|
|
|
| |
| | | |
Morfeemgeografie van de Nederlandse herkomstnamen(1)
| |
1. Naar een eigen methode in de naamgeografie.
Toen ik enkele maanden geleden door de Commissie voor Naamkunde en
Nederzettingsgeschiedenis te Amsterdam werd aangezocht een lezing te houden
over een naamgeografisch onderwerp, was dat voor mij een welgekomen
aanleiding om bepaalde inzichten uit te | | | | werken die ik om
methodologische redenen in mijn dissertatie ‘Morfeemgeografie en
-geschiedenis van de Nederlandse familienamen’(2) niet had kunnen behandelen. Door mijn jarenlange
ervaring met naamrepertoria en archieven was bij mij het vermoeden gerezen
dat ook in de klasse der toponymische toenamen streng afgebakende
dialectarealen te ontdekken vielen. Enkele van die arealen zijn zelfs met
een ongeoefend oog nog goed waar te nemen en zijn in de naamkundige
literatuur dan ook allang geen onbekenden meer: het praktisch volledig
ontbreken van voorzetselnamen in het Duitse taalgebied (Bach,
Dürkheim, Lehnbach, Adorf, Knippenberg...)(3) tegenover hun
massaal voorkomen in de Nederlanden; de typisch Oost-nederlandse namen met
Te (Ten Brink, Ten Kate, Ter
Haar)(4); te vermelden is ook - hoewel niet Nederlands - de
tegenstelling in het Duitse taalgebied tussen Zuidduitse namen op -er (Ingelheimer, Enzensberger,
Scheidegger), de meer centraal te lokaliseren namen zonder affix (Bach, Adorf) en de Noordduitse op -mann
(Bachmann, Lachmann, Brinkmann)(5).
Bij mijn eigen onderzoek naar verdere geografische tegenstellingen binnen het
Nederlands heb ik zoveel mogelijk contrasten buiten beschouwing gelaten die
niet strikt antroponymisch-linguistisch te noemen zijn. Zo is de oppositie
tussen Vandemeersche en Vandenbempt
eerder van algemeen appellativische-lexicologische aard, die tussen Vandenbroecke en Vandenbroeck heeft te
maken met apocoperingswetten van het Nederlands die men beter met de
bestaande dialect-atlassen kan bestuderen enz.
In verband met de Middelnederlandse morfologie brengt de naamgeografie
eveneens bepaalde feiten aan het licht. Het woord ‘voort, voorde’ (=
doorwaadbare plaats) moet in het Oudvlaams mannelijk zijn geweest, in het
Kempisch daarentegen vrouwelijk blijkens de nog bestaande tegenstelling Vande(n)voorde/Vervoort; ‘Cruce’ was in het Oudvlaams
vrouwelijk, in het Oudbrabants echter onzijdig (vgl. Vercruysse(n)/Vandecruys; indien vrouwelijk had laatstgenoemde | | | | naam de uitgang -en moeten krijgen); ‘heide’
was vrouwelijk in het Brabants en Noordoostvlaams (Verheyden), mannelijk (of onzijdig?) in het West- en Zuidoostvlaams
(Vandenheede, Vanhee)(6). Hoe interessant het
uitwerken van zulke tegenstellingen ook moge zijn, ze behoren in feite niet
tot het domein van specifiek naamkundig onderzoek en zullen in navolgend
betoog dan ook niet verder aan de orde komen. Evenmin beoog ik een onderzoek
van sociografische aard over migratie van familienamen, zoals dat in de
laatste jaren o.m. door Buitenhuis voor Noord-Brabant is
gebeurd.
Bij alle soortgelijke onderzoekingen levert de naamkunde ongetwijfeld zeer
verdienstelijk werk, maar bevindt zij zich per slot van rekening toch maar
steeds in een ondergeschikte rol ten opzichte van andere disciplines zoals
de historische klankleer, de lexicologie of de demografie. Het is een
belangrijke, bijna existentiële vraag voor de naamkunde of zij in staat is
een eigen methodologie te ontwikkelen en resultaten af te werpen die geen
herhaling bevatten van inzichten die even goed of zelfs beter door andere
deeldisciplines kunnen worden verkregen. M.a.w.: is een naamkunde mogelijk
die andere vakgebieden niet naar de ogen kijkt, maar zelfstandig poogt haar
eigen wetmatigheden te ontdekken? Onderhavige studie wil een kleine bijdrage
zijn tot de oplossing van die vraag.
| |
2. De evoluties Vander > Ver
en Vanden > Van.
| |
2.1 De overgang Vander > Ver als dialectgeografisch verschijnsel.
Het uitgangspunt van mijn onderzoek vormen naamvarianten als Verstraeten/Vanderstraeten, Verheyden/Vanderheyden,
Verschueren/Vanderschueren enz. Het is reeds langer bekend dat
namen als Verstraeten, Verschueren e.d. geëvolueerd
zijn uit een voorstadium met vander.
Lindemans
,
Van Gorp
en
Peene
hebben er destijds reeds uitvoerige bijdragen aan gewijd. Lindemans en Van Gorp(7) toonden met
archiefmateriaal aan dat de overgang vander > ver in de Antwerpse Kempen | | | | gedateerd moest
worden omstreeks 1400-1450. Peene(8) dateerde de overgang in Zuid-West-Vlaanderen (Kortrijk)
omstreeks 1550. Tussen de overgang in de Antwerpse Kempen en in
West-Vlaanderen blijkt aldus een tijdkloof te liggen van tenminste 100
jaar. Dat laat reeds vermoeden dat we met een geografisch expansief
verschijnsel te maken hebben. De opmars ervan heb ik, zonder exhaustief
te willen zijn, in volgende tabel weergegeven. Het valt daarbij op (men
zie de gegevens voor Herentals) dat de door Van Gorp vastgestelde overgangsfase met meer dan een
eeuw moet worden vervroegd.
| |
|
vander
|
ver
|
| Herentals(9) |
1296 |
2 |
5 |
| |
1300 |
6 |
- |
| |
1333-69 |
36 |
15 |
| |
1421-65 |
25 |
83 |
Vanuit de Zuiderkempen straalde het verschijnsel dan met variërende
intensiteit in verschillende richtingen uit.
|
Noordwaarts:
|
|
|
|
|
Lille
|
1410(10) |
5 |
6 |
| |
1477-ca. 1500(11) |
3 |
8 |
|
Wechelderzande
(12)
|
1368 |
5 |
6 |
|
Tielen
(13)
|
1494-1513 |
0 |
9 |
|
Gierle
|
1410(14) |
3 |
4 |
| |
1454-ca. 1490(15) |
30 |
14 |
|
Turnhout
(16)
|
1368 |
3 |
13 |
|
Arendonk
(17)
|
1443-ca. 1455 |
10 (waarvan 8 × de schepenfamilie Van der Molen!) |
18 |
| | | |
| Kempenland (Oirschot, Bergeik enz.)(18) |
1430-1450 |
41 |
3 |
| |
1451-1467 |
50 |
4 |
|
Oisterwijk
|
1488-89(19) |
10 |
0 |
| |
1491-92(20) |
13 |
12 |
|
Hilvarenbeek
(21)
|
1429-67 |
20 |
0 |
| Peelland (St.-Oedenrode
enz.)(22) |
1468-74 |
15 |
3 |
| Culemborg: de eerste voorbeelden zijn
1525 Verwey, 1526 Verkerck, 1539 Vermuyr, 1541 Verleyd(23) |
| Nijmegen: eerste voorbeelden 1494
Verwaeyen, 1498 Verhoirst, Verstegen, 1526 Vermoelen. 1532
Verschuppen, 1533 Ver Waeyen(24) |
| Nedersticht: eerste voorbeelden 1519
Verduyst, 1525 Verschoer, 1529 Verkerck, 1530 Verwey, 1533
Verschuer(25) |
| Utrecht: eerste voorbeelden 1488 Vermeer,
1494-5 Verheyen (wat geen Utrechts is!), 1496-7 Versteech(26) |
|
Noordwestwaarts:
|
|
|
|
|
Vorselaar
(27)
|
1467-ca. 1477 |
0 |
24 |
|
Zandhoven
(28)
|
1447-80 |
36 |
31 |
|
Westmalle
|
1475-80(29) |
8 |
8 |
| |
1510-20(30) |
10 |
16 |
|
Loenhout
|
1479-87(31) |
23 |
1 |
|
Rijkevorsel
|
1464-70(32) |
16 |
8 |
|
Wuustwezel
|
1483-88(33) |
11 |
14 |
|
Oostwaarts:
|
|
|
|
|
Geel
|
1442-50(34) |
- |
16 |
| | | |
|
Vorst
|
1424-....(35) |
8 |
2 |
| Oostham-Kwaadmechelen |
1488-1505(36) |
3 |
4 |
| |
1582-1559(37) |
8 |
23 |
| Tongerlo-Bree-Gruitrode |
1538(38) |
16 |
0 |
|
Westwaarts:
|
|
|
|
|
Berlaar
|
1469-79(39) |
22 |
6 |
| |
1516-33(40) |
9 |
32 |
|
Heist-op-den-Berg
|
eind 15de eeuw(41) |
1 |
14 |
| Lier |
ca. 1375-ca. 1470(42) |
ca. 550 |
ca. 50 |
| Duffel |
1497-1524(43) |
- |
11 |
| Rumst |
1472-86(44) |
16 |
1 |
| Lokeren-Daknam(45) |
1480 |
29 |
- |
| |
1552 |
9 (waarvan 7 uit Daknam) |
19 |
|
St.-Winoksbergen
|
1558(46) |
18 |
3 |
Het is natuurlijk best mogelijk dat de expansie van de vernieuwing zich
niet als een continu golfverschijnsel heeft voorgedaan, maar dat zij
sprongsgewijs eerst de grote centra heeft veroverd en dan pas de daarop
georiënteerde kleinere gemeenten en gehuchten. Door de aard van het
archiefmateriaal is daarover nauwelijks enig uitsluitsel te verkrijgen.
Toch lijken de mij ter beschikking staande gegevens de conclusie te
wettigen dat de overgang vander > ver in een stroomversnelling is geraakt nadat hij in de grote
steden ingang had weten te vinden. Zo stelt men vast dat het ongeveer
anderhalve eeuw heeft geduurd vooraleer het verschijnsel vanuit het
stadje Herentals het nauwelijks 40 km verder gelegen Antwerpen wist te
bereiken; amper | | | | 50 jaar daarna blijkt het reeds tot in de
verste uithoeken van West-Vlaanderen te zijn doorgedrongen!
De ver-vormen hebben zich ook naar het noorden en het
oosten toe verspreid. Het valt daarbij op dat de chronologische
verschillen tussen het Noordbrabantse Oisterwijk, Utrecht en
Belgisch-Limburg niet erg groot zijn en dat de overgang er in de 16e
eeuw is gebeurd(47).
De nieuwe vorm heeft zich niet in alle Nederlandse dialecten weten in te
burgeren. Met het materiaal in de Nederlandse Repertoria van
Familienamen (zie kaart) is nog heel goed na te gaan dat boven de Grote
Rivieren enkel nog de provincies Utrecht, Zuid-Holland en Gelderland aan
de evolutie hebben deelgenomen, althans het zuidelijke gedeelte ervan;
het verschijnsel is echter totaal onbekend gebleven in Noord-Holland,
Drente, Overijsel en de noordelijker provincies.
Ook in België is vander niet overal geëvolueerd tot ver. Met de moderne telefoongidsen kan nog heel
precies worden vastgesteld dat ver- onbekend gebleven
is in het zuiden van de provincies Oost-Vlaanderen en Brabant. Voor
Belgisch-Limburg, waar van-namen om nader aan te halen
redenen weinig frequent zijn, heb ik getracht met behulp van de
parochieregisters de isomorfen wat scherper te trekken. Het resultaat
van mijn archief- en telwerk is te zien op de bijgevoegde kaart, die bij
gebrek aan voldoende gegevens aan de west- (Holland en Zeeland) en
oostkant (Nederlands-Limburg en Duitsland) oningevuld moest blijven.
| |
2.2 De oorzaken.
Reeds
J. Lindemans
(48) en
L. Peene
(49) hebben gewezen op
de vergelijkbare overgang van Middelnederlands elkander,
malkander naar elkaar, mekaar. Peenes vaststellingen waren gebaseerd op menigvuldige
vindplaatsen van 16e-eeuwse overgangsvormen vander >
vaer in zuidelijk West-Vlaanderen (Vaerhille, Vaereecke, Vaerbrugge). Nu zijn der- | | | | gelijke markante overgangsvormen met vaer niet
bekend uit andere dialecten die de overgang naar ver-
hebben meegemaakt, maar dat is geen bezwaar om ook daar mutatis mutandis
een gelijkaardige evolutie als bij het woordje elkaar
aan te nemen.
