal romans van
Veronica Hazelhoff
7,
Laura's appelkamer en
De draaimolen gaat fluitend beginnen van
Claire Hülsenbeck,
Meisjes trouwen toch van
Diet Huber,
Een mond vol dons van
Lydia Rood,
Alles heeft een verhaal van
Geertje Gort en
Zwart op wit van
Akky van der Veer.
Wie deze boeken leest, wordt getroffen door de overeenkomst voor wat
betreft de belangrijkste thema's: relaties tussen vrouwen en de verhouding tot
de andere sekse. De relatie tot het andere geslacht is weliswaar ook een steeds
terugkerend thema in het traditionele meisjesboek, maar de wijze waarop dit
thema in het moderne meisjesboek wordt uitgewerkt, verschilt echter
aanmerkelijk van de manier waarop dit onderwerp in het traditionele meisjesboek
aan de orde wordt gesteld. Relaties tussen de beide seksen kent in het
traditionele meisjesboek een vast stramien. Het vrouwelijke hoofdpersonage
ontmoet in het begin van het boek de man van haar dromen. Door een complicatie
worden beiden tijdelijk uit elkaar gedreven. De lezer heeft echter de zekerheid
dat ze aan het slot van het boek weer verenigd zullen worden. In het moderne
meisjesboek ontwikkelt de relatie tussen het vrouwelijke hoofdpersonage en een
lid van de andere sekse zich op een veel geleidelijker en realistischer wijze.
Vaak is sprake van een open einde, waarbij de vraag of en hoe de relatie zich
| | | | verder zal ontwikkelen, onbeantwoord blijft. Soms is er slechts
sprake van een relatie in aanleg. In alle gevallen staat het
zelfontdekkingsproces van het hoofdpersonage centraal.
Dit zoeken naar de eigen identiteit vormt ook de basis van het tweede
thema, de verhouding tot leden van de eigen sekse. Over de relaties tussen
vrouwen en dan met name over de moederdochter-relatie bestaat veel, met name
feministische literatuur. De verhouding tot hun moeder en de relatie met
vriendinnen is iets wat veel vrouwen en ook meisjes (De Waal, 1989 en Naber,
1992) bezighoudt. Dergelijke relaties vormen een belangrijk ijkpunt in het
eigen proces van volwassen worden en geven aanleiding tot reflectie op de eigen
identiteit. Meer nog dan bij het eerste thema - de relatie tussen beide seksen
- onderscheidt de moderne meisjesliteratuur zich hier van het traditionele
meisjesboek. Wie een willekeurig aantal traditionele meisjesboeken openslaat,
zal ontdekken dat dit thema nagenoeg onbesproken blijft en in elk geval niet de
functie heeft die het thema in de moderne meisjesliteratuur heeft.
Een mooi voorbeeld van hoe beide thema's vorm krijgen in het moderne
meisjesboek is
Zwart op wit van
Akky van der Veer. Femke, het zestienjarige
hoofdpersonage, heeft een ongebruikelijke en moeizame verhouding met Ida, haar
moeder. Ida heeft na de geboorte de opvoeding van Femke overgelaten aan haar
moeder, Omastien. Zelf is ze vertrokken naar een van de Waddeneilanden waar ze
op het moment dat de roman begint, samen met haar man Menno een hotel runt.
Menno is niet de vader van Femke, want die heeft voor haar geboorte zelfmoord
gepleegd. De weigering van Ida om met Femke over haar vader te spreken, is één
van de belangrijkste oorzaken van de ongemakkelijke verhouding tussen Femke en
haar moeder. Er is een afstand tussen hen die moeilijk te overbruggen is. De
volgende passage is daarvan een mooie illustratie. Femke staat op het punt
terug te keren naar Omastien, nadat ze de zomervakantie bij Ida, die na zestien
jaar weer zwanger is, en Menno heeft doorgebracht:
Wij stonden naast elkaar in de zoele wind. Moeder en dochter.
Ik was op zijn minst een kop groter. Daar kreeg ik een zacht gevoel van in mijn
buik. ‘Ik zal je missen,’ zei ik tegen Ida. ‘Doe niet zo gek. Je gaat de wereld
niet uit.’ ‘Echt waar!’ Mijn stem was hees, ik hoorde het zelf. Ik ging de
wereld niet uit, zoals Ida zei, maar ik zou er niet bij zijn als mijn zusje
kwam. Alle belangrijke dingen in het leven van Ida gingen buiten mij om. Dat
was altijd zo geweest en dat zou altijd zo blijven. ‘Geef haar een kus van me.’
