Uyt-spanningen


auteur: Jodocus van Lodenstein


bron: Jodocus van Lodenstein, Bloemlezing uit de bundel Uyt-spanningen (ed. P.J. Buijnsters). W.J. Thieme & Cie, Zutphen z.j. [1971]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. De dichter

Wij weten niet wanneer en onder welke omstandigheden Lodenstein voor het eerst gedichten is gaan schrijven. Het vroegst geda-

[p. 14]

teerd zijn Eenige Invallen, voorgecomen op eene reyse van Sluys in Vlaanderen na Holland en wederom in 't Jaar 1651. Dit gedicht doet in zijn verstechniek nog erg primitief aan. Toch zal Lodenstein waarschijnlijk wel vóór zijn dertigste jaar de poëzie beoefend hebben. Een traditionale scholing in de latijnse dichtkunst met praktische toepassing van het geleerde ligt voor de hand, al ontbreekt elk bewijs. Hooft, Cats, Vondel en vooral Huygens waren hem inspirerende voorgangers die hij een enkele maal navolgde, zonder iets van zijn zelfstandigheid te verliezen.

Lodenstein heeft van zijn gedichten nooit ophef gemaakt. Hij schreef ze slechts, gewoonlijk op zondag na de preek22), voor eigen ontspanning alsook tot stichting van de gezelschappen waarmee hij verkeerde. In het literaire leven van zijn tijd speelt hij absoluut geen rol. De enige dichters met wie hij betrekking onderhield: ds. Willem Sluiter uit Eibergen en ds. Samuel Doreslaar te Delft, behoorden eveneens tot de stillen in den lande.

Dezelfde distantie treft ons in Lodenstein's bekommernis om publicatie. Alleen incidenteel liet hij een (gelegenheids-) gedicht drukken. Pas eind 1676, kort voor zijn dood, verscheen bij Willem Clerck te Utrecht Lodenstein's enige dichtbundel Uyt-Spanningen.

 

De 165 gedichten, verdeeld over 425 pagina's23), zijn thematisch gerangschikt in vier afdelingen:

I. Bijbel-stoff, of Bedenckingen over, en Uyt-breydingen van eenige plaatsen der H. Schrifture of Psalmen (40 gedichten).
II. Aandagten over bysondere Geestlijke Stoffen (36 gedichten).
III. Stigtelijke Invallen op verscheydene Voorvallen (50 gedichten).
IV. Boetdigten (5 in getal).

Veel zorg schijnt aan de compositie van de bundel niet besteed, want na afdeling IV volgt nog een Aanhangsel met enige ‘Gesangen die in de ordre overgeslagen waren’, bij elkaar 26 puntdichten en 8 andere gedichten.

Verreweg de meeste van deze, zonder uitzondering religieus geïnspireerde teksten zijn liederen met bijgevoegde zangwijs, waarvoor Lodenstein, als gebruikelijk, ruimschoots heeft geput uit de profane melodieënvoorraad. Afgezien van de puntdichten telt

[p. 15]

de bundel Uyt-Spanningen in totaal slechts 23 leesverzen tegen 116 liederen.

Trimp heeft opgemerkt, dat Lodenstein na 1664 geen leesverzen meer gemaakt heeft, hetgeen hij toeschrijft aan diens opzet om zijn dichtwerk in dienst te stellen van de zingende gelovigen24). Het spreekt vanzelf dat dit karakter van liedtekst ook bij de beoordeling van Lodenstein's poëzie voorop moet staan. Woord en melodie vormen hier een geheel. Zelfs een zwakke tekst kon in combinatie met de muziek een innigheid krijgen die thans bij enkele herlezing onnavoelbaar blijft. Het enkele malen herhalen van dezelfde regel bijv. stoort de zanger volstrekt niet maar de lezer des te meer. Onze beschouwing raakt bijgevolg slechts één dimensie van de twee-eenheid die wij lied noemen.

 

Wat onmiddellijk opvalt is de buitengewone lengte van Lodenstein's liederen25). Een omvang van 26, 28 of 46 strofen vormt geen uitzondering. Het gedicht Niet en Al telt 68 coupletten van vijf regels! Deze uitvoerigheid doet noodwendig afbreuk aan het lied-karakter, dat volgens Emil Staiger26) van nature een korte vorm vereist, omdat het gebonden is aan een altijd momentane stemming. Die lyrische stemming kan wel door middel van de herhaling in rijm, metrum, of keerverzen enige tijd vastgehouden worden, maar Lodenstein overschrijdt die grens meer dan eens. Het kan ook moeilijk anders of zulke ellenlange gedichten, die dezelfde gedachte eindeloos herhalen, vertonen een gebrek aan samenhang. Een contemporain criticus heeft de Utrechtse dominee eens verweten dat ‘een goet deel van sijn Predikatie niet en schijnen als invallen te sijn27). Voor zijn poëzie geldt ongetwijfeld hetzelfde, getuige reeds de titels van diverse gedichten: het zijn dikwijls invallen (cf. afdeling III), aandachten of meditaties, waarin de losse, improviserende gedachte de versbeweging bepaalt.