Peene(50)
veronderstelde dat de overgang vander > vaer er was gekomen door intense beklemtoning van de eerste
lettergreep en wees in dat verband op de Kortrijkse uitspraak van namen
als Vándenabeele en Vánderstraeten
met initiële klemtoon. Die voorstelling van zaken lijkt me echter niet
juist. Vooreerst is beginklemtoon bij van-namen
uitzonderlijk zodat zeker niet alle ver-evoluties
daardoor kunnen worden verklaard(51). Verder
ziet men niet goed in waarom een aanvangsaccent de overgang van vander naar vaer meer in de hand zou
kunnen werken dan een bijaccent. Gesteld dat vander-namen toch alle ooit een initieel accent zouden hebben
gekend, dan zouden we bij sommige ook sporen moeten aantreffen van een
ontwikkeling naar een gutturale nasaal: Vanderstraeten
> Vangerstraeten. Men vergelijke daartoe slechts
Poperings makangers (= malkander),
Oud-antwerps angt (= hand), de
Kempische familienaam Mangelschots > Mandelschot enz.(52). Van dergelijke
evoluties bij vander-namen is echter geen enkel spoor.
Ten slotte: indien Peenes voorstelling van zaken
juist was, zouden we op dit ogenblik in West-Vlaanderen vaar-namen met initieel accent moeten aantreffen en niet de nu
alomtegenwoordige onbeklemtoonde ver-vormen (*Váarstraete, *Váarbrugge...).
De condities die de overgang van vander naar ver m.i. wel hebben bepaald, waren: toonloosheid en
verdoffing van de betekenisloos geworden voorzetselaanloop, een
verschijnsel dat ook vandaag nog in de Kempen waar te nemen is (b.v. Rik Vlooy = Rik van Looy, Rien
Vəbeeck, wat zowel als Verbeeck of Van Beeck kan geïnterpreteerd worden). Historische voorbeelden
van zulke prefixverwarring zijn:
| | | |
| Rijkevorsel |
1464-70 |
verlinden = van
liinden(53) |
| Berlaar |
1469-79 |
janne van zwiuer, nu familienamen
Verswijfel(54) |
| Westmalle |
1510-20 |
peter vergoere = peter van goere |
| |
|
jan verdieuort = jan van dieuort(55) |
| Vorselaar |
1467-76 |
jan versmaelvoirt = janne van smaelvoert(56) |
| Geel |
ca. 1442 |
jan verhaecht = jan van haecht(57) |
In ruimer fonologisch verband moet hier gewezen worden op de zeer
frappante tegenstelling tussen Zuid en Noord bij de uitspraak van
woorden met een protonische klinker (konijn, papier,
kapot). Blijkens de kaarten van
Stroop
(58)
worden die woorden in het noorden met een gereduceerde vocaal
uitgesproken (kenijn, pepier, kepot) in het zuiden
behoudt de vocaal echter zijn volle klinkerkwaliteit (m.i. met
zuid-noord-gradaties), vaak zelfs ondersteund door een heterogene
consonant (kornijn, pampier). Het kan niemand ontgaan
dat de contouren van dat verschijnsel opvallende overeenkomsten vertonen
met de verdeling van vander/ver en elkander/elkaar (cf. infra). Het zou mij dan ook niet
verwonderen, mochten de drie genoemde verschijnselen op dezelfde oorzaak
teruggaan.
Als oorzaak van de tegenstelling kepot/kapot heeft Stroop gesuggereerd dat Vlamingen meer geneigd zouden
zijn ‘naar de letter’ te spreken(59) (i.c. de Franse, maar ook
de Nederlandse). Ik ben niet geneigd hem daarin bij te treden, vooral
niet nu gebleken is dat puur Nederlandse toch courante
spreektaalverschijnselen als elkander/elkaar,
vander/ver dezelfde contouren bezitten. Veeleer acht ik een
fundamenteel verschijnsel daarvoor verantwoordelijk, dat tot nog toe
nooit de aandacht van dialectologen heeft gekregen: de eigen tonologie
van beide dialectarealen. Een van de opvallendste kenmerken waarin
(Belgisch-)Brabantse dialecten zich van Noordantwerpse, Noordbrabantse
en Hollandse onderscheiden is hun nagenoeg amelodisch karakter en het
ontbreken van toonhoogteverschillen binnen een woordgroep. | | | |
Het is mede dat verschijnsel dat de taal van Vlamingen voor Nederlanders
vaak zo staccato en ‘naar de letter’ in de oren doet klinken(60).
Ondanks de grote overeenkomsten tussen de door Stroop
ingetekende woorden en het vander/ver- en elkander/elkaar-verschijnsel, zijn er ook opvallende
verschillen.
In het Oostlimburgs blijkt reductie van protonische vocalen, zelfs in een
woord als soldaat, de algemene regel te zijn. Het is
mij voorlopig een raadsel waarom er dan ook geen sporen te vinden zijn
van de overgang vander > ver.
In het hele Westvlaams blijkt de protonische vocaal in Romaanse
leenwoorden zijn volle kwaliteit te behouden. Toch is vander er omstreeks 1600 overal tot ver
geëvolueerd. De afwijking is echter m.i. eenvoudig te verklaren via de
overgangsvormen met vaer, die omstreeks 1600 in Kortrijk worden aangetroffen. Die vormen wijzen
erop dat bij de overgang vander > ver in het Westvlaams andere principes aan het werk zijn geweest
dan in de Kempen.
In tegenstelling tot de reducerende dialecten (Kempen, Utrecht,
Noord-Brabant) zou vander in W.-Vlaanderen niet eerst
zijn verdoft tot zoiets als vəndər maar zijn volle
vocaal hebben behouden. Wel zou de a zijn genasaleerd
door de volgende n, die daarop zijn dentale kwaliteit
verloor, waarna dan syncope van de d intrad: vander > vãder > vaer > ver; het genasaleerde tussenstadium is te
vergelijken met de huidige Kempische uitspraak van hand /hãt/ en ander /ãder/.
| |
2.3 De overgang vanden > van.
De reductie van tweelettergrepige voorzetselaanlopen heeft niet alleen
zijn sporen nagelaten bij vander-namen. Ook bij namen
met inleidend vanden komen soortgelijke verkortingen
voor(61). Aldus blijken in het Zuidnederlandse vander-gebied veel meer namen met de volle aanloop vanden voor te komen dan in de ver-dialecten. Typisch Zuid-oostvlaamse en Zuidbrabantse namen als
Vandendaele Vandendriessche, Vandensteen, Vandenhoof,
Vanden Eeckhout, Vandenheede komen in ver-dialecten voor als Vandaele, Vandriesse,
Vansteen, Vanhoof, Van Eeckhout, Vanhee. De isomorf tussen vanden- en van-varianten blijkt | | | | echter lang niet zo scherp af te lijnen als de
tegenstelling vander/ver. Voor dit gebrek aan
homogeniteit zijn een aantal oorzaken verantwoordelijk.
a) Bij gebrek aan historisch materiaal kan niet steeds worden uitgemaakt
of namen als Van Kerkhove, Van Doorne, Van Steene, Van
Looy, Van Hoof wel ooit een voorstadium met vanden hebben gekend. Het is mogelijk dat sommige direct moeten
afgeleid worden van gehucht- of gemeentenamen waarbij geen lidwoord kon
optreden (o.a. Stene bij Oostende, Kerkhove in
Oost-Vlaanderen, Looy = Tessenderlo, Hove bij Antwerpen
enz.). Soms kan de naamgeografie daardoor ook ophelderingen verstrekken
over de etymologie van bepaalde familienamen. De naam Van
Roy, die zeer vaak voorkomt in de 17e- en 18e-eeuwse
parochieregisters van St.-Lambrechts-Woluwe en
er dus blijkbaar autochtoon is, moet afgeleid worden van een
gemeente-naam (is dat het nabijgelegen St.-Agatha-Rode?) en niet van een veld-naam, aangezien hij dan
Vandenroy zou geluid hebben (Woluwe behoort tot
het vander/vanden-conserverende dialectgebied). Min of
meer zekerheid over een voorstadium met vanden heeft
men slechts wanneer de van-naam een vanden-variant bezit die er geografisch nauw bij aansluit.
b) Een tweede moeilijkheid berust in het feit dat in het ver-gebied niet alle vanden-namen tot van zijn geëvolueerd. Die overgang is namelijk
geconditioneerd door de anlaut van het hoofdwoord. Aldus heeft vanden zich normaal tot van kunnen
ontwikkelen vóór een vocaal of een h (die in het
zuidwesten trouwens niet wordt uitgesproken) (b.v. Vanacker, Vanhee, Vanhove, Van Hauwe enz.), vóór een dentaal
(Van Daele, Van Driesse, Van Torre, Van Steen,
Vanneste), een gutturaal (Van Goor, Van Gucht, Van
Keer, Van Craen) of een liquida (Van Laer, Van
Loock, Van Loo, Van Rooy); echter niet vóór bilabialen (Van den Bempt, Van den Brande, Van den Berg, Van den
Broecke, Vandemoortel, Vandepoel, Vandeputte, Vandewalle,
Vandeweghe, Vandewouwer) en labiodentalen (Vandevijver, Vandevelde, Vandevoorde, Vandeven). Soms echter
blijkt van i.p.v. vanden toch vóór
p of b voor te komen: Van Bulck, Van Bogaert (Waasland), Van
Put. Hier dient genealogisch onderzoek uit te maken of het
inderdaad uitzonderingen op de regel zijn, dan wel - wat waarschijnlijk
is - of deze namen af te leiden zijn van oorspronkelijke lidwoordloze
plaatsnamen (Putte is b.v. de naam van twee gemeenten
uit de provincie Antwerpen).
| | | |
c) De ontwikkeling van vanden naar van blijkt ook in chronologisch opzicht niet geheel parallel te
lopen met de overgang vander > ver.
In Vorselaar is de overgang vander > ver in de jaren ca. 1467-76 reeds een voldongen feit, maar bij de
vanden-namen is van een soortgelijke ontwikkeling
op dat ogenblik nog geen spoor: vanden eynde, vanden style,
vanden dycke, vanden goire, vanden sype, vanden spreete, vanden
hove(62). Hetzelfde stelt men vast in Geel voor de jaren ca. 1442-1450(63) en Duffel
in de periode 1497-1524(64).
De evolutie vanden > van blijkt dus
heel wat later te hebben plaatsgegrepen dan die van vander > ver. De oorzaken daarvan zijn mij
vooralsnog niet duidelijk(65).
Niet zelden blijkt vanden voor te komen waar we volgens
de zopas ontdekte wetmatigheden eerder van zouden
verwachten (zie de lijst in het volgend hoofdstuk). Het is natuurlijk
mogelijk dat het gevallen van migratie betreft uit streken waar vanden-namen volledig (zoals in Zuid-Brabant) of ten
dele (zoals in Noord-Brabant) intact zijn gelaten. Zoals we daarnet
hebben vastgesteld, moeten we er echter ook rekening mee houden dat vanden veel later tot van is
geëvolueerd dan vander > ver en dat
ook in het ver-gebied autochtone vanden-namen (nl. vóór labiale anlauten) zijn blijven bestaan. Die
factoren kunnen ertoe hebben bijgedragen dat de normale van-namen toch weer vervangen werden door oorspronkelijke vanden-vormen.
| |
2.4 Ver-namen in elkander-dialecten.
Indien Peenes veronderstellingen juist zijn, zou de
isoglosse tussen vander- en ver-gebieden (grosso modo ook lussen vanden en
van) ongeveer moeten samenvallen met een lijn die
elkander- en elkaar-dialecten
van elkaar scheidt.
Dat blijkt, volgens lukraak ingewonnen informatie (onze dialectatlassen
bevatten geen kaarten of zinnetjes met deze woorden; de oudere idiotica
zijn onbetrouwbaar), althans voor België in grote delen te kloppen. In
Gent, Brugge,
Antwerpen, Izegem,
Kortrijk, | | | |
Torhout, Essen luidt
het wederkerig voornaamwoord ‘elkaar’ (of varianten daarvan als
‘makare’, ‘bekaar’). Het zijn inderdaad ook ver-dialecten. In Leuven, Brussel, Hoeselt, waar
vander en vanden bewaard zijn
gebleven, luidt het voornaamwoord volgens onze verwachtingen inderdaad
ook ‘malkanderen’(66).
Er zijn echter ook in het oog springende afwijkingen. Het dialectgebied
rond Aarschot blijkt als wederkerig
voornaamwoord slechts ‘malkanderen’ te kennen, terwijl het
namenmateriaal er ten overvloede getuigt van een autochtone aanwezigheid
van ver-namen. Dezelfde vaststelling geldt voor
Londerzeel.
In het Zuidwestvlaamse ver-gebied (Poperinge en omgeving) vertoont het wederkerig voornaamwoord
evenmin verdoffing en syncope; het komt er voor als ‘makangers’, wat
erop lijkt te wijzen dat bij beklemtoonde lettergreep progressieve
(‘makangers, kartong’), bij niet beklemtoonde regressieve nasalering
(‘vãder’) heeft plaatsgevonden.
Uit de dialecten van Aarschot, Londerzeel en
Poperinge blijkt dat ver- en elkaar-isoglossen niet volledig samenvallen.