‘Wie?’ ‘Omastien natuurlijk.’ ‘Dat doe ik.’ ‘En de groeten aan Theo, Johannes
en Sanne.’ Het afscheid nemen was blijkbaar begonnen. Mijn benen werden zwaar.
‘Hou je taai!’ riep ik tegen Ida. ‘Laat Menno maar voor je draven!’ ‘Je lijkt
Omastien wel.’ ‘Lijk ik op Omastien?’ ‘Soms wel.’ We stonden tegenover
elkaar, een meter lucht en de fiets tussen ons in. Moeder en dochter. Ik liet
alle kansen schieten. Ik wou haar knuffelen, dicht bij haar zijn, mijn hoofd op
die blote, bruine schouder leggen, ik hou van je zeggen en al die andere dingen
die moeders en dochters bij het afscheid nemen tegen elkaar zeggen. ‘Ida?’
‘Ja?’ ‘Och nee, niets,’ zei ik.
8
Het huis van haar oma ziet Femke als haar thuis:
Ida is mijn hotel, dacht ik ineens. Omastien is mijn huis. Ik
vond dat een gedachte om toe te dekken om later nog eens heel lang en heel diep
over na te denken.
9
En Femke heeft veel om over na te denken: haar relatie met haar moeder,
vooral nu deze na zo lange tijd weer zwanger is, haar onbekende vader die na de
zomervakantie opeens dichtbij is doordat de vader van haar vader (‘Opatwee’),
van wiens bestaan ze tot dan niet op de hoogte was, contact met haar zoekt en
haar zieke vriendin Anneke. Deze gebeurtenissen vormen de aanleiding tot een
zoektocht naar haar eigen identiteit. Die zoektocht leidt onder meer tot
confrontaties met anderen, met name met Anneke die, zo wordt geleidelijk en op
een onnadrukkelijke wijze duidelijk, aan anorexia nervosa leidt. Ze leert
kijken en luisteren naar anderen, naar de eenzame Opatwee, naar de
ogenschijnlijk onverwoestbare Omastien en naar de kostgangers van Omastien, de
extreem-godsdienstige Johannes en de achttienjarige Sanne, wiens ouders naar
Texas geëmigreerd zijn. En ze denkt na over wat ze voor anderen voelt.
Moeilijke definieerbare gevoelens als vriendschap, verliefdheid en liefde
worden door haar verkend in haar omgang met Rens Rozema en Sanne. Terwijl ze
meent dat ze voor Sanne vooral vriendschap voelt of van hem houdt als een zus
van een broer, brengt de schok van een mogelijk vertrek van Sanne naar Texas
haar aan het twijfelen over de | | | | gevoelens die ze voor hem heeft en
hoe ze daarmee om moet gaan.
In zijn analyse van
Zwart op wit merkt
Van den Hoven (1994) op dat Femke's gedrag in de
beschreven periode zweeft ‘tussen verlamming en vitalisme’. Aan het slot van
het boek, na de geboorte van haar zusje Stientje, lijkt het vitalisme het te
gaan winnen. Femke probeert met een zekere vastbeslotenheid wat meer zekerheden
in te bouwen: in de relatie met haar moeder en ook in de relatie met Sanne.
Haar moeder komt haar daarin tegemoet, Sanne echter voelt (nog) niet waar ze
naar toe wil:
To do what you do that you must. ‘Sanne?’ riep ik al vanuit de
verte. Hij had de brommer op het grasveldje gezet en poetste er als een
ijverige huisvrouw op los, met zijn rug naar me toe. Ik ging lichtvoetig tussen
de bloemen door. Lichtvoetig en lichthartig. De wereld was mooi en schoon en
nieuw en ik durfde een heleboel. Ik kon bergen verzetten, ik durfde alles!