[p. 16]

Het merkwaardige is nu echter - Trimp heeft er reeds op gewezen - dat die omslachtigheid in het betoog of in de beschouwing bij Lodenstein samengaat met een uiterst pregnante formulering, soms op het duistere af. Elliptische constructies, samentrekkingen, het weglaten van een hervattend pronomen of reeds genoemd object komen op elke bladzijde voor. Een bijzonder rijke variatie in rijmschikking (eindrijm, dubbelrijm, binnenrijm, echo-effecten) en strofenbouw, gevoegd bij een zelfs in zijn stuntelige momenten heftig bewogen versritme heft het bezwaar van de monotonie voor een belangrijk deel weer op. Toch doen de kortere gedichten (dikwijls zijn dat leesverzen) Lodenstein van zijn sterkste kant kennen. In die zin is hij dan ook typisch een dichter die in een bloemlezing van beperkte omvang het best tot zijn recht komt.

Een niet minder eigenaardige trek van Lodenstein's poëzie is de totale afwezigheid van mythologische verwijzingen of andere reminiscenties aan de antieke cultuur. In de plaats daarvan vinden we een exclusieve gerichtheid op het christelijk heilsperspectief. Alle natuurlijke, aardse ervaringen worden, vaak met behulp van de allegorie, in religieuze zin omgebogen. Dat kan in moraliserende gedichten zoals Op een versch Hoender-Ey geschoncken tot verquickinge erg nadrukkelijk gebeuren. Dan blijft er een duidelijke scheiding tussen beeld en toepassing. Maar in zijn bevindelijke gedichten is Lodenstein's religieuze inspiratie directer, spontaner, intenser. Religieus wil hier zeggen in de woorden van Fortmann: ‘toegang gevend tot de onuitsprekelijke grond der dingen’28). Niet toevallig gebruikt Lodenstein ook die oude mystieke term grond ter aanduiding van het goddelijk oerbegin. Zijn diepzinnigste gedichten zijn die, waarin hij het mysterie van Gods wezen poogt uit te drukken. Alleen de paradox is bij machte Christus' menswording onder woorden te brengen:

 
Seg ick / den Schepper wierd ten Schepsel; off
 
Seg ick / Het schepsel wierd ten Schepper; 't stof
 
Wierd nu syn eygen maker; d'eygenaar
 
En maker wierd syn maacksel; beyde is waar.
 
 
 
Seg ick den Geest die sonder eynden leeft
 
Wierd vleesch en sterfelijck; seg ick die beeft
[p. 17]
 
Voor 't minst geruysch / en 't slegtste doods-gevaar
 
Wierd van de dood onraackbaar: beyde is waar.29)

God's relatie tot de eigen ziel wordt in termen ontleend aan het Hooglied beschreven als een verhouding van bruidegom tot bruid. Het H. Avondmaal is voor Lodenstein het kostbaarste bewijs van die liefdeband.

Bij een man van primair religieuze aandoening als de dichter van de Uyt-Spanningen doet zich echter gemakkelijk een eigenaardige polariteit voor. Enerzijds is daar de attractie schepsel-God, anderzijds het tremendum, het besef van de enorme afstand tussen beiden. Tederheidsbehoefte naast gevoel van inferioriteit schept zo een voortdurende spanning. Zij veroorzaakt bij Lodenstein een excessieve behoefte aan zuiverheid die hij tegelijk weet niet te bezitten. Dit alleen verklaart de onredelijkheid waarmee hij plotseling uitvaart tegen hen die Gods heiligheid niet eerbiedigen, zoals ‘die onbeschaamde dert'le’, die met ontblote elleboog bij het H. Avondmaal durfde aanzitten30). Het verklaart ook waarom Lodenstein als een echt boetprofeet bijna met ongeduld de dag tegemoet zag dat oorlogsgeweld de vele naam-christenen tot inkeer zou brengen31).

Lodenstein's denktrant ligt geheel in de sfeer van het absolute. Een genuanceerd standpunt mag men bij hem niet verwachten. Voor hem geldt steeds het entweder ... oder. In zijn gedichten toont hij op zijn hoogst een wat grimmige ironie, bijv. wanneer hij de dames beklaagt die hun gelaat met mouches hebben opgesierd32). Toch kent deze taalgevoelige dichter wel degelijk ook momenten van vertedering. Het sublieme Af-syns Smerte op gelegentheyd van 't scheyden eens Vriends moge volstaan als bewijs voor de menselijke genegenheid die hij in zich droeg. De erkenning echter van deze menselijke èn poëtische kwaliteiten vroeg meer geestelijke affiniteit dan waartoe een positivistische, vrijzinnige of louter esthetische literatuurkritiek in staat bleek.

 

Het is met de waardering van Lodenstein's poëzie merkwaardig gesteld! Vroeger, toen zijn liederen in wijde kring bekend waren,

[p. 18]

eerde niemand hem als dichter. Tegenwoordig, nu zijn verzen bijna onbereikbaar zijn geworden, is zijn dichtroem tot ongekende hoogte gestegen.