Wanneer we ingaan op de verschillen tussen beide woorden, hoeft dat
echter ook niet te bevreemden. Beide vertonen weliswaar een onmiskenbare
gelijkenis, maar zijn geenszins identiek. Elkaar is
o.m. steeds drager van betekenis gebleven, het propriaal gefossiliseerde
van echter niet (vandaar dat vander niet tot ver kon evolueren in
woordgroepen waar het zijn voorzetselfunctie bleef behouden, zoals b.v.
in Middelnederlands ‘die chijns vander hoeven
bedraecht’). Het betekenisverlies en de pure lettergrepigheid van de
voorzetselaanlopen is er ook de uiteindelijke oorzaak van dat in het
Zuiden voorzetselnamen zeer vaak aaneengeschreven worden (Vandenabeele, Vanacker), ver-namen zelfs
altijd(67).
Een tweede belangrijk verschil ligt in de andere beklemtoning van vander- en elkánder. Door
betekenisverlies en gebrek aan voldoende beklemtoning is het niet
verwonderlijk ver-vormen ook aan te treffen in
dialecten waar elkander is blijven bestaan. In
diachronisch opzicht is trouwens hetzelfde vast te stellen. De ver-vorm was in het Middelnederlands reeds bekend vóór
we de eerste elkaar-vormen zien verschijnen.
| |
| | | |
2.5 Vander-namen in Holland.
Ook het omgekeerde doet zich voor. Er bestaan dialectarealen die wel de
evolutie elkander > elkaar hebben
doorgemaakt, maar niet die van vander > ver of vanden > van. Dat
is met name zo in het Hollands (vgl. Van der Maat, Van der
Stoel, Van der Schaar).
Voor een verklaring van die afwijking dienen we een beroep te doen op de
ontstaansgeschiedenis van de Hollandse familienamen.
De lettergrepen van vander konden uiteraard slechts
worden samengetrokken tot ver bij veelvuldig gebruik
in de dagelijkse omgangstaal. In het zuiden van het Nederlandse
taalgebied was aan die voorwaarde voldaan. Vrijwel iedereen droeg er van
in de Middeleeuwen één; en slechts één, vaste toenaam. In het Noorden
daarentegen, waar de toenamen pas in 1811 bij wet werden vastgelegd,
heeft zeer lang een systeem met dubbele toenamen bestaan. Voor de
dagelijkse omgang gebruikte men een steeds wisselend patronymicum op
-sen (Jan Pietersen, zoon van
Pieter Jansen). Zoals De Lang
voor de Gooise namen heeft aangetoond, ontstond dan vanaf de zestiende
eeuw in toenemende mate de gewoonte om naast het patroniem een tweede
toenaam te gaan voeren b.v. Jan Pietersen van der
Maat(68). De laatste naam was waarschijnlijk niet voor alledaags
gebruik bestemd, maar werd slechts toegevoegd vanuit een burgerlijk
standsgevoel of om iemands identiteit wat nader te preciseren. De kans
was namelijk groot dat in een zelfde dorp verscheidene personen Pieter Jansen of Jan Pietersen
heetten.
De ongebruikelijkheid of de geringe frequentie van de tweede toenaam
(beroepsnamen, herkomstnamen) blijkt uit het feit dat ze in
archiefstukken vaak niet voorkomen, de patronymica daarentegen wel (Jan Pietersen van der Maat werd meestal kortweg Jan Pietersen geheten). Ook de huidige spelling van de
Hollandse familienamen geeft daar nog blijk van. In tegenstelling tot
Zuidnederlandse familienamen worden voorzetsel, lidwoord en hoofdwoord
vrijwel steeds los van elkaar geschreven (Van der Maat, Van
de Brink enz.).
Het jongere en het - ik zou haast zeggen af en toe artificiële -
schrijftalige karakter van de Hollandse herkomstnamen komt ook tot
uiting in de vaak diachronisch afwijkende morfologie van het dativische
| | | | lidwoord: Van der Stoel,
Van der Valk, Van der
Woude, of in duidelijk jongere morfemen: Van 't Hof, Van het Reve, Van de Berg. Dialecten waar toponymische toenamen
reeds van in de Middeleeuwen tot het vaste en erfelijke toenamenbestand
behoren, bewaren over het algemeen nog getrouw de Middelnederlandse
uitgangen: Van den Broek, Van der Kerken, Van den Hoof, Ter Haar, Ten Veen (voor
afwijkingen als Van der Veken, Vandersteen, zie infra).
| |
2.6 Vander naast ver in
N.-Brabant en Utrecht.
De provincies N.-Brabant en Utrecht behoren, gezien de grote aantallen
dergelijke namen, ongetwijfeld tot het ver-gebied.
Nochtans is de toestand er lang niet zo homogeen als bij de
Zuidnederlandse ver- en vander-arealen. Namen waarbij vander en vanden er namelijk niet tot ver of
van zijn geëvolueerd, zijn er op zijn minst even
talrijk aan te treffen. Naast de kwantiteit wijst ook hun morfologie (de
uitgang -en in Noordbrabants Van der
Schuren of het nulmorfeem in Utrechts Van der
Schuur; cf. infra) op hun autochtoon Noordbrabants of Utrechts
karakter.
Aangezien beide naamvormen doorlopend door en naast elkaar voorkomen (zie
de kaart; namen met vanden en van
werden niet ingetekend), moet dat verschijnsel andere dan
dialectgeografische oorzaken hebben. Hier komt dan de sociolinguistiek
om de hoek kijken.
Het kaartbeeld samen met inzichten die we hiervoren hebben verworven,
dwingt er als het ware toe aan te nemen dat vander- en
ver-namen naast elkaar tot ontwikkeling zijn
gekomen door een verschil in taalregister. Hiervoren is gesteld dat ver-namen zijn ontstaan door hun courant gebruik in de
spreektaal en dat vander-namen in Holland in die vorm
bewaard zijn gebleven door hun lagere gebruiksfrequentie. Het kon dus
best zijn dat een toponymische toenaam reeds sedert eeuwen erfelijk was
in een bepaald geslacht, maar dat men er slechts sporadisch (door
standsgevoel, ter verduidelijking) gebruik van maakte. Zo komen de leden
van de Zundertse familie Van Lantschot van 1445 tot
ca. 1585 vrijwel uitsluitend met patronymische toenamen in de bronnen
voor (Henric Jan Christiaens, Jan Henric Christiaens, Jan
Jacop Christiaens enz.). Slechts tegen het eind van de
zestiende eeuw moet de vadersnaam Christiaens plaats
maken voor de reeds lang bestaande herkomstnaam Van
Lantschot. | | | | Gelijkaardige voorbeelden vindt men bij
tal van Noordbrabantse geslachten(69).
Het is bijgevolg niet ondenkbaar dat nakomelingen van een geslacht een
verschillende familienaam gaan dragen en dat b.v. een tak van de familie
Van Lantschot zich Christiaens
is blijven noemen. Of ook dat bepaalde leden van een geslacht ver-namen zijn gaan voeren, terwijl een andere tak aan
de oudere vander-vorm is blijven vasthouden. Zo is een
tak van de Eindhovense familie Van den Dael Van Dael
gaan heten, terwijl een andere zich Van den Dael is
blijven noemen(70).
Het spreekt vanzelf dat de naamkunde hier niet buiten de hulp van de
genealogie kan. Die slechts zal in elk geval apart een antwoord kunnen
geven op de vraag of het verschil tussen vander/ver-
en vanden/van-varianten mogelijk ook correspondeert
met standsverschillen.
Lindemans
heeft erop gewezen dat de Vlaamse adel aan de oude vander- vormen is blijven vasthouden (de Van der
Noot's, de Van der Straten's) en dat dit
verschijnsel bij sommige geslachtsnamen zelfs tot hypercorrecte vormen
heeft geleid. Aldus fatsoeneerden tot aanzien gekomen takken van de
Oostvlaamse geslachten Versaren en Vernimmen hun namen tot Vandersaren en Vandernimmen, hoewel die namen nooit een voorstadium
met vander hebben gehad (het zijn oude metroniemen met
veren- = vrouwen)(71).
Al moet de taalkunde hier het woord overlaten aan de stamboomvorsers, dan
beschikt zij toch nog over een eigen vrij overtuigend argument voor het
feit dat het verschil tussen de vander- en ver-namen in N.-Brabant als een verschil in
taalregister moet verklaard worden. Met behulp van het
Familienamenrepertorium voor Noord-Brabant stelt men vast dat de syncope
van de d - een typisch spreektaal verschijnsel -
slechts bij ver-namen, maar nooit bij vander-namen optreedt. Men vindt er 1259 × Verheijen, maar slechts 7 × Van der Heijen;
93 × Verweyen, doch geen enkele Van der
Weyen!
Een andere aanwijzing voor het omgangstalige karakter van de | | | |
ver-namen in Noord-Brabant is te vinden in de zo
typisch Noordbrabantse drieledige naamconstructies van de 16e tot de 18e
eeuw. Er waren daarbij twee patronen mogelijk: een waarbij de laatste
toenaam bij het patroniem werd geïncorporeerd (Jan Peter
Brouwers, Jan Jan Peters) en een waar die toenaam werd
geëxtraponeerd (Jan Geertsen de Bresser, Peter Jansen van
Hasselt). Het is een vrij algemene regel dat extrapositie
steeds optreedt bij van-namen (Hendrik
Mattijsse van den Bogert, Jan Claessen vander Linden), maar dat
ver-namen meestal geïncorporeerd voorkomen (Jan Jan Verberne, Peeter Jan Verhoeven, Andries Jan
Verheijen)(72), wat erop
wijst dat patroniem en toenaam als één geheel werden ervaren en vaak
samen zullen zijn gebruikt.
| |
2.7 Vander naast ver in
Zuid-Nederland.
Het kaartbeeld presenteert voor nederlandstalig België in feite
homogenere dialectarealen dan in werkelijkheid het geval is. Ook in het
vander-gebied blijken autochtone ver-namen voor te komen, terwijl het ver-gebied
ook zijn eigen vander-namen heeft.
a) In het zuidelijke vander-gebied zijn ver-namen bekend die wegens hun hoeveelheid of hun lokale
beperktheid niet aan migratie kunnen worden toegeschreven: het
Zuidlimburgse Verjans, de Zuidbrabantse namen Verbelen, Verbesselt, Verheylewegen, Vernimmen,
Verleysen enz. Deze namen hebben echter op geen enkel ogenblik van
hun bestaan een ouder stadium met vander- gekend. Zij
zijn namelijk af te leiden van oude moedersnamen met het prefix veren (= vrouwe): Jane of Jehane (Verjans luidde
oorspronkelijk Verjaenen; de -s is
pas ontstaan in de 16e eeuw onder invloed van het vaak voorkomende
patroniem Jans)(73), Bessele(74),
(Isa)bele, Heylwich, Imma,
Leysa.
b) Veel moeilijker is echter de verklaring van vander-namen in het overigens vrij homogene ver-gebied. In de doopregisters van de provincie Antwerpen, lopend
van ca. 1600-ca. 1800, zijn enkele van die markante afwijkingen
(inclusief de namen met vanden):
| Arendonk 10 Vanden Kieboom (2 Van Kieboom) |
| Balen 33 Vander Cammen, 47 Vande(n) Craen, 24 Vanden Hoeck, 81
Vande(r)sande, 26 Vanden/Vander Schrieck |
| | | |
| Beerse 15 Vanden Eeden |
| Beerzel 21 Vander Auwera, 42 Vanden Acker |
| Berlaar 27 Vanderouwermeulen |
| Bevel 52 Vanden Eynden |
| Broechem 48 Vanderdonck, 22 Vande(r)wee |
| Boom 20 Vanderplancken, 40 Vandervliet |
| Dessel 10 Vanderheyden, 15 Vanderlinden, 11 Vandevliet |
| Essen 12 Van de Langereyt, 24 Vanderlé, 25 Vandeneynde, 23
Vande(n)sande, 11 Vander Jonckheyt, 20 Vander Vliet |
| Geel-Zammel 8 Vander/Vanden Grinten |
| Grobbendonk 19 Vanderherten, 25 Vanderlinden (36 Verlinden) |
| Herenthout 26 Vanderweyden, 27 Vanden Eynde (56 Van Eynde) |
| Hoevenen 10 Vandeneede, 13 Vanden Eynde, 27 Vander Linden |
| Itegem: v. Vanden Eynde |
| Kalmthout 11 Vander Mast |
| Kapellen 11 Vanden Eede (3 Vaneeden), 17 Vande(n)sande (12
Vansande) |
| Kessel 23 Vander Auwera, 61 Vanden Eynde (56 Van Eynde), 16 Vanden
Dries |
| Kontich 38 Van der A, 13 Van der Oudera (2 Verauweraert), 30
Vanderherten |
| Meerhout 31 Van de Sande |
| Meerle 80 Van den Cauwelaer, 15 Van de(n) Kieboom, 14 Van de(r)
Sanden 22 Van der Sijpe(n) |
| Merksplas 96 Van den Ackerveken, (4 Van Ackerveken), 16 Van den
Cauwenberg (4 Van Cauwenberg) |
| Mol 25 Vandereyken, 19 Vanderpoorten (ook Verpoorten), 14
Vande(r)vloet, 13 Vanden Eynde (7 Van Eynde) |
| Muizen 41 Vanden Eynde |
| Nijlen 10 Vandervoort |
| Oelegem 16 Vanderdonck (17 Verdonck) |
| Olmen: z.v. Van de Craen, 20 Vandersanden |
| Oostmalle 22 Vanden Kieboom (5 Van Kieboom), 11 Vandevloet, 8
Vanden Eynde (26 Van Eynde) |
| Poppel 11 Van de Gendere, 10 Van den Kieboom, 17 Vandenhuysen, 13
Vandereyt |
| Pulle 17 Van der Donck |
| Putte-Mechelen 352 Vander Auwera, 73 Vanderauwermeulen |
| Ramsel 22 Van der Borgt |
| Ranst 19 Van den Eynde (16 Van Eynde), 18 Van der Aura, 10 Van der
Sloten |
| Ravels 14 Vandermoere |
| Rijkevorsel 72 Van den Kieboom, 41 Van de Kinschot, 54 Van den
Langenberg, 17 Van der Linden (2 Verlinden) |
| Rijmenam: z.v. Vandeneynden, z.v. Vanderoudera, 19 Vanderhoeven |
| Schriek 38 Vanderaura (3 Vandenaudenaerden, 4 Vanderauweraerden, 6
Van Oudenaerde), 20 Vandeneynde (5 Van Eynde) |
| Tielen 10 Vanderbeuren |
| Viersel 31 Vanderheyden |
| Vorselaar 10 Vander Gucht |
| | | |
| Vorst-Kempen 38 Vandegoor (3 Van Goor) |
| Weelde 62 Van den Heuvel, 11 Van de(r) Moeren, 33 Van der Aa, 50
Vandersteen |
| Wuustwezel 20 Van den Keyenbus, 15 Vanden Eynde, 15 Vander Voort,
15 Van der Jonckheid, 20 Van de Langereyt |
| Zandvliet 24 Vanderheyden |
Bij de beoordeling van de lijst houde men er rekening mee dat enkele van
de genoemde dialecten (o.a. Rijkevorsel, Essen, Meer, Meerle e.d.) in feite meer Noordbrabants dan
Antwerps te noemen zijn (zij kenden namelijk ook het drieledige naamtype
Jan Jan Verheyen) en dat vander-namen er als sociolinguistische varianten (cf. § 2.6) te
beschouwen zijn.