‘Sanne?’ zong ik. ‘Moet je horen, ik moet iets tegen je zeggen.’ Hij draaide
zich verbaasd om en staarde me aan. ‘La Femme! Wat zie jij eruit!’ ‘Hoezo? Vind
je me niet leuk?’ ‘Niet met die troep op je gezicht.’ Ik stond zo dicht
bij hem, dat ik hem kon aanraken. Ik wilde mijn handen uitsteken en hem
vastpakken. Hij mocht niet weggaan. Hij mocht niet naar Texas. ‘Sanne?’ vroeg
ik. Mijn stem trilde, ik hoorde het zelf. ‘Wat nu weer? Wat stink je! Je
stinkt, weet je dat?’ Ik deed een stapje achteruit, twee stapjes,
misschien drie. En ik dacht: Nu niet, maar morgen. Of overmorgen. Of later. De
tijd is nog niet rijp. Ik zei: ‘Dat is Nuit de Paris, jongen! Dat is mijn
parfum!’ Hij mompelde iets. ‘Doe maar gewoon,’ verstond ik.
10
Haar zelfvertrouwen wordt er niet door aan het wankelen gebracht,
getuige de slotwoorden van het boek:
‘Femke?’ gilt Omastien naar boven. ‘We gaan eten! Direct
komen!’ Dit schrift is vol en we moeten eten. Ik wil niet meer schrijven. Ik
heb het te druk. Ik wil nu eerst eens een poosje leven. ‘Femke!’ ‘Ja, ik kom!’
11
‘Dit schrift is vol’ is een verwijzing naar de dagboekvorm. En het is
deze dagboekvorm die Zwart op wit ook in literair opzicht
opvallend maakt. Niet de dagboekvorm als zodanig, maar, en ik citeer hier
opnieuw Van den Hoven:
(...) in de explicatie van de noodzaak om die vorm te kiezen.
Femke móet schrijven, het is haar manier om controle te houden op wat er
gebeurt. Die noodzaak verklaart ze zelf uit haar visuele instelling. Ze moet de
dingen concreet voor zich zien voordat ze die tot iets van zichzelf kan maken.
Schrijven bevordert dat proces. (...) Dwars door het ruitjesraster van haar
dagboekschrift schrijft Femke zich naar een nieuw houvast.
12
De dagboekvorm impliceert een lineaire structuur. Maar ook hier
onderscheidt Zwart op wit zich van de meeste jongerenromans
in dagboekvorm. Van den Hoven wijst op het doorbreken van de lineariteit door
middel van flash backs en commentaar van het hoofdpersonage en spreekt van een
‘montageachtige’ opbouw. In dit opzicht riep Zwart op wit bij
mij herinneringen op aan eerder gelezen jeugdromans van Aidan Chambers.
| |
Een plaats in het
literatuuronderwijs
Jeugdsociologisch onderzoek laat zien dat meisjes in de puberteitsfase
nog altijd, in weerwil van maatschappelijke opvattingen over een sekseneutrale
socialisatie, een eigen wereld creëren waarin ze oplossingen zoeken voor de
problemen die ze op weg naar volwassenheid tegenkomen. Ze moeten leren omgaan
met de uiteenlopende opvattingen over vrouwelijkheid waarmee ze in het
dagelijks leven worden geconfronteerd. Een eigen, bij meisjes als zodanig
bekende literatuur, waarin die verschillende visies op meisjes en vrouwen
geïntegreerd zijn in levensverhalen van meisjes die op zoek zijn naar een
vrouwelijke identiteit, past in dit proces. En nu sinds de jaren tachtig deze
boeken ook in literair opzicht volgroeid zijn, is aandacht voor moderne
meisjesliteratuur in het literatuuronderwijs gerechtvaardigd. En niet
noodzakelijkerwijs alleen in de onder- en middenbouw, | | | | maar ook in
de bovenbouw van havo en vwo
13.
Jeugdliteratuur, waarvan de moderne meisjesliteratuur een specifiek genre is,
is een vorm van literatuur, waarbinnen net als in de volwassenenliteratuur
onderscheid gemaakt kan worden tussen literaire werken die wel en literaire
werken die niet of minder aan de literaire eisen van de tijd beantwoorden. En
vanuit dat perspectief bezien wordt het tijd dat het voortgezet onderwijs daar
zijn conclusies uit trekt voor de inrichting van het literatuuronderwijs en
serieus werk maakt van een al jaren in de vakliteratuur gewenst longitudinaal
literatuuronderwijs. Hoewel de randvoorwaarden voor een dergelijk
literatuuronderwijs op dit moment niet optimaal zijn en in de toekomst
verbeterd zouden moeten worden (in de zin van meer jeugdliteratuur in de
lerarenopleidingen en meer lesmateriaal voor het werken met jeugdliteratuur in
de bovenbouw), is het desalniettemin heel goed mogelijk een start te maken.