De bundel Uyt-Spanningen vond aanstonds gretig aftrek en dat succes zou voortduren tot ver in de 18e eeuw. In 1780 verscheen nog een 16e druk. Van een strikt literaire waardering was intussen geen sprake. Hieronymus van Alphen en Pieter Leonard van de Kasteele bijv. noemen Lodenstein's Uyt-Spanningen in de voorrede tot hun Proeve van Stichtelijke Mengel-Poëzij (Utrecht 1771) wel dierbaar voor een godvruchtig gemoed, maar rekenen hun geestverwant kennelijk niet tot de kategorie van Vollenhove, Boddaert, Voet en Schutte, wier gedichten ‘zoowel wegens kunst en geest te roemen, als wegens Godsvrucht hoog te schatten zijn’.

En de anderen die zich minder bekommerden om de vrome bedoeling? Zo zij al door een enkel vers getroffen werden, dan vormde juist Lodenstein's bevindelijkheid een onoverbrugbare hindernis voor volledig begrip. Illustratief voor dit wanbegrip zijn de als lof bedoelde woorden van P.G. Witsen Geysbeek over Lodenstein: ‘in zijne stootende mystieke denkbeelden is iets dichterlijks, waaraan zelfs de verouderde stijl geen nadeel doet.’33)

Wanneer Lodenstein in de jaren 1870-1880 opnieuw belangstelling gaat trekken, dan geldt die aandacht toch vooralsnog meer zijn plaats in de vaderlandse kerkgeschiedenis dan zijn betekenis voor onze dichtkunst. Een uitzondering vormt A.W. Bronsveld met zijn bloemlezing uit 1867, waarin hij op het belang wees van de 17e-eeuwse piëtistische literatuur. Maar hij werd aanstonds geattaqueerd door Simon Gorter, die, hoewel erkennend dat enkele gezangen ‘even fijn van gevoel als welluidend’ waren, toch zijn bezwaren tegen Lodenstein breed uitmat. Dogmatische bekrompenheid, godlasterende zinnelijkheid, wekelijke familiariteit - dat zijn zoal de invectieven waar Gorter Lodenstein's religieuze poëzie mee aanduidt. En Proost? Ook hij spreekt bijna verontschuldigend over de Uyt-Spanningen: ‘Tallooze malen’ zondigen ze ‘tegen den goeden smaak, tegen maat en rijm’, waarbij komt dat L's vroomheid, ofschoon ‘innig en diep’, in hoge mate ‘éénzijdig’ was. Nadien volgt weer

[p. 19]

het bekende verwijt van Lodenstein's neiging tot een ‘niet zeer gezonde mystiek’34).

Het heeft weinig zin hier een uitgebreid overzicht te geven van alle negatieve of nietszeggende uitlatingen in handboeken en letterkundige studies met betrekking tot de dichter Lodenstein. Een kentering komt pas in 1950, het eerst bij Heeroma die in zijn bekende bloemlezing uit de protestantse poëzie van de 16e en 17e eeuw een vijftal gedichten van hem (waaronder enkele sterk-bevindelijke) opnam, terwijl hij in zijn inleiding een korte maar van inlevingsvermogen getuigende karakteristiek gaf. Twee jaar later verscheen de onder Heeroma's leiding geschreven dissertatie van Trimp, een eerste, zij het weinig overzichtelijke poging tot inventarisatie van het poëtisch materiaal. In datzelfde jaar bracht Van Es een volledige rehabilitatie van de dichter door zijn gedegen analyse van diens poëzie in het vijfde deel van de Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden.

Natuurlijk hangt die herwaardering samen met de algemene revaluatie van onze 17e-eeuwse (nog niet van de 18e-eeuwse) piëtisten, van Luyken tot Sluiter. Daarbij kunnen allerlei factoren een rol spelen, zoals in het negatieve: geringere affiniteit voor renaissancistische vormcultus, mythologische beeldspraak, impersonality, universeel perspectief. Of positiever: grotere behoefte aan gevoels-intensiteit, directheid, engagement. In het geval van Lodenstein komt daarbij de fascinerende eenheid van mens en dichter, van dichter en gedicht. Ook wie zich geestelijk helemaal niet aan deze tegelijk dogmatisch-dreigende en tedere asceet verwant weet, kan ervaren hoe naast zijn ongelijkmatige liederen heel wat vormvaste verskunst verbleekt.

Wat nog te doen overblijft is allereerst een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van Lodenstein's poëzie door vergelijking met dichters als Sluiter, Camphuysen, Barnardus Busschof, Vollenhove, Doreslaar enz. En vervolgens het traceren van zijn invloed in de talrijke 17e- en 18e-eeuwse stichtelijke zangbundels. Er loopt in elk geval een duidelijke lijn van Lodenstein via de Utrechtse groep rond Friedrich Adolp Lampe (tussen 1720-1727)35) naar Hieronymus

[p. 20]

van Alphen en zijn kring. Die invloed lijkt vooralsnog meer van godsdienstige dan van literaire aard, maar laat niettemin iets zien van de ondergrondse relatie tussen het 17e-eeuwse piëtisme en de 18e-eeuwse preromantiek.