Onder de genoemde afwijkingen zitten ongetwijfeld ook gevallen van
migratie, uit Zuid-Oost-Vlaanderen, Zuid-Brabant of Noord-Brabant.
Expliciete vermelding van vreemde herkomst wordt in de parochieregisters
echter pas na 1750 gebruikelijk, zodat men vóór die tijd bijna steeds is
aangewezen op de naamgeografie. Men lette daarbij op namen als Van den Eede (Beerse, Hoevenen, Kapellen), Van der Sloten (Ranst) die
typisch Zuidoostvlaams zijn (Aalst, Dendermonde), Van der Sijpen
(Meerle), Van den Dries (Kessel), Vanderborgt (Ramsel), die karakteristiek zijn voor Zuid-Brabant; Van den Heuvel (Weelde), Van de Sande (Balen) zijn ten slotte
zeer frequent in Noord-Brabant. Een geval van expliciet vermelde
migratie is de familienaam Vanderhaege in
's-Gravenwezel (3 ×). In de doopregisters staat de stamvader opgegeven
als afkomstig uit Zierikzee, wat gezien de vander-aanloop en tevens de uitgang -e (cf.
infra) volledig klopt met onze bevindingen.
c) Historisch gemakkelijk te verklaren afwijkingen zijn namen als Vander Velde, Vanderveken, Vanderven. De vander-vorm is echter niet origineel Middelnederlands maar is
in een eerder recente periode door een dissimilatie van vanden vóór een v-anlaut uit Vanden Velde enz. ontstaan. Merkwaardig is alleszins dat
sommige van die secundaire vander-namen in de Kempen
nog tot ver-namen zijn verder geëvolueerd (Vervecken, Verdijck).
d) Een problematisch geval is ten slotte de naam Vanderauwera, die teruggaat op een Lierse plaatsnaam (in 1284
oudera). De toenaam is reeds geattesteerd in 1312
(willelmus vander ouder aa)(75)
en komt | | | | te Lier in de jaren
1416-26 nog 12 × voor (vander oudera)(76).
Andere oude vindplaatsen zijn:
| Duffel |
ca. 1497-1505 |
cathelynen van oudera, peeter van ouwera, merten van ouwer
a, bertelmeeus van ouwer a, geertruyt van ouwer Aa(77) |
| |
1523-40 |
jannen vander ouwer A diemen heet bruers |
| |
|
clausen vander ouwer A diemen heet bruers |
| |
|
mertten vander ouwer A, lossie (= lucia) vander ouwer
A(78) |
| Berlaar |
1469-79 |
jan van der ouder Aa(79) |
Alles aan deze naam laat verwachten dat hij normaal tot een ver-naam zou zijn geëvolueerd, temeer daar mag verondersteld
worden dat de overgang vander > ver
zich bij langere namen vlugger kon voltrekken.
De enige verklaring die ik kan bedenken - en ik laat ze graag staan voor
een betere - is dat het vrij omvangrijke drielettergrepige hoofdwoord na
de syncope van de d nauwelijks nog enig consonantisme
vertoonde. Zijn de gebruikers van de naam zich van het gevaar bewust
geweest, dat de naam daardoor tot een totaal onherkenbare vorm (b.v.
‘Vraura’) kon ineenschrompelen. (Vgl. Frackers uit Verackers in 1638 te Waalwijk(80), Amerongen 16e eeuw: Van Proyen = Van Poederoyen(81), het Oostvlaamse
Van Draeghen uit Vanderhaegen)?
Een soortgelijk geval is de naam Vander Auwermeulen.
Hij wordt te Lier reeds vermeld in de jaren 1418-1475(82), maar is evenmin
tot ver geëvolueerd (zie de gegevens boven voor Putte bij Mechelen).
Eveneens opvallend is de Noordbrabantse naam Van der
Aa. In tegenstelling tot andere vander-namen
bezit hij nauwelijks ver-varianten. Heeft men ook bij
die namen aangevoeld dat zij op den duur tot Vrouwermeulen of Vraa konden atrofiëren?
e) Meer dan de provincie Antwerpen telt de provincie West-Vlaanderen op
dit ogenblik nog namen met niet geëvolueerd vander.
Wegens hun hoeveelheid en hun karakteristieke e-uitgang (cf. infra) moeten ze wel autochtoon Westvlaams zijn.
Enkele vaak voorkomende namen zijn Vanderbeke,
Vandercruysse, Vanderplaetse, maar vooral Vanderhaege en Vanderschaege.
| | | |
In de 17e-l8e-eeuwse lijsten van nieuwe poorters in Menen(83)
blijken ver-namen weliswaar ruim in de meerderheid te
zijn, maar ook vander-vormen zijn lang niet zeldzaam
(o.a. Vander Plancke, Vander Meersche). Ook van uit vanden is veruit de sterkst
vertegenwoordigde vorm, maar namen als Vande(n)steene
en Vande(n)casteele zijn frequent.
Een verklaring voor deze Westvlaamse afwijkingen heb ik voorlopig niet.
Ongetwijfeld speelt in Menen de onmiddellijke nabijheid van de vander/ver-isomorf een grote rol. Genealogisch
onderzoek zal moeten uitmaken of het gevallen van migratie betreft of
niet.
| |
3. Geografische verschillen in de flexie.
| |
3.1 De tegenstelling Verbrugge/Verbruggen.
Binnen de kategorie der vander/vanden- en ver/van-namen zijn in het Nederlands nog andere geografische
tegenstellingen te bespeuren. Zij hebben weliswaar meer te maken met
problemen van algemener taalkundige aard dan met zuiver antroponymische
(zie § 1). De naamkunde brengt hier echter feiten aan het licht die ook
voor de studie van het Middelnederlands volledig nieuw zijn. Het betreft
de morfologie van het hoofdwoord in namen ingeleid door vander- en ver-.
Namen als Verdonk of Verburg hebben
in dit opzicht weinig revelerends te bieden aangezien zij zowel Utrechts
als Antwerps of Westvlaams kunnen zijn. Anders ligt het echter bij namen
als Verhoeven, Verschueren, Versteegen, Verstraeten.
In de provincies Limburg, Brabant, Antwerpen en Oost-Vlaanderen blijken
die namen steeds de uitgang -en te vertonen. In
West-Vlaanderen en het uiterste noordwesten van Oost-Vlaanderen (Eeklo) echter vindt men in plaats daarvan
uitsluitend vormen op -e: Verschure,
Verstrate, Verbrugghe, Verhaeghe, Vanderhaeghe enz. Zelfs met
de gegevens uit telefoonboeken is nog vrij nauwkeurig na te gaan dat de
isomorf tussen en- en e-vormen een
bijna rechte lijn vormt, lopende van Oudenaarde
tot Zelzate. Dat het geen loutere
spellingkwestie is of een bureaucratische ingreep van de laatste eeuwen,
blijkt uit het feit dat de tegenstelling reeds in het Middelnederlands
bestond. In Eksaarde, Oudenaarde, Herentals, Lier, Kampenhout, Brussel, Mechelen (voor de bron- | | | | vermelding zie infra)
komen in de Middeleeuwen op een paar uitzonderingen na uitsluitend namen
voor van het type vander - en. Hetzelfde constateert
men te Geraardsbergen(84), Oisterwijk(85), Nijmegen(86) enz. In het Westvlaamse Ieper daarentegen
treft men uitsluitend vander - e aan(87) en ook in
Brugge is dat zo(88).
Hoe meer we de vrij scherpe scheidingslijn tussen e- en
en-namen naderen, des te groter wordt ook het
aantal mengvormen. In Kortrijk vormen omstreeks
1400 vander - e-namen zeer duidelijk de meerderheid,
maar varianten met -en zijn helemaal niet zeldzaam en
hebben bij sommige namen zelfs de bovenhand: 32 × van der
crucen/10 × van der cruce, 12 × van der straten/5 × van der strate, 9 × van der leyen/4 × van der leye, 4 ×
van der brugghen/1 × van der
brugghe, 11 × van der apostelrien/6 × van der apostelrie(89).
In Gent dat zich ongeveer op de grens tussen
beide arealen moet bevonden hebben, is de verwarring ook het grootst. In
de stadsrekeningen van 1351-1364 vindt men massale hoeveelheden van
zowel vander - e- als vander -
en-namen, met nochtans een duidelijk overwicht van de eerste(90).
In één gebied ten slotte, het noordwesten van Oost-Vlaanderen, vertonen
historische en moderne vormen opmerkelijke afwijkingen. Op dit ogenblik
behoort het gebied zeker tot het e-areaal, maar in de
Middeleeuwen was de en-uitgang er blijkbaar algemeen:
Eeklo 1399: 3 × van der
Brueghen, 2 × van der Weyen, 3 × van der Leyen, telkens eenmaal Van der Wedaghen, Van der Heyden, Van der
Fonteynen, Van der Lenden, tegenover slechts eenmaal Van der Scuere, Van der Smesse, Van der
Luere(91).
| | | |
De geografische tegenstelling tussen e- en en-vormen is echter niet beperkt gebleven tot familienamen,
maar treedt ook op in tal van toponiemen. Plaatsnamen met de oude zwakke
en-uitgang van het vrouwelijk zoals Hoogstraten, Terneuzen,
Terlanen (bij Brussel), Terkameren (dito), Nieuwerkerken, Membruggen,
Tervuren, Terhulpen,
Kapellen, Durmen (een
wijk van Hamme aan de Durme) zal men vergeefs
zoeken in West-Vlaanderen (de n van Duinkerken is niet oorspronkelijk!).
| |
3.2 De Middelnederlandse flexieklasse II.
Het naamkundig contrast tussen e- en en-vormen gaat terug op een verschijnsel van veel algemenere aard,
namelijk op het oude, Westgermaanse flexieverschil tussen zgn. ō- en n-stammen. In het Oudhoogduits
is dat onderscheid nog gaaf bewaard, in het Middelnederlands blijken
beide flexieklassen door elkaar te lopen:
| |
Oudhoogduits
(92)
|
|
Middelnederlands
(93)
|
| |
ō-stammen |
n-stammen |
|
| Nom. |
brucka |
zunga |
brugghe/tonghe |
| G./D. |
brucku/-a |
zungūn |
brugghe(n)/tonghe(n) |
| Acc. |
brucka |
zungūn |
brugghe/tonghe |
Men kan zich de vraag stellen of in het Middelnederlands volledige
willekeur heerste dan wel of het oorspronkelijke systeem volgens nieuwe
criteria werd gerestructureerd.
Van Loey
schrijft: ‘Er ontbreekt nog een uitvoerige studie over het
gebruik van de genitief en datief op -e, resp. -en’(94).
Dat de geografie van moderne familienamen in die Middelnederlandse
wanorde met zulke verrassende scherpte klaarheid zou brengen, zal wel
door niemand zijn vermoed.