Doelen die docenten zeggen na te streven (Janssen, 1992) kunnen ook en zelfs
beter gerealiseerd worden door een literatuuronderwijs waarin jeugdliteratuur
naast volwassenenliteratuur wordt aangeboden dan door literatuurlessen waarin
uitsluitend kennis gemaakt wordt met volwassenenliteratuur. Jeugdliteratuur
sluit over het algemeen beter aan bij de belevingswereld van jongeren dan de
meeste volwassenenliteratuur, zodat doelen als leesplezier en individuele
ontplooiing (verhoudingsgewijs meer nagestreefd door havo- dan door
vwo-docenten) beter bereikt kunnen worden. Maar ook doelstellingen als
culturele en literair-esthetische vorming (vooral benadrukt door docenten vwo),
hoeven niet in gevaar te komen. Ook jeugdliteratuur behoort immers tot ons
culturele erfgoed en een geïntegreerd overzicht van ontwikkelingen in de jeugd-
en volwassenenliteratuur maakt dat het zicht op onze cultuur wordt
verbreed.
De literair-esthetische vorming wordt in het huidige literatuuronderwijs
onder meer nagestreefd door het behandelen van literatuurtheorie in de klas.
Werken uit de volwassenenliteratuur worden geanalyseerd en beoordeeld op de
mate waarin en de wijze waarop de verschillende literaire criteria zijn
uitgewerkt. Aangezien het in de volwassenenliteratuur vaak gaat om werken die
door inhoud en/of stijl en structuur ver van de leerling afstaan, wordt het
zoeken naar, het begrijpen en bespreken van de literaire criteria bemoeilijkt.
Jeugdliteraire werken zoals die van
Hazelhoff en
Van der Veer laten zich op dezelfde literaire
wijze lezen als volwassenenliteratuur. Maar omdat leerlingen zich over het
algemeen meer bij deze teksten betrokken voelen en ze beter doorzien, zal het
inzicht in het literaire begrippenapparaat en de vaardigheid in het toepassen
ervan, groter zijn dan wanneer uitsluitend met volwassenenliteratuur wordt
gewerkt. Bovendien is de vergelijking van analyses van jeugdliteraire werken
met lezingen van werken uit de volwassenenliteratuur een goed uitgangspunt voor
discussies over kwesties als toekenning van kwaliteit, over de scheiding tussen
jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur (waarom wordt
Robinson van
Doeschka Meijsing gerekend tot de
volwassenenliteratuur en
Zwart op wit van
Akky van der Veer en
Mooie dagen van
Veronica Hazelhoff niet?) en de rol van
literaire instituties (met name de literaire kritiek) in deze.
Het opnemen van jeugdliteratuur in de literatuurlessen voor de bovenbouw
is niet gebonden aan een bepaalde benadering van literatuur en
literatuuronderwijs. Jeugdliteratuur kan zowel vanuit literair-historisch,
structuur-analytisch, literatuur-sociologisch als ook vanuit een lezersgericht
standpunt benaderd worden. Sleutelwoorden zijn vergelijking en confrontatie.
Vertrekkend vanuit de jeugdliteraire ervaringen van leerlingen kan door
vergelijking en confrontatie van jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur met
elkaar het ‘nieuwe’ doel van het literatuuronderwijs, zoals geformuleerd in de
vakliteratuur, bereikt worden. Het gaat hier om literaire competentie. Dit
begrip, zoals omschreven door De Moor en Coenen (1992), omvat zowel kennis van
literatuuraanbod, van de politieke en sociale context van literaire teksten en
kennis van literaire conventies en genres, als ook vaardigheid in het lezen,
analyseren en interpreteren van literaire teksten. Daarnaast wordt van de
literair competente lezer verwacht dat hij in staat is zijn eigen mening te
verwoorden over literatuur en die te confronteren met oordelen van anderen.