Zoals te verwachten is de scherpe lijn die we tussen e-
en en-morfemen bij de familienamen konden waarnemen,
ook bij Middelnederlandse appellativa vast te stellen. In geheel
Brabant, Antwerpen, Limburg, Noord-Brabant en Gelderland (althans toch
Nijmegen) hebben alle vrouwelijke substantieven op -e
genitief- en datiefvormen op -en(95). | | | | Even ondubbelzinnig is de toestand
in Petegem (Leie), waar we omstreeks 1290
ondanks de nabijheid van de e/en-isomorf vrijwel
alleen en-vormen aantreffen(96). En dat het
gebied rond Eeklo in tegenstelling tot de huidige toestand (namen op
-e) in de Middeleeuwen tot het en-areaal behoorde, wordt ook in de appellativische woordenschat
weerspiegeld(97).
Toch is de Middelnederlandse toestand complexer dan alleen op grond van
de scherpe verdeling bij de moderne familienamen blijkt. Bij de gewone
appellativa van flexieklasse II (vrouwelijke substantieven met
vocalische auslaut: kerke, siele, tale...) komen ook
in Westvlaamse teksten vele genitieven en datieven op -en voor. Voor Brugge zijn in de jaren 1295-97 volgende vaak
voorkomende gevallen te noteren (exhaustief): 27 prochie/11 prochien, 19 kerke/10 kerken, 1 abdesse/12
abdessen, 5 stede/1 steden, 0 vrouwe/4 vrouwen, 7 rente, 4 maniere, 3
tale, 3 capitele, geen enkele
maal renten, manieren, talen enz.(98).
De vraag is of bij het gebruik van beide vormen volledige willekeur
heerste dan wel of zij volgens bepaalde regels werden onderscheiden.
Een vergelijking met het Middelhoogduits dringt zich op. Aanvankelijk
werden daar de oorspronkelijke ō- en n-flexieklassen nog duidelijk uit elkaar gehouden, maar naar het
einde van de Middeleeuwen toe vervaagt dat onderscheid en constateert
men dat woorden van de ene klasse naar de andere zijn overgelopen(99). Die wisselingen zijn echter niet willekeurig. De zwakke
verbuiging werd gaandeweg voorbehouden voor concretiserende
substantieven (voorwerpen, personificaties...), de sterke voor meer
abstracte begrippen. Het zou dus kunnen dat ook in het Middelnederlands
een dergelijke restructurering heeft plaatsgevonden. Het is echter
meteen duidelijk dat in het Middelnederlands niet dezelfde criteria
werden gehanteerd als in het Laatmiddelhoogduits. Immers, aangezien bij
toponymische toenamen duidelijk sprake is van concrete nomina (brug, straat...), zou men daarbij uitsluitend de
zwakke flexie verwachten. Dat klopt weliswaar voor Oost-Vlaanderen,
Brabant, Limburg en Gelderland (Van der Straten, Van der Steegen enz.), maar
beslist niet voor West-Vlaanderen waar we uitsluitend de e-uitgang aantreffen.
| | | |
De verwarring in onze Middelnederlandse grammatica's moet voor een deel
zeker worden toegeschreven aan het feit dat de geografische verdeling
tussen e- en en-vormen bij de
appellativische woordenschat lang niet zo duidelijk te zien is als bij
de moderne familienamen. Toch stelt men bij de gewone soortnamen in
essentie dezelfde verhoudingen vast. In Oost-Vlaanderen en Brabant ziet
men overwegend, zoniet uitsluitend, en-uitgangen
verschijnen bij alle vrouwelijke substantieven waarvan de nominatief op
-e eindigt: brugghen, kercken, straten
enz. In West-Vlaanderen is het beeld iets verwarder. Men vindt er in
overwegende mate e-uitgangen, maar blijkens de
bovenvermelde gegevens kan ook -en er niet onbekend
geweest zijn. Met het Corpus-Gysseling beschikkken we nu vooral voor
Brugge over zo'n massa materiaal dat een
nauwkeuriger analyse van deze gevallen mogelijk wordt. Zo stelt men vast
dat sommige substantieven uitsluitend e-uitgangen
krijgen: rente, tale, maniere, stede; bij andere
overweegt de e-vorm zeer duidelijk op de varianten met
-en (prochie/prochien,
kerke/kerken). Bij enkele echter schijnt ook het Westvlaams
duidelijk de voorkeur aan zwakke uitgangen te geven: abdessen, vrouwen. Is het een statistische toevalligheid dat
het de twee enige persoonsaanduidingen uit de hele reeks betreft?
Weer brengt hier de naamkunde het doorslaggevende bewijs dat dit
inderdaad zo is geweest. De uitgang -en blijkt
namelijk - ook in Brugge - de enig mogelijke te zijn bij de talrijk
voorkomende vrouwelijke voornamen: kathelinen, claren,
diedelen, clarinen, lisebetten, maergrieten, sconen, ymmezoeten,
aghaten, clemmen, adelisen(100)!
Hoewel de hele kwestie nog in haar details nader onderzoek behoeft
(waarom b.v. ook en-vormen bij kerke
en prochie?), is de oorzaak van de voortdurende
wisselingen in de tweede flexieklasse nu duidelijk. We weten nu dat het
oude Westgermaanse verschil tussen n- en ō-flexieklassen, naargelang van het dialectareaal, op
tenminste drie verschillende manieren werd gerestructureerd: in het
Middelhoogduits wordt de zwakke flexie mettertijd de klasse van de
vrouwelijke concreta, in Brabant en Oost-Vlaanderen (wschl. ook Limburg
en Gelderland) wordt alles gesyncretiseerd in de en-klasse met uitzondering van enkele restanten van de oude ja-klasse (cf. infra), in West-Vlaanderen ten slotte
wordt de zwakke flexie karakteristiek voor zowel appellativische als
propriale persoonsaanduidingen, de sterke uitgangen worden voor- | | | | behouden voor de overige substantieven. Tot deze laatste
categorie behoorden ook de toponymische herkomstnamen die we nu nog
steeds met de typisch Westvlaamse -e als Vercruysse, Verstraete, Verbrugghe e.d. aantreffen.
| |
3.3 Restanten van oudere flexieklassen.
Over het algemeen is de isomorf tussen en- en e-types in familienamen zo scherp dat men nauwelijks
uitzonderingen verwacht. In elk geval zijn mij in West-Vlaanderen geen
namen op -en bekend. In Antwerpen en Brabant hebben
namen als Verhoeven, Verhaeghen, Verbruggen, Verheyden,
Vergauwen en talloze andere zonder uitzondering steeds -en. Toch blijken historisch ook namen met -e voor te komen. De hierna opgesomde bronnen vertonen
steeds en-vormen (van der eecken, van der
brugghen, van der straeten enz.), behalve in volgende
(exhaustieve) gevallen:
| Eksaarde 1349-1360: 12 × vander haghe, 4 ×
vander schrage, 1 × vander zale,
1 × vander linde (naast 1 × vander linden)(101) |
| Pamele-Oudenaarde 1319-1590: 13 × vander meere
(naast 1 × vander meeren), 1 × vander
langherhage (naast 6 × vander haghen), 1 × vander linde (1 × vander
linden), 1 × vander wostine(102) |
| Herentals ca. 1295-1465: 17 × vermeere, 6 ×
verwympe(103) |
| Lier ca. 1375-1490: 32 × vander haghe (naast 1 ×
vander sleehagen), 28 × vander beke, 28 × vander scaghe (1 × vander schaghen), 12 × vander meere (naast 1
× vermeren), 7 × vander eyke (3
× vander eyken), 6 × vander keele, 6 × vander couwe, 4 × vander nete(104) |
| Kampenhout ca. 1350-1500: 3 × vander beke (naast
2 × vander beken)(105) |
| Brussel 14e eeuw: 2 × vander beke (naast 18 ×
vander beken), 10 × vander mere
(naast 11 × vander meren), 1 × vander deure (1 × vander deuren)(106) |
| Mechelen 1369 en 1415: 7 × vander beke, 5 ×
vander waghe, 3 × vander haghe
(wel 1 × vander slehagen, 3 × vander heze, 3 × vander mere, 3 × vander
nete, 2 × vander heide
(naast 3 × vander heyden; met dit
spellingverschil!), 2 × vander streke(107) |
| | | |
Men merkt op dat de ‘uitzonderingen’ op -e steeds bij
dezelfde woorden blijken voor te komen: beke, mere,
hage... Met de normale Brabantse apocope (16e-17e eeuw) moesten uit
die namen klankwetmatig moderne vormen ontstaan als Verbeeck, Vermeir, Verhaegh enz. De laatste naam komt in het
Brabants en het Antwerps echter niet (meer) voor, tenzij als Verhaghen, wat aantoont dat ‘haghe’
mettertijd naar de zwakke flexieklasse is overgelopen. Verbeeck en Vermeir hebben zich echter tot
vandaag kunnen handhaven, zij het met geografische verschillen. ‘Beke’
en ‘mere’ zijn namelijk in Zuid-Oost-Vlaanderen en Zuid-Brabant (grosso
modo het vander-gebied) ook naar de zwakke flexie
overgelopen. Vandaar dan ook familienamen als Vanderbeken (Vanderbeeck is mij onbekend; Vanderbeke komt wel voor, zoals te verwachten valt in
de zone waar vander/ver-isoglosse en e/en-isomorf ongeveer samenvallen, d.i. tussen Schelde en Leie) en
Vandermeiren (Vandermeire en Vandermeir zijn mij niet bekend). Verbeeck en Vermeir(e) hebben zich kunnen
handhaven; de eerste is algemeen in de provincie Antwerpen, de tweede is
sterk vertegenwoordigd in de streek van Dendermonde maar is in de provincie Antwerpen eveneens zwak
geworden (Vermeiren).
Moeten we veronderstellen dal substantieven als ‘beke, mere, haghe...’
als enige uit een zeer grote reeks sterk geflecteerd zijn gebleven?
Wanneer we op zoek gaan naar de oorzaken van die uitzonderingen, blijkt
weer eens dat we geconfronteerd worden met problemen van de historische
spraakkunst. Men stelt namelijk vast dat deze substantieven in oorsprong
niet vrouwelijk, maar mannelijk of onzijdig waren. Men vergelijke met
het Duitse ‘der Bach’, met de plaatsnamen Den Haag en het nu onzijdige ‘het meer’.
Door hun vocalische uitgang in het Oudnederlands (‘baki, mari, hago’)
zijn ze dan feminina geworden, maar slechts in Z.-O.-Vlaanderen en
Zuid-Brabant zijn ze niet alleen in genus maar ook in de flexie volledig
met de vrouwelijke zwakke substantieven (Vanderbeken,
Vandermeiren naar ‘der tonghen, der zielen’) samengevallen.
De moderne en historische naamgeografie levert hier belangrijke
aanvullingen op de traditionele Middelnederlandse spraakkunsten. Het
blijkt namelijk dat in het Middelnederlands niet slechts twee
flexieklassen van het type II hebben bestaan (t.w. -e
en -en), maar dat bovendien nog restanten te vinden
zijn van de oude ja-klasse, waar genitief en datief
steeds (tenzij met regionale verschillen) met de uitgang -e verschijnen en die aan de hierboven geschetste tendensen | | | | (-en algemeen in Brabant, -e algemeen in West-Vlaanderen) hebben weerstaan.
‘Beke, mere, hage’ staan in dat opzicht trouwens niet alleen. Ook de
substantieven ‘deure, zale’ blijken in het Middelnederlands slechts met
e-vormen voor te komen(108). Het is dan
ook geen toeval in de hierboven opgesomde lijst de toenamen ‘van der
zale’ (Eksaarde) en ‘van der deure’ (Brussel)
aan te treffen. En dat zijn trouwens niet de enige. Blijkbaar hebben ook
‘scaghe, keele, waghe’ en de hydroniemen Nete en (haar
bijrivier de) Wimpe (blijkens de familienaam Verwimp) tot deze klasse behoord.
Schematisch voorgesteld ziet de drievoudige reorganisatie van het systeem
er als volgt uit:
| |
3.4 De tegenstelling Verschuren/Verschuur.
Met de Zuidnederlandse tegenstelling tussen en- en e-namen (Verstraete/Verstraeten)
zijn de morfologische varianten nog niet uitgeput. Naast de vormen Verschueren/Verschuere komen ook varianten met een
zgn. nulforfeem voor: Verschuur, Versteeg, Verhoef,
Verkuil, Verheij, Verlaen, Verkerk enz. Ook hier gaat het om
geografische tegenstellingen. Voor een Zuidnederlander klinken deze
namen allerminst vertrouwd, voor Noordnederlanders zijn ze alledaags.
Met behulp van de Nederlandse Repertoria van Familienamen is nog
nauwkeurig na te gaan dat vormen als Verhoef,
Verschuur e.d. uitgesproken Zuidhollands, Utrechts en Zuidgelders
zijn en dat de isomorf met Verhoeven, Verschuren e.a.
ongeveer samenvalt met de Maas. Dat naast de ver-namen
ook namen met vander (Van der Schuur, Van
der Hoef) in hetzelfde dialectgebied voorkomen, is boven reeds
verklaard: het optreden van ver-namen in Utrecht en
Zuid-Gelderland houdt in dat | | | | die namen ooit in de 16e of
17e eeuw, toen de overgang vander > ver plaatsvond, mondgemeen zijn geweest (misschien slechts voor
één lid van het geslacht), terwijl de vander-vormen
ofwel heel recent werden gevormd ofwel gedurende eeuwen een latent en
slechts schrijftalig bestaan hebben geleid.
De vraag die ons dan meer speciaal interesseert, is hoe de isomorf tussen
de Noordbrabantse en- en de Utrechts-Gelderse Ø-namen
(Verhoeven/Verhoef) tot stand is gekomen.
Voortgaand op eerder gemaakte vaststellingen voor België (Verbrugge/Verbruggen), zouden we kunnen aannemen dat boven de
Grote Rivieren in de Middeleeuwen de voorkeur werd gegeven aan de sterke
flexie (Van der Stege, Van der Hoeve; ver bestond toen
uiteraard nog niet). In oude Utrechtse teksten zijn dergelijke namen op
-e inderdaad ook overgeleverd:
| 1299 |
Iohannes dictus Utermate |
| 1296 |
Heymerix van der Weyde, Meynsen van der
Weyde, Otten van der Weide(109) |
| ca. 1330 |
Lubbrechts van der Mathe, Wouters van
der Mathe, Everaets van der Mathe, Henrix lant van der Lecke(110) |
| 1380 |
Jan van der Lane (2 ×), Claes van der
Lake, Wouter van der Bilte, Machelem van der Stripe |
| 1380-90 |
Jan van der Cule (3 ×), Hubert van der
Cule (2 ×) |
| 1377-78 |
Willem vander Cule, Sander vander
Steghe(111) |
| Zeist 1368 |
Willem van der Weyde (2 ×), Dirc van der
Weyde (2 ×) |
| 1369 |
Ghisebrecht Buekel van der Hare (2
×)(112) |
| Amersfoort 1328-9 |
Ghise van der Wade, Willaem van der
Steghe, Lam uter Hoeve, Arnt van der Brugghe(113) |
Met de apocope van de -e, die reeds zeer vroeg en
overvloedig in Utrecht (ook in het Gelders en het Hollands) geattesteerd
wordt (in 1378/9 b.v.: kerc, brug, rog, Eem, die Rijc, die
Veer)(114), leidde dat
ten slotte tot namen als Verwey, Vermaat enz.
| | | |
Wat aan de gevolgde redenering echter afbreuk schijnt te doen, is het
feit dat in oude Utrechtse teksten vaak de voorkeur werd gegeven aan de
zwakke en-flexie. In 1378-9 overwegen in elk geval
zwakke genitieven en datieven als: hoppen, weijden,
bottelrijen, coeken, ghersten, tollen, herbergen...(115). Het betreft echter steeds weer appellatieven en
geen familienamen. Men kan zich dan ook afvragen of het overwegen van de
en-uitgang in appellatieven niet aan oostelijke
(Gelderse, Brabantse?) schrijftaalinvloeden is toe te schrijven. In het
nabijgelegen Arnhem blijken inderdaad in 1353-77 zwakke datieven op -en duidelijk autochtoon te zijn: van der
Hegghen, van der Hellen, van der Lynden, van der Weyden
enz.(116). Mochten zulke vormen ook
in Utrecht autochtoon zijn geweest, dan zou men er nu namen als Vermaten, Verstegen, Verweyden e.d. moeten aantreffen,
wat zeker niet het geval is.
Een tweede probleem vormt de Utrechtse naam Van der
Linde(n), die normaal in overeenstemming met Verhoef,
Versteeg enz. Van der Lint of Verlint zou moeten luiden. Mogelijk hangt die afwijking samen
met de ontstaansgeschiedenis van de e-apocope. De e-apocope - dat blijkt weer eens uit de naamgeografie
- heeft namelijk niet in alle omgevingen gelijktijdig plaatsgegrepen. In
de provincies Antwerpen en Brabant is de apocopering van de eind-e sinds de 17e eeuw algemeen (Van Hoof,
De Groof, Verbeeck, De Groot), behalve bij een stemhebbende
explosieve dentaal. Vandaar familienamen in beide provincies als De Wilde (ook De
Wil komt voor), Vandevelde (ook
Vandevel bestaat), Vandesande (naast Van Sant), Van den Brande, Van den Eynde. Misschien is ook die auslautende d er in Utrecht voor verantwoordelijk geweest dat Van
der Linde niet tot Van der Lint of Verlint is geëvolueerd. In de plaats daarvan vinden we
1577 × Van der Linden en 255 × Van der
Linde (eigenaardig genoeg komt Verlinde(n)
niet voor). Deze naam is trouwens nog om een andere reden opmerkelijk.
Hij is namelijk de enige ver/vander-naam met een
duidelijk overwicht aan zwakke vormen op -en.
Aangezien dat een duidelijk niet-Utrechts kenmerk is (cf. supra), kan de
vraag worden gesteld of de herkomst van deze naam niet in Gelderland of
Brabant te zoeken is.
| |
| | | |
4. Betekenisaspecten bij de toponymische toenaamgeving.
| |
4.1 Toenamen met en zonder voorzetselaanloop.
Na deze eerder empirische vaststellingen met cijfers, isoglossen en
archivalisch materiaal weze het mij geoorloofd bij wijze van afsluiting
wat speculatiever in te gaan op meer essentiële, semantische
eigenschappen van de Nederlandse herkomstnamen. Enkele van de vragen die
ons daarbij zullen bezighouden, zijn: waarom beschikt het Nederlands in
tegenstelling tot andere taalgebieden over zovele namen met
voorzetselaanlopen; waarom gebruiken het Overijsels en het Drents namen
met te; wat is er de oorzaak van dat bij vele
toponymische toenamen het voorzetsel is weggevallen; enz.
Er is vooreerst de reeds lang bekende tegenstelling met het aangrenzende
Duitse taalgebied, waar voorzetselnamen ternauwernood nog voorkomen. Dat
is echter niet steeds zo geweest. In de Middeleeuwen b.v. waren
inleidende voorzetsels lang niet onbekend, maar ze zijn er om een tot
nog toe nooit achterhaalde reden geleidelijk aan volledig verdwenen: Johan von deme Bache → Johann
Bach(117). Ook in het Nederlands
moet dat verschijnsel af en toe zijn voorgekomen. Dat blijkt uit
naamparen als Eeckhout/Van den Eeckhaut, Pee/Van Pee
(< St.-Anna-Pede), Schoubroeck/Van Schoubroeck,
Mast/Van der Mast, Nieuwenhuizen/Van Nieuwenhuizen, Polfliet/Van
Polfliet en vele andere. Vermoedelijk gaat het Hollands daarin
verder dan het Zuidnederlands, wat voornamelijk blijkt bij
eenlettergrepige toponiemen: Shoorl, Dijk, Bos, Baan, Hoff,
Kuil, Jagt enz.
De oorzaak van het voorzetselverlies moet m.i. gezocht worden in de
gewoonte personen enkel met hun toenaam te noemen (Jan van
den Bos = Bos). In Vlaanderen, Brabant en
Antwerpen is dit antroponymisch verschijnsel waarschijnlijk (ook nu
niet) nooit erg gebruikelijk geweest. Mijn vermoeden is dat het slechts
voorkwam bij sociale prominentie, ruimere bekendheid of gewoon
opvallendheid van de genoemde persoon. Ook de vorm van de naam lijkt
daarbij in het Zuiden een rol gespeeld te hebben. Meerlettergrepige
namen als Eeckhaut, Polfliet blijken vaak zonder
voorzetselaanloop voor te komen, eenlettergrepige daarentegen (Van Loon, Van Laer, Van Bael enz.) zijn zonder
voorzetsel voor een Vlaming nauwelijks denkbaur(118).
| | | |
In het Limburgs daarentegen is het gebruik van de alleenstaande toenaam
waarschijnlijk vrij algemeen geweest. De familienamen geven daar
trouwens nog overvloedig blijk van, zij het dan ook indirect, omdat de
meeste Limburgse namen nu in de genitief staan: Camps,
Broeckx, Bergs, Kessels, Weckx (< Wijk-s), Dex (< Dijk-s), Beeks, Wiers (< Wijer-s, = vijver). Poels, Hellemonts,
Weerts. In de Limburgse parochieregisters ontmoet men van ca. 1600
tot 1800 volgende identificaties:
| Kwaadmechelen: |
Reymans vulgo Rayen (toponiem?) |
| |
In Schuer = Schuer = Schuermans |
| Hamont: |
Bosmans |
| Eksel: |
Heynsmans (patroniem) |
| Bilzen: |
Motten (= Van der Motten) = Motmans |
| St.-Lambrechts-Herk: |
Put = Putmans |
| Velm: |
Vandevelde = Velmans enz. |
In volgende gevallen is het voorzetsel pas vrij recent weggevallen (de
uitgang vertoont steeds een genitiefmorfeem -s of -en):
| Tessenderlo: |
Vanden Bergh = Bergen |
| Borgloon: |
Van Heckx = Heckx |
| Ulbeek: |
Van Bilzen = Bilzen |
| Houthalen: |
Vansteghe = Steghen |
| Alken: |
Van Muysen = Muysen |
| |
Van Noppen = (N)oppen |
| |
Vander Spicken = Spicken |
| Wilderen: |
Van Rutten (= Russon) = Rutten |
| Kermt: |
Vander Maesen = Maesen(119) |
| Zelem: |
Van Hove = Hoven |
Redelijkerwijs is dan ook te verwachten dat het aantal van-namen in Limburg lager zal liggen dan in Antwerpen, Brabant of
Oost-Vlaanderen, waar afzonderlijk gebruikte toenamen niet zo
gebruikelijk waren(120).
| |
4.2 Herkomst- en woonplaatsnamen.
De Nederlandse antroponymie maakt buiten van nog van
een hele reeks andere voorzetsels gebruik: te (Terhaar), op (Opdenacker), in
| | | | (Indestege), aan (Aandenboom), uit (Uyttenhove). Ook daar blijken bij geografische analyse
merkwaardige correlaties aan het licht te komen. Voldoende bekend is het
gebruik van te-namen in Noord-Oost-Nederland. Er is
echter meer. In het Vlaams en het Brabants krioelt het van van-namen, maar de andere voorzetsels komen er nauwelijks
voor. Alleen uit haalt nog een zekere frequentie: Uytterhoeven, Uyttebroeck, Uytenhove, Uytendaele,
Uytterelst, Uytterhaegen, Uyttersprot. Ze zijn sterk
vertegenwoordigd in Oost-Vlaanderen. Verder zijn er Opdebeeck (Mechelen), Bovendaerde
(Oost-Vlaanderen) en nog enkele andere. In het Limburgs daarentegen
wordt het aantal van-namen naar de Maaskant toe steeds
maar kleiner (een gedeeltelijke oorzaak zagen we in 4.1). In de plaats
daarvan treden andere voorzetsels op. Een goed beeld van de verhoudingen
krijgen we via onderstaande lijst met exhaustieve voorbeelden uit de
gichtregisters van de gemeenten Zonhoven
(West-Limburg) en Bree (Oost-Limburg).
In Zonhoven 1453-ca. 1480(121):
op, aan, te, in: naeck optie beeck (21),
ghysken ghinder after (31), thys opt warscap = thys in gheen waerschoet
= thys opt waerschoet (113, 139), jan lenairts ter moelen = jan vander
moelen (70), thys ten oppelzonuwen (70), rembout ter bruggen (117),
reimbout ter donck (228), jannes inde molen = jannes den moller (288-9),
willem inden mesthoff (348), peter in dii herberghe (353; deze naam
bestaat nog steeds!), stas in die waerde (354), willem aenden putte
alias willem peters (354-5), jan op die hoeve = jan op gheen hoeve = jan
hoefman (201-2).
van-namen: jan van ghestel = jan ghestelman (372-4),
willem vander heiden off willem brabenders (224), dirck vander locht off
loierman (204), reynder van kelsteren (213), dries van leel, jan sleger
off vander arnst (33; ook de familienamen arnstman en arnst komen voor),
meeus van cortterzem (48), jan vander moelen = jan lenairts ter moelen
(70), haywigen van heersele, begijn te Hasselt (94), pauwels van
doeyermael (99), lieben van loen (188), joest van loec (135), pauwels
vanden bachuyse (138), gherit van beuorts = gherit beuorts (140), gerit
van der hilst off haechdoren = gheryt haechdorens (167, 184), artken
ende gerit vander hellen (227), rom van hubraken (234), jan van belgen =
jan belgen (241), peter van balen = meester peter, schepenklerk (255),
jan coenens coenen soen vander roest (278; ook roestman komt vaak voor),
willem vander kempenen (405), maes van gheync alias scepers (298), vaes
van waterschee (304), meester peter van Rethi (327), mychiel van
appermont (350), abraem van groetloen (330), hennen van testelt = hennen
nys zeghers soen (359), geert van | | | | meret = geert van merhout
(369; ook zijn voornaam is typisch niet-Limburgs!), hennen van boxraeck
der sceper (387), johan van hulst alias lantmeters (387-8).
In Bree(122):
op, in: 1438 heyn in gheen schoen = heyn
monick, 1447 heynric op vostart = 1487 heyn op vostartz, 1463 pouwels op
gheen Aa = 1502 pouwels op die Aa, 1487 jan in die dael alias jacobs.
van-namen: 1444 heynrick vander sonderuorst, 1447
goert der scoutet alias van cyney, 1493 jan van kynre (daarnaast peter
kynre = peter kynremans), aert van meuwen.