Adolescentenliteratuur, met meisjesliteratuur als bijzondere vorm
daarvan, kan in de realisering van deze doelstelling een sleutelpositie
innemen.
| |
Literatuur
| L. Coenen & W. de Moor. ‘Het begrip “literaire competentie”’. In: W.
de Moor & M. van Woerkom (red.). Neem en lees. Literaire
competentie. Het doel van het literatuuronderwijs. Den Haag, NBLC, 1992,
p. 11-18. |
| | | |
| M. Dahrendorf. Das Mädchenbuch und seine Leserin.
Jugendlektüre als Instrument der Sozialisation. Weinheim/Basel, Beltz,
1980. |
| M. Dahrendorf. ‘Mädchenliteratur’. In: Haas, Gerhard. Kinder- und Jugendliteratur. Ein Handbuch. Stuttgart, Philipp
Reclam Junior, 1984, p. 110-138. |
| H. Daubert. ‘Literarische Rollenbild und Leserrolle - zur Rezeption von
Mädchenlektüre’. In: Informationen des Arbeitskreises für
Jugendliteratur, 1984, p. 40-50. |
| H. Daubert. ‘Die “neuen” Mädchen - Eine kritische Bestandsaufnahme. In:
Informationen des Arbeitskreises für Jugendliteratur, 1985,
p. 46-55. |
| K. Eykman. Sneeuwwitje en de zeven krakers. Amsterdam,
De Harmonie, 1988. |
| P. van den Hoven. Grensverkeer. Den Haag, NBLC,
1994. |
| T. Janssen. Het literatuuronderwijs Nederlands in de
bovenbouw van het havo en vwo. Resultaten van een nationale enquête.
Amsterdam, ILO, 1992. |
| H. van Lierop-Debrauwer. ‘Het bestaansrecht van meisjesliteratuur. Over
de meisjesboeken van Veronica Hazelhoff’. In: Literatuur zonder
leeftijd, 8, 32, 1994, p. 112-129. |
| H. van Lierop-Debrauwer. ‘Het geminachte kind. Jeugdliteratuur in de
bovenbouw van havo en vwo’. In: Spiegel, 12, 1, 1994, p.
9-21. |
| M. Lypp. ‘Kinderblick und Wanderbühne. Zu den Texten von Günther Bruno
Fuchs’. In: M. Lypp (Hrsg.). Literatur für Kinder. Studien über
ihr Verhältnis zur Gesamtliteratur. Göttingen, Vandenhoeck und Ruprecht,
1977. |
| P. Naber. Vriendschap onder jonge vrouwen.
Amersfoort/Leuven, Acco, 1992. Dissertatie. |
| N. van Osch. Plaisir d'Amour. Een kwalitatief onderzoek
naar de beleving van seksualiteit in de Nederlandstalige jeugdliteratuur door
jongeren. Tilburg, 1995. Ongepubliceerde doctoraalscriptie. |
| B. Spoel. ‘Het moderne meisje’. In: C. Bouw (red.). Werkdocument Meisjesonderzoek. Amsterdam, SISWO, 1989, p.
15-24. |
| M. de Waal. Meisjes, een wereld apart. Een etnografie van
meisjes op de middelbare school. Meppel, Boom, 1989. |
| B. Wolff & A. Deken. De historie van mejuffrouw Sara
Burgerhart. Utrecht/Antwerpen, Veen, uitgevers, 2de dr., 1989. Amstel
Klassiek. |
|
1Wolff & Deken, 1989, p. 6.
2Dahrendorf, 1984, p. 123.
4Eykman, 1988, p. 142-143.
5Van Osch, 1995, ongepubliceerde
doctoraalscriptie.
6De respondenten geven ook nog een derde argument
dat voor het betoog echter minder relevant is. Zij oordelen ook negatief omdat
ze het onverantwoord vinden dat Monika en Ronnie geen voorbehoedsmiddelen tegen
zwangerschap en AIDS gebruiken.
7Voor een analyse van deze romans zie mijn
bijdrage aan het winternummer 1994 van Literatuur zonder
leeftijd.
8Van der Veer, 1993, p. 18-19.
9Van der Veer, 1993, p. 18.
10Van der Veer, 1993, p. 149-150.
11Van der Veer, 1993, p. 150.
12Van den Hoven, 1994, p. 108.
13Zie ook Van Lierop-Debrauwer, 1994.
|
|