In Zonhoven stellen we 30 van-namen vast tegenover 14
andere voorzetsels, in Bree 4 van-namen naast 4
andere.
Voor een dialectgeograaf kan de sterke vertegenwoordiging van voorzetsels
als in, op, aan enz. tegenover van
geen toeval zijn. Zeker niet wanneer men constateert dat het niet zo
maar een oppervlakkig verschil in voorzetsels betreft, maar een
semantische tegenstelling. De enige in het Vlaams, Brabants en Antwerps
echt gebruikelijke voorzetsels van en uit drukken verwijdering of herkomst uit, de Limburgse op, aan, in en het Oostnederlandse te zijn intern-lokaliserende bepalingen. Laatstgenoemd voorzetsel
is ook in Limburgse namen niet onbekend. In Maasmechelen bestaat nog altijd de familienaam Terwingen en in de parochieregisters van Leut en Meeswijk is in de 17e-18e
eeuw herhaaldelijk sprake van de familie Terhaegh =
Der Haegh. Te blijkt echter in Limburgse
familienamen niet zo produktief te zijn geweest als in Oost-Nederland.
Men zal opwerpen dat ook in Vlaanderen en Brabant familienamen met
lokaliserende voorzetsels voorkomen: Opdenbosch, Opdorp,
Ophalvens, Opstal. Het wordt echter duidelijk dat deze namen
afgeleid moeten worden uit oorspronkelijke van-namen,
wanneer we ze vergelijken met hun nog steeds bestaande varianten: Vanopdenbosch (bedoeld is Kapellen-op-den-Bos), Van Opdorp, Van
Opstal (gehucht van Buggenhout); Ophalvens (Ninove) gaat terug
op Opalfene (Teralfene). Moeilijker is de
verklaring van namen als Opdebeeck en Bovendaerde. Varianten met van heb ik niet
kunnen vinden. Gezien hun uitzonderlijk karakter lijkt me echter de
conclusie gewettigd ze als oorspronkelijke | | | |
van-namen te beschouwen (Van
Opdebeke?, Van Bovendaerde?) of migratie uit
Limburg aan te nemen(123).
Zoals men aan de hand van de lijsten uit Zonhoven en Bree kan
vaststellen, waren ook in Limburg van-namen niet
onbekend. Aan de ‘Gleichungen’ kan men echter merken dat een tendens
bestond ze te vermijden: van ghestel = ghestelman, jan van belgen = jan belgen.
Bovendien hebben de meeste nog duidelijk het karakter van een herkomst-
en niet van een woonplaatsnaam: van cyney (Chiny), van kynre (Kinrooi), van boxraeck (Bokrijk), van gheync (Genk) e.v.a. De in-, aan- en
op-namen daarentegen gaan waarschijnlijk terug op
gehucht- of huisnamen in Zonhoven of Bree zelf. Hetzelfde geldt voor de
Oostnederlandse te-namen.
Vatten we de gegevens in een schema samen:
Met deze onvermoede inzichten zijn vanzelfsprekend nog niet alle vragen
opgelost. Waarom hebben b.v. het Vlaams en het Brabants in hun
familienamen geen onderscheid gemaakt tussen herkomst- en
woonplaatsnamen? Uit tal van bronnen blijkt namelijk onomstotelijk dat
personen met een van-naam nog de plaats bewonen
waarnaar zij werden genoemd:
| Schelle ca. 1500 |
Matheeus van den Leene, op huys ende
hoff gheheeten den Leen(124) |
| Zandhoven 1456 |
gheerde vanden eynde (van) tgoet ten eynde tot pulle(125) |
| Herentals 1430 |
beemt in die wateruoert die willems
kyndere van der wateruoert was(126) |
| Bree (Limburg!) 1538 |
Jacop vander Straeten vanden hoff ter
straten(127) |
| | | |
| Gierle 1475 |
heinric vanden loo, (woont) opt
dloo(128) |
| Rijkevorsel 1467 |
peteren vanden langenberge, (bezit
goederen) tot langenberg(129) |
| Duffel ca. 1425 |
een stuc lands ter muken dat gilijs
vander muken was(130) |
Theoretisch gesproken zouden alle genoemde van-naamdragers dus even goed Optloo, Teneynde,
Terstraten hebben kunnen heten, zoals dat in Limburg of Drente
het geval was. Nu zijn dergelijke woonplaatsvoorzetsels in de
Middeleeuwen ook in Brabant, Antwerpen (en ongetwijfeld ook in
Vlaanderen) niet onbekend geweest, zoals mag blijken uit volgende
voorbeelden:
| Noorderwijk 1439 |
goedeuaert opde duypt(131) |
| Westerhoven (N.-Br.) 1459 |
thysken op die brugge |
| Beersel 1460 |
steuen op die heerstrate(132) |
| Oisterwijk 1491-2 |
maes op die vloet(133) |
| Duffel ca. 1500 |
machiel int swaenken, peeter inde messie, hinderic int gulden hoet te Mechelen(134) |
| Geel ca. 1442 |
jan inghen haghe(135) |
| Berlaar 1469-79 |
wouter opte beke, claes inden ketel(136) |
Hun aantal blijft echter miniem klein wanneer we ze vergelijken met de
van-namen. Geen enkele (met uitzondering dan
misschien van Opdebeeck?) heeft zich trouwens als
geslachtsnaam kunnen handhaven. Dat zulks niet is geschied hangt m.i.
samen met het zeer vroege opkomen van vaste en erfelijke geslachtsnamen
in het zuidwesten van ons taalgebied. Omstreeks 1300 droeg vrijwel
iedereen er niet enkel zo maar een toenaam (dat was
toen reeds overal zo), maar een vaste en onveranderlijke geslachtsnaam. Weliswaar kon de hoeve, het huis of enige
andere woonplaats waarnaar de familie genoemd was, nog steeds
familiebezit zijn (zoals in de voorbeelden hierboven), maar het is
duidelijk dat niet alle dragers van dezelfde geslachtsnaam daar nog
verbleven. Het is mijn vermoeden dat door die uitzwerming en door het
dwingende gebruik van vaste geslachtsnamen de van-namen ontstonden.
| | | |
Hoewel mij daarvan geen sporen bekend zijn (men zou dan trouwens over
Nederlandse documenten uit de 12e of vroege 13e eeuw moeten beschikken,
acht ik het mogelijk dat de stamvader van b.v. het geslacht Vergouwen als pachter of eigenaar van het goed Tergouwen ooit
Tergouwen, Op die Gouwe zou genoemd zijn. Toen de
geslachtsnamen echter vast werden en de nakomelingen Tergouwen naar elders gingen uitzwermen, paste het
lokaliserende ter semantisch niet meer op hen en
ontstond een van-naam, die dan van de weeromstuit op
het familielid overging dat op het ouderlijke stamgoed was blijven
wonen(137).
Deze hypothese wordt gedeeltelijk bevestigd door wat we in Drente en
Limburg vaststellen. In beide gebieden droeg weliswaar iedereen reeds
een toenaam van in de Middeleeuwen, maar die lag geenszins vast. Dat
blijkt voornamelijk uit de studie van de patroniemen, uit de morfologie
van de Limburgse namen op -issen, -sen e.d.(138). Op dezelfde manier kon het voorkomen dat iemand zijn
oorspronkelijke toenaam ruilde voor de naam van de boerderij waar hij
b.v. was ingetrouwd. In zulk systeem lag het voor de hand lokaliserende
voorzetsels te blijven gebruiken. Dat ze ten slotte toch in vaste
geslachtsnamen zijn versteend (wat in Vlaanderen en Brabant dus niet is
gebeurd) vindt zijn oorzaak waarschijnlijk in de toenemende druk van
overheidswege (de parochieregisters en later de burgerlijke stand) om
vaste en onveranderlijke toenamen te gaan gebruiken.
Voor de duidelijkheid vatten we alles nog eens samen in twee fictieve
stambomen:
1) Systeem met vaste geslachtsnamen (Vlaanderen, Hertogdom Brabant...)
| | | |
2) Systeem met wisselende toenamen (Limburg, Drente, Overijsel...)
Dat mijn beschouwingen niet volledig uit de lucht zijn gegrepen, wordt
geïllustreerd door een treffend voorbeeld uit Eindhoven. Tot in de jaren
1620-40 wordt de Eindhovense familie Van de Sterre,
eigenaars van de gelijknamige herberg, doorlopend naast elkaar Van der Sterre of In de Sterre
geheten. Na die datum is de herberg in andere handen overgegaan en vindt
men nog alleen de naam Van der Sterre. Hoe de overgang
van in/van naar van is verlopen,
valt af te lezen uit volgende excerpten(139):
| 1521 |
Dirck Goort Jan Gilis in de Sterre (is
er herbergier) |
| 1597 |
Jan van der Sterre (is er
herbergier) |
| 1644 |
Dirck in de Sterre (is nog herbergier,
maar verkoopt de herberg) |
| 1641 |
Henrick van der Sterre (is geen
herbergier meer!) |
| 1593 |
Peter van der Sterre (is geen herbergier
meer!) |
| 1656 |
Bartholomeus van der Sterre (is geen
herbergier meer!) |
| 1688 |
Adriaen van der Sterre (is geen
herbergier meer!). |
Antwerpen, U.F.S.I.A., december 1980.
Jozef van Loon
| | | | | |
[Kaart]
|
(1)Lezing gehouden voor de Commissie voor Naamkunde en
Nederzettingsgeschiedenis te Amsterdam op 13 december 1980.
(2)Handzame, 1981 (op handen). Een summiere
samenvatting is te vinden in Naamkunde XI (1979), pp.
233-238.
(3)Uitzondering maakt hier Zwitserland. A.
Bach, Deutsche Namenkunde, I: Die deutschen Personennamen (2 dln.,
Heidelberg, 1952), 2, p. 143.
(4)Nederlandse Repertoria van
Familienamen, VI: Overijsel (verz. door K. Heeroma en
R.A. Ebeling, Assen, 1968), p.
44.
(6)Zie
voor dergelijke tegenstellingen ook: J. Lindemans,
Het praefix ver in familienamen. Versl.
Med. K. Vl. Ac., 1940, p. 275.
(7)J. Van Gorp, Het praefix ver in Kempische familienamen. Med.
Vl. Top. Ver. XVII (1941), pp. 25-37. Bedoeld als reactie
op bovengenoemd artikel van Lindemans, die had
aangenomen dat ver uit vander
was ontstaan door een prefixverwisseling met het Middelnederlandse
veren uit metroniemen.
(8)L. Peene, Vander-,
vaer-, van- en ver-namen in het
Kortrijkse. De Leiegouw III (1961), pp.
19-24.
(9)J.
Dercon, Bijdrage tot de studie van de
persoonsnamen te Herentals in de 14e en 15e eeuw (2
dln.). Lic. K.U. Leuven, 1964 (volledig
geëxcerpeerd).
(10)Van
Gorp, o.c., pp. 38-42.
(11)Gemeente-archief
nr. 38, ff. 1-30.
(12)Van Gorp,
o.c., pp. 38-42.
(13)Gemeente-archief Tielen, 2e
reeks, nr. 6, ff. 1-20.
(14)Van
Gorp, o.c., pp. 38-42.
(15)G.A. Gierle, nr.
627, ff. 1-91. De onverwachte meerderheid van vander-vormen hangt wellicht samen met
het conservatieve karakter van de bron.
(16)Van Gorp,
o.c, pp. 38-42.
(17)G.A. Arendonk, nr. 4986,
volledig voor de opgegeven data.
(18)R.A. Brussel, Rekenkamer, nr. 13016
(volledig voor de vermelde jaren).
(19)R.A. 's-Hertogenbosch,
G.A. Oisterwijk, nr. 195, ff. 1-20.
(20)Id., nr. 197, ff.
1-50.
(21)Rekenkamer, nr. 13024 (volledig
voor deze gemeente en data).
(22)Rekenkamer, nr. 13028
(volledig voor de vermelde jaren).
(23)A.J. Van de Ven, Het oud-archief
van de Gemeente Culemborg ( Utrecht, 1938), pp.
244, 245, 256, 259.
(24)J. Joosting, Inventaris van het oud-archief
der Nijmeegsche broederschappen ( Nijmegen,
1891), pp. 189, 196 vv.
(25)A.J.
Maris, Repertorium op de Stichtse leenprotocollen uit het
landsheerlijke tijdvak ( Den Haag, 1956),
Index.
(26)Bijdragen en Mededeelingen
van het Historisch Genootschap te Utrecht, 1880, pp.
200, 206, 211.
(27)G.A. Vorselaar, nr. 63
(volledig).
(28)G.A. Zandhoven, nr. 199
(volledig).
(29)G.A. Westmalle, nr. 28,
ff. 1-33.
(30)Id., nr. 4, ff.
1-88.
(31)G.A. Loenhout, nr. 137,
ff. 1-249.
(32)G.A. Rijkevorsel, nr.
145, ff. 1-72.
(33)G.A. Wuustwezel, nr. 1,
ff. 1-25.
(34)G.A. Geel, nr. 1557,
ff. 1-100.
(35)G.A. Vorst, Hof van
der Galen, nr. 16, ff. 1-20.
(36)R.A. Hasselt, G.A.
Oostham, Gichten nr. 1.
(37)G.A. Oostham, Gichten
nr. 7, ff. 1-93.
(38)R.A. Hasselt, Fonds
Oudenbiezen, nr. 82.
(39)R.A. Antwerpen, G.A.
Berlaar, nr. 175.
(40)Id., nr. 177, ff.
1-169.
(41)G.A. Heist, nr.
351 en Kerkarchief, nrs. 588, 589, 590
(volledig).
(42)A. Frans, Bijdrage tot de studie van de
persoonsnamen te Lier in de 14e en 15e eeuw (2 dln.),
Lic. K.U. Leuven, 1967 (volledig).
(43)G.A. Duffel, nr. 166
(volledig).
(44)G.A. Rumst, nr. 25, ff.
1-19.
(45)C.P. Serrure, De weerbare mannen van het Land
van Waas ( Gent, 1861), pp. 3-8,
59-64.
(46)Vlaamse
Stam, 1966, pp. 129-136.
(47)Een naam die in dit verband
zeker het vermelden waard is, is de Limburgse familienaam Verslegers. In de parochieregisters van
Neeroeteren wisselt hij af met de vorm Versleger
(ca. 60 ×). De in 1613 genoemde Herman Verslegers
blijkt in 1624 ook Herman Versleghen te heten. De
etymologie van de naam blijkt uit volgende identificatie: 1467 Lemken van der Sleghen = Lemken van
der Sleheggen ( P.J. Maas, Geschiedenis
van Neeroeteren, 2 dln. ( Roeselare, 1905-6), dl.
II, pp. 98, 349, 365, 393). De vormen met - er en
- ers zijn dus vrij recent ontstaan, denkelijk
onder invloed van de eveneens Limburgse familienaam Slegers.
(51)Zie W. Van Langendonck, Aksentuering bij eigennamen.
Naamkunde, 1973, pp. 118-133.
(52)Over nasalering
vóór n en dentaal in het Hollands en het Zeeuws
zie K. Heeroma in Nieuwe
Taalgids 36 (1942). In het Middelnederlands was elkander nog duidelijk een geleed woord: sy saghen elck op anders aensicht ( A. Van Loey, Schönfelds historische grammatica
van het Nederlands ( Zutphen, 1964), p. 180).
‘Elkaar’ is zeker geen ingweonisme zoals J.
Vercoullie en Franck-Van Wijk in hun
etymologische woordenboeken aannemen.
(53)G.A. Rijkevorsel, nr.
145, f. 53.
(54)G.A. Berlaar, nr.
175, f. 121.
(55)G.A. Westmalle,
nr. 4, ff. 82, 85.
(56)G.A.
Vorselaar, nr. 63, ff. 5, 39.
(57)G.A. Geel, nr.
1557, f. 20.
(58)J. Stroop, Iets
over de uitspraak van de protonische vokaal in Romaanse leenwoorden.
Nieuwe Taalgids, 1974, pp. 314-330.
(60)Het is mij tijdens een treinreis overkomen dat
ik in een belendende coupé (Belgisch-)Frans dacht te horen, wat
achteraf Zuidbrabants bleek te zijn! De Hollandse zins- en
woordmelodie leunt daarentegen veel dichter aan bij het
Engels.
(62)G.A. Vorselaar, nr. 63
(passim).
(63)G.A.
Geel, nr. 1557 (passim).
(64)G.A. Duffel, nr. 166
(passim).
(65)Waarom vanden niet tot ven is geëvolueerd zoals
vander tot var heeft te
maken met de attractie van eveneens quasi betekenisloos geworden
prefixen bij de appellatieven t.w. van ( vandaag, vanmiddag) en ver ( vergeten, verliezen). Het betreft echter een pure
spellingkwestie.
(66)Ik dank hier mijn
informanten C. Braecke, G. Debrabander, R. Duhamel, S.
Marysse, P. Cuvelier, W. Parys, W. Moesen en M. Van Hille.
(67)Dercon (o.c.,
pp. 128, 143, 154, 160, 165) vermeldt in Herentals wel gevallen waar
ver- los van het hoofdwoord geschreven staat:
1421-65 ver houstraten, ver mere, ver ryt, ver
vlaest enz. Of zijn het oplossingen van Dercon zelf?
(68)P.W. De
Lange, De ontwikkeling van het gebruik van toenamen in het
Gooi. Med. Ver. Nk. 43 (1967), pp. 86-93. Meer
over die kwestie in Hoofdstuk I D van mijn proefschrift (zie noot
2).
(69)Van Lantschot in Brabantse
Leeuw, 1964, pp. 149-169; verder de stambomen van de families
Van Dam ( Nederlandsche
Leeuw, 1904, pp. 397-8), Van Weert ( Brab. Leeuw, 1974), Smits (ib.),
Cauwenberg ( Brab. L., 1972)
enz.
(70)Brabantse
Leeuw, 1965.
(71)Lindemans, p. 272. Gelijkaardige
voorbeelden: Zandhoven ca. 1450-57 kathelyne
vandernyden, naast jan vernyden (nu fn.
Van Nijen), jan vander
marien (G.A., nr. 199, ff. 25, 29).
(72)Talrijke voorbeelden in:
Varia Peellandiae Historiae ex Fontibus IX (1972).
(73)In de
parochieregisters van Hoeselt treft men volgende gleichungen aan:
Verjannen = Verjennen = Verjans.
(75)A. De Loecker, Waternamen in de
provincie Antwerpen (2 dln., Lic. K.U. Leuven, 1962), p. 25.
(76)A. Frans, Bijdrage tot de studie van
de persoonsnamen te Lier in de 14e en 15e eeuw (2 dln., Lic. K.U.
Leuven, 1967). Zie hierboven ook de gegevens voor Putte.
(77)G.A. Duffel, nr. 166, ff. 4, 6,
20.
(78)Id., nr. 167, ff. 3,
17.
(79)G.A.
Berlaar, nr. 175, f. 77.
(80)Brabantse
Leeuw, 1966, p. 73.
(81)Nederlandsche Leeuw, 1956, p. 188.
(83)P.
Coussement, De poorterij van Menen, Kortrijk, 1971.
(84)A. Schrever, Bijdrage tot de studie
van de persoonsnamen te Geraardsbergen in 1374 en 1417, Lic. K.U.
Leuven, 1969.
(85)G.A. Oisterwijk, nrs. 195-197 (1488-1492)
(passim).
(86)H.D.J. Van Schevichaven e.a.,
Stadsrekenboeken van Nijmegen, 8 dln., ( Nijmegen,
1910-19) (passim).
(87)W. Beele, Bijdrage tot de studie van
de persoonsnamen uit het Ieperse in de XIIIe en XIVe eeuw (Lic. K.U.
Leuven, 1959. - Studie van de Ieperse persoonsnamen uit de stads- en
baljuwrekeningen 1250-1400 (Doct. dissertatie K.U. Leuven, 1975. -
Handzame, Familia et Patria, 1975, 2 delen),
passim. Vermoedelijk is de in 1329 te Ieper genoemde ‘sheren Niclais
van der caerden’ (p. 127) dus geen Westvlaming!
(88)M. Gysseling, Corpus van Middelnederlandse
teksten, I: Ambtelijke bescheiden (9 dln.; Indices door W. Pijnenburg, Den Haag, 1977),
dl. 4, pp. 2181 vv.
(89)F. Debrabandere, Kortrijkse persoonsnamen
omstreeks 1400 (Anthroponymica IX, Tongeren, 1958)
(passim).
(90)A. Van Werveke, Gentse
stads- en baljuwrekeningen (1351-64), Brussel,
1970.
(91)E. Neelemans, Geschiedenis der stad Eecloo (2
dln., Gent-Eeklo, 1859-65), II, pp.
171-178.
(92)W. Braune --
Mitzka, Althochdeutsche Grammatik ( Tübingen, 1959), pp. 191, 203.
(93)A. Van Loey,
Middelnederlandse spraakkunst (2 dln., Groningen-Antwerpen, 1964-5), p. 23.
(95)Gysseling, IV. Onderzocht werden pp.
2181-2554.
(97)Zie de tekst uit Maldegem
van 1294-1300 bij Gysseling IV, pp.
2830-2862.
(98)Gysseling IV, pp. 2181-2337.
(99)H. Paul -- W. Mitzka,
Mittelhochdeutsche Grammatik ( Tübingen, 1963), p.
132.
(100)Gysseling IV, pp. 2181 vv.
(101)M.
Gysseling -- C. Wyffels, Het oudste register van
wettelijke passeringen van Eksaarde (Anthroponymica XIV, Leuven-Brussel, 1964) (passim).
(102)P. Van
Butsele, Poorter- en struuckboek van Pamele-Oudenaarde ( Handzame, 1972) (geëxcerpeerd tot p.
71).
(103)Dercon, pp. 143-4, 170.
(105)X. Dekeyser, Middelnederlandse persoonsnamen
in de cijnsgebieden Kampenhout en Erps (2 dln., Lic. K.U.
Leuven, 1956), p. 7.
(106)L. Peene,
Middelnederlandse persoonsnamen in het archief van het
St.-Jans-hospitaal, Lic. Centr. Examencommissie Brussel, 1954
(passim).
(107)G. Van Ingelgom,
Bijdrage tot de studie van de Mechelse persoonsnamen, Lic. K.U.
Leuven, 1968 (s.v.).
(108)J. Franck, Mittelniederländische Grammatik
( Leipzig, 1910), p. 157.
(109)F.
Ketner, Oorkondenboek van het sticht Utrecht VI
( Den Haag, 1959), pp. 293,
404.
(110)S.
Muller, De registers en rekeningen van het
bisdom Utrecht ( Utrecht, 1889), pp.
484-5.
(111)A. Van Asch van Wijck, Oudste
kameraars-rekening der stad Utrecht (Codex Diplom.
Neerl. 2e serie, 2e deel, 1e afd.), pp. 77-80, 123,
203-207, 254-457.
(112)Ph. J.C.G.
Van Hinsbergen e.a., Bronnen voor de
geschiedenis van Zeist (2 dln.; 7 afd., Assen, 1957-67), 1, 2, pp. 62, 63,
65.
(113)Muller, 1889,
pp. 467-9.
(114)K.
Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht (1378-1573) (2
dln., Utrecht, 1926), passim.
(115)Heeringa, pp. 3-139
(passim).
(116)W. Jappe
Alberts, De stadsrekeningen van Arnhem (Dl. I), Groningen, 1967 (passim).
(117)Bach I, 1,
pp. 236 vv., 2, pp. 61, 89-90. Ik heb bij mijn studie bewust
afgezien van metonymisch ontstane toenamen zoals Boudewijn Halfantwerpen...
(118)Tenzij namen met een labiale occlusief: Praet, Put, Poel, Plas...
(119)Men
vergelijke verder in dat verband namen als Kuilen, Kuiken (< Van
Kuik?), Beken,
Gooren enz.
(120)Andere uitingen van het
individualiseren van toenamen in het Limburgs zijn de namen op - mans ( Broekmans) en de
lidwoordloosheid van eigenschapsnamen ( Bekker).
Meer details vindt men in Hoofdstuk II.2.8. van mijn
dissertatie.
(121)Schepenbankarchief
Zonhoven, nr. 2. De cijfers bij de excerpten duiden de folio's
aan.
(122)Schepenbank Bree, nr. 46 (niet
gefolieerd; de gegevens zijn onder de opgegeven datering te
vinden).
(123)De van-loze Wouter opte beke wordt echter al in
1469-79 te Berlaar gesignaleerd (zie de excerpten hierna).
(124)Vlaamse Stam, 1969, p.
309.
(125)G.A. Zandhoven, nr. 199, f.
60.
(127)R.A. Hasselt, Fonds Oudenbiezen, nr. 82, ff.
120-139.
(128)G.A. Gierle, nr. 627,
f. 57.
(129)G.A. Rijkevorsel, nr. 145, f.
13.
(130)F. Verbiest, Cijnsrollen
te Lier ( Ts. Gesch. Folkl., 1957), p.
95. Tal van andere voorbeelden zijn te vinden bij Lindemans (pp. 264-5) en Van Gorp (pp. 30-31).
(131)G.A. Noorderwijk, nr. 1, f.
2.
(132)A.R.A. Brussel, Rekenkamer, nr. 13016,
s.d.
(133)G.A. Oisterwijk, nr. 197, f.
35.
(134)G.A. Duffel, nr. 166, ff. 6, 23,
70.
(135)G.A. Geel, nr. 1557, f. 7.
(136)G.A. Berlaar,
nr. 175, ff. 3, 42, 75.
(137)Er was wellicht ook in het
Middelnederlands geen semantisch bezwaar tegen, de nog op het
stamgoed verblijvende Jan ter Gouwen ook als Jan van der Gouwen aan te duiden (vgl. modern
Nederlands: ik ben van Antwerpen). De
lokaliserende voorzetsels te, in e.d. zijn in dat
opzicht veel strikter.
(138)De erfelijkheid van toenamen is uitvoerig
besproken in mijn dissertatie (Hoofdstukken I A.2, C.3; II
1).
(139)Brabantse Leeuw 1969, p. 55.
|
|